<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR250933_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Huisvestingsverordening gemeente Lopik 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lopik</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lopik</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.lopik.nl/document.php?m=1&amp;fileid=22957&amp;f=c24fd38315387857b51b61630e78c2a0&amp;attachment=1&amp;c=48127">Het Kontakt</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Huisvestingsverordening gemeente Lopik 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005674/geldigheidsdatum_29-01-2013#HoofdstukI_i2_Artikel2">huisvestingswet, art. 2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-07-11</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Vergadering raad 18 december 2013, nr.:10</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>huisvesting, volkshuisvesting</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Huisvestingsverordening gemeente Lopik 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aanbodsysteem: het selecteren van een kandidaat uit de ingekomen
                                reacties van woningzoekenden op een in een advertentiemedium ter
                                toewijzing aangeboden woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Advertentiemedium: een uitgave per gemeente dan wel een groep van
                                gemeenten waarin ter toewijzing beschikbare woonruimten in de regio
                                worden aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bemiddeling: het selecteren van een kandidaat voor ter verdeling
                                beschikbare woonruimte op grond van diens
                                inschrijvingsgegevens.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bereidverklaring: schriftelijke verklaring van de eigenaar, dat hij
                                bereid is woonruimte aan de aanvrager van de huisvestingsvergunning
                                in gebruik te geven.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Besluit: het Huisvestingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Bestuur Regio Utrecht, de gemeenten: De Bilt, Bunnik, Houten,
                                IJsselstein, Nieuwegein, Stichtse Vecht, Utrecht, Vianen,
                                Zeist.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders: het college van burgemeester en
                                wethouders van de gemeente Lopik.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Datum van eerste bewoning: de datum vanaf wanneer een woningzoekende
                                de huidige woonruimte onafgebroken en zelfstandig bewoont. Dit dient
                                te blijken uit een uittreksel van de Gemeentelijke
                                Basisadministratie (GBA).</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Doorstromer: een woningzoekende die als hoofdhuurder daadwerkelijk
                                en rechtmatig in de provincie een zelfstandige huurwoning bewoont en
                                na verhuizing leeg achterlaat. De maandhuur mag bij inschrijving
                                niet meer bedragen dan de maximale huurprijsgrens als bedoeld in
                                artikel 1.1, lid 17.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Echte dienstwoning: een woning die noodzakelijkerwijs gebruikt wordt
                                met het oog op de arbeidsovereenkomst.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>Economische binding: de binding van een persoon aan de provincie,
                                daarin gelegen dat die persoon, met het oog op de voorziening in het
                                bestaan, een redelijk belang heeft zich in de provincie te vestigen,
                                met dien verstande dat een economische binding in elk geval wordt
                                aangenomen ten aanzien van die personen die voor de voorziening in
                                het bestaan zijn aangewezen op het duurzaam verrichten van arbeid
                                binnen of vanuit een van de gemeenten in de provincie.</al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>Eigen toegang: Elke deur die direct toegang geeft tot de woning
                                bereikbaar via de straatzijde dan wel vanuit een gemeenschappelijke
                                verkeersruimte en die voorzien is van een van gemeentewege verleend
                                huisnummer.</al></lid><lid><lidnr>13.</lidnr><al>Eigenaar: degene die bevoegd is tot het in gebruik geven van een
                                woonruimte of een gebouw.</al></lid><lid><lidnr>14.</lidnr><al>Huishouden: een alleenstaande, of twee of meer personen die een
                                duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen gaan
                                voeren.</al></lid><lid><lidnr>15.</lidnr><al>Huisvestingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 7,
                                eerste lid van de Wet.</al></lid><lid><lidnr>16.</lidnr><al>Huurprijs: de prijs die bij huur en verhuur is verschuldigd voor het
                                enkele gebruik van een woonruimte, uitgedrukt in een bedrag per
                                maand, dan wel, indien het betreft een woonwagenstandplaats waarvoor
                                een belastingverordening van toepassing is, het bedrag dat is
                                verschuldigd voor het innemen van die standplaats, uitgedrukt in een
                                bedrag per maand.</al></lid><lid><lidnr>17.</lidnr><al>Huurprijsgrens: het bedrag dat wordt genoemd in artikel 13, eerste
                                lid onder a, van de Wet op de huurtoeslag.</al></lid><lid><lidnr>18.</lidnr><al>Ingezetene: degene die in de Gemeentelijke Basisadministratie van
                                één van de gemeenten in de regio is opgenomen en in die gemeente
                                tenminste één jaar feitelijk hoofdverblijf heeft in een permanente
                                bewoning aangewezen woonruimte. </al></lid><lid><lidnr>19.</lidnr><al>Inkomen: gezamenlijke verzamelinkomens als bedoeld in artikel 2.3
                                van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 met uitzondering van
                                inwonende kinderen.</al></lid><lid><lidnr>20.</lidnr><al>Inwoning: het bewonen van een woonruimte welke deel uitmaakt van een
                                woonruimte die door een ander huishouden in gebruik is genomen.</al></lid><lid><lidnr>21.</lidnr><al>Kamer: elke afzonderlijke ruimte in een woning geschikt voor woon-
                                en slaapruimte met een oppervlakte van tenminste 5
                                m<sup>2</sup>.</al></lid><lid><lidnr>22.</lidnr><al>Koopprijs: de prijs die voor de enkele koop van een woonruimte
                                daadwerkelijk is of zal worden betaald.</al></lid><lid><lidnr>23.</lidnr><al>Koopprijsgrens:</al><lijst><li nr="-"><al>€ 181.512 voor een reeds eerder bewoonde woonruimte;</al></li><li nr="-"><al>€ 200.000 voor een nieuwbouw koopwoning. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>24.</lidnr><al>Koopwoning: een woonruimte die bestemd is voor de verkoop en die
                                niet eerder werd bewoond, of laatstelijk door de rechtsvoorganger
                                van de koper als eigenaar is bewoond.</al></lid><lid><lidnr>25.</lidnr><al>Lotingsysteem: de kandidaat voor de aangeboden woonruimte wordt door
                                middel van loting bepaald.</al></lid><lid><lidnr>26.</lidnr><al>Lokaal Maatwerk: een overeenkomst die in de plaats kan treden van
                                het geheel of delen van deze verordening indien aan de in artikel
                                2.8.1. lid twee, vermelde voorwaarden wordt voldaan.</al></lid><lid><lidnr>27.</lidnr><al>Maatschappelijke binding: de binding van een persoon aan de
                                provincie, daarin gelegen dat die persoon een redelijk met de
                                plaatselijke samenleving verband houdend belang heeft zich in dit
                                gebied te vestigen, met dien verstande dat een maatschappelijke
                                binding in elk geval wordt aangenomen ten aanzien van:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die tenminste drie jaar onafgebroken ingezetenen
                                        zijn in een of meer van de gemeenten in de provincie, dan
                                        wel gedurende de voorgaande tien jaar tenminste zes jaar
                                        onafgebroken ingezetenen zijn geweest van een of meer van de
                                        gemeenten in de provincie;</al></li><li nr="-"><al>personen die een dagopleiding volgen gedurende tenminste
                                        negentien uur per week aan een, in een van de
                                        provinciegemeenten gevestigde en erkende instelling voor
                                        dagonderwijs.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>28.</lidnr><al>Onttrekkingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 30 van
                                de Wet.</al></lid><lid><lidnr>29.</lidnr><al>Overige woningzoekenden: alle woningzoekenden die niet als
                                doorstromer kunnen worden aangemerkt.</al></lid><lid><lidnr>30.</lidnr><al>Provincie: de provincie Utrecht.</al></lid><lid><lidnr>31.</lidnr><al>Regio: de gemeenten Lopik, Montfoort, Oudewater, De Ronde Venen,
                                Woerden, De Bilt, Bunnik, Houten, IJsselstein, Nieuwegein, Stichtse
                                Vecht, Utrecht, Vianen, Zeist, Utrechtse Heuvelrug en Wijk bij
                                Duurstede.</al></lid><lid><lidnr>32.</lidnr><al>Rekenhuur: de rekenhuur zoals is bedoeld in artikel 5 van de Wet op
                                de huurtoeslag.</al></lid><lid><lidnr>33.</lidnr><al>Standplaats: een standplaats zoals benoemd in artikel 1, eerste lid,
                                onder e, van de Wet.</al></lid><lid><lidnr>34.</lidnr><al>Starter: een woningzoekende die op de dag dat een koopwoningaanbod
                                wordt gepubliceerd geen zelfstandige woonruimte bewoont die hij of
                                zij achterlaat voor verkoop of verhuur.</al></lid><lid><lidnr>35.</lidnr><al>Splitsingsvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 33 van
                                de Wet.</al></lid><lid><lidnr>36.</lidnr><al>Toewijzingssysteem: het selecteren van een kandidaat voor ter
                                verdeling beschikbare woonruimte via een aanbodsysteem of via
                                bemiddeling.</al></lid><lid><lidnr>37.</lidnr><al> Vluchtelingen en statushouders: woningzoekenden die op grond van de
                                Vreemdelingenwet als vluchteling zijn toegelaten, dan wel om
                                klemmende in de persoon gelegen redenen, verband houdende met
                                omstandigheden in hun land van herkomst, in het bezit zijn gesteld
                                van een verblijfsvergunning.</al></lid><lid><lidnr>38.</lidnr><al>Wet: de Huisvestingswet.</al></lid><lid><lidnr>39.</lidnr><al>Wezenlijke voorzieningen: Onder wezenlijke voorzieningen wordt
                                verstaan douche- en/of badruimte, toilet en keuken</al></lid><lid><lidnr>40.</lidnr><al>Woningruil: het door twee of meer huishoudens wederkerig in gebruik
                                nemen van elkaars zelfstandige woonruimte met het oogmerk van
                                daadwerkelijke permanente bewoning.</al></lid><lid><lidnr>41.</lidnr><al>Woningtypen:</al><lijst><li nr="-"><al>seniorenwoningen: woningen die specifiek geschikt zijn voor
                                        personen van 55 jaar en ouder;</al></li><li nr="-"><al>seniorenwoningen met zorgvoorzieningen
                                        (aanleunwoningen/beschutte woningen): zelfstandige
                                        seniorenwoningen waarbij gebruik gemaakt wordt van
                                        faciliteiten van zorgverlenende instellingen;</al></li><li nr="-"><al>gehandicaptenwoningen: ingrijpend aangepaste woningen die
                                        naar hun aard bestemd zijn voor bewoning door een
                                        gehandicapte;</al></li><li nr="-"><al>jongerenwoningen: woningen voor alleenstaanden en
                                        tweepersoonshuishoudens met name bedoeld voor de
                                        leeftijdscategorie van 18 tot 30 jaar;</al></li><li nr="-"><al>wisselwoningen: woningen die ten behoeve van tijdelijke
                                        bewoning worden aangeboden voor personen die door
                                        ingrijpende verbetering of sloop/nieuwbouw de huidige woning
                                        moeten verlaten, maar na voltooiing van de werken kunnen
                                        terugkeren;</al></li><li nr="-"><al>plankwoningen: woningen die op de nominatie staan ingrijpend
                                        te worden verbeterd dan wel te worden gesloopt en voor
                                        tijdelijke huisvesting in gebruik kunnen worden
                                        gegeven;</al></li><li nr="-"><al>eengezinswoning;</al></li><li nr="-"><al>flat - parterre;</al></li><li nr="-"><al>flatwoning vanaf 1e verdieping (met/zonder lift);</al></li><li nr="-"><al>bovenwoning;</al></li><li nr="-"><al>benedenwoning;</al></li><li nr="-"><al>maisonnette.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>42.</lidnr><al>Woningzoekende: degene die in het register als bedoeld in artikel
                                2.4.1 is ingeschreven.</al></lid><lid><lidnr>43.</lidnr><al>Woonruimte: besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer
                                andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een
                                huishouden; onder het begrip woonruimte wordt mede begrepen een
                                standplaats voor een woonwagen.</al></lid><lid><lidnr>44.</lidnr><al>Woonwagen: zoals benoemd in artikel 1, eerste lid, onder f van de
                                Wet.</al></lid><lid><lidnr>45.</lidnr><al>Zelfstandige woonruimte: woonruimte met een eigen toegang, die door
                                een huishouden kan worden bewoond zonder dat het huishouden daarbij
                                afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen buiten die
                                woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>46.</lidnr><al>Zoekprofiel: een beschrijving van de woningtypen waarvoor een urgent
                                woningzoekende met voorrang in aanmerking kan komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Leegmelding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien woonruimte langer dan twee maanden leeg staat, is de eigenaar
                                van deze woonruimte verplicht deze leegstand binnen drie werkdagen
                                na afloop van die twee maanden te melden aan burgemeester en
                                wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde termijn begint op het moment dat:</al><lijst><li nr="a."><al>degene aan wie laatstelijk een huisvestingsvergunning is
                                        verleend, de woning definitief heeft verlaten, dan wel</al></li><li nr="b."><al>de huurovereenkomst beëindigd is, dan wel</al></li><li nr="c."><al>de woonruimte niet langer in gebruik is, dan wel</al></li><li nr="d."><al>op enigerlei wijze is gebleken dat de woning te huur of,
                                        vrij van huur, te koop is.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>VERDELING VAN WOONRUIMTE</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.1</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1.1</nr><titel>Huurprijs- en koopprijsgrens</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing
                                    op:</al><lijst><li nr="a."><al>zelfstandige woonruimte met een huurprijs beneden de
                                            huurprijsgrens en</al></li><li nr="b."><al>zelfstandige woonruimte met een koopprijs beneden de
                                            koopprijsgrens.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit hoofdstuk geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>woonruimte bestemd voor inwoning;</al></li><li nr="b."><al>woonschepen (schepen die uitsluitend of hoofdzakelijk
                                            als woning gebezigd of bestemd zijn) en </al></li><li nr="c."><al>ligplaatsen voor woonschepen.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.2</nr><titel>Huisvestingsvergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.1</nr><titel>Vergunningsvereiste</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder een huisvestingsvergunning een
                                    woonruimte, aangewezen in artikel 2.1.1, in gebruik te nemen
                                    voor bewoning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden de in het vorige lid bedoelde woonruimte voor
                                    bewoning in gebruik te geven aan een huishouden dat niet
                                    beschikt over een huisvestingsvergunning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.2</nr><titel>Aanvragen van een huisvestingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een huisvestingsvergunning wordt ingediend bij
                                    burgemeester en wethouders via een daartoe bestemd formulier en
                                    gaat vergezeld van bewijsstukken waaruit naar het oordeel van
                                    burgemeester en wethouders afdoende blijkt dat er een
                                    economische of maatschappelijke binding bestaat dan wel dat men
                                    behoort tot een van de in artikel 13c van de Huisvestingswet
                                    genoemde beschermde groepen of (bij koopwoningen) dat een
                                    vruchteloze aanbiedingsprocedure volgens artikel 2.2.4 heeft
                                    plaatsgehad. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Betreft het een huurwoning dan moet voorts worden
                                    overgelegd:</al><lijst><li nr="-"><al>een kopie van het huurcontract of een bereidverklaring
                                            van de verhuurder;</al></li><li nr="-"><al>inkomensgegevens van alle leden van het huishouden, met
                                            uitzondering van inwonende kinderen, pleegkinderen en
                                            kleinkinderen in de leeftijd tot 27 jaar.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Betreft het een koopwoning, dan moet voorts een afschrift van de
                                    koopovereenkomst worden overgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen het overleggen van andere
                                    bescheiden verlangen, die zij voor de beoordeling van de
                                    aanvraag nodig oordelen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al> Op of bij de huisvestingsvergunning vermelden burgemeester en
                                    wethouders de volgende informatie:</al><lijst><li nr="a."><al>aan wie de vergunning wordt verleend;</al></li><li nr="b."><al>voor welke woning de vergunning wordt verleend;</al></li><li nr="c."><al>binnen welke termijn van de vergunning gebruik moet zijn
