<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR250670_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregel locatiebeleid Stedelijk Gebied 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad 2011,31</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregel locatiebeleid Stedelijk Gebied 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, art. 4:81, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet ruimtelijke ordening, art. 4.2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet ruimtelijke ordening, art. 3.8, lid 6</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet ruimtelijke ordening, art. 3.11, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Invoeringswet Wet ruimtelijk ordening, art. 9.1.4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Invoeringswet Wet ruimtelijk ordening, art. 9.1.5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Invoeringswet Wet ruimtelijk ordening, art. 9.1.7</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Invoeringswet Wet ruimtelijk ordening, art. 9.1.10</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-08-23</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-10-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-10-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>intrekking</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Collegevoorstel HB 1175338</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>leefomgeving, ruimtelijke ordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Beleidsregel Locatiebeleid Stedelijk Gebied 2007.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregel locatiebeleid Stedelijk Gebied 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Gedeputeerde Staten van Flevoland,
Overwegende dat het wenselijk is om het locatiebeleid voor het stedelijk  gebied, zoals geformuleerd in het Omgevingsplan Flevoland 2006, nader  in te vullen om zodoende inzicht te verschaffen in het beleid dat wordt  gehanteerd bij de vestigingsmogelijkheden van bedrijven, kantoren en  voorzieningen,
dat hierbij wordt uitgegaan van een zodanige vestiging van bedrijven,  kantoren en voorzieningen, dat een optimale bijdrage wordt geleverd aan  de vitaliteit van steden en dorpen;
dat hiermee ook een bijdrage wordt geleverd aan het provinciale  verstedelijkingsbeleid gericht op versterking van de bestaande steden en  dorpen;
dat het wenselijk is hiervoor een beleidsregel vast te stellen, die  tevens invulling geeft aan het locatiebeleid uit de Nota Ruimte;</al><al>dat Gedeputeerde Staten een dergelijke beleidsregel  hebben uitgewerkt en daarmee nadere invulling geven aan de  uitgangspunten zoals die in het Omgevingsplan Flevoland 2006 staan  opgenomen;
dat deze beleidsregel aangeeft wanneer Gedeputeerde Staten zienswijzen  (als bedoeld in artikel 3.8 en 3.11 Wro) zullen indienen en voorts  wanneer Gedeputeerde Staten zullen overwegen om gebruik te maken van de  bevoegdheid:
- een aanwijzing te geven ten aanzien van nog vast te stellen  bestemmingsplannen als bedoeld in artikel 4.2 Wro (proactieve  aanwijzing)</al><al>- een aanwijzing te geven ten aanzien van  vastgestelde gemeentelijke bestemmingsplannen als bedoeld in artikel 3.8  lid 6 Wro (reactieve aanwijzing)</al><al>- een aanwijzing te geven ten aanzien van  gemeentelijke projectbesluiten als bedoeld in artikel 3.11 lid 2 juncto  artikel 3.8 lid 6 Wro (reactieve aanwijzing)
en van de bevoegdheden:</al><al>- tot goedkeuring van bestemmingsplannen als bedoeld  in artikel 9.1.4 Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening  (bestemmingsplannen waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd voor de  inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro),</al><al>- tot goedkeuring van een wijzigings- of  uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 9.1.5 Invoeringswet Wro  (wijzigings- of uitwerkingsplan waarvan het ontwerp ter inzage is gelegd  binnen een jaar na de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro),</al><al>- tot het afgeven van een verklaring van geen  bezwaar voor een vrijstelling als bedoeld in artikel 9.1.7 Invoeringswet  Wro (vrijstelling ex artikel 15 WRO waarvoor het verzoek is ingediend  voor de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro)</al><al>- tot het afgeven van een verklaring van geen  bezwaar voor een vrijstelling als bedoeld in artikel 9.1.10  Invoeringswet Wro (vrijstelling ex artikel 19 lid 1 of lid 2 WRO waarvan  het verzoek is ingediend voor de inwerkingtreding van de Invoeringswet  Wro)</al><al>dat onder 'ruimtelijk plan' in deze beleidsregel  wordt verstaan de hierboven aangeduide bestemmingsplannen en  projectbesluiten als bedoeld in de Wro en de bestemmingsplannen,  wijzigings- en uitwerkingsplannen en vrijstellingen als bedoeld in het  overgangsrecht van de Invoeringswet Wro;
