<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR250115_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening Montferland 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Montferland</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Montferland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Montferland Nieuws, 23-01-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening Montferland 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, art. 12, 15 en 38</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) art. 2.1 en 2.2</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Geen.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Erfgoedverordening Montferland 2010</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2017-47678</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening Montferland 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15 en 38
                        van de</vet></al><al><vet>Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene
                            bepalingen</vet></al><al><vet>omgevingsrecht (Wabo);</vet></al><al/><al><vet>Besluit:</vet></al><al>Besluit vast te stellen de <onderstreept>Erfgoedverordening Montferland
                        201</onderstreept><onderstreept>2</onderstreept> ter wijziging van
                        de</al><al>Erfgoedverordening Montferland zoals vastgesteld door de gemeenteraad op
                        23 december 2010.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMEEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al><onderstreept>gemeentelijk monument</onderstreept>: een overeenkomstig
                            deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis
                            voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein, dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak als
                            bedoeld onder 1;</al></li></lijst></li><li nr="b."><al><onderstreept>gemeentelijke monumentenlijst</onderstreept>: de lijst
                            waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen
                            bedoeld in onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al><onderstreept>gemeentelijk stads- of dorpsgezicht</onderstreept>: een
                            overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht aangewezen
                            groep van zaken of terreinen die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid,
                            zijn onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel zijn wetenschappelijke of
                            cultuurhistorische waarde en in welke groep zich één of meer monumenten bevinden;</al></li><li nr="d."><al><onderstreept>beschermd monument</onderstreept>: beschermd monument
                            als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid van de
                        Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="e."><al><onderstreept>redengevende beschrijving</onderstreept>: de motivering
                            van het besluit om een object of terrein te
                        beschermen als gemeentelijk monument;</al></li><li nr="f."><al><onderstreept>monumentencommissie</onderstreept>: de op basis van art.
                            15, lid 1 Monumentenwet 1988 ingestelde
                        commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te
                            adviseren over de
                        toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht,
                        deze verordening en het cultuurhistorisch beleid van de gemeente;</al></li><li nr="g."><al><onderstreept>gemeentelijke archeologische waarden- en
                                verwachtingskaart en cultuurhistorische
                      waardenkaart</onderstreept>: topografische kaarten van het
                            gemeentelijke grondgebied, waarop
                        (archeologische) monumenten, historische structuren en
                            archeologische
                        verwachtingsgebieden zijn aangegeven;</al></li><li nr="h."><al><onderstreept>archeologisch verwachtingsgebied</onderstreept>: gebied,
                            aangegeven op de archeologische waarden- en
                        verwachtingskaart, waarvan is aangegeven dat in bepaalde mate
                            archeologische vondsten
                        en/of sporen te verwachten zijn;</al></li><li nr="i."><al><onderstreept>landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische
                                Waarden</onderstreept>: landelijke kaart met een schaal
                        van 1:50.000, die op basis van geomorfologische gegevens, de kans
                            weergeeft op de
                        aanwezigheid van archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt
                            gemaakt in
                        hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans;</al></li><li nr="j."><al><onderstreept>provinciale Archeologische
                                Monumentenkaart</onderstreept>: topografische kaart van (delen van)
                            het
                        provinciale grondgebied, waarop archeologische monumenten,
                            archeologische vindplaatsen
                        en archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven;</al></li><li nr="k."><al><onderstreept>archeologisch monument</onderstreept>: een terrein van
                            (zeer) (hoge) archeologische waarde, waar
                        archeologische resten zijn aangetoond en voorkomend op de provinciale
                            Archeologische
                        Monumentenkaart en/of de gemeentelijke archeologische waarden- en
                            verwachtingskaart;</al></li><li nr="l."><al><onderstreept>hoge archeologische verwachtingswaarde</onderstreept>:
                            grote kans op het aantreffen van archeologische
                        resten en/of sporen;</al></li><li nr="m."><al><onderstreept>middelmatige archeologische
                                verwachtingswaarde</onderstreept>: gemiddelde kans op het aantreffen
                            van
                        archeologische resten en/of sporen;</al></li><li nr="n."><al><onderstreept>lage archeologische verwachtingswaarde</onderstreept>:
                            geringe of nog onbekende kans op het aantreffen van archeologische resten en/of sporen vondsten;</al></li><li nr="o."><al><onderstreept>gemeentelijke archeologische
                                maatregelenkaart</onderstreept>: topografische kaart van het
                            gemeentelijke
                        grondgebied, waarop Archeologisch Waardevolle Gebieden (AWG) en
                            Archeologische
                        Waardevolle Verwachtingsgebieden (AWV) zijn aangegeven met
                            uitvoeringsgerichte
                        beleidsadviezen behorende bij de archeologische paragraaf van een
                            bestemmingsplan;</al></li><li nr="p."><al><onderstreept>Archeologisch Waardevol Gebied</onderstreept>: beschermd
                            rijksmonument of archeologisch monument of
                        archeologische vindplaats of historische structuur of gemeentelijk
                            monument;</al></li><li nr="q."><al><onderstreept>Archeologisch Waardevol
                                Verwachtingsgebied</onderstreept>: archeologisch verwachtingsgebied
                            op het
                        aantreffen van archeologische resten en/of sporen;</al></li><li nr="r."><al><onderstreept>Plan van Aanpak</onderstreept>: plan dat weergeeft hoe
                            een archeologische uitvoerder de vragen zoals
                        omschreven in het Programma van Eisen denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="s."><al><onderstreept>Programma van Eisen</onderstreept>: programma dat door
                            het college wordt vastgesteld en waarmee
                        kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van
                            archeologisch onderzoek;</al></li><li nr="t."><al><onderstreept>deskundige op het terrein van de archeologische
                                monumentenzorg</onderstreept>: een door het college
                        aan te wijzen deskundige op het gebied van archeologische
                            monumentenzorg, zoals
                        omschreven in de Wet op de archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="u."><al><onderstreept>bevoegd gezag</onderstreept>: bestuursorgaan als bedoeld
                            in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="v."><al><onderstreept>college</onderstreept>: het college van
                                    burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland;</al></li><li nr="w."><al><onderstreept>vergunning</onderstreept>: een omgevingsvergunning
                                    als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="x."><al><onderstreept>Wabo</onderstreept>: Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="y."><al><onderstreept>cultuurhistorisch beleid</onderstreept>: het in de
                                    nota ‘Cultuurhistorisch beleid voor Montferland 2012’
                                    vastgestelde beleid voor het cultuurhistorisch erfgoed in de
                                    gemeente Montferland.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>AANWIJZING GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                            monument
                        aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                            college advies aan de
                        monumentencommissie. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit
                            advies
                        achterwege blijven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een deel van een onroerende zaak beschermingswaardig is,
                            beperkt de bescherming
                        zich tot dat specifieke deel. In de redengevende beschrijving dient dit
                            tot uitdrukking te
                        komen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                            van artikel 3 van
                        de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van de
                            monumentenverordening
                        van de provincie Gelderland.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het
                        voornemen tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument ontvangt
                            tot het moment dat de
                        aanwijzing en registratie als bedoeld in artikel 7 plaatsvindt, dan wel
                            vaststaat dat het monument
                        niet wordt geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van
                            overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na
                            ontvangst van het
                        verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies
                            van de
                        monumentencommissie, maar in ieder geval binnen twintig weken na de
                            adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk
                        gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                    gemeentelijke monumentenlijst.</al></li><li nr="2."><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke
                                    aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het
                            gemeentelijke
                        monument.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende
                                    de aanwijzing wijzigen.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 3, tweede en derde lid, evenals artikelen 4, 5 en 6 zijn
                                    van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                            ondergeschikte betekenis is, blijft
                        overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege.</al></li><li nr="4."><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                            monumentenlijst aangetekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede lid,
                            en artikelen 5 en 6 van
                        overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                            wordt gegeven aan
                        artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan de monumentenverordening van
                            de provincie
                        Gelderland.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                            geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>INSTANDHOUDING VAN GEMEENTELIJKE MONUMENTALE ZAKEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al>1.Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                            onder a, sub 1, te</al><al>beschadigen of te vernielen.</al><al>2.Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of in strijd