                                            gemaakt;</al></li><li nr="d."><al>het aantal personen dat de woning in gebruik neemt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.3</nr><titel>Eisen voor vergunningverlening</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders verlenen de huisvestingsvergunning,
                                indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>tenminste één van de leden van het huishouden is 18 jaar of
                                        ouder;</al></li><li nr="b."><al>de leden van het huishouden bezitten de Nederlandse
                                        nationaliteit of verblijven hier rechtmatig;</al></li><li nr="c."><al>tenminste één van de volwassen leden van het huishouden: </al><lijst><li nr="-"><al>maatschappelijk of economisch gebonden is aan de
                                                provincie, of</al></li><li nr="-"><al>behoort tot een van de in artikel 13c van de Wet
                                                genoemde beschermde groepen, of</al></li><li nr="-"><al>verblijft in een opvangtehuis of erkende hulp- en
                                                dienstverleningsinstelling in de provincie waarover
                                                met betrekking tot het toewijzen van woonruimte in
                                                regionaal verband afspraken zijn gemaakt;</al></li><li nr="-"><al>is op grond van paragraaf 2.5 urgent woningzoekende
                                                verklaard;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>voor huurwoningen:</al><lijst><li nr="-"><al>1<sup>e</sup> de woning voldoet aan de
                                                passendheidseisen van paragraaf 2.3 en </al></li><li nr="-"><al>2<sup>e</sup> er geen andere gegadigde is die op
                                                grond van het van toepassing zijnde
                                                toewijzingssysteem eerder voor de woonruimte in
                                                aanmerking zou moeten komen.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.4</nr><titel>Vruchteloze aanbieding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het gestelde in dit artikel is voor huurwoningen uitsluitend van
                                    toepassing op eigenaren van woningen waarmee geen nadere
                                    toewijzingsafspraken zijn gemaakt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een huisvestingsvergunning wordt voorts aan iedere aanvrager
                                    verleend indien de woonruimte door de eigenaar gedurende een
                                    termijn van tenminste drie maanden, zonder resultaat is
                                    aangeboden aan woningzoekenden die krachtens het bepaalde in
                                    artikel 2.2.3 voor die woonruimte in aanmerking komen en de
                                    eigenaar heeft voldaan aan de in de overige in dit artikel
                                    gestelde voorwaarden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De woonruimte moet zijn aangeboden tegen een redelijke huur- of
                                    koopprijs, in overeenstemming met het bepaalde in artikel 26,
                                    tweede lid van de Wet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2.5</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een huisvestingsvergunning
                                intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vergunninghouder de erin vermelde woonruimte niet binnen
                                        de door burgemeester en wethouders bij de verlening van de
                                        vergunning gestelde termijn in gebruik heeft genomen;</al></li><li nr="b."><al>de vergunning is verleend op grond van door de
                                        vergunninghouder verstrekte gegevens, waarvan deze wist of
                                        redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of onvolledig
                                        waren.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.3</nr><titel>Passendheidseisen voor huurwoningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.1</nr><titel>Verhouding inkomen – huurprijs</titel></kop><al>1.De huisvestingsvergunning wordt in geval van huurwoningen slechts
                                verleend indien het inkomen van het huishouden in redelijke
                                verhouding tot de huurprijs staat en wel met inachtneming van de
                                volgende tabel (peildatum 1 januari 2012):</al><al><vet>Tabel: Inkomen – Huurprijs</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Inkomen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Huurprijs</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>€ 0 tot en met € 22.025</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 0 tot en met € 664,66</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>€ 22.025 tot en met € 34.085</al></entry><entry colname="col2"><al>€ 366,37 tot en met € 664,66</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>2.Huurwoningen met een huurprijs vanaf € 458,00 tot en met € 664,66
                                kunnen, in afwijking van de in lid 1 weergegeven tabel inkomen-huur,
                                worden verhuurd aan huishoudens met een inkomen tot </al><al>€ 45.630 (peildatum bedragen 1 januari 2012).</al><lijst><li nr="3."><al>Urgent woningzoekenden kunnen een zoekprofiel krijgen dat
                                        afwijkt van de in lid 1 weergegeven tabel
                                        inkomen-huurprijs</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders stellen periodiek de huurprijs-
                                        en inkomensgrenzen vast overeenkomstig de bedragen in
                                        artikel 27 van de Wet op de Huurtoeslag en het maximale
                                        huishoudinkomen zoals gedefinieerd in de tijdelijke regeling
                                        diensten van algemeen economisch belang toegelaten
                                        instellingen volkshuisvesting.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.2</nr><titel>Bezettingsnorm</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Eenpersoonshuishoudens kunnen slechts een huurwoning toegewezen
                                    krijgen die maximaal vier kamers telt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer de noodzaak bestaat, kan de eigenaar van de woonruimte
                                    met instemming van burgemeester en wethouders, bij vrijkomende
                                    woonruimte, in het advertentiemedium aanvullende toelatingseisen
                                    stellen ten aanzien van het aantal personen in het
                                    huishouden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3.3</nr><titel>Woningtype</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bepaalde woningtypen zijn in beginsel slechts passend voor
                                    bepaalde categorieën woningzoekenden, te weten:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>seniorenwoningen met zorgvoorzieningen: passend voor degenen van
                                    55 jaar en ouder die daarvoor geïndiceerd zijn door burgemeester
                                    en wethouders op advies van een daartoe aangewezen medisch
                                    adviseur;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>seniorenwoningen: passend voor degenen van 55 jaar en
                                    ouder;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>gehandicaptenwoningen: passend voor gehandicapten hetgeen dient
                                    te blijken uit een indicatie hiervoor van een door burgemeester
                                    en wethouders aan te wijzen medisch adviseur en</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>jongerenwoningen: passend voor alleenstaanden en
                                    tweepersoonshuishoudens in de leeftijdscategorie van 18 tot 30
                                    jaar. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer er een op aantoonbare ervaringsgegevens gebaseerd
                                    vermoeden bestaat dat er voor bepaalde woningtypes, zoals
                                    beschreven in lid 1, geen gegadigden zijn die een passende
                                    toewijzing mogelijk maken, kunnen in het advertentiemedium
                                    tevens andere huishoudens worden uitgenodigd naar de woning te
                                    solliciteren.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.4</nr><titel>Inschrijving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.1</nr><titel>Register van woningzoekenden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>a. Ter bevordering van een doelmatige verdeling van ter
                                    beschikking gekomen woningen dragen burgemeester en wethouders
                                    zorg voor het aanleggen en bijhouden van een register van
                                    woningzoekenden die in aanmerking willen komen voor een
                                    huurwoning.</al><al>b.Burgemeester en wethouders kunnen ook besluiten een dergelijk
                                    register aan te leggen voor woningzoekenden die in aanmerking
                                    willen komen voor een nieuw te bouwen koopwoning.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het register worden op hun verzoek als woningzoekenden
                                    ingeschreven de huishoudens die voldoen aan de volgende
                                    eisen:</al><lijst><li nr="-"><al>tenminste één der leden is 18 jaar of ouder;</al></li><li nr="-"><al>tenminste één van de volwassen leden heeft een
                                            economische of maatschappelijke binding aan de
                                            provincie, of behoort tot de in artikel 13c van de Wet
                                            genoemde beschermde groepen, of verblijft in een
                                            opvangtehuis of erkende hulp- en
                                            dienstverleningsinstelling in de provincie waarover met
                                            betrekking tot het toewijzen van woonruimte in regionaal
                                            verband afspraken zijn gemaakt en</al></li><li nr="-"><al>de leden van het huishouden bezitten de Nederlandse
                                            nationaliteit of verblijven hier rechtmatig.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien hiertoe vooraf algemene, lokaal of bovenlokaal geldende,
                                    afspraken gemaakt zijn in het kader van een Laatste Kansbeleid
                                    met de in de gemeente werkzame corporaties die op verzoek door
                                    iedere woningzoekende zijn in te zien, kunnen Burgemeester en
                                    wethouders een verzoek als bedoeld in lid 2 weigeren, indien:
                                </al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>het een moeilijk plaatsbare betreft die:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>door een gerechtelijke uitspraak wegens wanbetaling uit een
                                    woning, van een aan het aanbodmodel als omschreven in artikel
                                    2.6.1 deelnemende verhuurder, is gezet en</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>geen afbetalingsregeling, tegen gangbare voorwaarden rond de
                                    maximale afbetalingscapaciteit met de vorige verhuurder, is
                                    overeengekomen dan wel een dergelijke afbetalingsregeling niet
                                    nakomt. </al><al>-het een moeilijk plaatsbare betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>die door een gerechtelijke uitspraak is uitgezet, om
                                            reden van ernstige inbreuk op het woongenot van
                                            omwonenden en</al></li><li nr="b."><al>ernstig rekening moet worden gehouden met herhaling
                                            en</al></li><li nr="c."><al>gebleken is dat, gegeven het risico van herhaling,
                                            binnen het bezit van de aan het aanbodsysteem
                                            deelnemende verhuurders geen zodanige woonruimte
                                            beschikbaar is of komt, dat verdere inbreuk op het
                                            woongenot van omwonenden voorkomen kan worden;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de weigering van het verzoek bestrijkt een periode van drie
                                    jaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>a Burgemeester en wethouders kunnen een verzoek als bedoeld in
                                    lid 2 weigeren indien het huishouden een hoofdhuurder betreft
                                    waartegen burgemeester en wethouders een besluit heeft genomen
                                    tot ontruiming van een woning vanwege onrechtmatige
                                    bewoning.</al><al> b De weigering van het verzoek bestrijkt een periode van drie
                                    jaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.2</nr><titel>Aanvraag tot inschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een aanvraag tot inschrijving als woningzoekende richt men door
                                    middel van een daartoe bestemd formulier aan burgemeester en
                                    wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen het overleggen van bescheiden
                                    eisen die zij voor de beoordeling van de aanvraag nodig
                                    oordelen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als inschrijvingsdatum geldt het moment waarop alle voor de
                                    beoordeling van de aanvraag benodigde gegevens zijn ingediend en
                                    de leges dan wel administratiekosten zijn betaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.3</nr><titel>Bewijs van inschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders verstrekken aan de in het register
                                    ingeschreven woningzoekenden een bewijs van inschrijving, waarop
                                    de volgende gegevens worden vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>naam van de aanvrager en het aantal meeverhuizende
                                            personen;</al></li><li nr="b."><al>adresgegevens;</al></li><li nr="c."><al>urgentiegegevens;</al></li><li nr="d."><al>doorstroomgegevens;</al></li><li nr="e."><al>inschrijvingsdatum en</al></li><li nr="f."><al>inkomensgegevens.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een inschrijvingsbewijs van de ene gemeente in de regio geldt
                                    tevens als inschrijvingsbewijs voor andere gemeenten in de
                                    regio. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4.4</nr><titel>Geldigheidsduur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De inschrijving in het register is 1 jaar geldig.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De inschrijving wordt jaarlijks met 1 jaar verlengd, indien de
                                    woningzoekende daarom tijdig op de in de gemeente gebruikelijke
                                    wijze, schriftelijk heeft verzocht via een daartoe bestemd
                                    formulier.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders halen elke inschrijving het
                                    huishouden betreffende door indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de woningzoekende daarom verzoekt;</al></li><li nr="b."><al>door de woningzoekende via het aanbodsysteem voor
                                            onbepaalde tijd zelfstandige en op basis van de
                                            Huisvestingsverordening passende woonruimte in de regio
                                            is betrokken;</al></li><li nr="c."><al>de woningzoekende niet meer aan de inschrijvingseisen
                                            voldoet;</al></li><li nr="d."><al>de woningzoekende niet tijdig op de in de gemeente
                                            gebruikelijke wijze, schriftelijk heeft verzocht om
                                            verlenging van de inschrijving met een jaar via een
                                            daartoe bestemd formulier;</al></li><li nr="e."><al>de woningzoekende gedurende de geldigheidstermijn van de
                                            inschrijving de door hem of haar bewoonde huurwoning in
                                            eigendom heeft verworven van een verhuurder die
                                            deelneemt aan het aanbodsysteem als omschreven in
                                            artikel 2.6.1.;</al></li><li nr="f."><al>het een moeilijk plaatsbare betreft die uit de huidige
                                            woning is of wordt gezet en die volgens de criteria die
                                            in artikel 2.4.1 lid 3 zijn gesteld zich niet zou kunnen
                                            inschrijven als woningzoekende.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een inschrijving doorhalen
                                    indien zij een besluit nemen of hebben genomen tot ontruiming
                                    van een woning vanwege onrechtmatige bewoning.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een inschrijving tevens
                                    doorhalen indien de woningzoekende in één of meer gemeenten van
                                    de regio twee of meer keren voor een huurwoning of koopwoning
                                    ingeschreven staat in het woningzoekendenregister. In dat geval
                                    wordt de inschrijving met de oudste inschrijfdatum gehandhaafd.
                                </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.5</nr><titel>Urgentie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.1</nr><titel>Urgent woningzoekenden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een in het register
                                    ingeschreven woningzoekende urgent verklaren, waarbij de
                                    volgende voorwaarden van toepassing zijn:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de woningzoekende is ingezetene van de regio en;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de woningzoekende beschikt(e) over zelfstandige woonruimte in de
                                    regio en;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>er is sprake van een bijzondere persoonlijke noodsituatie
                                    en;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de noodsituatie is ontstaan buiten eigen schuld en was door de
                                    woningzoekende niet te voorzien en;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>de woningzoekende kan aantonen eerst zelf naar een oplossing te
                                    hebben gezocht en;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>een verhuizing binnen zes maanden is noodzakelijk en;</al></lid><lid><lidnr>g.</lidnr><al>de woningzoekende is niet in staat om zelf binnen zes maanden
                                    voor passende huisvesting te zorgen via het aanbodsysteem als
                                    bedoeld in artikel 2.6.1. of op andere wijze.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het vorige lid gestelde voorwaarden 1e. tot en met 1g.