dat deze beleidsregel inhoudelijk een voortzetting is van de beleidsregel Locatiebeleid Stedelijk gebied 2007;
dat gelet op het feit, dat geen inhoudelijke wijzigingen zijn  doorgevoerd, is afgezien van het opnieuw ter inzage leggen van deze  beleidsregel;
dat dit ook niet nodig is, omdat de ontwerp beleidsregel Locatiebeleid  Stedelijk Gebied 2007 met ingang van 30 oktober 2006 gedurende 6 weken  voor iedereen ter inzage heeft gelegen, de ontvankelijke zienswijzen bij  de vaststelling van de beleidsregel zijn afgewogen en de beleidsregel  in aangepaste vorm door Gedeputeerde Staten conform de destijds  opgestelde antwoordnota, waarin de zienswijzen in samengevatte vorm  waren opgenomen en de aanpassingen ten opzichte van het ontwerp van de  beleidsregel waren aangegeven, is vastgesteld op 24 april 2007;
Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht  (Awb) en de artikelen 4.2, 3.8 lid 6 en 3,11 lid 2 juncto 3.8 lid 6 van  de Wet ruimtelijke ordening alsmede de artikelen 9.1.4, 9.1.5, 9.1.7 en  9.1.10 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening, alsmede gelet op  het Omgevingsplan Flevoland 2006;
BESLUITEN:
Onder gelijktijdige intrekking van de op 24 april 2007 door Gedeputeerde  Staten vastgestelde beleidsregel 'Locatiebeleid Stedelijk Gebied 2007&#x92;,
vast te stellen de navolgende beleidsregel 'LOCATIEBELEID STEDELIJK GEBIED 2008&#x94;</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1. Inleiding</titel></kop><artikel><kop><titel> </titel></kop><al>In het Omgevingsplan Flevoland 2006  wordt met betrekking tot het provinciale locatiebeleid voor het  stedelijk gebied gestreefd naar een voldoende gedifferentieerd aanbod  van werklocaties in Flevoland, zodat er voor ieder bedrijf en instelling  een geschikte locatie gevonden kan worden.
Met dit locatiebeleid streeft de provincie naar een zodanige vestiging  van bedrijven, kantoren en voorzieningen, dat een optimale bijdrage  wordt geleverd aan de vitaliteit van steden en dorpen. Hiermee draagt  het bij aan het provinciale verstedelijkingsbeleid dat gericht is op  versterking van de bestaande steden en dorpen. Daarbij wordt de  ontwikkeling en identiteit in toenemende mate ontleend aan de positie  binnen de stedelijke en groenblauwe hoofdstructuren. De nadruk van  verdere stedelijke ontwikkelingen ligt op Almere en Lelystad. Dronten en  Emmeloord hebben vanwege hun ligging aan één van de ontwikkelingsassen  een (kleinere) opvangtaak. De overige kernen in Flevoland voorzien  primair in de opvang van de eigen behoefte.
De vestigingsmogelijkheden worden ingegeven door binnen een aantal  provinciale locatietypen een juiste balans te vinden in vier  doelstellingen:</al><lijst><li nr="-"><al> Versterking van de economische ontwikkeling van Flevoland;</al></li><li nr="-"><al> Beheersing van de mobiliteit door een goede bereikbaarheid per openbaar vervoer en fiets;</al></li><li nr="-"><al> Efficiënt gebruik van infrastructuur en vervoermiddelen;</al></li><li nr="-"><al> Verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid, waarbij het parkeerbeleid een belangrijk ondersteunend instrument is.</al></li></lijst><al>De provincie geeft in deze beleidsregel aan welke typen werklocaties  worden onderscheiden en welke vestigingsvoorwaarden (kantorenomvang,  bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid) daaraan worden  verbonden. De gemeenten zijn vervolgens verantwoordelijk voor de  concrete aanwijzing en uitwerking van de verschillende typen  werklocaties, door middel van een Gemeentelijke Visie op het  Vestigingsbeleid (GVV).</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2. Doel van de beleidsregel</titel></kop><artikel><kop><titel> </titel></kop><al>Met deze beleidsregel willen Gedeputeerde Staten aangeven op welke  wijze zij omgaan met de uitgangspunten zoals die in het Omgevingsplan  Flevoland 2006 zijn geformuleerd met betrekking tot het locatiebeleid  stedelijk gebied.</al><al>Indien niet voldaan is aan deze beleidsregel zullen Gedeputeerde  Staten overwegen zienswijzen in te dienen en voorts overwegen om:</al><lijst><li nr="a."