<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.90--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.92--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.91--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR250476_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Katwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-11-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Katwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Maatregelenverordening WWB</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-11-29</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-12-07</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand​</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Katwijk,</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van
                        Katwijk van 16 oktober 2012,</al><al>gelet op de artikelen 8, 18 en 9a van de Wet werk en bijstand,</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verlagen van de bijstand als gevolg
                        van de gedragingen van belanghebbenden bij verordening te regelen;</al><al/><al>BESLUIT</al><al/><al>vast te stellen de volgende verordening: </al><al><vet>Maatregelenverordening Wet werk en bijstand</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 1. Begripsomschrijving </label></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB);</al></li><li nr="b."><al>Bbz: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;</al></li><li nr="c."><al>Wet SUWI: Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                    inkomen;</al></li><li nr="d."><al>algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel b
                                    van de wet;</al></li><li nr="e."><al>bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    d van de wet;</al></li><li nr="f."><al>bijstand: algemene en bijzondere bijstand;</al></li><li nr="g."><al>bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel
                                    c van de wet;</al></li><li nr="h."><al>langdurigheidstoeslag; de langdurigheidstoeslag bedoeld in
                                    artikel 5, onderdeel d van de wet;</al></li><li nr="i."><al>maatregel: het verlagen van de bijstand of de
                                    langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18, tweede lid, van
                                    de wet;</al></li><li nr="j."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders; </al></li><li nr="k."><al>belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit
                                    is betrokken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2. Het opleggen van een maatregel </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet, het Bbz of artikel
                                30c, tweede en derde lid, van de Wet SUWI voortvloeiende
                                verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het
                                zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig
                                deze verordening een maatregel opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 3. Berekeningsgrondslag </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        artikel 12 van de wet;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        artikel 35 van de wet en de verwijtbare gedraging van
                                        belanghebbende, in relatie met zijn recht op de bijzondere
                                        bijstand, daartoe aanleiding geeft;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met
                                        zijn recht op de langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding
                                        geeft;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>de bijzondere bijstand bestemd is voor de woonkosten en de
                                        premie arbeidsongeschiktheidsverzekering, en verleend wordt
                                        aan zelfstandigen, die bijstand voor levensonderhoud
                                        krachtens het Bbz ontvangen of hebben ontvangen. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 4. Het besluit tot het opleggen van een maatregel
                            </label></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een maatregel worden in ieder geval
                            vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het
                            percentage of het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd en, indien
                            van toepassing, de reden om af te wijken van een maatregel met
                            toepassing van de Hoofdstukken 2 tot en met 4. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 5. Horen van belanghebbende </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de
                                gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld
                                        zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen
                                        nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                        college of van een derde aan wie het college met toepassing
                                        van artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de
                                        wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                                        inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de
                                        wet; of</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen
                                        van de ernst van de gedraging of de mate van
                                        verwijtbaarheid. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                        gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en
                                        als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is
                                        verleend. Een maatregel wegens schending van de
                                        inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf
                                        jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het
                                daarvoor dringende redenen aanwezig acht. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op
                                grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                schriftelijk mededeling gedaan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met uitzondering van de gevallen zoals genoemd in lid 5 van dit
                                artikel, wordt de maatregel opgelegd met ingang van de eerst
                                volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot
                                het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is
                                bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                geldende bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, kan de maatregel met terugwerkende
                                kracht worden opgelegd, voor zover de bijstand of de
                                langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor zover het zelfstandigen betreft die bijstand voor het
                                levensonderhoud in de vorm van een geldlening op grond van het Bbz
                                hebben ontvangen, kan de maatregel ook met terugwerkende kracht
                                worden betrokken bij de definitieve vaststelling van die bijstand.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt
                                uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd
                                heroverwogen. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Indien de bijstand reeds is beëindigd wordt de maatregel opgelegd in
                                de periode in het verleden waarin de bijstand werd verstrekt en de
                                gedraging heeft plaatsgevonden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 8. Samenloop van gedragingen </label></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting
                            zoals genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen
                            van de hoogte en duur van de maatregel minstens uitgegaan van de
                            gedraging waarop de zwaarste maatregel is gesteld. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 2. Plicht tot arbeidsinschakeling, behoud van arbeid en
                            tegenprestatie </label></kop><structuurtekst><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor één van de verplichtingen op
                            grond van artikel 9, 9a, 10a en 44a van de wet niet of onvoldoende is
                            nagekomen, alsmede het niet behouden van arbeid, worden onderscheiden in
                            de volgende categorieën: </al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            bij het UWV WERKbedrijf of het niet tijdig laten
                                            verlengen van de registratie;</al></li><li nr="b."><al>het niet ondertekenen of het niet aan het college
                                            verstrekken van de bijlage bij het besluit tot
                                            toekenning of voortzetting van de bijstand<cursief>.
                                            </cursief></al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>het indienen van een aanvraag voor algemene bijstand
                                            gedurende termijn, genoemd in artikel 41, vierde lid,
                                            van de wet;</al></li><li nr="d."><al>het gedurende de termijn als bedoeld in artikel 41,
                                            vierde lid, van de wet niet naar vermogen trachten de
                                            mogelijkheden voor werk of scholing te onderzoeken,
                                            zoals bedoeld in artikel 43, vierde lid van de wet.
                                        </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren;
                                            hieronder wordt mede verstaan:</al><lijst><li nr="-"><al>het onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                                  uitvoeren dan wel evalueren van een plan van
                                                  aanpak, zoals bedoeld in artikel 44a van de wet en
                                                  - het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten
                                                  blijken de verplichtingen, bedoeld in artikel 9,
                                                  eerste lid, onderdeel b, van de wet niet te willen
                                                  nakomen, hetgeen heeft geleid tot het intrekken
                                                  van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een
                                                  alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste
                                                  lid, van de wet;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een
                                            door het college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste
                                            lid, onderdeel b, artikel 10, eerste lid en artikel 10a,
                                            eerste lid, van de wet, waaronder begrepen sociale
                                            activering. </al></li><li nr="c."><al>het onvoldoende meewerken aan de verplichting om naar
                                            vermogen opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                            werkzaamheden te verrichten, zoals bedoeld in artikel 9,
                                            eerste lid, onderdeel c van de wet. </al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie: het niet of in onvoldoende mate gebruik maken
                                    van een door het college aangeboden voorziening zoals bedoeld in
                                    artikel 9 van de re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ.
