<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR250219_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2015</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Weesp</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Weesp</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening parkeerbelastingen 2015</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 225</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z.42638/D.20417</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>belastingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2015</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Weesp;</al><al>gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6
                        november 2014;</al><al>gelet op artikel 225 van de Gemeentewet;</al><al>besluit vast te stellen de volgende verordening:</al><al>Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2015</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten
                                staan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is
                                voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in of uitstappen van
                                personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van zaken, op
                                binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande
                                terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet
                                ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden;</al></li><li nr="b."><al>motorvoertuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990
                                met inbegrip van brommobielen, zoals bedoeld in artikel 1 onder ia
                                van het RVV 1990.</al></li><li nr="c."><al>houder: degene op wiens naam het voor het motorvoertuig opgegeven
                                kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven in het
                                krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van
                                opgegeven kentekens;</al></li><li nr="d."><al>parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten, met inbegrip van
                                verzamelparkeermeters en hetgeen naar maatschappelijke opvatting
                                overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastbaar feit</titel></kop><al>Onder de naam ‘parkeerbelastingen’ worden de volgende belastingen
                        geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een bij,
                                dan wel krachtens deze verordening in de daarin aangewezen gevallen
                                door het college van burgemeester en wethouders te bepalen plaats,
                                tijdstip en wijze;</al></li><li nr="b."><al>een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning
                                voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning
                                aangegeven plaats en wijze.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van de
                            degene die het voertuig heeft geparkeerd.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Als degene die het voertuig heeft geparkeerd wordt mede aangemerkt: a
                            degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft
                            gegeven de belasting te willen voldoen; b zolang geen voldoening van de
                            belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, heeft plaatsgevonden: de
                            houder van het voertuig, met dien verstande dat</al><lijst><li nr="1."><al>als een voor ten hoogste drie maanden aangegane huurovereenkomst
                                    wordt overgelegd waaruit blijkt wie ten tijde van het parkeren
                                    ingevolge deze overeenkomst de huurder van het motorvoertuig
                                    was, niet de houder maar de huurder wordt aangemerkt als degene
                                    die het voertuig heeft geparkeerd;</al></li><li nr="2."><al>als blijkt dat een ander in het kentekenregister had moeten
                                    staan ingeschreven, die ander wordt aangemerkt als degene die
                                    het voertuig heeft geparkeerd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van
                            degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die
                            het voertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, als deze aannemelijk
                            maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het
                            voertuig heeft gebruik gemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs
                            niet heeft kunnen voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene
                            die de vergunning heeft aangevraagd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><al>De belasting als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is niet verschuldigd
                        door houders van een geldige gehandicaptenparkeerkaart (GPK), met dien
                        verstande dat de maximaal toegestane parkeerduur 3 uur is. De parkeertijd
                        moet kenbaar worden gemaakt door middel van een parkeerschijf die goed
                        zichtbaar achter de voorruit is geplaatst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak</titel></kop><al>De maatstaf van heffing, het belastingtarief en het belastingtijdvak zijn
                        vermeld in de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende
                        tarieventabel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij wege
                            van voldoening op aangifte. Als voldoening op aangifte wordt aangemerkt
                            het bij de aanvang van het parkeren in werking stellen van de
                            parkeerapparatuur op de daartoe bestemde wijze en met inachtneming van
                            de door het college van burgemeester en wethouders gestelde
                            voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij wege
                            van aanslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Ontstaan van de belastingschuld</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is verschuldigd bij de
                            aanvang van het parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het
                            tijdstip waarop de vergunning wordt verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, moet overeenkomstig de
                            aangifte worden betaald bij de aanvang van het parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd
                            uiterlijk binnen één maand na de dagtekening van de aanslag</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Een naheffingsaanslag moet terstond worden betaald.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen</titel></kop><al>De aanwijzing van de plaats waar, het tijdstip en de wijze waarop tegen
                        betaling van de belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, mag worden
                        geparkeerd geschiedt in alle gevallen door het college van burgemeester en
                        wethouders bij openbaar te maken besluit</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Kosten</titel></kop><al>De kosten van de naheffingsaanslag ter zake van de belasting bedoeld in
                        artikel 2, onderdeel a, bedragen € 59,00.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Kwijtschelding</titel></kop><al>Bij de invordering van deze belasting wordt geen kwijtschelding