><al> voor nog vast te stellen bestemmingsplannen een (proactieve) aanwijzing te geven,</al></li><li nr="b."><al> ten aanzien van een vastgesteld bestemmingsplan of projectbesluit een  (reactieve) aanwijzing te geven, die ertoe strekt, dat een onderdeel  van het plan of besluit geen deel daarvan blijft uitmaken,</al></li><li nr="c."><al> ten aanzien van een bestemmingsplan of uitwerkings- of wijzigingsplan  (art. 11 WRO), dat op grond van het overgangsrecht uit de Invoeringswet  Wro ter beoordeling aan GS wordt voorgelegd, goedkeuring te onthouden  wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening,</al></li><li nr="d."><al> ten aanzien van een te verlenen vrijstelling (art. 15 en art. 19  WRO), waarvoor op grond van het overgangsrecht uit de Invoeringswet Wro  een verklaring van geen bezwaar vereist is en waarvoor een goede  ruimtelijke onderbouwing noodzakelijk is, deze verklaring van geen  bezwaar te weigeren</al></li></lijst><al>Voor zover deze beleidsregel een begrenzing van oppervlaktes van  vestigingen bevat, geldt dit als een richtlijn voor de meest gewenste  situatie, waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3. Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><titel> </titel></kop><al>Bedrijf: Onderneming waarbij het accent ligt op het vervaardigen,  bewerken, installeren en verhandelen van goederen dan wel op het  bedrijfsmatig verlenen van diensten.</al><al>Bedrijfsvloeroppervlak (bvo): Het vloeroppervlak van de ruimten die  worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten, met inbegrip  van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.</al><al>Detailhandel: het bedrijfsmatig ter verkoop uitstallen en aanbieden  aan eindgebruikers/consumenten van artikelen die niet ter plaatse worden  geconsumeerd.</al><al>Hoofdwegennet: de regionale stroomwegen en de  gebiedsontsluitingswegen I in Flevoland. Deze categorisering is  opgenomen in het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan (onderdeel van het  Omgevingsplan Flevoland 2006).</al><al>Kantoor: Een ruimte die dient voor de uitoefening van  administratieve, boekhoudkundige c.q. financiële organisatorische en/of  zakelijke dienstverlening - niet zijnde detailhandel - zonder een  (publieksgerichte) baliefunctie.</al><al>Kantoorhoudendheidspercentage: het aandeel bvo dat ingesteld wordt  voor kantoorgebonden activiteiten bij (productie-, handels- en  transport-) bedrijven.</al><al>Locatieverzorgende voorzieningen: Voorzieningen die slechts een functie hebben voor de desbetreffende locatie.</al><al>Overige voorzieningen: Voorzieningen (niet zijnde detailhandel) met  een (boven)regionale betekenis en een grote publieksaantrekkende werking  die vanwege specifieke ruimtelijke eisen bij voorkeur worden gevestigd  in het specifieke werkmilieu 'voorzieningen'. Voorbeelden van dergelijke  voorzieningen zijn scholengemeenschappen en ziekenhuizen, maar ook  recreatieve voorzieningen en musea.</al><al>Stedelijke hoofdstructuur: Opgebouwd uit een noordelijke  ontwikkelingsas (Schiphol - Groningen) en een West-Oost as (Alkmaar -  Zwolle), waarvan de kernen Almere, Lelystad, Dronten en Emmeloord  onderdeel uitmaken.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4. Inhoud</titel></kop><artikel><kop><titel>4.1 Uitgangspunten voor de indeling in provinciale locatietypen</titel></kop><lid><lidnr>411</lidnr><al> Er zijn 7 provinciale locatietypen , die in de volgende  categorieën zijn te onderscheiden: centrummilieus, gemengde  woonwerkmilieus en specifieke werkmilieus. De locatietypen verschillen  in kantorenomvang (zelfstandige kantoren en kantoorhoudendheid van  bedrijven), ruimtelijke kwaliteit (functiemenging, ruimtegebruik en  beeldkwaliteit), bereikbaarheid (auto, openbaar vervoer en parkeren) en  leefbaarheid (tegengaan van onnodige milieuhinder). Bij de ontwikkeling  van werklocaties is het belangrijk dat optimaal wordt ingespeeld op deze  verschillende kenmerken zodat er voor ieder bedrijf een geschikte  locatie gevonden kan worden.</al></lid><lid><lidnr>412</lidnr><al> In centrummilieus vindt een concentratie van arbeids- en  bezoekersintensieve functies - zoals kantoren, winkels en andere  consumentgerichte en maatschappelijke voorzieningen - in combinatie met  wonen plaats. Tot centrummilieu behoren de hoofdcentra van de kernen (de  stationsomgeving en het gebied met het kernwinkelapparaat) en de  wijkcentra van grotere kernen. De locaties zijn over het algemeen  gelegen in de directe nabijheid van openbaarvervoersknooppunten.  