<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR249300_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wijk bij Duurstede</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-26</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wijk bij Duurstede</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">De Wijkse Courant d.d. 16-01-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-03-11</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-03-23</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Korte samenvatting</vet></al><al/><al>De verordening regelt binnen de actuele wettelijke kaders aard en hoogte
                        van vergoedingen en verstrekkingen aan bestuurders, welke niet ten laste
                        komen van de vaste onkostenvergoeding. </al><al/><al><vet>Aanleiding</vet></al><lijst><li nr="1."><al>de raadsvergoeding wordt per 1 januari 2013 verlaagd tot 95%;
                                het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden schrijft voor
                                dat dit bij verordening gebeurt;</al></li><li nr="2."><al>de invoering van de werkkostenregeling per 1 januari 2013. Per
                                dezelfde datum wordt deze regeling ook van kracht voor de
                                ambtelijke organisatie. </al></li></lijst><al/><al><vet>Specifiek (beoogd doel)</vet></al><al>Een nieuwe verordening vaststellen die in overeenstemming is met wet- en
                        regelgeving. </al><al/><al><vet>Meetbaar</vet></al><al>De verordening is opgesteld binnen de kaders van de fiscale wetgeving
                            en relevante bepalingen van het Rechtspositiebesluit wethouders en het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al><al/><al><vet>Acceptabel</vet></al><al>De verordening regelt de formele basis voor het terugbrengen van de
                        raadsvergoeding naar 95% en van vergoedingen en verstrekkingen onder de
                        werkkostenregeling.</al><al/><al><vet>Draagvlak</vet></al><al>P.M.</al><al/><al><vet>Realistisch</vet></al><al/><al><vet>Kanttekeningen bij het voorgestelde besluit</vet></al><al>Met het terugbrengen van de raadsvergoeding wordt structureel € 6.530
                        bezuinigd. De raad geeft hiermee een belangrijk signaal af naar de
                        Wijkse samenleving.</al><al>De werkkostenregeling vloeit voort uit de Fiscale vereenvoudigingswet
                        2010 (Stb. 2010, 611). Deze regeling beoogt de administratieve
                        lastendruk van werkgevers te verlagen en vervangt het huidige fiscale
                        systeem van vergoedingen en verstrekkingen. De invoering van de regeling
                        vergt een bestuursbesluit. De wet verplicht de werkkostenregeling voor
                        zowel ambtenaren als politieke ambtsdragers gelijktijdig in te voeren.</al><al/><al><vet>Alternatieven</vet></al><al>Per 1 januari 2014 geldt de werkkostenregeling van rechtswege. De
                        administratieve voorbereiding is complex en arbeidsintensief. Vanwege de
                        vermindering van administratieve lastendruk en een verwachte
                        substantiële kostenbesparing is gestreefd naar een ingangsdatum van 1
                        januari 2013.</al><al>Het is mogelijk twee verordeningen vast te stellen. Een verordening
                        voor de wethouders en een verordening voor de raads- en
                        steunfractieleden. Vanwege onderlinge afstemming en gelijke uitvoering
                        is (opnieuw) gekozen voor vaststelling van één verordening. Afwijking is
                        alleen aan de orde waar toepasselijke rijksregelgeving dat noodzakelijk
                        maakt.</al><al/><al><vet>Tijdgebonden</vet></al><al>Wijzigingen in relevante wet- en regelgeving zullen op enig moment
                        noodzaken tot hernieuwde vaststelling van de verordening. </al><al>Met betrekking tot de hoogte van verhuiskostenvergoeding voor wethouders
                        onder de werkkostenregeling zal bij ministeriële regeling nog aanpassing
                        plaatsvinden van bruto naar netto bedragen. </al><al><vet>Aanpak/uitvoering</vet></al><al>P.M. </al><al><vet>Communicatie</vet></al><al>Er is een wettelijke publicatieplicht. Het raadsbesluit wordt
                        gepubliceerd in de Wijkse Courant. De Verordening 2013 wordt geplaatst
                        op de gemeentelijke website. Tevens wordt de verordening geplaatst op
                        Overheid.nl/decentrale regelgeving.</al><al/><al><vet>Financiën</vet></al><al>Onderzoek wijst uit dat met de invoering van de werkkostenregeling op
                            begrotingsbasis een besparing wordt gerealiseerd van ruim € 40.000.</al><al/><al><vet>Bijlagen</vet></al><lijst><li nr="-"><al>het raadsbesluit tot vaststelling van de Verordening
                                rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden 2012</al></li><li nr="-"><al>de rapportage aan burgemeester en wethouders</al></li></lijst><al>Burgemeester en wethouders van Wijk bij Duurstede,</al><al>Janneke Louisa-Muller Guus Swillens</al><al>secretaris burgemeester</al><al/><al><vet>Raadsbesluit</vet></al><al>De raad van de gemeente Wijk bij Duurstede;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders</al><al>d.d. 20 november 2012, nr. 20121218 15RV</al><al>gelet op de artikelen 44, tweede en derde lid, 95 tot en met 99 en 147
                        van de Gemeentewet,</al><al>gelet op de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 (Stb. 2010, 611).</al><al>gelet op het Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit
                        raads- en commissieleden,</al><al><vet>besluit</vet></al><al>vast te stellen de:</al><al><vet>Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden
                        2013</vet></al><al/><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>commissie: een commissie als bedoeld in hoofdstuk VIII van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>commissielid: het lid van een commissie als bedoeld in hoofdstuk
                                    VIII van de Gemeentewet en het steunfractielid wat zijn fractie
                                    vertegenwoordigt of optreedt als gespreksleider in een
                                    voorbesprekingsronde op de periodieke avond van de raad;</al></li><li nr="c."><al>Rechtspositiebesluit wethouders: het Koninklijk Besluit van 22
                                    maart 1994, Stb. 243;</al></li><li nr="d."><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden: het Koninklijk
                                    Besluit van 22 maart 1994, Stb. 244;</al></li><li nr="e."><al>Regeling rechtspositie wethouders: de ministeriële regeling van
                                    20 februari 2001, Stcrt. 41 als bedoeld in artikel 23 van het
                                    Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="f."><al>Verplaatsingskostenregeling 1989: het besluit van de Minister
                                    van Binnenlandse Zaken van 20 oktober 1989, nr.
                                    AB87/74/U6DGMP/AV/FAR, Stcrt. 212;</al></li><li nr="g."><al>Reisregeling binnenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 16 maart 1993, nr.AB93/U280, Stcrt.
                                    56;</al></li><li nr="h."><al>Reisregeling buitenland: het besluit van de Minister van
                                    Binnenlandse Zaken van 12 september 1994, nr. AD94/U1011, Stcrt.
