<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR251040_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Elburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Elburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Huis aan huis Elburg, 05-02-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. artikel 8 lid 1 onderdeel b en onderdeel i, art. 18, art. 35 lid onder c.</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">IOAW en IOAZ, art. 35 lid 1 onder b en c.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-02-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>De raad van de gemeente Elburg;</vet></al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 11 december
                        2012;</al><al>gelet op artikel 8 lid 1 onderdeel b en onderdeel i, artikel 18 van de Wet
                        werk en bijstand en artikel 35 lid 1 onder b en c van de IOAW en IOAZ,
                        overwegende dat het noodzakelijk is bij verordening regels te stellen met
                        betrekking tot het verlagen van de uitkering indien sprake is van een
                        tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</al><al>en</al><al>gelet op artikel 212 van de Gemeentewet, artikel 8a van de Wet werk en
                        bijstand en artikel 35 lid 1 onder c, overwegende dat het noodzakelijk is
                        bij verordening regels te stellen inzake de bestrijding van het ten onrechte
                        ontvangen van uitkering en het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik
                        van de Wet werk en bijstand, IOAW en IOAZ; </al><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al>vast te stellen de <vet>Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>belanghebbende: persoon met een periodieke uitkering voor
                                        levensonderhoud ingevolge de WWB, IOAW of IOAZ, of een
                                        persoon die aanspraak maakt op bijzondere bijstand; </al></li><li nr="b."><al>de WWB: Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="c."><al>de IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werknemers;</al></li><li nr="d."><al>de IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al></li><li nr="e."><al>SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                        inkomen;</al></li><li nr="f."><al>uitkering: de uitkering op grond van de WWB, IOAW of
                                        IOAZ;</al></li><li nr="g."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5,
                                        onderdeel d, van de WWB;</al></li><li nr="h."><al>uitkeringsnorm:de uitkeringsnorm op grond van de
                                        WWB, inclusief gemeentelijke toeslagen en verlagingen en de
                                        vakantietoeslag, dan wel de grondslag op grond van de Ioaw
                                        en de Ioaz, inclusief vakantietoeslag;</al></li><li nr="i."><al>maatregel: het verlagen van de uitkeringsnorm of de
                                        grondslag; </al></li><li nr="j."><al>benadelingsbedrag: het bruto bedrag aan uitkering dat ten
                                        onrechte of tot een te hoog bedrag is verstrekt;</al></li><li nr="k."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Elburg;</al></li><li nr="l."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Elburg;</al></li><li nr="m."><al>Awb: de Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="n."><al>de wet: de WWB tenzij een andere wet genoemd staat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de WWB,
                                IOAW, IOAZ en de Awb.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het opleggen van een maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de WWB, IOAW, IOAZ of wet
                                SUWI voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt,
                                waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                                misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel
                                opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                persoonlijke omstandigheden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De maatregel wordt toegepast op de uitkeringsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                    toegepast op de bijzondere bijstand indien: </al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                    toepassing van artikel 12 van de WWB; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn
                                    recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een
                                maatregel</titel></kop><al>In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeldt: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage of het bedrag waarmee de uitkering wordt verlaagd uitgaande
                            van de uitkeringsnorm en, indien van toepassing, de reden om af te
                            wijken van een standaardmaatregel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Afzien van het opleggen van een
                                maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                        gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en
                                        als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is
                                        verleend. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                maandbetaling volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                                uitkeringsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is
                                uitbetaald. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij niet continuering van de uitkering, wordt de maatregel met
                                terugwerkende kracht opgelegd met ingang van de eerste van de maand
                                waarin de gedraging plaatsvond. Het recht op uitkering wordt over
                                deze kalendermaand herzien en als gevolg daarvan wordt de ten
                                onrechte of tot een te hoog bedrag aan verstrekte uitkering
                                teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd indien vervolging via het Openbaar Ministerie
                                niet mogelijk is. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                                uiterlijk drie maanden na datum beschikking heroverwogen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2 lid 1 inhouden, worden de daarvoor geïndiceerde
                            maatregelen bij elkaar geteld. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Onvoldoende medewerking aan verkrijgen of behouden
                            van algemeen geaccepteerd werk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbende waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 van de WWB, artikel 37 van de IOAW of artikel 37 van de IOAZ
                            niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet (tijdig) laten registreren als
                                            werkzoekende bij het UWV-WERKbedrijf of het niet tijdig
                                            (laten) verlengen van de registratie; </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid of scholing te verkrijgen of te aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling,
                                            waaronder tevens begrepen wordt het niet of in
                                            onvoldoende mate voldoen aan de verplichting zich te
                                            onderwerpen aan een noodzakelijk geacht medisch
                                            onderzoek, zoals bedoeld in artikel 55 van de WWB;</al></li><li nr="c."><al>Het niet voldoen aan een oproep om, in verband met de
                                            arbeidsinschakeling, op een aangegeven plaats en tijd te
