<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR250392_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening 2012 gemeente Ten Boer</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ten Boer</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Noorderkrant, 12-12-12</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-11-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-12-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-10-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>TB 12.3371043</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening 2012 gemeente Ten Boer</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Ten Boer; gezien het voorstel van het college van gelet op
            artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 14, 15 en 38 van de Monumentenwet
            1988; besluit vast te stellen de Erfgoedverordening 2012 gemeente Ten Boer.Hoofdstuk 1
            Algemee</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                                            betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische
                                            waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar
                                            aanwezige zaak bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al>beschermd rijksmonument: onroerend monument, dat is ingeschreven
                                    in de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde
                                    registers;</al></li><li nr="d."><al>monumentencommissie: de op basis van artikel 15 lid 1
                                    Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college
                                    op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing
                                    van de Monumentenwet 1988, de verordening en het
                                    monumentenbeleid;</al></li><li nr="e."><al>gemeentelijke archeologische beleidskaart: topografische kaart
                                    van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied,
                                    waarop archeologische monumenten en archeologische
                                    verwachtingsgebieden zijn aangegeven, waarbij onderscheid wordt
                                    gemaakt in hoge, middelhoge en lage trefkans;</al></li><li nr="f."><al>archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    gemeentelijke archeologische beleidskaart, waarvan is aangegeven
                                    dat in bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te
                                    verwachten zijn;</al></li><li nr="g."><al>hoge verwachtingswaarde: grote kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="h."><al>middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische
                                    vondsten of informatie;</al></li><li nr="i."><al>lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="j."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="k."><al>programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek.</al></li><li nr="l."><al>bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd
                                    onderzoek naar de kwaliteiten en betekenis van een monument als
                                    bedoeld onder a.;</al></li><li nr="m."><al>bevoegd gezag: het college, tenzij op grond van de Wet algemene
                                    bepalingen omgevingsrecht anders is bepaald.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoodstuk</label><nr>2</nr><titel>aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                    een zaak of terrein aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                    het college advies aan de monumentencommissie. In spoedeisende
                                    gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven.</al></li><li nr="3."><al>De aanwijzing kan geen zaak of terrein betreffen die of dat is
                                    aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of
                                    dat is aangewezen op grond van de monumentenverordening van de
                                    provincie Groningen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een zaak of terrein als
                            bedoeld in het vorige artikel de kennisgeving van het voornemen tot
                            aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument ontvangt tot het moment
                            dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 6 plaatsvindt,
                            dan wel vaststaat dat de betreffende zaak of terrein niet wordt
                            geregistreerd, zijn de artikelen 9 tot en met 11 van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken
                                    na ontvangst van het verzoek van het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het
                                    advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen
                                    twintig weken na de adviesaanvraag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 2, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst.</al></li><li nr="2."><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke
                                    aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding
                                    en een beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende
                                    de aanwijzing wijzigen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 2, tweede en derde lid, alsmede artikel 3, 4 en 5 zijn
                                    van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                    ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing,
                                    als bedoeld in lid 2, achterwege.</al></li><li nr="4."><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 2, tweede
                                    lid, en de artikelen 4 en 5 van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien
                                    toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet
                                    1988.</al></li><li nr="3."><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                    geregistreerd.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>instandhouding van gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Instandhoudingbepaling gemeentelijk monument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te
                                    vernielen.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in
                                    strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te
                                            verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of
                                            te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt
                                            ontsierd of in gevaar gebracht.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede
                                    lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met
                                    betrekking tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden
                                    uitgevoerd.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven dat de aanvrager van een