                                    zijn niet van toepassing voor urgentie op grond van een
                                    volkshuisvestelijke indicatie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 onder a kan het vereiste van het bewonen
                                    van een voor permanente bewoning bestemde woonruimte vervallen,
                                    indien bij een aanvraag op grond van een medische indicatie de
                                    medisch adviseur positief adviseert en de niet-permanente woning
                                    door de aanvrager tenminste gedurende 5 jaar onafgebroken
                                    feitelijk werd bewoond. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 onder b kan het vereiste van het bewonen
                                    van een zelfstandige woonruimte vervallen, indien er sprake is
                                    van zwaarwegende medische redenen welke het beschikken over
                                    zelfstandige woonruimte noodzakelijk maakt en de medisch
                                    adviseur aldus adviseert.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Er zijn de volgende indicatiegronden voor urgentie:</al><al>A.Sociale indicatie</al><al>Sociaal geïndiceerden zijn ingezetenen van de regio die in
                                    verband met sociale problemen in combinatie met omstandigheden
                                    in de huidige in de regio gelegen woning dringend op korte
                                    termijn een andere woning nodig hebben. Alleen onder de
                                    navolgende genoemde omstandigheden wordt een sociale indicatie
                                    verleend:</al><al>a.<vet>Dreigende dakloosheid buiten eigen schuld of
                                        toedoen</vet></al><al>Degenen die buiten eigen schuld of toedoen hun woonruimte moeten
                                    verlaten kunnen uitsluitend in de volgende gevallen in
                                    aanmerking komen voor urgentie: </al><lijst><li nr="-"><al>het onvoorzienbaar moeten verlaten van een echte
                                            dienstwoning, voor zover de werkgever de werknemer tot
                                            vrije oplevering heeft gedwongen;</al></li><li nr="-"><al>het verlaten van woonruimte ten gevolge van een
                                            gerechtelijk (niet zijnde echtscheidings-) vonnis, voor
                                            zover dit niet door de betrokkene voorkomen had kunnen
                                            worden;</al></li><li nr="-"><al>een calamiteit zoals brand of overstroming.</al></li></lijst><al>Het verzoek om sociale indicatie voor urgentie moet uiterlijk
                                    binnen een maand na het ontstaan van de dakloosheid buiten eigen
                                    schuld of toedoen worden gedaan.</al><al>b.<vet>Relatiebeëindiging</vet></al><al>Degenen die de zorg voor minderjarige kinderen hebben en bij wie
                                    de kinderen geregistreerd staan volgens de gemeentelijke
                                    basisadministratie van een van de regiogemeenten, kunnen in
                                    aanmerking komen voor urgentie nadat een (voorlopige)
                                    voorziening bij echtscheiding is getroffen (waarbij urgentie op
                                    basis van voorlopige voorziening alleen kan worden afgegeven
                                    indien aantoonbaar het echtscheidingsverzoek is ingediend), dan
                                    wel sprake is van verbreking van een geregistreerd partnerschap
                                    of een notarieel vastgelegd samenlevingscontract, dan wel
                                    blijkend uit de Gemeentelijke Basisadministratie dat betrokkenen
                                    minimaal twee jaar samenwonen, voor zover:</al><lijst><li nr="I."><al>in geval van echtscheiding:</al><lijst><li nr="-"><al>de rechter is afgeweken van het verzoek tot
                                                  toewijzing van de in de regio gelegen woning door
                                                  de partij, die de zorg voor het (de) minderjarige
                                                  kind(eren) op zich neemt;</al></li><li nr="-"><al>aantoonbaar is dat in de echtscheidingsprocedure
                                                  het recht om in de huidige woning te blijven
                                                  wonen, alsmede voldoende alimentatie of ander
                                                  inkomen om de woonlasten op te kunnen brengen zijn
                                                  geclaimd en</al></li><li nr="-"><al>het verzoek om sociale indicatie voor urgentie
                                                  binnen drie maanden na de gerechtelijke uitspraak
                                                  wordt gedaan.</al></li></lijst></li><li nr="II."><al>in geval van verbreking van een geregistreerd
                                            partnerschap of een notarieel vastgelegd
                                            samenlevingscontract, dan wel blijkend uit de
                                            Gemeentelijke Basisadministratie dat betrokkenen
                                            minimaal twee jaar samenwonen:</al><lijst><li nr=""><al>-aantoonbaar is door middel van een schriftelijk
                                                  en aangetekend verzoek dat door de partij die de
                                                  zorg voor het (de) minderjarige kind(eren) op zich
                                                  neemt het recht om in de huidige woning te blijven
                                                  wonen, alsmede voldoende alimentatie of ander
                                                  inkomen om de woonlasten op te kunnen brengen zijn
                                                  geclaimd en </al></li><li nr="-"><al>het verzoek om sociale indicatie voor urgentie
                                                  binnen drie maanden na verbreking van de relatie
                                                  wordt gedaan.</al></li></lijst></li></lijst><al>Aan de onder I. en II. genoemde verplichting tot het claimen van
                                    het recht om in de huidige woning te blijven wonen, alsmede
                                    voldoende alimentatie of ander inkomen te claimen om de
                                    woonlasten op te kunnen brengen, hoeft niet te worden voldaan
                                    als schriftelijk aantoonbaar kan worden gemaakt dat het niet
                                    zinvol is een dergelijke claim te leggen.</al><al>Hiervan is in ieder geval sprake indien:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="-"><al>de betreffende woning op naam van de partner
                                                  staat, voor zover er geen sprake is van een
                                                  gemeenschap van goederen, of</al></li><li nr="-"><al>de partner waarbij de claim zou worden
                                                  neergelegd slechts een uitkering op
                                                  bijstandsniveau heeft.</al></li></lijst></li><li nr="c."><al><vet>Relatiebeëindiging m</vet><vet>et gedeelde zorg
                                                voor minderjarige kinderen
                                            (co-ouderschap)</vet></al></li></lijst><al>In het geval van co-ouderschap kan slechts urgentie aan één van
                                    de ouders worden verleend. De hierboven onder b, I en II
                                    genoemde voorwaarden zijn van overeenkomstige toepassing. In het
                                    geval dat één van beide ouders in de huidige woning kan blijven
                                    wonen wordt in geval van co-ouderschap geen urgentie verleend
                                    aan de andere ouder.</al><lijst><li nr=""><al>d.<vet>Financiële omstandigheden</vet></al><lijst><li nr="-"><al>Ingezetenen van de regio, die de zorg voor
                                                  minderjarige kinderen hebben en bij wie de
                                                  kinderen geregistreerd staan, die buiten eigen
                                                  schuld financieel in zodanige problemen zitten dat
                                                  zij de woonlasten niet meer op kunnen brengen,
                                                  kunnen uitsluitend in aanmerking komen voor
                                                  urgentie indien de betrokkene daadwerkelijk in
                                                  aanmerking komt voor Huurtoeslag of een uitkering
                                                  uit een gemeentelijk woonlastenfonds, dan wel een
                                                  woonkostentoeslag van de sociale dienst ontvangt
                                                  onder voorwaarde om te zien naar goedkope
                                                  woonruimte. De financiële problemen mogen niet
                                                  direct het gevolg zijn van
                                                  relatiebeëindiging.</al></li><li nr="-"><al>Voorts kunnen ingezetenen van de regio in
                                                  aanmerking komen voor urgentie indien zij buiten
                                                  eigen schuld of toedoen hun woonruimte moeten
                                                  verlaten, als gevolg van het overschrijden van de
                                                  maximale huurgrens voor huurtoeslag indien,
                                                  gegeven het inkomen, recht op huurtoeslag
                                                  bestaat.</al></li></lijst></li><li nr="B."><al>Medische indicatie</al></li></lijst><al>Ingezetenen van de regio, die in een om medische redenen
                                    (fysiek/psychisch) onhoudbare woonsituatie verkeren en om die
                                    reden een indicatie voor andere woonruimte hebben ontvangen,
                                    kunnen in aanmerking komen voor urgentie. Datzelfde geldt voor
                                    ingezetenen van de regio die te maken hebben met een als gevolg
                                    van de woonsituatie zeer progressief ziektebeeld. Indien in het
                                    kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning verhuizing wordt
                                    aanbevolen in verband met ergonomische belemmeringen door
                                    ernstige fysieke belemmeringen kan aan ingezetenen van de regio
                                    urgentie worden verleend, mits verhuizen naar oordeel van
                                    burgemeester en wethouders spoedeisend is en de goedkoopst
                                    adequate voorziening is.</al><al>C.Volkshuisvestelijke indicatie</al><al>Huurders en eigenaar-bewoners van woningen in de regio die in
                                    het belang van de volkshuisvesting of ter uitvoering van
                                    openbare werken in het algemeen belang, gesloopt of ingrijpend
                                    verbeterd moeten worden, kunnen in aanmerking komen voor
                                    urgentie.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij afgifte van de urgentie
                                    als hierboven bedoeld bepalen dat betrokken bewoners na
                                    voltooiing van de werken eenmalig een vooraf te bepalen passend
                                    aanbod krijgen tot terugkeer in het ingrijpend verbeterde of
                                    nieuwgebouwde complex. Wanneer geen passend aanbod als bedoeld
                                    in paragraaf 2.3. kan worden geboden in het ingrijpend
                                    verbeterde dan wel nieuwgebouwde complex, kan eenmalig een
                                    passend aanbod tot terugkeer elders in de woonbuurt worden
                                    gedaan.</al><al>D.Maatschappelijke indicatie</al><al>Woningzoekenden die in verband met navolgende omstandigheden
                                    dringend woonruimte nodig hebben kunnen in aanmerking komen voor
                                    urgentie, het betreft hier:</al><lijst><li nr="-"><al>personen die verblijven in een van gemeentewege erkend
                                            opvangtehuis in de regio of uit een van gemeentewege
                                            erkende hulp- en dienstverleningsinstellingen in de
                                            regio, over wie met betrekking tot toewijzing van
                                            woonruimte in regionaal of lokaal verband afspraken zijn
                                            gemaakt;</al></li><li nr="-"><al>personen die slachtoffer zijn van huiselijk geweld en
                                            met succes een beroep hebben gedaan op de Wet tijdelijk
                                            huisverbod en die de zorg voor minderjarige kinderen
                                            hebben.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.2</nr><titel>Aanvraag en besluitvorming tot urgentie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>a. De woningzoekende die meent voor een sociale of medische
                                    indicatie voor urgentie in aanmerking te komen, dient hiertoe
                                    een schriftelijke aanvraag in bij burgemeester en wethouders van
                                    de gemeente waar de urgente woonsituatie is ontstaan. </al><al>b.De aanvraag dient in ieder geval een motivering te bevatten,
                                    waarin wordt vermeld:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de aard van de persoonlijke problematiek;</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de relatie van deze problematiek met de huidige woonsituatie
                                    en</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>de argumentatie op grond waarvan verhuizing binnen een jaar
                                    absoluut noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij een aanvraag om toekenning van een medische indicatie voor
                                    urgentie winnen burgemeester en wethouders advies in bij een
                                    door hen aan te wijzen medisch adviseur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij een aanvraag om toekenning van een sociale indicatie voor
                                    urgentie kunnen burgemeester en wethouders zich laten adviseren
                                    door een door hen aan te wijzen instantie.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een aanvraag kan voor één indicatiegrond worden ingediend. Een
                                    aanvraag om toekenning van een indicatie voor urgentie waarover
                                    in het verleden reeds is beslist, wordt alleen dan in
                                    behandeling genomen indien er sprake is van gewijzigde feiten en
                                    omstandigheden. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanvraag voor een volkshuisvestelijke indicatie voor urgentie
                                    kan uitsluitend schriftelijk door de eigenaar van een woning bij
                                    burgemeester en wethouders worden ingediend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.3</nr><titel>Beperkte keuzemogelijkheid urgenten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij urgentieverlening stellen burgemeester en wethouders een
                                    zoekprofiel vast. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Urgent woningzoekenden met een sociale-, medische of
                                    maatschappelijke indicatie, kunnen met hun status "urgent"
                                    uitsluitend reageren op het regionale aanbod van passende
                                    flatwoningen vanaf de 1e verdieping. In geval van een medische
                                    indicatie kan hiervan worden afgeweken indien in het advies van
                                    de medisch adviseur als bedoeld in artikel 2.5.2 lid 2
                                    uitdrukkelijk een ander woningtype wordt geadviseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen van het standaard regionale
                                    zoekprofiel als bedoeld in lid 2 afwijken, wanneer het belet dat
                                    de urgent woningzoekende lokaal een passende woning krijgt
                                    toegewezen omdat in de lokale woningvoorraad bepaalde
                                    woningtypen ontbreken of naar verwachting niet binnen 6 maanden
                                    vrij voor verhuur komen en huisvesting in de gemeente waar het
                                    woonprobleem is ontstaan sociaal of maatschappelijk,
                                    noodzakelijk wordt geacht. In dit geval wordt door burgemeester
                                    en wethouders een tweede zoekprofiel vastgesteld, waarmee de
                                    urgent woningzoekende uitsluitend op het woningaanbod in de
                                    gemeente waar het woonprobleem is ontstaan, kan reageren. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Urgent woningzoekenden met een volkshuisvestelijke indicatie,
                                    kunnen met hun status "urgent" reageren op het regionale
                                    woningaanbod van woningen dat qua woningtype vergelijkbaar is
                                    met de huidige woning die gesloopt of ingrijpend verbeterd moet
                                    worden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5.4</nr><titel>Intrekken urgentie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders trekken een urgentieverklaring in,
                                    indien:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>niet langer aan de vereisten voor het verkrijgen
                                                  van een urgentieverklaring wordt voldaan;</al></li><li nr="b."><al>de urgentieverklaring is verstrekt op grond van
                                                  gegevens waarvan de woningzoekende wist of
                                                  redelijkerwijs kon vermoeden dat zij onjuist of
                                                  onvolledig waren;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>de urgente in de eerste zes maanden na het verkrijgen
                                            van de urgentie niet zelf actief heeft gereageerd op
                                            aantoonbaar passend aanbod in het regionale
                                            advertentiemedium;</al></li><li nr="d."><al>de urgente eenmaal een naar het oordeel van burgemeester
                                            en wethouders passende woonruimte in de regio heeft
                                            aangeboden gekregen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na het intrekken van een urgentieverklaring kan niet op grond
                                    van dezelfde omstandigheden opnieuw een urgentie worden
                                    aangevraagd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.6</nr><titel>Toewijzen van woonruimte</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.1</nr><titel>Aanbodsysteem voor de toewijzing van huurwoningen</titel></kop><lid><lidnr/><al>1.Burgemeester en wethouders verlenen geregistreerde
                                    woningzoekenden medewerking bij het verkrijgen van zelfstandige
                                    woonruimte door middel van het aanbodsysteem of het
                                    lotingsysteem.</al></lid><lid><lidnr>1a.</lidnr><al>Maximaal 20% van het vrijkomende aanbod van sociale woonruimte
                                    in een gemeente wordt via het lotingsysteem verhuurd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Vrijkomende woonruimte van verhuurders die deelnemen aan het
                                    aanbodsysteem wordt geplaatst in het advertentiemedium, met
                                    uitzondering van:</al><lijst><li nr="-"><al>woonruimte ten behoeve van verblijfsgerechtigden en
                                            statushouders;</al></li><li nr="-"><al>wisselwoningen en plankwoningen ten behoeve van
                                            tijdelijke huisvesting;</al></li><li nr="-"><al>woonruimte ten behoeve van te bemiddelen urgenten en ten
                                            behoeve van bijzondere categorieën woningzoekenden;</al></li><li nr="-"><al>afhankelijk van de lokale situatie of de situatie in de
                                            regio: woonruimte die als geheel met instemming van de
                                            eigenaar bestemd wordt of is voor bewoning door een
                                            woongroep;</al></li><li nr="-"><al>afhankelijk van de lokale situatie of de situatie in de
                                            regio: zelfstandige woonruimte die onderdeel uitmaakt
                                            van een groepswooncomplex, wat blijkt uit het
                                            gemeenschappelijk beheer van verblijfsruimte(n) en/of
                                            gemeenschappelijk gebruik van voorzieningen in het
                                            betreffende complex; </al></li><li nr="-"><al>afhankelijk van de lokale situatie of de situatie in de
                                            regio: standplaatsen voor woonwagens;</al></li><li nr="-"><al>afhankelijk van de lokale situatie of de situatie in de
                                            regio: gehandicaptenwoningen, woningen voor minder
                                            validen en ouderenwoningen met zorgvoorzieningen;</al></li><li nr="-"><al>afhankelijk van een overeenkomst als bedoeld in artikel
                                            2.8.1, lid twee: woonruimte als onderdeel van Lokaal
                                            Maatwerk.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bijzondere categorieën
                                    woningzoekenden en woningzoekenden met een indicatie urgent door
                                    bemiddeling medewerking verlenen bij het verkrijgen van
                                    woonruimte, indien zij er niet in slagen binnen 6 maanden na
                                    afgifte urgentie op eigen initiatief passende woonruimte te
                                    vinden. Deze bemiddeling vindt binnen 12 maanden plaats nadat de
                                    urgentieverklaring is afgegeven.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het advertentiemedium biedt inzicht in het aanbod van tenminste
                                    de woonruimte in beheer bij corporaties en waarvoor het
                                    vergunningenstelsel geldt, van de gemeente of van de groep van
                                    gemeenten in de regio. Het advertentiemedium moet tijdig voor
                                    alle geïnteresseerde woningzoekenden in de regio beschikbaar
                                    zijn.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Ter bepaling van de volgorde bij het aanbodsysteem worden alle
                                    belangstellende woningzoekenden op datum van inschrijving
                                    gerangschikt. De woning wordt voor verhuring aangeboden op
                                    volgorde van de anciënniteit.</al></lid><lid><lidnr>5a.</lidnr><al>De volgorde van de reacties bij het lotingsysteem wordt aselect
                                    bepaald (door het computersysteem). Een woningzoekende kan per
                                    woning één reactie uitbrengen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>a Woningzoekenden met de status "urgent" hebben bij het
                                    aanbodsysteem, in afwijking van het bepaalde in het vorige lid,
                                    voorrang boven alle andere kandidaten in de provincie, indien de
                                    woonruimte past binnen het door burgemeester en wethouders voor
                                    de urgente vastgestelde zoekprofiel en zij hebben gereageerd
                                    binnen de zoektermijn.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>De volgorde van toewijzing tussen urgenten wordt op basis van
                                    anciënniteit bepaald door de datum van de verlening van de
                                    urgentie</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>In afwijking van lid zes onder a, kunnen burgemeester en
                                    wethouders met instemming van de eigenaar van woonruimte, in het
                                    advertentiemedium woonruimte aanwijzen, waarop de status
                                    "urgent", niet geldig is.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Alleen de reactie van de woningzoekende die voldoet aan de
                                    voorwaarden die gelden voor de desbetreffende woning, wordt in
                                    behandeling genomen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Indien een advertentie tot een toewijzing leidt, wordt daarvan
                                    in het advertentiemedium binnen veertien dagen na ingang van de
                                    contractueel overeengekomen eerste bewoningsdatum mededeling
                                    gedaan. Ook van toewijzingen van woningen op grond van het derde
                                    lid van dit artikel wordt in het advertentiemedium binnen
                                    veertien dagen na ingang van de contractueel overeengekomen
                                    eerste bewoningsdatum mededeling gedaan in het
                                    advertentiemedium.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6.2</nr><titel>Toewijzing van koopwoningen</titel></kop><al>1.Bij het verkopen van nieuwe koopwoningen gaan doorstromers voor op
                                overige woningzoekenden met een binding aan de provincie.