                            met de bij zodanige</al><al>vergunning gestelde voorschriften:</al><al>a.een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1,
                            te slopen, te</al><al>verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;</al><al>b.een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder a, sub 1,
                            te herstellen, te</al><al>gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd
                            of in gevaar</al><al>gebracht;</al><al>zoals gesteld in artikel 2.2, lid 1 sub b van de Wabo.</al><al>3.Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                            gelden niet in het</al><al>geval er sprake is van:</al><lijst><li nr="a."><al>gewoon onderhoud, voor zover detaillering, profilering,
                                    vormgeving, materiaalsoort en kleur niet wijzigen, en bij een
                                    tuin, park of andere aanleg, de aanleg niet wijzigt;</al></li><li nr="b."><al>een activiteit die uitsluitend leidt tot inpandige veranderingen
                                    van een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van
                                    monumentenzorg geen waarde heeft;</al></li><li nr="c."><al>verdere activiteiten zoals genoemd in Bijlage 2, Hoofdstuk IIIa,
                                    artikel 4a van het Besluit omgevingsrecht (Bor). </al><lijst><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een
                                            gemeentelijk monument met een</al></li></lijst></li></lijst><al>religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld in het tweede lid,
                            dan in</al><al>overeenstemming met de eigenaar indien en voor zover het een vergunning
                            betreft,</al><al>waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het
                            gemeentelijk monument in</al><al>het geding zijn. Lid 3 is daarbij van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Vergunningverlening gemeentelijke monumenten</titel></kop><al>1.Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht voor
                            een vergunning als</al><al>bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden
                            worden in</al><al>viervoud ingediend.</al><al>2.Het bevoegd gezag kan aan de vergunning voorschriften verbinden
                            betreffende de</al><al>uitvoering en de materiaaltoepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies en vergunning</titel></kop><al>1.Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                            ontvankelijke aanvraag om</al><al>vergunning voor een gemeentelijk monument aan de monumentencommissie
                            voor advies.</al><al>2.Binnen zes weken na de datum van verzending van het afschrift brengt
                            de</al><al>monumentencommissie advies uit aan het bevoegd gezag.</al><al>3.Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om vergunning, als bedoeld in
                            artikel 10, met</al><al>inachtneming van artikel 3.9 van de Wabo.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>De beoordeling van de aanvraag</titel></kop><al>1.De vergunning kan slechts worden verleend indien de aangevraagde
                            activiteiten als bedoeld</al><al>in artikel 10, eerste en tweede lid niet leiden tot onevenredige
                            aantasting van de</al><al>architectuurhistorische en/of stedenbouwkundige en/of cultuurhistorische
                            waarden van het</al><al>gemeentelijk monument.</al><al>2.Bij de beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van
                            het gemeentelijk</al><al>monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><al>a.blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige
                            opgave is</al><al>verleend;</al><al>b.blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften bedoeld in de
                            artikelen 10 en 11 niet</al><al>naleeft;</al><al>c.de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig
                            hebben</al><al>gewijzigd, dat het belang van het gemeentelijk monument zwaarder dient
                            te wegen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>RIJKSMONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><al>1.Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                            ontvankelijke aanvraag om</al><al>vergunning voor een beschermd monument aan de monumentencommissie.</al><al>2.De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen
                            acht weken na de</al><al>datum van verzending van het afschrift.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>GEMEENTELIJKE STADS- EN DORPSGEZICHTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk stads- of dorpsgezicht</titel></kop><al>1.Het college kan een stads- of dorpsgezicht aanwijzen als gemeentelijk
                            stads- of</al><al>dorpsgezicht en het college kan een zodanige aanwijzing wijzigen of
                            intrekken.</al><al>2.Voordat het college over de aanwijzing, wijziging of intrekking een
                            besluit neemt, vraagt</al><al>het college advies aan de monumentencommissie.</al><lijst><li nr="3."><al>Op de voorbereiding van een besluit om aanwijzing als bedoeld in
                                    het eerste lid, is afdeling</al></li><li nr="3."><al>4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Het college brengt de gemeenteraad in kennis van het besluit tot
                                    aanwijzing, wijziging of</al></li></lijst><al>intrekking van een gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.</al><al>5.Een in overeenstemming met het bepaalde in artikel 35 van de
                            Monumentenwet 1988</al><al>aangewezen stads- of dorpsgezicht wordt niet aangewezen als gemeentelijk
                            stads- of</al><al>dorpsgezicht.</al><al>6.De aanwijzing als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt geacht te
                            zijn ingetrokken</al><al>indien het gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt aangewezen
                            overeenkomstig het</al><al>bepaalde in artikel 35 van de Monumentenwet 1988.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><al>1.Het college registreert het gemeentelijk stads- of dorpsgezicht op de
                            gemeentelijke</al><al>monumentenlijst.</al><al>2.De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de
                            datum van de</al><al>aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een redengevende beschrijving
                            van het</al><al>gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Bestemmingsplan</titel></kop><al>1.De gemeenteraad stelt ter bescherming van een gemeentelijk stads- of
                            dorpsgezicht een</al><al>bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.</al><al>2.Bij het voorstel tot aanwijzing van een beschermd stads- of
                            dorpsgezicht wordt door het</al><al>college bepaald in hoeverre geldende bestemmingsplannen als beschermend
                            plan in de zin</al><al>van lid 1 kan worden aangemerkt.</al><al>3.Voordat het college de gemeenteraad een voorstel doet voor
                            vaststelling van een</al><al>bestemmingsplan in de zin van lid 1 vraagt het college advies aan
                            de</al><al>monumentencommissie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><al>1.In gemeentelijke stads- of dorpsgezichten is het verboden een bouwwerk
                            geheel of</al><al>gedeeltelijk af te breken zonder of in afwijking van een vergunning van
                            het bevoegd gezag.</al><al>2.Het is verboden in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht
                            zonder vergunning</al><al>van het bevoegd gezag of in strijd met de bij zodanige vergunning
                            gestelde voorschriften:</al><al>a.Bouwwerken te plaatsen, op te richten, geheel of gedeeltelijk af te
                            breken of te</al><al>verplaatsen danwel in enig opzicht te wijzigen;</al><al>b.Bouwwerken te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een
                            wijze waardoor</al><al>het stads- of dorpsgezicht wordt ontsierd of in gevaar gebracht;</al><al>c.Onroerende zaken geen bouwwerk zijnde, hieronder begrepen straten,
                            wegen, pleinen,</al><al>wateren, bomen en erfafscheidingen te wijzigen.</al><al>3.Geen vergunning als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Wabo is
                            vereist voor het afbreken</al><al>als gevolg van een aanschrijving van het bevoegd gezag.</al><al>4.Voor zover de aanvraag betrekking heeft op het slopen van een bouwwerk
                            in een</al><al>gemeentelijk stads- of dorpsgezicht kan de omgevingsvergunning worden
                            geweigerd indien</al><al>naar oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk is dat op de plaats
                            van het te slopen</al><al>bouwwerk kan of zal worden gebouwd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>INSTANDHOUDING VAN ARCHEOLOGISCHE TERREINEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Aanwijzing archeologisch waardevol (verwachtings)gebied</titel></kop><al>1.De door de gemeenteraad vastgestelde archeologische verwachtings- /
                            maatregelenkaart</al><al>dient als basis voor:</al><lijst><li nr="1."><al>deze verordening;</al></li><li nr="2."><al>vast te stellen bestemmingsplannen als bedoeld in artikel 38a
                                    van de Monumentenwet</al></li></lijst><al>1988;</al><lijst><li nr="3."><al>aanwijzing van gemeentelijke monumenten als bedoeld in artikel 1
                                    onder a, sub 2.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de archeologische verwachtings- /
                                    maatregelenkaart wijzigen.</al></li><li nr="3."><al>Voordat het college over de wijziging een besluit neemt, vraagt
                                    het college advies aan de</al></li></lijst><al>monumentencommissie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al>1.Het is verboden om zonder vergunning of in strijd met de bij de
                            zodanige vergunning gestelde voorschriften een archeologisch monument,
                            bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2 of</al><al>onder g en h, een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld in artikel
                            1, onder g en h, de</al><al>bodem dieper dan 30 cm onder het maaiveld te verstoren.</al><lijst><li nr="2."><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het een verstoring betreft in Archeologisch Waardevol
                                            (Verwachtings)gebied als</al></li></lijst></li></lijst><al>aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtings-
                            /maatregelenkaart</al><al>en waarbij die verstoring plaatsvindt:</al><al>·in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde en het
                            te</al><al>verstoren gebied kleiner is dan 5.000 m2, of;</al><al>·in een gebied met een middelmatige archeologische verwachtingswaarde en
                            het</al><al>te verstoren gebied kleiner is dan 1.000 m2, of;</al><al>·in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde en het
                            te</al><al>verstoren gebied kleiner is dan 250 m2, of;</al><al>·in een gebied met een historische structuur en het te verstoren gebied
                            kleiner</al><al>is dan 50 m2.</al><al>b.in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen aan de hand
                            van de</al><al>archeologische verwachtings- /maatregelenkaart over de
                            archeologische</al><al>monumentenzorg.</al><al>c.sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en
                            tweede lid, van de</al><al>Wabo en hierin voorschriften zijn opgenomen over archeologische</al><al>monumentenzorg.</al><al>d.het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering
                            van</al><al>werkzaamheden die leiden tot een verstoring als bedoeld in het eerste
                            lid en</al><al>aangegeven op gemeentelijke archeologische verwachtings-
                            /maatregelenkaart.</al><al>e.een rapport is overlegd waarin de archeologische waarde van het te
                            verstoren</al><al>terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is
                            vastgesteld</al><al>en waaruit blijkt dat:</al><al>·het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan
                            worden</al><al>geborgd; of</al><al>·de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig
