<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR251051_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Elburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Elburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Huis aan huis Elburg, 05-02-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Elburg</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147 lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers, art. 34, 35 en 36</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wetinkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen werknemers, art. 34, 35 en 36</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-02-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Elburg, </al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 december
                        2012;</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet, de artikelen 7 en 8 en
                        10, tweede lid, van</al><al>de Wet werk en bijstand, de artikelen 34, 35 en 36 van de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en</al><al>gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers en de artikelen 34, 35 en 36 van
                        de Wet</al><al>inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
                        werknemers,</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is bij verordening regels te stellen inzake
                        het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen
                        gericht op arbeidsinschakeling</al><al>besluit vast te stellen de<vet>Re-integratieverordening Wet werk en bijstand
                        </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Uitkeringsgerechtigde: persoon met een periodieke uitkering
                                        voor levensonderhoud ingevolge de wet, de Ioaw of de
                                        Ioaz;</al></li><li nr="b."><al>Anw’er: persoon met een nabestaanden- of halfwezenuitkering
                                        volgens de Algemene nabestaandenwet, die als werkzoekende is
                                        geregistreerd bij het UWV-werkbedrijf;</al></li><li nr="c."><al>Nugger: persoon als bedoeld in artikel 6 lid 1 onder a van
                                        de wet;</al></li><li nr="d."><al>Werknemer gesubsidieerde arbeid: werknemer als bedoeld in
                                        artikel 10 lid 2 van de wet.</al></li><li nr="e."><al>Voorziening: een voorziening bedoeld in artikel 7 lid 1
                                        onderdeel a van de wet en deze verordening;</al></li><li nr="f."><al>De wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="g."><al>Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="h."><al>Ioaz: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="i."><al>Het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Elburg;</al></li><li nr="j."><al>De raad: de gemeenteraad van de gemeente Elburg;</al></li><li nr="k."><al>Awb: de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="l."><al>Norm: de van toepassing zijnde norm per maand zoals die
                                        wordt vastgesteld op grond van de paragrafen 3.2 en 3.3 van
                                        de wet en de Toeslagenverordening Wet werk en bijstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet en
                                de Awb.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Beleid en financiën</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Opdracht college</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college biedt aan uitkeringsgerechtigden tot de
                                    pensioengerechtigde leeftijd, Anw’ers, Nuggers en werknemers
                                    gesubsidieerde arbeid, ondersteuning bij de arbeidsinschakeling
                                    aan en, voor zover het college dat noodzakelijk acht, een
                                    voorziening gericht op die arbeidsinschakeling. Artikel 40 lid 1
                                    van de wet is van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer arbeidsinschakeling nog niet aan de orde is, biedt het
                                    college aan uitkeringsgerechtigden, Anw-ers en Nuggers
                                    ondersteuning bij participatie aan de maatschappij aan en, voor
                                    zover het college dat noodzakelijk acht, een voorziening gericht
                                    op die maatschappelijke participatie. Artikel 40, eerste lid van
                                    de wet is vanovereenkomstige toepassing.</al></li></lijst><lijst><li nr="3."><al>Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het
                                    aanbieden van voorzieningen wordt door het college een afweging
                                    gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de
                                    voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van een
                                    cliënt, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de
                                    arbeid of maatschappelijke participatie.</al></li><li nr="4."><al>Het college draagt zorg voor voldoende diversiteit in het aanbod
                                    aan ondersteuning en voorzieningen.</al></li><li nr="5."><al>Het college brengt jaarlijks aan de gemeenteraad verslag uit
                                    over de doeltreffendheid en de effecten van het beleid. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Aanspraak op ondersteuning en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitkeringsgerechtigde heeft aanspraak op ondersteuning bij de
                                arbeidsinschakeling en maatschappelijke participatie en op de naar
                                het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht
                                op arbeidsinschakeling en maatschappelijke participatie. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Anw’ers, Nuggers en werknemers gesubsidieerde arbeid, hebben
                                aanspraak op ondersteuning bij de arbeidsinschakeling en
                                maatschappelijke participatie en op de naar het oordeel van het
                                college noodzakelijk geachte voorziening gericht op
                                arbeidsinschakeling en maatschappelijke participatie indien het
                                inkomen minder bedraagt dan 110% van de norm en het vermogen de
                                grens als bedoeld in artikel 34 lid 3 van de wet niet overschrijdt.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college en het UWV kunnen overeenkomen dat personen met een
                                uitkering van het UWV tevens tot de doelgroep behoren van deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria die gesteld
                                zijn in deze verordening en de door het college vast te stellen
                                (uitvoerings)besluiten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien (nog) geen aanbod is gedaan, kan een voorziening als bedoeld
                                in lid 1 en 2 worden aangevraagd door belanghebbende door het
                                indienen van een volledig ingevuld en ondertekend formulier dat door
                                het college is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Er bestaat geen recht op ondersteuning indien er sprake is van een
                                voorliggende voorziening welke naar mening van het college in
                                voldoende mate bijdraagt aan de re-integratie van aanvrager.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verplichtingen van de cliënt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een uitkeringsgerechtigde die door het college een voorziening
                                krijgt aangeboden, is verplicht hier van gebruik te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De persoon die gebruik maakt van een voorziening, is gehouden aan de
                                verplichtingen te voldoen die voortvloeien uit de wet, de Wet
                                Structuur Uitvoering Werk en Inkomen, deze verordening en de hierop
                                gebaseerde (uitvoerings)besluiten van het college, alsmede aan de
                                verplichtingen die het college aan de aangeboden voorziening heeft
                                verbonden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een uitkeringsgerechtigde die gebruik maakt van een
                                voorziening, niet voldoet aan het gestelde in lid 2, dan kan het
                                college de uitkering verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in
                                de afstemmingsverordening Wwb, Ioaw en Ioaz.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien de persoon, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die
                                gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in
                                lid 2, kan het college de kosten van de voorziening dan wel de
                                subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen van die persoon.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Sluitende aanpak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Elke uitkeringsgerechtigde ontvangt, indien het college dit
                                noodzakelijk acht, een aanbod voor een voorziening gericht op
                                inschakeling in algemeen geaccepteerde arbeid, mits de
                                uitkeringsgerechtigde staat ingeschreven bij het UWV
                                WERK-bedrijf.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van de uitkeringsgerechtigde jonger dan 27 jaar stelt
                                het college een plan van aanpak op, afgestemd op de omstandigheden,
                                krachten en bekwaamheden van deze belanghebbende. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het plan van aanpak zoals bedoeld in lid 2 gaat niet eerder in dan 4
                                weken na de melding bij het UWV. Artikel 41 lid 4 van de wet is van
                                overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Lid 1 is niet van toepassing indien het college heeft bepaald dat
                                voor deze persoon een volledige ontheffing van de
                                arbeidsverplichting geldt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Budget- en subsidieplafonds</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bij (uitvoerings)besluit één of meer subsidie- of
                                budgetplafonds vaststellen voor de verschillende voorzieningen. Een
                                door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een
                                weigeringsgrond bij de aanspraak op de voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een plafond instellen voor het aantal personen dat
                                in aanmerking komt voor een specifieke voorziening.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Algemene bepalingen over voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, in aanvulling op de verplichtingen die voortvloeien
                                uit de wet en deze verordening, aan een voorziening nadere
                                verplichtingen verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een voorziening beëindigen dan wel wijzigen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn
                                        verplichtingen als bedoeld in artikel 5 niet (volledig)