                                Burgemeester en wethouders kunnen besluiten de mate van voorrang
                                afhankelijk te stellen van de prijsklasse waarin de huurwoning van
                                de potentiële doorstromer zich bevindt. Hierbij verdient het
                                aanbeveling aan te sluiten bij de ministeriële regeling bepaalde
                                prijsgrenzen voor de afbakening van de goedkope, de betaalbare en de
                                bereikbare huurwoningenvoorraad.</al><al>Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een deel van het aanbod
                                te reserveren voor starters of overige woningzoekenden. Het deel dat
                                niet voor doorstromers wordt bestemd mag niet groter zijn dan de
                                helft van het in dat jaar te verkopen aantal nieuwe koopwoningen tot
                                de koopprijsgrens.</al><lijst><li nr="2."><al>a. Bij de verkoop van nieuwbouw koopwoningen met een koopsom
                                        onder de koopprijsgrens gaan huishoudens met een inkomen tot
                                        € 39.650 (peildatum 1 januari 2012) voor op huishoudens met
                                        een hoger inkomen. Hierbij wordt uitgegaan van het laatst
                                        bekende inkomen van het huishouden, zoals gedefinieerd in
                                        artikel 1.1 lid 19;</al></li><li nr="b."><al>Het hierboven genoemde bedrag van € 39.650 wordt jaarlijks
                                        per 1 januari met hetzelfde percentage verhoogd als de door
                                        het Rijk bepaalde ophoging van de 'inkomensgrenzen voor de
                                        doelgroep voor het in eigendom krijgen van een sociale
                                        koopwoning’.</al></li><li nr="3."><al>Bij de selectie van belangstellende kandidaten gelden als
                                        toelaatbare criteria:</al><lijst><li nr="a."><al>bij woningen bestemd voor doorstromers: de
                                                woningzoekende met de oudste datum van eerste
                                                bewoning gaat voor;</al></li><li nr="b."><al>bij woningen bestemd voor starters of overige
                                                woningzoekenden geldt als toelaatbaar criterium:
                                                inschrijfduur in lokaal of regionaal register als
                                                bedoeld in paragraaf 2.4.1. lid 1, woonduur,
                                                leeftijd dan wel loting. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Nieuwbouwkoopwoningen moeten in ieder geval voor verkoop
                                        worden aangeboden in het advertentiemedium als bedoeld in
                                        artikel 2.6.1. Burgemeester en wethouders kunnen bepalen dat
                                        tegelijkertijd het aanbod via andere advertentiemedia bekend
                                        wordt gemaakt.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.7</nr><titel>Standplaatsen voor een woonwagen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.1</nr><titel>Register van standplaatszoekenden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met inachtneming van de inschrijvingseisen van artikel 2.4.1 lid
                                    2 houden burgemeester en wethouders een register bij van
                                    standplaatszoekenden, waarop de standplaatszoekenden in de
                                    volgorde als aangegeven in artikel 2.7.2 worden genoteerd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De standplaatszoekenden ontvangen van hun inschrijving
                                    bericht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Ter aanvulling op het bepaalde in artikel 2.4.4 lid 3, vervalt
                                    de inschrijving als standplaatszoekende ook indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de standplaatszoekende een standplaats of een woning in
                                            Nederland krijgt toegewezen en deze accepteert;</al></li><li nr="b."><al>de standplaatszoekende tweemaal een standplaats door
                                            burgemeester en wethouders is toegewezen en deze beide
                                            malen door de aanvrager is geweigerd om naar het oordeel
                                            van burgemeester en wethouders ongegronde redenen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.2</nr><titel>Toewijzing van standplaatsen</titel></kop><lid><lidnr/><al>1.Burgemeester en wethouders wijzen alleen maar een standplaats
                                    toe aan een standplaatszoekende die ingeschreven staat als
                                    bedoeld in artikel 2.7.1 lid 1.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen het bepaalde in lid 1 geldt voor ingeschreven
                                    woningzoekenden de volgende rangorde bij toewijzing:</al><lijst><li nr="a."><al>standplaatszoekenden worden afnemend gerangschikt op de
                                            registratieduur van de standplaatszoekende;</al></li><li nr="b."><al>in afwijking van het gestelde in lid 2 a kan voorrang
                                            worden verleend aan urgent standplaatszoekenden met een
                                            volkshuisvestelijke indicatie.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7.3</nr><titel>Vergunning</titel></kop><lid><lidnr/><al>1.Ter aanvulling op het bepaalde in artikel 2.2.3 wordt voor een
                                    standplaats voor een woonwagen een huisvestingsvergunning
                                    verleend, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>de standplaatszoekende neemt in het in artikel 2.7.1
                                            genoemde register de bovenste plaats in, of de boven hem
                                            staande standplaatszoekenden willen niet in aanmerking
                                            komen voor de standplaats;</al></li><li nr="b."><al>voor het plaatsen van de woonwagen op de standplaats is
                                            aan de huurder een bouwvergunning verleend op grond van
                                            de Woningwet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Paragraaf 2.3 blijft in geval van standplaatszoekenden buiten
                                    toepassing.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.8</nr><titel>Organisatie en bevoegdheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.1</nr><titel>Overeenkomsten</titel></kop><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1"><al>Burgemeester en wethouders kunnen met besturen van
                                                woningcorporaties een overeenkomst sluiten waarin
                                                afspraken worden neergelegd over de wijze waarop de
                                                samenwerking op het terrein van de
                                                woonruimteverdeling gestalte wordt gegeven.
                                                Burgemeester en wethouders kunnen ook met andere
                                                marktpartijen overeenkomsten afsluiten over
                                                samenwerking bij woonruimteverdeling. </al></li><li nr="2"><al>Door middel van Lokaal Maatwerk kunnen burgemeester
                                                en wethouders met eigenaren of groep van eigenaren
                                                van woonruimte, een overeenkomst sluiten waarin
                                                afspraken worden neergelegd over de wijze van
                                                toewijzing. De overeenkomst kan in de plaats treden
                                                van het geheel of delen van deze verordening, indien
                                                aan de volgende voorwaarden wordt voldaan</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>Lokaal Maatwerk is toegestaan op maximaal 30% van het
                                        vrijkomende aanbod van woonruimte in een gemeente.</al></li><li nr="b."><al>Lokaal Maatwerk heeft betrekking op:</al><lijst><li nr="-"><al>de verhouding inkomen – huur; </al></li><li nr="-"><al>aanvullende toelatingseisen op complexniveau bij
                                                beheerproblemen;</al></li><li nr="-"><al>een ander toewijzingssysteem dan het
                                                aanbodmodel;</al></li><li nr="-"><al>gerichte doorstroming met voorrang voor
                                                woningzoekenden die specifieke woonruimte
                                                achterlaten;</al></li><li nr="-"><al>voorrangsregeling voor specifieke doelgroepen van
                                                beleid;</al></li><li nr="-"><al>de regeling Huur – Direct;</al></li><li nr="-"><al>de regeling Experimenten en</al></li><li nr="-"><al>de voorrangsregeling voor gemeenten met beperkte
                                                bouwmogelijkheden. </al></li></lijst></li></lijst><al>De nadere uitwerking van lid 2b is opgenomen in Bijlage 1,
                                Artikelsgewijze Toelichting, van deze verordening. </al><al>c.Burgemeester en wethouders rapporteren jaarlijks binnen drie
                                maanden na afloop van het kalenderjaar aan Gedeputeerde Staten van
                                provincie Utrecht over het gebruik van het maatwerkartikel. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8.2</nr><titel>Mandatering</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de uitoefening van hun
                                bevoegdheden krachtens hoofdstuk 2 te mandateren. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>WIJZIGING SAMENSTELLING VAN DE WOONRUIMTEVOORRAAD</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.1</nr><titel>Onttrekking, samenvoeging en omzetting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.1</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><al>Het bepaalde in dit hoofdstuk is van toepassing op alle woonruimten.
                            </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.2</nr><titel>Vergunningvereiste</titel></kop><al>Het is verboden om zonder vergunning een woonruimte, aangewezen in
                                artikel 3.1.1:</al><lijst><li nr="a."><al>aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een
                                        zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die
                                        woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning
                                        door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze
                                        zonder zodanige onttrekking geschikt is;</al></li><li nr="b."><al>met andere woonruimte samen te voegen;</al></li><li nr="c."><al>van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te
                                        zetten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.3</nr><titel>Aanvragen van een vergunning</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr=""><al>1.De aanvraag van een vergunning wordt ingediend bij
                                            burgemeester en wethouders en gaat vergezeld van de
                                            volgende informatie en bewijsstukken:</al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van de eigenaar of diens
                                                  gemachtigde;</al></li><li nr="b."><al>gegevens over de huidige situatie:</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>adres van de woonruimte waarop de aanvraag betrekking
                                            heeft;</al></li><li nr="-"><al>huur- of koopprijs; </al></li><li nr="-"><al>aantal kamers;</al></li><li nr="-"><al>woonoppervlak;</al></li><li nr="-"><al>woonlaag en</al></li><li nr="-"><al>staat van onderhoud;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>gegevens over de beoogde situatie:</al><lijst><li nr="-"><al>bestemming;</al></li><li nr="-"><al>bouwtekening/bouwvergunning en</al></li><li nr="-"><al>compensatievoorstel;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>gegevens bij voorgenomen samenvoeging:</al><lijst><li nr="-"><al>verwachte huur- of koopprijs;</al></li><li nr="-"><al>naam van de toekomstige bewoner(s);</al></li><li nr="-"><al>omvang van het huishouden van de toekomstige bewoners
                                            en</al></li><li nr="-"><al>schriftelijke verklaring van toestemming van de
                                            verhuurder.</al><lijst><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij de
                                                  beoordeling van aanvragen tot onttrekking ten
                                                  behoeve van de uitoefening van een bedrijf advies
                                                  inwinnen bij de Kamer van Koophandel.</al></li><li nr="3."><al>Bij de beoordeling van aanvragen tot onttrekking
                                                  ten behoeve van de praktijkuitoefening door
                                                  officieel erkende medici of paramedici kunnen
                                                  burgemeester en wethouders het advies inwinnen van
                                                  de Adviescommissie Huisvesting Beoefenaars van
                                                  Medische en Paramedische Beroepen.</al></li><li nr="4."><al> Op of bij de vergunning vermelden burgemeester
                                                  en wethouders de volgende informatie:</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de mededeling dat binnen een jaar van de vergunning gebruik
                                    gemaakt moet worden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de woonruimte waarop de vergunning betrekking heeft;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>de opgelegde compensatie;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de mededeling dat pas nadat voldoende is gecompenseerd, gebruik
                                    gemaakt mag worden van de vergunning;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>overige voorwaarden.</al><al>5.Indien aanvrager een tijdelijke behoefte kan aantonen, kunnen
                                    burgemeester en wethouders een tijdelijke vergunning voor
                                    maximaal vijf jaar verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.4</nr><titel>Criteria voor vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr/><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders verlenen de vergunning,
                                            indien naar hun oordeel het met de onttrekking,
                                            samenvoeging of omzetting gediende belang groter is dan
                                            het belang van het behoud of de samenstelling van de
                                            woonruimtevoorraad.</al></li><li nr="2."><al>Indien burgemeester en wethouders hebben vastgesteld,
                                            dat het met de onttrekking, samenvoeging of omzetting
                                            gediende belang minder zwaar weegt dan het belang van
                                            het behoud of de samenstelling van de
                                            woonruimtevoorraad, wordt de vergunning verleend indien
                                            aanvrager gebleken bereidheid heeft getoond in de vorm
                                            van een financiële waarborgstelling voor het aanbieden
                                            van compensatie als bedoeld in artikel 3.1.5. en wordt
                                            voldaan aan de door burgemeester en wethouders hiermee
                                            verband houdende voorwaarden en voorschriften.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning weigeren indien
                                    vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening
                                    van de vergunning zou leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op
                                    het woon- en leefmilieu van de woonruimte dan wel de omgeving
                                    van de woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft.
