<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR249321_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-01-18</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Apeldoorn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Apeldoorns stadsblad, d.d. 5 december
                2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">gelet op artikel 8, eerste lid onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en bijstand</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-11-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-12-06</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-07-18</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand 2012 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Apeldoorn;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het burgemeester en wethouders van de gemeente
                        Apeldoorn d.d. 23 oktober 2012;</al><al/><al>gelet op artikel 8, eerste lid onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en
                        bijstand;</al><al/><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van toeslagen en het
                        verlagen van uitkeringen van bijstandsgerechtigden van 21 jaar of ouder die
                        de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt bij verordening te
                        regelen;</al><al/><al>BESLUIT:</al><al/><al>vast te stellen de volgende <vet>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand
                            2012</vet>.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>1. In de verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> de wet: de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al> de gehuwdennorm: de norm bedoeld in artikel 21, onderdeel c van
                                    de wet;</al></li><li nr="c."><al>woning: een zelfstandige woning zoals bedoeld in artikel 7:234
                                    van het Burgerlijk Wetboek, als mede een woonwagen of woonschip
                                    als bedoeld in artikel 3, zes lid van de wet;</al></li><li nr="d."><al>zorgbehoevende: degene die is aangewezen op verzorging ter
                                    voorkoming van opname in verpleeghuis of verzorgingshuis;</al></li><li nr="e."><al>onderhuurder: de persoon die tegen een commerciële prijs van
                                    tenminste 15% van de gehuwdennorm een deel van een woning huurt
                                    van de hoofdbewoner;</al></li><li nr="f."><al>kostganger: de persoon die tegen een commerciële prijs van
                                    tenminste 40% van de gehuwdennorm kost en inwoning geniet.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>Deze verordening is uitsluitend van toepassing op belanghebbenden van 21
                            jaar of ouder doch de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft
                            bereikt. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening
                            uitsluitend indien beide echtgenoten 21 jaar of ouder zijn en de
                            pensioen-</al><al>gerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslag alleenstaande (ouder)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 20
                                procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande
                                ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de wet bedraagt 10
                                procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en alleenstaande
                                ouder in wiens woning een ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten
                                niet worden gedeeld met inwonend kind van 18 jaar of ouder met een
                                inkomen dat niet meer bedraagt het normbedrag voor kosten van
                                levensonderhoud voor hoger onderwijs genoemd in 3.18 van de Wet
                                studiefinanciering 2000. Indien het een inkomen uit
                                studiefinanciering op grond van deze wet betreft wordt voor dit
                                inkomen uitgegaan van het feitelijk verstrekte bedrag onder aftrek
                                van de binnen de studiefinanciering opgenomen componenten voor
                                studiekosten en onderwijsbijdrage.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten
                                van het bestaan niet worden gedeeld wanneer de belanghebbende een
                                onderhuurder of kostganger in de zin</al><al> van deze verordening is.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten
                                van bestaan niet worden gedeeld wanneer de belanghebbende
                                zorgbehoevend is of uitsluitend tezamen met een zorgbehoevende de
                                woning bewoont.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de norm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlagen norm gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10 procent
                                van de gehuwdennorm voor gehuwden die de woning delen met één of
                                meer anderen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het derde lid van artikel 3 van deze verordening is van
                                overeenkomstige toepassing, evenals het vijfde lid van artikel 3
                                voor zover de ander zorgbehoevend is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt 15 procent van de
                            gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende
                            geen kosten van huur of hypotheeklasten verbonden of als er geen woning