                                    vergunning als bedoeld in het tweede lid bouwhistorisch
                                    onderzoek moet verrichten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Termijnen advies en vergunningverlening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag vraagt advies aan de monumentencommissie
                                    voordat zij beslist op de aanvraag om vergunning als bedoeld in
                                    artikel 9.</al></li><li nr="2."><al>Binnen twee weken na de adviesaanvraag brengt de
                                    monumentencommissie schriftelijk een gemotiveerd advies uit aan
                                    het bevoegd gezag.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Rijksmonumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Vergunning voor wijziging van een beschermd rijksmonument</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd gezag zendt een afschrift van de ontvankelijke
                                    aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de
                                    monumentencommissie.</al></li><li nr="2."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                    binnen twee weken na de datum van verzending van het
                                    afschrift.</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan voorschrijven dat de aanvrager van een
                                    vergunning als bedoeld in het eerste lid bouwhistorisch
                                    onderzoek moet verrichten.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Instandhouding van archeologische verwachtingsgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Instandhoudingsbepaling van archeologische verwachtingsgebieden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om zonder vergunning of in strijd met bij
                                    zodanige vergunning gestelde voorschriften in een archeologisch
                                    verwachtingsgebied als bedoeld in artikel 1 onder f de bodem
                                    dieper dan 30 cm onder de oppervlakte te verstoren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod in het vorige lid is niet van toepassing indien</al><lijst><li nr="a."><al>het een verstoring betreft van een archeologisch
                                            verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke
                                            archeologische beleidskaart en waarbij die verstoring
                                            plaatsvindt:</al><lijst><li nr="-"><al>in een gebied met lage archeologische
                                                  verwachtingswaarde, of;</al></li><li nr="-"><al>in een gebied met middelhoge archeologische
                                                  verwachtingswaarde, waarbij het te verstoren
                                                  oppervlak minder dan 200 m² en niet dieper dan 45
                                                  cm onder de oppervlakte is;</al></li><li nr="-"><al>in een gebied met hoge archeologische
                                                  verwachtingswaarde en het te verstoren oppervlak
                                                  minder dan 50 m² en niet dieper dan 30 cm ten
                                                  opzichte van het maaiveld is;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>in het geldende bestemmingsplan bepalingen zijn
                                            opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="c."><al>in een omgevingsverguñning als bedoeld in artikel 2.1
                                            lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen
                                            omgevingsrecht voorschriften zijn opgenomen omtrent
                                            archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="d."><al>in een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1
                                            lid 1 onder h van de Wet algemene bepalingen
                                            omgevingsrecht (sloopvergunning in beschermd stads- en
                                            dorpsgezicht) voorschriften zijn opgenomen omtrent
                                            archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="e."><al>het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                                            uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een
                                            verstoring van een archeologisch monument of
                                            archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de
                                            gemeentelijke archeologische beleidskaart;</al></li><li nr="f."><al>een rapport is overgelegd waarin de archeologische
                                            waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van
                                            het college in voldoende mate is vastgesteld en waaruit
                                            blijkt dat:</al><lijst><li nr="-"><al>de archeologische waarden door de verstoring
                                                  niet onevenredig worden geschaad; of</al></li><li nr="-"><al>in het geheel geen archeologische waarden
                                                  aanwezig zijn;</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>het gaat om bodemverstoringen die voortvloeien uit
                                            normaal agrarisch gebruik, waaronder mede wordt verstaan
                                            het aanleggen van drainage.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Termijnen vergunningverlening</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college beslist binnen 8 weken na ontvangst van de aanvraag
                                    om vergunning als bedoeld in artikel 12 lid 1.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de in het vorige lid genoemde termijn eenmaal
                                    met ten hoogste 8 weken verlengen, mits zij de aanvrager daarvan
                                    kennis geeft binnen de in het vorige lid genoemde termijn.</al></li><li nr="3."><al>Indien het college niet voldoet aan het eerste of tweede lid,
                                    wordt de vergunning geacht van rechtswege te zijn verleend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Aanvraag vergunning als bedoeld in artikel 12 lid 1</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 12 lid 1 moet
                                    met de daarbij behorende bescheiden in 4-voud worden ingediend
                                    bij het college.</al></li><li nr="2."><al>Het college stelt de indieningsvereisten vast voor de in het
                                    vorige lid bedoelde aanvraag en is bevoegd nadere gegevens van
                                    aanvrager te verlangen, zoals de rapportage van een
                                    bouwhistorisch en/of archeologisch onderzoek.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>Het college kan de vergunning als bedoeld in artikel 12 intrekken
                            indien</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften bedoeld in
                                    artikel 12 niet naleeft;</al></li><li nr="c."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="d."><al>binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de vergunning