                                        nakomt;</al></li><li nr="b."><al>indien de persoon die van een voorziening gebruik maakt niet
                                        meer behoort tot de doelgroep van de wet;</al></li><li nr="c."><al>indien de persoon die van een voorziening gebruik maakt,
                                        algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waarbij geen
                                        gebruik wordt gemaakt van deze voorziening;</al></li><li nr="d."><al>indien naar het oordeel van het college de voorziening
                                        onvoldoende bijdraagt aan een snelle
                                        arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij (uitvoerings)besluit kan het college ten aanzien van
                                voorzieningen nadere regels stellen. Deze regels kunnen in ieder
                                geval betrekking hebben op:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorwaarden waaronder een voorziening wordt
                                        aangeboden;</al></li><li nr="b."><al>de weigeringsgronden bij het aanbieden van
                                        voorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of
                                        -vaststelling;</al></li><li nr="d."><al>de aanvraag van en de besluitvorming over subsidies en
                                        premies;</al></li><li nr="e."><al>de betaling van subsidies en het verlenen van
                                        voorschotten;</al></li><li nr="f."><al>overige criteria voor het aanbieden van voorzieningen en het
                                        verstrekken van subsidies.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Personen bedoeld in artikel 1 lid 1 onder a, b, c en d kunnen in
                                principe aanspraak maken op de voorzieningen zoals die hieronder
                                worden genoemd, tenzij de doelgroep in het betreffende artikel wordt
                                beperkt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Trajecten kunnen zowel worden verzorgd door het college zelf als
                                door externe partijen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Werkstages</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een werkstage aanbieden, gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het doel van de werkstage is het opdoen van werkervaring dan wel het
                                leren functioneren in een arbeidsrelatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze werkstage duurt maximaal 6 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college plaatst de persoon alleen indien door zijn plaatsing de
                                concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en
                                indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In een schriftelijke overeenkomst worden tenminste vastgelegd het
                                doel van de werkstage, alsmede de wijze waarop de begeleiding
                                plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Sociale activering</titel></kop><al>Het college kan als onderdeel van een re-integratietraject sociale
                            activering aanbieden. Onder sociale activering wordt verstaan het
                            verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten ter voorbereiding op
                            een traject gericht op arbeidsinschakeling of gericht op
                            maatschappelijke participatie en het voorkomen van sociaal
                            isolement.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Detacheringsbanen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college gaat geen nieuwe dienstverbanden aan in het kader van
                                een re-integratietraject.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college zal de huidige dienstverbanden voor onbepaalde tijd niet
                                vanwege financiële redenen ontbinden. Wel kan de inleenvergoeding
                                worden verhoogd, bijvoorbeeld aan de hand van het bepalen van de
                                loonwaarde c.q. door de loonwaarde te laten vaststellen door een
                                derde.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11 Loonkostensubsidies</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan gedurende maximaal 2 jaar een loonkostensubsidie
                                verstrekken aan werkgevers die met een uitkeringsgerechtigde een
                                arbeidsovereenkomst sluiten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De subsidie bedraagt in het eerste jaar maximaal € 5000,00 per jaar
                                en in het tweede jaar maximaal 3000,00 per jaar bij een arbeidsduur
                                van 32 uur per week. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij (uitvoerings)besluit kan het college nadere regels stellen ten
                                aanzien van de duur van de subsidie, de hoogte, de voorwaarden en de
                                verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij het bepalen van de hoogte van de subsidie is de loonwaarde een
                                bepalende factor. Deze wordt vastgesteld door het college, waarbij
                                eventueel een derde om advies wordt gevraagd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Tenminste eenmaal per jaar wordt in overleg met de werknemer en de
                                werkgever bezien welke mogelijkheden er voor de werknemer zijn voor
                                arbeidsinschakeling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12 Participatieplaats</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit traject kan worden ingezet indien een uitkeringsgerechtigde
                                ouder dan 27 jaar en jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd een
                                grote afstand heeft tot de reguliere arbeidsmarkt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het traject bestaat uit het verrichten van additionele arbeid met
                                behoud van uitkering waarbij de begeleiding plaatsvindt door de
                                inlenende partij onder gemeentelijke verantwoordelijkheid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van het traject is maximaal 24 maanden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college beoordeelt na 9 maanden of de toepassing van een
                                participatieplaats zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces
                                heeft vergroot. Indien dat niet het geval is wordt het verrichten
                                van de additionele werkzaamheden twaalf maanden na aanvang van die
                                werkzaamheden beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De duur van het traject kan tweemaal met een jaar worden verlengd
                                als daardoor de kans op inschakeling in het arbeidsproces
                                aanmerkelijk verbetert.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De gemeente beoordeelt uiterlijk drie maanden voor afloop van het
                                traject of een andere voorziening moet worden aangeboden of dat het
                                traject met een jaar moet worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien het traject wordt verlengd zoals hierboven is bedoeld dan
                                wordt het traject vervolgd bij een andere organisatie en worden
                                andere werkzaamheden verricht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13 Activeringstraject</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een activeringtraject aanbieden gericht op
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Scholing kan alleen onderdeel uitmaken van een activeringstraject
                                indien het college dit noodzakelijk acht voor arbeidsinschakeling.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een activeringstraject kan eveneens worden aangeboden direct in
                                aansluiting op de uitkeringsintake bij het UWV-WERKbedrijf. In dat
                                geval wordt een plaatsing op een work first plek bedoeld,
                                afhankelijk van de mogelijkheden van de persoon.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt de noodzaak van een activeringstraject vast en
                                tevens de inhoud, de doelstelling, de duur en de maximale kosten van
                                een traject.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 14 Work First</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Elke uitkeringsgerechtigde krijgt bij inschrijving bij het UWV een
                                aanbod voor een Work First traject.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het traject duurt 6 tot maximaal 8 weken en bedraagt 20 uur per
                                week.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het traject is in eerste instantie gericht op het opdoen van
                                werkervaring en het in kaart brengen van capaciteiten en
                                belemmeringen gericht op een vervolgtraject.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op personen ten aanzien van
                                wie het college heeft bepaald dat een volledige ontheffing van de
                                arbeidsverplichting geldt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan in individuele gevallen afwijken van het gestelde in
                                het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15 Scholing</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Scholing kan ingezet worden voor de uitkeringsgerechtigden en heeft
                                tot doel de afstand tot het verkrijgen van algemeen geaccepteerde
                                arbeid te verkleinen of te overbruggen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De scholing is beroepsgericht en duurt zo kort mogelijk.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij inzet van een participatieplaats aan een persoon zonder
                                startkwalificatie, wordt na 6 maanden scholing of opleiding
                                aangeboden met het oog op het behalen van die
                                startkwalificatie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van het gestelde in lid 3 wordt afgezien indien dat naar het oordeel
                                van het college niet bijdraagt aan de arbeidsmarktkansen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien een uitkeringsgerechtigde alleenstaande ouder met een kind
                                jonger dan 5 een verzoek indient zoals bedoeld in artikel 9a lid 1
                                van de wet, biedt het college binnen 6 maanden scholing aan.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De scholing als bedoeld in lid 5 heeft tot doel een
                                startkwalificatie te behalen en de kansen op de arbeidsmarkt te
                                vergroten, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke
                                scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de
                                alleenstaande ouder te boven gaat.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien de uitkeringsgerechtigde alleenstaande ouder reeds beschikt
                                over een startkwalificatie, biedt het college een opleiding aan, als