Centrummilieus zijn daarnaast goed bereikbaar per auto door een goede  verbinding met het hoofdwegennet. Het parkeren vergt onder andere  omwille van een zorgvuldig ruimtegebruik een integrale afstemming op de  vraag vanuit de verschillende functies. Een restrictie van parkeren op  maaiveldniveau draagt hier tevens aan bij.</al></lid><lid><lidnr>413</lidnr><al> Gemengde woonwerkmilieus worden gevormd door aaneengesloten  stedelijke woonbebouwing. De woonfunctie is hier dominant, maar  individuele of clusters bedrijven, kantoren en voorzieningen zijn tevens  mogelijk. Deze milieus zijn geschikt voor kleinschalige werkfuncties  met een lokale betekenis, zodat milieuhinder en mobiliteit voor de  directe omgeving zoveel mogelijk worden beperkt.</al></lid><lid><lidnr>414</lidnr><al> Specifieke werkmilieus zijn bedoeld voor bedrijven, kantoren en  voorzieningen die qua schaal en functioneren (bijvoorbeeld milieuhinder,  externe veiligheid, omvangrijke goederenstromen, autosnelweg  ontsluiting) niet passen in centrummilieus en gemengde woonwerkmilieus.  Specifieke werkmilieus zijn goed bereikbaar per (vracht)auto en  veroorzaken daarbij zo min mogelijk overlast voor de directe omgeving .  Een goede verbinding met het hoofdwegennet is daarom belangrijk. Het  autoverkeer moet zo snel en veilig mogelijk op het hoofdwegennet kunnen  komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><titel>4.2 Algemene criteria in het kader van het locatiebeleid</titel></kop><al>De motivering die aan een bestemmingsplan of projectbesluit als  bedoeld in de Wro of aan een bestemmingsplan of uitwerkings- of  wijzigingsplan als bedoeld in de Invoeringswet Wro ten grondslag ligt en  de ruimtelijke onderbouwing voor een vrijstelling als bedoeld in de  Invoeringswet Wro dient bij voorkeur opgenomen te worden in een  Gemeentelijke Visie op het Vestigingsbeleid (GVV) voor zover een  ruimtelijk plan betrekking heeft op werklocaties in het stedelijk gebied  (Het stedelijk gebied als bedoeld in het Omgevingsplan Flevoland  2006.)?van de gemeente. Daarbij houden gemeenten het volgende aan:</al><lijst><li nr="a."><al> Voor de huidige en toekomstige werklocaties wordt in het plan  beschreven tot welke provinciale locatietype(n) deze worden gerekend;</al></li><li nr="b."><al> Per locatie wordt binnen het provinciale locatietype aangegeven welke typen bedrijven er gevestigd kunnen worden;</al></li><li nr="c."><al> De voorgestelde locatietype(n) en de hierbinnen bestaande en geplande  omvang van de bedrijvigheid passen binnen het Omgevingsplan Flevoland  2006 en de uitwerking hiervan in de meest actuele Strategische Visie op  Werklocaties Flevoland (Indien blijkt dat door veranderende  marktomstandigheden de geplande omvang van bedrijvigheid niet meer  conform de behoefte is, wordt de Strategische Visie op dit onderdeel  herzien.)die een doorkijk geeft naar de komende 10 jaar en gemiddeld om  de 3 à 4 jaar wordt herzien;</al></li><li nr="d."><al> Als een gemeente voor een locatie geheel of gedeeltelijk wil overgaan  tot een ander type bedrijvigheid dan in een eerder vastgesteld plan is  mogelijk gemaakt, dan wordt in het ruimtelijk plan ingegaan op de  noodzaak, de gevolgen voor het aanbod voor het oorspronkelijke type  bedrijvigheid en eventuele compensatie hiervan;</al></li><li nr="e."><al> Het provinciale locatietype en de hierbinnen bestaande en/ of  geplande omvang van de bedrijvigheid, zoals bedoeld in de Provinciale  Strategische Visie op Werklocaties, is afgestemd op de situatie in de  Flevolandse gemeenten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>4.3 Specifieke criteria voor de provinciale locatietypen</titel></kop><al><vet>Categorie 1: centrummilieus</vet></al><al><vet>4.3.1 Grootstedelijke centrummilieus</vet></al><al>De grootstedelijke centrummilieus zijn gelegen in de hoofdcentra van  Almere (Stad, Poort en Buiten) en Lelystad in de directe nabijheid van  een sneltreinstation. Deze locaties zijn zeer geschikt voor grote  kantoren, baliefuncties en (boven)regionale voorzieningen. Er is sprake  van een intensieve functiemenging van kantoren, voorzieningen en wonen  en een hoge bebouwingsdichtheid.</al><al>Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit geldt:</al><lijst><li nr="-"><al> dat het parkeren ruimtelijk efficiënt wordt opgelost door bij  voorkeur het parkeren op maaiveld in deze milieus zoveel mogelijk tegen  te gaan.