<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR250223_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Weesp</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Weesp</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening roerende-zaakbelastingen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 221</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z.42679/D.20435</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en de invordering van belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Weesp;</al><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6
                        november 2014</al><al>gelet op artikel 221 van de Gemeentewet;</al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al>Verordening op de heffing en de invordering van belastingen op roerende
                        woon- en bedrijfsruimten 2015</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>ruimte: een roerende woon- of bedrijfsruimte, welke duurzaam aan een
                                plaats gebonden is en dient tot permanente bewoning of permanent
                                gebruik;</al></li><li nr="b."><al>woonruimte: een ruimte waarvan de vastgestelde waarde in hoofdzaak
                                kan worden toegerekend aan delen van de ruimte die dienen tot woning
                                dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden;</al></li><li nr="c."><al>bedrijfsruimte: een ruimte die niet kan worden aangemerkt als
                                woonruimte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Onder de naam 'belastingen op roerende woon- en bedrijfsruimten' worden
                            ter zake van binnen de gemeente gelegen ruimten twee directe belastingen
                            geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar een bedrijfsruimte, al dan niet krachtens eigendom,
                                    bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te
                                    noemen: gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar van een ruimte het genot heeft krachtens eigendom,
                                    bezit of beperkt recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.
                                </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Bij de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een bedrijfsruimte in
                                    gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat
                                    deel in gebruik heeft gegeven;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een bedrijfsruimte voor
                                    volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die die
                                    ruimte ter beschikking heeft gesteld. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Degene die een in het vorige lid bedoelde bedrijfsruimte in gebruik
                            heeft gegeven of ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting
                            als zodanig te verhalen op degene aan wie die ruimte of deel daarvan in
                            gebruik is gegeven of ter beschikking is gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><al>Als één ruimte wordt aangemerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>een binnen de gemeente gelegen ruimte;</al></li><li nr="b."><al>een gedeelte van een in onderdeel a bedoelde ruimte dat blijkens
                                zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden
                                gebruikt;</al></li><li nr="c."><al>een samenstel van twee of meer onder a bedoelde ruimten of in
                                onderdeel b bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde persoon in
                                gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar
                                behoren;</al></li><li nr="d."><al>het binnen de gemeente gelegen deel van een in onderdeel a bedoelde
                                ruimte, van een in onderdeel b bedoeld gedeelte daarvan of van een
                                in onderdeel c bedoeld samenstel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De heffingsmaatstaf is de waarde die aan de ruimte dient te worden
                            toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen
                            worden overgedragen en de verkrijger de ruimte in de staat waarin deze
                            zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen
                            nemen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt de waarde van een
                            bedrijfsruimte, met uitzondering van ruimten die zijn ingeschreven in
                            een van de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van
                            beschermde monumenten, bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt
                            tot een hogere waarde dan die ingevolge het eerste lid. Bij de
                            berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met:</al><lijst><li nr="a."><al>de aard en de bestemming van de ruimte;</al></li><li nr="b."><al>de sedert de stichting van de ruimte opgetreden technische en
                                    functionele veroudering waarbij de invloed van latere
                                    wijzigingen in aanmerking wordt genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt de waarde van een
                            ruimte in aanbouw bepaald op de vervangingswaarde, bedoeld in het tweede
                            lid. Onder een ruimte in aanbouw wordt verstaan een roerende zaak of
                            gedeelte daarvan waarvoor een bouwvergunning in de zin van de Woningwet
                            is afgegeven en dat door bouw nog niet geschikt is voor gebruik
                            overeenkomstig de beoogde bestemming.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>In afwijking in zoverre van het eerste lid wordt de waarde van een
                            woonruimte die deel uitmaakt van een op de voet van de Natuurschoonwet
                            1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 1, derde lid,
                            onderdeel b, van die wet bedoelde voorwaarden bepaald met inachtneming
                            van een vooronderstelde verplichting om het landgoed gedurende een
                            tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout
                            te vellen anders dan volgens de regels van normaal bosbeheer
                            noodzakelijk of gebruikelijk is. Ruimten die dienstbaar zijn aan de
                            woonruimte worden geacht deel uit te maken van die woonruimte.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>5. Met betrekking tot een ruimte als bedoeld in artikel 3, aanhef en
                            onderdeel d, wordt de waarde gesteld op een evenredig deel van de waarde
                            die dient te worden toegekend aan de gehele ruimte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 4 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, de waarde van:</al><lijst><li nr="a."><al>glasopstanden die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek
                                    of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat
                                    uit cultuurgrond die bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd ten
                                    behoeve van de land- of bosbouw. Onder cultuurgrond wordt mede
                                    begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden,