                                    Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning eveneens
                                    weigeren indien de aanvrager niet heeft voldaan aan de onder lid
                                    2 vermelde financiële waarborgstelling.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.5</nr><titel>Compensatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Compensatie moet worden geboden door het toevoegen aan de
                                        woningvoorraad van andere, vervangende woonruimte die naar
                                        het oordeel van burgemeester en wethouders gelijkwaardig is
                                        aan de te onttrekken woonruimte.</al></li><li nr="2."><al>Voor het berekenen van de vloeroppervlakte van de te
                                        compenseren woonruimte wordt uitgegaan van de
                                        gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580.</al></li><li nr="3."><al>Indien en voor zover de compensatie als bedoeld in het
                                        eerste lid niet mogelijk is, is de aanvrager een financiële
                                        bijdrage verschuldigd. Daarbij gelden de volgende prijzen
                                        (per vierkante meter, peildatum 1 juli 2012), als een
                                        vergunning voor onbepaalde tijd wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>€ 419 in geval van het geheel of gedeeltelijk
                                                onttrekken aan de woonbestemming van zelfstandige
                                                woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>€ 325 in geval van het geheel of gedeeltelijk
                                                onttrekken aan de woonbestemming van
                                                niet-zelfstandige woonruimte;</al></li><li nr="c."><al>€ 228 in geval van samenvoeging of omzetting van
                                                woonruimte.</al></li></lijst></li></lijst><al>Als een tijdelijke vergunning als bedoeld in artikel 3.1.3 lid 5
                                wordt verleend, wordt tien procent (10%) per jaar van het bedrag
                                genoemd onder respectievelijk a, b of c (afhankelijk van welke
                                situatie van toepassing is) gehanteerd.</al><lijst><li nr="4."><al>Het fonds dat door deze compensatiegelden wordt gevormd, kan
                                        uitsluitend in het kader van de volkshuisvesting worden
                                        aangewend.</al></li><li nr="5."><al>Bij het als compensatie toevoegen van woonruimte (reële
                                        compensatie) dient de aanvrager binnen vier weken na de
                                        verzenddatum van het besluit van burgemeester en wethouders
                                        een waarborgsom te betalen – dan wel een bankgarantie te
                                        stellen – aan het in het vierde lid bedoelde fonds,
                                        overeenkomstig het bedrag dat geboden zou moeten worden in
                                        geval van financiële compensatie.</al></li><li nr="6."><al>De waarborgsom vervalt definitief aan het in het vierde lid
                                        bedoelde fonds wanneer niet binnen vijf jaar na het besluit
                                        tot vergunning, gelijkwaardige vervangende woonruimte aan de
                                        voorraad is toegevoegd. Alleen wanneer binnen vijf jaar
                                        vervangende woonruimte is toegevoegd, ontvangt de aanvrager
                                        de waarborgsom terug. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.6</nr><titel>Vrijstelling</titel></kop><al>Vrijstelling van het verbod als bedoeld in artikel 3.1.2 a. wordt
                                verleend wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal vierkante meters dat ten behoeve van de
                                        uitoefening van een bedrijf aan de bestemming wordt
                                        onttrokken, beslaat niet meer dan een door burgemeester en
                                        wethouders te bepalen vloeroppervlakte;</al></li><li nr="b."><al>degene die het bedrijf uitoefent is ook de bewoner van de
                                        woning;</al></li><li nr="c."><al>de uitoefening van het bedrijf vindt plaats zonder
                                        verbouwing van de woning;</al></li><li nr="d."><al>de uitoefening van het bedrijf past binnen de woonbestemming
                                        van het pand, dit ter beoordeling van burgemeester en
                                        wethouders en</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1.7</nr><titel>Intrekking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een onttrekkingsvergunning
                                    intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet binnen een jaar nadat de beschikking onherroepelijk
                                            is geworden, is overgegaan tot onttrekking, samenvoeging
                                            of omzetting;</al></li><li nr="b."><al>de vergunning is verleend op grond van door de
                                            vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist
                                            of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij onjuist of
                                            onvolledig waren;</al></li><li nr="c."><al>vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat
                                            in stand laten van de vergunning zal leiden tot een
                                            structureel overlastpatroon, in de vorm van
                                            ontoelaatbare inbreuk op het woon- en leefmilieu voor de
                                            directe omgeving van de woning waarop de vergunning
                                            betrekking heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders gaan niet tot intrekking van de
                                    vergunning over, voordat de vergunninghouder, bij aangetekende
                                    brief is gewaarschuwd, dat zij de vergunning zullen intrekken,
                                    indien niet een te bepalen datum zodanige maatregelen en/of
                                    voorzieningen zijn getroffen, die ervoor zorgdragen dat de
                                    overlastgevende situatie wordt beëindigd.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.2</nr><titel>Splitsing in appartementsrechten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.1</nr><titel>Werkingsgebied</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bepaalde in deze paragraaf is van toepassing op alle
                                    gebouwen, bevattende woonruimte. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid geldt het bepaalde in deze
                                    paragraaf niet voor gebouwen, bevattende woonruimte, die:</al><lijst><li nr="a."><al>in eigendom zijn van woningcorporaties, en</al></li><li nr="b."><al>gebouwd zijn in 1950 of daarna, en</al></li><li nr="c."><al>voorzien zijn van een steenachtige woningscheidende
                                            vloer.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.2</nr><titel>Vergunningvereiste</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om zonder splitsingsvergunning een recht op een
                                    gebouw, aangewezen in artikel 3.2.1 te splitsen in
                                    appartementsrechten als bedoeld in artikel 106, eerste en derde
                                    lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, indien een of meer
                                    appartementsrechten de bevoegdheid omvatten tot het gebruik van
                                    een of meer gedeelten van het gebouw als woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het verlenen
                                    van deelnemings- of lidmaatschapsrechten of het aangaan van een
                                    verbintenis daartoe door een rechtspersoon met betrekking tot
                                    een gebouw als bedoeld in het eerste lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.3</nr><titel>Aanvragen van een splitsingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag van een splitsingsvergunning wordt ingediend bij
                                    burgemeester en wethouders en gaat vergezeld van de volgende
                                    stukken: </al><lijst><li nr="a."><al>een splitsingsplan dat voldoet aan de vereisten als
                                            neergelegd in artikel 109 van Boek 5 van het Burgerlijk
                                            Wetboek en het krachtens dat artikel vastgestelde
                                            Besluit betreffende splitsing in
                                            appartementsrechten;</al></li><li nr="b."><al>een taxatierapport betreffende het gebouw en de tot
                                            afzonderlijke woonruimte bestemde gedeelten van het
                                            gebouw, opgemaakt door een beëdigde makelaar. Dit
                                            rapport bevat in elk geval mede een beschrijving en een
                                            beoordeling van de onderhoudstoestand van het gebouw
                                            en</al></li><li nr="c."><al>indien burgemeester en wethouders dat nodig achten, kan
                                            overlegging van andere stukken verzocht worden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op of bij de splitsingsvergunning vermelden burgemeester en
                                    wethouders in elk geval de volgende informatie:</al><lijst><li nr="a."><al>de mededeling dat binnen een jaar van de
                                            splitsingsvergunning gebruik gemaakt moet worden en</al></li><li nr="b."><al>de gebouwde onroerende zaak waarop de splitsing
                                            betrekking heeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.4</nr><titel>Gronden tot weigering van een splitsingsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een splitsingsvergunning
                                    weigeren, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebouw of het gedeelte van een gebouw waarop de
                                            vergunningaanvraag betrekking heeft, een of meer
                                            woonruimten bevat die verhuurd worden of die laatstelijk
                                            verhuurd zijn geweest, dan wel, indien het gebouw of het
                                            gedeelte van een gebouw, voor zover dit geheel of
                                            gedeeltelijk verhuurd is geweest voor bewoning, in
                                            strijd met de voorschriften van een bestemmingsplan als
                                            bedoeld in artikel 10 van de Wet op de Ruimtelijke
                                            Ordening of met enig wettelijk voorschrift, geheel of
                                            gedeeltelijk voor een ander doel dan voor bewoning in
                                            gebruik genomen;</al></li><li nr="b."><al>de huurprijs van een of meer van die woonruimten of
                                            voormalige woonruimten lager is dan de
                                            huurprijsgrens;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet kan waarborgen, dat de woonruimte of
                                            woonruimten na de voorgenomen splitsing bestemd blijft
                                            of blijven, c.q. de voormalige woonruimte of woonruimten
                                            na de voorgenomen splitsing opnieuw bestemd zullen
                                            worden voor verhuur ter bewoning en</al></li><li nr="d."><al>het belang dat de vergunningaanvrager bij splitsing
                                            heeft niet opweegt tegen het belang van het behoud van
                                            de woonruimtevoorraad, voor zover die voor de verhuur is
                                            bestemd. Hierbij wordt mede de ligging en de te
                                            verwachte vraag naar de in het betreffende gebouw of een
                                            gedeelte van een gebouw opgenomen woonruimten
                                            betrokken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen eveneens een
                                    splitsingsvergunning weigeren indien:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het gebied waarin het gebouw waarop de
                                            vergunningaanvraag betrekking heeft is gelegen, een
                                            stadsvernieuwingsplan als bedoeld in artikel 31 van de
                                            Wet op de Stads- en dorpsvernieuwing of
                                            leefmilieuverordening als bedoeld in artikel 9 van die
                                            wet van kracht is, dan wel een ontwerp voor zodanig plan
                                            of zodanige verordening of voor een herziening daarvan
                                            in procedure is;</al></li><li nr="b."><al>het ontwerp voor dat plan of voor die verordening, dan
                                            wel voor de herziening daarvan ter inzage is gelegd
                                            voordat de aanvraag van de splitsingsvergunning is
                                            ingediend, dan wel, indien de aanvraag krachtens artikel
                                            3.2.5 is aangehouden, voordat die aanhouding is
                                            geëindigd;</al></li><li nr="c."><al>de voorgenomen splitsing naar het oordeel van
                                            burgemeester en wethouders nadelige gevolgen heeft voor
                                            de met het plan of de verordening nagestreefde of na te
                                            streven doeleinden en</al></li><li nr="d."><al>het belang dat de vergunningaanvrager bij de splitsing
                                            heeft, niet opweegt tegen het belang van het voorkomen
                                            van belemmering van de stadsvernieuwing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen ten slotte een
                                    splitsingsvergunning weigeren, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de toestand van het gebouw waarop de vergunningaanvraag
                                            betrekking heeft zich uit een oogpunt van indeling of
                                            staat van onderhoud geheel of ten dele tegen splitsing
                                            verzet en</al></li><li nr="b."><al>de desbetreffende gebreken niet door het treffen van
                                            voorzieningen of het aanbrengen van verbeteringen kunnen
                                            worden opgeheven, dan wel onvoldoende is verzekerd dat
                                            die gebreken zullen worden opgeheven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van gebreken als bedoeld in het vorige lid is in ieder geval
                                    sprake indien:</al><lijst><li nr="a."><al>burgemeester en wethouders ingevolge de artikelen 14 tot
                                            en met 25 van de Woningwet een aanschrijving hebben
                                            gedaan en deze aanschrijving nog niet is
                                            uitgevoerd;</al></li><li nr="b."><al>het gebouw, waarop de aanvraag om een
                                            splitsingsvergunning betrekking heeft, een of meer
                                            woonruimten bevat, die ingevolge de artikelen 29 tot en
                                            met 38 van de Woningwet onbewoonbaar zijn verklaard</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.5</nr><titel>Aanhouding van de splitsingsaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing op de aanvraag
                                    van een splitsingsvergunning aanhouden, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>voor het gebied waarin het gebouw is gelegen waarop de
                                            vergunningaanvraag betrekking heeft een
                                            voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de
                                            Wet op de Ruimtelijke Ordening van kracht is met het oog
                                            op de voorbereiding van een stadsvernieuwingsplan of van
                                            een herziening daarvan;</al></li><li nr="b."><al>dat besluit is genomen voordat de aanvraag om vergunning
                                            werd ingediend en</al></li><li nr="c."><al>redelijkerwijs verwacht mag worden dat de in het
                                            stadsvernieuwingsplan op te nemen maatregelen nadelig
                                            kunnen worden beïnvloed door de voorgenomen
                                            splitsing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanhouding als bedoeld in het vorige lid duurt tot het moment
                                    dat het voorbereidingsbesluit ingevolge artikel 21 van de Wet op
                                    de Ruimtelijke Ordening is vervallen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de beslissing op een aanvraag
                                    om een splitsingsvergunning aanhouden, indien de aanvrager
                                    aannemelijk kan maken dat hij binnen een daarvoor redelijke
                                    termijn de gebreken, als bedoeld in artikel 3.2.4, lid 3 met het
                                    oog op de voorgenomen splitsing zal opheffen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders de beslissing op een aanvraag
                                    om een splitsingsvergunning overeenkomstig het bepaalde in het
                                    vorige lid aanhouden, vermelden zij in het besluit tot
                                    aanhouding welke gebreken met het oog op de voorgenomen
                                    splitsing moeten worden hersteld en binnen welke termijn zij dit
                                    redelijk achten. Indien de in het besluit tot aanhouding
                                    vermelde gebreken zijn hersteld binnen de in datzelfde besluit
                                    aangegeven termijn, wordt de vergunning verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2.6</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders kunnen een splitsingsvergunning
                                intrekken, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>niet binnen en jaar nadat de beschikking onherroepelijk is
                                        geworden, is overgegaan tot overschrijving in de openbare
                                        registers van de akte van splitsing in appartementsrechten,
                                        bedoeld in artikel 109 van Boek 5 van het Burgerlijk
                                        Wetboek, of tot het verlenen van deelnemings- of
                                        lidmaatschapsrechten;</al></li><li nr="b."><al>de vergunning is verleend op grond van door de
                                        vergunninghouder verstrekte gegevens waarvan deze wist of
                                        redelijkerwijs moest vermoeden dat zij onjuist of onvolledig
                                        waren. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.3</nr><titel>Organisatie en bevoegdheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3.1</nr><titel>Mandatering</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de uitoefening van
                                bevoegdheden krachtens hoofdstuk 3 te mandateren aan een door hen
                                aan te wijzen functionaris.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>VERDERE BEPALINGEN.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>1.Burgemeester en wethouders zijn bevoegd in gevallen waarin de
                            toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere
                            hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze
                            verordening.</al><al>Indien een woningzoekende op basis van dit oordeel de indicatie "urgent"
                            krijgt, dan is deze indicatie uitsluitend geldig in de gemeente waarvan
                            het college van burgemeester en wethouders geoordeeld heeft dat sprake
                            is van een bijzondere hardheid.</al><al>2.Burgemeester en wethouders rapporteren minimaal eenmaal per jaar aan
                            Stichting Urgentieverlening West-Utrecht over het aantal malen dat in de
                            daaraan voorafgaande periode van het bepaalde in lid 1 van dit artikel
                            gebruik is gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene die handelt in strijd met het bepaalde in artikel 3.2.2 wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de
                            derde categorie. De genoemde strafbaar gestelde feiten zijn
                            overtredingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Handhaving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze
                                verordening bepaalde zijn belast de daartoe door burgemeester en
                                wethouders aangewezen ambtenaren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met de opsporing van de bij artikel 4.3 strafbaar gestelde feiten
                                zijn, behalve de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering
                                en de in artikel 75 van de wet aangewezen ambtenaren, belast de in
                                het eerste lid genoemde ambtenaren, voor zover zij door de Minister
                                van Justitie daartoe zijn aangewezen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde ambtenaren hebben de bevoegdheid als
                                genoemd in artikel 76, 77 en 78 van de wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Huisvestingsverordening
                            gemeente Lopik 2013”.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2013, onder
                            gelijktijdige intrekking van de Huisvestingsverordening 2006 gemeente
                            Lopik . </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Lopik in de openbare
                        vergadering van 18 december 2012,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>MW. MR. G.M.G. DOLDERS MW. MR. R.G. WESTERLAKEN-LOOS</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>BIJLAGE 1 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </titel></kop><tussenkop>Toelichting HOOFDSTUK 1 Algemeen</tussenkop><tussenkop>Artikel 1.1 Begripsomschrijving</tussenkop><al>lid 10 In het huurrecht wordt verschil gemaakt tussen een echte en een onechte
                    dienstwoning. Een echte dienstwoning is een woning die noodzakelijkerwijs
                    gebruikt wordt met het oog op de arbeidsovereenkomst. Voorbeelden zijn: een
                    boswachterwoning, een portierswoning. Er is dus een direct verband tussen de
                    aard van het werk en het bewonen van de woning. Het huurrecht is in dat geval
                    niet van toepassing. Als er geen direct verband is tussen de aard van het werk
                    en het bewonen van de dienstwoning, spreekt men van een onechte dienstwoning.