                                </al></li><li nr="5."><al>Vijfde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid. </al></li></lijst></li></lijst></structuurtekst><artikel><kop><label>Artikel 9. Indeling in categorieën</label></kop><lid><lidnr/><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor één van de verplichtingen
                                op grond van artikel 9, 9a, 10a en 44a van de wet niet of
                                onvoldoende is nagekomen, alsmede het niet behouden van arbeid,
                                worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Eerste categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij
                                        het UWV WERKbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van
                                        de registratie;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het niet ondertekenen of het niet aan het college
                                        verstrekken van de bijlage bij het besluit tot toekenning of
                                        voortzetting van de bijstand<cursief>. </cursief></al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                        arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek
                                        naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>het indienen van een aanvraag voor algemene bijstand
                                        gedurende termijn, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de
                                        wet;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>het gedurende de termijn als bedoeld in artikel 41, vierde
                                        lid, van de wet niet naar vermogen trachten de mogelijkheden
                                        voor werk of scholing te onderzoeken, zoals bedoeld in
                                        artikel 43, vierde lid van de wet. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>gedragingen die de inschakeling in arbeid belemmeren;
                                        hieronder wordt mede verstaa:n</al><lijst><li nr="-"><al>het onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                                                uitvoeren dan wel evalueren van een plan van aanpak,
                                                zoals bedoeld in artikel 44a van de wet en </al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al> het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten
                                                blijken de verplichtingen, bedoeld in artikel 9,
                                                eerste lid, onderdeel b, van de wet niet te willen
                                                nakomen, hetgeen heeft geleid tot het intrekken van
                                                de ontheffing van de arbeidsplicht voor een
                                                alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste
                                                lid, van de wet;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door
                                        het college aangeboden voorziening gericht op
                                        arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                        onderdeel b, artikel 10, eerste lid en artikel 10a, eerste
                                        lid, van de wet, waaronder begrepen sociale activering.
                                    </al></li><li nr="c."><al>het onvoldoende meewerken aan de verplichting om naar
                                        vermogen opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige
                                        werkzaamheden te verrichten, zoals bedoeld in artikel 9,
                                        eerste lid, onderdeel c van de wet. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Vierde categorie: het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van
                                een door het college aangeboden voorziening zoals bedoeld in artikel
                                9 van de re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Vijfde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                        geaccepteerde arbeid. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10. De hoogte en duur van de maatregel </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel vastgesteld
                                op:</al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de eerste categorie;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de tweede categorie;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de derde categorie;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de vierde categorie;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij
                                        gedragingen van de vijfde categorie. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid, onder a,b ,c
                                en e, wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf
                                maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is
                                opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van
                                dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel
                                is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op
                                grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het percentage van de maatregel als bedoeld in het eerste lid, onder
                                d, wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf
                                maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is
                                opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van
                                dezelfde categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is
                                opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op
                                grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In het geval dat er sprake is van een gedraging, als gesteld in
                                artikel 9 van de Verordening Wet inburgering gemeente Katwijk en
                                deze verordening is op de belanghebbende van toepassing, wordt de
                                maatregel, in afwijking van het hiervoor bepaalde, gelijkgesteld aan
                                de bedragen welke zijn vastgelegd in dat artikel.</al><al/></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de inlichtingenplicht </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 11. Het niet of niet tijdig verstrekken van gegevens
                            </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17
                                van de wet, artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet SUWI, of
                                artikel 38, tweede lid van het Bbz, niet of niet tijdig is nagekomen
                                door informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of
                                de voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe
                                gestelde termijn te verstrekken, wordt met toepassing van artikel
                                18, tweede lid van de wet een maatregel opgelegd van vijf procent
                                van de bijstandsnorm gedurende een maand, onverminderd artikel 2,
                                tweede lid. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende
                                zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij
                                een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als
                                verwijtbare aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een
                                maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af
                                te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 6.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel kan worden afgezien en volstaan
                                kan worden met het geven van een schriftelijke waarschuwing indien
                                het niet of niet tijdig verstrekken van gegevens niet heeft geleid
                                tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                bijstand, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen
                                vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke
                                waarschuwing is gegeven. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen
                                met gevolgen voor de bijstand </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 17 van de wet, artikel 30c, tweede en derde lid
                                van de Wet SUWI, of artikel 38, tweede lid van het Bbz, heeft geleid
                                tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                bijstand, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het
                                benadelingsbedrag. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de maatregel op de
                                volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,-: tien procent van de
                                        bijstandsnorm gedurende een maand;</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>bij een benadelingsbedrag van € 1.000,- tot € 2.000,-:
                                        twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een
                                        maand;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>bij een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-:
                                        veertig procent van de bijstandsnorm gedurende een
                                        maand;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- of meer: honderd
                                        procent van de bijstandsnorm gedurende minimaal een maand.