                                            verschijnen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren,
                                            waaronder mede wordt verstaan het onvoldoende meewerken
                                            aan het opstellen, uitvoeren dan wel evalueren van een
                                            plan van aanpak;</al></li><li nr="b."><al>het niet voldoen aan de verplichting zich te onderwerpen
                                            aan noodzakelijke behandeling van medische aard, zoals
                                            bedoeld in artikel 55 van de WWB;</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate nakomen van de
                                            verplichting gebruik te maken van een door het college
                                            aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling
                                            als bedoeld in artikel 9 lid 1 onderdeel b en artikel 10
                                            lid 1 van de wet, waaronder begrepen sociale activering
                                            en de artikelen 8 tot en met 15 van de
                                            Re-integratieverordening Wet Werk en Bijstand gemeente
                                            Elburg.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid.</al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan de
                                            tegenprestatie als bedoeld in artikel 20 van de
                                            Re-integratieverordening Wet werk en bijstand gemeente
                                            Elburg. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>De hoogte en duur van de maatregel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2 lid 2, wordt de maatregel als bedoeld in
                                artikel 8 vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a."><al> 5% van de uitkeringsnorm gedurende een maand, bij
                                        gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al> 10% van de uitkeringsnorm gedurende een maand, bij
                                        gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al> 20% van de uitkeringsnorm gedurende een maand, bij
                                        gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>100% van de uitkeringsnorm gedurende een maand, bij
                                        gedragingen van de vierde categorie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt
                                verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na
                                bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd,
                                opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging. Met een
                                besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het
                                besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, zoals
                                bedoeld in artikel 5 lid 2. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij een derde en volgende verwijtbare gedraging als
                                bedoeld in artikel 8 binnen twaalf maanden na de laatste als
                                verwijtbaar aangemerkte gedraging de hoogte en de duur van de
                                verlaging individueel bepalen, rekening houdend met de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                                omstandigheden van de belanghebbende. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht (VERVALLEN)</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Schending inlichtingplicht waardoor teveel uitkering is verstrekt
                                (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Schending inlichtingenplicht waardoor teveel uitkering is
                                verstrekt (vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Schending inlichtingenplicht zonder dat teveel uitkering is
                                verstrekt (vervallen)</titel></kop><al/></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ten aanzien van nog niet genoemde gedragingen, waarbij een
                                belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, wordt een
                                maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2 lid 2 wordt de maatregel als bedoeld in lid 1
                                vastgesteld, zoals bepaald in lid 3, 4, 5, 6, 7 en 8. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De volgende gedragingen leiden tot een maatregel van 10% van de
                                uitkeringsnorm gedurende een maand, indien belanghebbende:</al><lijst><li nr="a."><al>geen medewerking verleent aan het in naam van belanghebbende
                                        doen van noodzakelijke betalingen uit de toegekende
                                        WWB-uitkering; </al></li><li nr="b."><al>geen medewerking verleent aan betaling in natura van een
                                        deel van de WWB-uitkering; </al></li><li nr="c."><al>niet (tijdig) een verzoek tot toekenning of inning van
                                        kinderalimentatie indient. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De volgende gedragingen leiden tot een maatregel van 20% van de
                                uitkeringsnorm voor de duur van het aantal maanden, met een maximum
                                van 36 maanden, dat geen of voor een lager bedrag beroep op
                                uitkering nodig zou zijn geweest indien belanghebbende geen
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als bedoeld in lid 1
                                zou hebben betoond:</al><lijst><li nr="a."><al>het op onverantwoorde wijze interen op het vermogen boven de
                                        van toepassing zijnde vermogensgrens of het op andere wijze
                                        onverantwoord besteden van of beschikken over
                                        vermogen(sbestanddelen);</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet (tijdig) of in onvoldoende mate
                                        ontvangen van een andere (sociale) uitkering of andere
                                        middelen als voorliggende voorziening;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien belanghebbende niet of onvoldoende verzekerd is tegen ziekte-
                                of tandartskosten dan wel andere kosten, wordt bij een aanvraag de
                                bijzondere bijstand vastgesteld alsof belanghebbende voldoende
                                verzekerd is, hetgeen betekent dat ter hoogte van het – door eigen
                                toedoen c.q. nalaten – ten laste blijvende bedrag voor
                                belanghebbende een maatregel wordt opgelegd van 100%. </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al> De volgende gedragingen leiden tot een maatregel van 20% van de
                                uitkeringsnorm gedurende een maand, indien belanghebbende</al><lijst><li nr="a."><al> niet meewerkt aan een traject schuldhulpverlening of een
                                        andere door de gemeente aangeboden voorziening;</al></li><li nr="b."><al> een op grond van artikel 55 Wwb opgelegde nadere
                                        verplichting, niet zijnde de verplichting tot meewerken aan
                                        een medisch onderzoek of het ondergaan van een noodzakelijke
                                        behandeling van medische aard, niet nakomt. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij
                                een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als
                                verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een
                                maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                                te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5 lid 2.