                    Het huurrecht is dan wel van toepassing. Bijvoorbeeld: een werknemer van TNT
                    Post die een woning krijgt aangeboden in Groningen en nadien zijn
                    arbeidsovereenkomst opzegt, heeft dus wel recht op huurbescherming. Zogenaamde
                    verpleegstersflats zijn soms echte en soms onechte dienstwoningen. Als een
                    verpleegkundige intern woont, zodat zij feitelijk een kamer in het ziekenhuis
                    huurt, zal er sprake zijn van een echte dienstwoning. Betreft het echter flats
                    die speciaal gebouwd zijn om verpleegkundigen aan woonruimte te helpen, dan is
                    er geen direct verband tussen het werk en het bewonen van de flat en zal in de
                    regel het huurrecht wel van toepassing zijn. </al><al>lid 11 Een economische binding aan de provincie wordt in elk geval aangenomen
                    indien:</al><lijst><li nr="-"><al>iemand tenminste 18 uur per week bij een bedrijf of instelling in de
                            provincie in hetzij vaste dienst is, hetzij een tijdelijk dienstverband
                            heeft met de vooropgezette bedoeling dit om te zetten in een vast
                            dienstverband of bij minder uren, ten minste een netto-inkomen uit
                            arbeid heeft op bijstandsniveau;</al></li><li nr="-"><al>iemand als zelfstandig ondernemer in zijn bestaan voorziet en aantoont
                            dat de zetel van zijn bedrijf in de provincie is gevestigd.</al></li></lijst><al>Met in acht name van het bovenstaande is het tijdstip waarop de economische
                    binding ingaat, het moment waarop schriftelijk aan de hand van respectievelijk
                    een huur- of koopcontract of arbeidsovereenkomst, kan worden aangetoond
                    dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de zetel van het bedrijf of de instelling waar iemand werkzaam is of zal
                            gaan werken, in de provincie gevestigd is of binnen redelijke termijn
                            gevestigd zal worden;</al></li><li nr="-"><al>het dienstverband bij het bedrijf of de instelling binnen redelijke
                            termijn zal ingaan.</al></li></lijst><al>lid 23 Door het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht is
                    toestemming verleend om een koopprijsgrens te hanteren van € 181.512. Deze grens
                    gold voor zowel bestaande als nieuwbouwkoopwoningen.</al><al>Inmiddels is elders in de regio de koopprijsgrens voor nieuwbouwkoopwoningen
                    verhoogd naar € 200.000,-. Teneinde in de hele regio de koopprijsgrens voor
                    nieuwbouwkoopwoningen gelijk te stellen, is deze grens eveneens verhoogd tot €
                    200.000,-.</al><al>Met de invoering van de Wet revitalisering generiek toezicht per 1 oktober 2012
                    is hiervoor geen toestemming van de provincie nodig. De hoogte van de grens moet
                    wel passen binnen de beleidskaders van de provincie.</al><tussenkop>Artikel 1.2 Leegmelding</tussenkop><al>lid 2 Door zijn plaats in hoofdstuk 1 geldt dit artikel voor alle woonruimten,
                    al zal het in de praktijk geen rol spelen voor corporatiewoningen: leegstand van
                    corporatiewoningen wordt immers via het aanbodsysteem voorkomen. Het artikel is
                    dus met name bedoeld om leegstand van particuliere woonruimte tegen te gaan,
                    waartegen anders niet op te treden zou zijn, met als uiterste instrument het in
                    de Wet neergelegde recht tot vordering. </al><tussenkop>TOELICHTING HOOFDSTUK 2 VERDELING VAN WOONRUIMTE.</tussenkop><tussenkop>Artikel 2.2.1 Vergunningsvereiste</tussenkop><al>In een situatie waarbij de woonruimte (huurprijs beneden de huurprijsgrens),
                    wordt verkocht aan de bewoner van de betreffende woonruimte (koopprijs beneden
                    de koopprijsgrens), is een nieuwe huisvestingsvergunning geen vereiste indien
                    het huishouden al een huisvestingsvergunning heeft gekregen voor het gebruik van
                    de betreffende huurwoning.</al><tussenkop>Artikel 2.2.2 Aanvragen van een huisvestingsvergunning</tussenkop><al>lid 2 Tweede gedachtestreepje: in afwijking met de Wet op de huurtoeslag worden
                    de inkomensgegevens van inwonende kinderen, kleinkinderen en pleegkinderen
                    jonger dan 27 jaar niet meegeteld, gezien de grote kans op wijziging in de
                    samenstelling van het huishouden gedurende de woonduur.</al><tussenkop>Artikel 2.2.3 Eisen voor vergunningverlening</tussenkop><al>c De eis van economische of maatschappelijke binding geldt niet, indien zich een
                    situatie voordoet als beschreven in artikel 6 van het Besluit. Dit betreft
                    gevallen van woningruil waarbij tenminste één van de betrokken partijen behoort
                    tot een beschermde groep, of als aan de ruil een aanvaarding van een werkkring
                    ten grondslag ligt. Ook kan er in gevolge de Huisvestingswet geen bindingseis
                    gesteld worden als het personeel van het Europees Laboratorium voor
                    ruimtetechnologie van de European Space Research Organisation betreft dat hun
                    functie in Nederland uitoefent.</al><al>d Met 'gegadigde' wordt bedoeld degene die binnen een aanbodsysteem op de woning
                    heeft gereageerd dan wel degene die op grond van het bemiddelingssysteem eerder
                    voor de woning in aanmerking zou moeten komen.</al><al>Lid 1d onder 2<sup>e</sup>, geldt niet indien zich een situatie voordoet als
                    aangegeven in artikel 9 van het Besluit. Dit betekent dat het niet lang genoeg
                    ingeschreven staan niet kan worden tegengeworpen:</al><lijst><li nr="-"><al>aan degene die ingevolge artikel 266, eerste lid, of 267, eerste lid,
                            van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek medehuurder van de betrokken
                            woonruimte was, indien deze de huurovereenkomst voortzet krachtens
                            artikel 266, derde lid, 267, zesde lid, of 268, eerste lid van Boek 7
                            van dat wetboek;</al></li><li nr="-"><al>met het oog op een voorgenomen ruil van woonruimte</al></li><li nr="-"><al>aan personeel werkzaam in Nederland ten behoeve van het Europees
                            Laboratorium voor ruimtetechnologie.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.2.4 Vruchteloze aanbieding</tussenkop><al>lid 4 Dit artikel is bedoeld om ook huurwoningen die niet participeren in het
                    aanbodsysteem en koopwoningen bij voorrang te bestemmen voor degenen met een
                    binding aan de provincie of behorend tot een beschermde groep. Pas als
                    aantoonbaar is dat er binnen de geëigende groep geen belangstelling is voor de
                    woning, kunnen ook anderen voor de woning in aanmerking komen.</al><tussenkop>Artikel 2.3.1 Verhouding inkomen - rekenhuur </tussenkop><al>lid 1Vanaf 1 januari 2011 hebben twee ingrijpende wijzigingen plaatsgevonden: </al><lijst><li nr="1."><al>De huishoudencategorieën voor de huurtoeslag zijn verdwenen.</al></li><li nr="2."><al>Toewijzing van sociale huurwoning, huurprijs tot € 664,66 is alleen nog
                            toegestaan aan huishoudens waarvan het inkomen maximaal 34.085
                            bedraagt.</al></li></lijst><al>Met deze wijzigingen is een eenvoudige tabel ontstaan waardoor de
                    woningcorporaties in staat worden gesteld te voldoen aan de ‘Tijdelijke regeling
                    diensten van algemeen economisch belang toegelaten instellingen
                    volkshuisvesting’ (Staatscourant 2010, nr 17515). Op basis van deze tabel wordt
                    nu 100% van het aanbod verhuurd aan huishoudens met inkomen beneden de
                    inkomensnorm van € 34.085. De regeling geeft echter de mogelijkheid aan
                    woningcorporaties om 10% van het aanbod te verhuren aan woningzoekenden met een
                    hoger inkomen. Om dit mogelijk te maken zijn lid drie en vier toegevoegd. </al><al>De huurprijs- en inkomensgrenzen worden jaarlijks, per 1 januari, geïndexeerd
                    volgens artikel 27 van de Wet op de Huurtoeslag en het maximale huishoudinkomen
                    zoals gedefinieerd in de tijdelijke regeling diensten van algemeen economisch
                    belang toegelaten instellingen volkshuisvesting.</al><al>lid 2 Met dit lid wordt de mogelijkheid gegeven om af te wijken van de tabel. De
                    tabel is van toepassing op alle sociale huurwoningen van zowel toegelaten
                    instellingen als particuliere verhuurders. Echter de ministeriële regeling is
                    niet van toepassing op de huurwoningen van particulieren. Met lid 3 kunnen zowel
                    particuliere verhuurders als woningcorporaties woningen met een huurprijs vanaf
                    € 458 verhuren aan huishoudens met een inkomen tot € 45.630.</al><al>De woningcorporaties kunnen 10% of een ander percentage, gelet op het beleid van
                    een woningcorporatie, toewijzingen aan huishoudens met een inkomen tussen €
                    34.085 en € 45.630. Gelet op de woningmarkt in onze regio is de inkomensnorm van
                    € 34.085 te laag. Met een dergelijk inkomen is een koopwoning of een huurwoning
                    in de vrije sector niet haalbaar. Met een inkomen van € 45.000 is een hypotheek
                    haalbaar van ongeveer € 200.000, de koopprijsgrens voor nieuwbouwwoningen. De
                    huurprijs vanaf € 458 stelt woningcorporaties in staat voldoende huurwoningen
                    aan te bieden voor de betreffende huishoudens. </al><al>Het huishoudinkomen zoals vermeld in lid 2 wordt met eenzelfde percentage
                    verhoogd als het maximale huishoudinkomen in de ‘tijdelijke regeling’. De
                    huurprijs ‘vanaf’ wordt met eenzelfde percentage verhoogd als de huurprijsgrens.
                    Peildatum in de toelichting op lid 2 gebruikte bedragen is 1 januari 2011.</al><al>lid 3 Hiermee wordt het mogelijk dat ook bijvoorbeeld urgenten met een
                    volkshuisvestelijke indicatie (zogeheten stadsvernieuwingsurgenten) gebruik
                    kunnen maken van het aanbod, ongeacht het inkomen. In de regeling wordt deze
                    categorie met name genoemd bij de toewijzing van huishoudens met een inkomen
                    vanaf € 34.085 (peildatum: 1 januari 2012)</al><tussenkop>Artikel 2.3.2 Bezettingsnorm</tussenkop><al>lid 1 Uitgewezen heeft dat sinds het loslaten van de bezettingsnorm in 2006
                    eenpersoonshuishoudens grotere huishoudens enigszins van de woningmarkt hebben
                    verdreven als het gaat om het betrekken van grote woningen. Daarom is besloten
                    eenpersoonshuishoudens nog slechts in aanmerking te laten komen voor een woning
                    van maximaal vier kamers.</al><al>lid 2 De eigenaar van de woonruimte kan in overleg met burgemeester en
                    wethouders maatwerk toepassen op complexniveau. De bezettingsnorm kan hiermee op
                    beperkte schaal worden toegepast.</al><tussenkop>Artikel 2.4.1 Register van woningzoekenden</tussenkop><al>lid 4 Onrechtmatige bewoning is een verzamelbegrip voor:</al><lijst><li nr="1."><al>Onrechtmatige bewoning: een woning buiten de toewijzingsregels van de
                            gemeente op grond van de Huisvestingswet doorverhuren aan een derde, die
                            volgens de toewijzingsregels niet in aanmerking komt voor de woning.
                        </al></li><li nr="2."><al>Onrechtmatige doorverhuur: een woning geheel of gedeeltelijk zonder
                            medeweten en toestemming van de verhuurder doorverhuren.</al></li><li nr="3."><al>Onrechtmatig gebruik: een woning gebruiken voor andere doeleinden dan
                                reguliere<cursief> huisvesting, bijvoorbeeld verkamering,
                                prostitutie, drugsverkoop of
                                hennepteel</cursief><cursief>t.</cursief></al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2.4.2 Aanvraag tot inschrijving</tussenkop><al>lid 3 Uniforme legesbedragen verdienen de voorkeur uit het oogpunt van
                    duidelijkheid en rechtvaardigheid naar de betrokken woningzoekende. Hetzelfde
                    geldt voor voorlichtingsmateriaal en inschrijfformulieren.</al><tussenkop>Artikel 2.4.3 Bewijs van inschrijving</tussenkop><al>lid 1 De aanvrager is verantwoordelijk voor de juistheid van de gegevens. </al><al/><tussenkop>Artikel 2.4.4 Geldigheidsduur</tussenkop><al>lid 3 Een woningzoekende moet worden uitgeschreven indien hij of zij in de eigen
                    (sub)regio een huurwoning betrekt die hem of haar is aangeboden via het
                    aanbodsysteem. Uitschrijving vindt niet plaats indien de woningzoekende op
                    kamers gaat wonen, of een woning betrekt van een particulier waarmee geen
                    afspraken gemaakt zijn over de wijze van verdelen van zijn woning(en) of een
                    koopwoning betrekt of een zelfstandige woonruimte is betrokken buiten de regio. </al><al> Hierbij dient te worden vermeld dat het woningzoekendenbestand jaarlijks wordt
                    opgeschoond. Iedere ingeschreven woningzoekende wordt jaarlijks gevraagd of men
                    ingeschreven wenst te blijven. Daarbij wordt tevens aan de hand van de
                    (gewijzigde) gegevens beoordeeld of de woningzoekende nog wel aan de
                    inschrijfcriteria voldoet. Indien de woningzoekende zulks wenst of niet meer aan
                    de inschrijfcriteria voldoet, dan wordt hij of zij alsnog uitgeschreven als
                    woningzoekende.</al><al>Binnen een aanbodsysteem is het niet langer nodig dat de inschrijving vervalt
                    bij het tweemaal weigeren van passende woonruimte. Bij een aanbodsysteem ligt
                    immers het initiatief bij de potentiële huurder. Weigering zal daardoor minder
                    vaak voorkomen dan bij een distributiemodel waardoor het dus niet de moeite
                    loont hiervan een speciale registratie bij te houden. </al><al>Sinds 1 juli 1998 is op basis van praktijkervaringen als uitschrijvinggrond
                    opgenomen de aankoop van een door een woningzoekende zelf bewoonde huurwoning.
                    Uitschrijving is formeel mogelijk. Aanbevolen wordt echter om bij aankoop een
                    bericht te sturen dat de inschrijving zonder tegenbericht komt te vervallen. Er
                    kan dan bij actief handelen van de woningzoekende de mogelijkheid worden geboden
                    de huidige inschrijving (voor huur en/of koop) te handhaven. Duidelijk is wel
                    dat de woningzoekende die eigenaar-bewoner is geworden geen beroep meer kan doen
                    op de status van 'doorstromer'. Niet de woonduur, maar de inschrijfduur is dan
                    bepalend voor de kansen.</al><al>De uitschrijvingcriteria in het kader van het Laatste Kansbeleid zijn gelijk aan
                    die voor het weigeren voor een inschrijving. Er dienen nadrukkelijk enkele
                    zorgvuldigheidseisen in acht worden genomen voordat men tot dit middel overgaat.