                                bedoeld in artikel 7.2.2., tweede lid, onder a, van de Wet educatie
                                en beroepsonderwijs, die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert,
                                tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of
                                opleiding de krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder te
                                boven gaat.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 16 Inkomstenvrijlating</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deeltijdwerk wordt geacht bij te dragen aan
                                arbeidsinschakeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de uitkeringsgerechtigde ouder dan 27 jaar en jonger dan de
                                pensioengerechtigde leeftijd arbeid in deeltijd aanvaardt, waarmee
                                een inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dan de norm, vindt
                                tijdelijk vrijlating van inkomsten uit arbeid plaats zoals verwoord
                                in artikel 31 van de wet. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17 Premies</label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een uitkeringsgerechtigden ouder dan 27 jaar en
                                jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd en aan werknemers met een
                                detacheringsbaan als bedoeld in artikel 10, een eenmalige premie
                                toekennen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan de werknemer met een detacheringsbaan voor onbepaalde tijd wordt
                                de maximaal mogelijke premie, zoals verwoord in artikel 31 van de
                                wet, verstrekt indien betaald werk wordt aanvaard en het
                                dienstverband met de gemeente wordt beëindigd. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de uitkeringsgerechtigde, die niet direct bemiddelbaar was èn
                                naar het oordeel van het college voldoende getracht heeft algemeen
                                geaccepteerde arbeid te verkrijgen en te aanvaarden, kan een premie
                                worden verstrekt bij:</al><lijst><li nr="a."><al>het aanvaarden en behouden van algemeen geaccepteerde arbeid
                                        voor tenminste 6 maanden, waarbij een inkomen wordt
                                        verworven dat tenminste gelijk is aan de norm;</al></li><li nr="b."><al>het gedurende 12 maanden deelnemen aan voorzieningen als
                                        bedoeld in artikel 9. </al></li><li nr="c."><al>afloop van de werkstage als bedoeld in artikel 8, mits deze
                                        6 maanden heeft geduurd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De hoogte van de premie als bedoeld in lid 3</al><lijst><li nr="a."><al>onder a wordt vastgesteld op: -€ 300,00 voor een gezin</al></li><li nr="b."><al>€ 200,00 voor een alleenstaande ouder</al></li><li nr="c."><al>€ 100,00 voor een alleenstaande</al></li><li nr="d."><al>onder b en c wordt vastgesteld op: -€ 150,00 voor een
                                        gezin</al></li><li nr="e."><al>€ 100,00 voor een alleenstaande ouder</al></li><li nr="f."><al>€ 75,00 voor een alleenstaande</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Aan de uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een
                                participatieplaats dient na elke 6 maanden een activeringspremie te
                                worden verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De activeringspremie is gelijk aan 25% van het jaarbedrag, genoemd
                                in artikel 31 lid 2 sub j van de wet.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De premie zoals bedoeld in lid 5 wordt niet verstrekt indien de
                                uitkeringsgerechtigde naar het oordeel van het college onvoldoende
                                meegewerkt heeft aan zijn traject.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De premie wordt aangevraagd door het indienen van een volledig
                                ingevuld en ondertekend formulier dat door het college is
                                vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Overige vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een uitkeringsgerechtigde een vergoeding
                                verstrekken voor kosten die gemaakt zijn in het kader van de
                                arbeidsinschakeling. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college bepaalt de noodzakelijkheid van deze overige kosten. Te
                                denken valt aan:</al><lijst><li nr="a."><al>reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>kosten voor kinderopvang;</al></li><li nr="c."><al>kosten van schuldhulpverlening, indien dit noodzakelijk is
                                        voor arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="d."><al>kosten van werkkleding, speciale schoenen en dergelijke,
                                        indien de werkgever dit niet betaalt;</al></li><li nr="e."><al>overige noodzakelijk kosten.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Voorzieningen gericht op nazorg</titel></kop><al>Het college kan aan een werkgever waarbij een persoon algemeen
                            geaccepteerde arbeid heeft aanvaard, voorzieningen bieden gericht op
                            nazorg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Tegenprestatie</titel></kop><al>Het college kan een uitkeringsgerechtigde opdragen om specifiek
                            benoemde, onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te
                            verrichten, bedoeld als tegenprestatie voor de uitkering die hij
                            ontvangt. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Hardheidsclausule en overige</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de
                                belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening,
                                indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van
                                overwegende aard leidt</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In bijzondere gevallen en in gevallen waarin deze verordening niet
                                voorziet, beslist het college. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De beleidsaanbeveling inzake subsidiëring van arbeidsplaatsen in
                                relatie tot regelgeving van de Europese Gemeenschap zoals verwoord
                                onder punt 6 van de verzamelbrief april 2004 van het Ministerie van
                                SZW is onverkort van toepassing. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan nadere richtlijnen geven voor de uitvoering van deze
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>De Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente Elburg,
                            vastgesteld op 19 december 2011, wordt ingetrokken per 6 februari 2013.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Re-integratieverordening Wet
                            werk en bijstand gemeente Elburg ’</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 6 februari 2013. </al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de raadsvergadering van 28 januari 2013</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, de griffier,</ondertekening><ondertekening>F.A. de Lange mw M.C. Luiting.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><nr/><titel>Artikelgewijze toelichting</titel></kop><al><onderstreept>Algemeen</onderstreept></al><al>Deze verordening regelt de ondersteuning die de gemeente biedt bij de
                    arbeidsinschakeling van</al><al>werklozen die horen tot de doelgroep. De opdracht om die ondersteuning te bieden
                    is geregeld in</al><al>artikel 7 van de Wet werk en bijstand (WWB) en in artikel 34 en 35 van de Ioaw
                    en de Ioaz. Het voorschrift om een verordening vast te stellen waarin deze
                    ondersteuning nader vorm wordt gegeven volgt uit artikel 8 WWB en uit artikel 35
                    van de Ioaw en de Ioaz.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 1 Begripsbepalingen</onderstreept></al><al>Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de WWB,
                    Ioaw, Ioaz en de Awb. Veel definities spreken voor zich. Voor wat betreft de
                    uitkeringsgerechtigde is verduidelijkt dat het moet gaan om iemand die een
                    uitkering voor levensonderhoud ontvangt. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2 Opdracht college</onderstreept></al><al>In het eerste lid is de opdracht aan het college vormgegeven analoog aan artikel
                    7 van de WWB en artikel 34 van de Ioaw en Ioaz. Hiervoor is gekozen uit oogpunt
                    van kenbaarheid en consistentie. Tevens biedt dit artikel de mogelijkheid om aan
                    het college specifieke opdrachten mee te geven. </al><al>In de WWB is in artikel 10 lid 3 aangegeven dat de aanspraak op voorzieningen
                    alleen geldt voor die personen die ook daadwerkelijk inwoners van de gemeente
                    zijn, door middel van een verwijzing naar artikel 40 lid 1 van de wet. Door deze
                    verwijzing ook aan de opdracht aan het college te koppelen, geeft de gemeente
                    aan de voorzieningen alleen voor de eigen doelgroep in te willen zetten. </al><al>De ondersteuning en voorzieningen zijn gericht op arbeidsinschakeling. Wanneer
                    dit (nog) niet mogelijk is, zijn de ondersteuning en voorzieningen gericht op
                    maatschappelijke participatie. Hiermee komen we tegemoet aan het belang dat
                    iedereen mee moet kunnen doen in de maatschappij. Van daar uit kijken we verder
                    naar wat het hoogst haalbare is voor een klant.</al><al>Het derde lid is de vertaling van de opdracht uit de WWB dat de gemeente
                    evenwichtige aandacht aan de diverse doelgroepen moet besteden, en rekening moet
                    houden met de combinatie arbeid en zorg. In het beleidsplan, maar met name in de
                    uitvoering komt vervolgens tot uiting hoe dit punt uitgewerkt wordt.</al><al>Het vierde lid geeft het college de specifieke opdracht een zodanig aanbod van
                    voorzieningen te realiseren, dat zoveel mogelijk personen ondersteund kunnen
                    worden. Dit is met name van belang omdat de gemeente de aanspraak op een
                    voorziening niet kan weigeren als slechts het budget ontoereikend is: er dient
                    altijd een alternatief voorhanden te zijn.</al><al>De WWB vraagt de gemeenteraad om het re-integratiebeleid in een verordening vast
                    te leggen. </al><al>Het is aan de raad om te controleren of het door hen vastgestelde beleid juist
                    wordt uitgevoerd. In de gemeente Elburg bieden de meerjarenprogramma begroting,
                    jaarrekening en slotmarap goede mogelijkheden om doelen vast te stellen en om de
                    effecten te evalueren. Daarnaast is het altijd mogelijk om aanvullend
                    beleidsvoorstellen te doen etc. Dit is vastgelegd in het vijfde lid.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 3 Aanspraak op ondersteuning</onderstreept></al><al>De WWB stelt niet zo expliciet dat de aanspraak op voorzieningen in de
                    verordening geregeld moet worden. Immers, het is ook al in de WWB zelf geregeld.