                            </al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het college kan bij een derde en volgende verwijtbare gedraging als
                                bedoeld in dit artikel binnen twaalf maanden na de laatste als
                                verwijtbaar aangemerkte gedraging de hoogte en de duur van de
                                verlaging individueel bepalen, rekening houdend met de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                                omstandigheden van de belanghebbende. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                                college, zijn ambtenaren of andere personen namens het college,
                                onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                                uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18 lid 2 WWB, artikel
                                20 lid 2 IOAW en artikel 20 lid 1 IOAZ, wordt onverminderd artikel 2
                                lid 2, een maatregel opgelegd van minimaal twintig procent van de
                                uitkeringsuitkeringsnorm gedurende een maand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij
                                een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als
                                verwijtbaar aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een
                                maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                                te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5 lid 2.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan bij een derde en volgende verwijtbare gedraging als
                                bedoeld in dit artikel binnen twaalf maanden na de laatste als
                                verwijtbaar aangemerkte gedraging de hoogte en de duur van de
                                verlaging individueel bepalen, rekening houdend met de ernst van de
                                gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                                omstandigheden van de belanghebbende. </al><al>Paragraaf 5 Handhaving</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Regels bestrijding misbruik</titel></kop><al>Het college biedt een vierjaarlijks meerjarenbeleidsplan
                            fraudebestrijding aan de gemeenteraad aan met daarin het te voeren
                            beleid op gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk
                            gebruik van de Wet werk en bijstand, IOAW en IOAZ en de te verwachten
                            resultaten en rapporteert hierover via de planning en controlcyclus aan
                            de gemeenteraad.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Overige</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In bijzondere gevallen en in gevallen waarin deze verordening niet
                                voorziet, beslist het college. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere richtlijnen geven voor de uitvoering van deze
                                verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'de afstemmingsverordening
                            WWB, IOAW en IOAZ'.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 6 februari
                                2013;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Per 6 februari 2013 wordt de op 29 oktober 2012 vastgestelde
                                Afstemmingsverordening WWB, IOAW en IOAZ ingetrokken. </al></lid></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de raadsvergadering van 28 januari 2013.</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, de griffier,</ondertekening><ondertekening>F.A. de Lange mw M.C. Luiting.</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><label/><nr/><titel>Toelichting artikelgewijs</titel></kop><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsomschrijving </vet></al><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                    betekenis als de omschrijving in de WWB, de Ioaw, de Ioaz en Awb. Volstaan wordt
                    met een verwijzing naar die wetten, zodat bij een eventuele definitiewijziging
                    in die wetten de verordening niet hoeft te worden aangepast. </al><al/><al><vet>Artikel 2. Het opleggen van een maatregel</vet></al><al>De WWB, Ioaw en de Ioaz verbinden aan het recht op een uitkering de volgende
                    verplichtingen:</al><lijst><li nr=""><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het </al></li></lijst><al>bestaan ( b.v. artikel 18, tweede lid WWB). </al><lijst><li nr=""><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 en artikel 9a WWB en
                            artikel 37 van zowel de Ioaw als de Ioaz). Deze plicht bestaat uit twee
                            soorten verplichtingen: </al></li><li nr=""><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
                            en deze te aanvaarden; en </al></li><li nr=""><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                            voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. </al></li></lijst><al/><al><cursief>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid WWB en artikel 13 van de
                        Ioaw en de Ioaz). </cursief></al><al>Op een belanghebbende rust de verplichting aan het college op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
                    omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van
                    invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op uitkering.</al><al/><al><cursief>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid WWB en artikel 13, tweede
                        lid Ioaw en Ioaz). </cursief></al><al>Dit is de plicht van belanghebbenden om desgevraagd het college de medewerking
                    te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De
                    medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals: </al><lijst><li nr=""><al>het toestaan van huisbezoek; </al></li><li nr=""><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek. </al></li></lijst><al/><al>Artikel 18, tweede lid WWB, noemt als een gedraging die in ieder geval een
                    schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college zeer
                    ernstig misdragen’. </al><al/><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan belanghebbenden. Het betreft de
                    verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan het UWV WERKbedrijf
                    te verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het college (artikel 30 c,
                    tweede en derde lid Wet SUWI) en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit
                    eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan het UWV
                    WERKbedrijf, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed
                    kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht bijstand
                    of de hoogte of de duur van de bijstand. </al><al/><al>In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending
                    van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van
                    een vaste (procentuele) verlaging van de uitkeringsnorm. In het tweede lid wordt
                    vastgelegd dat bij het opleggen van een maatregel een aantal zaken overwogen
                    moeten worden. Niet alleen de ernst van het feit is van belang, maar het college
                    dient ook een op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele
                    omstandigheden van de belanghebbende en op de mate van verwijtbaarheid. Deze
                    bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal
                    moeten nagaan in hoeverre afwijking van de hoogte en de duur van de