                                    181;</al></li><li nr="i."><al>raadslid: lid van de gemeenteraad, niet zijnde wethouder;</al></li><li nr="j."><al>griffier: de griffier, bedoeld in artikel 107 van de
                                    Gemeentewet;</al></li><li nr="k."><al>gemeentesecretaris: de secretaris, bedoeld in artikel 102 van de
                                    Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Voorzieningen voor raadsleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Vergoeding voor de werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor de werkzaamheden bedoeld in artikel 2, eerste
                                lid, van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, is gelijk aan 95%
                                van het door de minister van Binnenlandse Zaken en
                                Koninkrijksrelaties voor gemeenteklasse 3 vastgestelde maximum,
                                genoemd in tabel I bij dat besluit. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding van het raadslid dat tevens fractievoorzitter is wordt
                                verhoogd overeenkomstig het bepaalde in artikel 8b van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><al>1.De vergoeding voor aan de uitoefening van het raadslidmaatschap
                            verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenteklasse 3, genoemd
                            in tabel II bij het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden.</al><al>2.(vervallen). </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Berekening en betaling vaste vergoedingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die gedurende een gedeelte van het kalenderjaar raadslid is
                                geweest ontvangt de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                naar evenredigheid van het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid
                                is geweest.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De betaling van de vergoedingen, bedoeld in de artikelen 2 en 3,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Reiskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan het raadslid worden de ten behoeve van de gemeente gemaakte
                                kosten in verband met reizen buiten het grondgebied van de gemeente
                                ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur
                                vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                        taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                        gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding van
                                        de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                        overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel b, van
                                        de Regeling rechtspositie wethouders. </al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>De in redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfkosten ter zake van
                            reizen buiten het grondgebied van de gemeente worden aan het raadslid
                            vergoed.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een raadslid aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het raadslid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de vervulling van
                                het raadslidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Tabletcomputer ten behoeve van papierloos vergaderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent een raadslid op aanvraag voor de uitoefening
                                van het raadslidmaatschap een tegemoetkoming in de kosten van
                                1<sup>e</sup> aanschaf van een tabletcomputer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding bedraagt € 350. Het college beoordeelt periodiek of
                                het bedrag van de vergoeding aangepast wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het verkrijgen van de vergoeding dient het raadslid een
                                verklaring van 1<sup>e</sup> aanschaf in. Daarin verklaart hij
                                tevens in te stemmen met de volgende terugbetalingsregeling:</al><lijst><li nr="·"><al>bij terugtreden als raadslid binnen 6 maanden na uitbetaling
                                        van de vergoeding: 75%;</al></li><li nr="·"><al>bij terugtreden als raadslid binnen 6 tot 12 maanden na
                                        uitbetaling van de vergoeding: 50%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De terugbetalingsverplichting ingevolge lid 3 van dit artikel
                                vervalt indien het raadslid de tabletcomputer ter beschikking stelt
                                aan zijn opvolger. De opvolger dient daartoe een zg. verklaring van
                                vrijwaring in bij het college. Het terugtredende raadslid ontvangt
                                een kopie van de verklaring.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt het model van de verklaringen ingevolge de leden 3
                                en 4 van dit artikel vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><al>1.Het raadslid van wie de arbeidsverhouding ingevolge artikel 4, aanhef
                            en onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 voor de toepassing
                            van die wet als dienstbetrekking wordt aangemerkt kan deelnemen aan de
                            fietsregeling als bedoeld in artikel 37 van de Uitvoeringsregeling
                            loonbelasting 2001.</al><al>Naar keuze van het raadslid wordt de raadsvergoeding dan wel vaste
                            onkostenvergoeding verminderd met de vergoeding voor de fiets als
                            bedoeld in de Uitvoeringsregeling. </al><al>2.Gelet op het bepaalde in artikel 99 van de Gemeentewet bestaat geen
                            aanspraak op enige vergoeding van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 2, kan op
                            verzoek van een raadslid worden verlaagd in het geval hij een uitkering
                            ontvangt in verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het geval een raadslid een uitkering op grond van de
                                Werkloosheidswet ontvangt en de na toepassing van artikel 20 van die
                                wet ontstane korting op deze uitkering ten gevolge van het
                                uitoefenen van het raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel
                                2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid
                                ontvangt, wordt deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd
                                tot het bedrag van bedoelde korting.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval dat een raadslid een uitkering op grond van het Besluit
                                Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel ontvangt en de na
                                toepassing van artikel 6, vierde lid, van dat besluit ontstane
                                korting op deze uitkering ten gevolge van het uitoefenen van het
                                raadslidmaatschap meer bedraagt dan de in artikel 2 bedoelde
                                vergoeding voor de werkzaamheden die het raadslid ontvangt, wordt
                                deze vergoeding ten laste van de gemeente verhoogd tot het bedrag
                                van bedoelde korting.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een raadslid dat op grond van artikel 77 van de Gemeentewet meer dan
                                30 dagen onafgebroken het voorzitterschap van de gemeenteraad
                                waarneemt, ontvangt voor die waarneming een toeslag van 8% van de in
                                artikel 2 bedoelde vergoeding voor de werkzaamheden over de tijd van
                                de waarneming.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de
                                onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Ziektekostenvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het raadslid ontvangt jaarlijks de tegemoetkoming in de kosten van
                                een ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 11 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het geval een raadslid gedurende een gedeelte van het
                                kalenderjaar lid van de raad is geweest ontvangt hij de
                                tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van
                                het aantal dagen dat hij in dat jaar raadslid is geweest.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De betaling van de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid,
                                geschiedt in maandelijkse termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Voorzieningen bij tijdelijk ontslag wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De artikelen 2 tot en met 4, 8, 10 tot en met 12 en 13a blijven van
                                toepassing op het raadslid aan wie ingevolge artikel X 10 van de
                                Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en
                                bevalling of ziekte, met dien verstande dat de onkostenvergoeding
                                die dit raadslid op grond van artikel 3, eerste lid, ontvangt de
                                helft bedraagt van het bedrag dat op grond van die bepalingen van
                                toepassing is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De artikelen 1 tot en met 7, 8, eerste, tweede, vierde en vijfde
