<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidop="http://standaarden.overheid.nl/oep/meta/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export1.6--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR250644_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregel locatiebeleid stedelijk gebied 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:creator><dcterms:modified>2011-10-25</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Provincie">Flevoland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Provinciaal Blad 2011,31</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregel locatiebeleid stedelijk gebied 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, art. 4:81, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet ruimtelijke ordening, art. 4.2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet ruimtelijke ordening, art. 3.8, lid 6</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet ruimtelijke ordening, art. 3.11, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening, art. 9.1.4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening, art, 9.1.5</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening, art. 9.1.7</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Invoeringswet Wet ruimtelijke ordening, art. 9.1.10</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Omgevingsplan Flevoland 2006;</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanProvincie">gedeputeerde staten</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2011-08-23</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-10-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2024-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Collegevoorstel HB 1175338</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>leefomgeving, ruimtelijke ordening</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Beleidsregel locatiebeleid stedelijk gebied 2008.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Beleidsregel locatiebeleid stedelijk gebied 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Beleidsregel locatiebeleid stedelijk gebied 2011</al><al>Gedeputeerde Staten van Flevoland,</al><al>
Overwegende dat het wenselijk is om het locatiebeleid voor het stedelijk   gebied, zoals geformuleerd in het Omgevingsplan Flevoland 2006, nader   in te vullen om zodoende inzicht te verschaffen in het beleid dat wordt   gehanteerd bij de vestigingsmogelijkheden van bedrijven, kantoren en   voorzieningen,</al><al>dat hierbij wordt uitgegaan van een zodanige   vestiging van bedrijven, kantoren en voorzieningen, dat een optimale   bijdrage wordt geleverd aan de vitaliteit van steden en dorpen;</al><al>dat hiermee ook een bijdrage wordt geleverd aan het   provinciale verstedelijkingsbeleid gericht op versterking van de   bestaande steden en dorpen;</al><al>dat het wenselijk is hiervoor een beleidsregel vast   te stellen, die tevens invulling geeft aan het locatiebeleid uit de  Nota  Ruimte;</al><al>dat Gedeputeerde Staten een dergelijke beleidsregel   hebben uitgewerkt en daarmee nadere invulling  geven aan de   uitgangspunten zoals die in het Omgevingsplan Flevoland 2006 staan   opgenomen;</al><al>
dat deze beleidsregel aangeeft wanneer Gedeputeerde Staten zienswijzen   (als bedoeld in artikel 3.8 en 3.11 Wro) zullen indienen en voorts   wanneer Gedeputeerde Staten zullen overwegen om gebruik te maken van de   bevoegdheid:
•	een aanwijzing te geven ten aanzien van nog vast te stellen   bestemmingsplannen als bedoeld in artikel 4.2 Wro (proactieve   aanwijzing)</al><al>•	een aanwijzing te geven ten  aanzien van  vastgestelde gemeentelijke bestemmingsplannen als bedoeld in  artikel  3.8 lid 6 Wro (reactieve aanwijzing)</al><al>• 	een aanwijzing te geven ten aanzien van  gemeentelijke projectbesluiten  als bedoeld in artikel 3.11 lid 2 juncto  artikel 3.8 lid 6 Wro  (reactieve aanwijzing)</al><al>•	verklaring van  geen bedenkingen in het kader van  omgevingsvergunning waarbij van het  bestemmingsplan wordt afgeweken als  bedoeld in de Wabo. 
en van de bevoegdheden:</al><al>•	tot goedkeuring  van bestemmingsplannen als  bedoeld in artikel 9.1.4 Invoeringswet Wet  ruimtelijke ordening  (bestemmingsplannen waarvan het ontwerp ter inzage  is gelegd voor de  inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro),</al><al>• 	tot goedkeuring van een wijzigings- of  uitwerkingsplan als bedoeld in  artikel 9.1.5 Invoeringswet Wro  (wijzigings- of uitwerkingsplan waarvan  het ontwerp ter inzage is  gelegd binnen een jaar na de inwerkingtreding  van de Invoeringswet  Wro),</al><al>•	tot het  afgeven van een verklaring van geen  bezwaar voor een vrijstelling als  bedoeld in artikel 9.1.7  Invoeringswet Wro (vrijstelling ex artikel 15  WRO waarvoor het verzoek  is ingediend voor de inwerkingtreding van de  Invoeringswet Wro)</al><al>•	tot het afgeven van  een verklaring van geen  bezwaar voor een vrijstelling als bedoeld in  artikel 9.1.10  Invoeringswet Wro (vrijstelling ex artikel 19 lid 1 of  lid 2 WRO  waarvan het verzoek is ingediend voor de inwerkingtreding van  de  Invoeringswet Wro)</al><al>dat onder “ruimtelijk plan” in deze beleidsregel   wordt verstaan de hierboven aangeduide bestemmingsplannen en   projectbesluiten als bedoeld in de Wro, de bestemmingsplannen,   wijzigings- en uitwerkingsplannen en vrijstellingen als bedoeld in het   overgangsrecht van de Invoeringswet Wro en de onder afwijking van het   bestemmingsplan te verlenen omgevingsvergunningen;</al><al>dat deze beleidsregel inhoudelijk een actualisering en uitbreiding is van de Beleidsregel locatiebeleid stedelijk gebied 2008;</al><al>dat de ontwerp Beleidsregel locatiebeleid stedelijk   gebied 2011 met ingang van vrijdag 29 april tot en met donderdag 9 juni   2011gedurende 6 weken voor iedereen ter inzage heeft gelegen;</al><al>dat van de geboden gelegenheid om zienswijzen in te dienen wel gebruik is gemaakt;</al><al>dat dit is gebeurd binnen de daarvoor gestelde termijn zodat reclamanten in deze ontvankelijk kunnen worden verklaard;</al><al>dat de zienswijzen in samengevatte vorm zijn opgenomen in een antwoordnota en voorzien zijn van
