<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR251043_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Elburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Elburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Huis aan huis Elburg, 05-02-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, eerste lid, onderdeel i, art. 60b.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-02-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>
            <vet>De raad der gemeente Elburg;</vet>
          </al>
          <al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 december
                        2012</al>
          <al>
            <vet>b e s l u i t :</vet>
          </al>
          <al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel i, van de Wet werk en
                        bijstand;</al>
          <al>overwegende dat het noodzakelijk is de uitoefening van de bevoegdheid tot
                        verrekening als bedoeld in artikel 60b van de Wet werk en bijstand bij
                        verordening te regelen; </al>
          <al>besluit vast te stellen de volgende verordening;</al>
          <al>
            <vet>Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive</vet>
          </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>1.</nr>
            <titel>Definitiebepaling</titel>
          </kop>
          <al>In deze verordening wordt onder een recidiveboete, een bestuurlijke boete
                        verstaan als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid, van de Wet werk en
                        bijstand. </al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>2.</nr>
            <titel>De uitoefening van de bevoegdheid tot
                            verrekening</titel>
          </kop>
          <al>Het college verrekent het openstaande boetebedrag gedurende de eerste drie
                        maanden na het moment van dagtekening van het besluit tot oplegging van een
                        recidiveboete, in afwijking van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene
                        wet bestuursrecht, door inhouding van een bedrag ter hoogte van 30% van de
                        voor betrokkene geldende bijstandsnorm als bedoeld in de Wet werk en
                        bijstand.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>3.</nr>
            <titel>Verzoek tot doorbetaling
                            huur/hypotheekrente</titel>
          </kop>
          <lid>
            <lidnr>1.</lidnr>
            <al>Belanghebbende kan verzoeken om, in afwijking van het bepaalde in
                            artikel 2, de huur dan wel hypotheekrente na aftrek van huurtoeslag
                            respectievelijk hypotheekrenteaftrek, gedurende de in artikel 2 genoemde
                            periode direct vanuit de bijstand te voldoen. Indien dit verzoek wordt
                            toegekend wordt de verrekening daarop aangepast. </al>
          </lid>
          <lid>
            <lidnr>2.</lidnr>
            <al>Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval afgewezen
                            indien belanghebbende(n) redelijkerwijs over voldoende gelden kan
                            beschikken om de genoemde drie maanden in zijn levensonderhoud te
                            voorzien dan wel redelijkerwijs deze gelden op korte termijn kan
                            verwerven. </al>
          </lid>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>4.</nr>
            <titel>Verrekenen met inachtneming van artikel 4:93,
                            vierde lid van de Algemene wet bestuursrecht</titel>
          </kop>
          <al>In afwijking van artikel 2 verrekent het college het openstaande boetebedrag
                        met inachtneming van artikel 4:93, vierde lid, van de Algemene wet
                        bestuursrecht voorzover:</al>
          <lijst>
            <li nr="a."><al>toepassing van artikel 2 en 3 onaanvaardbare consequenties heeft
                                voor de eventuele minderjarige belanghebbende(n); dan wel</al></li>
            <li nr="b."><al>de gezondheidstoestand van (een van de) belanghebbende(n) naar het
                                oordeel van het college ernstig wordt bedreigd doordat mogelijkheden
                                ontbreken om de noodzakelijke medicatie of behandeling te
                                financieren. </al></li>
          </lijst>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>5.</nr>
            <titel>Inwerkingtreding</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening treedt in werking op 6 februari 2013.</al>
        </artikel>
        <artikel>
          <kop>
            <label>Artikel</label>
            <nr>6.</nr>
            <titel>Citeertitel</titel>
          </kop>
          <al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening verrekening bestuurlijke
                        boete bij recidive.</al>
        </artikel>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Aldus besloten door de raad der gemeente Elburg</ondertekening>
        <ondertekening>in zijn vergadering van 28 januari 2013 </ondertekening>
        <ondertekening>de voorzitter, de griffier,</ondertekening>
        <ondertekening>F.A. de Lange M.C. Luiting.</ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label/>
          <nr/>
          <titel>Algemene toelichting</titel>
        </kop>
        <al>Per 1 januari 2013 treedt de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid
                    SZW-wetgeving in werking. Met de wet krijgt het college de plicht om een boete