                                    die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van
                                    gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te
                                    gebruiken;</al></li><li nr="b."><al>ruimten die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst
                                    of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van
                                    levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van
                                    delen van zodanige ruimten die dienen als woning;</al></li><li nr="c."><al>ruimten ten behoeve van waterverdedigings- en
                                    waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen,
                                    instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen,
                                    een en ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die
                                    dienen als woning;</al></li><li nr="d."><al>ruimten die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                                    afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of
                                    diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, een en ander met
                                    uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen als
                                    woning;</al></li><li nr="e."><al>werktuigen die van een ruimte kunnen worden afgescheiden zonder
                                    dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt
                                    toegebracht en die niet op zichzelf als ruimten zijn aan te
                                    merken.</al></li><li nr="f."><al>bedrijfsruimten voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt
                                    voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van
                                    delen van zodanige bedrijfsruimten die bestemd zijn te worden
                                    gebruikt voor het geven van onderwijs;</al></li><li nr="g."><al>ruimten voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt ten
                                    behoeve van begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, een en
                                    ander met uitzondering van delen van zodanige ruimten die dienen
                                    als woning. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De vrijstelling met betrekking tot de in het eerste lid, onderdeel f,
                            bedoelde bedrijfsruimte geldt niet voor de eigenarenbelasting voor zover
                            de gemeente van die ruimten niet het genot heeft krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 4 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten
                            de waarde van gedeelten van de bedrijfsruimte die in hoofdzaak tot
                            woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                            woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Waardepeildatum</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De heffingsmaatstaf wordt bepaald naar de waarde die de ruimte op de
                            waardepeildatum heeft naar de staat waarin de ruimte op die datum
                            verkeert.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De waardepeildatum ligt één jaar voor het begin van het kalenderjaar
                            waarvoor de waarde wordt bepaald.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Indien een ruimte in het kalenderjaar voorafgaande aan het begin van het
                            kalenderjaar waarvoor de waarde wordt bepaald:</al><lijst><li nr="a."><al>opgaat in een andere ruimte dan wel in meer ruimten, of</al></li><li nr="b."><al>wijzigt als gevolg van hetzij bouw, verbouwing, verbetering,
                                    afbraak of vernietiging, hetzij verandering van bestemming,
                                    of</al></li><li nr="c."><al>een verandering in waarde ondergaat als gevolg van een andere,
                                    specifiek voor de ruimte geldende, bijzondere
                                    omstandigheid, wordt, in afwijking van het derde lid, de waarde bepaald naar de staat
                            van die ruimte bij het begin van het kalenderjaar.</al></li></lijst><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><al>Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf.
                        Het percentage bedraagt voor: </al><lijst><li nr="a."><al>de gebruikersbelasting 0,1667;</al></li><li nr="b."><al>bij de eigenarenbelasting </al><lijst><li nr="1."><al>voor woonruimten 0,0987;</al></li><li nr="2."><al>voor bedrijfsruimten 0,2084.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                            moeten de aanslagen worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de
                            derde maand volgend op die welke in de dagtekening van het aanslagbiljet
                            is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, ingeval het
                            totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het
                            aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan €
                            150,00 doch minder is dan € 2.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen
                            door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden
                            afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke
                            termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog
                            maanden in het kalenderjaar waarin de aanslagen worden opgelegd
                            overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste drie
                            en ten hoogste tien bedraagt. De termijnen vervallen steeds op de
                            laatste dag van elke maand waarbij de eerste termijn vervalt één maand
                            na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen
                            telkens een maand later. De termijnbetalingen van meer dan drie
                            termijnen gelden alleen bij de aanslagen die worden opgelegd in het
                            kalenderjaar waarop zij betrekking hebben.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande
                            leden gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de belastingen op roerende
                        woon- en bedrijfsruimten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Overgangsbepaling, inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De 'Verordening roerende-zaakbelastingen 2014’, in de openbare
                            vergadering van de raad op 12 december 2013 wordt ingetrokken met ingang
                            van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met
                            dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die
                            zich voor die datum hebben voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die
                            van de bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening
                            roerende-zaakbelastingen 2015'.</al><al/><al/></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering </ondertekening><ondertekening>van de raad op 17 december 2014</ondertekening><ondertekening>de raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Mw. M. Walrave B. J. van Bochove</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>