nader commentaar en conclusie, waarmee inhoudelijk kan worden ingestemd;</al><al>dat één zienswijze op basis van de conclusies   aanleiding geeft wijziging aan te brengen in de ontwerp Beleidsregel   locatiebeleid stedelijk gebied 2011;</al><al>dat met inachtneming van de in de antwoordnota opgenomen conclusies en hetgeen hiervoor
is gesteld, de beleidsregel thans in aangepaste vorm kan worden vastgesteld;</al><al>Gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene   wet bestuursrecht (Awb) en de artikelen 4.2, 3.8 lid 6  en  3,11 lid 2   juncto 3.8 lid 6 van de Wet ruimtelijke ordening alsmede de artikelen   9.1.4, 9.1.5,  9.1.7 en 9.1.10 van de Invoeringswet Wet ruimtelijke   ordening, alsmede gelet op het Omgevingsplan Flevoland 2006;</al><al>
BESLUITEN:</al><al>Onder gelijktijdige intrekking van de op van 17 juni   2008 door Gedeputeerde Staten vastgestelde beleidsregel ‘Locatiebeleid   Stedelijk Gebied 2008’,</al><al>vast te stellen de navolgende beleidsregel “LOCATIEBELEID STEDELIJK GEBIED 2011”</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><titel>1.	Inleiding</titel></kop><artikel><kop><titel> </titel></kop><al>In het Omgevingsplan Flevoland 2006 wordt met betrekking tot het   provinciale locatiebeleid voor het stedelijk gebied gestreefd naar een   voldoende gedifferentieerd aanbod van werklocaties in Flevoland, zodat   er voor ieder bedrijf en instelling een geschikte locatie gevonden kan   worden. 
Met dit locatiebeleid streeft de provincie naar een zodanige vestiging   van bedrijven, kantoren en voorzieningen, dat een optimale bijdrage   wordt geleverd aan de vitaliteit van steden en dorpen. Hiermee draagt   het bij aan het provinciale verstedelijkingsbeleid dat gericht is op   versterking van de bestaande steden en dorpen. Daarbij wordt de   ontwikkeling en identiteit in toenemende mate ontleend aan de positie   binnen de stedelijke en groenblauwe hoofdstructuren. De nadruk van   verdere stedelijke ontwikkelingen ligt op Almere en Lelystad. Dronten en   Emmeloord hebben vanwege hun ligging aan één van de ontwikkelingsassen   een (kleinere) opvangtaak. De overige kernen in Flevoland voorzien   primair in de opvang van de eigen behoefte.
De vestigingsmogelijkheden worden ingegeven door binnen een aantal   provinciale locatietypen een juiste balans te vinden in vier   doelstellingen:</al><lijst><li nr="•"><al>	Versterking van de economische ontwikkeling van Flevoland;</al></li><li nr="•"><al>	Beheersing van de mobiliteit door een goede bereikbaarheid per openbaar vervoer en fiets;</al></li><li nr="•"><al>	Efficiënt gebruik van infrastructuur en vervoermiddelen;</al></li><li nr="•"><al>	Verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid, waarbij het parkeerbeleid een belangrijk ondersteunend instrument is.</al></li></lijst><al>De provincie geeft in deze beleidsregel aan welke typen werklocaties   worden onderscheiden en welke vestigingsvoorwaarden (kantorenomvang,   bereikbaarheid, ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid) daaraan worden   verbonden. De gemeenten zijn vervolgens verantwoordelijk voor de   concrete aanwijzing en uitwerking van de verschillende typen   werklocaties, door middel van een Gemeentelijke Visie op het   Vestigingsbeleid (GVV).</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>2.	Doel van de beleidsregel</titel></kop><artikel><kop><titel> </titel></kop><al>Met deze beleidsregel willen  Gedeputeerde Staten aangeven op welke  wijze zij omgaan met de  uitgangspunten zoals die in het Omgevingsplan  Flevoland 2006 zijn  geformuleerd met betrekking tot het locatiebeleid  stedelijk gebied.</al><al>Indien niet voldaan is aan deze beleidsregel zullen Gedeputeerde   Staten overwegen zienswijzen in te dienen en voorts overwegen om:</al><lijst><li nr="a."><al>	voor nog vast te stellen bestemmingsplannen een (proactieve) aanwijzing te geven,</al></li><li nr="b."><al>	ten aanzien van een vastgesteld  bestemmingsplan of projectbesluit een  (reactieve) aanwijzing te geven,  die ertoe strekt, dat een onderdeel  van het plan of besluit geen deel  daarvan blijft uitmaken,</al></li><li nr="c."><al>	ten aanzien van een bestemmingsplan  of uitwerkings- of wijzigingsplan  (art. 11 WRO), dat op grond van het  overgangsrecht uit de Invoeringswet  Wro ter beoordeling aan GS wordt  voorgelegd, goedkeuring te onthouden  wegens strijd met een goede  ruimtelijke ordening,</al></li><li nr="d."><al>	ten aanzien van een te verlenen  vrijstelling (art. 15 en art. 19  WRO), waarvoor op grond van  het  overgangsrecht uit de Invoeringswet Wro  een verklaring van geen bezwaar  vereist is en waarvoor een goede  ruimtelijke onderbouwing noodzakelijk  is, deze verklaring van geen  bezwaar te weigeren</al></li></lijst><al>Voor zover deze beleidsregel een begrenzing van oppervlaktes van   vestigingen bevat, geldt dit als een richtlijn voor de meest gewenste   situatie, waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>3.	Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><titel> </titel></kop><al>Bedrijf: Onderneming waarbij het  accent ligt op het vervaardigen,  bewerken, installeren en verhandelen  van goederen dan wel op het  bedrijfsmatig verlenen van diensten.