                                    geen begin met de werkzaamheden is gemaakt;</al></li><li nr="e."><al>tussen het begin en het einde van de werkzaamheden deze
                                    werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken
                                    stilliggen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van
                                    opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988,
                                    dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet:</al><lijst><li nr="a."><al>het college een programma van eisen vast te stellen als
                                            bedoeld in artikel 1 onder k, waarbij nadere regels
                                            worden gesteld ten aanzien van het onderzoek;</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan
                                            van aanpak als bedoeld in artikel 1 onder j van deze
                                            verordening ter goedkeuring aan het college te
                                            overleggen.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met
                                    betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het
                                    plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van
                                    het college in acht te worden genomen.</al></li><li nr="3."><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma
                                    van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het college
                                    advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de
                                    Archeologische monumentenzorg.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdsyuk</label><nr>6</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Monumentencommissie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De monumentencommissie adviseert de raad danwel het college, elk
                                    naar gelang diens bevoegdheden, desgevraagd over
                                    aanwijzingsvoorstellen voor beschermde stads- en dorpsgezichten
                                    en de daarmee samenhangende bestemmingsplannen.</al></li><li nr="2."><al>De monumentencommissie adviseert desgevraagd over aanvragen van
                                    een omgevingsvergunning voor bouw en sloop in beschermde
                                    stadsgezichten.</al></li><li nr="3."><al>Binnen twee weken na de adviesaanvraag als bedoeld in het vorige
                                    lid brengt de monumentencommissie schriftelijk een gemotiveerd
                                    advies uit aan het college. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt
                                    of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen
                                    laste behoort te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag
                                    een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, indien de
                                    schade in relatie staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als
                                            bedoeld in artikel 9 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan
                                            een vergunning als bedoeld in artikel 9;</al></li><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld
                                            in artikel 9, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld
                                            in artikel 12, tweede lid, onder d;</al></li><li nr="e."><al>de weigering van het college een vergunning als bedoeld
                                            in artikel 12 te verlenen;</al></li><li nr="f."><al>de voorschriften door het college verbonden aan een
                                            vergunning als bedoeld in artikel 12;</al></li><li nr="g."><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 16, tweede lid,
                                            tweede volzin.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van de
                                    verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van
                                    artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening van overeenkomstige
                                    toepassing (planschade).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen omtrent de onderwerpen die deze
                            verordening betreffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met de artikelen 9 en 12 van deze
                            verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of
                            een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                    krachtens deze verordening zijn belast deinspecteurs
                                    bouw- en woningtoezicht. </al></li><li nr="2."><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij
                                    of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het
                                    college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Monumentenverordening Gemeente Ten Boer wordt ingetrokken, met dien
                            verstande dat artikel 11 van de Monumentenverordening Ten Boer van
                            kracht blijft tot in werking treding van artikel 10 van de
                            Erfgoedverordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De op grond van de onder artikel 23 ingetrokken
                                    Monumentenverordening Gemeente Ten Boer aangewezen en
                                    geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht
                                    aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen
                                    van deze verordening.</al></li><li nr="2."><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de
                                    inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met
                                    inachtneming van de in artikel 23 ingetrokken verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van
                            bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening 2012 gemeente
                            Ten Boer.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al> T<vet>OELICHTING</vet></al><al>De instandhoudingsbepaling met betrekking tot archeologische terreinen
                            vloeit voort uit de Wet op de archeologische monumentenzorg (tot stand
                            gekomen op grond van het Verdrag van Malta) en komt neer op het feit dat
                            gemeenten hun bestemmingsplannen moeten actualiseren met een
                            archeologische paragraaf, zodat voldoende rekening kan worden gehouden
                            (voor wat betreft de bescherming) met archeologische waarden en het
                            behoud daarvan. Omdat de actualiteit van bestemmingsplannen ‘an sich’ al
                            voor problemen kan zorgen, is het opnemen van een archeologische
                            paragraaf voor veel gemeenten ook niet eenvoudig of snel te realiseren.