                                lid, en 11 tot en met 13a van deze verordening zijn van toepassing
                                op raadsleden die tijdelijk worden benoemd ter vervanging van een
                                raadslid dat ingevolge artikel X10 van de Kieswet tijdelijk ontslag
                                heeft verkregen wegens zwangerschap en bevalling of ziekte.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13c</nr><titel>Werkkostenregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingevolge het bepaalde in artikel 13a van het Rechtspositiebesluit
                                raads- en commissieleden, juncto artikel 28a van het
                                Rechtspositiebesluit wethouders, zijn als eindheffingsbestanddeel
                                als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f van de Wet op de
                                loonbelasting 1964 aangewezen:</al><lijst><li nr="a."><al>de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3, lid 1 van deze
                                        verordening;</al></li><li nr="b."><al>de vergoeding voor reis- en verblijfkosten, bedoeld in de
                                        artikelen 5 en 6 van deze verordening, voor zover niet
                                        vallend onder de gerichte vrijstelling van artikel 31a,
                                        2<sup>e</sup> lid, onderdelen a en b, van de Wet op de
                                        loonbelasting 1964;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                                onderdeel f van de Wet op de loonbelasting 1964 worden
                                aangewezen:</al><lijst><li nr="a."><al>de kosten voor deelname aan cursussen, congressen, seminars
                                        en symposia, bedoeld in artikel 7, lid 1 en lid 2 van deze
                                        verordening, voor zover niet vallend onder de gerichte
                                        vrijstelling van artikel 31a, 2<sup>e</sup> lid, onderdeel
                                        c, van de Wet op de loonbelasting 1964; </al></li><li nr="b."><al>de vergoeding voor de eerste aanschaf van een
                                        tabletcomputer, bedoeld in artikel 8, lid 1 en lid 2 van
                                        deze verordening. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Voorzieningen voor wethouders</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Onkostenvergoeding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor aan de uitoefening van het wethouderschapschap
                                verbonden kosten is gelijk aan het bedrag voor gemeenten met een
                                inwoneraantal vanaf 18.001, vermeld in artikel 25 van het
                                Rechtspositiebesluit wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien aan de wethouder ingevolge artikel 22 van deze verordening
                                een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking is gesteld, wordt
                                de component ‘telefoonkosten’ middels een korting op de
                                onkostenvergoeding zodanig verlaagd, dat daarvoor een bedrag van €
                                12 resteert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reiskosten woon-werkverkeer</titel></kop><al>De tegemoetkoming voor het reizen tussen zijn woning en de plaats van
                            tewerkstelling van de wethouder is gelijk aan de vergoeding bedoeld in
                            artikel 3 van de Regeling rechtspositie wethouders. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Zakelijke reiskosten</titel></kop><al>Aan de wethouder wordt naast de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 15
                            vergoeding verleend voor reiskosten ter zake van andere dan de in
                            artikel 15 bedoelde reizen ten behoeve van de gemeente gemaakt.</al><al>De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een taxi:
                                    een volledige vergoeding van de reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen personenauto: de vergoeding als
                                    bedoeld in artikel 4, onderdeel b, van de Regeling rechtspositie
                                    wethouders; </al></li><li nr="c."><al>een vergoeding van de noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                                    verblijfkosten;</al></li><li nr="d."><al><cursief>vervallen.</cursief></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Dienstauto</titel></kop><al>P.M.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Verblijfkosten</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Buitenlandse dienstreis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de wethouder in het gemeentelijk belang een reis buiten
                                Nederland maakt worden de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke
                                reis- en verblijfkosten vergoed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor een reis in het gemeentelijk belang buiten Nederland, niet
                                zijnde een reis naar een Europese instelling, is vooraf toestemming
                                van het college vereist. De gemeenteraad kan aan deze toestemming
                                voorwaarden verbinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een wethouder aan cursussen, congressen,
                                seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door of namens
                                de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor rekening van de
                                gemeente. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder die wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar of
                                symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de uitoefening
                                van het ambt van wethouder.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Tabletcomputer ten behoeve van papierloos vergaderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent een wethouder op aanvraag voor de uitoefening
                                van het ambt een tegemoetkoming in de kosten van 1<sup>e</sup>
                                aanschaf van een tabletcomputer.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergoeding bedraagt € 350. Het college beoordeelt periodiek of
                                het bedrag van de vergoeding aangepast wordt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor het verkrijgen van de vergoeding dient de wethouder een
                                verklaring van 1<sup>e</sup> aanschaf in. Daarin verklaart hij
                                tevens in te stemmen met de volgende terugbetalingsregeling:</al><lijst><li nr="·"><al>bij ontslag als wethouder binnen 6 maanden na uitbetaling
                                        van de vergoeding: 75%;</al></li><li nr="·"><al>bij ontslag als wethouder binnen 6 tot 12 maanden na
                                        uitbetaling van de vergoeding: 50%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De terugbetalingsverplichting ingevolge lid 3 van dit artikel
                                vervalt indien de wethouder de tabletcomputer ter beschikking stelt
                                aan zijn opvolger. De opvolger dient daartoe een zg. verklaring van
                                vrijwaring in bij het college. De terugtredende wethouder ontvangt
                                een kopie van de verklaring.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college stelt het model van de verklaringen ingevolge de leden 3
                                en 4 van dit artikel vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Mobiele telefoon</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op aanvraag wordt de wethouder voor uitsluitend de uitoefening van
                                zijn ambt een mobiele telefoon in bruikleen ter beschikking
                                gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De wethouder ondertekent daartoe een bruikleenovereenkomst met de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de in bruikleen beschikbaar gestelde mobiele telefoon
                                voor privé-doeleinden is gebruikt, vindt maandelijks een verrekening
                                van de gesprekskosten plaats.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Spaarloonregeling/levensloopregeling</titel></kop><al>(vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23a</nr><titel>Fietsregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De wethouder kan deelnemen aan de fietsregeling als bedoeld in
                                artikel 37 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001. Naar keuze
                                van de wethouder wordt de bezoldiging dan wel vaste
                                onkostenvergoeding dan wel eindejaarsuitkering verminderd met de
                                vergoeding voor de fiets als bedoeld in de Uitvoeringsregeling.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Gelet op het bepaalde in artikel 44 van de Gemeentewet bestaat geen
                                aanspraak op enige vergoeding van de gemeente. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Reis- pensionkosten en verhuiskosten bij benoeming</titel></kop><al>De wethouder die bij benoeming nog niet over woonruimte in de gemeente
                            beschikt heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding
                            van:</al><lijst><li nr="a."><al>reis- en pensionkosten overeenkomstig het bepaalde in artikel 1
                                    van de Regeling rechtspositie wethouders;</al></li><li nr="b."><al>verhuiskosten in verband met de benoeming als wethouder