                    voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. In dat kader kan het zinvol zijn
                    belanghebbende te horen. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een
                    verzwaring als een matiging betekenen. </al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een maatregel moet worden
                    opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:</al><lijst><li nr=""><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.</al></li><li nr=""><al>Stap 2: vaststellen van de mate van verwijtbaarheid.</al></li><li nr=""><al>Stap 3: vaststellen van de persoonlijke omstandigheden van de
                            uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al/><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                    waarmee de bijstand wordt verlaagd. Matiging van de opgelegde maatregel wegens
                    persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde
                    zijn:</al><lijst><li nr=""><al>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals
                            bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                            bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk
                            is;</al></li><li nr=""><al>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;</al></li><li nr=""><al>bij een opeenstapeling van maatregelen: de zwaarte van het geheel van
                            maatregelen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging(en) en de
                            mate van verwijtbaarheid. </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 3. De berekeningsgrondslag</vet></al><al>In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt
                    opgelegd over de uitkeringsnorm. Onder de uitkeringsnorm wordt verstaan de
                    wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                    vakantietoeslag. </al><al/><al><vet>Tweede lid </vet></al><al>Onderdeel a: de 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die indien
                    noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere bijstand in
                    de kosten van levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de lage
                    jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte
                    van de 21-jarigen. </al><al/><al>Onderdeelb: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in
                    voorkomende gevallen een maatregel oplegt over de bijzondere bijstand. Er moet
                    dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn
                    recht op bijzondere bijstand. Dit wordt in artikel 13 lid 5 nader uitgewerkt. </al><al/><al><vet>Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel </vet></al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in ieder geval in het besluit moet worden
                    vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb) en dan met het motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt onder
                    andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering wordt
                    voorzien. Tegen beide besluiten kan door de belanghebbende bezwaar en beroep
                    worden aangetekend.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Afzien van het opleggen van een maatregel</vet></al><al>Het afzien van het toepassen van een verlaging indien ’elke vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt’, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB. Dit is
                    ook geregeld in artikel 20, vierde lid Ioaw en artikel 20, derde lid Ioaz.</al><al/><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b
                    geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan
                    één jaar geleden hebben plaatsgevonden. </al><al/><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                    bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                    jaar. Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de
                    gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal
                    hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen. </al><al/><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                    maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Te denken valt
                    aan levensbedreigende omstandigheden. Wat daarnaast dringende redenen zijn, is
                    afhankelijk van de situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd. </al><al/><al><vet>Derde lid </vet></al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive. </al><al/><al/><al/><al><vet>Artikel 6. Ingangsdatum en tijdvak</vet></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering; of </al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende
                            maand(en). </al></li></lijst><al/><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. We hoeven in dat geval niet over te gaan tot herziening
                    van de bijstand en het te veel betaalde bedrag aan bijstand terug te vorderen.
                    Om die reden is in dit lid vastgelegd dat een maatregel in beginsel wordt
                    opgelegd met ingang van de eerstvolgende maandbetaling na datum beschikking,
                    waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende norm. Een adequaat
                    maatregelenbeleid kenmerkt zich door het zogenaamde lik-op-stuk karakter.</al><al/><al><vet>Tweede en vierde lid</vet></al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is
                    uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te
                    verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de
                    bijstand wel worden herzien en teruggevorderd. Een herziening blijft tevens
                    mogelijk wanneer vervolging via het Openbaar Ministerie niet mogelijk is. </al><al/><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Indien de verlening van de uitkering niet wordt gecontinueerd dient de verlaging
                    te worden toegepast met ingang van de eerste van de maand waarin de gedraging
                    heeft plaatsgevonden. Dit is logisch omdat belanghebbende anders niet wordt
                    gestraft voor zijn/haar tekortkoming, daar er in de toekomst geen recht op
                    uitkering meer bestaat. </al><al>Wordt een verlaging met terugwerkende kracht toegepast voor wat betreft de
                    bijstand, dan moet een besluit tot herziening van de bijstand worden genomen
                    (artikel 54 lid 3 WWB). </al><al/><al><vet>Vijfde lid</vet></al><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een
                    maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde
                    die met een maatregel wordt geconfronteerd waar hij aan toe is. Het college kan
                    na afloop van de periode waarvoor de maatregel is getroffen opnieuw een
                    maatregel opleggen. Hiervoor is dan wel weer een apart besluit nodig. Wordt een
                    maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het college
                    de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld in
                    artikel 18, derde lid WWB. Gemeenten mogen zelf bepalen wanneer die
                    herbeoordeling plaatsvindt, als dat maar gebeurt binnen drie maanden nadat het
                    besluit is genomen. Bij zo’n herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te
                    worden genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen
                    het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het college moet
                    beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd.