                    Eveneens uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie is ervoor gekozen een
                    algemene bepaling over de aanspraak op te nemen (lid 1).</al><al/><al>Het tweede lid is een speciale bepaling voor Nuggers en Anw’ers. Deze doelgroep
                    valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente en kan daardoor in aanmerking
                    komen voor re-integratievoorzieningen. Het is echter geen prioritaire doelgroep.
                    Daarom wordt in dit lid een inkomens- en vermogensgrens vastgesteld die aansluit
                    bij artikel 35 lid 9 WWB. Hierdoor wordt bijvoorbeeld in veel gevallen een
                    Nugger met een werkende partner (de zogenaamde herintreder) uitgesloten. Op die
                    manier trachten we de gelden zo goed mogelijk te verdelen over de mensen die het
                    echt nodig hebben. </al><al/><al>In het vierde lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene
                    aanspraak van de cliënt en de criteria die gehanteerd worden bij het aanbieden
                    van voorzieningen. Daarbij wordt verwezen naar elk document waarin die criteria
                    geformuleerd kunnen worden.</al><al/><al>Indien (nog) geen aanbod is gedaan, kan een voorziening als bedoeld in lid 1
                    worden aangevraagd door belanghebbende door het indienen van een volledig
                    ingevuld en ondertekend formulier dat door het college is vastgesteld. Op deze
                    wijze wordt geregeld dat een Nugger en ANW’er, die de afdeling SBZ niet
                    automatisch in beeld heeft, zich tot de gemeente kan wenden middels een
                    aanvraag. Ook in het (enkele) geval dat een uitkeringsgerechtigde in een
                    rusttraject toch aanspraak op een voorziening zou willen maken, kan hij daarvoor
                    een aanvraag indienen. </al><al/><al>Er bestaat geen recht op ondersteuning indien er sprake is van een voorliggende
                    voorziening welke naar mening van het college in voldoende mate bijdraagt aan de
                    re-integratie van aanvrager. Als ‘voorliggende voorzieningen’ kunnen
                    bijvoorbeeld aangemerkt worden: bemiddeling door UWV, een traject via het UWV,
                    WSF 2000 of AWBZ. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 4 Verplichtingen van de cliënt</onderstreept></al><al>In de WWB is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden bij het recht
                    op een uitkering. Wederom uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie zijn in
                    het eerste en tweede lid de verplichtingen conform de wet geformuleerd. </al><al/><al>Het derde lid biedt de verbinding met de afstemmingsverordening. Deze
                    verordening regelt het opleggen van een maatregel indien de
                    uitkeringsgerechtigde niet aan zijn verplichtingen voldoet. Deze maatregel
                    bestaat uit het verlagen van de uitkering met een bepaald percentage. </al><al/><al>Echter, voor personen zonder uitkering, ANW'ers en personen in gesubsidieerde
                    arbeid, kan de gemeente de uitkering niet verlagen als maatregel. Daarom is in
                    het vierde lid de mogelijkheid opgenomen dat in die gevallen de gemeente (een
                    deel van) de kosten die gemaakt zijn, terug kan vorderen. Dit kan echter alleen
                    als er een privaatrechtelijke overeenkomst met de klant is afgesloten. Die
                    overeenkomst wordt opgemaakt in de vorm van een trajectplan dat door beide
                    partijen ondertekend wordt.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5 Sluitende aanpak</onderstreept></al><al>De WWB kent geen bepaling over sluitende aanpak. De wetgever gaat ervan uit dat
                    door de systematiek van de wet er in de praktijk een sluitende aanpak
                    ontstaat.</al><al>Desondanks is het zinvol dat de gemeente het uitgangspunt van een sluitende
                    aanpak vastlegt voor de uitkeringsgerechtigden, echter onder voorbehoud van de
                    beoordeling van de noodzakelijkheid door het college. Het eerste lid geeft de
                    algemene formulering. Het tweede lid en derde lid geven de bepalingen voor
                    jongeren weer. In het vierde lid wordt een uitzondering gemaakt voor degene met
                    een volledige ontheffing van de arbeidsplicht, de mensen in een
                    rusttraject.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 6 Subsidie- en budgetplafonds</onderstreept></al><al>De gemeente kan, om de financiële risico’s te beheersen, een verdeling maken van
                    de middelen over de verschillende voorzieningen. Het uitgeput zijn van
                    begrotingsposten kan echter nooit een reden zijn om aanvragen voor voorzieningen
                    te weigeren. Om dat wel mogelijk te maken kan de gemeente bij verordening
                    subsidie- en budgetplafonds instellen. In dit artikel is bepaald dat het college
                    subsidies- en budgetplafonds in kan stellen. </al><al/><al>De WWB stelt dat het ontbreken van financiële middelen alleen geen reden kan
                    zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke
                    andere, goedkopere alternatieven er beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er
                    geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Wat wel kan is dat per voorziening
                    een plafond wordt ingebouwd; dit laat de mogelijkheid open dat er naar een ander
                    instrument wordt uitgeweken. </al><al/><al>Een subsidieplafond geldt voor voorzieningen die subsidies inhouden. Een
                    subsidieplafond dient</al><al>wel bekendgemaakt te worden vóór de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1
                    Awb). Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het college doet in
                    het kader van voorzieningen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 7 Algemene bepalingen over voorzieningen</onderstreept></al><al>In de lijn van het systeem van deze verordening strekt dit artikel ertoe enkele
                    zaken te regelen die te maken hebben met alle voorzieningen, ook de
                    voorzieningen die niet met name in de verordening zijn opgenomen. </al><al>Het eerste lid geeft het college de bevoegdheid om aan een voorziening nadere
                    verplichtingen te verbinden. Dit kunnen verplichtingen van diverse aard zijn. Zo
                    kan bepaald worden dat een cliënt gedurende het traject op gezette tijden met de
                    consulent de voortgang bespreekt. De beschikking, trajectovereenkomst en/of het
                    plan van aanpak zijn in dat geval de middelen om inhoud aan deze bepaling te
                    geven.</al><al/><al>Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in
                    welke gevallen zij dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het
                    stopzetten van de subsidie aan een werkgever of het opzeggen van de
                    arbeidsovereenkomst bij een detacheringsbaan. Bij deze laatste wijze van
                    beëindigen dienen vanzelfsprekend de toepasselijke bepalingen uit het
                    arbeidsrecht en de eventueel aanwezige rechtspositieregeling in acht te worden
                    genomen.</al><al/><al/><al>Het derde lid geeft het college de algemene bevoegdheid om voor voorzieningen
                    nadere regels te stellen. Dit heeft met name tot doel om bij
                    subsidieverstrekking de uitvoering zoveel mogelijk aan het college over te
                    laten.</al><al/><al>In het vierde lid wordt aangegeven dat als hoofdregel geldt dat alle groepen die
                    in artikel 1 worden genoemd aanspraak kunnen maken op de in de verordening
                    genoemde voorzieningen. In de artikelen waarin de diverse voorzieningen worden
                    opgesomd, kan een inperking worden aangebracht.<onderstreept>Artikel 8 Werkstages</onderstreept></al><al>Werkstages zijn een goed instrument voor gemeenten om langdurig werklozen te
                    re-integreren. Voor de term werkstage is gekozen om te benadrukken dat het gaat
                    om een soort scholingsinstrument: niet de arbeid zelf, maar het leren werken
                    staat centraal. </al><al/><al>Het is belangrijk in de gaten te houden onder welke voorwaarden de werkstage
                    aangeboden wordt. Dit vanwege het gevaar dat de werkstage beschouwd kan worden
                    als een gewone arbeidsovereenkomst. Volgens het arbeidsrecht is er sprake van
                    een arbeidsovereenkomst indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:</al><lijst><li nr=""><al>- er dient sprake te zijn van de persoonlijke verplichting om arbeid te
                            verrichten;</al></li><li nr=""><al>- die arbeid wordt verricht onder gezag van een ander;</al></li><li nr=""><al>- die ander betaalt voor de arbeid een bepaald bedrag aan loon;</al></li><li nr=""><al>- de arbeid wordt verricht gedurende enige tijd.</al></li></lijst><al/><al>De Hoge Raad heeft bepaald dat er bij werkstages weliswaar sprake is van het
                    persoonlijk verrichten van arbeid, maar dat dit overwegend gericht is op het
                    uitbreiden van de kennis en ervaring van de werknemer. Daarnaast is bij een
                    werkstage in de regel geen sprake van beloning. Het is daarom verstandig
                    terughoudend te zijn met het verstrekken van een gerichte stagevergoeding. </al><al>Er kan wel een onkostenvergoeding worden gegeven, maar daarbij moet dan ook
                    daadwerkelijk sprake zijn van een vergoeding van gemaakte kosten.</al><al/><al>Het eerste lid van artikel 8 geeft de algemene bepaling voor het aanbieden van
                    een werkstage. Het tweede lid geeft nog eens specifiek aan wat het doel is van
                    de werkstage, om het verschil met een normale arbeidsverhouding aan te geven.