                        verleend</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de parkeerbelasting.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De ‘Verordening parkeerbelastingen 2014' vastgesteld in de vergadering
                            van de gemeenteraad van 12 december 2013 wordt ingetrokken met ingang
                            van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met
                            dien verstande dat zij van toepassing blijven op de belastbare feiten
                            die zich voor die datum hebben voorgedaan</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de achtste dag na die
                            van bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2015</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening parkeerbelastingen
                            2015.</al></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad op 17 december
                        2014.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Mw. M.Walrave. B.J. van Bochove</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>Toelichting op de Verordening parkeerbelastingen 2014, vastgesteld in de vergadering van de raad op 12 december 2013.</label><nr>1</nr><titel/></kop><al/><al/><al>A Algemeen</al><al/><al>Wettelijke basis</al><al>De verordening parkeerbelastingen is gebaseerd op de tekst van de Gemeentewet
                    zoals die luidt vanaf 1 januari 1995. Dit is de datum van inwerkingtreding van
                    de Wet tot wijziging van de Gemeentewet met betrekking tot de materiële
                    belastingbepalingen (hierna: Wet materiële belastingbepalingen). Gekozen is voor
                    een zogenaamd 'aangekleed' model, dat wil zeggen dat de tekst van hogere
                    wettelijke regelingen, waar nodig voor de duidelijkheid, is overgenomen. De
                    verordening is gebaseerd op de zogenaamde fiscale afhandeling van het betaald
                    parkeren. De kosten voor de handhaving worden gedekt door de opbrengsten van de
                    naheffingsaanslag.</al><al/><al>B Artikelsgewijze toelichting</al><al/><al>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</al><al/><al>Om duidelijkheid te scheppen over de inhoud van een aantal in de
                    modelverordening voorkomende begrippen is daarvan een omschrijving opgenomen in
                    artikel 1. Zo is betrekkelijk uitvoerig gedefinieerd wat wordt verstaan onder
                    het parkeren van een motorvoertuig. Gesproken wordt over motorvoertuigen. Onder
                    motorvoertuigen wordt verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990
                    met inbegrip van brommobielen.</al><al>Het begrip motorvoertuigen omvat ‘alle gemotoriseerde voertuigen behalve
                    bromfietsen, fietsen met trapondersteuning en gehandicaptenvoertuigen, bestemd
                    om anders dan langs rails te worden voortbewogen’. Een brommobiel is in het RVV
                    1990 (art. 1 onder ia) gedefinieerd als een bromfiets op meer dan twee wielen,
                    die is voorzien van een carrosserie. Brommobielen vallen dus niet onder de
                    definitie van motorvoertuigen. In artikel 2a van het RVV 1990 is echter bepaald
                    dat de regels voor motorvoertuigen ook van toepassing zijn op brommobielen en de
                    bestuurders en passagiers van brommobielen. Bestuurders van brommobielen moeten
                    zich in het verkeer dus gedragen als een ‘gewone’ automobilist. Dit geldt ook
                    voor het parkeren met een brommobiel. Daarom is ervoor gekozen de
                    Parkeerverordening en de Verordening parkeerbelastingen ook van toepassing
                    te</al><al>verklaren op brommobielen.</al><al>Het begrip motorvoertuig is enger dan het begrip voertuig. Zo vallen
                    bijvoorbeeld caravans, aanhangwagens en opleggers niet onder het begrip
                    motorvoertuig. Deze zijn dus niet zelfstandig te belasten. Door in afwijking van
                    de modelverordening in de verordening het begrip ‘voertuigen’ in plaats van
                    ‘motorvoertuigen’ te gebruiken, zijn caravans, aanhangwagens en opleggers wel
                    zelfstandig te belasten.</al><al>Voor het parkeren van andere voorwerpen dan voertuigen is de heffing van
                    parkeerbelastingen niet aan de orde. In die situatie kan precariobelasting
                    geheven worden.</al><al>Van parkeren is geen sprake gedurende de tijd dat het voertuig nodig is voor en
                    gebruikt wordt tot het onmiddellijk laden of lossen van zaken (Hof 's-Gravenhage
                    28 april 1993,</al><al>nr. 921 361 en nr. 921 700, Belastingblad 1993, blz. 585 en 586, Hof Arnhem 16
                    september 1993, nr. 920 866, Belastingblad 1994, blz. 207 en Hof Amsterdam 12
                    november 1993, nr. 2108/92, Belastingblad 1994, blz. 208). De Hoge Raad heeft in
                    zijn arrest van 12 mei 1999 , nr. 33286, Belastingblad 1999, blz. 566 een
                    definitie gegeven van het begrip onmiddellijk laden en lossen: 'Onder het
                    onmiddellijk laden en lossen (...) dient te worden verstaan het onmiddellijk
                    nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen
                    van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor
                    nodig is.'</al><al>Voor de houder van motorvoertuigen wordt gekeken naar degene die naar de
                    omstandigheden beoordeeld als houder van het motorvoertuig moet worden
                    beschouwd.</al><al>Alleen voor de houders van motorrijtuigen die zijn ingeschreven in het
                    kentekenregister wordt gekeken naar degene op wiens naam het voor dat
                    motorrijtuig afgegeven kenteken ten tijde van het parkeren was ingeschreven. In
                    de definitie van het begrip houder komt het begrip ‘motorrijtuig’ voor. Dit is
                    gedaan, omdat in de WVW 1994 bepaald is dat motorrijtuigen over een kenteken
                    moeten beschikken. Het RVV 1990, waarin onder andere bepalingen over parkeren
                    zijn opgenomen, spreekt daarentegen over motorvoertuigen. Dit is op zich
                    verwarrend, maar materieel gezien komen de definities van beide begrippen
                    goeddeels overeen.</al><al>Verder is nog een definitie opgenomen van het begrip parkeerapparatuur.</al><al/><al>Artikel 2 Belastbaar feit</al><al/><al>In artikel 2 is omschreven welke parkeerbelastingen geheven kunnen worden. Het
                    gaat dan om de belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een
                    bepaalde aangewezen plaats en om een belasting ter zake van het
                    vergunningparkeren. Een ontheffing om bij een parkeermeter te mogen staan zonder
                    dat voor de duur van het parkeren wordt betaald, wordt door ons als een
                    vergunning aangemerkt.</al><al>Jurisprudentie</al><al>Over de vraag of al of niet terecht een naheffingsaanslag is opgelegd door de
                    gemeente is de nodige jurisprudentie verschenen:</al><al>- Hof 's-Gravenhage 20 januari 1993, nr. 920626-E-7, Belastingblad 1993, blz.
                    710. Het verweer dat de parkeermeter defect was gaat niet op, omdat op de
                    parkeermeter staat aangegeven wat te doen bij defecten. Op de betreffende avond
                    zijn bovendien geen klachten binnengekomen over een defect aan de parkeermeter.
                    Zie voor een vergelijkbaar geval Hof Amsterdam 20 november 1992, nr. 92/0626 E
                    VII, Belastingblad 1993, blz. 147; </al><al>- Hof Arnhem 13 juli 1993, nr. 930034, E I, Belastingblad 1993, blz. 610. De
                    parkeerkaart zat niet achter de ruit maar was op de grond gevallen.