                            De verordening voorziet daarom in een overgangssituatie door het college
                            de bevoegdheid te geven nadere regels te stellen voor verstorende
                            activiteiten in een archeologisch monument of verwachtingsgebied. Deze
                            nadere regels kunnen dezelfde regels zijn die gaan gelden indien een
                            aanlegvergunning zou worden aangevraagd op grond van een aangepast
                            bestemmingsplan, waarin wel een archeologisch paragraaf is opgenomen
                            (Malta-proof). Met de invoering van de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht kan een ander bestuursorgaan dan het college de
                            vergunningverlener zijn; daarom staat in de verordening op verschillende
                            plekken het begrip “bevoegd gezag”; in deze toelichting is, voor de
                            leesbaarheid, het college blijven staan.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al>Hoofdstuk 1 Algemeen</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al> Begripsbepalingen</al><al><cursief>Sub a</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met
                            uitzondering van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de
                            omschrijving van een monument in de Monumentenwet 1988. De
                            cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan
                            een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat
                            is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                            van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een dermate ruime
                            omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met
                            een geschiedkundige, archeologische en of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim
                            te worden uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar
                            archeologische waarden in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan
                            het bijvoorbeeld ook gaan om parken, tuinen en een perceel met een of
                            meer bomen. Het is niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig
                            monument voorkomt teneinde over een gemeentelijk monument te kunnen
                            spreken. Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke
                            monumenten is overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                            monumenten die (nog) niet op de rijksmonumentenlijst kunnen worden
                            geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, reeds op de gemeentelijke
                            monumentenlijst te plaatsen.</al><al><cursief>Sub b</cursief></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                            aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst
                            heeft geen rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve
                            handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing
                            tot gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het is inzichtelijker
                            om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken. Zie
                            ook de toelichting op artikel 2, lid 1, en artikel
                            6<cursief>.</cursief></al><al><cursief>Sub c</cursief></al><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een 'beschermd
                            rijksmonument' in de gemeentelijke monumentenverordening op te nemen.
                            Deze verordening is namelijk een voorwaarde voor het verkrijgen door het
                            college van de bevoegdheid om vergunningen voor de wijziging en sloop
                            van rijksmonumenten te verlenen. Op de vergunningverlening voor
                            rijksmonumenten zijn met name de artikelen 11 tot en met 21 van de
                            Monumentenwet 1988 van toepassing.</al><al><cursief>Sub d</cursief></al><al>Sinds de komst vande Wet dualisering in 2002 kan elk bevoegd
                            orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn
                            commissies instellen. De monumentencommissie is een commissie die
                            adviseert aan het college. Normaal gesproken zou het dan ook het college
                            zelf zijn, die deze commissie instelt op grond van artikel 84
                            Gemeentewet. In de monumentenverordening wordt echter door de raad
                            bepaald dat een monumentencommissie advies moet uitbrengen aan het
                            college. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet. In artikel 15 van deze
                            wet is bepaald dat de gemeente in een verordening de inschakeling van
                            een commissie moet regelen die adviseert aan het college over aanvragen
                            van vergunningen als bedoeld in artikel 11 van de Monumentenwet. De
                            wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen
                            keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Het
                            instellen van de monumentencommissie door het college moet middels een
                            apart collegebesluit. </al><al>De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                            monumentenverordening en de Monumentenwet 1988. Door de
                            monumentencommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren
                            over de toepassing van de Monumentenwet 1988 te adviseren aan het
                            college, is voldaan aan het vereiste genoemd in artikel 15 lid 1 van de
                            Monumentenwet 1988. Mocht een gemeente niet over een monumentenbeleid
                            beschikken, dan moet dit niet in de bepaling opgenomen worden. Overigens
                            kan de monumentencommissie worden gecombineerd met een
                            welstandscommissie.</al><al><cursief>Sub e</cursief></al><al>De gemeentelijke archeologische beleidskaart biedt een praktische
                            oplossing in het geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is
                            vastgesteld. In dat geval kunnen gebieden op een dergelijke
                            beleidsadvieskaart worden opgenomen, indien blijkt dat daar op grond van
                            gemeentelijk historisch onderzoek mogelijk archeologische sporen in de
                            bodem kunnen worden aangetroffen.</al><al>Voor de gemeentelijke archeologische beleidskaart heeft de landelijke
                            Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden als basis gediend; dit is
                            een landelijk gebruikte kaart met een schaal van 1:50.000 die op basis