                    Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden waarin betrokkene verkeert,
                    maar bijvoorbeeld ook of de betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen
                    voldoet.</al><al/><al><vet>Artikel 7. Samenloop van gedragingen </vet></al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een uitkeringsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden. </al><al/><al><vet>Artikel 8. Indeling in categorieën</vet></al><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                    worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging
                    het onderscheidende criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                    gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid. </al><al/><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich als
                    werkzoekende in te schrijven bij het UWV-WERKbedrijf en ingeschreven te doen
                    blijven. </al><al/><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om
                    bijvoorbeeld voldoende te solliciteren en te voldoen aan een oproep. In dat
                    laatste geval zal het met name gaan om een succesvol trajectplan te kunnen
                    vaststellen en daar gaat een noodzakelijk te achten fase van onderzoek – al dan
                    niet met inschakeling van derden – aan vooraf. Het is van groot belang dat de
                    uitkeringsgerechtigde zijn of haar medewerking hieraan verleent. Dit geldt
                    tevens voor een actieve opstelling om (de mogelijkheden tot) geschikte scholing
                    te onderzoeken.</al><al>Wanneer iemand een WWB-uitkering heeft, kan de verplichting tot het ondergaan
                    van een medisch onderzoek worden opgelegd op grond van artikel 55. Bij de IOAW
                    en IOAZ is dat niet mogelijk.</al><al/><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen
                    tot een beroep op een uitkering of het zonder noodzaak langer voortduren
                    daarvan. Het gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten
                    aanzien van de aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op
                    arbeidsinschakeling verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn negatieve
                    gedragingen bij sollicitaties en onvoldoende meewerken aan het opgestelde
                    trajectplan waaronder ook sociale activering verplicht kan worden gesteld. In de
                    WWB wordt voor jongeren per 1 januari 2012 het plan van aanpak geïntroduceerd.
                    Door dit op te nemen bij de gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                    belemmeren, kan het onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren dan wel
                    evalueren van een plan van aanpak ook gesanctioneerd worden.</al><al>In diverse gevallen is noodzakelijke medische behandeling vereist. Om tot een
                    succesvol en passend traject te komen, is medewerking aan zo’n behandeling
                    nodig. Wanneer iemand een WWB-uitkering heeft, kan deze verplichting worden
                    opgelegd op grond van artikel 55. Bij de IOAW en IOAZ is dat niet mogelijk. </al><al>Ook zal een belanghebbende gebruik dienen te maken van de
                    re-integratievoorzieningen die de gemeente op grond van de
                    re-integratieverordening aanbiedt. </al><al/><al>De vierde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid alsmede door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag algemeen
                    geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel tijdens de bijstand deeltijdarbeid
                    niet behouden. </al><al>Daarnaast betreft de vierde categorie het niet meewerken aan een tegenprestatie. </al><al/><al><vet>Artikel 9. De hoogte en duur van de maatregel</vet></al><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vier categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. De percentages
                    waarmee de uitkering wordt verlaagd, zijn overgenomen uit het voormalige
                    Maatregelenbesluit. Bij het vaststellen van de percentages waarmee de uitkering
                    wordt verlaagd, zijn twee afwegingen gemaakt. In hoeverre voldoet de beoogde
                    verlaging van de uitkering aan de eisen van proportionaliteit en evenredigheid
                    als de betreffende gedraging in ogenschouw wordt genomen en in hoeverre zal het
                    opleggen van de maatregel effectief zijn, in de zin dat de maatregel de beoogde
                    gedragsverandering bij de uitkeringsgerechtigde zal bewerkstelligen?</al><al/><al><vet>Tweede lid </vet></al><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van
                    herhaling van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                    verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de
                    maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan
                    die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook indien de maatregel wegens
                    dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de
                    termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de
                    maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt, dus datum verzending beschikking. </al><al/><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden
                    toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom
                    hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel
                    individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de betrokkene. </al><al/><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Het derde lid regelt de hoogte en duur van de verlaging bij volharding. Van
                    volharding is in beginsel sprake bij een derde en volgende gedraging van gelijke
                    of hogere categorie, binnen twaalf maanden na de laatste verwijtbare gedraging.