                    Belanghebbende is met het kaartje naar de parkeerwachter gelopen. Deze heeft
                    toegezegd dat de zaak bij indiening van een bezwaarschrift zou worden hersteld.
                    Nu de parkeerwachter bevoegd is deze toezegging te doen, handelt de gemeente in
                    strijd met het vertrouwensbeginsel door de toezegging niet na te komen; </al><al>- Hof Arnhem 29 december 1992, nr. 912357, Belastingblad 1993, blz. 312. Het
                    feit dat de auto was ingebouwd doet niet af aan de verplichting parkeerbelasting
                    te voldoen. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd. </al><al>- Hoge Raad 8 januari 1997, nr. 31 657, Belastingblad 1997, blz. 173. Voor de
                    vraag of een naheffingsaanslag kan worden opgelegd, is niet van belang of op de
                    voorgeschreven wijze aangifte is gedaan. Voor het opleggen van een
                    naheffingsaanslag is slechts plaats indien de verschuldigde belasting niet is
                    betaald. Het geval betrof een niet achter de voorruit van het voertuig
                    geplaatst, maar achteraf getoond parkeerkaartje waaruit van betaling van de
                    parkeerbelasting bleek. Uit latere jurisprudentie blijkt dat het achteraf tonen
                    van een (kopie van een) geldig parkeerkaartje niet in alle gevallen hoeft te
                    leiden tot vernietiging van de naheffingsaanslag. Dit is afhankelijk van de
                    waardering van de bewijsmiddelen. Vergelijk in dit verband Hof Arnhem 7 oktober
                    1997, nr. 95/1025, Belastingblad 1998, blz. 581, en Hof Arnhem 19 maart 1998,
                    nr. 97/21317, Belastingblad 1998, blz. 583). </al><al>- Hoge Raad 17 december 1997, nr. 32.834, Belastingblad 1998, blz. 239. Volgens
                    de Hoge Raad is het stelsel van de parkeerbelasting zo dat geen 'a belasting' is
                    verschuldigd indien geparkeerd wordt met een vergunning waarvoor de 'b
                    belasting' is voldaan. Indien niet wordt voldaan aan de voorschriften die aan de
                    vergunning zijn verbonden, is er geen sprake van parkeren met die vergunning.
                    Indien een van die voorschriften is dat de vergunning 'op een van buitenaf
                    duidelijk leesbare plaats' achter de voorruit van het voertuig moet worden
                    geplaatst en aan dat voorschrift wordt niet voldaan, kan een naheffingsaanslag
                    worden opgelegd. </al><al>- Hoge Raad 3 december 2004, nr. 38407, LJN: AR6881. Voor het voldoen van de
                    belasting ter zake van het parkeren op het b plein heeft belanghebbende een
                    parkeerkaart gekocht aan de a straat. Omdat de a straat blijkens het
                    Aanwijzingsbesluit niet tot het parkeerterrein B behoort (tot welk
                    parkeerterrein het b plein behoort), heeft belanghebbende met het kopen van een
                    kaart aan de a straat niet de belasting voldaan voor het parkeren op het
                    parkeerterrein B. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd. </al><al>- Rb. Zwolle 24 september 2007, nr. 07/151, LJN: BB4142. In de auto van
                    belanghebbende lag een parkeervergunning waarvan het kenteken niet overeenkwam
                    met het kenteken van zijn auto. Noch in de parkeerverordening, noch in de
                    verordening parkeerbelasting of de krachtens die verordeningen genomen
                    besluiten, is bepaald dat als geparkeerd wordt met een vergunning met een ander
                    kenteken, er geen sprake is van parkeren met een vergunning. De
                    naheffingsaanslagen moeten terug zijn te voeren op ondubbelzinnige regels, die
                    op de juiste wijze en door de bevoegde organen tot stand zijn gebracht. Het
                    ontbreken van duidelijke regelgeving brengt de rechtbank tot de conclusie dat
                    met vergunning is geparkeerd en parkeerbelasting is betaald bij de afgifte van
                    de vergunning. De naheffingsaanslagen zijn ten onrechte opgelegd. </al><al>Inmiddels is ook uit de nadien verschenen jurisprudentie gebleken dat niet in
                    alle gevallen waar belastingplichtige achteraf een (afschrift van het)
                    parkeerkaartje kan tonen, de naheffingsaanslag parkeerbelastingen door de
                    rechter vernietigd wordt. De rechter komt tot zijn beslissing op grond van een
                    waardering van de bewijsmiddelen. Indien een gemeente in redelijkheid twijfelt
                    aan de verklaring van belastingplichtige en dit ook aannemelijk kan maken, is er
                    geen aanleiding af te zien van een beroepsprocedure.</al><al/><al>Artikel 3 Belastingplicht</al><al/><al>Eerste lid</al><al>In artikel 3 is vastgelegd wie belastingplichtig is voor de belastingen die zijn
                    genoemd in artikel 2, onderdelen a en b. Hoofdregel is dat de belasting die
                    wordt genoemd in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene die het
                    motorvoertuig heeft geparkeerd. De belasting genoemd in artikel 1, onderdeel b,
                    wordt echter geheven van degene die de vergunning heeft aangevraagd.</al><al>Wij zijn van mening dat zich bij het aanwijzen van de belastingplichtige geen
                    keuzesituatie kan voordoen. In verband hiermee is het stellen van beleidsregels
                    voor het aanwijzen van een belastingplichtige niet nodig.</al><al/><al>Tweede lid</al><al/><al>In het tweede lid van artikel 3 wordt aangegeven wie als degenen die het