                            van geomorfologische gegevens de kans weergeeft op de aanwezigheid van
                            archeologische vindplaatsen. De gemeentelijke archeologische
                            beleidskaart kent net als de landelijke Indicatieve Kaart van
                            Archeologische Waarden het onderscheid in lage, middelhoge en hoge
                            verwachtingswaarde.</al><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al voldoende
                            omschreven, zodat deze geen nadere toelichting behoeven.</al><al>Hoofdstuk 2 Aanwijzing gemeentelijke monumenten</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr></kop><al> De aanwijzing tot gemeentelijk monument</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de
                            monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De
                            aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de
                            gemeentelijke monumentenlijst is slechts een administratieve
                            handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het
                            college. De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De
                            aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande
                            gebruik van het monument.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als
                            bedoeld onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan
                            bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en
                            werkwijze van de monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen
                            plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat, voordat het college
                            over een aanwijzing een besluit neemt, de aanvrager en andere
                            belanghebbenden worden gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de
                            artikelen 4:8 en 4:9 van) de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie
                            reeds op een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing
                            als gemeentelijk monument in aanmerking.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr></kop><al> Voorbescherming</al><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke
                            monumenten zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in
                            de periode van kennisgeving van het voornemen van het college om een
                            monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het
                            daadwerkelijke aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de
                            artikelen 9 tot en met 11 van deze verordening van toepassing zijn. Dat
                            betekent onder andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure
                            tot beschermd gemeentelijk monument niet mag worden afgebroken,
                            gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een gemeentelijke
                            monumentenvergunning of anders dan de bij nadere regels opgestelde
                            wijze. </al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een
                            publiekrechtelijke beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van
                            artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet
                            kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee is
                            ook onder andere artikel 13 van deze wet van toepassing voor wat betreft
                            de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden schade.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr></kop><al/></divisie><divisie><kop><titel> Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de
                            monumentencommissie moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing
                            moet nemen (lid 2). Door de besluitvorming aan een termijn te binden,
                            weten alle belanghebbenden waar ze aan toe zijn. In het kader van de
                            vermindering van administratieve lasten dient goed nagedacht te worden
                            over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van de
                            termijnen. Over het algemeen geldt: hoe korter de termijnen zijn, des te
                            minder zijn de administratieve lasten voor de burger.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr></kop><al> Mededeling aanwijzingsbesluit</al><al>De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een
                            afschrift van de inschrijving) van het college is voor alle aan het
                            monumentale object verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel
                            belang. De kenbaarheid van de aanwijzing tot monumentaal object is ook
                            te herleiden tot artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b,
                            sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende
                            zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van toepassing op
                            een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2 van deze
                            verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                            bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al
                            bepaalt (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van
                            geadresseerde en derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op
                            grond van het bepaalde in artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te
                            ontvangen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr></kop><al> Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</al><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en
                            geen besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om
                            een ieder snel inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument
                            zijn aangewezen en de redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste
                            aspect zij tevens verwezen naar de toelichting bij artikel 2, eerste lid
                            (aanwijzing).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr></kop><al> Wijziging van de aanwijzing</al><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van
                            gemeentelijke monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde
                            voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de
                            wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de
                            aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid
                            4).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr></kop><al> Intrekken van de aanwijzing</al><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke
                            monumenten in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is
                            het advies van de monumentencommissie nodig, tenzij sprake is van
                            spoedeisende gevallen (lid 2). Monumenten op de gemeentelijke
                            monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken (omdat ze zijn
                            gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan), worden door het college
                            van de monumentenlijst gehaald. Naast de registratie regelt lid 3 dat
                            monumenten niet dubbel aangewezen en geregistreerd kunnen zijn in het
                            geval dat het object ook als rijks- of provinciaalmonument is aangewezen
                            en geregistreerd. In dat geval vervalt de gemeentelijke aanwijzing en
                            registratie als monument. Ook is het mogelijk dat de provinciale
                            monumentenverordening dit zelf regelt.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot
                            intrekking van de aanwijzing loopt een (uitvoerige) bouwhistorische
                            documentatie te eisen. Enerzijds kan deze voor een goede afweging van de
                            aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw voorafgaand aan de sloop
                            voor de lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><al>Hoofdstuk 3 Instandhouding van gemeentelijke monumenten</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr></kop><al> Instandhoudingbepaling van gemeentelijk monument</al><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 9 vertoont gelijkenis
                            met artikel 11 lid 1 van de Monumentenwet 1988. De artikelen 11 tot en
                            met 21 van de Wet juncto artikel 11 van deze verordening regelen de
                            vergunningverlening voor de wijziging van rijksmonumenten door het
                            college. In dit artikel gaat het derhalve alleen over gemeentelijke
                            monumenten. </al><al>In tegenstelling tot de VNG-modelverordening hebben wij ervoor gekozen
                            om ook voor gemeentelijke archeologische monumenten een vergunningplicht
                            in het leven te roepen. In het VNG-model beperkte de vergunningplicht
                            zich enkel tot gebouwde monumentale zaken en vielen archeologische
                            monumenten niet onder een vergunningplicht. Omdat echter bijvoorbeeld
                            een sloopvergunning – een activiteit waarbij de kans op verstoring van
                            archeologische waarden reëel is - geweigerd kan worden wanneer een
                            monumentenvergunning is vereist en deze niet is verleend, is een
                            vergunningplicht voor gemeentelijke archeologische monumenten raadzaam.
                            Voor alle duidelijkheid: er zijn momenteel nog geen archeologische
                            monumenten aangewezen. Mocht echter in de toekomst de noodzaak cq
                            behoefte daartoe bestaan, dan biedt dit artikel hiervoor de juridische
                            kapstok.</al><al>Ten aanzien van de vergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is
                            van belang dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens
                            geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In een
                            aanvraagformulier voor de vergunning kan de gemeente aangeven welke
                            gegevens zijn vereist. In dat kader kan ook het overleggen van een
                            rapportage met betrekking tot een bouwhistorisch onderzoek als vereiste
                            bij de vergunningaanvraag worden opgenomen. Hierbij moet wel sprake zijn
                            van evenredigheid wat betreft de omvang van de wijziging van het
                            monument in relatie tot de omvang van het onderzoek en de daaraan
                            verbonden kosten. </al><al>Hoofdstuk 4 Rijksmonumenten</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr></kop><al> Vergunning voor beschermd rijksmonument</al><al>De verplichte advisering door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed
                            is middels de ‘Wijziging van de Monumentenwet 1988 in verband met onder
                            meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een
                            monumentenvergunning’ los gelaten. Alleen wanneer er sprake is van
                            reconstructie, sloop en herbestemming van een rijksmonument is de
                            adviesplicht van toepassing. Ter compensatie van het wegvallen van het
                            advies van de rijksdienst zullen alle gemeenten ingaande 2009 een
                            monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die onafhankelijk en
                            deskundig is. Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet, waarin de
                            rijksdienst bij afwezigheid van een monumentencommissie in diens
                            advisering trad, wordt ingetrokken. Indien het monument buiten de
                            bebouwde kom ligt, is het college van B&amp;W verplicht om een afschrift
                            van de aanvraag aan GS te zenden. GS kunnen de adviesbevoegdheid
                            vervolgens naar eigen inzicht invullen en al dan niet tot advisering
                            overgaan, waarvoor men twee maanden de tijd heeft. Het is gewenst dat GS
                            reeds op voorhand kenbaar maakt in welke gevallen zij niet adviseren,
                            zodat de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan worden gehaald.</al><al>Hoofdstuk 5 Instandhouding van archeologische verwachtingsgebieden</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr></kop><al> Instandhoudingbepaling van archeologische verwachtingsgebieden</al><al>De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006
                            verplicht de raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als
                            bedoeld in artikel 3.1 van de Wet op de ruimtelijke ordening, rekening
                            te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.
                            Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend uit het Verdrag van Malta)
                            en daarmee ook van deze verordening, is daarom primair dat in het
                            bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke archeologische
                            waardekaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in de
                            bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een
                            overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´ is.