                            worden</al><al>geschaad; of</al><al>·in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><al>1.Indien binnen het grondgebied van de gemeente Montferland
                            onderzoek</al><al>wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin
                            van</al><al>artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de overige</al><al>bepalingen van deze wet:</al><al>a.het bevoegd gezag een Programma van Eisen vast te stellen als bedoeld
                            in artikel 1</al><al>onder s, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het
                            onderzoek;</al><al>b.de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een Plan van Aanpak
                            als bedoelt in</al><al>artikel 1 onder r van deze verordening ter goedkeuring aan het bevoegd
                            gezag te</al><al>overleggen.</al><al>2.In de nadere regels neemt het bevoegd gezag bepalingen op met
                            betrekking tot het</al><al>toezicht op de feitelijke uitvoering van het Plan van Aanpak. Tijdens
                            het onderzoek dienen</al><al>aanwijzingen van het college in acht te worden genomen.</al><al>3.Om te kunnen beoordelen of het Plan van Aanpak aan het Programma van
                            Eisen en</al><al>eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag advies aan een
                            deskundige op</al><al>het terrein van de archeologische monumentenzorg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>De bepalingen uit artikel 11, 12, 13 en 14 zijn van overeenkomstige
                            toepassingen op de bepalingen</al><al>uit artikel 21, tweede lid onder e, en artikel 22, eerste lid onder
                            b.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>1.Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die</al><al>redelijkerwijze niet of niet geheel tot zijn last behoort te blijven,
                            kent het bevoegd gezag</al><al>hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding
                            toe, indien de</al><al>schade in relatie staat tot:</al><al>a.de weigering van het college een vergunning als bedoeld in de
                            artikelen 10 en 11te</al><al>verlenen;</al><al>b.de voorschriften door het college verbonden aan een vergunning als
                            bedoeld in de</al><al>artikelen 10 en 11;</al><lijst><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 10, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 21, tweede lid,</al></li></lijst><al>onder d;</al><al>e.een aanwijzing als bedoeld in artikel 22, tweede lid, tweede
                            volzin.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met de artikelen 10, 21 en 22, eerste lid,
                            onder b van deze</al><al>verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of
                            een hechtenis van ten</al><al>hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de</al><al>bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen
                            personen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>De Erfgoedverordening Montferland 2010, vastgesteld op 23 december 2010,
                            wordt ingetrokken op het</al><al>moment dat deze verordening in werking treedt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>1.De op grond van de onder artikel 27 ingetrokken Erfgoedverordening
                            Montferland</al><al>aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht
                            aangewezen en</al><al>geregistreerd te zijn overeenkomstig met de bepalingen van deze
                            verordening.</al><al>2.Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                            van deze</al><al>verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in artikel 27
                            ingetrokken verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die van
                            bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Erfgoedverordening Montferland
                            2012.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van Montferland op 20
                        december 2012.</al></slotformulering><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>D.Berends</ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>C.C. Leppink-Schuitema</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><titel>Erfgoedverordening Montferland 2012</titel></kop><al>A.<vet>ALGEMENE TOELICHTING</vet></al><al/><al>De huidige wijziging van de Erfgoedverordening houdt verband met de
                            inwerkingtreding van de</al><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Wabo), de
                            Invoeringswet algemene</al><al>bepalingen omgevingsrecht (hierna te noemen: Invoeringswet Wabo), het
                            Besluit omgevingsrecht</al><al>(hierna te noemen: Bor) en de Regeling omgevingsrecht (hierna te noemen:
                            Mor).</al><al><vet>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).</vet></al><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een
                            reeks vergunningen,</al><al>ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren van een fysiek
                            project.</al><al>De meest bekende daarvan zijn:</al><al>de bouwvergunning;</al><al>de aanlegvergunning;</al><al>de sloopvergunning;</al><al>de monumentenvergunning;</al><al>de milieuvergunning;</al><al>de kapvergunning.</al><al>De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle
                            dienstverlening. Het</al><al>bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt hiervan een
                            onderdeel.</al><al><vet>Eén aanvraag; één bevoegd gezag; één loket</vet></al><al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één-loket
                            gedachte”. Dit houdt in dat</al><al>de aanvrager vanaf 1 oktober 2010 één omgevingsvergunning hoeft aan te
                            vragen voor zijn</al><al>project. De aanvrager geeft aan op welke activiteiten (bouw, monument,
                            aanleg, sloop enz.) zijn</al><al>aanvraag betrekking heeft. Voor de erfgoedverordening betekent dit dat
                            bijvoorbeeld de</al><al>omgevingsvergunning voor het bouwen en de omgevingsvergunning voor
                            monumenten in één</al><al>verzoek worden aangevraagd.</al><al>De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag
                            beoordeeld en doorloopt één</al><al>procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van
                            rechtsbescherming.</al><al><vet>Bevoegd gezag</vet></al><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester
                            en wethouders van de</al><al>gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. Het bevoegd
                            gezag is integraal</al><al>verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de
                            bestuursrechtelijke</al><al>handhaving. In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze
                            hoofdregel gemaakt. Een</al><al>minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze
                            gevallen als het bevoegde</al><al>gezag aangewezen. Deze gevallen zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van de
                            Bor. Gedeputeerde</al><al>staten van de provincie is bijvoorbeeld bevoegd gezag als het gaat om de
                            meer complexere</al><al>categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I van het Bor
                            omschreven.</al><al><vet>Toestemmingsstelsels</vet></al><al>Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning
                            en ontheffing) te</al><al>integreren in de omgevingsvergunning. De toestemmingstelsels die altijd
                            zien op plaatsgebonden</al><al>activiteiten zijn volledig in de Wabo geïntegreerd; de bestaande
                            toestemmingstelsels in de</al><al>betreffende wetten of verordeningen vervallen. Het gaat om een
                            procedurele integratie van de</al><al>verschillende toestemmingstelsels. De inhoudelijke beoordeling vindt
                            gecoördineerd plaats. Dit</al><al>betekent dat de verschillende toetsingskaders niet zijn geïntegreerd.
                            Het toetsingskader van de</al><al>Wabo bestaat daarom uit een optelling van de afzonderlijke
                            toetsingskaders. Deze verschillende</al><al>toetsingskaders wegen allen even zwaar.</al><al><vet>De procedure</vet></al><al>In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere
                            voorbereidingsprocedure en de uitgebreide</al><al>voorbereidingsprocedure. Slechts op een enkel punt is voor deze beide
                            procedures afgeweken van</al><al>de reguliere- en de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van de
                            Awb.</al><al>Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig zijn
                            wordt door de</al><al>aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend. </al><al>De aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te delen in
                            deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een afzonderlijke
                            omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een onderdeel van
                            het project dat fysiek te scheiden is van de andere onderdelen van het
                            totale project. Ook wel de zogenaamde “onlosmakelijke verbondenheid”.
                            Het criterium van de onlosmakelijkheid is</al><al>neergelegd in artikel 2.7 Wabo. Van onlosmakelijke samenhang is sprake
                            als de activiteiten zien op</al><al>dezelfde handeling. Het gaat dan om een activiteit die tegelijkertijd
                            ook aangemerkt moet worden als een andere activiteit als omschreven in
                            de artikelen 2.1 en 2.2. van de Wabo.</al><al>Deze activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te scheiden. Zij vormen
                            een en dezelfde handeling</al><al>die binnen twee of meer activiteitenomschrijvingen vallen. Vanwege de
                            overlap in de</al><al>activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet mogelijk om de
                            handeling op te knippen in</al><al>deelvergunningen.</al><al>Een omgevingsvergunning voor een deelproject geeft de bevoegdheid het
                            deelproject ook</al><al>daadwerkelijk al uit te voeren. Het gaat hierbij om verschillende
                            besluiten waartegen een</al><al>afzonderlijke rechtsbeschermingprocedure open staat.</al><al>Daarnaast heeft de aanvrager de mogelijkheid om een gefaseerde
                            omgevingsbeschikking aan te</al><al>vragen. Hij bepaalt zelf welke activiteit wordt gefaseerd. De
                            beoordeling in de eerste fase is erop</al><al>gericht te onderzoeken of één van de door de aanvrager voorgenomen
                            activiteiten, bijvoorbeeld</al><al>het oprichten en inwerking hebben van een inrichting, kan worden
                            verricht en dus een gerede kans</al><al>heeft om een omgevingsvergunning te krijgen. Het betreft een volledige
                            toetsing.</al><al>Tenuitvoerlegging van een omgevingsvergunning is pas mogelijk nadat ook
                            een</al><al>omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en een volledige vergunning
                            is verkregen. De</al><al>tweede fase omgevingsbeschikking bevat de noodzakelijke toestemmingen
                            die niet in een eerste</al><al>fase zijn vergund. Door aanvraag van een omgevingsbeschikking eerste
                            fase kan een financieel</al><al>risico voor de aanvrager worden beperkt. Hij hoeft in dit geval nog niet
                            aan alle indieningsvereisten</al><al>te voldoen. Het rechtsgevolg van een eerste fase-beschikking is dat bij
                            de beoordeling van de</al><al>gedetailleerde aanvraag voor de overige activiteiten (de tweede
                            fase-aanvraag) niet meer getoetst</al><al>wordt aan de criteria van de eerste fase. De eerste fase-beschikking kan
                            door het bevoegd gezag</al><al>worden ingetrokken, indien niet binnen twee jaar nadat deze beschikking
                            is genomen een aanvraag</al><al>voor een tweede fase-beschikking is ingediend. Beide beschikkingen
                            treden samen in werking.</al><al>Tegen beide beschikkingen staat rechtsbescherming op grond van de Awb
                            open.</al><al><vet>De Wabo en de Erfgoedverordening</vet></al><al>De monumentenvergunning uit de erfgoedverordening integreert volledig in
                            de</al><al>omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden activiteiten gaat.