                            bewoond wordt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verlaging toeslag 21- en 22 jarige alleenstaande</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 29 van de wet bedraagt voor een
                                alleenstaande van 21 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien in zijn woning geen
                                        ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>15 procent van de gehuwdennorm indien hij met een ander zijn
                                        hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in artikel 29 van de wet bedraagt voor een
                                alleenstaande van 22 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al>5 procent van de gehuwdennorm indien in zijn woning geen
                                        ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien hij met een ander zijn
                                        hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slot en overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De Verordening verhoging of verlaging van de bijstandnorm wordt
                            ingetrokken </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Op de persoon die valt onder de werking van artikel 78w van de wet,
                            blijft de Verordeningverhoging of verlaging van de bijstandnorm, zoals
                            op 1 januari 2012 gold, van toepassing. Dietoepassing eindigt op het
                            tijstip waarop het recht op die bijstand eindigt doch ten hoogste
                            met</al><al>ingang van 1 januari 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na de datum van
                            bekendmaking en werkt terug tot en met 18 juli 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening Wet werk en
                            bijstand 2012 gemeente Apeldoorn.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering d.d. 8 november 2012</ondertekening><ondertekening>Gepubliceerd in het Apeldoorns Stadsblad, d.d. 5 december 2012</ondertekening><ondertekening>Inwerking getreden d.d. 6 december 2012 en werkt terug tot 18 juli 2012</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><al>De Wet werk en bijstand (WWB) kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan een systeem van basisnormen, toeslagen en verlagingen. De normen zijn
                    geregeld in paragraaf 2 van de WWB. Paragraaf 3 van de WWB voorziet in toeslagen
                    en verlagingen. De som van deze drie onderdelen (normen, toeslagen en
                    verlagingen) levert de bijstandsnorm op. Het gaat dan om de bijstandsnorm voor
                    personen van 21 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd en die niet in een
                    inrichting verblijven.</al><al>De WWB kent verschillende normen voor alleenstaanden, alleenstaande ouders en
                    gehuwden. Alleenstaanden en alleenstaande ouders komen in aanmerking voor een
                    toeslag indien zij hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben
                    dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen
                    van deze kosten met een ander. De woonsituatie is hierbij van doorslaggevende
                    betekenis. De hoogte van de toeslag, welke wordt aangegeven in de
                    toeslagenverordening, bedraagt maximaal 20 procent van de gehuwdennorm en moet
                    aansluiten bij het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten. Voor een
                    alleenstaande van 21 of 22 jaar kan de toeslag afwijkend worden
                    vastgesteld.</al><al>De WWB kent de volgende grondslagen om de norm of toeslag voor personen van 21
                    en ouder en de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt, die niet in
                    een inrichting verblijven te verlagen:</al><al>• het kunnen delen van algemeen noodzakelijke kosten van bestaan met een ander
                    bij gehuwden (artikel 26 WWB);</al><al>• de woonsituatie (artikel 27 WWB);</al><al>• de recente beëindiging van deelname aan onderwijs of beroepsopleiding (artikel
                    28 WWB);</al><al>• de leeftijd van 21 of 22 jaar bij alleenstaanden (artikel 29 WWB).</al><al>Voor de berekening van de bijstandsnorm geldt een vaste volgorde: eerst de norm,
                    dan eventueel een toeslag en vervolgens de verlagingen. Het college is bevoegd
                    om de algemene bijstand (de bijstandsnorm na aftrek van eventuele inkomsten) in
                    afwijking van deze regel hoger of lager vast te stellen indien de individuele
                    omstandigheden van de belanghebbende daartoe aanleiding geven.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al><vet>Onderdeel b: gehuwdennorm</vet></al><al>Voor het begrip ‘gehuwdennorm’ wordt verwezen naar de norm voor gehuwden
                        voor personen van 21 jaar of ouder doch de pensioengerechtigde leeftijd nog
                        niet hebben bereikt als bedoeld in artikel 21, onderdeel c van de WWB.</al><al><vet>Onderdeel c: woning </vet></al><al>Het begrip ‘woning’ is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd omdat
                        de tekst van de WWB nergens een omschrijving geeft van dit begrip. Wel
                        vermeldt artikel 3, zesde lid van de WWB dat in de WWB en de daarop
                        berustende bepalingen onder een woning mede een woonwagen of een woonschip
                        verstaan moet worden. Onder woning wordt verstaan een zelfstandige woning,
                        dat wil zeggen een woning voorzien van een eigen toegang, waarbij geen
                        wezenlijke woonfuncties, zoals woon- en slaapruimte, was- en kookgelegenheid