                                    </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het benadelingsbedrag het vastgestelde bedrag voor aangifte
                                bij het Openbaar Ministerie overschrijdt dient er pas een maatregel
                                opgelegd te worden indien er bericht van het Openbaar Ministerie
                                wordt ontvangen waarin wordt aangegeven dat zij afzien van
                                vervolging. Bij vervolging door het Openbaar Ministerie wordt geen
                                maatregel opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de gevallen zoals bedoeld in artikel 7 lid 5 van deze
                                verordening wordt het percentage als gesteld in het tweede lid,
                                geheven over de bijstandsnorm die gold ten tijde van de gedraging.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 13. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen
                                zonder gevolgen voor de bijstand </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht
                                bedoeld in artikel 17 van de wet, artikel 30c, tweede en derde lid
                                van de Wet SUWI, of artikel 38, tweede lid van het Bbz, niet heeft
                                geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van
                                bijstand, bedraagt de maatregel, onverminderd artikel 2, tweede lid,
                                vijf procent van de bijstand gedurende een maand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van het opleggen van de maatregel bedoeld in het eerste lid kan
                                worden afgezien en volstaan kan worden met het geven van een
                                schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk
                                nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee
                                jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende
                                een schriftelijke waarschuwing is gegeven. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel
                        </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 14. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                            </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt een
                                maatregel opgelegd die wordt afgestemd op de periode dat de
                                belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht
                                heeft op bijstand. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maatregel wordt op de volgende wijze vastgesteld:</al><lijst><li nr="a."><al>bij een periode van 6 maanden of korter: vijf procent van de
                                        bijstandsnorm gedurende de periode dat betrokkene eerder of
                                        langer een beroep doet op bijstand. </al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>bij een periode van 6 maanden en langer: tien procent van de
                                        bijstandsnorm gedurende de periode dat betrokkene eerder of
                                        langer een beroep doet op bijstand. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien geen benadelingsperiode kan worden vastgesteld, bedraagt de
                                maatregel 20 procent van de bijstandsnorm gedurende 1 maand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 15. Zeer ernstige misdragingen </label></kop><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18,
                            tweede lid van de wet, wordt een maatregel opgelegd van twintig procent
                            van de bijstandsnorm gedurende 1 maand. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk 5. Slotbepalingen </label></kop><artikel><kop><label>Artikel 16. Citeertitel </label></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Maatregelenverordening WWB’.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 17. Inwerkingtreding </label></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ‘Maatregelenverordening WWB’ van 1 december 2004, laatstelijk
                                gewijzigd bij raadsbesluit van 26 januari 2012, wordt ingetrokken op
                                het moment dat deze verordening in werking treedt, met terugwerkende
                                kracht tot en met 1 januari 2012.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en
                                werkt terug tot en met 1 januari 2012.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel 18. Overgangsrecht </label></kop><al>In afwijking van artikel 17 is deze verordening vanaf 1 januari 2013 van
                            toepassing op de belanghebbenden die op grond van artikel 78w van de wet
                            de huishoudinkomenstoets nog tot 1 januari 2013 wordt toegepast. Tot 1
                            januari 2013 gelden de bepalingen uit de ‘Maatregelenverordening WWB’
                            van 1 december 2004, laatstelijk gewijzigd bij raadsbesluit van 26
                            januari 2012. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Katwijk in zijn openbare
                        raadsvergadering van 29 november 2012 </al></slotformulering><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>Met de inwerkingtreding van de WWB in 2004 komt het systeem van boeten en
                    maatregelen van de Algemene bijstandswet (de artikelen 14 tot en met 14f, nader
                    uitgewerkt in het Maatregelen en Boetebesluit) te vervallen. In plaats daarvan
                    moeten gemeenten zelf hun sanctiebeleid vorm geven. De WWB kent slechts één
                    soort sanctie: het verlagen van de uitkering. De boete als sanctie voor
                    uitkeringsgerechtigden die hun inlichtingenplicht hebben geschonden, verdwijnt. </al><al/><al>Artikel 18 van de wet bevat de opdracht aan gemeenten om een maatregelenbeleid
                    in een verordening vast te leggen. Dit artikel luidt:</al><lijst><li nr="1."><al><cursief>Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden
                                verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen
                                van belanghebbende. </cursief></al></li><li nr="2."><al><cursief>Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig de verordening,
                                bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, ter zake van het niet
                                of onvoldoende nakomen door de belanghebbende van de verplichtingen
                                voortvloeiende uit deze wet dan wel artikel 30c, tweede en derde
                                lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen,
                                waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                                misdragen, dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het
                                college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor
                                de voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien
                                indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. </cursief></al></li><li nr="3."><al><cursief>Het college heroverweegt een besluit als bedoeld in het tweede
                                lid binnen een door hem te bepalen termijn die ten hoogste drie
                                maanden bedraagt. </cursief></al></li><li nr="4."><al><cursief>Bij de toepassing van het eerste lid wordt onder belanghebbende
                                mede verstaan het gezin. </cursief></al></li></lijst><al/><al>In het eerste lid van artikel 18 van de wet wordt gesproken over het afstemmen
                    van de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen op de omstandigheden,
                    mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. In deze bepaling wordt
                    benadrukt dat het vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan
                    verbonden verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij
                    recht wordt gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden
                    van uitkeringsgerechtigden. In het tweede lid wordt een directe koppeling gelegd
                    tussen de rechten en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een
                    uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van
                    de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                    uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de
                    mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen. Wanneer het college
                    tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn verplichtingen niet of in
                    onvoldoende mate nakomt, wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van
                    een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van
                    verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van zo´n verlaging. Verlaging van
                    de uitkering moet plaatsvinden overeenkomstig een door de gemeenteraad vast te
                    stellen verordening. Dat is de maatregelenverordening. Een en ander is
                    vastgelegd in artikel 8, eerste lid, onderdeel b WWB. </al><al/><al>Daarnaast is met ingang van 1 januari 2012 in artikel 9a, twaalfde lid, bepaald
                    dat de bijstand van de alleenstaande ouder, wordt verlaagd, als die
                    alleenstaande ouder uit houding en gedrag ondubbelzinnig laat blijken de
                    verplichtingen, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b, WWB, niet te
                    willen nakomen en dit heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de
                    arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid,
                    van de wet (Stb. 2011, 650). Tegenover een aanspraak op ontheffing van de
                    arbeidsplicht i.v.m. de zorg voor jonge kinderen, staat de verplichting voor de
                    alleenstaande ouder om door burgemeester en wethouders aangeboden voorzieningen
                    te accepteren en mee te werken aan de re-integratie. Artikel 8, eerste lid,
                    onderdeel h WWB bepaalt dat dit in de Maatregelenverordening moet worden
                    geregeld. </al><al/><al><vet>De relatie met het Bbz</vet></al><al>Per 1 juli 2011 is deze verordening ook van toepassing op de verlening van
                    bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz).