                            Daarom is in artikel 2.2</al><al>van de Wabo bepaald dat het verboden is zonder een omgevingsvergunning
                            een krachtens een</al><al>verordening aangewezen monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen
                            of in enig opzicht te</al><al>wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een
                            wijze waarop het wordt ontsierd</al><al>of in gevaar wordt gebracht. Een extra overweging voor het volledig
                            integreren van de</al><al>monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van
                            de</al><al>monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening van
                            de bouwvergunning of</al><al>de aanlegvergunning. Er is voor gekozen om de instandhoudingvergunning
                            van archeologische</al><al>terreinen op grond van artikel 2.2, tweede lid, Wabo aan te haken bij de
                            omgevingsvergunning</al><al>(facultatieve integratie). Zolang gemeentelijke bestemmingsplannen nog
                            niet ‘Malta-proof’ zijn, kan</al><al>op deze wijze in de omgevingsvergunning bescherming aan archeologische
                            waarden in de bodem</al><al>worden geboden bij de realisatie van een fysiek project.</al><al>De erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te stellen.
                            De Wabo ziet op</al><al>vergunningen en ontheffingen en niet op nadere regels. Het college
                            blijft hiervoor het bevoegd</al><al>gezag. Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning
                            betreffende de gemeentelijke</al><al>monumenten is in de verordening bepaald.</al><al><vet>B. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemeen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsbepalingen</vet></al><al><cursief>Sub a: “gemeentelijk monument”</cursief></al><al>Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met
                            uitzondering van de 50-jaar</al><al>grens, aansluiting gezocht bij de omschrijving van een monument in de
                            Monumentenwet 1988. De</al><al>cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan
                            een bouwwerk of gebied</al><al>toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het
                            gebruik dat de mens in de</al><al>loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt.
                            Dit is een zo ruime</al><al>omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met
                            een geschiedkundige</al><al>en of bouwhistorische waarde.</al><al>Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim
                            te worden uitgelegd.</al><al>Hoofdzakelijk betreft het locaties waar archeologische waarden in de
                            bodem (kunnen) zitten, maar</al><al>daarnaast kan het bijvoorbeeld ook gaan om parken, tuinen en een perceel
                            met een of meer</al><al>bomen. Het is niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig
                            monument voorkomt teneinde</al><al>over een gemeentelijk monument te kunnen spreken. Een 'zaak' is immers
                            een veel ruimer begrip.</al><al>Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke
                            monumenten is</al><al>overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die
                            (nog) niet op de</al><al>rijksmonumentenlijst zijn geplaatst omdat ze ‘te jong zijn’, al op de
                            gemeentelijke monumentenlijst</al><al>te plaatsen.</al><al><cursief>Sub b: “gemeentelijke monumentenlijst”</cursief></al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                            aangewezen</al><al>monumenten registreert. Het plaatsen op de monumentenlijst heeft geen
                            rechtsgevolg. Het betreft</al><al>slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op
                            de lijst is het de</al><al>aanwijzing tot gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het is
                            inzichtelijker om de</al><al>aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit elkaar te trekken. Zie ook de
                            toelichting op artikel 3, lid 1,</al><al>en artikel 7.</al><al><cursief>Sub c: “gemeentelijk stads- of dorpsgezicht”</cursief></al><al>Voor de definitie van het begrip is de tekst van de Monumentenwet 1988,
                            artikel 1, gevolgd.</al><al>In deze verordening is de mogelijkheid opgenomen om over te gaan tot het
                            aanwijzen van</al><al>beschermde stads- of dorpsgezichten. De genoemde aanwezigheid van
                            monumenten vereist niet</al><al>dat dit beschermde monumenten zijn.</al><al><cursief>Sub d: “beschermd monument”</cursief></al><al>Voor de begripsomschrijving van een ‘beschermd monument’ is aangesloten
                            bij de</al><al>begripsomschrijving uit de Wabo. De Wabo zelf verwijst weer naar de
                            Monumentenwet 1988. Deze</al><al>wet omschrijft een beschermd monument als een onroerend monument die is
                            ingeschreven in een</al><al>ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgesteld register. Op de
                            vergunningverlening voor</al><al>rijksmonumenten zijn de bepalingen uit de Wabo van toepassing.</al><al><cursief>Sub e: “redengevende beschrijving”</cursief></al><al>Ter bepaling of er bij een pand/object sprake is van
                            beschermingswaardige cultuurhistorische</al><al>waarden, wordt een zogenaamde redengevende beschrijving van het
                            pand/object gemaakt. In</al><al>deze redengevende beschrijving worden de specifieke bouwtechnische,
                            historische en overige</al><al>(object)gegevens van het pand/object beschreven worden. Tevens wordt in
                            deze beschrijving de</al><al>motivatie van plaatsing en de te beschermen onderdelen van het
                            pand/object vermeld.</al><al><cursief>Sub f: “monumentencommissie”</cursief></al><al>Sinds de komst van de Wet dualisering gemeentebestuur in 2002 kan elk
                            bevoegd orgaan in de</al><al>gemeente (raad, college en burgemeester) zelf zijn commissies instellen.
                            De</al><al>monumentencommissie is een commissie die adviseert aan het bevoegd
                            gezag.</al><al>In de erfgoedverordening wordt door de raad bepaald dat een
                            monumentencommissie advies moet</al><al>uitbrengen aan het bevoegd gezag. Dit vloeit voor uit de Monumentenwet
                            1988. </al><al>In artikel 15 van deze wet is bepaald dat de gemeente in een verordening
                            de inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het
                            bevoegd gezag over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een
                            activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo.
                            De wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen
                            keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. De
                            taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                            Erfgoedverordening, de Monumentenwet 1988 en de Wabo. </al><al>Door de monumentencommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te
                            verklaren over de toepassing van de Wabo te adviseren aan het bevoegd
                            gezag, is voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel 15 van de
                            Monumentenwet 1988.</al><al><cursief>Sub g en o: ”gemeentelijke archeologische verwachtings- en
                                maatregelenkaart”</cursief></al><al>De gemeentelijke archeologische verwachtings-/ maatregelenkaart vormt
                            een praktische oplossing</al><al>in het geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is vastgesteld. In
                            dat geval kunnen</al><al>gebieden op een dergelijke verwachtings-/ maatregelenkaart worden
                            opgenomen, indien blijkt dat</al><al>daar op grond van historisch onderzoek mogelijk archeologische sporen in
                            de bodem kunnen</al><al>worden aangetroffen.</al><al>De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven,
                            zodat deze geen nadere</al><al>toelichting behoeven.</al><al><cursief>Sub u: “bevoegd gezag”</cursief></al><al>Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel dat
                            burgemeester en</al><al>wethouders van de gemeente waar het project zich in hoofdzaak afspeelt
                            het bevoegd gezag. Voor</al><al>een verdere toelichting wordt verwezen naar de algemene toelichting
                            behorend bij deze</al><al>verordening.</al><al><cursief>Sub v: “het college”</cursief></al><al>Het begrip college wordt toegevoegd om de erfgoedverordening in
                            overeenstemming te kunnen</al><al>brengen met de Wabo.</al><al><cursief>Sub w: “vergunning”</cursief></al><al>Dit begrip is toegevoegd om duidelijk te maken dat een vergunning op
                            grond van de</al><al>erfgoedverordening met het inwerking treden van de Wabo wordt genomen op
                            grond van de in</al><al>deze wet opgenomen artikelen: 2.1 eerste lid of 2.2.</al><al><cursief>Sub x: “Wabo”</cursief></al><al>Dit begrip is toegevoegd om te kunnen verwijzen naar de Wet algemene
                            bepalingen</al><al>omgevingsrecht. Inhoudelijk wordt de erfgoedverordening niet
                            gewijzigd.</al><al>&lt;<cursief>aanpassing 2012</cursief><cursief>:</cursief><cursief>Sub
                                y: “Cultuurhistorisch beleid”</cursief></al><al>Dit begrip is toegevoegd om te kunnen verwijzen naar het vastgestelde
                            integrale cultuurhistorisch beleid van de gemeente&gt;.</al><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><al>De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen op
                            toestemmingstelsels</al><al>(vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft het college van
                            burgemeester en wethouders</al><al>bevoegd gezag betreffende de aanwijzing van gemeentelijke
                            monumenten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Het betreft hier voornamelijk de gebruiksmogelijkheden die de
                            eigenaar/gebruiker zelf aan het</al><al>object toekent. Deze gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de
                            ligging van het object,</al><al>maar ook het feitelijke gebruik van het object zelf.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de
                            monumentenlijst zijn twee zaken</al><al>met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg, het
                            daarna registreren op de</al><al>gemeentelijke monumentenlijst is slechts een administratieve
                            handeling.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het
                            college.</al><al>Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden
                            besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte
                            van de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd
                            in het besluit naar voren komen (de redengeving: zie ook
                            begripsomschrijving “redengevende beschrijving”). De aanwijzing geeft
                            geen recht op schadevergoeding. </al><al>De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande
                            gebruik van het monument. Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor
                            de mogelijkheden wat betreft het toekomstige gebruik van een monumentaal
                            object. Immers, de monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met
                            een vergunning (zie art. 10, tweede lid) of slechts op grond van de
                            nadere regels (zie art. 10, derde lid) worden gewijzigd. Het wijzigen
                            van niet-monumentale onderdelen is alleen</al><al>vergunningvrij wanneer ook geen omgevingsvergunning voor het bouwen is
                            vereist. </al><al>Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de burger in te perken, dient
                            bij de aanwijzing in de</al><al>redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat
                            niet van het object tot</al><al>monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en voor welk
                            deel een</al><al>vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke afweging kan zijn om
                            alleen de vanuit</al><al>openbare ruimten zichtbare bijzondere onderdelen tot monument aan te
                            wijzen, zodat bijvoorbeeld</al><al>voor wijzigingen aan de achterkant en het interieur in dat geval geen
                            omgevingsvergunning voor</al><al>monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen een omgevingsvergunning
                            voor het bouwen.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als
                            bedoeld onder artikel 1,</al><al>sub f. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde voorschriften
                            over vorm en inhoud. Een</al><al>regeling die de taak en werkwijze van de monumentencommissie bepaalt, is
                            daarvoor de</al><al>aangewezen plaats.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college
                            over een aanwijzing een</al><al>besluit neemt de aanvrager en andere belanghebbenden worden gehoord. Dit
                            is namelijk al</al><al>geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de Algemene wet bestuursrecht