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de bereikbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="a."><al> dat arbeids- en bezoekersintensieve functies in de directe  nabijheid van een sneltreinstation zijn gelegen. Indicatief wordt  hiervoor een maximale afstand van 1.000 meter tot het station opgenomen;</al></li><li nr="b."><al> dat er een goede ontsluiting per trein is, waarbij er sprake is van  minimaal 4 treinverbindingen per uur per richting en een frequente  ontsluiting met het stads- en streekvervoer;</al></li><li nr="c."><al> dat voor een adequate auto-ontsluiting er een goede verbinding met het hoofdwegennet is;</al></li><li nr="d."><al> dat er een goede fietsontsluiting is, die de woongebieden en de werkgebieden rechtstreeks met elkaar verbindt;</al></li><li nr="e."><al> dat een maximum parkeernorm op eigen terrein wordt gehanteerd. Indicatief wordt hierbij uitgegaan van 1:60 m2 bvo;</al></li><li nr="f."><al> dat inzichtelijk gemaakt wordt dat op gebiedsniveau de parkeercapaciteit voldoende is.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van leefbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="-"><al> dat er sprake is van een zodanige kwalitatieve inrichting en  architectonische vormgeving waardoor zowel gevoelsmatig als  daadwerkelijk een veilige omgeving bereikt wordt.</al></li></lijst><al><vet>4.3.2 Overige centrummilieus</vet></al><al>De overige centrummilieus zijn de centra van kernen met meer dan  15.000 inwoners (Voor de kleine kernen met minder dan 15.000 inwoners  wordt in het gemeentelijk beleid maatwerk geleverd.), locaties bij een  regionaal ontsloten openbaarvervoersknooppunt of locaties nabij haltes  van de vrije busbaan in Almere. De locaties zijn geschikt voor kleine  tot middelgrote kantoren (waarbij indicatief gedacht wordt aan maximaal  1.500 m2 bvo) en lokale of regionale (afhankelijk van de positie in de  stedelijke hoofdstructuur) voorzieningen.</al><al>Ten aanzien van de bereikbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="a."><al> dat er sprake is van een zodanige ontsluiting met het openbaar  vervoer, dat de locaties in de directe nabijheid van een openbaar  vervoer knooppunt zijn gelegen (m.u.v. het centrum van Urk) en dat het  in de spits gaat om minimaal 2 busverbindingen per uur per  hoofdrichting;</al></li><li nr="b."><al> dat de gemeente motiveert hoe de potenties voor openbaar vervoer optimaal benut worden;</al></li><li nr="c."><al> dat er een goede fietsontsluiting is, die de woongebieden en de werkgebieden rechtstreeks met elkaar verbindt;</al></li><li nr="d."><al> dat inzichtelijk gemaakt wordt dat in het centrumgebied en de directe omgeving hiervan, de parkeercapaciteit voldoende is.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van leefbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="-"><al> dat er sprake is van een zodanige kwalitatieve inrichting en  architectonische vormgeving waardoor zowel gevoelsmatig als  daadwerkelijk een veilige omgeving bereikt wordt.</al></li></lijst><al><vet>Categorie 2: gemengde woonwerkmilieus</vet></al><al><vet>4.3.3 Gemengde woonwerkmilieus</vet></al><al>Gemengde woonwerkmilieus zijn geschikt voor individuele of clusters  van bedrijven, kantoren en voorzieningen in combinatie met de  woonfunctie. Deze milieus zijn bedoeld voor kleinschalige werkfuncties  met een lokale betekenis, zodat milieuhinder en mobiliteit voor de  directe omgeving zoveel mogelijk worden beperkt.</al><al>Ten aanzien van de kantorenomvang geldt:</al><lijst><li nr="a."><al> dat op kavelniveau (Voor de omvang van de kantoorhoudendheid op  kavelniveau is het bebouwingspercentage op kavelniveau leidend.) 100%  kantoorhoudendheid is toegestaan, onder de voorwaarde dat hiervoor  maximaal 25% van het bebouwde gebied binnen het aangewezen  woonwerkmilieu wordt gebruikt;</al></li><li nr="b."><al> dat het individuele kantoorpand een maximum omvang van 1500 m2 bvo  heeft om (milieu en verkeer) hinder voor de directe omgeving zoveel  mogelijk te voorkomen.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de bereikbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="a."><al> dat geclusterde werkfuncties zoveel mogelijk in de directe  nabijheid van een (gemeentelijke) hoofdontsluitingsweg gelegen zijn om  overlast voor de omgeving tegen te gaan;</al></li><li nr="b."