                    op te leggen indien sprake is van schending van de inlichtingenplicht. De
                    eerdere bevoegdheid om een maatregel in deze situatie op te leggen verdwijnt. De
                    hoogte van de boete is daarbij in beginsel gelijk aan het bedrag dat
                    belanghebbende te veel aan bijstand heeft ontvangen. </al>
        <al/>
        <al>Is sprake van het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht (recidive)
                    dan wordt deze boete in beginsel verhoogd tot 150% van het te veel ontvangen
                    bedrag. Naast deze verhoging krijgt het college daarbij ook de bevoegdheid om in
                    de eerste drie maanden na oplegging van de boete de bijstand volledig te
                    verrekenen met de openstaande boetevordering. </al>
        <al/>
        <al>In eerste instantie had de wetgever voorzien in een <cursief>plicht</cursief>
                    tot volledige verrekening van de boetevordering. Bij amendement is deze
                    verplichting echter omgezet in een bevoegdheid, zodat de gemeente de
                    mogelijkheid heeft om daar waar volledige verrekening onwenselijke effecten
                    heeft (denk b.v. aan hogere maatschappelijke kosten vanwege uithuisplaatsing) de
                    verrekening aan te passen, dan wel bij de verrekening de beslagvrije voet
                    volledig te respecteren. De Wet werk en bijstand verplicht de gemeenteraad in
                    dit kader bij verordening nadere regels te stellen met betrekking tot het
                    gebruik van deze bevoegdheid. </al>
        <al/>
        <al>Opgemerkt zij nog dat de verordening enkel de verrekening regelt van
                    bijstandsafhankelijken die te maken krijgen met een door het college
                        <cursief>zelf</cursief> opgelegde recidiveboete. Is de recidiveboete
                    opgelegd op het moment dat belanghebbende elders bijstand ontvangt, dan kan het
                    boete opleggende college het bijstandsverstrekkende college verzoeken om conform
                    de regels van het boete opleggende college tot verrekening over te gaan. Mocht
                    belanghebbende tussentijds het bijstandsverstrekkende college verzoeken de
                    beslagvrije voet alsnog te respecteren, dan is dit college bij de verrekening
                    daaraan gehouden. </al>
        <al/>
      </nota-toelichting>
      <nota-toelichting>
        <kop>
          <label/>
          <nr/>
          <titel>Artikelgewijze toelichting</titel>
        </kop>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Artikel 1</cursief>
        </al>
        <al>Behoeft geen nadere toelichting</al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Artikel 2</cursief>
        </al>
        <al>Artikel 4:93, vierde lid, van Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat verrekening
                    niet mogelijk is voorzover beslag op de vordering nietig zou zijn. Concreet
                    houdt dit in dat bij verrekening in beginsel rekening moet worden gehouden met
                    de beslagvrije voet zoals deze zijn regeling vindt in artikel 475c tot en met
                    475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Zoals reeds aangegeven
                    geeft de Wet werk en bijstand het college de bevoegdheid om deze bepaling in de
                    eerste drie maanden na oplegging van de boete buiten toepassing te laten. Het
                    college mag dus de openstaande boetevordering (zowel de recidiveboete als een
                    wellicht nog openstaand bedrag in verband met de eerdere boete) in deze eerste
                    drie maanden volledig met een eventueel bijstandsrecht verrekenen. </al>
        <al/>
        <al>In eerste instantie was deze verrekening – gelijk nog steeds in de IOAW en IOAZ
                    – als een verplichting opgenomen in de wet. De Kamer achtte echter - juist bij
                    bijstandsverlening – het risico reëel dat zich situaties zouden kunnen voordoen
                    waarbij de uiteindelijke totale maatschappelijke kosten beduidend hoger lagen
                    dan het met deze invorderingsmethodiek bereikte resultaat. Reden voor de Kamer
                    om de gemeente in dit kader meer handelingsvrijheid te geven, om juist in deze
                    individuele situaties af te kunnen wijken van het principe. Vandaar dat bij de
                    verrekening met de bijstand niet gesproken wordt over een plicht, maar over een
                    bij verordening nader in te kaderen bevoegdheid.</al>
        <al/>
        <al>In de voorbeeld verordening was er voor gekozen om in lijn met deze bedoeling
                    uit te gaan van het principe van volledige verrekening, om vervolgens in artikel
                    3 en 4 de mogelijkheden te benoemen om van dit principe af te wijken. </al>
        <al>Benadrukt wordt dat de wet gemeenten de vrijheid geeft anders met de bevoegdheid
                    om te gaan. Zo kan de raad er ook voor kiezen om standaard in de eerste drie
                    maanden niet de volledige bijstand te verrekenen, maar een bepaald percentage
                    daarvan of zelfs om enkel te verrekenen met in achtname van de beslagvrije voet. </al>
        <al/>
        <al>Hoe passen we dit in Elburg toe?</al>
        <al>De Adviesraad sociale zaken adviseerde om de beslagvrije voet te hanteren. De
                    raad wordt geadviseerd dit niet over te nemen, omdat het geen recht doet aan de
                    invoering van de Wet aanscherping handhaving- en sanctiebeleid SZW-wetgeving.