                    Dit is met name van belang om te voorkomen dat de cliënt claimt dat sprake is
                    van een arbeidsovereenkomst, en bij de rechter loonbetaling afdwingt. De
                    werkstage kan twee doelen hebben. Op de eerste plaats kan het gaan om het opdoen
                    van specifieke werkervaring. Dit is vergelijkbaar met de zogenaamde
                    ‘snuffelstage’, waarbij de cliënt de gelegenheid krijgt om te bezien of het
                    soort werk als passend kan worden beschouwd. Op de tweede plaats kan het gaan om
                    het leren werken in een arbeidsrelatie. In de werkstage kan de cliënt wennen aan
                    aspecten als gezag, op tijd komen, werkritme en samenwerken met collega’s.</al><al/><al>Het derde lid geeft de maximale duur van de werkstage aan. Zo wordt ook
                    doelbewust naar een beter alternatief toegewerkt, hetgeen de motivatie en
                    duidelijkheid bevordert. </al><al/><al>Het vierde lid geeft aan dat er bij plaatsing geen verdringing plaats vindt, of
                    dat de concurrentieverhoudingen niet nadelig worden beïnvloed. Dit zal in de
                    regel uit de rapportage blijken en is bovendien niet snel aan de orde, gelet op
                    de formulering van de leden 2, 3 en 5. </al><al/><al>In het vijfde lid wordt bepaald dat er voor de werkstage een schriftelijke
                    overeenkomst wordt opgesteld. Hierin kan expliciet het doel van de stage worden
                    opgenomen, alsmede de wijze van begeleiding. Door deze schriftelijke
                    overeenkomst kan nog eens gewaarborgd worden dat het bij een werkstage niet gaat
                    om een reguliere arbeidsverhouding.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 9 Sociale activering</onderstreept></al><al>Bij invoering van de WWB diende sociale activering uiteindelijk gericht te zijn
                    op arbeidsinschakeling. Inmiddels mag dit echter ook gericht zijn op
                    participatie. Voor bepaalde doelgroepen is arbeidsinschakeling immers een te
                    hoog gegrepen doel. Voor deze personen staat dan ook niet re-integratie, maar
                    participatie voorop. </al><al>Bij sociale activering als re-integratie-instrument kunnen bepalingen opgenomen
                    worden over de maximale termijn waarbinnen deze activiteiten gebeuren.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 10 Detacheringsbanen</onderstreept></al><al>De WWB houdt de mogelijkheid open om à la de WIW personen een dienstverband aan
                    te bieden, om op detacheringsbasis werkervaring op te doen. Overduidelijk is dat
                    dit een erg duur instrument is, zodat in het eerste lid wordt bevestigd –
                    conform het huidige beleid – dat geen nieuwe dienstverbanden worden aangegaan.
                    De loonkostensubsidie, waar artikel 12 over spreekt, kan als goed alternatief
                    worden beschouwd. </al><al/><al>Het tweede lid betreft de WIW-detacheringsbanen die vóór 1 januari 2004 zijn
                    aangegaan en die op grond van artikel 15 van de Invoeringswet WWB ook onder de
                    WWB hun rechtsgeldigheid behouden. Voor deze banen blijft een aantal artikelen
                    van de WIW van toepassing. Van de banen voor onbepaalde tijd – vaak gaat het om
                    de voormalige ‘banenpool regeling’ – is besloten dat ontslag om financiële
                    redenen niet aan de orde kan zijn. Dat wordt vastgelegd in lid 2. </al><al/><al>Het spreekt voor zich dat wel kritisch gekeken mag blijven worden naar de hoogte
                    van de inleenvergoeding die de inlener betaalt. Naar mate er sprake is van meer
                    arbeidsproductiviteit, is een hogere inleenvergoeding gerechtvaardigd. Voor de
                    bepaling van de loonwaarde kan eventueel een derde worden ingeschakeld. Te
                    denken valt aan een re-integratiebedrijf. </al><al><onderstreept>Artikel 11 Loonkostensubsidies gericht op
                        re-integratie</onderstreept></al><al>Het instrument loonkostensubsidies gericht op re-integratie is bekend van de
                    werkervaringsplaatsen uit de WIW en de ID-regeling sinds de vergaande
                    deregulering. Onder de WWB is de invulling hiervan vormvrij geworden. Het beleid
                    van de gemeente komt tot uitdrukking in de hoogte van de subsidie – gekoppeld
                    aan de mate van de (verwachte) productiviteit – de termijn en de aan de subsidie
                    verbonden verplichtingen (b.v. bieden van scholing en begeleiding). Bij de inzet
                    van dit instrument dient de Europese regelgeving in acht te worden genomen. </al><al/><al>In principe wordt maximaal gedurende twee jaar een loonkostensubsidie verstrekt.
                    Er is sprake van een generieke regeling, omdat alle bedrijven in alle sectoren
                    in beginsel aanspraak op de loonkostensubsidie kunnen maken, mits een
                    arbeidsovereenkomst wordt aangegaan met iemand uit de gemeentelijke doelgroep èn
                    dit past binnen de bepalingen van de verordening, zoals bijvoorbeeld artikel 4.
                    De hoogte van de subsidie bedraagt in het eerste jaar nooit meer dan € 5000,00
                    per jaar en in het tweede jaar nooit meer dan € 3000,00 per jaar bij een
                    arbeidsduur van 32 uur per week.</al><al/><al>Indien het om personen jonger dan 23 gaat, moet de subsidie natuurlijk
                    gerelateerd worden aan het minimumloon dat voor de desbetreffende leeftijd
                    geldt. </al><al/><al>Voor werknemers wordt duidelijk dat indien door- of uitstroom mogelijk is,
                    gesubsidieerd werk nooit het einddoel kan zijn. Meer uitkeringsgerechtigden
                    kunnen middels een (tijdelijke) loonkostensubsidie aan het werk worden geholpen,
                    waaruit blijkt dat de loonkostensubsidie een goede voorziening is.</al><al>Tijdens de periode dat een loonkostensubsidie wordt verstrekt, wordt aanvullend
                    intensieve begeleiding ingezet door de consulent gericht op door- of uitstroom.