                            (Awb).</al><al><cursief>Lid 3</cursief></al><al>In dit artikel wordt de link gelegd met de redengevende beschrijving
                            (monumentale beoordeling)</al><al>van het betreffende pand / object.</al><al><cursief>Lid 4</cursief></al><al>Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al
                            op een monumentenlijst</al><al>zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk monument in
                            aanmerking.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke
                            monumenten zoals die ook</al><al>voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat in de periode van
                            kennisgeving van het voornemen</al><al>van het college om een monument op de gemeentelijke monumentenlijst te
                            plaatsen tot het</al><al>daadwerkelijke aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de
                            artikelen 10 tot en met 14</al><al>van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat
                            een monument tijdens</al><al>de aanwijzingsprocedure tot beschermd gemeentelijk monument niet mag
                            worden afgebroken,</al><al>gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een omgevingsvergunning voor
                            monumenten of anders dan de</al><al>bij nadere regels opgestelde wijze. Het gebruik van de
                            voorbeschermingsprocedure is gebonden</al><al>aan een motivatieplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker
                            financiële consequenties</al><al>zijn verbonden. Immers, gedurende de voorbescherming dienen
                            bouwactiviteiten te worden</al><al>opgeschort.</al><al>Het inroepen van de voorbescherming van een object is een
                            publiekrechtelijke beperking en een</al><al>beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1, onder a, sub 1 juncto
                            artikel 1, onder b, sub 5 van de</al><al>Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee
                            is ook onder ander</al><al>artikel 13 van deze wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid
                            van gemeenten voor</al><al>geleden schade. Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen
                            aanvoeren voor het</al><al>inroepen van de voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij
                            artikel 6 van deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de
                            monumentencommissie moet adviseren</al><al>(lid 1) en het college een beslissing moet nemen (lid 2). Door de
                            besluitvorming aan een termijn te</al><al>binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan toe zijn. </al><al>De redactie van lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de
                            monumentencommissie niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze
                            kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te
                            laat uitgebracht advies als bedoeld in het eerste lid) toch in hun
                            overwegingen te betrekken. Als het college niet tijdig beslist, is op
                            grond van de Awb sprake van een fictieve weigering. Als gevolg van
                            artikel 6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of
                            administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou
                            staan.</al><al>Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit,
                            omdat de Awb dat afdoende</al><al>regelt (afdeling 3.6).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De ontvangst van de mededeling (zijnde een afschrift van de
                            inschrijving) van het college is voor</al><al>alle aan het monumentale object verbonden zakelijk gerechtigden van
                            essentieel belang. De</al><al>kenbaarheid van de aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden
                            tot artikel 1, onder a,</al><al>sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid
                            publiekrechtelijke beperkingen</al><al>onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van
                            toepassing op een</al><al>aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al><al>Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                            bekendgemaakt aan de eigenaar</al><al>en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt (afdeling 3.6). Indien het
                            artikel 4:8 Awb is</al><al>toegepast (horen van geadresseerde en derdebelanghebbenden) dan dienen
                            de betrokkenen op</al><al>grond van het bepaalde in artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te
                            ontvangen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><al>De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en
                            geen besluit). De bedoeling</al><al>van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel inzicht te
                            geven in welke zaken als</al><al>gemeentelijk monument zijn aangewezen en de redengeving daartoe. Wat
                            betreft dit laatste aspect</al><al>zij tevens verwezen naar de toelichting bij artikel 3, eerste lid
                            (aanwijzing).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijziging van de aanwijzing</titel></kop><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van
                            gemeentelijke monumenten te</al><al>wijzigen (lid 1).</al><al>Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing
                            zelf (lid 2), tenzij de</al><al>wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de
                            aanwijzing worden</al><al>doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al>Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke
                            monumenten in te trekken</al><al>(lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is het advies van de
                            monumentencommissie nodig, tenzij</al><al>sprake is van spoedeisende gevallen (artikel 3 lid 2).</al><al>Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is
                            ingetrokken (omdat</al><al>ze zijn gesloopt of aan de aan de andere kant volledig teloor gegaan),
                            worden door het</al><al>college van de monumentenlijst gehaald. Naast de registratie regelt lid
                            3 dat monumenten niet</al><al>dubbel aangewezen en geregistreerd kunnen zijn in het geval dat het
                            object ook als rijks- of</al><al>provinciaal monument is aangewezen en geregistreerd. </al><al>In dat geval vervalt de gemeentelijke aanwijzing en registratie als
                            monument. </al><al>Ook is het mogelijk dat een eventuele provinciale monumentenverordening
                            dit zelf regelt.</al><al>Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot
                            intrekking van de aanwijzing</al><al>loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Enerzijds kan deze voor
                            een goede afweging van de</al><al>aanvraag dienen, anderzijds wordt het gebouw voorafgaand aan de sloop
                            voor de lokale</al><al>geschiedenis gedocumenteerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al>De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont gelijkenis
                            met artikel 2.2, eerste lid,</al><al>onder f van de Wabo waarbij het gaat om de beschermde monumenten uit de
                            Monumentenwet</al><al>1988.In dit artikel gaat het alleen over gemeentelijke monumenten.</al><al>Ten aanzien van de omgevingsvergunningaanvraag voor gemeentelijke
                            monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende
                            gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en
                            4:15). In het kader van de Wabo dient de gemeente een aanvraag langs
                            elektronische weg mogelijk te maken. Een schriftelijke aanvraag wordt
                            ingediend met behulp van een door de Minister van VROM vastgesteld
                            formulier.</al><al>De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de
                            indieningsvereisten voor de aanvragen voor</al><al>een omgevingsvergunning. In paragraaf 5.2 van de Mor zijn specifieke
                            indieningsvereisten</al><al>opgenomen voor activiteiten met betrekking tot monumenten. De aard, de
                            omvang en de locatie</al><al>van de werkzaamheden bepalen welke indieningsvereisten gelden. Het
                            bevoegd gezag heeft niet de</al><al>mogelijkheid van deze indieningsvereisten af te wijken. In het kader van
                            de vermindering van</al><al>administratieve lasten voor burgers en bedrijven dienen de
                            indieningsvereisten bij de</al><al>vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk gehouden te worden.</al><al><cursief>&lt;aanpassing 2012</cursief><cursief>:</cursief> In lid 3 van
                            artikel 10 is parallel aan de recente wijziging voor rijksmonumenten een
                            aantal activiteiten genoemd waarvoor er geen vergunningplicht meer
                            geldt. Er is bijvoorbeeld bij rechtens geen vergunning meer nodig voor
                            gewoon onderhoud. Het gaat dan om werkzaamheden die de monumentale
                            waarde niet aantasten. Denk hierbij aan het opschuren en schilderen in
                            dezelfde kleur, het vervangen van kapotte ruiten, het stoppen van rieten
                            daken of vervangen van dakpannen mits door hetzelfde materiaal,
                            vormgeving, profilering en detaillering en wijzigingen aan een onderdeel
                            van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde
                            heeft&gt;.</al><al>In lid 4 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten (ten
                            aanzien van de vorige algemene</al><al>aanpassing) teruggeplaatst. Is er sprake van een vergunning voor het
                            monument dan is</al><al>overeenstemming tussen de eigenaar en de vergunningverlener nodig.</al><al>Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de
                            godsdienstuitoefening in het</al><al>religieuze monument. Dat betekent dat voor bijvoorbeeld een pastorie of
                            catechisatieruimte deze</al><al>bepaling dan ook niet geldt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Vergunningverlening gemeentelijke monumenten</titel></kop><al>Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor zowel
                            digitaal als op papier</al><al>worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen het digitaal dan wel
                            schriftelijk aanvragen van</al><al>de omgevingsvergunning. Voor ondernemingen en personen met een
                            zelfstandig beroep geldt in</al><al>beginsel geen keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs
                            digitale weg indienen.</al><al>Aangezien een aantal, voornamelijk kleinere, bedrijven nog niet over de
                            benodigde voorzieningen</al><al>beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen is in overleg met
                            diverse brancheorganisaties</al><al>besloten om de verplichting na verloop van twee jaren in werking te
                            laten treden.</al><al>Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de
                            administratieve lasten voor burgers</al><al>en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke aanvraag maar
                            maximaal 4 exemplaren van de</al><al>aanvraag en de daarbij behorende bescheiden mag opvragen. In bepaalde
                            gevallen kan op grond</al><al>van het derde lid van artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. </al><al>Er moet dan sprake zijn van twee of meer adviezen of verklaringen van
                            geen bedenkingen.</al><al>In de verordening is een bepaling opgenomen (lid 2) met betrekking tot
                            voorschriften die aan de</al><al>omgevingsvergunning kunnen of moeten worden verbonden. Dit is geregeld
                            in artikel 2.22 lid 4</al><al>Wabo. Deze voorschriften zijn gericht op de uitvoering en de
                            materiaaltoepassing, teneinde de</al><al>bouwkundige en monumentale kwaliteit (behoudtechnische optiek) van het
                            monument in stand te</al><al>houden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies en vergunning</titel></kop><al>Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                            omgevingsvergunning als bedoeld</al><al>in artikel 10 de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Het
                            betreft hier een wijziging</al><al>ten opzichte van de oude erfgoedverordening. Op basis hiervan was op de
                            voorbereiding van deze</al><al>vergunningaanvraag de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure uit
                            de Awb van toepassing</al><al>verklaard. Op grond van de Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht
                            voor de vergunning</al><al>betreffende de gemeentelijke monumenten. Echter indien er meerdere
                            activiteiten voor het project</al><al>moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten de
                            uitgebreide openbare</al><al>voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolg moet worden dan
                            wordt voor het hele</al><al>project de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure gevolgd.