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van de Regeling
                                    rechtspositie wethouders. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Kinderopvang</titel></kop><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Werkkostenregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingevolge het bepaalde in artikel 28a van het Rechtspositiebesluit
                                wethouders, zijn als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel
                                31, eerste lid, onderdeel f van de Wet op de loonbelasting 1964
                                aangewezen:</al><lijst><li nr="a."><al>de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 14, lid 1 van deze
                                        verordening;</al></li><li nr="b."><al>de vergoeding voor reis- en verblijfkosten, bedoeld in de
                                        artikelen 15, 16, 19 en 24, onder a van deze verordening,
                                        voor zover niet vallend onder de gerichte vrijstelling van
                                        artikel 31a, 2<sup>e</sup> lid, onderdelen a en b, van de
                                        Wet op de loonbelasting 1964;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                                onderdeel f van de Wet op de loonbelasting 1964 worden
                                aangewezen:</al><lijst><li nr="a."><al>de kosten voor deelname aan cursussen, congressen, seminars
                                        en symposia, bedoeld in artikel 20, lid 1 en lid 2 van deze
                                        verordening, voor zover niet vallend onder de gerichte
                                        vrijstelling van artikel 31a, 2<sup>e</sup> lid, onderdeel
                                        c, van de Wet op de loonbelasting 1964; </al></li><li nr="b."><al>de vergoeding voor de eerste aanschaf van een
                                        tabletcomputer, bedoeld in artikel 21, lid 1 en lid 2 van
                                        deze verordening; </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>als eindheffingsbestanddeel vallend onder de gerichte vrijstellingen
                                wordt aangewezen de verstrekking van een mobiele telefoon als
                                bedoeld in artikel 22, lid 1 van deze verordening.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>IV</nr><titel>Voorzieningen voor commissieleden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van een
                                commissie en haar subcommissies bedoeld in artikel 14 van het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is gelijk aan het door
                                de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor
                                gemeenteklasse 3 vastgestelde maximum. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op degene die
                                als lid van een commissie een vaste vergoeding voor de werkzaamheden
                                als bedoeld in artikel 96 van de Gemeentewet ontvangt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen vergoeding ontvangt degene die zitting heeft in een
                                commissie</al><lijst><li nr="a."><al>als raadslid of wethouder;</al></li><li nr="b."><al>uit hoofde van dan wel als rechtstreeks uitvloeisel van een
                                        ambtelijke of bestuurlijke hoedanigheid dan wel van een
                                        functie bij een instelling die grotendeels van overheidswege
                                        wordt gesubsidieerd;</al></li><li nr="c."><al>als vertegenwoordiger van een belanghebbende instelling,
                                        organisatie of groepering, tenzij zijn lidmaatschap van de
                                        commissie tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang
                                        dient.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De raad kan in afwijking van het bepaalde in het eerste lid in
                                voorkomende gevallen een hogere vergoeding vaststellen, ten aanzien
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>een lid van een commissie die op grond van zijn bijzondere
                                        beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de
                                        commissie voor deelname aan haar werkzaamheden is
                                        aangetrokken, en</al></li><li nr="b."><al>een lid van een commissie ten aanzien waarvan de vergoeding
                                        niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan
                                        tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te
                                        verrichten arbeid.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Reis- en verblijfkosten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Aan het lid van een commissie dat geen raadslid of wethouder is en
                            niet in zijn hoedanigheid van ambtenaar tot lid van de commissie is
                            benoemd worden de reiskosten voor het bijwonen van de vergaderingen van
                            de commissie vergoed.</al><al>De vergoeding betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>bij gebruik van openbare middelen van vervoer en van een
                                            taxi: een volledige vergoeding van de in redelijkheid
                                            gemaakte noodzakelijke reiskosten;</al></li><li nr="b."><al>bij gebruik van een eigen vervoermiddel: een vergoeding
                                            van de in redelijkheid gemaakte noodzakelijke reiskosten
                                            overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel b,
                                            van de Regeling rechtspositie wethouders; </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid worden de in
                                    redelijkheid noodzakelijk gemaakte verblijfkosten ter zake van
                                    reizen binnen en buiten het grondgebied van de gemeente vergoed
                                    overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, onderdeel c, van de
                                    Regeling rechtspositie wethouders. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Buitenlandse excursie of reis</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad kan een commissie uit de gemeenteraad toestemming
                                verlenen voor een excursie of reis naar het buitenland. De
                                gemeenteraad kan aan de toestemming voorwaarden verbinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde excursie of reis wordt door of vanwege
                                de gemeente georganiseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in redelijkheid gemaakte reis- en verblijfkosten komen voor
                                rekening van de gemeente. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Cursus, congres, seminar of symposium</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De kosten van deelname van een commissielid aan cursussen,
                                congressen, seminars en symposia die in het gemeentelijk belang door
                                of namens de gemeente worden aangeboden of verzorgd komen voor
                                rekening van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het commissielid dat wil deelnemen aan een cursus, congres, seminar
                                of symposium dat niet door of namens de gemeente wordt aangeboden of
                                verzorgd, dient daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De aanvraag
                                gaat vergezeld van inhoudelijke informatie en een
                                kostenspecificatie. De kosten komen voor rekening van de gemeente
                                als deelname van algemeen belang is in verband met de vervulling van
                                het commissielidmaatschap.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Tabletcomputer ten behoeve van papierloos vergaderen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent aan het daartoe door de betreffende
                                raadsfractie aangewezen commissielid op aanvraag voor de
                                vertegenwoordiging van de fractie en het optreden als gespreksleider
                                in een voorbesprekingsronde op de periodieke avond van de raad een
                                tegemoetkoming in de kosten van 1<sup>e</sup> aanschaf van een
                                tabletcomputer.</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding bedraagt € 350. Het college beoordeelt periodiek of de
                                vergoeding aangepast wordt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor het verkrijgen van de vergoeding dient het commissielid een
                                verklaring van 1<sup>e</sup> aanschaf in. Daarin verklaart hij
                                tevens in te stemmen met de volgende terugbetalingsregeling:</al><lijst><li nr="·"><al>bij terugtreden als commissielid binnen 6 maanden na
                                        uitbetaling van de vergoeding: 75%;</al></li><li nr="·"><al>bij terugtreden als commissielid binnen 6 tot 12 maanden na
                                        uitbetaling van de vergoeding: 50%.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De terugbetalingsverplichting ingevolge lid 3 van dit artikel
                                vervalt indien het commissielid de tabletcomputer ter beschikking
                                stelt aan zijn opvolger. De opvolger dient daartoe een zg.