><al> dat er een goede fietsontsluiting is, die de woongebieden en de werkgebieden rechtstreeks met elkaar verbindt;</al></li><li nr="c."><al> dat het parkeren op eigen terrein danwel op gedeelde parkeerterreinen  plaatsvindt, om te voorkomen dat het parkeren wordt afgewenteld op de  omgeving.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de leefbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="-"><al> dat er door middel van milieuzonering sprake moet zijn van een  goede milieuhygiënische inpassing van bedrijven. Bedrijven die voorkomen  in de (milieu)categorieën 4 en 5 van de VNG-bedrijvenstaat (opgenomen  in de uitgave "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van  Nederlandse Gemeenten (VNG)) zijn uitgesloten.</al></li></lijst><al><vet>Categorie 3: specifieke werkmilieus</vet></al><al><vet>4.3.4 Kantorenmilieu</vet></al><al>Om flexibel in te spelen op trends en ontwikkelingen in de markt is  het onder bepaalde voorwaarden mogelijk om buiten centrummilieus en  gemengde woonwerkmilieus werklocaties voor zelfstandige kantoren te  ontwikkelen, in zogenaamde kantorenmilieus. Het kantorenmilieu betreft  een apart hiervoor bestemde zone op een regulier bedrijventerrein dan  wel een specifieke locatie in de directe nabijheid van de snelweg.</al><al>Ten aanzien van de kantorenomvang geldt:</al><lijst><li nr="a."><al> dat kantoren op een kantorenzone van een regulier bedrijventerrein  slechts zijn toegestaan indien aangetoond kan worden dat binnen de  planperiode op de centrummilieus en gemengde woonwerkmilieus geen of  onvoldoende ruimte beschikbaar is (of kan komen), of dat er een  functionele relatie met het bedrijventerrein bestaat. In de gemeente  Dronten wordt het mogelijk te anticiperen op de aanleg van een  treinstation (Hanzelijn) door in de directe nabijheid van deze  stationslocatie een kantorenmilieu te ontwikkelen;</al></li><li nr="b."><al> dat de omvang van de kantorenlocatie past bij de aard en omvang van  de kern volgens de positie van de kernen binnen de stedelijke  hoofdstructuur.</al></li><li nr="c."><al> dat op kantorenlocaties in de directe nabijheid van de snelweg  slechts kantoren zijn toegestaan die gekenmerkt worden door een hoge  autoafhankelijkheid. De gemeente neemt deze eis inzake  autoafhankelijkheid op in de voorschriften van het bestemmingsplan;</al></li><li nr="d."><al> dat andere bedrijven dan zelfstandige kantoren niet zijn toegestaan, tenzij het gaat om locatieverzorgende voorzieningen.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit geldt:</al><lijst><li nr="-"><al> dat een beeldkwaliteitsplan wordt toegevoegd aan een ruimtelijk  plan voor een kantorenlocatie grenzend aan de snelweg of provinciale  weg.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de bereikbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="a."><al> dat op eigen terrein en/ of op gemeenschappelijke parkeervoorzieningen wordt geparkeerd;</al></li><li nr="b."><al> dat voor kantorenlocaties langs de snelweg gemotiveerd wordt dat de  auto-ontsluiting voldoende is, aangezien de directe nabijheid van een  afrit van de snelweg noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van de  gevestigde/ te vestigen bedrijven;</al></li><li nr="c."><al> dat de locaties minimaal 2 keer per uur per richting in de spits met  openbaar vervoer worden ontsloten. De gemeente zal motiveren hoe de  potenties voor openbaar vervoer optimaal benut worden;</al></li><li nr="d."><al> dat er een goede fietsontsluiting is, die de woongebieden en de werkgebieden rechtstreeks met elkaar verbindt.</al></li></lijst><al><vet>4.3.5 Het voorzieningenmilieu</vet></al><al>Het voorzieningenmilieu is een specifieke locatie dan wel een zone op een regulier bedrijventerrein,
waarvoor geldt dat menging met voorzieningen (waaronder reguliere detailhandelsvestigingen) in