                    motorvoertuig hebben geparkeerd mede worden aangemerkt.</al><al>Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt tevens aangemerkt degene
                    die de belasting voldoet, dat is dus degene die geld werpt in de meter, dan wel
                    degene die na de eerste aanmaning te kennen geeft of te kennen heeft gegeven de
                    belasting te willen voldoen. Zolang die belasting echter niet is voldaan is de
                    houder van het motorvoertuig tevens aangemerkt als degene die het motorvoertuig
                    heeft geparkeerd en de houder is dan weer degene waarvan het kenteken staat
                    ingeschreven in het kentekenregister. Een uitzondering op het aanmerken van de
                    houder als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd is te vinden in het
                    tweede lid, onderdeel b. Als namelijk een voor ten hoogste drie maanden
                    aangegane huurovereenkomst wordt overgelegd waaruit kan blijken, en dat is een
                    zware vorm van bewijs, wie ten tijde van het parkeren de huurder van het
                    motorvoertuig was dan wordt niet de houder maar de huurder als degene die het
                    motorvoertuig heeft geparkeerd aangemerkt. Zie in dit verband Hof Arnhem 12
                    januari 1993, nr. 92 1633, Belastingblad 1993, blz. 639.</al><al>Zo is er ook nog een tweede uitzondering. Indien namelijk blijkt dat een ander
                    in het kentekenregister had moeten staan ingeschreven dan wordt die ander als
                    degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd aangemerkt. Dit kan bijvoorbeeld
                    blijken als de houder een zogenaamd vrijwaringbewijs overlegt.</al><al>De regeling van artikel 225, vijfde lid, van de Gemeentewet, beoogt niet uit te
                    sluiten dat de naheffingsaanslag kan worden opgelegd aan degene die het voertuig
                    feitelijk heeft geparkeerd. De regeling dient zo te worden gelezen dat naast de
                    houder ook degene die in artikel 225, derde lid, van de Gemeentewet in de eerste
                    plaats als belastingplichtige is aangewezen als zodanig blijft aangemerkt, aldus
                    de Hoge Raad in zijn arrest van 14 juli 2000, nr. 35 314, Belastingblad 2000,
                    blz. 980, LJN: AA6519.</al><al>Wanneer een naheffingsaanslag wordt opgelegd aan de houder van het
                    motorvoertuig, heeft ook de feitelijke parkeerder de mogelijkheid om bezwaar te
                    maken. Dit heeft de Hoge Raad uitgemaakt in zijn arrest van 14 juli 2000, nr. 34
                    578, Belastingblad 2000, blz. 934, LJN: AA6508. Wanneer de naheffingsaanslag
                    niet is opgelegd aan degene die het motorvoertuig feitelijk heeft geparkeerd,
                    maar aan de houder van het voertuig, heeft de feitelijk parkeerder strikt
                    genomen geen mogelijkheid om uit eigen hoofde bezwaar te maken tegen die
                    naheffingsaanslag. De Hoge Raad constateert dat er sprake is van een leemte in
                    de wet en oordeelt: 'Daarom moet worden aangenomen dat in gevallen waarin de
                    naheffingsaanslag is opgelegd aan een ander dan degene die feitelijk het
                    voertuig heeft geparkeerd, ook deze laatste naast degene aan wie de aanslag is
                    opgelegd, en, ingevolge art. 225, vierde lid, naast degene die de belasting
                    heeft voldaan, het recht heeft tegen de naheffingsaanslag een bezwaarschrift in
                    te dienen. Met betrekking tot de daarbij in acht te nemen termijn voor het maken
                    van bezwaar geldt het volgende. Indien op de voet van artikel 234, achtste lid,
                    Gemeentewet, voor de uitreiking van het aanslagbiljet is volstaan met het
                    aanbrengen van het aanslagbiljet op of aan het voertuig, moet worden aangenomen
                    dat de termijn voor het indien van het bezwaarschrift als bedoeld in art. 22a
                    (thans 22j) Algemene wet inzake rijksbelastingen aanvangt met ingang van de dag
                    na die van de dagtekening van het aanslagbiljet. Als niet vaststaat dat het
                    aanslagbiljet op deze wijze is uitgereikt, vangt de termijn voor het instellen
                    van bezwaar eerst aan op de dag na dagtekening van een "duplicaat" van het
                    aanslagbiljet waarin naast het daarin reeds vermelde kenteken van het voertuig
                    ook de naam en het adres van de belastingschuldige zijn vermeld, aan de hand
                    waarvan kan worden geconstateerd of het "duplicaat" op de juiste wijze is
                    verzonden. Een en ander geldt ook indien na toepassing van art. 234, achtste
                    lid, en toezending van een "duplicaat" het bezwaarschrift wordt ingediend door
                    degene die stelt dat hij niet de houder van het voertuig of degene die de
                    belasting heeft voldaan is, maar degene die ten tijde van het geconstateerde
                    parkeren de feitelijke beschikking over het betrokken voertuig had. In die
                    situatie dient in voorkomend geval met het oog op de toepassing van art. 6:11
                    Algemene wet bestuursrecht rekening te worden gehouden met de omstandigheid dat
                    het "duplicaat" van het aanslagbiljet aanvankelijk is verzonden aan de houder
                    van het voertuig.'</al><al>Wij wijzen er op dat het essentieel is dat uit de kopie van het
                    naheffingsaanslagbiljet blijkt dat het om een kopie gaat, aangezien het niet
                    mogelijk is ter zake van hetzelfde belastbare feit twee aanslagen op te leggen.