                                verklaring van vrijwaring in bij het college. Het terugtredende
                                commissielid ontvangt een kopie van de verklaring.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college stelt het model van de verklaringen ingevolge de leden 3
                                en 4 van dit artikel vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30a</nr><titel>Werkkostenregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingevolge het bepaalde in artikel 13a van het Rechtspositiebesluit
                                raads- en commissieleden, juncto artikel 28a van het
                                Rechtspositiebesluit wethouders, zijn als eindheffingsbestanddeel
                                als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f van de Wet op de
                                loonbelasting 1964 aangewezen:</al><al>a.de vergoeding voor reis- en verblijfkosten, bedoeld in de
                                artikelen 27 en 28 van deze verordening, voor zover niet vallend
                                onder de gerichte vrijstelling van artikel 31a, 2<sup>e</sup> lid,
                                onderdelen a en b, van de Wet op de loonbelasting 1964.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid,
                                onderdeel f van de Wet op de loonbelasting 1964 worden
                                aangewezen:</al><lijst><li nr="a."><al>de kosten voor deelname aan cursussen, congressen, seminars
                                        en symposia, bedoeld in artikel 29, lid 1 en lid 2 van deze
                                        verordening, voor zover niet vallend onder de gerichte
                                        vrijstelling van artikel 31a, 2<sup>e</sup> lid, onderdeel
                                        c, van de Wet op de loonbelasting 1964; </al></li><li nr="b."><al>de vergoeding voor de eerste aanschaf van een
                                        tabletcomputer, bedoeld in artikel 30, lid 1 en lid 2 van
                                        deze verordening. </al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>V</nr><titel>De procedure van declaratie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Betaling van kosten</titel></kop><al>Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door: </al><lijst><li nr="a."><al>betaling uit eigen middelen; of</al></li><li nr="b."><al>rechtstreekse toezending van de factuur aan de gemeente; </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Declaratie van vooruit betaalde kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in de artikelen 5, 6, 16,
                                19, 24 en 27 wordt gebruik gemaakt van een declaratieformulier,
                                waarvan het model door het college is vastgesteld, indien deze
                                kosten uit eigen middelen vooruit zijn betaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het declaratieformulier wordt volledig ingevuld en ondertekend en
                                binnen 2 maanden ingediend, onder bijvoeging van de originele
                                bewijsstukken. Hierbij geldt voor het indienen:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>indien het een wethouder betreft bij de gemeentesecretaris</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>indien het een raadslid of commissielid betreft bij de griffier of
                                een door hem aangewezen ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergoeding van kosten, bedoeld in de artikelen 7, 16, 19, 20, 24
                                en 27 kan plaatsvinden door rechtstreekse toezending van de door het
                                raadslid, commissielid of de wethouder voor akkoord ondertekende
                                factuur aan de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Verantwoording van deze wijze van vergoeding vindt plaats door het
                                begeleidingsformulier, waarvan het model door het college is
                                vastgesteld, volledig in te vullen en te ondertekenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het begeleidingsformulier en de factuur worden binnen 1 maand
                                ingediend. Hierbij geldt voor het indienen:</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>indien het een wethouder betreft bij de gemeentesecretaris</al></lid><lid><lidnr>-</lidnr><al>indien het een raadslid of commissielid betreft bij de griffier of
                                een door hem aangewezen ambtenaar.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Gebruik creditcard</titel></kop><al>P.M. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>Vl</nr><titel>Citeertitel en inwerkingtreding</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De verordening Voorzieningen wethouders, raads- en commissieleden 2012
                            wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2013. De artikelen 31
                            tot en met 33 werken voor zover het betreft de leden van de raad en
                            commissieleden terug tot en met 11 maart 2010. De artikelen 31 tot en
                            met 34 werken voor zover het de wethouders betreft terug tot en met de
                            dag van hun beëdiging. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden 2013.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Wijk bij Duurstede, 18 december 2012</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De griffier, De plaatsvervangend voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Marcella van Esterik Wil Kosterman</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet> TOELICHTING bij de Verordening
                                rechtspositie wethouders, raads- en commissieled</vet><vet>en
                                2012</vet></al><al/><al><vet>ALGEMEEN</vet></al><al><vet>Wettelijke regelingen</vet></al><al>De regeling van de rechtspositie van wethouders, raadsleden en leden van
                            gemeentelijke commissies vindt op drie of vier niveaus plaats, te weten
                            bij wet, AMvB, ministeriële regeling (alleen wethouders) en
                            gemeentelijke verordening. Wettelijk is voor wethouders in de Algemene
                            pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) de uitkering na aftreden en
                            het pensioen geregeld. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere
                            invulling van de rechtspositie van wethouders, raads- en commissieleden
                            moet worden geregeld bij AMvB. Daartoe zijn tot stand gekomen het
                            Rechtspositiebesluit wethouders en het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden. Enkele vergoedingen voor wethouders die gelijk zijn aan
                            die voor rijksambtenaren, maar voor hen voorheen in verschillende
                            regelingen waren opgenomen waarnaar in het verleden werd verwezen, zijn
                            om pragmatische redenen sinds 1 januari 2004 opgenomen in een
                            ministeriële regeling, de Regeling rechtspositie wethouders. In deze
                            wetten en nadere regelgeving zijn alle voor de rechtspositie van belang
                            zijnde onderwerpen geregeld. Een aantal voorzieningen, zoals de hoogte
                            van de bezoldiging en de verschillende onkostenvergoedingen, is in de
                            rechtspositiebesluiten overwegend geregeld in dwingende bepalingen. Voor
                            secundaire voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een regeling tegemoetkoming
                            in de kosten van een ziektekostenverzekering of een uitkering bij
                            aftreden als raadslid, geldt dat de gemeente de vrijheid heeft om deze
                            voorzieningen te treffen.</al><al><vet>Hoofdlijn</vet><vet>en gemeentelijke verordening</vet></al><al>In de verordening zijn bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van
                            wethouders, raadsleden en leden van gemeentelijke commissies. De
                            grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en genoemde
                            rechtspositiebesluiten. Buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is
                            toegekend genieten de wethouders als zodanig geen inkomsten, in welke
                            vorm dan ook, ten laste van de gemeente (artikel 44 van de Gemeentewet).
                            Dit betekent dat de rechtspositionele aanspraken voor zittende
                            wethouders uitsluitend te vinden zijn in respectievelijk de Gemeentewet,
                            het Rechtspositiebesluit wethouders, de Regeling rechtspositie
                            wethouders en de plaatselijke Verordening rechtspositie wethouders,
                            raads- en commissieleden. Gewezen wethouders ontlenen hun aanspraak op
                            een ontslaguitkering en pensioen aan de Algemene pensioenwet politieke
                            ambtsdragers.</al><al>Een soortgelijke bepaling als artikel 44 is voor raads- en
                            commissieleden opgenomen in artikel 99 van de Gemeentewet. Het tweede
                            lid van die bepaling voegt daaraan toe dat bij gemeentelijke verordening
                            aan raads- en commissieleden voordelen, anders dan in de vorm van
                            vergoedingen en tegemoetkomingen, mogen worden toegekend. Daarvoor is
                            wel de goedkeuring van gedeputeerde staten vereist.</al><al>De rechtspositionele aanspraken voor raads- en commissieleden zijn dan
                            ook uitsluitend te vinden in respectievelijk de Gemeentewet, het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden en de plaatselijke
                            Verordening rechtspositie wethouders, raads- en commissieleden.</al><al><cursief>Afzonderlijke ve</cursief><cursief>rordeningen</cursief></al><al>Het is mogelijk de lokale regeling voor wethouders en voor raads- en
                            commissieleden in afzonderlijke verordeningen op te nemen. In dat geval
                            bestaat de Verordening rechtspositie raads- en commissieleden uit de
                            hoofdstukken I, II, IV, V en VI van de voorbeeldverordening en de
                            Verordening rechtspositie wethouders uit de hoofdstukken I, III, V en VI
                            van de voorbeeldverordening. In Wijk bij Duurstede is er voor gekozen de
                            bepalingen in één verordening te bundelen.</al><al>De verordening bevat bepalingen inzake:</al><lijst><li nr="·"><al>de beloning voor de werkzaamheden van raads- en commissieleden
                                    (artikelen 2 en 26); de bezoldiging van de wethouders is
                                    uitputtend geregeld in het Rechtspositiebesluit wethouders;</al></li><li nr="·"><al>een vaste algemene onkostenvergoeding voor wethouders en
                                    raadsleden (artikelen 3 en 14);</al></li><li nr="·"><al>reis- en verblijfkosten van wethouders, raads- en
                                    commissieleden, waarbij voor wethouders een onderscheid is
                                    gemaakt tussen woon-werkverkeer en zakelijke reizen (artikelen
                                    5, 6, 15 t/m 19, 27 en 28);</al></li><li nr="·"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten van de bij benoeming
                                    verhuisplichtige wethouder (artikel 24)</al></li><li nr="·"><al>beschikbaarstelling van computer- en communicatieapparatuur aan
                                    wethouders en raadsleden (artikelen 8, 21, en 22) en
                                    faciliteiten in de vorm van deelname van wethouders, raads- en
                                    commissieleden aan cursussen, congressen e.d. (artikelen 7, 20
                                    en 29);</al></li><li nr="·"><al>een aantal secundaire voorzieningen voor zowel wethouders als
                                    raadsleden, zoals de spaarloonregeling of levensloopregeling
                                    (artikelen 10 en 23);</al></li><li nr="·"><al>de procedure van declareren (artikelen 31 t/m 34).</al></li></lijst><al><vet>De arbeidsverhouding van de wethouder en het raadslid</vet></al><al>Raadsleden zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente. De gemeente is
                            dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het
                            betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de
                            werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet, Ziektewet en WIA.