                    Omdat een verlaging voor onbepaalde duur relatief grote gevolgen heeft voor de
                    belanghebbende, geldt hier bij uitstek de vereiste van een zorgvuldige afweging
                    en het vereiste van evenredigheid c.q. proportionaliteit. Overigens blijft het
                    mogelijk om ook bij volharding opnieuw een verlaging voor bepaalde duur op te
                    leggen. In de meeste gevallen zal echter de verlaging voor onbepaalde duur
                    moeten worden opgelegd en zal de belanghebbende bij de in artikel 6 lid 4
                    bedoelde heroverweging aannemelijk moeten maken van verder verwijtbaar gedrag af
                    te zien. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het niet nakomen van de
                    sollicitatieplicht of het niet meewerken aan een traject in welke vorm dan ook.
                    Het is aan belanghebbende om aan te tonen dat hij inmiddels weer volledig aan de
                    opgelegde verplichtingen voldoet.</al><al/><al><vet>Artikel 10. Schending inlichtingenplicht zonder dat teveel uitkering is
                        verstrekt</vet> (VERVALLEN)</al><al/><al><vet>Artikel 11. Schending inlichtingenplicht waardoor teveel uitkering is
                        verstrekt </vet>(VERVALLEN)</al><al/><al><vet>Artikel 12. Schending inlichtingenplicht zonder dat teveel uitkering is
                        verstrekt </vet>(VERVALLEN)</al><al>Dit artikel vervalt omdat dit onderwerp ook al in artikel 10 is geregeld.</al><al/><al><vet>Artikel 13. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</vet></al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een uitkering wordt aangevraagd.
                    Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    uitkeringsaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                    getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van
                    het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een uitkering aanvraagt, de
                    gemeente bij de toekenning van de uitkering hiermee rekening kan houden door het
                    opleggen van een maatregel. </al><al/><al>In de artikelleden wordt voor een concrete ‘strafmaat’ gekozen. Dit laat
                    onverlet de mogelijkheid voor het college om af te wijken van duur en/of hoogte
                    op basis van evenwichtigheid, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de belanghebbende.</al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken, zoals: </al><lijst><li nr=""><al>een onverantwoorde besteding van vermogen (dit geldt alleen bij de
                            WWB);</al></li><li nr=""><al>niet mee willen werken aan noodzakelijk te achten budgettering (dit
                            geldt ook alleen voor de WWB - ex artikel 57 WWB)</al></li><li nr=""><al>geen medewerking verlenen aan noodzakelijk te achten betalingen in
                            natura (dit geldt ook alleen voor de WWB-ex artikel 57 WWB), hoewel de
                            gemeente natuurlijk zo min mogelijk gebruik zal maken van deze
                            optie;</al></li><li nr=""><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;</al></li><li nr=""><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen
                            alimentatievordering;</al></li><li nr=""><al>niet meewerken aan arbeidsinschakeling;</al></li><li nr=""><al>niet meewerken aan het wegnemen van belemmeringen voor
                            arbeidsinschakeling. Zoals het niet willen meewerken aan een traject
                            schuldhulpverlening om de schuldenproblematiek aan te pakken, zodat dat
                            geen belemmering meer vormt om te gaan werken.</al></li></lijst><al/><al>Het vijfde lid geeft invulling aan artikel 3 lid 2 onder b van de verordening.