                            Uitgangspunt van de Wabo is</al><al>dat altijd maar één procedure geldt. Indien er sprake is van een
                            samenloop van procedure geldt de</al><al>zwaarste procedure (de uitgebreide openbare
                            voorbereidingsprocedure).</al><al>Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor
                            gekozen om deze hieronder</al><al>nader toe te lichten.</al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen
                            van de Wabo,</al><al>namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming.</al><al>De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan
                            bij titel 4.1 van de Awb. De</al><al>procedure vangt aan met een verplichte ontvangstbevestiging van het
                            indienen van een aanvraag.</al><al>Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat het de aanvraag heeft
                            ontvangen een bericht waarin</al><al>het vermeldt dat zij bevoegd gezag is, welke procedure zal worden
                            doorlopen, de beslistermijn en</al><al>de beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere procedure wordt
                            gevolgd vermeldt het</al><al>bevoegd gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven,
                            indien niet tijdig op de</al><al>aanvraag is beslist. Indien de verstrekte gegevens en bescheiden
                            onvoldoende zijn voor de</al><al>beoordeling van de aanvraag, stelt het bevoegd gezag de aanvrager in de
                            gelegenheid de aanvraag</al><al>binnen de door hem gestelde termijn aan te vullen.</al><al>Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met vermelding van de
                            ontvangstdatum kennis in een of</al><al>meer dag, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte
                            wijze. Het bevoegd gezag</al><al>moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8 weken een beslissing op de
                            aanvraag nemen. In deze</al><al>periode moet het bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de
                            mogelijkheid geven om</al><al>zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb).</al><al>Het bestuursorgaan kan in de verordening op grond van artikel 2.26,
                            derde lid, Wabo ‘andere</al><al>instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te
                            brengen. Hierbij wordt</al><al>onder meer gedacht worden aan de gemeentelijke monumentencommissie en
                            het Gelders</al><al>Genootschap.</al><al>Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang is
                            dat de adviseur in de</al><al>gelegenheid moet worden gesteld om advies uit te brengen. Het is echter
                            aan de adviseur om te</al><al>bepalen of hij van deze gelegenheid gebruik wil maken. Het uitbrengen
                            van een advies staat het</al><al>nemen van een besluit niet in de weg. Wordt het advies niet binnen de
                            gestelde termijn gegeven</al><al>dan kan het bevoegd gezag de procedure vervolgen.</al><al>Het bevoegd gezag dient altijd de termijn van 8 weken in acht te nemen.
                            De termijn van 8 weken</al><al>kan met ten hoogste zes weken worden verlengd. Het bevoegde gezag dient
                            hiervan op dezelfde</al><al>manier mededeling te doen als van de kennisgeving van de aanvraag. Deze
                            verlenging van 6</al><al>weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het
                            uitbrengen van een</al><al>advies.</al><al>Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn
                            te stellen voor het</al><al>uitbrengen van advies, indien dit niet al bij wettelijk voorschrift is
                            bepaald. </al><al>Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de adviseur zijn taak niet
                            naar behoren kan vervullen. Gelet op de beslistermijn dient het
                            uitbrengen van het advies door de monumentencommissie parallel te lopen
                            aan de beoordeling van de aanvraag door het bevoegde gezag.</al><al>Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage
                            gelegd waarbij het wordt</al><al>opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt in werking
                            met ingang van de dag</al><al>na haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het
                            indienen van een</al><al>bezwaarschrift is verstreken.</al><al>In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale
                            beslistermijn opgenomen. Deze</al><al>positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding van de
                            beslistermijn leidt tot een</al><al>omgevingsvergunning van rechtswege. De omgevingsvergunning wordt conform
                            de aanvraag</al><al>verleend. Men spreekt ook wel van de fictieve vergunningverlening. De
                            bepalingen uit paragraaf</al><al>4.1.3.3 van de Awb zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van
                            artikel 4:20b, derde lid en</al><al>4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met
                            ingang van de dag na de</al><al>bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van
                            een bezwaarschrift is</al><al>verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>De beoordeling van de aanvraag</titel></kop><al>De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één of
                            meerdere gestelde</al><al>toetsingscriteria uit het gestelde toetsingskader. De afzonderlijke
                            toetsingskaders zijn onder de</al><al>Wabo namelijk blijven bestaan. In het kader van dit artikel moet dus
                            worden afgewogen in</al><al>hoeverre het belang van monumenten in het geding is. Inhoudelijk kan
                            beoordeeld worden dat het</al><al>belang van de monumentenzorg zwaarder weegt dan andere belangen
                            (bijvoorbeeld het</al><al>economisch belang). De tekst van het artikel geeft namelijk aan dat er
                            geen sprake mag zijn van</al><al>onevenredige aantasting van de monumentale waarden van het betreffende
                            monument. Hierdoor</al><al>wordt de monumentenzorg centraal gesteld, waarbij voornamelijk wordt
                            gekeken naar de fysieke</al><al>aspecten (de gevolgen voor het historisch materiaal), als naar de
                            verschijningsvorm van het</al><al>gemeentelijk monument.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te
                            trekken. De bepaling onder c</al><al>heeft de volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de
                            vergunninghouder ten aanzien van</al><al>het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een nieuwe
                            belangenafweging zou</al><al>kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument behoren voor te gaan.
                            In dat geval moet het</al><al>bevoegd gezag mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Rijksmonumenten</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><al><cursief>Lid 1</cursief></al><al>De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning
                            voor beschermde</al><al>monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en afdeling 3.4 van de
                            Awb.</al><al>De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is van toepassing.
                            Hierin verschilt de</al><al>omgevingsvergunning voor beschermde monumenten van de
                            omgevingsvergunning voor</al><al>gemeentelijke monumenten. Voor een vergunning als bedoeld in artikel 10
                            dient namelijk de</al><al>reguliere procedure gevolgd te worden. Door de inwerkingtreding van de
                            Wabo vindt er geen</al><al>wijziging in de voorbereidingsprocedure voor de omgevingsvergunning voor
                            beschermde</al><al>monumenten plaats. Door dit onderscheid in procedures is de
                            beslistermijn voor beide</al><al>omgevingsvergunningen niet gelijk.</al><al>Dit heeft tot gevolg dat de adviestermijn voor beschermde monumenten ook
                            langer zal zijn. Door</al><al>de komst van de Wabo wordt de kring van belanghebbenden vergroot.