                    Daarom spreekt de Hoge Raad in zijn arrest zo nadrukkelijk van "duplicaat" van
                    het aanslagbiljet.</al><al/><al>Derde lid</al><al/><al>In het derde lid van artikel 3 staat van wie de belasting niet wordt
                    geheven.</al><al>Iemand kan niet als degene die het voertuig heeft geparkeerd worden aangemerkt
                    indien hij aannemelijk maakt dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn
                    wil van het voertuig gebruik heeft gemaakt. Er moet wel aannemelijk worden
                    gemaakt dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. Het is
                    de bedoeling dat de houder niet als parkeerder wordt aangemerkt indien er met
                    zijn voertuig joyriding heeft plaatsgevonden of als het voertuig op het moment
                    van constateren als gestolen geregistreerd staat.</al><al/><al>Artikel 4 Vrijstellingen </al><al/><al>In de verordening is geregeld dat houders van een gehandicaptenparkeerkaart zijn
                    vrijgesteld van betaling van parkeergelden.</al><al/><al>Artikel 5 Maatstaf van heffing, belastingtarief en belastingtijdvak</al><al/><al>In artikel 5 wordt voor het tarief, het tijdvak en de maatstaf van heffing
                    verwezen naar een bij de verordening behorende tarieventabel. Ten aanzien van de
                    mogelijke heffingsmaatstaven voor de parkeerbelastingen is in artikel 225,
                    achtste lid, van de Gemeentewet een limitatieve opsomming weergegeven. Het
                    tarief van de parkeerbelastingen kan slechts afhankelijk worden gesteld van de
                    parkeerduur, van de parkeertijd, van de ingenomen oppervlakte en van de ligging
                    van de terreinen of weggedeelten.</al><al/><al>Artikel 6 Wijze van heffing</al><al/><al>In het eerste lid is geregeld op welke wijze de belasting bedoeld in artikel 2,
                    onderdeel a - dat is de belasting voor het parkeren op parkeerapparatuurplaatsen
                    - wordt geheven. Deze wordt geheven door voldoening op aangifte.</al><al>Voor de volledigheid bepaalt de slotzin van het eerste lid dat als voldoening op
                    aangifte wordt aangemerkt het in werking van de parkeerapparatuur op de
                    voorgeschreven wijze. Deze bepaling komt overeen met de in artikel 234, tweede
                    lid, onderdeel a, van de Gemeentewet opgenomen mogelijkheid voor het voldoen op
                    aangifte. </al><al>Het tweede lid regelt de wijze van heffing voor de parkeerbelasting voor het
                    parkeren krachtens een parkeervergunning.</al><al/><al>Artikel 7 Ontstaan van de belastingschuld</al><al/><al>In artikel 7 is geregeld op welk tijdstip de belastingschuld ontstaat. Voor de
                    belasting genoemd in artikel 2, onderdeel a, is geregeld dat deze is
                    verschuldigd bij de aanvang van het parkeren (eerste lid). De belasting genoemd
                    in artikel 2, onderdeel b, is verschuldigd op het tijdstip dat de vergunning
                    wordt verleend (tweede lid).</al><al>Naar wij menen kan voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                    parkeervergunning een afzonderlijk bedrag aan leges worden gevraagd. Het
                    gevorderde legesbedrag heeft betrekking op de kosten van afgifte van de
                    vergunning. De belasting als bedoeld in artikel 225 van de Gemeentewet heeft
                    betrekking op de parkeerbelasting die voor een verleende vergunning mag worden
                    gevorderd.</al><al>Dit kan afwijken van de omschrijving van het belastbaar feit zoals die voorkomt
                    in de modelverordening leges. In de legesverordening is omschreven dat de
                    belastingschuld ontstaat bij het indienen van de aanvraag. Het belastbare feit
                    is daar ook omschreven als het in behandeling nemen van een aanvraag om een
                    vergunning.</al><al/><al>Artikel 8 Termijnen van betaling</al><al/><al>Het eerste lid regelt het tijdstip van betaling voor de belasting bedoeld in
                    artikel 2, onderdeel a, dat is de belasting voor het parkeren op
                    parkeerapparatuurplaatsen. Zowel bij de heffing door voldoening op aangifte als
                    bij de heffing op andere wijze, geschiedt de betaling door het inwerpen van geld
                    in de parkeerapparatuur. Bij de fiscale afhandeling vallen aangifte en betaling
                    dus samen. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 19 van de AWR moet
                    overeenkomstig de aangifte worden betaald. Voor het tijdstip van betaling is met
                    toepassing van artikel 238, tweede lid (bij de heffing bij wege van voldoening
                    op aangifte) van de Gemeentewet een van artikel 19 van de AWR, onderscheidenlijk
                    artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 afwijkende betalingsregeling
                    getroffen.</al><al>Als geen betaling heeft plaatsgevonden kan bij fiscale afhandeling een
                    naheffingsaanslag worden opgelegd. In die situatie vindt het traject zoals dat
                    is vastgelegd in de artikelen 234 van de Gemeentewet toepassing. Een
                    naheffingsaanslag moet ingevolge het laatste lid van artikel 8 onmiddellijk
                    worden betaald. Dit is in overeenstemming met artikel 234, negende lid, van de
                    Gemeentewet. De gemeente kan overigens ook een acceptgiro sturen die binnen een
                    bepaalde termijn betaald moet worden.</al><al>Voor de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel b, is in het tweede lid
                    bepaald dat deze binnen één maand na de dagtekening van de aanslag moet worden
                    betaald. Het parkeren zonder vergunning op plaatsen waar dat alleen met een
                    vergunning mag, is een overtreding. In dat geval zal er geen naheffingsaanslag
                    kunnen worden opgelegd, tenzij in hetzelfde gebied ook een parkeerbelasting als
                    bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven. Is dat niet het geval, dan
                    moet het parkeren zonder vergunning op een vergunningplaats gezien worden als