                    Deze zijn omschreven in artikel 2.4.1 lid 3.</al><al>lid 4 Dubbelinschrijvingen voor een huurwoning zijn overbodig. Het zijn vooral
                    huishoudens die zich voor de totstandkoming van het regionaal aanbodsysteem in
                    een buurgemeente hebben laten registreren, die dubbele inschrijvingen kennen.
                    Het is in het belang van de woningzoekende om de meest recente inschrijvingen te
                    laten vallen zodat zij niet met een minder kansrijk inschrijfnummer reageren op
                    vrijkomend aanbod.</al><al>Voor de verdeling van nieuwbouw koopwoningen kunnen gemeenten eigen lijsten
                    aanleggen (zie paragraaf 2.6.2). Het tweede deel van het artikel strekt er toe
                    te voorkomen dat met het doorhalen van een dubbele inschrijving voor een
                    huurwoning de eventuele inschrijving voor een koopwoning komt te vervallen.
                    Wanneer gemeenten geen afspraken hebben gemaakt over de onderlinge
                    uitwisselbaarheid van lokale lijsten ten behoeve van de verkoop van koopwoningen
                    zijn hierdoor wel meerdere registraties voor koopwoningen mogelijk.</al><tussenkop>Artikel 2.5.1 Urgent woningzoekenden</tussenkop><al>lid 1 Huishoudens die bijvoorbeeld een recreatiewoning permanent bewonen kunnen
                    niet in aanmerking komen voor een urgentie. In punt a. van lid één wordt als
                    voorwaarde gesteld dat de betreffende woningzoekende een ingezetene is van de
                    regio. In de begrippenlijst is de term ‘ingezetene’ voorbehouden aan degene die
                    zijn hoofdverblijf heeft in een voor <onderstreept>permanente
                        bewoning</onderstreept> aangewezen woonruimte. Een recreatiewoning valt hier
                    (per definitie) niet onder.</al><al>lid 5 Door middel van dit artikel is gepoogd het aantal urgentieverleningen tot
                    noodsituaties te beperken. Urgenten krijgen daarmee een sterke positie: zij
                    hebben absolute voorrang op anderen en kunnen in beginsel binnen zes maanden
                    gehuisvest worden. Door het beperken van urgenties kan een redelijk percentage
                    woningen aan niet-urgente woningzoekenden worden toegewezen.</al><al>Veel situaties die vroeger steevast tot urgentie leidden, gelden in deze
                    verordening niet als noodsituatie en leiden dus niet langer tot urgentie. Geen
                    urgentie wordt bijvoorbeeld verleend:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr=""><al>1.indien voor bepaalde omstandigheden een andere weg of
                                    procedure meer aangewezen is, bijvoorbeeld:</al></li><li nr="-"><al>bij overlast van buren of burenruzie zijn de aangewezen
                                    instanties de politie, de rechtbank,</al></li><li nr="-"><al>bij gebrekkige woonruimte en huurgeschillen zijn de aangewezen
                                    instanties de verhuurder, de huurcommissie en de
                                    kantonrechter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>bij problemen in verband met kamerbewoning of inwoning (in ouderlijk
                            huis of bij familie, vrienden of kennissen).</al></li><li nr="3."><al>bij problemen bij gebrek aan woonruimte, bijvoorbeeld kamertekort na
                            gezinsuitbreiding.</al></li><li nr="4."><al>bij problemen in verband met beroepsomstandigheden, bijvoorbeeld
                            woonwerkafstand.</al></li></lijst><al>lid 5.A sub c, relatiebeëindiging met gedeelde zorg voor minderjarige
                    kinderen.</al><al>Met co-ouderschap wordt een regeling aangeduid tussen de ouders over de zorg
                    voor de kinderen. Dit kan betekenen dat de praktische en financiële zorg voor de
                    kinderen wordt gedeeld. Co-ouderschap kan maar tot maximaal één urgentie leiden
                    en als één van de ouders in de huidige woning blijft wonen wordt geen urgentie
                    verleend. De gemeente heeft daarmee voldaan aan de zorgplicht, namelijk het
                    voorkomen van dakloosheid van minderjarige kinderen. Dat beide partijen
                    co-ouderschap overeenkomen maar dit voorlopig nog niet kunnen uitvoeren, behoort
                    tot de eigen verantwoordelijkheid van beide partijen.</al><al>lid 5.D Dit artikellid geldt voor personen die in een "Blijf van mijn lijf" of
                    Fiom-huis in de regio wonen: zij krijgen voorrang bij het verkrijgen van
                    woonruimte (conform de eerder in regionaal of sub-regionaal verband gemaakte
                    afspraken). Deze urgentie wordt bij registratie direct toegekend, zolang het
                    afgesproken aantal woningen per gemeente nog niet is overschreden. Jaarlijks
                    krijgt een, in verhouding tot het aantal vrijkomende huurwoningen, redelijk
                    aantal personen uit opvangtehuizen voorrang op basis van regionale of lokale
                    afspraken. Om in aanmerking te komen voor een maatschappelijke indicatie voor
                    urgentie dient de betrokkene gedurende een bepaalde tijd te zijn begeleid of
                    behandeld door een in de regio werkzame hulp- en dienstverleningsinstelling. Dit
                    kunnen ook andere instellingen zijn dan eerder in deze toelichting genoemd.</al><tussenkop>Artikel 2.5.2 Aanvraag en besluitvorming tot urgentie</tussenkop><al>lid 2 Met het oog op de uniformiteit jegens woningzoekenden verdient het de
                    voorkeur te komen tot één medisch adviseur voor alle regiogemeenten.</al><al>lid 3 De aan te wijzen instantie kan ook, namens burgemeester en wethouders, de
                    urgentieverlening zelf ter hand nemen. </al><tussenkop>Artikel 2.5.3 Beperkte keuzemogelijkheden urgenten.</tussenkop><al>lid 2 Met dit artikel is beoogd eenduidigheid en een optimale afstemming van de
                    zoekprofielen op de lokale en regionale woningmarkt te realiseren. Het standaard
                    (regionale) zoekprofiel voor iedere urgent woningzoekende is een flatwoning (het
                    woningtype dat over het algemeen het minst schaars is). Hiervan kan lokaal
                    worden afgeweken indien volgens burgemeester en wethouders huisvesting in de
                    gemeente waar het woonprobleem is ontstaan noodzakelijk is en met het standaard
                    zoekprofiel niet mogelijk is. Gemeenten moeten zelf bezien of een dergelijke
                    verruiming ten opzichte van de algemene regel in een individueel geval nodig is. </al><al>Stadsvernieuwingsurgenten krijgen een regionaal zoekprofiel mee. Dit vanwege de
                    wezenlijk andere positie waarin stadsvernieuwingsurgenten zich bevinden. Die is
                    principieel anders dan bij een medische urgentie of echtscheidingsurgentie. In
                    geval van stadsvernieuwing wordt men urgent omdat de gemeente en de eigenaar van
                    de woning andere plannen hebben met de grond waarop de woning staat. De bewoner
                    vraagt niet zelf om persoonlijke redenen om urgentie, maar wordt gevraagd de
                    woning te verlaten in het belang van de volkshuisvesting of ter uitvoering van
                    openbare werken in het algemeen belang. Deze positie rechtvaardigt een breder en
                    ruimer, regionaal geldend zoekprofiel.</al><tussenkop>Artikel 2.6.1 Aanbodsysteem</tussenkop><al>lid 2 Er is sprake van een groepswooncomplex wanneer de leden van de woongroep
                    ieder een zelfstandige woonruimte bewonen. </al><al>lid 6 Om in het advertentiemedium woonruimte aan te mogen wijzen waarop de
                    status "urgent" niet geldig is, is de volgende procedureafspraak overeengekomen:
                    Burgemeester en wethouders bepalen in onderling overleg met de in de gemeente
                    werkzame corporaties, in welke woningcomplexen in potentie ter beschikking
                    komende woningen, uitgesloten zouden kunnen worden voor urgenten (met dien
                    verstande dat de status "urgent", niet geldig is). Het is uitdrukkelijk niet de
                    bedoeling dat deze complexen in hun geheel worden uitgesloten. Wanneer in een
                    geoormerkt complex een woning ter beschikking komt, krijgt de corporatie mandaat
                    om te beoordelen of de betreffende woning daadwerkelijk wordt aangewezen als
                    woning waarop de status urgent niet geldig is. Het moet hierbij gaan om een
                    woning die naar verwachting een veel hoger dan gemiddeld aantal reacties zal
                    opleveren (het betreft dus een door woningzoekenden zeer gewilde woning).
                    Corporaties kunnen zich daarbij bijvoorbeeld baseren op aantallen reacties op
                    vergelijkbare woningen in het complex. Hierbij dient bedacht te worden dat er
                    vaak geen tijd is om bij mutaties vooraf te overleggen met de gemeente. Bij een
                    huuropzegging dient altijd rekening te worden gehouden met de deadline van de
                    woningkrant. Er zou anders ongewenste huurderving kunnen ontstaan.</al><al> Het is overigens niet de bedoeling te veel woningen uit te sluiten voor
                    urgenten. Terughoudendheid dient te worden betracht. Daarom mag per jaar niet
                    meer dan 5% van het totaal aantal woningen per gemeente dat in het voorgaande
                    jaar in de Woningkrant is aangeboden, worden aangemerkt als woning waarop de
                    status "urgent" niet geldig is. De tussen gemeente en corporaties overeengekomen
                    complexen (inclusief adresgegevens) worden schriftelijk vastgelegd voor een
                    periode van één jaar. Een afschrift hiervan moet worden toegezonden naar de
                    Stichting Urgentieverlening West Utrecht (SUWU). Na één jaar zal deze regeling
                    worden geëvalueerd.</al><tussenkop>Artikel 2.6.2 Toewijzing van koopwoningen</tussenkop><al>lid 1 Uitgangspunt is dat nieuw te bouwen koopwoningen tot de koopprijsgrens bij
                    voorrang worden ingezet om de doorstroming te bevorderen. Omdat doorstromers
                    zijn gedefinieerd als diegenen die een huurwoning tot de maximale rekenhuur
                    achterlaten, is de doorstroming mogelijk te weinig specifiek. Het te behalen
                    doorstroomrendement is uiteraard ook afhankelijk van de koopprijs, de doelgroep
                    en het woningtype. Daarom wordt het aan burgemeester en wethouders overgelaten
                    om te bepalen waar het beleidsmatige accent op wordt gelegd. Bij het benoemen
                    van de huurprijsklasse van de woningen die worden bewoond door de doelgroep
                    verdient het aanbeveling aan te sluiten bij de gangbare indeling in het kader
                    van het Besluit Beheer Sociale Huursector. Goedkoop, bereikbaar, betaalbaar en
                    maximale huurprijsgrens. Lokaal wordt hierop veelal een prijsindexering los
                    gelaten ten behoeve van bijvoorbeeld prestatieafspraken met corporaties.</al><al>Het was de nadrukkelijke wens van gemeenten om ook starters op de woningmarkt
                    en/of huishoudens uit een andere koopwoning of particuliere huurwoning in
                    aanmerking te laten komen voor een nieuwe koopwoning. Het wordt niet acceptabel
                    geacht om de nieuwbouw geheel af te sluiten voor deze prijsgrens, omdat anders
                    huren het enige alternatief is. Vaak bevinden vrijkomende koopwoningen zich in
                    een voor starters onbereikbaar hoog prijssegment. </al><al>lid 2 Met het opnemen van deze publiekrechtelijke bepaling wordt bereikt dat de
                    indirecte subsidiëring van de gemeente en in een aantal gevallen corporaties
                    (grondpolitiek, aanbestedingsbeleid) wordt ingezet om huishoudens met een laag
                    inkomen in staat te stellen een goedkope koopwoning te verwerven zonder
                    concurrentie van huishoudens die gezien hun inkomen niet tot de primaire
                    doelgroep van de volkshuisvesting kunnen worden gerekend.</al><al>lid 3 Het wordt toegestaan lokaal een wachtlijst voor koopwoningen aan te
                    leggen/houden mits dit in overeenstemming met de Huisvestingswet gebeurt. Dit
                    betekent dat lokale maatschappelijke of economische binding op generlei wijze
                    tot bevoordeling in de lijsten kan leiden. </al><tussenkop>Artikel 2.7.2 Toewijzing van standplaatsen</tussenkop><al>lid 2b Ook voor woonwagenbewoners geldt op grond van artikel 2.5.3, dat als zij
                    urgent worden, zij naar een flatwoning vanaf de 1e verdieping kunnen. Een
                    medische urgente woonwagenbewoner kan voor een benedenverdieping in aanmerking
                    komen, maar kan niet versneld in aanmerking komen voor een standplaats. Urgentie
                    betekent: dak boven je hoofd en dus geen toewijzing van zeer schaarse
                    woonruimte. Een uitzondering geldt voor de urgent woningzoekende met een
                    volkshuisvestelijke indicatie: deze kunnen op basis van artikel 2.5.3 vierde lid
                    en 2.7.2 tweede lid wel een standplaats eisen.</al><al/><tussenkop>Artikel 2.8.1 Overeenkomsten</tussenkop><al>lid 2 Bij het bepalen van het woningaanbod wordt gekeken naar het vrijkomende
                    woningaanbod in de betreffende gemeente, van het afgelopen jaar. </al><al>lid 2c Lokaal Maatwerk heeft betrekking op:</al><al>1<sup>e</sup> gedachtestreepje: de verhouding inkomen – huur waarbij woonruimte
                    kan worden aangeboden met ruimere of krappere grenzen. </al><al>2<sup>e</sup> -: De aanvullende toelatingseisen waren in de voorgaande
                    verordening reeds mogelijk via het flexibiliteitartikel. Bij het beheer van
                    bepaalde complexen kan het nodig zijn aanvullende eisen te stellen. </al><al>3<sup>e</sup> -: Lokaal Maatwerk is ook geschikt voor de toepassing van
                    alternatieve toewijzingssystemen. Als uitgangspunt bij de woonruimteverdeling is
                    weliswaar gekozen voor het aanbodmodel maar voor bepaalde doelgroepen kan een
                    ander toewijzingssysteem uitkomst bieden. Voorbeeld hiervan is de toewijzing
                    door middel van loting.</al><al>4<sup>e</sup> -: Met name voor huurwoningen had de huisvestingsverordening
                    weinig mogelijkheden om doorstroming te bevorderen. Met Lokaal Maatwerk wordt
                    deze mogelijkheid geboden waarbij het “doorstroomrendement” afhankelijk is van
                    lokaal beleid.</al><al>5<sup>e</sup> -: Door een gemeente aan te wijzen specifieke doelgroepen kunnen
                    voorrang krijgen bij de verdeling van woonruimte. Gelijk aan de systematiek van
                    de hardheidsclausule is deze voorrang uitsluitend geldig in de gemeente waar de
                    bepaling wordt toegepast.</al><al>6<sup>e</sup> -: de Huur – Directpagina is een speciale rubriek in het
                    advertentiemedium zoals is bedoeld in artikel 2.6.1 lid 4, waarop woningen
                    worden aangeboden, waarbij een op grond van aantoonbare ervaringsgegevens
                    gebaseerd vermoeden bestaat dat er bij regulier adverteren geen gegadigden zijn
                    die een passende toewijzing mogelijk maken.</al><al>Bij de volgordebepaling wordt voorrang gegeven aan huishoudens die wel over een
                    binding beschikken en waar sprake is van passende huisvesting. Afwijking van de
                    huur - inkomensverhouding wordt niet voorgesteld. Direct volgend op de plaatsing
                    op de huur-directpagina in de regionale aanbodkrant kan met toestemming van
                    burgemeester en wethouders een woning in een ander medium aan worden geboden.