                            Gedurende de termijn van</al><al>terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen. Voorheen konden
                            alleen belanghebbenden</al><al>zienswijzen indienen.</al><al>De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom ook
                            Gedeputeerde Staten</al><al>(hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor) na verzending van de
                            adviesaanvraag adviseren.</al><al>Het definitieve besluit moet binnen zes maanden na ontvangst van de
                            aanvraag worden genomen.</al><al>Op het definitieve besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep
                            worden ingesteld.</al><al>Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende
                            wijzen invulling te geven. De</al><al>beperking adviesplicht van de rijksdienst vanaf 2009 heeft op
                            bovenstaande van invloed. Daarom</al><al>wordt de verplichte advisering in de ‘Wijziging van de Monumentenwet
                            1988 in verband met onder</al><al>meer beperking van de ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een
                            omgevingsvergunning voor</al><al>monumenten’ los gelaten.</al><al>De adviesplicht is alleen van toepassing wanneer er sprake is van:</al><lijst><li nr="1."><al>(gedeeltelijke) afbraak;</al></li><li nr="2."><al>ingrijpende wijzigingen vergelijkbaar met gedeeltelijke
                                    afbraak;</al></li><li nr="3."><al>reconstructie;</al></li><li nr="4."><al>herbestemming: het wijzigen van de functie.</al></li></lijst><al>Ter compensatie van het wegvallen van het advies van de rijksdienst
                            moeten alle gemeenten vanaf</al><al>2009 een monumentencommissie hebben aangesteld, die onafhankelijk en
                            deskundig is. Het</al><al>overgangsartikel 64 in de Monumentenwet 1988, waarin de rijksdienst bij
                            afwezigheid van een</al><al>monumentencommissie in diens advisering trad, is ingetrokken. Indien het
                            beschermd monument</al><al>buiten de bebouwde kom ligt, is het college van burgemeester en
                            wethouders verplicht om een</al><al>afschrift van de aanvraag aan GS te zenden. GS kunnen de
                            adviesbevoegdheid vervolgens naar</al><al>eigen inzicht invullen en al dan niet tot advisering overgaan, waarvoor
                            men twee maanden de tijd</al><al>heeft. Het is gewenst dat GS al op voorhand kenbaar maken in welke
                            gevallen zij niet adviseren,</al><al>zodat de beoogde tijdswinst ook daadwerkelijk kan worden gehaald.</al><al><cursief>Lid 2</cursief></al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de
                            aanvragen om een</al><al>omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt ingeschakeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Gemeentelijke stads- en dorpsgezichten</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr></kop><al>De mogelijkheid gebieden aan te wijzen als beschermd dorpsgezicht biedt
                            geen verplichtingen,</al><al>maar betekent wel een extra beleidsinstrument tussen de objectgerichte
                            monumentenlijsten en de</al><al>gewone bestemmingsplannen. Tevens betekent de aanwijzing een politiek
                            belangrijke</al><al>intentieverklaring. Stads- en dorpsgezichten die al op een rijkslijst
                            staan, komen niet voor</al><al>aanwijzing als gemeentelijk stads- of dorpsgezicht in aanmerking.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr></kop><al>Als de gemeente de cultuurhistorische waarde van een gebied erkent en
                            wil beschermen als</al><al>gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, wordt deze kwaliteit, in
                            bestemmingsplanterminologie, een</al><al>ruimtelijk gebruiksdoeleind van de grond, waaraan bijzondere
                            situeringskenmerken kunnen worden</al><al>verbonden, zoals zeer gedetailleerde bebouwingsvoorschriften.</al><al>Uitsluitend het vaststellen van dergelijke bestemmingsplannen, zonder
                            aanwijzing van een stadsof</al><al>dorpsgezicht, is ongewenst, aangezien in deze aanwijzing de legitimering
                            gevonden wordt op</al><al>grond waarvan de extra plichten (in vergelijking met andere
                            bestemmingsplannen) opgelegd</al><al>worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr></kop><al>Het sloopvergunningstelsel voor bouwwerken in dit artikel is opgenomen
                            naar analogie van de</al><al>Wabo (artikel 2.2 lid 1 sub c). De sloopvergunningplicht ontstaat bij de
                            aanwijzing van een</al><al>gemeentelijk stads- of dorpsgezicht; in het bestemmingsplan behoeven ter
                            zake dus geen</al><al>voorzieningen meer te worden getroffen.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Aanwijzing archeologisch waardevol (verwachtings)gebied</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Lid 1</titel></kop><al>De Monumentenwet 1988 (artikel 38a), waarin de Wet op de archeologische
                            monumentenzorg is</al><al>geïmplementeerd, verplicht de raad om bij de vaststelling van een
                            bestemmingsplan als bedoeld in</al><al>artikel 3.1 van de Wro, rekening te houden met de in de grond aanwezige
                            dan wel te verwachten</al><al>monumenten. Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend uit het Verdrag
                            van Valletta - Malta-)</al><al>en daarmee ook van deze verordening, is daarom primair dat in het
                            bestemmingsplan, door middel</al><al>van een gemeentelijke archeologische verwachtings-/ maatregelenkaart,
                            wordt vastgelegd waar</al><al>zich archeologische waarden in de bodem (kunnen) bevinden. Dit artikel
                            voorziet in de behoefte</al><al>aan een overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan
                            ´Malta-proof´ is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>lid 2</titel></kop><al>Een gemeentelijke archeologische verwachtings-/ maatregelenkaart is geen
                            statisch gegeven. De</al><al>doorlopende aanvullende archeologische kennis uit archeologische
                            vondsten en uit</al><al>onderzoeksgegevens bij bijvoorbeeld ruimtelijke plannen maakt het
                            noodzakelijk om van tijd tot</al><al>tijd de kaart ‘up-to-date’ te houden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Lid 1</titel></kop><al>Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden
                            vastgesteld, biedt deze</al><al>verordening bij wijze van artikel 21 de nodige bescherming aan
                            archeologische waarden in de</al><al>bodem. Het eerste lid van artikel 21 biedt bescherming door het
                            opgenomen verbod om dieper dan</al><al>30 cm de bodem te verstoren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Lid 2</titel></kop><al>In het tweede lid van artikel 21 worden een vijftal
                            uitzonderingsmogelijkheden geven op het eerste</al><al>lid. In onderdeel a kan van het verbod uit het eerste lid worden
                            afgeweken indien de verstoring</al><al>plaatsvindt in een archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de
                            gemeentelijke</al><al>verwachtings-/ maatregelenkaart. Deze archeologische verwachtingswaarden
                            zijn vervolgens</al><al>gekoppeld aan een aantal m2 te verstoren verwachtingsgebied. </al><al><cursief>&lt;aanpassing 2012</cursief><cursief>:</cursief> De m2-ers
                            waarbinnen archeologisch onderzoek nodig is, is verruimd. In de
                            Monumentenwet is vastgelegd dat voor elke bodemverstoring van 100 m2 een
                            archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Gemeenten mogen beleid
                            vaststellen waarin van de 100 m2-ondergrens wordt afgeweken. Dit beleid
                            moet goed onderbouwd zijn.</al><al>In het recente (2012) afwegingskader worden de ondergrenzen verruimd ten
                            opzichte van het vorige archeologische beleid (2010). De nieuwe
                            ondergrenzen zijn gebaseerd op onder meer een analyse van 15 jaar
                            archeologisch onderzoek in de regio. Uitgangspunt hierbij is een
                            maatschappelijk verantwoorde balans tussen de wensen vanuit de
                            ruimtelijke ontwikkeling en het zorgvuldig beheren van het (ondergronds)
                            cultuurhistorisch erfgoed.</al><al>De ondergrenzen wijzigen hierdoor van:</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="47*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="26*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="28*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Terreinen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>oud</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet>nieuw</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>AMK-terreinen</al></entry><entry colname="col2"><al>0 m2</al></entry><entry colname="col3"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Historische stads- of dorpskernen</al></entry><entry colname="col2"><al>30 m2</al></entry><entry colname="col3"><al>50 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Hoge verwachting</al></entry><entry colname="col2"><al>100 m2</al></entry><entry colname="col3"><al>250 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Middelmatige verwachting</al></entry><entry colname="col2"><al>100 m2</al></entry><entry colname="col3"><al>1.000 m2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lage verwachting</al></entry><entry colname="col2"><al>2.500 m2</al></entry><entry colname="col3"><al>5.000 m2</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>In de praktijk zal dit een vermindering van het aantal onderzoeken ten
                            opzichte van de afgelopen jaren en hiermee een administratieve en
                            financiële lastenverlichting voor zowel de gemeente als de burgers
                            betekenen. Keerzijde hiervan is dat door verruiming van de
                            onderzoeksgrenzen, het aantal toevalsvondsten mogelijk zal toenemen.