                    Hierbij kan bijvoorbeeld gewezen worden naar de werkinstructie bijzondere
                    bijstand en tandartskosten. Ook moet duidelijk zijn dat een burger niet zomaar
                    een nota bij de gemeente kan indienen voor bijzondere bijstand, terwijl
                    betrokkene invulling had moeten geven aan de eigen verantwoordelijkheid. Te
                    denken valt aan het afsluiten van een aanvullende verzekering voor de
                    ziektekosten of een WA- en opstalverzekering. </al><al/><al>Met een voorbeeld wordt dit verduidelijkt: </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="colA"/><colspec colname="colB"/><tbody><row><entry><al>Klant heeft vereiste behandeling gehad, komt met nota
                                        tandarts: € 500</al><al>Via aanvullende verzekering en tandverzekering krijgt klant
                                        € 300,00 vergoed van ziektekostenverzekeraar -/-
                                            <onderstreept>€ 300</onderstreept></al><al><vet>Via bijzondere bijstand wordt vergoed: € 200 </vet></al><al/></entry><entry><al>Klant heeft vereiste behandeling gehad, komt met nota
                                        tandarts: € 500</al><al>Via AV en TV krijgt klant € 200 vergoed -/- € 200</al><al>In principe: maatregel100% met toepassing van artikel
                                        13 lid 5 -/- <onderstreept>€ 100</onderstreept></al><al><vet>Via bijzondere bijstand wordt vergoed: € 200</vet></al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al><vet>Zevende en achtste lid</vet></al><al>Recidivemaatregelen zijn toegevoegd.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Zeer ernstige misdragingen</vet></al><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd. Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er
                    een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen
                    voor de gemeente bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat
                    in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben
                    plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                    uitvoering van WWB. </al><al/><al>In artikel 18 WWB en artikel 20 IOAW en IOAZ wordt gesproken over ‘het zich
                    jegens het college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat (zeer) agressief
                    gedrag tegenover leden van het college, hun ambtenaren of andere personen namens
                    het college aanleiding is voor het opleggen van een maatregel. </al><al>De Rechtbank Rotterdam heeft een uitspraak gedaan waarin wordt gesteld dat de
                    bijstand verlaagd zou kunnen worden als belanghebbende zich zeer ernstig
                    misdraagt jegens medewerkers van het:</al><lijst><li nr=""><al>UWV, omdat belanghebbende hier ook de inlichtingenplicht heeft;</al></li><li nr=""><al>re-integratiebedrijf omdat deze personen werken in opdracht van het
                            college en de misdraging van negatieve invloed is op de, op
                            belanghebbende op grond van de WWB rustende, verplichting tot
                            arbeidsinschakeling. </al></li></lijst><al/><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                    uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal eveneens gekeken moeten
                    worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                    persoonlijke omstandigheden van de betrokkene. Wat betreft het vaststellen van
                    de ernst van de gedraging, kunnen de volgende vormen van agressief gedrag in een
                    oplopende reeks (steeds ernstiger) worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="1."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="2."><al>discriminatie;</al></li><li nr="3."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="4."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="5."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="6."><al>combinatie van agressievormen. </al></li></lijst><al/><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. </al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
                        <cursief>instrumenteel</cursief> geweld en
                        <cursief>frustratiegeweld</cursief>. Van instrumenteel geweld is sprake als
                    iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                    (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                    onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. </al><al/><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. </al><al/><al><vet>Tweede en derde lid</vet></al><al>Recidivemaatregelen zijn toegevoegd.</al><al/><al><vet>Artikel 15. Regels bestrijding misbruik</vet></al><al>Artikel 8a WWB en artikel 35 lid 1 c IOAW en IOAZ bepaalt dat de gemeenteraad in
                    het kader van het financiële beheer bij verordening regels stelt voor de
                    bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede van misbruik en
                    oneigenlijk gebruik van de wet. Het doel van dit artikel is de handhaving en het
                    fraudebeleid op de agenda van de gemeenteraad te zetten. </al><al/><al>Op grond van artikel 212 Gemeentewet moet de gemeenteraad een verordening
                    vaststellen voor de uitgangspunten voor het financiële beleid en voor het
                    financiële beheer. Daarmee dient te worden gewaarborgd dat aan de eisen van
                    rechtmatigheid wordt voldaan. In dat kader kan ook aandacht worden besteed aan
                    de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen.
                    Een goed financieel beheer bij de uitvoering van de WWB brengt met zich dat
                    daarbij ook voortdurend aandacht bestaat voor de bestrijding van misbruik en
                    oneigenlijk gebruik. Het is wenselijk dit expliciet te regelen. Artikel 8a WWB
                    en 35 lid 1 c IOAW/IOAZ houdt in dat de gemeenteraad in een verordening regels
                    stelt over misbruik en oneigenlijk gebruik. De gemeenteraad kan aansluiten bij
                    de afstemmingsverordening en hoeft in dat geval geen aparte fraudeverordening op
                    te stellen. </al><al/><al>In artikel 15 van deze verordening is geregeld dat het college een vierjaarlijks
                    meerjarenbeleidsplan fraudebestrijding aan de gemeenteraad aanbiedt met het te
                    voeren beleid op gebied van handhaving, bestrijding van misbruik en oneigenlijk
                    gebruik van de WWB, IOAW en IOAZ en de te verwachten resultaten. Hierover wordt
                    via de planning en controlcyclus aan de gemeenteraad gerapporteerd. </al><al/><al><vet>Artikel 16. Overige</vet></al><al>Het is niet mogelijk alles uitputtend te regelen in een verordening. Ook zijn er
                    vast verwijtbare gedragingen te bedenken die nog niet genoemd zijn. Om ook in
                    deze ‘maatwerk’ te kunnen leveren, is dit artikel opgenomen. </al><al/><al><vet>Artikel 17. Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. </al><al/><al><vet>Artikel 18. Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Algemene toelichting</label><nr/><titel/></kop><al/><al><vet>Rechten en plichten in de WWB</vet></al><al>De gemeenteraad heeft in de WWB een verantwoordelijkheid met betrekking tot de
                    invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet de gemeenteraad het eigen
                    gemeentelijk beleid vastleggen in een verordening.</al><al/><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op algemene
                    bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk te worden van de uitkering.</al><al/><al>Artikel 18 lid 1 WWB spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan
                    verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de
                    hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor
                    bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de
                    individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                    bijstandsgerechtigden. Artikel 18 lid 2 WWB legt een directe koppeling tussen de
                    rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering
                    is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te
                    worden van de uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de
                    uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de
                    beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de </al><al>mate waarin de verplichtingen worden nagekomen. </al><al/><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de
                    verlaging rekening </al><al>houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel vastgestelde
                    verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien indien het
                    college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht.</al><al/><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18 lid 1 WWB van een verlaging afgezien dan is daarin geen
                    reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval
                    van recidive.</al><al/><al>Wordt een verlaging voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het
                    college de verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dat volgt uit
                    artikel 18 lid 3 WWB. Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een
                    besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen
                    het licht worden gehouden. Het heeft slechts als doel vast te stellen of
                    belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich
                    uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake
                    is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de
                    eerder opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij te stellen (zie CRvB
                    19-04-2011, nr. 10/4882 WWB).</al><al/><al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening moet niet gezien worden als
                    een strafrechtelijke sanctie. Indien een betreffende gedraging ook een strafbaar
                    feit oplevert, kan belanghebbende hier strafrechtelijk voor vervolgd worden.