                    een overtreding. Deze zal in beginsel strafrechtelijk worden vervolgd.</al><al/><al>Artikel 9 Bevoegdheid tot aanwijzing parkeerplaatsen</al><al/><al>In artikel 9 is opgenomen dat het college de bevoegdheid heeft om de plaats waar
                    en het tijdstip en de wijze waarop tegen betaling van belasting mag worden
                    geparkeerd aan te wijzen. Op grond van artikel 225, eerste lid, van de
                    Gemeentewet moet de verordening namelijk een regeling bevatten in welke gevallen
                    het college die aanwijzing kan doen.</al><al>Het aanwijzingsbesluit completeert de verordening. Zonder aanwijzingsbesluit
                    kunnen geen aanslagen worden opgelegd. Dit heeft in het verleden meerdere malen
                    geleid tot vernietiging van de naheffingsaanslag, in die gevallen dat na
                    intrekking van de verordening bij het vaststellen van de nieuwe verordening geen
                    nieuw aanwijzingsbesluit was genomen. De Hoge Raad heeft echter bepaald dat men
                    er in voorkomende gevallen vanuit kan gaan dat het de bedoeling is geweest dat
                    het oude aanwijzingsbesluit na het vaststellen van de nieuwe verordening zou
                    blijven gelden: "Het stond de gemeenteraad evenwel vrij om in de nieuwe
                    verordening te bepalen dat het aanwijzingsbesluit geacht zou worden voortaan te
                    berusten op de nieuwe verordening. Daar een besluit tot vaststelling van de
                    plaatsen waar en de tijdstippen en wijzen waarop slechts tegen betaling van
                    parkeerbelasting mag worden geparkeerd een verordening inzake parkeerbelastingen
                    completeert, en de vaststelling van een nieuwe verordening niet
                    noodzakelijkerwijs gepaard gaat met de behoefte om wijziging te brengen in de
                    vaststelling van zulke plaatsen, tijdstippen en wijzen, zal doorgaans gerede
                    aanleiding bestaan om te veronderstellen dat de gemeenteraad heeft beoogd
                    gebruik te maken van de bevoegdheid die omschreven is aan het slot van de vorige
                    volzin.". Voor de praktijk betekent dit dat de parkeerder aannemelijk zal moeten
                    maken dat de gemeenteraad bij het intrekken van een oude verordening niet heeft
                    beoogd om het aanwijzingsbesluit in tact te laten, wil aan het
                    aanwijzingsbesluit verbindende kracht kunnen worden ontzegd; zie Hoge Raad 9
                    augustus 2002, nr. 36624, LJN: AE6373 en Hoge Raad 14 juni 2002, nr. 37053, LJN:
                    AD7779.</al><al>In het verleden is discussie geweest over de vraag of bezwaar en beroep mogelijk
                    is tegen een aanwijzing indien deze is vervat in een afzonderlijk besluit, dat
                    gebaseerd is op de verordening, maar er geen deel van uitmaakt. In een uitspraak
                    van 12 april 1999 (nr. H01.98.1361) heeft de afdeling Bestuursrechtspraak van de
                    Raad van State beslist dat dat niet mogelijk is. Een op grond van de verordening
                    parkeerbelastingen genomen aanwijzingsbesluit berust namelijk op een wettelijk
                    voorschrift inzake belastingen (artikel 225 Gemeentewet). Op grond van artikel
                    8:4, aanhef en onder g, van de Awb staat daartegen geen voorziening open.</al><al>Het college kan niet volstaan met het aanwijzen van de betaald parkeren
                    plaatsen, maar moet in het openbaar te maken besluit ook aangeven de tijd dat
                    het betaald parkeren voor de verschillende parkeerplaatsen geldt (bijvoorbeeld
                    van 9.00-18.00 uur, de data en tijden van de vaste koopavonden en de extra
                    koopavonden etc.) en de wijze waarop tegen betaling geparkeerd mag worden
                    (bijvoorbeeld dat een kaartje zichtbaar achter de voorruit moet liggen etc.).
                    Niet voldoende is dat dit op de parkeermeter zelf staat. Ontbreekt een dergelijk
                    besluit van het college dan kan de naheffingsaanslag niet in stand blijven (Hof
                    Amsterdam 8 september 1993, nr. 2674/92, Belastingblad 1994, blz. 37).</al><al>De aanwijzingsbevoegdheid gaat naar onze mening niet zover dat het college de
                    begrenzing van de gebieden waar het regime van betaald parkeren geldt kan
                    vaststellen. Die bevoegdheid is voorbehouden aan de gemeenteraad. Het college
                    kan wel binnen deze gebieden een nadere verfijning geven. Wij hebben er daarom
                    voor gekozen de begrenzing te regelen via de bij de verordening behorende
                    tarieventabel of via een bij de verordening behorende kaart. De bevoegdheid de
                    gebieden aan te wijzen waar tegen betaling wordt geparkeerd, moet niet zo worden
                    uitgelegd dat het college gehouden zou zijn elke individuele parkeerplaats aan
                    te wijzen. Voldoende is de parkeerplaatsen in ruime zin aan te wijzen. Hieronder
                    kan worden verstaan dat het voldoende is de straten aan te wijzen waar
                    parkeerbelasting verschuldigd is. Dit volgt uit het arrest van de Hoge Raad van
                    9 juli 1999, nr. 34615, Belastingblad 1999, blz. 734, LJN: AA2821.</al><al>Sinds 4 juli 2001 kan het college bepalen dat het in werking stellen van een
                    parkeermeter of parkeerautomaat uitsluitend langs elektronische weg kan
                    geschieden (Besluit van 20 juni 2001, Stb. 303; artikel 1a Besluit gemeentelijke
                    parkeerbelastingen). Voorwaarde daarvoor is dat er voldoende praktische middelen
                    aan de parkeerder ten dienste staan om (uitsluitend) op die wijze de
                    parkeerbelasting op aangifte te voldoen (tenminste keuze uit rekening gebonden
                    chipkaart en niet rekeninggebonden chipkaart met landelijke dekking, voldoende
                    oplaad- en verkooppunten in lokale situatie). Volgens de Hoge Raad is het op
                    grond van deze wettelijke regeling toegestaan te eisen dat alleen met chipknip
                    kan worden betaald (Hoge Raad 7 augustus 2005, nr. 40298, LJN: AR8903 en nr.