                    Zo nodig wordt een aanvullend activeringstraject aangeboden gericht op het
                    vergroten van de uitstroomkansen. Aan de hand van evaluaties van consulent –
                    werkgever – werknemer wordt bezien of de loonkostensubsidie lager kan worden
                    vastgesteld. Dat is dus afhankelijk van de prestatie van de werknemer en dit
                    wordt periodiek bezien. Naarmate er meer sprake is van arbeidsproductiviteit, is
                    een lagere subsidie gerechtvaardigd. Voor de bepaling van de loonwaarde kan
                    eventueel een derde worden ingeschakeld. Te denken valt aan een
                    re-integratiebedrijf. Voordeel daarvan is een meer objectief advies.</al><al/><al>Bijkomend voordeel is ook dat zorg- en andere instellingen kunnen blijven
                    beschikken over goedkopere medewerkers, dankzij de loonkostensubsidie.
                    Natuurlijk wordt van de instelling ook een stuk begeleiding gevraagd en dient
                    rekening te worden gehouden met beperkingen. </al><al/><al>Om teleurstellingen te voorkomen kan voorafgaand aan een dienstverband met
                    loonkostensubsidie een werkstage als genoemd in artikel 9 worden ingezet. </al><al/><al>Het eerste en tweede lid geeft de basis voor de loonkostensubsidie, waarbij
                    expliciet wordt aangeven dat het primair gaat om een re-integratievoorziening.
                    Het derde lid geeft het college de bevoegdheid nadere regels te stellen over de
                    hoogte van de subsidie, de termijn en de praktische uitvoering (aanvraag,
                    informatieverplichtingen, terugvordering, etc.). </al><al/><al>In het vijfde lid wordt geregeld dat minstens eens per jaar in overleg met de
                    werknemer en de werkgever bezien wordt welke mogelijkheden er voor de werknemer
                    zijn voor arbeidsinschakeling, dus ongesubsidieerd werk. Daarom is het zinvol om
                    – indien mogelijk – een trajectplan of plan van aanpak op te stellen waar
                    werkgever, klant en gemeente zich aan verbinden: de gemeente subsidieert
                    tijdelijk, de klant doet zijn uiterste best, uiteindelijk met als doel om
                    regulier werk te vinden en de werkgever werkt mee aan de ontwikkeling van de
                    medewerker en de te realiseren doelstelling.</al><al/><al>In de verzamelbrief april 2004 van het Ministerie van SZW wordt in punt 6 een
                    beleidsaanbeveling richting gemeenten gedaan betreffende het fenomeen
                    loonkostensubsidie in relatie tot de Europese regelgeving. Deze
                    beleidsaanbeveling maakt deel uit van deze verordening, zie artikel 18! </al><al/><al>Een enkel citaat: </al><al><vet>‘<cursief>Doelstelling van deze beleidsaanbeveling</cursief></vet></al><al><cursief>Deze beleidsaanbeveling kan gemeenten ontlasten van de administratieve
                        verplichting – welke voortvloeit uit de regelgeving van de Europese
                        Gemeenschap – om een samenvatting van de (loonkosten-)subsidieregeling
                        (zoals vastgelegd in haar re-integratieverordening) op te sturen naar de
                        Europese Commissie en jaarlijks de Europese Commissie een verslag te
                        verstrekken. De gemeente dient daartoe in haar re-integratieverordening deze
                        beleidsaanbeveling te incorporeren en een expliciete verwijzing naar deze
                        beleidsaanbeveling op te nemen. Van verboden staatssteun in de zin van
                        artikel 87 lid 1 EG is sprake, indien is voldaan aan de volgende
                        omschrijving: een met staatsmiddelen bekostigd voordeel voor bepaalde
                        ondernemingen waardoor de mededinging wordt vervalst en het interstatelijk
                        handelsverkeer ongunstig wordt beïnvloed. Voorbeelden van steunmaatregelen
                        zijn het verlenen van financiële voordelen door middel van bijvoorbeeld
                        subsidies aan bepaalde sectoren (sectorale steunmaatregel) of aan
                        ondernemingen in bepaalde regio’s (regionale steunmaatregel). Zodra aan
                        bepaalde ondernemingen met staatsmiddelen een voordeel wordt verschaft, is
                        het ter beoordeling van de Commissie of ten gevolge van de vervalsing van de
                        mededinging, het handelsverkeer ongunstig wordt beïnvloed</cursief>.’</al><al/><al>Uit de verzamelbrief blijkt verder ‘<cursief>dat generieke regelingen niet als
                        staatssteun worden aangemerkt. Het gaat dan om maatregelen die voor alle
                        bedrijven gelden in alle sectoren. Een lokale subsidieregeling kan een
                        generieke regeling zijn wanneer ieder bedrijf of onderneming, ongeacht de
                        vestigingsplaats van de onderneming of de plaats van tewerkstelling van de
                        werknemer, een beroep kan doen op subsidie wanneer deze onderneming een
                        uitkeringsgerechtigde van de betreffende gemeente in dienst neemt. Dit is
                        ook geen staatssteun, want hier profiteren geen specifieke bedrijven of
                        sectoren van. NB: wanneer bijvoorbeeld andere dan lokale ondernemers van de
                        subsidiëring zijn uitgesloten, of wanneer de subsidiemogelijkheid is
                        voorbehouden aan een bepaalde onderneming of sector dan geldt de
                        subsidieregeling per definitie als specifieke steunmaatregel en is er dus
                        sprake van staatssteun</cursief>.‘</al><al>De loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 11 is zo’n generieke regeling.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 12 Participatieplaats</onderstreept></al><al>Een participatieplaats wordt ingezet voor mensen aan de onderkant van de
                    arbeidsmarkt voor wie de afstand tot een gemeentelijke subsidiebaan nog te groot
                    is. Dit instrument heeft als doelstelling dat een belanghebbende een volgende
                    trede van de re-integratieladder (bijvoorbeeld de gemeentelijke
                    loonkostensubsidie) bereikt. </al><al>De participatieplaats mag alleen worden ingezet voor uitkeringsgerechtigden
                    ouder dan 27 jaar en jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. Jongeren zijn
                    op grond van de WWB uitgesloten. Zie artikel 10A in combinatie met artikel 7 lid
                    1 en 3 en de Memorie van toelichting van de WWB.</al><al/><al>De participatieplaats is een vorm van werken met behoud van uitkering waarbij
                    begeleiding wordt geboden onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. De
                    gemeente zal ook periodiek moeten toetsen of de participatieplaats nog steeds de
                    juiste en kortste weg is naar reguliere arbeid. Het eerste beoordelingsmoment
                    ligt 9 maanden na de start van de plaatsing. Indien er dan geconstateerd wordt
                    dat het traject niet bijdraagt aan de inschakeling op de arbeidsmarkt, wordt het
                    traject na 12 maanden beëindigd. Vanzelfsprekend kan er dan gezocht worden naar
                    een passender alternatief, danwel in de vorm van een andere participatieplaats,
                    danwel door inzet van een ander instrument. </al><al/><al>De werkzaamheden binnen een participatieplaats zijn additioneel van aard.