Bedrijfsvloeroppervlak (bvo): Het vloeroppervlak van de ruimten die   worden of kunnen worden gebruikt voor bedrijfsactiviteiten, met inbegrip   van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.</al><al>Detailhandel: het bedrijfsmatig ter verkoop uitstallen en aanbieden   aan eindgebruikers/consumenten van artikelen die niet ter plaatse worden   geconsumeerd.</al><al>Hoofdwegennet: de regionale stroomwegen en de   gebiedsontsluitingswegen I in Flevoland. Deze categorisering is   opgenomen in het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan (onderdeel van het   Omgevingsplan Flevoland 2006).</al><al>Kantoor: Een ruimte die dient voor de uitoefening van   administratieve, boekhoudkundige c.q. financiële organisatorische en/of   zakelijke dienstverlening – niet zijnde detailhandel – zonder een   (publieksgerichte) baliefunctie.
Kantoorhoudendheidspercentage: het aandeel bvo dat ingesteld wordt voor   kantoorgebonden activiteiten bij (productie-, handels- en transport-)   bedrijven.</al><al>Locatieverzorgende voorzieningen: Voorzieningen die slechts een functie hebben voor de desbetreffende locatie.</al><al>Overige voorzieningen: Voorzieningen (niet zijnde detailhandel) met   een (boven)regionale betekenis en een grote publieksaantrekkende werking   die vanwege specifieke ruimtelijke eisen bij voorkeur worden gevestigd   in het specifieke werkmilieu ‘voorzieningen’. Voorbeelden van  dergelijke  voorzieningen zijn scholengemeenschappen en ziekenhuizen,  maar ook  recreatieve voorzieningen en musea.</al><al>Stedelijke hoofdstructuur: Opgebouwd uit een noordelijke   ontwikkelingsas (Schiphol – Groningen) en een West-Oost as (Alkmaar –   Zwolle), waarvan de kernen Almere, Lelystad, Dronten en Emmeloord   onderdeel uitmaken.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>4.	Inhoud</titel></kop><paragraaf><kop><titel>4.1	Uitgangspunten voor de indeling in provinciale locatietypen</titel></kop><artikel><kop><titel>4.1.1</titel></kop><al>Er zijn 7 provinciale locatietypen, die in de volgende categorieën  zijn  te onderscheiden: centrummilieus, gemengde woonwerkmilieus en  specifieke  werkmilieus. De locatietypen verschillen in kantorenomvang   (zelfstandige kantoren en kantoorhoudendheid van bedrijven), ruimtelijke   kwaliteit (functiemenging, ruimtegebruik en beeldkwaliteit),   bereikbaarheid (auto, openbaar vervoer en parkeren) en leefbaarheid   (tegengaan van onnodige milieuhinder). Bij de ontwikkeling van   werklocaties is het belangrijk dat optimaal wordt ingespeeld op deze   verschillende kenmerken zodat er voor ieder bedrijf een geschikte   locatie gevonden kan worden.</al></artikel><artikel><kop><titel>4.1.2</titel></kop><al>In centrummilieus vindt een concentratie van arbeids- en   bezoekersintensieve functies - zoals kantoren, winkels en andere   consumentgerichte en maatschappelijke voorzieningen - in combinatie met   wonen plaats. Tot centrummilieu behoren de hoofdcentra van de kernen  (de  stationsomgeving en het gebied met het kernwinkelapparaat) en de   wijkcentra van grotere kernen. De locaties zijn over het algemeen   gelegen in de directe nabijheid van openbaarvervoersknooppunten.   Centrummilieus zijn daarnaast goed bereikbaar per auto door een goede   verbinding met het hoofdwegennet. Het parkeren vergt onder andere   omwille van een zorgvuldig ruimtegebruik een integrale afstemming op de   vraag vanuit de verschillende functies. Een restrictie van parkeren op   maaiveldniveau draagt hier tevens aan bij.</al></artikel><artikel><kop><titel>4.1.3</titel></kop><al>Gemengde woonwerkmilieus worden gevormd door aaneengesloten  stedelijke  woonbebouwing. De woonfunctie is hier dominant, maar  individuele of  clusters bedrijven, kantoren en voorzieningen zijn  tevens mogelijk. Deze  milieus zijn geschikt voor kleinschalige  werkfuncties met een lokale  betekenis, zodat milieuhinder en mobiliteit  voor de directe omgeving  zoveel mogelijk worden beperkt.</al></artikel><artikel><kop><titel>4.1.4</titel></kop><al>Specifieke werkmilieus zijn bedoeld voor bedrijven, kantoren en   voorzieningen die qua schaal en functioneren (bijvoorbeeld milieuhinder,   externe veiligheid, omvangrijke goederenstromen, autosnelweg   ontsluiting) niet passen in centrummilieus en gemengde woonwerkmilieus.   Specifieke werkmilieus zijn goed bereikbaar per (vracht)auto en   veroorzaken daarbij zo min mogelijk overlast voor de directe omgeving .   Een goede verbinding met het hoofdwegennet is daarom belangrijk. Het   autoverkeer moet zo snel en veilig mogelijk op het hoofdwegennet kunnen   komen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>4.2	Kader van het locatiebeleid en status van de Gemeentelijke Visie op het Vestigingsbeleid</titel></kop><artikel><kop><titel> </titel></kop><al>De motivering die aan een ruimtelijk plan ten grondslag ligt dient   opgenomen te worden in een Gemeentelijke Visie op het Vestigingsbeleid   (GVV) voor zover dit betrekking heeft op vestigingslocaties in het   stedelijk gebied  van de gemeente.