                    Het gaat hierbij primair om de verlening van algemene bijstand voor het
                    levensonderhoud, en de in de jaarnorm opgenomen bijzondere bijstand voor hoge
                    woonkosten en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het begrip jaarnorm
                    staat in artikel 1, onderdeel g, Bbz. </al><al/><al>Deze verordening behoeft hiervoor slechts een geringe aanpassing. Het gaat om de
                    betekenis voor het begrip bijstandsnorm. Het gaat ook om uitbreiding van het
                    begrip inlichtingen- en medewerkingsplicht, zie de toevoeging aan hoofdstuk 3
                    van deze verordening. Het gaat hierbij om de verplichting, opgenomen in artikel
                    38, tweede lid van het Bbz: </al><lijst><li nr="-"><al>De zelfstandige aan wie bijstand wordt verleend is verplicht naar
                            behoren een administratie te voeren en deze op eigen initiatief binnen 6
                            maanden na afloop van het boekjaar waarin bijstand is verleend, aan het
                            college te overleggen. Die plicht geldt ook als de gemeente om de
                            administratie vraagt, bijvoorbeeld om de bedrijfsontwikkeling te
                            beoordelen in het geval verlenging van de uitkeringstermijn aan de orde
                            is. </al></li></lijst><al>Een verdere aanpassing is niet nodig. Immers, voor zelfstandigen die een
                    uitkering krachtens het Bbz ontvangen of hebben ontvangen, gelden ook de
                    algemene inlichtingplicht en de medewerkingsplicht. </al><al/><al>Ten aanzien van het niet leveren van de administratie (jaarcijfers) voor de
                    definitieve vaststelling van de verleende uitkering over het betreffende
                    boekjaar, geldt op grond van artikel 45, eerste lid, onderdeel b, Bbz dat
                    burgemeester en wethouders de bijstand van de zelfstandige terugvorderen voor
                    zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend als gevolg
                    van het niet nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 38, tweede lid. In
                    artikel 47 Bbz is opgenomen dat burgemeester en wethouders kosten van bijstand
                    in de vorm van een geldlening terugvorderen, indien de zelfstandige de uit de
                    geldlening voortvloeiende verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt.
                    Burgemeester en wethouders zijn onder toepassing van beide artikelen gehouden de
                    geldlening over het betreffende boekjaar geheel van de zelfstandige terug te
                    vorderen, in het geval de hier bedoelde verplichting niet wordt nagekomen. Er is
                    in dat geval in principe geen aanleiding om tevens een maatregel op grond van
                    deze verordening op te leggen: de gehele jaaruitkering wordt immers al
                    teruggevorderd. </al><al>Het leveren van de jaarcijfers is ook nodig voor vaststelling van het bedrag om
                    niet of de rentereductie, bedoeld in artikel 21 Bbz (bedrijfskapitaal aan
                    gevestigde zelfstandigen). Als de zelfstandige hiervoor geen jaarcijfers
                    overlegt, kent de gemeente geen bedrag om niet of rentereductie toe. Er is dan
                    ook gen aanleiding voor een maatregel, nog daargelaten dat een maatregel niet op
                    een reeds verstrekte geldlening kan worden geëffectueerd. </al><al/><al>Ten aanzien van de in hoofdstuk 2 van de verordening opgenomen gedragingen en
                    maatregelen, met betrekking tot de verplichtingen, gericht op het verkrijgen van
                    algemeen geaccepteerde arbeid, geldt voor zelfstandigen en hun partners het
                    volgende: </al><lijst><li nr="-"><al>De in artikel 9 en 10 van de wet opgenomen verplichtingen gelden alleen
                            voor de zelfstandige die geschikt is voor het verrichten van arbeid,
                            maar die ten minste zes maanden zijn bedrijf of zelfstandig beroep niet
                            kan uitoefenen (artikel 38, derde lid Bbz).</al></li><li nr="-"><al>De verplichtingen, bedoeld in artikel 9 en 10 van de wet kunnen aan de
                            partner van de zelfstandige worden opgelegd, voor zover die partner
                            tevens rechthebbende is voor de WWB en niet zelf een zelfstandige in de
                            zin van het Bbz is, of fulltime meewerkt in het bedrijf of zelfstandig
                            beroep van de zelfstandige. Uiteraard kan ook bij minder uren rekening
                            worden gehouden met de meewerkuren in het bedrijf of zelfstandig beroep
                            van de zelfstandige.</al></li></lijst><al/><al>De in hoofdstuk 4 opgenomen gedragingen die leiden tot een maatregel
                    (tekortschietend besef van verantwoordelijkheid en zeer ernstige misdragingen)
                    zijn ook voor het Bbz gedragingen die leiden tot een maatregel. Artikel 18,
                    tweede lid, van de wet is onverkort van toepassing op het Bbz. </al><al>Uit artikel 38, eerste lid Bbz vloeit voort dat de zelfstandige de door
                    burgemeester en wethouders opgelegde verplichtingen, gericht op een doelmatige
                    bedrijfs- of beroepsuitoefening, moet nakomen. Doet hij dat niet of in
                    onvoldoende mate, dan zijn burgemeester en wethouders bevoegd om een maatregel
                    op te leggen, omdat de zelfstandige door deze verplichting niet of niet
                    voldoende na te komen, blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening. </al><al>De gemeente kan bijvoorbeeld een verplichting opleggen, gericht op beperking van
                    de bedrijfskosten (zoals uitzien naar een goedkopere bedrijfsruimte, inruil dure
                    leaseauto voor een goedkopere, stopzetten niet-noodzakelijke abonnementen etc.),
                    op verbetering van de omzet (effectievere acquisitie, verandering
                    brutowinstmarge, verandering openstelling, ontwikkeling internetverkoop etc.),
                    of op vermindering van de privé-uitgaven. Als later blijkt dat de zelfstandige
                    niet (volledig) aan de gestelde verplichtingen heeft voldaan, kan dat leiden tot
                    beëindiging van de bijstand, of voortzetting van de bijstand met een maatregel.