                            Raadsleden worden ook niet aangemerkt als werknemer in de zin van de
                            Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die wet geen recht
                            op vergoeding door de gemeente van de over de raadsvergoeding
                            verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                            basisverzekering. Als gevolg van een wijziging van artikel 11 van het
                            Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden van 6 december 2006 (Stb.
                            2006, 660) kan door de raad echter bij verordening wel een
                            tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering worden
                            toegekend. Zie hiervoor verder de toelichting bij artikel 13a.</al><al>Omdat er geen dienstbetrekking met de gemeente is vallen raadsleden niet
                            onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten getoetst
                            aan de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kan een raadslid opteren voor de
                            loonbelasting door te kiezen voor het fictief werknemerschap (zie
                            hieronder m.b.t. de zg. opting in regeling).</al><al>Wethouders zijn sinds de dualisering van het gemeentebestuur ingevolge
                            de Ambtenarenwet als benoemde bestuurders in openbare dienst aangesteld
                            en vallen onder de werking van die wet. Echter de bepalingen over het
                            materiële ambtenarenrecht uit de Ambtenarenwet zijn niet van toepassing
                            op wethouders. Hun rechtspositie wordt, zoals hiervoor is aangegeven,
                            beheerst door specifieke wet- en regelgeving. De aanstelling in openbare
                            dienst houdt voor de toepassing van de fiscale wetgeving in dat sprake
                            is van een arbeidsverhouding die als dienstbetrekking wordt aangemerkt.
                            Dit betekent dat wethouders direct onder de werking van de Wet op de
                            loonbelasting vallen. Wethouders vallen niet onder de werking van de
                            Ziektewet, Werkloosheidswet en WIA. Evenmin geldt voor hen de
                            pensioenvoorziening bij het ABP. Wachtgeld na aftreden en ouderdoms- en
                            nabestaandenpensioen zijn voor wethouders geregeld in de Algemene
                            pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa). Wethouders zijn werknemers in
                            de zin van de Zorgverzekeringswet en hebben derhalve op grond van die
                            wet recht op vergoeding door de gemeente van de over hun bezoldiging
                            verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van de
                            basisverzekering.</al><al><vet>De loon- en inkomstenbelasting</vet></al><al><cursief>Opting in regeling</cursief></al><al>Raadsleden - en ook commissieleden - kunnen opteren voor de
                            loonbelasting. Het raadslid kan met de gemeente overeenkomen dat deze
                            loonheffing inhoudt. Dat wordt de “opting in regeling” genoemd. De
                            administratie van de gemeente is zodanig ingericht dat wordt voldaan aan
                            de daaraan gestelde wettelijke eisen. In een gezamenlijke verklaring
                            melden de gemeente en het raadslid aan de Belastingdienst dat wordt
                            geopteerd voor de loonbelasting. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het
                            loonbelastingsysteem dan draagt de gemeente de ingehouden loonheffing af
                            aan de Belastingdienst. Omdat een raadslid geen werknemer in de formele
                            zin van het woord is, valt hij zoals gezegd vanwege het
                            raadslidmaatschap niet onder de sociale zekerheidswetgeving. Om die
                            reden worden over de raadsvergoeding ook geen premies sociale zekerheid
                            ingehouden.</al><al>De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het raadslid hoeft in dat
                            geval geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen
                            niet worden afgetrokken. Wel kan de gemeente onder voorwaarden bepaalde
                            vergoedingen onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in
                            bruikleen beschikbaar stellen. Dat betreft bijv. de vergoeding van reis-
                            en verblijfkosten en de zakelijke deelname aan cursussen en congressen.
                            Er zijn ook vergoedingen die niet belastingvrij kunnen worden verstrekt.
                            Zie verder de paragraaf ‘Werkkostenregeling’. Raadsleden kunnen ook
                            deelnemen aan de fietsregeling.</al><al><cursief>Fiscale standaardpositie</cursief></al><al>Als niet voor de loonbelasting wordt geopteerd dan geldt voor het
                            raadslid dat hij voor de Wet</al><al>inkomstenbelasting 2001 resultaat uit een werkzaamheid geniet. In dat
                            geval is het winstsysteem van toepassing. Betrokkene moet dan alle
                            ontvangsten verantwoorden als winst en kan de gemaakte kosten daarop in
                            mindering brengen. Raadsleden die gekozen hebben voor de standaard
                            regeling zullen dan ook over het bedrag dat zij als onkostenvergoeding
                            ontvangen inkomstenbelasting moeten betalen, tenzij zij aan de hand van
                            bewijsmateriaal aan kunnen tonen dat de vergoeding is besteed aan
                            onkosten voortvloeiend uit het raadslidmaatschap. Zij kunnen niet
                            deelnemen aan de fietsregeling.</al><al>Betrokkenen kunnen bij de aangifte inkomstenbelasting hun werkelijke
                            beroepskosten, met inachtneming van een aantal wettelijke beperkingen en
                            normeringen, in mindering brengen op hun belastbaar inkomen (belastbare
                            resultaat). De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en
                            verstrekkingen op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te
                            melden middels een opgave IB47. Verstrekkingen moeten naar de waarde in
                            het economische verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk
                            gebruik leidt dan tot aftrek. </al><al><cursief>Eenmalige keuze per zittingsperiode</cursief></al><al>Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te
                            opteren voor de loonbelasting voor het raadslid ingrijpende gevolgen
                            hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal
                            per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor de
                            (resterende) zittingsperiode. Wel kan het raadslid als spijtoptant
                            terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode. Opteren voor
                            de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te
                            gebeuren maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende
                            periode.</al><al><vet>De vergoedingssystematiek</vet></al><al>Voor de uitoefening van het politieke ambt moeten bestuurders niet het
                            eigen inkomen hoeven aan te spreken. Een adequate vergoedingssystematiek