                    Ondanks het feit dat de verlaging geen strafrechtelijke sanctie is, kunnen de
                    verlaging en de strafvervolging niet naast elkaar bestaan als sprake is van
                    hetzelfde rechtsfeit. Het beginsel van ‘ne bis in idem’ staat daaraan in de weg. </al><al/><al><vet>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ</vet></al><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een IOAW of IOAZ uitkering
                    te verlagen of te weigeren indien een belanghebbende de aan het recht op
                    uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 IOAW
                    en artikel 20 IOAZ). De gemeente moet het gemeentelijk beleid vastleggen in een
                    verordening (artikel 35 lid 1 onderdeel b IOAW en artikel 35 lid 1 onderdeel b
                    IOAZ).</al><al/><al>De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en
                    maatregelenregime, waarbij zij opgemerkt dat de mogelijkheid om een boete op te
                    leggen al per 1 januari 2010 was vervallen.</al><al/><al><vet>Niet verlenen van medewerking</vet></al><al>Het niet verlenen van medewerking zal niet snel aanleiding geven tot verlaging
                    van de bijstand. Het belangrijkste voorbeeld van de medewerkingsplicht is het
                    toestaan van een huisbezoek. In de praktijk zal het niet toestaan van een
                    huisbezoek echter leiden tot beëindiging of intrekking van het recht op bijstand
                    omdat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Het verlagen van de
                    bijstand is in dat geval niet aan de orde. Het niet voldoen aan een oproep om op
                    een bepaald tijdstip te verschijnen, kan </al><al>ook worden uitgelegd als het niet voldoen aan de medewerkingsplicht. In de
                    praktijk betreft het echter veelal oproepen voor gesprekken om bepaalde
                    inlichtingen te verstrekken zodat het niet verschijnen dan wordt gezien als het
                    niet nakomen van de inlichtingenplicht. Daarom heeft de gemeenteraad ervoor
                    gekozen het niet verlenen van medewerking zoals bedoeld in artikel 17 lid 2 WWB
                    niet als verlagingswaardige gedraging op te nemen in deze verordening.</al><al/><al><vet>Schenden van de inlichtingenplicht</vet></al><al>De bestuurlijke boete is per 1 januari 2013 opnieuw ingevoerd in de WWB, IOAW en
                    IOAZ. Deze moet worden opgelegd bij een schending van de inlichtingenplicht en
                    komt in de plaats van de verlaging van de bijstand.</al><al/><al><vet>Verrekening bestuurlijke boete bij recidive</vet></al><al>De WWB verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te stellen
                    over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te stellen bij
                    verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen daarmee de ruimte een
                    afweging te maken van situaties of omstandigheden waarin het buiten werking
                    stellen van de beslagvrije voet niet proportioneel wordt geacht. Het is
                    mogelijk, maar niet wenselijk, deze regels onder te brengen in de
                    Afstemmingsverordening. De gemeenteraad heeft er voor gekozen deze regels in een
                    aparte verordening vast te leggen en niet in deze verordening op te nemen omdat
                    deze verordening een gecombineerde WWB, IOAW en IOAZ afstemmingsverordening is.
                    De regels over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking te
                    stellen bij verrekening van de recidiveboete zijn neergelegd in de verordening
                    "Verrekening bestuurlijke boete bij recidive".</al></bijlage></regeling></body></cvdr>