</al><al>In de Gemeentelijke Visie op het Vestigingsbeleid wordt voor een   periode van telkens 4 jaar, met een doorkijk over 10 en 20 jaar, de   concrete kwalitatieve en kwantitatieve uitbreidingsbehoefte vastgelegd   voor de gemeente op het gebied van vestigingslocaties en wordt de inzet   benoemd voor instandhouding en herstructurering van de bestaande   voorraad.</al><al>De kaders voor het opstellen van de GVV worden gevormd door het   Omgevingsplan Flevoland 2006, de Structuurvisie werklocaties Flevoland   2011, de provinciale Visie Werklocaties Flevoland 2030+ (waarmee de   gemeenten voor de komende tijd akkoord mee zijn gegaan), het Provinciaal   Herstructureringprogramma (PHP), het Convenant Bedrijventerreinen   2010-2020 en deze beleidsregel. 
Door Gedeputeerde Staten zal aan de hand van deze beleidskaders beoordelen of een GVV voldoet aan het provinciaal beleid.</al><al>De beoordeling van een verzoek aan Gedeputeerde Staten om in te   stemmen met de GVV zal plaatsvinden op basis van algemene criteria en   inhoudelijke criteria.</al><al>Met betrekking tot algemene criteria houden de gemeenten het volgende aan:</al><lijst><li nr="a."><al>	Voor de huidige en toekomstige  werklocaties wordt in het plan  beschreven tot welke provinciale  locatietype(n) deze worden gerekend;</al></li><li nr="b."><al>	Per locatie wordt binnen het provinciale locatietype aangegeven welke typen bedrijven er gevestigd kunnen worden;</al></li><li nr="c."><al>	De voorgestelde locatietype(n) en  de hierbinnen bestaande en geplande  omvang van de bedrijvigheid passen  binnen het Omgevingsplan Flevoland  2006 en Structuurvisie werklocaties  Flevoland 2011 en daarnaast binnen  de herijking van het rapport Visie  Werklocaties Flevoland  dat een  doorkijk geeft naar de komende 10 jaar  en gemiddeld om de 3 à 4 jaar  wordt herzien;</al></li><li nr="d."><al>	Als een gemeente voor een locatie  geheel of gedeeltelijk wil overgaan  tot een ander type bedrijvigheid  dan in een eerder vastgestelde GVV is  mogelijk gemaakt, dan wordt in  het ruimtelijk plan ingegaan op de  noodzaak, de gevolgen voor het  aanbod voor het oorspronkelijke 	type  bedrijvigheid en eventuele  compensatie hiervan;</al></li><li nr="e."><al>	De GVV bevat een onderbouwde gemeentelijke opgave op het gebied van werklocaties voor de korte en de lange termijn;</al></li><li nr="f."><al>	Over de planning en programmering van werklocaties heeft afstemming plaats gevonden op regionaal niveau.</al></li></lijst><al>Met betrekking tot inhoudelijke criteria houden de gemeenten het volgende aan:</al><lijst><li nr="a."><al>	Bij de aanwijzing van werklocaties  dient de SER-ladder onverkort  toegepast te worden zodat ligging, omvang  en categorie van de locaties  conform de SER-ladder wordt afgewogen  door te toetsen aan:
    </al><lijst><li nr="a."><al>	de behoefte als gevolg van de vervangings- en uitbreidingsvraag;</al></li><li nr="b."><al>	de mogelijkheid om deze behoefte door herstructurering of intensivering van bestaande locaties te ondervangen.</al></li><li nr="c."><al>	clustering binnen of in aansluiting op bestaand bebouwd gebied</al></li><li nr="d."><al>	de inpasbaarheid ten opzichte van woonbebouwing</al></li><li nr="e."><al>	het optimaliseren van bereikbaarheid en vervoersaspecten</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>	De herstructureringsopgave is afgestemd op de meest recente versie van het Provinciaal Herstructureringsprogramma (PHP);</al></li><li nr="c."><al>	Intergemeentelijke afstemming vindt  plaats ten aanzien van de  aanbodzijde (programmering en ontwikkeling  van zowel bestaande als  nieuwe bedrijven- en kantorenlocaties) en  herstructurering van bestaande  bedrijven- en kantoren locaties.</al></li><li nr="d."><al>	De GVV wordt bij voorkeur als  structuurvisie (een thematische  structuurvisie of als onderdeel van een  integrale structuurvisie)  vastgesteld. Indien de gemeente besluit de  GVV niet vast te stellen als  thematische structuurvisie of als  onderdeel van een integrale  structuurvisie dient zij dat nader te  onderbouwen hoe het GVV-beleid is  afgestemd op het beleid voor andere  beleidsterreinen.</al></li></lijst><al>Naast de hiervoor genoemde kaders en criteria zijn er ontwikkelingen   waar van de gemeenten in de nabije toekomst op moeten inspelen. In het   rapport Visie Werklocaties Flevoland 2030+ en in het Convenant   Bedrijventerreinen 2010-2020 zijn deze ontwikkelingen aangegeven.</al><al>Daarom worden de gemeenten verzocht om in de GVV het volgende nadrukkelijk te overwegen:</al><lijst><li nr="1."><al>	Het instellen van een lokaal herstructureringsfonds.</al></li><li nr="2."><al>	Het instellen van parkmanagement op nieuwe bedrijventerreinen en zo mogelijk op bestaande bedrijventerreinen.</al></li><li nr="3."><al>	Het uitwerken van een visie op  zorgvuldig ruimtegebruik en  ruimtelijke kwaliteit per locatietype met  de bijbehorende  ontwikkelopgaven.