                    Additionaliteit houdt in dat het een speciaal gecreëerde functie betreft of een
                    reeds bestaande functie die een uitkeringsgerechtigde alleen met speciale
                    begeleiding kan verrichten.</al><al/><al>De duur van een participatieplaats is in principe twee jaar. Als gebleken is dat
                    belanghebbende toch niet de volgende stap kan zetten op de re-integratieladder
                    dan kan worden overwogen om de participatieplaats te verlengen met maximaal
                    tweemaal een jaar. Dit mag echter geen automatisme zijn omdat de duur immers zo
                    kort mogelijk dient te zijn. Het streven is om belanghebbende binnen de
                    reguliere duur van de participatieplaats eerder de volgende stap te laten maken.
                    Indien de participatieplaats wordt verlengd dan dient het te gaan om andere
                    werkzaamheden bij een andere werkgever. Zo wordt voorkomen dat de
                    participatieplaats een doel op zich gaat vormen in plaats van een middel met als
                    doel mensen te laten terugkeren naar de arbeidsmarkt.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 13 Activeringstraject</onderstreept></al><al>Onder de belanghebbenden bevinden zich ook mensen die een (zeer) grote afstand
                    hebben tot de arbeidsmarkt waarbij niet direct een traject gericht op arbeid kan
                    worden ingezet. Sociale activering is voor deze mensen de eerste stap richting
                    een op werk gericht traject of als dat niet haalbaar is, te voorkomen dat deze
                    mensen buitengesloten raken of blijven in het maatschappelijk verkeer. Voor een
                    deel van de belanghebbenden kan sociale activering de eerste stap zijn naar een
                    reguliere baan.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 14 Work First</onderstreept></al><al>Deze voorziening kan ingezet worden voor uitkeringsgerechtigden. Ter
                    verduidelijking: Indien het UWV-WERKbedrijf niet direct werk kan aanbieden,
                    wordt de betrokkene direct overgedragen aan een consulent van Inclusief Inserto,
                    die vaststelt of de persoon al dan niet direct in aanmerking komt voor een Work
                    First-plaatsing. Dit wordt vastgelegd in een contract tussen kandidaat en
                    bedrijf. De workfirst-plaatsing geschiedt zo snel mogelijk bij Inclusief
                    Inserto.</al><al/><al>Work First is bedoeld om op korte termijn duidelijk te krijgen welke
                    arbeidsmogelijkheden de persoon heeft. Hiervoor wordt een concrete werksituatie
                    gebruikt, omdat op deze manier aan de praktijk kan worden getoetst over welke
                    capaciteiten de deelnemer beschikt. Ook kan op deze wijze inzicht worden
                    verkregen welke belemmeringen er eventueel zijn om aan een baan te komen. </al><al/><al>Plaatsing moet binnen enkele dagen gerealiseerd worden. De belanghebbende gaat
                    gedurende 6 of maximaal 8 weken voor 20 uur per week aan het werk bij Inclusief
                    Inserto. Op basis van deze weken ervaring in de praktijk wordt een globaal beeld
                    en een advies opgesteld aan de gemeente over de mogelijkheden van de kandidaat. </al><al/><al>De voordelen voor de gemeente:</al><lijst><li nr=""><al>opplussen poortwachtersfunctie: de gemeente kan door deze totaal-aanpak
                            van begin tot eind het ‘kaf van het koren’ scheiden. Mensen die niet
                            meewerken, krijgen geen uitkering. Soms leidt deze werkwijze zelfs tot
                            afzien van de uitkeringsaanvraag. </al></li><li nr=""><al>Een mogelijkheid voor een sluitende aanpak..</al></li><li nr=""><al>Meerwaarde voor de klant, omdat de opgedane praktijkervaringen mede het
                            vervolgtraject bepalen.</al></li><li nr=""><al>Een mogelijkheid tot het activeren en participeren van zoveel mogelijk
                            burgers in het arbeidsleven.</al></li><li nr=""><al>Minder risico voor financiële tekorten </al></li></lijst><al/><al>Het spreekt voor zich dat Work First alleen ingezet kan worden als de betrokkene
                    niet in aanmerking komt voor ontheffing van de arbeidsplicht. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 15 Scholing</onderstreept></al><al>Scholing betreft educatie op diverse niveaus, of een beroepsgerichte scholing of
                    training die gericht is op het verwerven van functionele vaardigheden voor een
                    specifiek beroep. Dit instrument kan naast andere instrumenten maar ook als een
                    zelfstandig instrument worden ingezet. Omscholing kan noodzakelijk zijn als een
                    belanghebbende is opgeleid voor een beroep waarnaar geen of onvoldoende vraag
                    meer is. Is de vraag er nog wel maar ontbreekt het belanghebbende aan kennis dan
                    kan scholing worden ingezet om deze brug te slaan.</al><al/><al>Scholing is ook van belang bij het plaatsen op een participatieplaats. Na 6
                    maanden zijn we als gemeente namelijk verplicht om naast het werken op de
                    participatieplaats een scholingstraject in te zetten. Dit geldt indien de
                    belanghebbende nog geen startkwalificatie heeft. Het stelt de belanghebbende in
                    staat om die startkwalificatie alsnog te halen en op die manier beter
                    aansluiting te vinden op de arbeidsmarkt. De scholing hoeft niet ingezet te
                    worden indien het naar het oordeel van het college niet bijdraagt aan de
                    arbeidsmarktkansen.</al><al/><al>Alleenstaande ouders, die de zorg voor een kind hebben dat de leeftijd van vijf
                    jaar nog niet heeft bereikt worden op verzoek ontheven van de arbeidsplicht.
                    Deze ontheffing ontslaat hen echter niet van de re-integratieplicht. Het college
                    dient de ontheven ouder binnen 6 maanden een re-integratietraject aan te bieden.
                    Voor de alleenstaande ouder die niet beschikt over een startkwalificatie
                    (diploma MBO vanaf niveau 2, diploma HAVO, diploma VWO) voorziet dit traject ten
                    minste in scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert en
                    voor de alleenstaande ouder die al beschikt over een startkwalificatie op diens
                    verzoek een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2 lid 2 onderdeel a van de Wet
                    educatie en beroepsonderwijs (MBO, beroepsopleidende leerweg). Het college biedt
                    dit traject niet aan, of wijst een verzoek af, als de scholing of opleiding de
                    krachten of bekwaamheden van de alleenstaande ouder naar het oordeel van het
                    college te boven gaan. Hierbij moet dan gedacht worden aan een verstandelijke of
                    lichamelijke beperking of een taalbarrière. In dat geval kunnen
                    educatieopleidingen worden ingezet. Als belanghebbende cognitief niet in staat
                    is een hoger opleidingsniveau te bereiken dan dient het college een ander
                    re-integratietraject in te zetten, gericht op maatschappelijke participatie. Als
                    de belanghebbende al een startkwalificatie bezit is scholing niet verplicht,
                    maar kan het wel als instrument worden ingezet op het onderhouden van
                    competenties en vaardigheden, bijvoorbeeld door stages of vrijwilligerswerk.