                    Uiteraard is het opleggen van een maatregel alleen aan de orde, indien er nog
                    sprake is van een lopende Bbz-uitkering. Als geen benadelingbedrag of –periode
                    kan worden vastgesteld - en dat is bij de bijstandsverlening aan zelfstandigen
                    en de daarbij geldende specifieke verplichtingen vaak het geval - dan geldt de
                    maatregel, bedoeld in het derde lid van artikel 14 (20% van de bijstandsnorm
                    voor één maand). </al><al>Wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid kan een beroep op Bbz worden gedaan. Dan
                    kan eveneens een maatregel aan de orde zijn wegens tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening. Het Bbz 2004 gaat primair uit
                    van de eigen verantwoordelijkheid van de zelfstandige. In dit kader betekent dit
                    dat de zelfstandige zelf verantwoordelijk is voor het afsluiten van een
                    toereikende particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze verzekering
                    wordt beschouwd als een voorliggende voorziening op bijstand. Een zelfstandige
                    die verwijtbaar geen arbeidsongeschiktheidsverzekering of een
                    arbeidsongeschiktheidsverzekering met een te lage dekking of te lange wachttijd
                    heeft afgesloten en die bij ziekte/arbeidsongeschiktheid een beroep doet op
                    bijstand (Bbz), heeft een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    bestaansvoorziening betoond. Een afwijzing van de bijstandsaanvraag op grond van
                    artikel 15, eerste lid, van de WWB is echter niet aan de orde, aangezien na het
                    ingaan van de arbeidsongeschiktheid sprake zal zijn van feitelijke
                    onverzekerbaarheid. Er kan dan geen sprake meer zijn van een beroep kunnen doen
                    op een voorliggende voorziening. Wel kan, als uitkering wordt verleend omdat aan
                    de overige voorwaarden voor het verkrijgen van recht op uitkering is voldaan,
                    een maatregel aan de orde zijn. </al><al/><al>Bij beëindigende ondernemers die een beroep op het Bbz doen, moet worden
                    beoordeeld of de noodzakelijke beëindiging wegens niet-levensvatbaarheid van het
                    bedrijf is veroorzaakt door verwijtbaar gedrag van de zelfstandige (bijvoorbeeld
                    door slechte betalingsmoraliteit, of een onverantwoord hoog uitgavenpatroon).
                    Als daarvan sprake is, is een maatregel wegens tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de bestaansvoorziening aan de orde. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al><vet>HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 1. Begripsomschrijving</vet></al><al>Dit artikel geeft een nadere uitleg van de begrippen welke in de verordening
                    worden gebruikt. </al><al><vet>Artikel 2. Het opleggen van een maatrege</vet>l </al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
                    verplichtingen: </al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                            voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid). </al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling en tegenprestatie (artikel 9). Deze
                            plicht bestaat uit drie soorten verplichtingen:</al><lijst><li nr="-"><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen en</al></li><li nr="-"><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                    voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling
                                    en</al></li><li nr="-"><al>de plicht om naar vermogen door het college opgedragen
                                    onbeloonde matschappelijk nuttige werkzaamheden te
                                    verrichten.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
                            uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het college op verzoek of
                            onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en
                            omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij
                            van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op
                            bijstand. </al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van
                            uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het college de medewerking te
                            verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet.</al></li></lijst><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Het college dient een op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele
                    omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze
                    bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal
                    moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                    uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven
                    standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een
                    verzwaring als een matiging betekenen. </al><al/><al><vet>Artikel 3. Berekeningsgrondslag </vet></al><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een maatregel wordt opgelegd op de
                    bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm zoals
                    bedoeld in artikel 5 onder c van de wet inclusief vakantietoeslag. Voor de
                    duidelijkheid wordt hier gesteld dat de maatregel wordt geheven over de op de
                    voor belanghebbende van toepassing zijnde norm op grond van de artikelen 20 tot
                    en met 24 van de wet, vermeerderd of verminderd met de op grond van paragraaf
                    3.3 van de wet vastgestelde verhoging of verlaging. </al><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Onderdeel a: de 18 tot 21-jarigen ontvangen een lagere bijstandsnorm, die indien
                    noodzakelijk wordt aangevuld door middel van bijzondere bijstand in de kosten
                    van levensonderhoud. Indien de maatregel alleen op de lage bijstandsnorm wordt
                    opgelegd zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de
                    bijstandsgerechtigden van 21 jaar en ouder. </al><al>Onderdeel b: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele
                    gevallen een maatregel oplegt over de bijzondere bijstand, die met toepassing
                    van artikel 35 van de wet wordt verstrekt. Er moet dan wel een verband bestaan
                    tussen de gedraging van de belanghebbende en zijn recht op de bijzondere
                    bijstand. </al><al>Onderdeel c: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele
                    gevallen een maatregel oplegt over de langdurigheidstoeslag. Er moet dan wel een
                    verband bestaan tussen de gedraging van de belanghebbende en zijn recht op de
                    langdurigheidstoeslag. </al><al>Onderdeel d: tenslotte kan nog de bijzondere bijstand worden verlaagd indien
                    sprake is van een zelfstandige, voor de aangegeven kosten. </al><al/><al><vet>Artikel 4. Het besluit tot het opleggen van een maatregel</vet></al><al>Het verlagen van de bijstand omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats
                    door middel van een besluit. Wanneer de maatregel bij een lopende uitkering
                    wordt opgelegd, wordt een besluit tot vaststelling van de algemene bijstand op
                    grond van artikel 45 WWB genomen. Wordt een maatregel met terugwerkende kracht
                    opgelegd, dan moet een besluit tot herziening van de bijstand worden genomen
                    (artikel 54, derde lid). Tegen beide besluiten kan door de belanghebbende
                    bezwaar en beroep worden aangetekend. </al><al>In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden
                    vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb) en dan met name het motiveringsbeginsel. Het motiveringsbeginsel houdt
                    onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering
                    wordt voorzien. </al><al/><al><vet>Artikel 5. Horen van belanghebbende </vet></al><al>Op grond van afdeling 4.1.2 van de Awb is in een aantal gevallen het horen van
                    de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                    hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                    betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12 Awb). </al><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt
                    opgelegd in beginsel voorgeschreven. </al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen
                    a en b staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Awb. </al><al/><al><vet>Artikel 6. Afzien van het opleggen van een maatregel</vet></al><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>Het afzien van het opleggen van een maatregel “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid” ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB. </al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de