                        en toilet en douche met andere woningen worden gedeeld.</al><al><vet>Onderdeel e: onderhuurder</vet></al><al>Er moet een commerciële prijs worden betaald voor het huren van een deel van
                        een woning om in aanmerking te komen voor een volledige toeslag. Van
                        commerciële prijs is sprake als minimaal 15 procent van de gehuwdennorm aan
                        huur wordt betaald. Daarvoor wordt gekeken naar de prijs die moet worden
                        betaald per maand voor de bewoning van het deel van de woning. Deze prijs
                        kan bestaan uit de kale huur, kale huur met bijkomende kosten als gas, water
                        en licht of een all-in huurprijs.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden in de
                        leeftijdscategorie van 21 jaar of ouder doch de pensioengerechtigde leeftijd
                        nog niet hebben bereikt. Vanwege de lagere jongerennorm is ervoor gekozen
                        geen verdere verlaging toe te passen bij belanghebbenden van 18 tot 21
                        jaar.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslag alleenstaande (ouder)</titel></kop><al><vet>Eerste en tweede lid</vet></al><al>De hoogte van 20 procent van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag voor
                        de alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                        hoofdverblijf heeft is verplicht op grond van artikel 30, tweede lid onder a
                        van de WWB. Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt
                        verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen
                        worden (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Daarbij is de mate waarin de
                        kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                        verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf.</al><al>Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter van
                        worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag
                        blijft op zijn plaats. In de toeslagenverordening is daarom gekozen voor een
                        toeslag van 10 procent van de gehuwdennorm in het geval een ander in
                        dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. Hierop worden een aantal situaties
                        uitgezonderd. Dit wordt geregeld in het derde tot en met vijfde lid van dit
                        artikel. </al><al><vet>Derde Lid</vet></al><al>Uit artikel 25, eerste lid van de WWB (en artikel 26 van de WWB) volgt dat
                        een belanghebbende de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan
                        delen met thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder met een laag inkomen.
                        Hiervan is sprake indien dat kind een in aanmerking te nemen inkomen heeft
                        van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger
                        onderwijs genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000.</al><al>Voor het inkomen uit studiefinanciering moet worden uitgegaan van het
                        daadwerkelijke inkomen. De gemeente kan bij de bepaling van de hoogte van de
                        toeslag niet uitgaan van het in artikel 33, tweede lid van de WWB in
                        aanmerking te nemen inkomen, maar moet de daadwerkelijke inkomsten van het
                        niet in de bijstand begrepen kind in acht nemen (CRvB 01-05-2001, nrs.
                        99/4381 en 01/201 NABW).</al><al><vet>Vierde lid </vet></al><al>In dit lid worden de onderhuurder en kostganger uitgezonderd van de bepaling
                        als genoemd in artikel 3, eerste lid sub b van de verordening. Hierdoor
                        heeft de kostganger en de onderhuurder als bedoeld in artikel 1 sub e en f
                        van deze verordening recht op een toeslag van 20 procent, ondanks dat zij
                        hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning met de verhuurder of andere
                        bewoners. Gezien het feit dat er voor bewoning een commerciële prijs wordt
                        betaald, is verlaging wegens het kunnen delen van de noodzakelijke kosten
                        van bestaan niet redelijk.</al><al><vet>Vijfde lid </vet></al><al>In dit lid is geregeld dat zowel de zorgbehoevende als de verzorger niet
                        worden meegeteld als personen waarmee kosten gedeeld kunnen worden. Deze
                        bepaling is opgenomen om te voorkomen dat een verlaging van de maximale
                        toeslag tot het onbeoogde effect zou leiden dat de zorgbehoevende aangewezen
                        wordt voor de betreffende zorg buiten de deur. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlagen norm gehuwden</titel></kop><al>Op grond van artikel 26 van de WWB kan het college de gehuwdennorm verlagen
                        indien belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                        hebben dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk
                        kunnen delen van deze kosten met een ander. Artikel 4 van deze verordening
                        vormt het spiegelbeeld van artikel 3 van deze verordening. Ingeval in de
                        woning van het gezin een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld
                        dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Gekozen
                        is voor een verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm (zie artikel 4,
                        eerste lid van deze verordening).</al><al>Artikel 4, tweede lid van deze verordening komt overeen met de bepaling
                        zoals opgenomen in artikel 3, derde en vijfde lid van deze verordening.