centrummilieus vanwege de aard en/ of omvang ervan ongewenst wordt  geacht. Binnen het voorzieningenmilieu wordt een onderscheid gemaakt in:</al><lijst><li nr="-"><al> Concentraties van grootschalige detailhandel met een bovenlokale  betekenis en een grote publieksaantrekkende werking. De kernen met een  (boven)regionale verzorgingsfunctie zijn geschikt om dergelijke  voorzieningen te ontwikkelen, mits hierover afstemming tussen gemeenten  heeft plaatsgevonden. Vanwege de diversiteit van potentiële  voorzieningen in dit milieu is bij de locatiekeuze maatwerk vereist.</al></li><li nr="-"><al> Perifere detailhandelsvoorzieningen die vanwege specifieke ruimtelijke  eisen (omvang en milieuhinder) moeilijk inpasbaar zijn in bestaande  winkelgebieden. Het gaat hierbij om voorzieningen in de volgende  branches:</al></li><li nr="-"><al> brand- en explosiegevaarlijke detailhandel</al></li><li nr="-"><al> volumineuze detailhandel: zoals auto's, boten, motoren, fietsen,  caravans, tenten, landbouwwerktuigen, grove bouwmaterialen, keukens,  bruin- en witgoed, sanitair/badkamers en daarmee rechtstreeks  samenhangende artikelen, zoals accessoires, onderdelen en  onderhoudsmiddelen;</al></li><li nr="-"><al> woninginrichting, w.o. meubelen</al></li><li nr="-"><al> tuincentra</al></li><li nr="-"><al> bouwmarkten.</al></li><li nr="-"><al> Overige voorzieningen (niet zijnde detailhandel) met een  (boven)regionale betekenis en een grote publieksaantrekkende werking die  vanwege specifieke ruimtelijke eisen (mobiliteit, omvang, milieuhinder)  moeilijk inpasbaar zijn in centrummilieus. De kernen met een  (boven)regionale verzorgingsfunctie zijn geschikt om dergelijke  voorzieningen te ontwikkelen. Voorbeelden zijn scholengemeenschappen of  ziekenhuizen, maar ook recreatieve voorzieningen en musea.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit geldt:</al><lijst><li nr="a."><al> dat er bij concentraties van grootschalige detailhandel sprake is  van een minimale omvang per winkelvestiging (gedacht wordt aan 1.500 m²  bvo per winkelvestiging) waardoor een duidelijk onderscheid wordt  gemaakt tussen de relatief kleinschalige winkelfuncties waarvoor het  centrummilieu een geschikte locaties vormt en de meer grootschalige  winkels die vanwege de omvang en functie vaak beter passen op een  locatie buiten het centrummilieu;</al></li><li nr="b."><al> dat grootschalige detailhandel met een bovenlokale functie/reikwijdte  dient aan te sluiten bij bestaande detailhandelsconcentraties. Clusters  van grootschalige detailhandelsvoorzieningen (eventueel in combinatie  met leisure) kunnen alleen worden geconcentreerd in Almere en Lelystad.  De concentratie van grootschalige detailhandel mag geen ontwrichting van  de detailhandelsstructuur tot gevolg hebben. Dit zal op basis van een  onderzoek aangetoond moeten worden;</al></li><li nr="c."><al> dat bij de locatiekeuze zoveel mogelijk gestreefd moet worden naar  een complementaire detailhandelsstructuur met een synergie tussen de  bestaande detailhandelsvestigingen in het centrummilieu en de nieuw te  ontwikkelen detailhandelsvestigingen hierbuiten;</al></li><li nr="d."><al> dat een beeldkwaliteitsplan dient te worden toegevoegd aan een  ruimtelijk plan voor een werklocatie grenzend aan de snelweg of  provinciale weg.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de bereikbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="a."><al> dat bij grootschalige detailhandelsconcentraties en overige  voorzieningen sprake is van een zodanige ontsluiting met het openbaar  vervoer, dat de locaties in de directe nabijheid van een openbaar  vervoer knooppunt zijn gelegen en dat er in de spits sprake is van  minimaal 2 busverbindingen per uur per hoofdrichting;</al></li><li nr="b."><al> dat voor een adequate auto-ontsluiting er een goede verbinding met het hoofdwegennet is;</al></li><li nr="c."><al> dat er een goede fietsontsluiting is, die de woongebieden en de werkgebieden rechtstreeks met elkaar verbindt;</al></li><li nr="d."><al> dat het parkeren op eigen terrein dan wel op gedeelde  parkeerterreinen plaats dient te vinden, om te voorkomen dat het  parkeren wordt afgewenteld op de omgeving.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de leefbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="-"><al> dat er sprake moet zijn van een goede milieuhygiënische inpassing (zonering) van bedrijven.</al></li></lijst><al><vet>4.3.6 Reguliere bedrijventerreinen</vet></al><al>Reguliere bedrijventerreinen zijn specifieke locaties bedoeld voor de vestiging van bedrijven.</al><al>Ten aanzien van de kantorenomvang geldt:</al><lijst><li nr="-"><al> dat maximaal 50% kantoorhoudendheid op kavelniveau is toegestaan,  met uitzondering van een aan te geven (hoogwaardige) zone op het  bedrijventerrein waarvoor een maximum kantoorhoudendheid van 70% op  kavelniveau geldt, mits dit milieuhygiënisch kan worden ingepast.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit geldt:</al><lijst><li nr="-"><al> dat een beeldkwaliteitsplan wordt toegevoegd aan een ruimtelijk  plan voor een werklocatie grenzend aan de snelweg of provinciale weg.