                    gedraging heef plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b geregeld
                    dat het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar
                    geleden hebben plaatsgevonden. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                    gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                    bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                    jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die was opgenomen in
                    artikel 14e van de Algemene bijstandswet in verband met het opleggen van een
                    boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar
                    ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het
                    feit dat de gemeente vaak tijd nodig heeft om de omvang van de fraude (het
                    benadelingsbedrag) vast te stellen. </al><al><vet>Lid 2 </vet></al><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                    maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende
                    redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op
                    voorhand worden vastgelegd. </al><al><vet>Lid 3 </vet></al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een maatregel wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive. </al><al>Overigens is het in individuele gevallen altijd mogelijk af te zien van het
                    opleggen van een maatregel en in plaats daarvan een waarschuwing te geven. In
                    dat geval wordt gebruik gemaakt van het eerste lid, onderdeel a (afzien van een
                    maatregel omdat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt) of het tweede lid
                    (afzien van een maatregel omdat daarvoor dringende redenen aanwezig zijn). </al><al/><al><vet>Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak</vet></al><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al><lijst><li nr="1."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering;of</al></li><li nr="2."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende
                            maand(en). </al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. In dat geval hoeft niet over gegaan te worden tot
                    herziening van de bijstand en tot terugvordering van het te veel betaalde bedrag
                    aan bijstand. </al><al>Om te voorkomen dat belanghebbenden wiens uitkering (net) is beëindigd ondanks
                    hun verwijtbare gedrag geen maatregel opgelegd krijgen is in lid 5 van dit
                    artikel wel de mogelijkheid opgenomen om de maatregel met terugwerkende kracht
                    op te leggen. </al><al><vet>Lid 2 </vet></al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde is
                    uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te
                    verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de
                    bijstand wel worden herzien. In de beschikking wordt het recht over de
                    betreffende periode herzien en de bijstand verlaagd. De verlaging vindt plaats
                    door verrekening. </al><al><vet>Lid 3 </vet></al><al>Bijstand aan zelfstandigen wordt in het boekjaar als renteloze lening verstrekt
                    en na afloop van het betreffende boekjaar wordt de bijstand over dat boekjaar
                    definitief vastgesteld. Dat maakt het mogelijk om een maatregel met
                    terugwerkende kracht toe te passen bij de definitieve vaststelling van de
                    bijstand. </al><al><vet>Lid 4 </vet></al><al>Dit lid regelt dat een maatregel voor bepaalde tijd wordt opgelegd. Door een
                    maatregel voor een bepaalde periode op te leggen, weet de uitkeringsgerechtigde
                    die met een maatregel wordt geconfronteerd waar hij aan toe is. Het college kan
                    na afloop van de periode waarvoor de maatregel is getroffen opnieuw een
                    maatregel opleggen. Hiervoor is dan wel weer een apart besluit voor nodig. </al><al>Wordt een maatregel voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het
                    college de maatregel aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld
                    in artikel 18, derde lid WWB. </al><al>De gemeente mag zelf bepalen wanneer de herbeoordeling plaatsvindt, als dat maar
                    gebeurt binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij zo´n
                    herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden genomen, waarbij alle
                    relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht worden gehouden. Een
                    marginale beoordeling volstaat: het college moet beoordelen of het redelijk is
                    dat de opgelegde maatregel wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar
                    de omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de
                    betreffende persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet. </al><al><vet>Lid 5 </vet></al><al>Indien de uitkering van betrokkene reeds is beëindigd en er toch verwijtbaar
                    gedrag wordt geconstateerd biedt dit lid de mogelijkheid om alsnog een maatregel
                    op te leggen. </al><al>De uitkering wordt in dat geval herzien en het teveel betaalde bedrag aan
                    bijstand wordt teruggevorderd. Dit ligt vooral voor de hand indien er sprake is
                    van het niet nakomen van de inlichtingenplicht en het teveel betaalde bedrag aan
                    bijstand van de uitkeringsgerechtigde moet worden teruggevorderd. In dat geval
                    wordt al een uitkeringsbedrag teruggevorderd en niet alleen vanwege het feit dat
                    met terugwerkende kracht een maatregel wordt opgelegd. Het opleggen van een
                    maatregel met terugwerkende kracht is geregeld in artikel 12 lid 4 van deze
                    verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 8. Samenloop van gedragingen</vet></al><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende
                    gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
                    plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde gedraging die
                    verschillende schendingen van verplichtingen met zich meebrengt. </al><al>Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één gedraging,
                    dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan van de
                    gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing is. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Plicht tot arbeidsinschakeling, behoud van arbeid en
                        tegenprestatie </vet></al><al><vet>Artikel 9. Indeling in categorieën</vet></al><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                    verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                    worden in vijf categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging
                    het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de
                    gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of behouden van
                    betaalde arbeid. </al><al/><al>De gedragingen die in dit artikel worden genoemd zijn minder concreet omschreven
                    dan in het Maatregelenbesluit. De reden hiervoor is dat in de WWB, in
                    tegenstelling tot in de Abw, volstaat met een algemene omschrijving van de
                    plicht tot arbeidsinschakeling. De concrete invulling van de verplichtingen
                    dient zoveel mogelijk te worden afgestemd op de mogelijkheden van de individuele
                    bijstandsgerechtigde. </al><al/><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich als
                    werkzoekende in te schrijven bij het UWV Werkbedrijf en ingeschreven te blijven. </al><al>Onderdeel b betreft de verplichting om het individuele activeringsplan, het
                    (standaard) trajectplan, te ondertekenen. Het trajectplan wordt als bijlage bij
                    het besluit tot toekenning of voorzetting van bijstand meegestuurd. </al><al/><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de
                    arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om
                    bijvoorbeeld voldoende te solliciteren en te voldoen aan een oproep. De volgende
                    per 1 januari 2012 ingevoerde nieuwe wettelijke verplichtingen voor jongeren
                    vallen ook onder deze categorie: </al><lijst><li nr="-"><al>de verplichting voor jongeren om een aanvraag niet eerder in te dienen
                            dan vier weken na melding (art. 41, lid 4 WWB);</al></li><li nr="-"><al>de verplichting om gedurende deze ‘wachttijd’ te zoeken naar
                            mogelijkheden voor werk of scholing (art. 43, lid 4 WWB).</al></li></lijst><al/><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding vormen