                    Het doel van de wet is om fraudeurs harder aan te pakken en fraude niet lonend
                    te laten zijn. Enige ‘pijn’ mag daarom wel voelbaar zijn. Uiteraard is het niet
                    de bedoeling om mensen onoverkomelijk diep in de schulden te steken. Daarom is
                    voor een inhouding van 30% gekozen voor de 1<sup>e</sup> drie maanden, in plaats
                    van 100% voor de 1<sup>e</sup> drie maanden. De overige maanden wordt weer
                    verrekend met inachtneming van de beslagvrije voet. Dat wil zeggen dan 10% van
                    de geldende bijstandsnorm wordt ingehouden.</al>
        <al>Door voor een inhouding van 30% te kiezen, kunnen in ieder geval de vaste lasten
                    worden doorbetaald. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Artikel 3</cursief>
        </al>
        <al>Zoals in de toelichting op artikel 2 aangegeven zijn in artikel 3 en 4 de
                    mogelijkheden om van het in artikel 2 benoemde principe af te wijken nader
                    uitgewerkt. Artikel 3 voorziet daarbij in de mogelijkheid voor belanghebbende om
                    het college te verzoeken om in ieder geval de huur (en bij een eigendomswoning
                    de hypotheekrente onder aftrek van de in dit kader ontvangen belastingteruggave
                    en eventueel ontvangen bijzondere bijstand) via de bijstand te laten
                    doorbetalen. Gedachte hierachter is dat met name moet worden gevreesd dat
                    belanghebbende wanneer hij drie maanden van bijstand verstoken blijft het risico
                    loopt dat hij vanwege de ontstane achterstand in de woonlasten uit huis wordt
                    geplaatst met allerlei eventuele extra kosten voor de maatschappij. Om dit te
                    voorkomen voorziet deze bepaling in de mogelijkheid dat het college het te
                    verrekenen bedrag kan aanpassen, zodat alsnog vanuit de bijstand de woonlasten
                    kunnen worden doorbetaald. Wel is gekozen voor een directe doorbetaling aan de
                    verhuurder/hypotheekverstrekker om te voorkomen dat de bijstand voor andere
                    zaken wordt ingezet, waardoor alsnog het risico van uithuisplaatsing reëel
                    blijft. </al>
        <al/>
        <al>In het tweede lid van artikel 3 is daarnaast bepaald dat een verzoek tot
                    doorbetaling zonder meer wordt geweigerd indien belanghebbende in redelijkheid
                    over voldoende gelden kan beschikken om de genoemde drie maanden in zijn
                    levensonderhoud te voorzien dan wel in redelijkheid deze gelden op korte termijn
                    kan verwerven. </al>
        <al/>
        <al>Gesproken wordt over gelden, niet over middelen. Van het in de Wet werk en
                    bijstand gedefinieerde middelen begrip zijn immers een aantal posten
                    uitgesloten. Denk dan bijvoorbeeld aan bedragen die belanghebbende heeft
                    ontvangen in het kader van een immateriële schadevergoeding of bedragen waarover
                    belanghebbende wel beschikt, maar die bij saldering met de openstaande schulden
                    geen aan te spreken vermogen opleveren. Dit zijn echter wel gelden die
                    belanghebbende in deze situatie kan aanspreken voor zijn levensonderhoud, voor
                    zover hij er in ieder geval in redelijkheid over kan (gaan) beschikken. </al>
        <al/>
        <al>Iemand kan onder andere redelijkerwijs over gelden gaan beschikken, indien het
                    redelijk is dat hij ofwel binnen afzienbare tijd vermogensbestanddelen te gelde
                    weet te maken ofwel op korte termijn werk weet te aanvaarden. </al>
        <al/>
        <al>Belanghebbende kan natuurlijk altijd al zijn bezittingen verkopen en op die
                    wijze over gelden gaan beschikken, maar het is niet redelijk dat het college in
                    deze van belanghebbende verlangt dat hij bezittingen verkoopt die naar hun aard
                    en waarde algemeen gebruikelijk zijn (denk aan z’n meubels of bed). En
                    natuurlijk kunnen inkomsten worden verworven door werk te aanvaarden, maar
                    indien belanghebbende’s afstand tot de arbeidsmarkt heel groot is, is het niet
                    reëel om te verwachten dat hem dit op zeer korte termijn zal lukken. In dit
                    soort situaties kan dus niet met een beroep op het tweede lid een verzoek tot
                    doorbetaling zonder meer worden afgewezen. </al>
        <al/>
        <al>Dat gesproken wordt over een verzoek houdt in dat belanghebbende zelf in actie
                    moet komen zo hij de verrekening wil laten aanpassen. Dat houdt tevens in dat
                    zo’n verzoek ook lopende de drie maanden van verrekening kan worden gedaan,
                    mocht bijvoorbeeld plots blijken dat uithuiszetting dreigt of dat verwachte
                    inkomsten uitblijven. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Artikel 4</cursief>
        </al>
        <al>In artikel 4 zijn een tweetal situaties benoemd waarin het college ondanks de in
                    de wet opgenomen bevoegdheid toch de beslagvrije voet bij verrekening in acht
                    neemt. De genoemde omstandigheden betreffen situaties die ook tijdens de
                    parlementaire behandeling expliciet zijn benoemd. </al>
        <al/>
        <al>
          <cursief>Artikel 5 en 6</cursief>
        </al>
        <al>Behoeven geen nadere bespreking.</al>
      </nota-toelichting>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>