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de bereikbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="a."><al> dat het parkeren op eigen terrein danwel op gedeelde  parkeerterreinen plaatsvindt, om te voorkomen dat het parkeren wordt  afgewenteld op de omgeving;</al></li><li nr="b."><al> dat een bedrijvenzone waar een maximum percentage kantoorhoudendheid  van 70% op kavelniveau wordt gehanteerd, minimaal 2 keer per uur per  richting in de spits met openbaar vervoer wordt ontsloten. De gemeente  motiveert hoe de potenties voor openbaar vervoer optimaal benut worden;</al></li><li nr="c."><al> dat voor een adequate auto-ontsluiting er een goede verbinding met het hoofdwegennet is;</al></li><li nr="d."><al> dat er een goede fietsontsluiting is, die bij voorkeur de woongebieden en de werkgebieden rechtstreeks met elkaar verbindt.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de leefbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="-"><al> dat bedrijven toelaatbaar zijn die genoemd staan in de categorie 1,  2 en 3 van de VNG-bedrijvenstaat. Om onderscheid te maken met  centrummilieus en gemengde woonwerkmilieus ligt bij bedrijfsvestiging de  voorkeur op categorie 3.</al></li></lijst><al><vet>4.3.7 Industrieterreinen</vet></al><al>Industrieterreinen zijn specifieke locaties, dan wel gezoneerde  locaties op een regulier bedrijventerrein, gericht op de vestiging van  bedrijven uit de hoogste (milieu)categorieën van de VNG-bedrijvenstaat.</al><al>Ten aanzien van de kantorenomvang geldt:</al><lijst><li nr="-"><al> dat in principe maximaal 30% kantoorhoudendheid op kavelniveau is  toegestaan met het doel dat er zo min mogelijke beperkingen worden  opgelegd aan milieuruimte behoevende bedrijven op aangrenzende kavels.  Bij een inwaartse zonering van het industrieterrein (waarbij sprake is  van een gedifferentieerd gebruik naar milieucategorieën) is 50%  kantoorhoudendheid op kavelniveau toegestaan, indien de vestiging van  dergelijke bedrijven geen beperkingen oplegt aan de vestiging van  bedrijven die voorkomen in de (milieu)categorieën 4 en 5 van de  VNG-bedrijvenstaat.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van het aspect ruimtelijke kwaliteit geldt:</al><lijst><li nr="-"><al> dat een beeldkwaliteitsplan wordt toegevoegd aan een ruimtelijk  plan voor een werklocatie grenzend aan de snelweg of provinciale weg.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de bereikbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="a."><al> dat het parkeren op eigen terrein dan wel op gedeelde  parkeerterreinen plaatsvindt, om te voorkomen dat het parkeren wordt  afgewenteld op de omgeving;</al></li><li nr="b."><al> dat voor een adequate (vracht)auto-ontsluiting er een goede verbinding met het hoofdwegennet is;</al></li><li nr="c."><al> dat er een goede fietsontsluiting is, die de woongebieden en de werkgebieden rechtstreeks met elkaar verbindt.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de leefbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="a."><al> dat slechts bedrijven toelaatbaar zijn die genoemd staan in de  categorie 3, 4 en 5 van de VNG-bedrijvenstaat. Om onderscheid te maken  met reguliere bedrijventerreinen ligt bij bedrijfsvestiging de voorkeur  op categorie 4 en 5. Andere bedrijvigheid (met uitzondering van  locatieverzorgende voorzieningen) is uitgesloten op een  industrieterrein;</al></li><li nr="b."><al> dat zowel in Noordelijk Flevoland (de gemeenten Noordoostpolder en  Urk), Oostelijk Flevoland als in Zuidelijk Flevoland minimaal 1  bedrijventerrein (of een zone op een regulier bedrijventerrein)  beschikbaar is voor de vestiging van bedrijven voorkomend in de  categorie 3, 4 en 5 van de VNG-bedrijvenstaat.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5. Ingangsdatum</titel></kop><artikel><kop><titel> </titel></kop><al>Deze beleidsregel treedt in werking op 1 juli 2008.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6. Citeerartikel</titel></kop><artikel><kop><titel> </titel></kop><al>Deze beleidsregel wordt aangehaald als 'Beleidsregel Locatiebeleid Stedelijk Gebied 2008&#x93;.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de vergadering van Gedeputeerde Staten van 17 juni 2008, secretaris en voorzitter</ondertekening><ondertekening> </ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>