                    tot een beroep op bijstand of het zonder noodzaak langer voortduren daarvan. Het
                    gaat hier om het stellen van niet verantwoorde beperkingen ten aanzien van de
                    aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling
                    verminderen. Voorbeelden van deze categorie zijn negatieve gedragingen bij
                    sollicitaties en onvoldoende meewerken aan het opgesteld trajectplan waaronder
                    ook sociale activering verplicht kan worden gesteld. </al><al>De volgende per 1 januari 2012 ingevoerde nieuwe wettelijke verplichtingen voor
                    WWB-ers vallen ook onder deze categorie: </al><lijst><li nr="-"><al>de verplichting van een jongere tot 27 jaar om mee te werken aan het
                            opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak zoals bedoeld
                            in artikel 44a van de wet (art. 9, lid 1, sub b WWB);</al></li><li nr="-"><al>de verplichtingen van de alleenstaande ouders die een ontheffing hebben
                            op grond van art. 9a, WWB;</al></li><li nr="-"><al>de verplichting om naar vermogen opgedragen onbeloonde maatschappelijk
                            nuttige werkzaamheden te verrichten (art. 9, lid 1, sub c WWB).</al></li></lijst><al/><al>De vierde categorie betreft het niet meewerken aan een voorziening zoals bedoeld
                    in artikel 9 van de re-integratieverordening WWB, IOAW en IOAZ. Het betreft de
                    work first-voorziening. </al><al/><al>De vijfde categorie betreft het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                    arbeid alsmede door eigen toedoen voorafgaand aan de aanvraag algemeen
                    geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel tijdens de bijstand deeltijdarbeid
                    niet behouden. </al><al/><al><vet>Artikel 10. De hoogte en duur van de maatregel</vet></al><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de vijf categorieën van
                    gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen
                    aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. </al><al/><al><vet>Lid 2 en 3</vet></al><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging in de eerste, tweede,
                    derde, vijfde categorie sprake is van een herhaling van de verwijtbare
                    gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in
                    een verdubbeling van de duur van de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging
                    wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een maatregel,
                    ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het
                    bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop
                    het besluit waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al><al/><al>Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging in de vierde
                    categorie sprake is van een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de
                    grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling
                    van het percentage van de maatregel. Met een eerste verwijtbare gedraging wordt
                    de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een maatregel, ook
                    indien de maatregel wegens dringende redenen niet geëffectueerd is. Voor het
                    bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop
                    het besluit waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt. </al><al/><al>Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden
                    toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom
                    hetzelfde verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel
                    individueel moet worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de
                    ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele
                    omstandigheden van de betrokkene. </al><al/><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Dit lid stemt de maatregel af op de sancties, zoals deze gelden onder de werking
                    van de Wet inburgering. Daarbij zijn de sancties die onder deze wet van
                    toepassing zijn, als uitgangspunt genomen om een eenduidig beleid te kunnen
                    voeren ten opzichte van inburgeraars. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Niet nakomen van de inlichtingenplicht</vet></al><al><vet>Artikel 11. Het niet of niet tijdig verstrekken van gegevens </vet></al><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>Indien een belanghebbende de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde
                    gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het college het
                    recht op bijstand opschorten (artikel 54 lid 1 van de wet). Het college geeft de
                    cliënt vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen (de
                    hersteltermijn). Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn
                    aan de gemeente verstrekt, dan kan het college de bijstand weigeren (in de
                    situatie dat een uitkering wordt aangevraagd) of het besluit tot toekenning van
                    de bijstand intrekken (bij een lopende uitkering). Worden de gevraagde gegevens
                    wel binnen de hersteltermijn verstrekt, dan wordt de bijstand voortgezet, maar
                    wordt tevens een maatregel opgelegd. Dit lid regelt de hoogte van de maatregel. </al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Dit lid regelt de hoogte en duur van de maatregel bij recidive. </al><al/><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Een schriftelijke waarschuwing is geen maatregel. Dit wil zeggen dat bij
                    herhaling van de gedraging in principe een maatregel wordt opgelegd zonder
                    toepassing van de recidivemaatregel. </al><al>Met een schriftelijke waarschuwing kan, op grond van dit lid, niet worden
                    volstaan als het niet of niet tijdig verstrekken van gegevens heeft geleid tot
                    het ten onrechte of te veel verstrekken van bijstand. In dat geval moet een
                    maatregel worden opgelegd, tenzij zich een situatie als bedoeld in artikel 6
                    voor doet. </al><al/><al><vet>Artikel 12. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met
                        gevolgen voor de bijstand </vet></al><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>In artikel 17, eerste lid, WWB is bepaald dat belanghebbende op verzoek of
                    onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en omstandigheden
                    waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn
                    op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. De ernst van de gedraging
                    komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is het door de
                    gemeente teveel betaalde bedrag aan bijstand. </al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                    inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de WWB wordt afhankelijk gesteld
                    van de hoogte van het bedrag aan bijstand dat als gevolg van de schending van
                    die verplichting ten onrechte of te veel aan de belanghebbende is betaald. </al><al/><al><vet>Lid 3</vet></al><al>Het opleggen van een sanctie in reactie op schending van de inlichtingenplicht
                    is in beginsel een verantwoordelijkheid van de gemeente zelf. In de Aanwijzing
                    sociale zekerheidsfraude hebben de Procureurs-generaal echter richtlijnen
                    gegeven onder welke omstandigheden ter zake van de aan de schending klevende
                    strafrechtelijke delicten (veelal oplichting en valsheid in geschrifte)
                    vervolging door het OM moet plaatsvinden. </al><al>Uitgangspunt is het zogenaamde ‘una via’ beginsel. De belanghebbende wordt
                    hetzij door de gemeente, hetzij door de strafrechter gesanctioneerd. Niet door
                    beide. </al><al>In grote lijnen komt het er op neer dat als er een redelijk vermoeden bestaat
                    dat het benadelingsbedrag (bruto) € 10.000 of hoger is, er aangifte en
                    vervolging door het OM dient plaats te vinden. Is er echter sprake van “witte”
                    fraude (door koppeling van bestanden etc. aan het licht gebracht), dan is de
                    gemeente primair verantwoordelijk tot een benadelingsbedrag van € 35.000. Is de
                    benadeling groter dan is altijd het OM aan zet. Dat geldt ook voor gevallen
                    waarin er met de belanghebbende geen uitkeringsrelatie meer bestaat en dus geen
                    maatregel meer kan worden toegepast. </al><al>In het derde lid is vastgelegd dat van een maatregel wordt afgezien als
                    inmiddels vervolging is ingesteld door het OM of als een schikking is getroffen.