                            Wanneer de gemeente in deze situaties een onzorgvuldige belangenafweging
                            heeft gemaakt, kan zij aansprakelijk gesteld worden voor de
                            onderzoekskosten. Het afwegingskader is echter goed onderbouwd, waardoor
                            de gemeente een zorgvuldige belangenafweging kan
                                maken<cursief>&gt;</cursief>. </al><al>Bij de bepaling van deze grenzen is voldoende rekening gehouden met de
                            vraag wat er binnen het</al><al>verwachtingsgebied aan archeologische sporen kan worden aangetroffen. In
                            ieder geval moet</al><al>binnen de gehanteerde oppervlakte dusdanig zijn dat voldoende informatie
                            verkregen kan worden</al><al>over de aard, het karakter en de datering van de (mogelijk) in de bodem
                            aan te treffen</al><al>archeologische sporen.</al><al>Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date
                            is als bedoeld in de</al><al>inleidende toelichting bij dit artikel. In dat geval biedt het
                            bestemmingplan, aan de hand van de</al><al>bijbehorende archeologische verwachtings-/ maatregelenkaart, voldoende
                            bescherming aan de in</al><al>de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden.</al><al>In onderdeel c worden een aantal mogelijkheden genoemd die voorheen in
                            de Wet ruimtelijke</al><al>ordening waren opgenomen en nu in artikel 2.12 Wabo. Het gaat hier om
                            het oude projectbesluit,</al><al>de oude binnenlandse ontheffing, de oude tijdelijke ontheffing en de
                            oude buitenplanse ontheffing</al><al>(voorheen de artikelen 3.10, 3.22 en 3.23 Wro) Deze bepalingen zijn met
                            de Invoeringswet Wabo</al><al>komen te vervallen.</al><al>Wel geldt nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand kunnen komen
                            doordat bij de aanvraag</al><al>voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot archeologische
                            waarden in het gebied</al><al>waarvoor de aanvraag geldt. Aan de aanvraag kan dan de voorwaarde worden
                            verbonden dat een</al><al>rapportage wordt overlegd waarin de archeologische waarden van het te
                            verstoren terrein in</al><al>voldoende mate is vastgesteld.</al><al>Onderdeel e ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in
                            onderdeel c. Het gaat hier in de</al><al>eerste plaats om een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van het
                            realiseren van een fysiek</al><al>project. Er is voor gekozen om deze bepaling dan ook onder de Wabo te
                            laten vallen. Op grond van</al><al>artikel 23 zijn de bepalingen uit hoofdstuk 3 van overeenkomstige
                            toepassing verklaard op de</al><al>beoordeling van het rapport door het bevoegd gezag.</al><al>Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d worden gevraagd en komt
                            overeen met de</al><al>mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet 1988 in geval
                            van een bestemmingsplan</al><al>in de geest van het Verdrag van Malta.</al><al>Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel d toegelicht. Op grond van
                            dit artikel kan het college</al><al>nadere regels stellen wat betreft de eisen aan de uitvoering van de
                            bodemverstorende</al><al>werkzaamheden in een archeologisch monument of verwachtingsgebied. </al><al>Vooruitlopend op een´Malta-proof’ bestemmingsplan´ kunnen deze nadere
                            regels inhoudelijk aansluiten op de situatie dat (in een bestemmingsplan
                            waarin een archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende
                            werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een aanlegvergunning,
                            waarin vereisten over de bescherming van archeologische waarden zijn
                            opgenomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><al>Door deze bepaling in de verordening op te nemen, wordt gekozen voor een
                            uitgebreide</al><al>regiefunctie bij archeologische opgravingen binnen het gemeentelijk
                            grondgebied.</al><al>Daarnaast bestaat een vergunningvereiste voor het doen van opgravingen
                            en dient een</al><al>rechthebbende van een terrein te dulden dat de opgravingbevoegde zijn
                            terrein betreedt en</al><al>eventueel opgravingen verricht.</al><al>Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een
                            programma van eisen op</al><al>te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het ontwerp en de
                            uitvoering van archeologisch</al><al>onderzoek (lid 1, onder a). Vervolgens wordt van de opgraver verwacht
                            dat hij in een plan van</al><al>aanpak weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders zoals omschreven
                            in het programma van</al><al>eisen (PvE) denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Op grond van de
                            leden 2 en 3 kunnen</al><al>vervolgens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de feitelijke
                            uitvoering (en het</al><al>toezicht daarop) en de beoordeling van het plan van aanpak (PvA). Het
                            inhoudelijk beoordelen van</al><al>PvE en PvA zal in de regel geschieden door de regionaal archeoloog van
                            de Regio Achterhoek, die</al><al>als deskundige voor de gemeente optreedt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 21, tweede lid, onder
                            e en artikel 22, eerste lid,</al><al>onder b sprake van een verkapt vergunningstelsel en de uitvoering van
                            een fysiek project. Om</al><al>deze reden is de Wabo van toepassing verklaard. De bepalingen uit de
                            artikelen 11, 12, 13 en 14,</al><al>welke zien op de verlening van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke
                            monumenten, kunnen</al><al>daarom van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Voor de
                            toelichting wordt verwezen</al><al>naar de artikelgewijze toelichting bij deze artikelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                            erfgoedverordening zonder</al><al>een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR 86,604). Voor het
                            archeologische deel van de</al><al>verordening dient echter, op grond van de Wet op de Archeologische
                            monumentenzorg, wel een</al><al>schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                            rijksregeling voor</al><al>excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van
                            toepassing.</al><al>Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de memorie van
                            toelichting van de Wet op de</al><al>Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat bij de afweging tot
                            toekenning van</al><al>schadevergoeding voorop en geldt voor alle in het eerste lid genoemde
                            onderdelen (a t/m e). De</al><al>gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat ‘redelijk’ of
                            ‘buitenproportioneel’ is.</al><al>In deze verordening is gekozen voor een gecombineerde
                            schadevergoedingsbepaling, waarin de</al><al>specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het college mogelijk
                            een schadevergoeding</al><al>aan een belanghebbende dient toe te kennen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van toepassing
                            op de nadere</al><al>voorschriften die het college kan stellen op grond van artikel 10, derde
                            lid en artikel 21, met</al><al>uitzondering van het tweede lid, onder e. De strafbaarstelling van de
                            omgevingsvergunning voor</al><al>gemeentelijke monumenten is geregeld in de Wet economische delicten
                            (Wed). Het handelen</al><al>zonder vereiste omgevingsvergunning of in strijd met de voorschriften
                            daarvan wordt aangemerkt</al><al>als economisch delict.</al><al>Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154,
                            lid 1, van de Gemeentewet</al><al>aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op overtreding van
                            verordeningen straf te stellen,</al><al>maar geen andere of zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden
                            of geldboete van de</al><al>tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke
                            uitspraak. In artikel 23 van</al><al>het Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen.</al><al>&lt;<cursief>aanpassing 2012&gt; </cursief>De op te leggen boete voor
                            strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal </al><al>€ 390,- (januari 2012); in de tweede categorie maximaal € 3900,-
                            (januari 2012). Het is de gemeente niet toegestaan om een hogere
                            geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën.</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de wens
                            om enige preventieve</al><al>werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie
                            of een hechtenis van</al><al>drie maanden voor het overtreden van de nadere regels voor de hand
                            liggend.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig
                            modelbepaling 90.M van de</al><al>Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Het aanwijzen van
                            toezichthouders kan door het</al><al>college geschieden.</al><al>De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5
                            van de Awb, waarin</al><al>algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving
                            van algemeen geldende</al><al>rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Toezichthouders
                            worden in artikel 5:11 Awb</al><al>omschreven als zijnde personen, die bij of krachtens wettelijk
                            voorschrift belast zijn met het</al><al>houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                            enig wettelijk voorschrift,</al><al>zodat de aanwijzing van toezichthouders daarom in de erfgoedverordening
                            kan plaatsvinden.</al><al>In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat
                            inhoudt dat een toezichthouder</al><al>zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit redelijkerwijs
                            voor de vervulling van zijn</al><al>taak noodzakelijk is. Een toezichthouder kan daarom niet te allen tijde
                            gebruik maken van alle</al><al>bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden
                            toegekend. Steeds zal de</al><al>afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn taak
                            redelijkerwijs</al><al>noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het voorschrift op de
                            naleving waarvan een</al><al>toezichthouder moet toezien.</al><al>Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats
                            te betreden met</al><al>uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner. 'Plaatsen'
                            is daarbij een ruim</al><al>begrip en omvat niet alleen erven en andere terreinen, maar ook gebouwen
                            (niet-woningen).</al><al>Nadrukkelijk zij hier vermeld dat het college op grond van dit artikel
                            niet zelf opsporingsambtenaren</al><al>aanwijst als bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het
                            college ook</al><al>niet te doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van
                            Strafvordering regelt dat bij</al><al>verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid
                            toekomt. Deze buitengewone</al><al>opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid voor
                            een beperkt aantal</al><al>strafbare feiten.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Intrekken oude regeling</titel></kop><al>Dit artikel regelt de intrekking van de oude erfgoedverordening, zodat
                            niet twee verordeningen van</al><al>kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen. Het uitdrukkelijk intrekken
                            van een oude regeling mag</al><al>niet achterwege worden gelaten met een beroep op het beginsel dat een
                            vroegere regeling ter zijde</al><al>wordt gesteld door een latere regeling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien
                            bijvoorbeeld een regeling</al><al>wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke gevolgen de
                            intrekking moet hebben voor op</al><al>die regeling gebaseerde beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de
                            eerbiediging van</al><al>bestaande rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling
                            opgenomen. De</al><al>bestaande rechten betreffen in dit geval de aanwijzing tot monument
                            (artikel 3) en de</al><al>vergunningverlening (artikel 10).</al><al>In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de
                            gemeentelijke</al><al>monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn aangewezen en
                            geregistreerd in</al><al>overeenstemming met deze nieuwe verordening.</al><al>In het tweede lid is geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning
                            voor gemeentelijke</al><al>monumenten, die zijn ingediend vóór het van kracht worden van deze
                            verordening, worden</al><al>afgehandeld op grond van de oude verordening. Voor een bepaalde
                            overgangsperiode zullen er dus</al><al>twee procedures gelden. Bij een nieuwe aanvraag (vanaf 1 oktober 2010)
                            voor een vergunning</al><al>gelden dan de bepalingen uit de Wabo.</al><al><vet>Artikelen 29 en 30</vet></al><al>Inwerkingtreding en citeertitel spreken voor zich.</al><al/><al><extref doc="/cvdr/images/Montferland/i164803.pdf">Bijlage selectiecriteria bij Erfgoedverordening Montferland 2012</extref></al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>