                    Hierbij wordt verondersteld dat bij de woningen, met in acht neming van hetgeen
                    in artikel 2.6.1 lid 5 over de volgordecriteria is bepaald, de volgende criteria
                    worden gehanteerd:</al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>kandidaten die voldoen aan de passendheidseisen en voldoen aan
                                    de eis van maatschappelijk of economisch gebonden zijn aan de
                                    provincie, zoals opgenomen in artikel 2.2.3 lid 1c;</al></li><li nr="b."><al>kandidaten die niet (geheel) voldoen aan de passendheidseisen en
                                    voldoen aan de eis van maatschappelijk of economisch gebonden
                                    zijn aan de provincie, zoals opgenomen in artikel 2.2.3 lid 1c.
                                </al></li><li nr="c."><al>kandidaten die voldoen aan de passendheidseisen en niet voldoen
                                    aan de eis van maatschappelijk of economisch gebonden zijn aan
                                    de provincie, zoals opgenomen in artikel 2.2.3 lid 1c;</al></li><li nr="d."><al>kandidaten die niet voldoen aan de passendheidseisen en geen
                                    binding met de provincie hebben.</al><al> 7<sup>e</sup> -: In afwijking van de overige toepassingen van
                                    Lokaal Maatwerk wordt de experimentenregeling vooraf door het
                                    Dagelijks Bestuur ter goedkeuring aangeboden. Deze procedure
                                    wijkt niet af van de huidige regeling. Bij de aanvraag van een
                                    experiment moet de volgende punten scherp naar voren komen:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>een duidelijke <onderstreept>aanleiding</onderstreept>; het ‘waarom’ van
                            een experiment;</al></li><li nr="b."><al>een experiment heeft een duidelijk omschreven <onderstreept>beoogd
                                effec</onderstreept><onderstreept>t</onderstreept>, dit effect is
                                <onderstreept>meetbaar</onderstreept>. Zo mogelijk vindt een
                            nulmeting plaats bij de start van een experiment;</al></li><li nr="c."><al>de <onderstreept>uitvoering</onderstreept> van het experiment is
                            duidelijk en transparant voor de woningzoekenden en</al></li><li nr="d."><al>de <onderstreept>communicatie en verantwoording</onderstreept> over het
                            experiment vindt plaats in het regionale advertentiemedium.</al></li></lijst><al>Een experiment mag niet in strijd zijn met de Huisvestingswet.</al><al> 8e-: Gedeputeerde staten hebben op 18 september 2006 de “beleidsregels
                    bindingseisen woningmarkt Provincie Utrecht 2006”, vastgesteld. De beleidsregels
                    geven de mogelijkheid vrijkomende woonruimte toe te wijzen aan woningzoekenden
                    met een binding aan een gemeente met ‘beperkte uitbreidingsmogelijkheden’
                    (Beleidsregel zes, “beleidsregels bindingseisen woningmarkt provincie Utrecht
                    2006”). Bij de regeling zijn de volgende bepalingen van toepassing:</al><lijst><li nr="-"><al>De regeling geldt voor zowel de huur als de koopwoningen vallend onder
                            het werkingsgebied van de huisvestingsverordening.</al></li><li nr="-"><al>De voorrangsregeling bevoordeelt de <onderstreept>lokale
                                woningzoekenden</onderstreept> gedurende <onderstreept>twee
                                weken</onderstreept></al></li><li nr="-"><al>Onder <onderstreept>loka</onderstreept><onderstreept>le
                                woningzoekende</onderstreept>n worden verstaan:</al><lijst><li nr="1."><al>die woningzoekenden die tenminste drie jaren volgens de
                                    gemeentelijke basisadministratie staan ingeschreven op een adres
                                    in de desbetreffende kern en</al></li><li nr="2."><al>woningzoekenden die de afgelopen drie jaren in verband met
                                    studie tijdelijk elders ingeschreven zijn of zijn geweest, maar
                                    voorafgaand wel tenminste drie jaar ingeschreven hebben gestaan
                                    op een adres in de desbetreffende kern. </al></li></lijst></li><li nr="-"><al>De ‘<onderstreept>twee weken’</onderstreept> termijn gaat in na sluiting
                            van de reactietermijn. Na het verzamelen van alle reacties hebben
                            verhuurders twee weken waarin de woning aangeboden moet worden aan een
                            lokaal woningzoekende. Na het verstrijken van deze twee weken moet de
                            woning weer worden aangeboden volgens de reguliere methode. Gedurende
                            deze twee weken is de volgorde als volgt:</al></li><li nr="1."><al>lokaal woningzoekende met urgentie</al></li><li nr="2."><al>lokaal woningzoekende</al></li><li nr="3."><al>niet – lokaal woningzoekende met urgentie</al></li><li nr="4."><al>niet – lokaal woningzoekende</al></li></lijst><al>De criteria langste urgentieduur of inschrijfduur zijn bepalend voor de
                    onderlinge volgorde.</al><tussenkop>TOELICHTING HOOFDSTUK 3 WIJZIGING SAMENSTELLING VAN DE
                    WOONRUIMTEVOORRAAD</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 3.1.4 Criteria voor vergunningverlening</tussenkop><al>Uitgangspunt is dat er een afweging moet plaatsvinden tussen drie belangen. Het
                    aanvragerbelang (het met de onttrekking, samenvoeging of omzetting gediende
                    belang) versus het volkshuisvestelijk belang (het belang van behoud of de
                    samenstelling van de woonruimtevoorraad) en de leefbaarheid (het belang van het
                    beschermen van de leefbaarheid van het woon- en leefmilieu in een complex,
                    straat of buurt). </al><al>Wanneer aan het aanvragerbelang voorrang wordt verleend (lid 1), moet de
                    vergunning worden verleend. Er kan geen compensatie worden gevraagd. Als het
                    belang van de aanvrager minder zwaar weegt dan het belang van de
                    volkshuisvesting (lid 2), dan is in de verordening een compensatiemogelijkheid
                    opgenomen. Op grond van jurisprudentie wil dit zeggen dat als de aanvrager
                    bereid is te compenseren, de vergunning verleend moet worden (ook als het
                    college van oordeel zou zijn dat geen enkele compensatie het verlies van
                    zelfstandige woonruimte zou kunnen compenseren). Wil de aanvrager niet
                    compenseren, dan wordt de vergunning niet verleend.</al><al>Op grond van artikel 32 van de Huisvestingswet dient de gemeenteraad in de
                    verordening tenminste de voorschriften, die burgemeester en wethouders aan de
                    verlening van een vergunning kunnen verbinden, op te nemen.</al><al><onderstreept>Weigeringsgrond</onderstreept> bij vergunningverlening is
                    mogelijke aantasting van het woon- en leefmilieu in een complex, straat of buurt
                    (lid 3). Onder woon- en leefmilieu wordt onder andere verstaan, de situatie ten
                    aanzien van gevoelens van (on)veiligheid, onderhoud van woningen en
                    woonomgeving, parkeerdruk, sociale samenhang.Voor jurisprudentie
                    betreffende de aantasting van het woon- en leefmilieu (ontoelaatbare inbreuk)
                    wordt verwezen naar een uitspraak van de raad van state op 22 november 2006
                    (kenmerk 200600355/1)"</al><al>Bij het beoordelen van de aanvraag om vergunning dienen aanvragers aan te geven
                    of zij bereid zijn tot reële of financiële compensatie. In de praktijk komt het
                    helaas voor dat aanvragers –ondanks die uitdrukkelijke bereidheid - hun
                    financiële betalingsverplichting niet nakomen. Dit betekent dat er een
                    handhavingsactie moet worden gestart. Om dit te voorkomen is het van belang om
                    vooraf - d.w.z. voor de besluitvorming over de vergunning- duidelijkheid en
                    zekerheid te verkrijgen over de bereidheid tot compensatie. Die bereidheid wordt
                    verlangd door middel van een financiële en onvoorwaardelijke borgstelling. Mocht
                    hier niet aan voldaan worden, dan kan de vergunning worden geweigerd. In lid 3
                    is een daartoe strekkende weigeringsgrond opgenomen. Het spreekt voor zich dat
                    een voorafgaande financiële borgstelling achterwege kan blijven indien bij de
                    behandeling van de aanvraag op voorhand al duidelijk is dat compensatie niet aan
                    de orde is.</al><al/><tussenkop>Artikel 3.1.5 Compensatie</tussenkop><al>Als uit de belangenafweging in Artikel 3.1.5. blijkt dat het belang van het
                    behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het belang
                    van de aanvrager, wordt t.b.v. de vergunningverlening de voorwaarde van
                    compensatie opgelegd. Eerst wordt nagegaan of reële compensatie mogelijk is, is
                    dat niet het geval dan volgt financiële compensatie. </al><al>Door aan de voorwaarde van compensatie te voldoen wordt beoogd de woonruimte die
                    verloren gaat te compenseren en wordt tegemoet gekomen aan het belang van het
                    behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad. De compensatie wordt als
                    voorwaarde opgelegd om elders vervangende woonruimte te kunnen (laten)
                    creëren.</al><al>De reële compensatie vindt binnen deze regio plaats door (delen van) niet
                    woongebouwen te verbouwen tot woonruimte. Deze woonruimte moet daadwerkelijk
                    worden toegevoegd aan de woningvoorraad (d.w.z. beschikbaar zijn voor bewoning).
                    Ingeval van onttrekking door sloop t.b.v. nieuwbouw kan ook deze nieuwbouw
                    dienen als reële compensatie. De ter compensatie aangeboden woonruimte moet
                    worden opgericht of gebouwd na ontvangst van de aanvraag om omzetting,
                    onttrekking of samenvoeging. Daarbij dient voldoende duidelijkheid te bestaan
                    over de planning en uitvoerbaarheid. Voor de nieuwbouw dient - voor zoveel nodig
                    - een (omgevingsvergunning) te zijn verleend of deze moet in een vergevorderd
                    stadium van verlening verkeren.</al><al>Er is sprake van gelijkwaardige vervangende woonruimte als de ter compensatie
                    aangeboden woonruimte op de onderdelen zelfstandigheid, woningtype, aantal
                    kamers en het aantal vierkante meters gelijk is aan de onttrokken woning. De
                    onderdelen wegen hierbij even zwaar. Wanneer sprake is van onvoldoende vierkante
                    meters, is het mogelijk om deze vierkante meters financieel te compenseren.</al><tussenkop>Onderbouwing compensatiebedragen</tussenkop><al>Het tekort aan woonruimte en dan specifiek aan zelfstandige woonruimte in de
                    regio is groot. Dit heeft naast de hoge grond- en huizenprijzen, invloed op de
                    hoogte van de financiële compensatie. Deze compensatie moet in redelijke
                    verhouding staan tot het met de compensatie te bereiken doel, namelijk het
                    vervangen/realiseren van woonruimte.</al><al>Wanneer woonruimte gecreëerd wordt door verbouw van een niet-woongebouw naar een
                    woongebouw, dan is sprake van een onrendabele top. Dat is dat deel van de kosten
                    die niet binnen een redelijke termijn uit de exploitatie van de woning kan
                    worden terugverdiend. Deze onrendabele top wordt als uitgangspunt genomen om de
                    financiële compensatie te berekenen. Het aldus verkregen bedrag wordt in het
                    kader van de volkshuisvesting aangewend (en kan dan bijvoorbeeld weer als
                    stimuleringsbijdrage gebruikt wanneer er zich een mogelijkheid voordoet om een
                    niet-woongebouw te verbouwen naar een woongebouw). </al><al>Voor diverse categorieën van woonruimte bedragen de grondkosten in de BRU-regio
                    (prijspeil 1 januari 2001), gemiddeld € 363,93 per m<sup>2</sup>. De
                    verwervingskosten van een bedrijfsgebouw bedragen gemiddeld € 1.032,80 per
                    m<sup>2</sup>. Het verschil tussen de gemiddelde grondkosten van een woongebouw
                    en de verwervingskosten van een bedrijfsgebouw bedraagt € 668,87 per
                    m<sup>2</sup>. </al><al>Dit verschil wordt als uitgangspunt genomen voor zowel het vaststellen van een
                    onrendabele top als voor een stimuleringsbijdrage. Echter, met een
                    functieverandering (van bedrijfsgebouw naar woongebouw) verkrijgt het onroerend
                    goed een meerwaarde die ten gunste komt van de eigenaar. Met een
                    waardevermeerdering wordt rekening gehouden bij het vaststellen van zowel het
                    compensatiebedrag als de stimuleringsbijdrage. </al><al>Omdat een waardevermeerdering sterk afhankelijk is van een aantal niet te
                    beïnvloeden variabelen (waaronder vraag, aanbod en prijs op de woningmarkt) en
                    hierdoor niet op voorhand al een juiste verdeelsleutel kan worden opgesteld die
                    bij conjunctuurveranderingen actueel blijft, wordt een bijdrage in de helft van
                    de onrendabele top als voldoende stimulering gezien. Factoren die de hoogte van
                    de financiële compensatie mede bepalen zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>gaat zelfstandige of onzelfstandige woonruimte verloren;</al></li><li nr="-"><al>blijft de woonruimte (gedeeltelijk) bestaan maar wordt deze naar een
                            ander segment van de woningmarkt gebracht;</al></li><li nr="-"><al>wordt de woonruimte tijdelijk of definitief onttrokken.</al></li></lijst><al>De verschillen in compensatiebedragen zijn dus het gevolg van de invloed die een
                    onttrekkingsmaatregel op de woningmarkt heeft. De compensatiebedragen worden
                    jaarlijks, per 1 juli, geïndexeerd met toepassing van het inflatiepercentage
                    (CPI 2007 is 1,6%; CPI 2008 is 2,5%; CPI 2009 is 1,2%; CPI 2010 is 1,3%; CPI
                    2011 is 2,3%) van het voorafgaande kalenderjaar.</al><al/></bijlage><bijlage><kop><titel>INHOUDSOPGAVE</titel></kop><al/><al>HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN……………………………………………………………………... 3</al><al/><al>HOOFDSTUK 2 VERDELING VAN WOONRUIMTE…………………………………………… 7</al><al>PARAGRAAF 2.1 Werkingsgebied…………………………………………………………….…… 7</al><al>PARAGRAAF 2.2 Huisvestingsvergunning…………………………………………………….….. 7</al><al>PARAGRAAF 2.3 Passendheidseisen voor huurwoningen …………………………………..… 9</al><al>PARAGRAAF 2.4 Inschrijving………………………………………………………………………. 10</al><al>PARAGRAAF 2.5 Urgentie………………………………………………………………………….. 12</al><al>PARAGRAAF 2.6 Toewijzing van woonruimte……………………………………………………. 16</al><al>PARAGRAAF 2.7 Standplaatsen voor een woonwagen……………………………………….… 18</al><al>PARAGRAAF 2.8 Organisatie en bevoegdheden………………………………………………… 19</al><al/><al>HOOFDSTUK 3 WIJZIGING SAMENSTELLING VAN DE WOONRUIMTEVOORRAAD….. 20</al><al>PARAGRAAF 3.1 Onttrekking, samenvoeging en omzetting……………………………………. 20</al><al>PARAGRAAF 3.2 Splitsing in appartementsrechten……………………………………………... 23</al><al>PARAGRAAF 3.3 Organisatie en bevoegdheden………………………………………………… 25</al><al/><al>HOOFDSTUK 4 VERDERE BEPALINGEN……………………………………………………... 26</al><al/><al>HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN……………………………………………………………. 27</al><al/><al/><al>BIJLAGE 1 ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING………………………………………… 28</al></bijlage></regeling></body></cvdr>