                            Onder b van het tweede lid is om die reden opgenomen dat dit artikel
                            geen toepassing vindt wanneer er in een bestemmingsplan bepalingen zijn
                            opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg.</al><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden
                            vastgesteld, biedt deze verordening op grond van artikel 12 de nodige
                            bescherming aan archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van
                            artikel 12 biedt bescherming door het opgenomen verbod om dieper dan 30
                            cm de bodem in een archeologisch verwachtingsgebied te verstoren.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>In het tweede lid van artikel 12 wordt een zestal uitzonderingen gegeven
                            op het eerste lid.</al><al>In onderdeel a kan van het verbod uit het eerste lid worden afgeweken
                            indien de verstoring plaatsvindt in een archeologisch verwachtingsgebied
                            als aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart. Op deze
                            kaart worden archeologische verwachtingsgebieden onderscheiden in laag,
                            middelhoog en hoog. Toegesneden op deze drie categorieën worden diverse
                            uitzonderingen gegeven op de vergunningplicht. In onderdeel a worden
                            diverse maatvoeringen gegeven voor wat betreft oppervlak en diepte
                            waarop de bodem vergunningsvrij kan worden verstoord. Op deze plaats
                            merken wij op dat dit een eenmalige verstoring betreft: als bekend is
                            dat een bepaald terrein in het verleden al eens tot bijvoorbeeld 30
                            centimeter (middelhoge archeologische verwachtingswaarde) is verstoord,
                            dan is een vergunning noodzakelijk als vervolgens later in de tijd op
                            hetzelfde terrein nog eens een verstoring plaatsvindt.</al><al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel Malta-proof
                            is als bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat
                            geval biedt het bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende
                            archeologische waardekaart, voldoende bescherming aan de in de bodem
                            aanwezige of te verwachten archeologische waarden.</al><al>Onderdeel c doelt op de mogelijkheid om een omgevingsvergunning te
                            verlenen wanneer een activiteit in strijd is met de voorschriften van
                            een bestemmingsplan. Dit is geregeld in artikel 2.1 lid 1 onder c juncto
                            artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. In artikel
                            5.2 van het Besluit omgevingsrecht wordt vervolgens uitgewerkt in welke
                            gevallen welke voorwaarden in het kader van de archeoplogische
                            monumentenzorg gesteld kunnen worden. Dit kan inhouden het treffen van
                            technische maatregelen zodat een monument in de bodem kan worden
                            behouden, opgravingen in de zin van artikel 1 onder h van de
                            Monumentenwet 1988 (hiermee wordt zowel daadwerkelijk opgraven alsook
                            onderzoek bedoeld) alsook het eisen van begeleiding door een
                            archeologisch deskundige.</al><al>Als laatste wordt onderdeel e toegelicht. Op grond van dit artikel kan
                            het college nadere regels stellen wat betreft de eisen aan de uitvoering
                            van de bodemverstorende werkzaamheden in een archeologische monument of
                            verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een ´Malta-proof’ bestemmingsplan´
                            kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten op de situatie dat (in
                            een bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf is opgenomen) de
                            verstorende werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een
                            aanlegvergunning, waarin vereisten omtrent de bescherming van
                            archeologische waarden zijn opgenomen, een en ander conform de
                            handreiking van de VNG ‘Verder met Valletta’.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr></kop><al>. Intrekken van de vergunning</al><al>Het gaat hier enkel om de intrekking van een vergunning als bedoeld in
                            artikel 12 van deze verordening. Deze vergunningsoort valt niet onder de
                            werking van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aangezien
                            deze limitatief zijn opgesomd in de artikelen 2.1 en 2.2 van
                            laatstgenoemde wet. Om die reden dient deze verordening
                            intrekkingsgronden te bevatten voor een vergunning als bedoeld in
                            artikel 12 van deze verordening. Deze intrekkingsgronden zijn - voor
                            zover van toepassing - gelijkluidend aan artikel 2.33 van de Wabo. Voor
                            het goede begrip: laatstgenoemd artikel bevat de intrekkingsgronden voor
                            een vergunning als bedoeld in artikel 9 van deze verordening
                            (Instandhoudingsbepaling van gemeentelijke monumenten) aangezien op
                            grond van artikel 2.2 Wabo een artikel 9 vergunning wél onder de
                            reikwijdte van de Wabo valt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><al>. Opgravingen en begeleiding</al><al>De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen, werken alleen
                            goed als een gemeente hierover actief de archeologische onderzoekers
                            informeert. Zo bestaat een vergunningvereiste voor het doen van
                            opgravingen; dient een rechthebbende van een terrein te dulden dat de
                            opgravingbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen
                            verricht; en is ook de eigendomskwestie van de archeologische vondsten
                            uitputtend geregeld.</al><al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen kan het college een
                            programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor
                            het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder
                            a). Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van
                            aanpak weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders zoals omschreven
                            in het programma van eisen denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Op
                            grond van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld
                            met betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en
                            de beoordeling van het plan van aanpak.</al><al>Hoofdstuk 6 Overige bepalingen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr></kop><al> Schadevergoeding</al><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat een
                            monumentenverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig
                            is (BR 86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient
                            echter, op grond van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                            schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                            rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer
                            van toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de
                            memorie van toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg
                            is verwoord, staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding
                            voorop en geldt voor alle in het eerste lid genoemde onderdelen (a t/m
                            e). De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat ‘redelijk’ of
                            ‘buitenproportioneel’ is. In deze verordening is gekozen voor een
                            gecombineerde schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen
                            zijn opgenomen op grond waarvan het college mogelijk een
                            schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr></kop><al> Strafbepaling</al><al>Artikel 154, lid 1, van de Gemeentewet laat een keuzemogelijkheid aan de
                            raad om op overtreding van verordeningen straf stellen, maar geen andere
                            of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van
                            de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke
                            uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de
                            geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor strafbare
                            feiten in de eerste categorie is maximaal € 370,- (januari 2008); in de
                            tweede categorie maximaal € 3700,- (januari 2008). Het is de gemeente
                            niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde
                            categorieën. In de Monumentenwet 1988 is handelen in strijd met artikel
                            11 (het verbod om een monument zonder vergunning te wijzigen of af te
                            breken) gekoppeld aan een geldboete van de vijfde categorie € 74.000,-
                            (januari 2008).</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte
                            van de strafmaat voor rijksmonumenten en de wens om enige preventieve
                            werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie
                            of een hechtenis van drie maanden voor de hand liggend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr></kop><al> Toezichthouders</al><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig
                            modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving.
                            De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5,
                            waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke
                            handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende
                            voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als
                            zijnde personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn
                            met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                            krachtens enig wettelijk voorschrift, zodat de aanwijzing van
                            toezichthouders derhalve in de Monumentenverordening kan
                            plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 van de Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat
                            inhoudt dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen
                            voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak
                            noodzakelijk is. Een toezichthouder kan derhalve niet te allen tijde
                            gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan
                            toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten
                            worden of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs
                            noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het voorschrift op de
                            naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats
                            te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de
                            bewoner. 'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen
                            erven en andere terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen).
                            Nadrukkelijk zij hier vermeld dat het college op grond van artikel 19
                            niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als bedoeld in artikel 141
                            Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te doen aangezien
                            artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                            verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid
                            toekomt. Deze buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een
                            opsporingsbevoegdheid voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al><al>Hoofdstuk 7 Slotbepalingen</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr></kop><al> Intrekken oude regeling</al><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude monumentenverordening,
                            zodat niet twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp
                            regelen. Het uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet
                            achterwege worden gelaten met een beroep op het beginsel dat een
                            vroegere regeling ter zijde wordt gesteld door een latere regeling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr></kop><al> Overgangsrecht</al><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                            bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd
                            duidelijk welke gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling
                            gebaseerde beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging
                            van bestaande rechten is daarom in deze verordening een
                            overgangsbepaling opgenomen. De bestaande rechten betreffen in dit geval
                            de aanwijzing tot monument (artikel 2) en de vergunningverlening
                            (artikel 9).</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de
                            gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn
                            aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In
                            het tweede lid is geregeld dat aanvragen om vergunning voor
                            gemeentelijke monumenten die zijn ingediend vóór het van kracht worden
                            van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude
                            verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr></kop><al> Citeertitel</al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening. Gelet op het samenvoegen
                            van de oude monumentenverordening en het nieuwe archeologische deel in
                            de verordening, is gekozen voor de nieuwe en overkoepelende term
                            ‘erfgoed’.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>