                        Verwezen wordt dan ook naar de toelichting zoals opgenomen bij artikel 3 van
                        deze verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afwijkende toeslag wegens ontbreken woonkosten</titel></kop><al>In dit artikel is bepaald dat de norm of toeslag wordt verlaagd met 15
                        procent van de gehuwdennorm, indien een woning wordt bewoond waaraan voor
                        belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden of als er geen woning wordt
                        bewoond.</al><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder woonkosten verstaan: a)
                        indien een huurwoning wordt bewoond, de huurprijs of kale huur per maand; b)
                        indien een eigen woning wordt bewoond, de verschuldigde hypotheekrente per
                        maand. Ook in de situatie dat er maandelijks voor gas, water en licht wordt
                        betaald, maar <onderstreept>geen</onderstreept> kale huur valt onder dit
                        artikel.</al><al>Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake
                        zijn:</al><al>• bij het niet aanhouden van een woning;</al><al>• bij bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden,
                        bijvoorbeeld in het geval van (anti-)krakers;</al><al>• indien een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonlasten
                        betaalt van de woning.</al><al>Als een derde, bijvoorbeeld de ex-echtgenoot, de woonlasten van de door
                        belanghebbende bewoonde woning draagt, heeft het college de keuze om het
                        aldus verkregen woongenot aan te merken als inkomen in natura of de norm of
                        toeslag te verlagen op grond van artikel 27 van de WWB. Overigens kan het
                        college, indien noch in het kader van artikel 27 van de WWB noch in het
                        kader van artikel 33, eerste lid van de WWB rekening wordt gehouden met de
                        situatie waarin een ander dan belanghebbende de woonkosten betaalt, de
                        bijstand in voorkomende gevallen lager vaststellen op grond van het
                        individualiseringsbeginsel van artikel 18, eerste lid van de WWB.</al><al>De norm of toeslag wordt tevens met 15 procent verlaagd als de
                        belanghebbende geen woning bewoont. Deze bepaling ziet op de mogelijkheid om
                        de uitkering van dak- en thuislozen te verlagen, omdat deze lagere
                        bestaanskosten hebben dan belanghebbenden die een woning bewonen. Tegenover
                        het ontbreken van kosten omdat geen woonruimte wordt aangehouden, staat dat
                        dak- en thuislozen regelmatig kosten zullen moeten maken voor dak- en
                        thuis-lozenopvang. Daarom is gekozen voor een verlaging van 15 procent van
                        de gehuwdennorm.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Afwijkende toeslag 21- en 22 jarige alleenstaande</titel></kop><al>Artikel 29 van de WWB geeft het college de bevoegdheid om een verlaging op
                        de toeslag van artikel 25 van de WWB toe te passen indien het van oordeel
                        is, dat gezien de hoogte van het minimum jeugdloon er een drempel zou kunnen
                        zijn om werk te aanvaarden. Aangezien het minimum jeugdloon voor een
                        21-jarige lager is dan dat voor een 22- jarige, is gekozen om voor de
                        21-jarige een grotere verlaging toe te passen dan voor een 22-jarige.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>In dit artikel regelt de uitdrukkelijke intrekking van de oude
                        regeling.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><al>Voor een beperkte groep bijstandsgerechtigden blijft de Verordening
                        verhoging of verlaging van de bijstandsnorm nog van kracht tot uiterlijk 1
                        januari 2013. Het gaat hierbij om mensen voor wie toepassing van de
                        huishoudinkomenstoets tot een hogere uitkering leidt. Op grond van artikel
                        78w van de wet blijven zij recht houden op een hogere uitkering tot
                        uiterlijk 1 januari 2013. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt inwerking op de dag nadat het is gepubliceerd en
                        werkt terug naar de datum waarop de Wet afschaffing huishoudinkomenstoets in
                        werking is getreden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>