                            is daarom van belang. Waar er functionele uitgaven zijn, verdient het
                            aanbeveling terughoudend te zijn met een financieringswijze waarin de
                            bestuurder deze uit eigen middelen vooruit betaalt en de gemeente ze
                            terugbetaalt. Eigen middelen en publieke middelen moeten zoveel mogelijk
                            gescheiden worden gehouden. Vanuit die overweging heeft het de voorkeur
                            de kosten direct in rekening te brengen bij de gemeente. Aan de
                            mogelijkheid om zo nodig declaraties in te dienen zal echter behoefte
                            blijven bestaan. Als vergoedingssystematiek is gekozen voor de volgende
                            wijze van redeneren:</al><al>-welke voorzieningen worden aangeboden door de organisatie
                            (bedrijfsvoering en</al><al> bestuurskosten);</al><lijst><li nr="-"><al>welke voorzieningen zijn noodzakelijk voor de uitoefening van
                                    het ambt, maar zijn niet rechtstreeks aan te bieden door de
                                    organisatie;</al></li><li nr="-"><al>kan voor deze voorzieningen nog een onbelaste vergoeding worden
                                    aangeboden (indien de loonbelasting geldt);</al></li><li nr="-"><al>voor voorzieningen die niet onbelast aangeboden kunnen worden,
                                    kan een (bruto)</al></li></lijst><al> vergoeding worden verstrekt.</al><al>Concreet betekent deze vergoedingssystematiek het volgende:</al><al><cursief>Voorzieningen die zijn ondergebracht in de
                                bedrijfsvoering</cursief></al><lijst><li nr="-"><al>bruikleen van computer- en communicatieapparatuur;</al></li><li nr="-"><al>zakelijk gebruik van dienstauto’s;</al></li><li nr="-"><al>deelname aan cursussen en congressen e.d.</al></li></lijst><al>De zakelijke uitgaven hoeven niet te worden voorgeschoten door de
                            wethouder, het raadslid of commissielid maar worden direct door de
                            gemeente voldaan en de voorzieningen worden om niet in bruikleen
                            gegeven. Zij vallen derhalve buiten de vergoedingssfeer.</al><al><cursief>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten maar
                                onbelast kunnen worden vergoed</cursief></al><al>Voor een aantal zakelijke uitgaven, zoals reis- en verblijfkosten,
                            blijft het systeem overeind dat de gedane zakelijke uitgaven de
                            wethouder of het raadslid op basis van declaratie worden vergoed. Deze
                            kunnen, als is voldaan aan de gestelde voorwaarden, onbelast worden
                            vergoed </al><al><cursief>Voorzieningen die niet in de bedrijfsvoering zitten en niet
                                onbelast kunnen worden vergoed</cursief></al><al>Voor een aantal andere beroepskosten wordt een vaste kostenvergoeding
                            verstrekt. In de toelichting op de artikelen 3 en 14 is aangegeven om
                            welke beroepskosten het gaat.</al><al>Voor raadsleden die niet voor de loonbelasting hebben geopteerd geldt
                            dezelfde systematiek maar zijn de fiscale gevolgen anders. Zij dienen
                            alle vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde in het economische
                            verkeer als opbrengst te verantwoorden. </al><al/><al><vet>De werkkostenregeling</vet></al><al>Met ingang van 1 januari 2013 is de werkkostenregeling van toepassing
                            verklaard in de gemeente Wijk bij Duurstede. Deze regeling heeft geen
                            financiële gevolgen voor de politieke ambtsdragers. Het is een
                            fiscaaltechnische exercitie. Onder de werkkostenregeling kunnen
                            (onkosten)vergoedingen netto worden uitgekeerd aan de politieke
                            ambtsdragers. Daarvoor geldt wel de verplichting dat de gemeente die
                            (onkosten)vergoedingen aanwijst als eindheffingsbestanddeel onder de
                            werkkostenregeling. De volgende elementen zijn op basis van de
                            betreffende rechtspositiebesluiten o.a. verplicht aangewezen:</al><lijst><li nr="a."><al>de ambtstoelage of onkostenvergoeding</al></li><li nr="b."><al>de vergoeding voor het gebruik van de privé-telefoon voor de
                                    uitoefening van de functie</al></li><li nr="c."><al>de vergoeding voor reis- en verblijfkosten voor reizen gemaakt
                                    voor de uitoefening van het ambt, inclusief woon-werkverkeer
                                    voor zover niet vallend onder de gerichte vrijstelling van
                                    artikel 31a, 2<sup>e</sup> lid, onderdelen a en b, van de Wet op
                                    de loonbelasting 1964</al></li></lijst><al>Raadsleden die niet hebben gekozen voor de mogelijkheid van opting-in
                            worden door de belastingdienst gezien als zelfstandigen. Zij vallen niet
                            binnen het bereik van de Wet op de loonbelasting 1964 en daardoor ook
                            niet onder de werkkostenregeling. De niet-gebruteerde onkostenvergoeding
                            voor raadsleden met deze status wijzigt dan ook niet onder de
                            werkkostenregeling.</al><al>Voor vergoedingen is het onderscheid tussen ‘fictieve werknemer’ en
                            ‘zelfstandige’ na de overgang naar de werkkostenregeling niet meer van
                            belang.</al><al>Vooruitbetaalde kosten van vergoedingen die zijn aangewezen als
                            eindheffingsbestanddeel onder de werkkostenregeling gelden als zg.
                            intermediaire kosten en worden onbelast vergoed.</al><al><vet>Controle en verantwoording</vet></al><al>Voor de bestuurlijke uitgaven is - net als voor de besteding van alle
                            andere publieke middelen - transparantie van groot belang. Daartoe
                            dienen enerzijds inzichtelijke regels en richtlijnen die voor het
                            vergoedingen- en voorzieningenstelsel gelden en anderzijds een
                            duidelijke verantwoording van het daadwerkelijk gebruik. Op deze wijze
                            kan worden voorkomen dat er onnodige discussies plaatsvinden omtrent het
                            gebruik van onkostenregelingen of voorzieningen door gemeentebestuurders
                            en over de eventueel verschuldigde belasting.</al><al>Dat is ook in hun belang omdat zij hun functie moeten kunnen uitoefenen
                            zonder te worden gehinderd door onzekerheden omtrent de financiering van
                            de functionele uitgaven. Daartoe is vereist dat er een zodanig sluitende
                            financiële en administratieve organisatie is ingericht dat er vertrouwen
                            kan bestaan omtrent de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven.</al><al>In hoofdstuk V is in verband hiermee, in aanvulling op de in de
                            Financiële beheersverordening vastgestelde regels, een aantal
                            belangrijke procedures vastgelegd over rechtstreekse facturering van
                            functionele uitgaven en declaratie van vooruit betaalde kosten.</al><al>Daarnaast hebben burgemeester en wethouders met betrekking tot het
                            verkrijgen van een vergoeding voor de 1<sup>e</sup> aanschaf van een
                            tabletcomputer voor de uitoefening van de politieke functie een zg.