                    40375, LJN: AR8934.</al><al>Met betrekking tot parkeerapparatuur die zowel betaling met de chipknip als
                    betaling door het inwerpen van geld mogelijk maken (duale parkeermeters) heeft
                    Hof Arnhem bepaald dat de parkeerder met muntgeld moet betalen als de
                    parkeerapparatuur de chipknip weigert (Hof Arnhem 7 maart 2002, nr. 01/01831,
                    LJN: AE2106, Belastingblad 2002, blz. 1157 (Almere)). In dezelfde lijn heeft Hof
                    Amsterdam beslist dat indien de gemeente weliswaar een voorziening heeft
                    getroffen voor het betalen met chipknip, maar deze nog niet operationeel is, dit
                    niet afdoet aan de verplichting om de parkeerbelasting te voldoen door het
                    inwerpen van geld (Hof Amsterdam 11 april 2003, nr. 02/05531, LJN: AF8284,
                    Belastingblad 2004, blz. 91 (Hilversum)).</al><al/><al>Kenbaarheid verschuldigdheid parkeerbelasting</al><al/><al>In gerechtelijke procedures komt vaak aan de orde of de verschuldigdheid van
                    parkeerbelasting voldoende kenbaar is. Naar het oordeel van de belastingrechter
                    mag er 'redelijkerwijs geen misverstand omtrent de verschuldigdheid van
                    parkeerbelasting' bestaan.</al><al>In de uitspraak van Hof Arnhem van 26 april 1996, nr. 95/1626, Belastingblad
                    1997, blz. 128 oordeelde het Hof dat belastingplichtige onvoldoende in de
                    gelegenheid was zijn verplichtingen te kennen. Bij de parkeermeter was vermeld:
                    'parkeren alleen toegestaan met gebruik van de parkeerautomaat van maandag t/m
                    zaterdag van 08:00-18:00 uur en bovendien op koopavonden'. Het hof overweegt:
                    'Volgens art. 8 van de Verordening parkeerbelastingen 1991 geschiedt de
                    aanwijzing van de plaats waar, van het tijdstip en de wijze waarop tegen
                    betaling van de onderhavige belasting mag worden geparkeerd in alle gevallen
                    door burgemeester en wethouders bij openbaar te maken besluit. In het verlengde
                    van deze openbaarmaking mag uit het oogpunt van kenbaarheid voor
                    belastingplichtige parkeerders die ter plaatse niet (goed) bekend zijn, in
                    redelijkheid voorts de eis worden gesteld dat tenminste de tijden gedurende
                    welke tegen betaling mag worden geparkeerd, op (borden bij) de parkeerapparatuur
                    worden vermeld.' Het hof vernietigt de naheffingsaanslag op grond van het feit
                    dat het belanghebbende, als niet ter plaatse bekend, onvoldoende duidelijk kon
                    zijn dat de avond dat hij parkeerde een koopavond was, en dat hij derhalve
                    parkeerbelasting verschuldigd was. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat
                    het belanghebbende niet op een andere manier kenbaar had kunnen zijn dat het
                    koopavond was, aangezien het gebied waar hij heeft geparkeerd niet te midden van
                    winkels lag. Enig eigen onderzoek mag derhalve van een belanghebbende worden
                    verwacht. Dit blijkt ook uit de casus van Hof Amsterdam van 7 november 1997, nr.
                    96/3025, Belastingblad 1997, blz. 358. Ook hier was de kenbaarheid van de
                    koopavond in het geding. Niet in geschil is dat op koopavonden parkeerbelasting
                    verschuldigd is. Belanghebbende betwist echter dat het voor hem kenbaar kon zijn
                    dat de bewuste vrijdagavond ook een koopavond was, nu de reguliere koopavonden
                    in Haarlem op donderdagavond vallen. Volgens het hof dient de verplichting om
                    parkeerbelasting te betalen voor het op een bepaald tijdstip parkeren van een
                    voertuig kenbaar te zijn gemaakt op zo een wijze, dat omtrent de
                    verschuldigdheid van parkeerbelasting voor het op dat tijdstip parkeren
                    redelijkerwijs geen misverstand kan bestaan. Van geval tot geval dient te worden
                    beoordeeld of aan deze voorwaarde is voldaan. Het hof oordeelt dat de inspecteur
                    in dit geval aannemelijk heeft gemaakt dat de gemeente er, door middel van
                    posters en in streekkranten geplaatste aankondigingen, voldoende informatie
                    heeft verstrekt omtrent de extra koopavonden in de dagen voor kerst. Mitsdien
                    kon er bij belanghebbende, als inwoner van de omgeving van Haarlem, omtrent de
                    verschuldigdheid van parkeerbelasting op de bewuste avond geen misverstand
                    bestaan. Wanneer er onduidelijkheid is met betrekking tot de vraag voor welke
                    parkeerplaatsen belasting verschuldigd is, komt deze onduidelijkheid voor
                    rekening van het heffende bestuursorgaan. In Hof Arnhem 6 oktober 1998, nr.