</al></li></lijst><al>De gemeenten wordt aanbevolen om in de GVV’s beleid te verankeren ten aanzien van:</al><lijst><li nr="1"><al>	Grondbeleid</al></li><li nr="2"><al>	Duurzaamheid</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel>4.3	Specifieke criteria voor de provinciale locatietypen</titel></kop><artikel><kop><titel>Categorie 1: centrummilieus</titel></kop><al><vet>4.3.1.1.	Grootstedelijke centrummilieus</vet></al><al>De grootstedelijke centrummilieus zijn gelegen in de hoofdcentra van   Almere (Stad, Poort en Buiten) en Lelystad in de directe nabijheid van   een sneltreinstation. Deze locaties zijn zeer geschikt voor grote   kantoren, baliefuncties en (boven)regionale voorzieningen. Er is sprake   van een intensieve functiemenging van kantoren, voorzieningen en wonen   en een hoge bebouwingsdichtheid.</al><al>Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit geldt:
dat het parkeren ruimtelijk efficiënt wordt opgelost door bij voorkeur   het parkeren op maaiveld in deze milieus zoveel mogelijk tegen te gaan.</al><al>Ten aanzien van de bereikbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="a."><al> 	dat arbeids- en bezoekersintensieve functies in de directe nabijheid   van een sneltreinstation zijn gelegen. Indicatief wordt hiervoor een   maximale afstand van 1.000 meter tot het station opgenomen;</al></li><li nr="b."><al> 	dat er een goede ontsluiting per trein is, waarbij er sprake is van   minimaal 4 treinverbindingen per uur per richting en een frequente   ontsluiting met het stads- en streekvervoer;</al></li><li nr="c."><al>	dat voor een adequate auto-ontsluiting er een goede verbinding met het hoofdwegennet is;</al></li><li nr="d."><al>	dat er een goede fietsontsluiting is, die de woongebieden en de werkgebieden rechtstreeks met elkaar verbindt;</al></li><li nr="e."><al>	dat een maximum parkeernorm op eigen terrein wordt gehanteerd. Indicatief wordt hierbij uitgegaan van 1:60 m2 bvo;</al></li><li nr="f."><al> 	dat inzichtelijk gemaakt wordt dat op gebiedsniveau de parkeercapaciteit voldoende is.</al></li><li nr="g."><al>	dat een mobiliteitstoets wordt uitgevoerd zoals bedoeld in de regionale Nota Mobiliteit.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van leefbaarheid geldt: 
dat er sprake is van een zodanige kwalitatieve inrichting en   architectonische vormgeving waardoor zowel gevoelsmatig als   daadwerkelijk een veilige omgeving bereikt wordt.</al><al><vet>4.3.1.2. Overige centrummilieus</vet></al><al>De overige  centrummilieus zijn de centra van kernen met meer dan 15.000  inwoners ,  locaties bij een regionaal ontsloten  openbaarvervoersknooppunt of  locaties nabij haltes van de vrije busbaan  in Almere. De locaties zijn  geschikt voor kleine tot middelgrote  kantoren (waarbij indicatief  gedacht wordt aan maximaal 1.500 m2 bvo) en  lokale of regionale  (afhankelijk van de positie in de stedelijke  hoofdstructuur)  voorzieningen.</al><al>Ten aanzien van de bereikbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="a."><al> 	dat er sprake is van een zodanige ontsluiting met het openbaar   vervoer, dat de locaties in de directe nabijheid van een openbaar   vervoer knooppunt zijn gelegen (m.u.v. het centrum van Urk) en dat het   in de spits gaat om minimaal 2 busverbindingen per uur per   hoofdrichting;</al></li><li nr="b."><al>	dat de gemeente motiveert hoe de potenties voor openbaar vervoer optimaal benut worden;</al></li><li nr="c."><al> 	dat er een goede fietsontsluiting is, die de woongebieden en de werkgebieden rechtstreeks met elkaar verbindt;</al></li><li nr="d."><al>	dat inzichtelijk gemaakt wordt dat in het centrumgebied en de directe omgeving hiervan, de parkeercapaciteit voldoende is.</al></li><li nr="e."><al>	dat een mobiliteitstoets wordt uitgevoerd zoals bedoeld in de regionale Nota Mobiliteit.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van leefbaarheid geldt: 
dat er sprake is van een zodanige kwalitatieve inrichting en   architectonische vormgeving waardoor zowel gevoelsmatig als   daadwerkelijk een veilige omgeving bereikt wordt.</al></artikel><artikel><kop><titel>Categorie 2: gemengde woonwerkmilieus</titel></kop><al><vet>4.3.2.1 Gemengde woonwerkmilieus</vet></al><al>Gemengde  woonwerkmilieus zijn geschikt voor individuele of clusters van   bedrijven, kantoren en voorzieningen in combinatie met de woonfunctie.   Deze milieus zijn bedoeld voor kleinschalige werkfuncties met een lokale   betekenis, zodat milieuhinder en mobiliteit voor de directe omgeving   zoveel mogelijk worden beperkt.</al><al>Ten aanzien van de kantorenomvang geldt:</al><lijst><li nr="a."><al> 	dat op kavelniveau  100% kantoorhoudendheid is toegestaan, onder de   voorwaarde dat hiervoor maximaal 25% van het bebouwde gebied binnen het   aangewezen woonwerkmilieu wordt gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>	dat het individuele kantoorpand een  maximum omvang van 1500 m2 bvo  heeft om (milieu en verkeer) hinder  voor de directe omgeving zoveel  mogelijk te voorkomen.