                    In dergelijke situaties is een maatregel niet meer opportuun. </al><al/><al><vet>Lid 4 </vet></al><al>Indien de uitkering reeds is beëindigd is het niet meer mogelijk om een
                    maatregel in de toekomst op te leggen. In de gevallen dat er gefraudeerd is met
                    gevolgen voor de bijstand dient er een maatregel te worden geheven over de
                    bijstandsnorm welke gold ten tijde van de gedraging. Hierbij dienen de
                    benadelingsbedragen, percentages en perioden van artikel 12 lid 2 van deze
                    verordening gehanteerd te worden. </al><al/><al><vet>Artikel 13. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder
                        gevolgen voor de bijstand </vet></al><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>In dit artikel wordt de zogeheten “nulfraude” geregeld: het verstrekken van
                    onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft
                    voor de hoogte van de bijstand. Een voorbeeld van nulfraude is het niet opgeven
                    van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens. </al><al/><al><vet>Lid 2 </vet></al><al>De bevoegdheid tot het geven van een waarschuwing bij het niet of niet
                    behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht is gelijk aan de bevoegdheid tot
                    het geven van een waarschuwing bij het te laat verstrekken van informatie. </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Overige gedragingen die leiden tot een maatregel</vet></al><al><vet>Artikel 14. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid </vet></al><al><vet>Lid 1 </vet></al><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                    voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                    aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                    bijstandsaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                    getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van
                    het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt,
                    de gemeente bij toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het
                    opleggen van een maatregel. </al><al/><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei gedragingen
                    blijken zoals: </al><lijst><li nr="-"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>geen of een te late aanvraag doen voor een voorliggende
                            voorziening;</al></li><li nr="-"><al>het niet nakomen van de verplichting tot het instellen van
                            alimentatievordering.</al></li></lijst><al/><al><vet>Lid 2 </vet></al><al>In het tweede lid wordt een relatie gelegd tussen de hoogte van de maatregel en
                    het benadelingsbedrag. De ernst van de gedraging wordt daarnaast uitgedrukt in
                    de duur van de maatregel. Bij de vaststelling van de maatregel dient beoordeeld
                    te worden hoe lang betrokkene onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven,
                    indien hij wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had betoond. Dit lid
                    laat onverlet de mogelijkheid voor het college om af te wijken van duur en/of
                    hoogte op basis van de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden
                    van de belanghebbende. </al><al>De in dit lid gehanteerde percentages en duur moeten worden gezien als absoluut
                    minimum. Matiging van de in dit artikel gestelde percentages en/of duur, op
                    grond van specifieke individuele omstandigheden van de belanghebbende, ligt in
                    het algemeen niet in de rede, gelet op de ernst van de verwijtbare gedraging.
                    Verzwaring van de maatregel zal sneller voor komen, zeker als er sprake is van
                    een eerdere of langere (nagenoeg) volledige bijstandsafhankelijkheid en/of de
                    termijn waarover het beroep op de bijstand eerder ingaat dan wel langer duurt
                    zich over een grote(re) periode uitstrekt. </al><al/><al><vet>Lid 3 </vet></al><al>Het derde lid regelt de hoogte en duur van de maatregel wanneer er geen
                    benadelingsperiode vastgesteld kan worden. </al><al/><al><vet>Artikel 15. Zeer ernstige misdragingen </vet></al><al>Onder de term “zeer ernstige misdragingen” kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    kan worden beschouwd. </al><al>Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat
                    tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij
                    het vaststellen van het recht op uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt
                    bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder
                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WWB. </al><al/><al>In artikel 18, tweede lid van de wet, wordt gesproken over “ het zich jegens het
                    college zeer ernstig misdragen”. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
                    tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het
                    opleggen van een maatregel. Er kan dus geen maatregel worden opgelegd als een
                    klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere
                    organisatie die belast is met de uitvoering van de WWB (bijv. een
                    re-integratiebedrijf). Het is in dat geval wel mogelijk een maatregel op te
                    leggen wegens het niet of onvoldoende gebruik maken van een voorziening gericht
                    op arbeidsinschakeling (artikel 7, derde lid van deze verordening). </al><al/><al>Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een
                    uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden
                    naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                    omstandigheden van de betrokkene. </al><al>Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de volgende
                    vormen van agressief gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
                    onderscheiden: </al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>combinatie van agressievormen</al></li></lijst><al/><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden
                    naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. </al><al>In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel
                    geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het
                    toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken
                    (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door
                    onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                    frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij
                    instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld. </al><al/><al>Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de
                    politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de
                    agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. </al><al/><al>De in dit artikel bepaalde maatregel moet worden gezien als absoluut minimum.
                    Matiging van de in dit artikel gestelde maatregel, op grond van specifieke
                    individuele omstandigheden van de belanghebbende, ligt in het algemeen niet in
                    de rede, gelet op de ernst van de verwijtbare gedraging. Verzwaring van de
                    maatregel zal sneller voor komen. Van de belanghebbende mag in beginsel worden
                    verwacht dat hij zich tegenover (leden van) het college en hun ambtenaren, in
                    het kader van de uitoefening van hun functie, op een correcte wijze gedraagt. De
                    belanghebbende dient zich er terdege van bewust te zijn dat op een zorgvuldige,
                    rechtmatige en doelmatige wijze door de gemeente uitvoering wordt gegeven aan de
                    wettelijke verplichtingen, die haar in het kader van de WWB zijn opgelegd. </al><al/><al>Wat onder ‘zeer ernstige misdragingen’ exact moet worden verstaan, is niet aan
                    te geven. Wél geldt daarbij als uiterst belangrijk criterium het gevoelen van
                    (de leden van) het college en hun ambtenaren met betrekking tot de gedragingen
                    van de belanghebbende. Dit is namelijk het directe gevolg van het handelen van
                    belanghebbende.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5 Slotbepalingen</vet></al><al><vet>Artikel 16. Citeertitel</vet></al><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al><al/><al><vet>Artikel 17. Inwerkingtreding </vet></al><al>Deze maatregelenverordening moet met terugwerkende kracht in werking treden met
                    ingang van 1 januari 2012, omdat de Wet afschaffing huishoudinkomenstoets met
                    terugwerkende kracht vanaf die datum in werking treedt. </al><al/><al><vet>Artikel 18. Overgangsrecht</vet></al><al>Voor een bepaalde groep blijft de huishoudinkomenstoets van kracht. Het gaat
                    daarbij om de groep die voordeel heeft van de huishoudinkomenstoets. Voor deze
                    groep wordt dit nog tot 1 januari 2013 toegepast. In deze verordening is daarom
                    een bepaling opgenomen dat voor deze groep de ‘Maatregelenverordening WWB’ van 1
                    december 2004, voor het laatst gewijzigd bij raadsbesluit van 26 januari 2012,
                    van kracht blijft tot 1 januari 2013. Daarna gaat deze verordening ook voor deze
                    groep in. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>