                    97/22445 Belastingblad 1999/294 en Hof 's-Gravenhage, 9 februari 2000, nr.
                    98/05401, FED 2000/372 was de bebording zo onduidelijk, dat geen belasting
                    geheven kon worden. In laatstgenoemde uitspraak overwoog het hof: 'Van een
                    gemeente mag worden gevergd dat zij, indien zij parkeerbelasting heft, het
                    rijdende publiek duidelijk maakt waar parkeerbelasting is verschuldigd. Daar
                    waar in gevallen als deze onduidelijkheid bestaat omtrent de
                    belastingverplichting moet die onduidelijkheid voor rekening van het heffende
                    bestuursorgaan blijven.'</al><al/><al>Artikel 10 Kosten</al><al/><al>In artikel 10 worden de in rekening te brengen kosten, indien niet op reguliere
                    wijze wordt betaald, geregeld. De hoogte van de naheffingsaanslag moet worden
                    bepaald met inachtneming van het Besluit parkeerbelastingen. De gemeente kan
                    alleen kosten in rekening brengen indien een naheffingsaanslag wordt opgelegd
                    (Hof Arnhem 7 juni 2004, nr. 03/00225, LJN: AP3289 (Raalte)). Het in rekening
                    brengen van de kosten van een naheffingsaanslag is niet in strijd met artikel 6
                    van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
                    fundamentele vrijheden (EVRM). De kosten van de naheffingsaanslag zijn niet aan
                    te merken als een boete (Hoge Raad 18 oktober 1995, nr. 30208, Belastingblad
                    1995, blz. 793).</al><al>Het maximumbedrag dat voor een naheffingsaanslag aan kosten in rekening mag
                    worden gebracht, wordt jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de procentuele
                    wijziging van het prijsindexcijfer van de gezinsconsumptie over de maand april
                    ten opzichte van de maand april van het jaar daarvoor. Jaarlijks zal vóór 1
                    september het maximale kostenbedrag voor het volgende kalenderjaar worden
                    vastgesteld, zodat aanpassing van de verordening parkeerbelastingen desgewenst
                    meegenomen kan worden in de begrotingsvoorstellen.</al><al>Per 1 januari 2013 bedraagt het maximumbedrag dat voor een naheffingsaanslag aan
                    kosten in rekening mag worden gebracht € 56,-. De Hoge Raad heeft in zijn arrest
                    van 14 juni 2002, nr. 36855, LJN: AD6867, bepaald dat de kosten niet jaarlijks
                    opnieuw door de raad behoeven te worden vastgesteld. Wel moet de gemeente
                    desgevraagd kunnen aantonen dat de hoogte van het bedrag aan kosten in
                    overeenstemming is met het bepaalde in het besluit.</al><al/><al>Artikel 11 Kwijtschelding</al><al/><al>Beleidsmatig zal het in weinig gevallen gewenst zijn om van parkeerbelastingen
                    kwijtschelding te verlenen. Ook de heffing door voldoening op aangifte maakt het
                    verlenen van kwijtschelding uitvoeringstechnisch moeilijk. Bovendien bevat de
                    ministeriële regeling voor deze wijze van heffing geen duidelijke regeling.</al><al>Kwijtschelding is daarom niet mogelijk.</al><al/><al>Artikel 12 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</al><al/><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><al>Voor een eventuele nadere toelichting wordt verwezen naar de Modelverordeningen
                    gemeentelijke belastingen (algemene toelichting), onderdeel 14, en de
                    toelichting op de Modeluitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen.</al><al/><al>Artikel 13 Inwerkingtreding en citeertitel</al><al/><al>Dit artikel spreekt voor zich. </al><al>Voor een eventuele nadere toelichting wordt verwezen naar de Modelverordeningen
                    gemeentelijke belastingen (algemene toelichting), onderdeel 15.</al><al/><al>Voor eensluidend afschrift,</al><al>de griffier,</al><al>Mw. M.Walrave.</al><al/></bijlage><bijlage><kop><label>Tarieventabel 2014</label><nr>2</nr><titel/></kop><al>Tarieventabel</al><al>behorende bij de ‘Verordening parkeerbelastingen 2014’, vastgesteld in de
                    raadsvergadering van 12 december 2013.</al><al>1 Het tarief en de parkeerduur voor het parkeren bij parkeerapparatuur als
                    bedoeld in artikel 2, onderdeel a, is per uur € 1,20. In verband met de
                    afstelling van de parkeerapparatuur afhankelijk van de gebruikte muntsoorten is
                    de parkeerduur bij inworp van de muntstukken hierdoor:</al><al>• bij de inworp van een muntstuk van € 0,10 : 5 minuten</al><al>• bij de inworp van een muntstuk van € 0,20 : 10 minuten</al><al>• bij de inworp van een muntstuk van € 0,50 : 25 minuten</al><al>• bij de inworp van een muntstuk van € 1,00 : 50 minuten</al><al>• bij de inworp van een muntstuk van € 2,00 : 100 minuten</al><al>2 Voor een dagkaart geldt een tarief van € 7,50 waarbij het recht bestaat om per
                    dag of gedeelte daarvan op onderstaande tijden te parkeren </al><al>• van maandag tot en met donderdag van 10.00 uur tot 18.00 uur</al><al>• op vrijdag van 10.00 uur tot 20.00 uur </al><al>• op zaterdag van 10.00 uur tot 17.00 uur</al><al>3 Het tarief voor een vergunning als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, bedraagt
                    voor het aangewezen weggedeelte aan de Ossenmarkt € 4,50 per kalendermaand of
                    gedeelte daarvan.</al><al>Voor eensluidend afschrift:</al><al>de griffier van Weesp,</al><al/><al>Mw. M.Walrave.</al><al/></bijlage></regeling></body></cvdr>