                    Scholing kan voor deze alleenstaande ouders ook omscholing betekenen. Het niveau
                    van de omscholing kan het college in samenspraak met de alleenstaande ouder zelf
                    bepalen. Een hoger niveau dan de startkwalificatie behoort tot de
                    mogelijkheden.</al><al/><al>Op grond van artikel 7 lid 3 van de WWB komen jongeren die uit ’s rijks kas
                    bekostigd onderwijs kunnen volgen niet in aanmerking voor een uitkering. Daarom
                    zal het instrument scholing zelden ingezet worden voor iemand die jonger is dan
                    27.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 16 Inkomstenvrijlating</onderstreept></al><al>Wettelijk is vastgelegd dat deze vrijlating maximaal 6 maanden kan worden
                    toegepast, mits deeltijdwerk naar het oordeel van het college bijdraagt aan de
                    arbeidsinschakeling. Omdat het nog niet zo eenvoudig is om vast te stellen
                    wanneer parttime werk niet bijdraagt aan de arbeidsinschakeling, wordt in lid 1
                    vastgesteld dat die bijdrage aan de arbeidsinschakeling altijd aanwezig wordt
                    geacht. Het is vervolgens aan de consulenten om volledige uitstroom te
                    realiseren! </al><al/><al>Op grond van artikel 31 lid 5 WWB is de inkomstenvrijlating niet van toepassing
                    op uitkeringsgerechtigden jonger dan 27 jaar. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 17 Premies</onderstreept></al><al>In de WWB is geregeld in artikel 31 lid 2 sub j dat jaarlijks een
                    activeringspremie kan worden verstrekt. Deze premie is onbelast en telt niet mee
                    bij de toepassing van inkomensafhankelijke regelingen. In lid 1 wordt geregeld
                    dat uitkeringsgerechtigden en werknemers met een detacheringsbaan als bedoeld in
                    artikel 11 van de verordening een premie kunnen ontvangen. Op grond van artikel
                    31 lid 5 WWB zijn de premies niet van toepassing op uitkeringsgerechtigden
                    jonger dan 27 jaar. </al><al/><al>In lid 2 wordt uitstroom vanuit een detacheringsbaan gestimuleerd en beloond met
                    een premie, temeer omdat het om een moeilijke doelgroep gaat en omdat de
                    gemeente veel belang heeft bij uitstroom uit deze banen. </al><al/><al>In lid 3 wordt een uitsplitsing naar uitkeringsgerechtigde gemaakt. Als algemene
                    voorwaarde geldt dat de klant niet direct bemiddelbaar mag zijn (tenzij dit
                    gebeurt na het doorlopen van een traject). Reden hiervan is dat het kortdurend
                    ontvangen van een bijstandsuitkering niet beloond mag worden met een premie,
                    zeker in geval er geen afstand tot de arbeidsmarkt is. Het “niet direct
                    bemiddelbaar” zijn is echter moeilijk te meten. Voorheen werden belanghebbenden
                    door het UWV ingedeeld in “route A”of “route B’, maar dat gebeurt helaas niet
                    meer. Als criterium kunnen we daarom stellen dat er een re-integratie-instrument
                    ingezet moet zijn alvorens de uitstroom plaatsvindt. </al><al/><al>In hert premiebeleid is differentiatie aangebracht in de hoogte van de premies.
                    Er is onderscheid gemaakt in premies voor een “gezin”, een “alleenstaande ouder”
                    of een “alleenstaande”. De premie kan pas worden aangevraagd en uitbetaald nadat
                    de gewezen uitkeringsgerechtigde 6 maanden onafhankelijk van bijstand is
                    geweest. </al><al/><lijst><li nr=""><al>Er wordt ook een beloning ingezet voor het gedurende 6 maanden deelnemen
                            aan een werkstage of gedurende 12 maanden deelnemen aan sociale
                            activering</al></li></lijst><al/><al>In lid 5, 6 en 7 wordt de premie voor het werken op een participatieplaats
                    geregeld. Van uitkeringsgerechtigden op een participatieplaats wordt een langer
                    durende inspanning gevraagd. Het kabinet vindt het daarom belangrijk dat een
                    uitkeringsgerechtigde na zes maanden werken op een participatieplaats en
                    vervolgens iedere zes maanden een premie ontvangt. </al><al/><al>Voor al bovenstaande premies geldt overigens wel de toets of de
                    uitkeringsgerechtigde voldoende getracht heeft algemeen geaccepteerde arbeid te
                    verkrijgen en te aanvaarden. Dit kan getoetst worden door te bezien of er een
                    sanctie is opgelegd vanwege het onvoldoende meewerken aan de arbeidsplicht of
                    niet. </al><al/><al>De WWB regelt in art. 31 lid 2 sub k de maximale onkostenvergoedingen bij het
                    verrichten van vrijwilligerswerk. Ook deze zijn onbelast en werken niet door bij
                    inkomensafhankelijke regelingen. Dit hoeft niet in deze verordening extra
                    geregeld te worden.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 18 Overige vergoedingen</onderstreept></al><al>Het is denkbaar dat het college, ter stimulering van de arbeidsinschakeling,
                    besluit diverse kosten te vergoeden voor activiteiten die daaraan bijdragen. In
                    het artikel zijn enkele kostensoorten genoemd, maar ook kan worden gedacht aan
                    hulpmiddelen, zoals een voetenbankje etc.. Het ligt voor de hand om – waar
                    mogelijk – eerst een beroep te doen op de werkgever voor werkbenodigdheden. In
                    dit artikel gaat het niet om een limitatieve opsomming.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 19 Voorzieningen gericht op nazorg</onderstreept></al><al>Het is belangrijk ervoor te zorgen dat cliënten na uitstroom niet na een korte
                    periode terugvallen in de uitkering. De gemeente kan ertoe besluiten de nodige
                    aandacht te besteden aan nazorg, met als doel een werkelijk duurzame plaatsing
                    te realiseren. Bij dit artikel is ervan uitgegaan dat nazorg geboden kan worden
                    ná acceptatie van algemeen geaccepteerde arbeid. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 20 Tegenprestatie</onderstreept></al><al>De wet schept sinds januari 2012 nadrukkelijk de mogelijkheid om van een
                    uitkeringsgerechtigde een tegenprestatie te verlangen. Dit is eigenlijk geen
                    voorziening, want het is als zodanig niet gericht op re-integratie (hoewel ook
                    te verdedigen is dat iedere activiteit in positieve zin bijdraagt aan de
                    ontwikkeling van de belanghebbende). Het is niet onredelijk van een
                    belanghebbende te verlangen dat hij, indien er een beroep op hem wordt gedaan,
                    iets terugdoet voor de uitkering die hij ontvangt. Het verzoek tot het
                    verrichten van een concrete tegenprestatie is bepaald niet vrijblijvend. Het
                    verwijtbaar geen gehoor geven aan een dergelijk verzoek zal worden
                    gesanctioneerd met toepassing van de Maatregelenverordening WWB, Ioaw en Ioaz </al><al/><al><onderstreept>Artikel 21 Hardheidsclausule en overige</onderstreept></al><al>Het eerste lid behoeft geen nadere toelichting. Gedacht zou kunnen worden aan
                    een ‘probleemjongere’, jonger dan 18 jaar, waarvoor het reguliere onderwijs is
                    uitgesloten. In individuele gevallen kan het de moeite waard zijn om te
                    investeren in zo’n jongere met naast een voorziening een stuk begeleiding, om te
                    voorkomen dat de boot voor altijd wordt gemist en dat zo’n jongere
                    dientengevolge bijstandsafhankelijk wordt en blijft. </al><al/><al>In bijzondere gevallen moet het mogelijk zijn te individualiseren, om maatwerk
                    te realiseren teneinde het gewenste doel te bereiken. </al><al/><al>Verder is een expliciete verwijzing opgenomen naar de beleidsaanbeveling inzake
                    subsidiëring van arbeidsplaatsen in relatie tot regelgeving van de Europese
                    Gemeenschap. Deze aanbeveling is aangereikt in de verzamelbrief april 2004 van
                    het Ministerie van SZW en kan de gemeente voor veel administratieve lasten en
                    andere problemen behoeden. Ook in de toelichting bij artikel 11 is hierover
                    geschreven. </al><al/><al>Ook bij een afwijkend traject zal wel bezien moeten worden of het voorstel past
                    binnen bedoelde aanbeveling. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 22 Intrekking</onderstreept></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.<onderstreept>Artikel 23 Citeertitel</onderstreept></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 24 Inwerkingtreding</onderstreept> Dit artikel behoeft
                    geen nadere toelichting. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>