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de bereikbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="a."><al> 	dat geclusterde werkfuncties zoveel mogelijk in de directe nabijheid   van een (gemeentelijke) hoofdontsluitingsweg gelegen zijn om overlast   voor de omgeving tegen te gaan;</al></li><li nr="b."><al>	dat er een goede fietsontsluiting is, die de woongebieden en de werkgebieden rechtstreeks met elkaar verbindt;</al></li><li nr="c."><al> 	dat het parkeren op eigen terrein danwel op gedeelde parkeerterreinen   plaatsvindt, om te voorkomen dat het parkeren wordt afgewenteld op de   omgeving.</al></li><li nr="d."><al>	dat een mobiliteitstoets wordt uitgevoerd zoals bedoeld in de regionale Nota Mobiliteit.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de leefbaarheid geldt:
dat er door middel van milieuzonering sprake moet zijn van een goede   milieuhygiënische inpassing van bedrijven. Bedrijven die voorkomen in de   (milieu)categorieën 4 en 5 van de VNG-bedrijvenstaat  zijn  uitgesloten.</al></artikel><artikel><kop><titel>Categorie 3: specifieke werkmilieus</titel></kop><al><vet>4.3.3.1 Kantorenmilieu</vet></al><al>Om flexibel in te  spelen op trends en ontwikkelingen in de markt is het  onder bepaalde  voorwaarden mogelijk om buiten centrummilieus en gemengde   woonwerkmilieus werklocaties voor zelfstandige kantoren te ontwikkelen,   in zogenaamde kantorenmilieus. Het kantorenmilieu betreft een apart   hiervoor bestemde zone op een regulier bedrijventerrein dan wel een   specifieke locatie in de directe nabijheid van de snelweg.</al><al>Ten aanzien van de kantorenomvang geldt:</al><lijst><li nr="a."><al> 	dat kantoren op een kantorenzone van een regulier bedrijventerrein   slechts zijn toegestaan indien aangetoond kan worden dat binnen de   planperiode op de centrummilieus en gemengde woonwerkmilieus geen of   onvoldoende ruimte beschikbaar is (of kan komen), of dat er een   functionele relatie met het bedrijventerrein bestaat. In de gemeente   Dronten wordt het mogelijk te anticiperen op de aanleg van een   treinstation (Hanzelijn) door in de directe nabijheid van deze   stationslocatie een kantorenmilieu te ontwikkelen;</al></li><li nr="b."><al> 	dat de omvang van de kantorenlocatie past bij de aard en omvang van  de  kern volgens de positie van de kernen binnen de stedelijke   hoofdstructuur.</al></li><li nr="c."><al>	dat op  kantorenlocaties in de directe nabijheid van de snelweg  slechts  kantoren zijn toegestaan die gekenmerkt worden door een hoge   autoafhankelijkheid. De gemeente neemt deze eis inzake   autoafhankelijkheid op in de voorschriften van het bestemmingsplan;</al></li><li nr="d."><al>	dat andere bedrijven dan zelfstandige kantoren niet zijn toegestaan, tenzij het gaat om locatieverzorgende voorzieningen.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit geldt:
dat een beeldkwaliteitsplan wordt toegevoegd aan een ruimtelijk plan   voor een kantorenlocatie grenzend aan de snelweg of provinciale weg.</al><al>Ten aanzien van de bereikbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="a."><al>	dat op eigen terrein en/ of op gemeenschappelijke parkeervoorzieningen wordt geparkeerd;</al></li><li nr="b."><al> 	dat voor kantorenlocaties langs de snelweg gemotiveerd wordt dat de   auto-ontsluiting voldoende is, aangezien de directe nabijheid van een   afrit van de snelweg noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van de   gevestigde/ te vestigen bedrijven;</al></li><li nr="c."><al> 	dat de locaties minimaal 2 keer per uur per richting in de spits met   openbaar vervoer worden ontsloten. De gemeente zal motiveren hoe de   potenties voor openbaar vervoer optimaal benut worden;</al></li><li nr="d."><al>	dat er een goede fietsontsluiting is, die de woongebieden en de werkgebieden rechtstreeks met elkaar verbindt.</al></li><li nr="e."><al>	dat een mobiliteitstoets wordt uitgevoerd zoals bedoeld in de regionale Nota Mobiliteit.</al></li></lijst><al><vet>4.3.3.2. Het voorzieningenmilieu </vet></al><al>Het voorzieningenmilieu is een specifieke locatie dan wel een zone op een regulier bedrijventerrein,
waarvoor geldt dat menging met voorzieningen (waaronder reguliere detailhandelsvestigingen) in
centrummilieus vanwege de aard en/ of omvang ervan ongewenst wordt   geacht. Binnen het voorzieningenmilieu wordt een onderscheid gemaakt in:</al><lijst><li nr="-"><al>	Concentraties van grootschalige detailhandel,
    </al><lijst><li nr=""><al>met  een bovenlokale betekenis en een grote publieksaantrekkende werking.   De kernen met een (boven)regionale verzorgingsfunctie zijn geschikt om   dergelijke voorzieningen te ontwikkelen, mits hierover afstemming tussen   gemeenten heeft plaatsgevonden. Vanwege de diversiteit van potentiële   voorzieningen in dit milieu is bij de locatiekeuze maatwerk vereist.</al></li></lijst></li><li nr="-"><al>	Perifere detailhandelsvoorzieningen,</al></li><li nr=""><al>die vanwege specifieke ruimtelijke eisen (omvang en milieuhinder) moeilijk inpasbaar zijn in bestaande winkelgebieden.
    </al><lijst><li nr=""><al>Het gaat hierbij om  voorzieningen in de volgende branches:
        </al><lijst><li nr="•"><al>	brand- en explosiegevaarlijke detailhandel;</al></li><li nr="•"><al> 	volumineuze detailhandel: zoals auto’s, boten, motoren, fietsen,   caravans, tenten, landbouwwerktuigen, grove bouwmaterialen, keukens,   bruin- en witgoed, sanitair/badkamers en daarmee rechtstreeks   samenhangende artikelen, zoals accessoires, onderdelen en   onderhoudsmiddelen;</al></li><li nr="•"><al>	woninginrichting, w.o. meubelen;</al></li><li nr="•"><al>	tuincentra;</al></li><li nr="•"><al>	bouwmarkten.</al></li></lijst></li></lijst></li><li nr="-"><al>	Overige voorzieningen (niet zijnde detailhandel),
    </al><lijst><li nr=""><al> met  een (boven)regionale betekenis en een grote publieksaantrekkende   werking die vanwege specifieke ruimtelijke eisen (mobiliteit, omvang,   milieuhinder) moeilijk inpasbaar zijn in centrummilieus. De kernen met   een (boven)regionale verzorgingsfunctie zijn geschikt om dergelijke   voorzieningen te ontwikkelen. Voorbeelden zijn scholengemeenschappen of   ziekenhuizen, maar ook recreatieve voorzieningen en musea.</al></li></lijst></li></lijst><al>Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit geldt:</al><lijst><li nr="a."><al> 	dat er bij concentraties van grootschalige detailhandel sprake is van   een minimale omvang per winkelvestiging (gedacht wordt aan 1.500 m² bvo   per winkelvestiging) waardoor een duidelijk onderscheid wordt gemaakt   tussen de relatief kleinschalige winkelfuncties waarvoor het   centrummilieu een geschikte locaties vormt en de meer grootschalige   winkels die vanwege de omvang en functie vaak beter passen op een   locatie buiten het centrummilieu;</al></li><li nr="b."><al> 	dat grootschalige detailhandel met een bovenlokale functie/reikwijdte   dient aan te sluiten bij bestaande detailhandelsconcentraties. Clusters   van grootschalige detailhandelsvoorzieningen (eventueel in combinatie   met leisure) kunnen alleen worden geconcentreerd in Almere en Lelystad.   De concentratie van grootschalige detailhandel mag geen ontwrichting  van  de detailhandelsstructuur tot gevolg hebben. Dit zal op basis van  een  onderzoek aangetoond moeten worden;</al></li><li nr="c."><al> 	dat bij de locatiekeuze zoveel mogelijk gestreefd moet worden naar  een  complementaire detailhandelsstructuur met een synergie tussen de   bestaande detailhandelsvestigingen in het centrummilieu en de nieuw te   ontwikkelen detailhandelsvestigingen hierbuiten;</al></li><li nr="d."><al>	dat een beeldkwaliteitsplan dient  te worden toegevoegd aan een  ruimtelijk plan voor een werklocatie  grenzend aan de snelweg of  provinciale weg.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de bereikbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="a."><al> 	dat bij grootschalige detailhandelsconcentraties en overige   voorzieningen sprake is van een zodanige ontsluiting met het openbaar   vervoer, dat de locaties in de directe nabijheid van een openbaar   vervoer knooppunt zijn gelegen en dat er in de spits sprake is van   minimaal 2 busverbindingen per uur per hoofdrichting;</al></li><li nr="b."><al>	dat voor een adequate auto-ontsluiting er een goede verbinding met het hoofdwegennet is;</al></li><li nr="c."><al>	dat er een goede fietsontsluiting is, die de woongebieden en de werkgebieden rechtstreeks met elkaar verbindt;</al></li><li nr="d."><al> 	dat het parkeren op eigen terrein dan wel op gedeelde  parkeerterreinen  plaats dient te vinden, om te voorkomen dat het  parkeren wordt  afgewenteld op de omgeving.</al></li><li nr="e."><al>	dat een mobiliteitstoets wordt uitgevoerd zoals bedoeld in de regionale Nota Mobiliteit.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de leefbaarheid geldt:
dat er sprake moet zijn van een goede milieuhygiënische inpassing (zonering) van bedrijven.</al><al><vet>4.3.3.3. Reguliere bedrijventerreinen </vet></al><al>Reguliere bedrijventerreinen zijn specifieke locaties bedoeld voor de vestiging van bedrijven.
Ten aanzien van de kantorenomvang geldt:
dat maximaal 50% kantoorhoudendheid op kavelniveau is toegestaan, met   uitzondering van een aan te geven (hoogwaardige) zone op het   bedrijventerrein waarvoor een maximum kantoorhoudendheid van 70% op   kavelniveau geldt, mits dit milieuhygiënisch kan worden ingepast.</al><al>Ten aanzien van de ruimtelijke kwaliteit geldt:
dat een beeldkwaliteitsplan wordt toegevoegd aan een ruimtelijk plan   voor een werklocatie grenzend aan de snelweg of provinciale weg.</al><al>Ten aanzien van de bereikbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="a."><al>	dat het parkeren op eigen  terrein danwel op gedeelde parkeerterreinen  plaatsvindt, om te  voorkomen dat het parkeren wordt afgewenteld op de  omgeving;</al></li><li nr="b."><al> 	dat een bedrijvenzone waar een maximum percentage kantoorhoudendheid   van 70% op kavelniveau wordt gehanteerd, minimaal 2 keer per uur per   richting in de spits met openbaar vervoer wordt ontsloten. De gemeente   motiveert hoe de potenties voor openbaar vervoer optimaal benut worden;</al></li><li nr="c."><al>	dat voor een adequate auto-ontsluiting er een goede verbinding met het hoofdwegennet is;</al></li><li nr="d."><al> 	dat er een goede fietsontsluiting is, die bij voorkeur de woongebieden en de werkgebieden rechtstreeks met elkaar verbindt.</al></li><li nr="e."><al>	dat een mobiliteitstoets wordt uitgevoerd zoals bedoeld in de regionale Nota Mobiliteit.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de leefbaarheid geldt:
dat bedrijven toelaatbaar zijn die genoemd staan in de categorie 1, 2 en   3 van de VNG-bedrijvenstaat. Om onderscheid te maken met  centrummilieus  en gemengde woonwerkmilieus ligt bij bedrijfsvestiging  de voorkeur op  categorie 3.</al><al><vet>4.3.3.4. Industrieterreinen</vet></al><al>Industrieterreinen  zijn specifieke locaties, dan wel gezoneerde locaties  op een regulier  bedrijventerrein, gericht op de vestiging van bedrijven  uit de hoogste  (milieu)categorieën van de VNG-bedrijvenstaat.</al><al>Ten aanzien van de kantorenomvang geldt:
dat in principe maximaal 30% kantoorhoudendheid op kavelniveau is   toegestaan met het doel dat er zo min mogelijke beperkingen worden   opgelegd aan milieuruimte behoevende bedrijven op aangrenzende kavels.   Bij een inwaartse zonering van het industrieterrein (waarbij sprake is   van een gedifferentieerd gebruik naar milieucategorieën) is 50%   kantoorhoudendheid op kavelniveau toegestaan, indien de vestiging van   dergelijke bedrijven geen beperkingen oplegt aan de vestiging van   bedrijven die voorkomen in de (milieu)categorieën 4 en 5 van de   VNG-bedrijvenstaat.</al><al>Ten aanzien van het aspect ruimtelijke kwaliteit geldt:
dat een beeldkwaliteitsplan wordt toegevoegd aan een ruimtelijk plan   voor een werklocatie grenzend aan de snelweg of provinciale weg.</al><al>Ten aanzien van de bereikbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="a."><al>	dat het parkeren  op eigen terrein dan wel op gedeelde  parkeerterreinen plaatsvindt, om  te voorkomen dat het parkeren wordt  afgewenteld op de omgeving;</al></li><li nr="b."><al>	dat voor een adequate (vracht)auto-ontsluiting er een goede verbinding met het hoofdwegennet is;</al></li><li nr="c."><al>	dat er een goede fietsontsluiting is, die de woongebieden en de werkgebieden rechtstreeks met elkaar verbindt.</al></li><li nr="d."><al>	dat een mobiliteitstoets wordt uitgevoerd zoals bedoeld in de regionale Nota Mobiliteit.</al></li></lijst><al>Ten aanzien van de leefbaarheid geldt:</al><lijst><li nr="a."><al>	dat slechts  bedrijven toelaatbaar zijn die genoemd staan in de  categorie 3, 4 en 5  van de VNG-bedrijvenstaat. Om onderscheid te maken  met reguliere  bedrijventerreinen ligt bij bedrijfsvestiging de voorkeur  op categorie 4  en 5. Andere bedrijvigheid (met uitzondering van  locatieverzorgende  voorzieningen) is uitgesloten op een  industrieterrein;</al></li><li nr="b."><al>	dat zowel in Noordelijk Flevoland  (de gemeenten Noordoostpolder en  Urk), Oostelijk Flevoland als in  Zuidelijk Flevoland minimaal 1  bedrijventerrein (of een zone op een  regulier bedrijventerrein)  beschikbaar is voor de vestiging van bedrijven voorkomend in de  categorie 3, 4 en 5 van de VNG-bedrijvenstaat.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>5.  Ingangsdatum</titel></kop><artikel><kop><titel> </titel></kop><al>Deze beleidsregel treedt in werking op de dag nadat deze is gepubliceerd in het provinciaal blad.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel>6. Citeerartikel</titel></kop><artikel><kop><titel> </titel></kop><al>Deze beleidsregel wordt aangehaald als “Beleidsregel locatiebeleid stedelijk gebied 2011“.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus besloten in de vergadering van Gedeputeerde Staten van 23 augustus 2011,</al></slotformulering></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>