                            verklaring van 1<sup>e</sup> aanschaf vastgesteld.</al><al>In aanvulling hierop is er de gemeentelijke ‘Gedragscodes bestuurlijke
                            integriteit raadsleden en commissieleden, geen raadslid zijnde en
                            collegeleden’. Daarbij gaat het onder meer om afspraken omtrent de
                            bestuurlijke uitgaven die in aanmerking komen voor bespreking en zo
                            nodig besluitvorming in het college. In de gedragscode is ook het beleid
                            rond buitenlandse reizen en de bekostiging van zakendiners met derden
                            opgenomen. Verder zijn er aanvullende administratieve procedures
                            beschreven over de afwikkeling van declaraties en facturen en de daarbij
                            te hanteren verdeling van verantwoordelijkheden en hoe bijvoorbeeld om
                            te gaan met interpretatie- of meningsverschillen.</al><al/><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><al/><al><vet>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>vergoeding voor de werkzaamheden van het raadslid</titel></kop><al>In het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden is geregeld dat
                            raadsleden voor hun werkzaamheden een vergoeding ontvangen. De hoogte
                            van de vergoeding wordt bij gemeentelijke verordening bepaald. Wel is in
                            het Rechtspositiebesluit het maximale bedrag van de vergoeding voor de
                            werkzaamheden aangegeven.</al><al>In artikel 2 is de hoogte van de vergoeding met ingang van 1 januari
                            2013 bepaald op 95% van het door de minister vastgestelde maximum
                            bedrag. De bevoegdheid dit bij verordening te regelen ontleent
                            gemeenteraad aan artikel 3 van het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden. De afwijking naar beneden kan overigens op drie
                            manieren:</al><lijst><li nr="-"><al>de raad stelt de raadsvergoeding in algemene zin lager vast op
                                    een percentage tussen 80 en 100 van het door de minister
                                    vastgestelde maximum;</al></li><li nr="-"><al>de raad stelt vast dat een deel van de raadsvergoeding wordt
                                    uitbetaald als presentiegeld; dat deel mag maximaal 20% van de
                                    raadsvergoeding zijn;</al></li><li nr="-"><al>de raad stelt een combinatie van bovenstaande mogelijkheden
                                    vast.</al></li></lijst><al>Wat er ook wordt vastgesteld, er mag geen onderscheid worden gemaakt
                            tussen raadsleden, dus een presentievergoeding of een lagere
                            raadsvergoeding geldt voor alle raadsleden. Het bedrag van de vergoeding
                            voor de werkzaamheden is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks per 1 januari
                            herzien aan de hand van het indexcijfer CAO lonen overheid. Hiervoor is
                            in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat in de verordening
                            in algemene zin is aangegeven dat de raadsvergoeding gelijk is aan het
                            door de minister te bepalen maximum of een percentage daarvan.</al><al>Raadsleden die een WAO- of WIA-uitkering ontvangen kunnen sinds 1
                            januari 2006 verzoeken hun raadsvergoeding te verlagen. Daardoor kan het
                            nadeel van indeling in een lagere arbeidsongeschiktheidsklasse worden
                            voorkomen. Deze keuzemogelijkheid moet bij verordening worden toegestaan
                            en is opgenomen in artikel 11 van deze verordening. Zie verder de
                            toelichting bij dit artikel.</al><al><cursief><onderstreept>Vergoeding
                                fractievoorzitters</onderstreept></cursief></al><al><onderstreept>Bij Koninklijk Besluit van 16 december 2009 is in het
                                Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden een nieuw artikel 8b
                                ingevoegd. In</onderstreept><onderstreept>gevolge dit artikel
                                ontvangen de fractievoorzitters naast de vergoeding voor het
                                raadslidmaatschap voor de duur van hun voorzitterschap een toelage
                                gelijk aan 1,2% van de vergoeding op jaarbasis en een toelage gelijk
                                aan 0,4% voor elk lid dat de fractie
                                bu</onderstreept><onderstreept>iten de fractievoorzitter telt. De
                                toelagen tezamen bedragen ten hoogste 6,4% van de vergoeding op
                                jaarbasis. </onderstreept></al><al><onderstreept>De burgemeester stelt vast:</onderstreept></al><lijst><li nr="b."><al><onderstreept>hoeveel leden een fractie
                                    telt;</onderstreept></al></li><li nr="c."><al><onderstreept>de duur van het
                                        fractievoorzitterschap.</onderstreept></al></li></lijst><al><vet>Artikelen 3 en 14 vaste onkostenvergoeding raadsleden en
                                wethouders</vet></al><al>Hierin is de vaste vergoeding geregeld voor aan het ambt van wethouder
                            c.q. aan het raadslidmaatschap verbonden kosten. De vergoeding is
                            opgebouwd op basis van de volgende kostencomponenten:</al><lijst><li nr="-"><al>representatie</al></li><li nr="-"><al>vakliteratuur</al></li><li nr="-"><al>contributies, lidmaatschappen</al></li><li nr="-"><al>telefoonkosten</al></li><li nr="-"><al>bureaukosten, porti</al></li><li nr="-"><al>zakelijke giften</al></li><li nr="-"><al>bijdrage aan fractiekosten</al></li><li nr="-"><al>ontvangsten thuis</al></li><li nr="-"><al>excursies.</al></li></lijst><al>Voor de kostensoorten fax/pc en cursussen en congressen zijn vanaf 1
                            januari 2001 specifieke voorzieningen getroffen (zie de artikelen 7, 8,
                            20, 21 en 29).</al><al>Onder de werkkostenregeling wordt de vaste onkostenvergoeding netto
                            uitgekeerd.</al><al>Voor raadsleden die niet hebben geopteerd voor het loonbelastingregime
                            blijven de aftrekmogelijkheden van de werkelijk gemaakte kosten op het
                            resultaat uit onderneming bestaan. Voor zover zij de uitgaven daaruit
                            kunnen onderbouwen, blijft de onkostenvergoeding onbelast. Wat niet kan
                            worden aangetoond, zal alsnog worden belast bij de aangifte
                            Inkomstenbelasting.</al><al>De hoogte van de kostenvergoeding wordt bij gemeentelijke verordening
                            bepaald. Wel is in de rechtspositiebesluiten voor wethouders en
                            raadsleden het maximale bedrag van de kostenvergoeding aangegeven. In de
                            artikelen 3 en 14 is de hoogte van de kostenvergoeding bepaald op het
                            maximale bedrag. De onkostenvergoeding kan door de raad op een lager </al><al>bedrag worden bepaald, dat echter niet lager mag zijn dan 80% van het
                            door de minister vastgestelde maximum.</al><al>Het bedrag van de kostenvergoeding is geïndexeerd. Het wordt jaarlijks
                            per 1 januari herzien aan de hand van de consumentenprijsindex. Hiervoor
                            is in de gemeente geen nadere besluitvorming nodig omdat in de
                            verordening in algemene zin is aangegeven dat de onkostenvergoeding
                            gelijk is aan het door de minister te bepalen maximum of een percentage
                            daarvan.</al><al><vet>Artikelen 5, 6 en 27 reis- en verblijfkosten raads- en
                                commissieleden</vet></al><al>De Gemeentewet voorziet niet in een vergoeding voor woon-werk-verkeer
                            voor raadsleden. Het is dan ook in strijd met artikel 99 van de
                            Gemeentewet als raadsleden van de gemeente een vergoeding ontvangen voor
                            reizen <onderstreept>binnen</onderstreept> het grondgebied van de
                            gemeente. </al><al>Artikel 97 van de Gemeentewet voorziet voor raads- en commissieleden wel
                            in een vergoeding van de reis- en verblijfkosten voor reizen
                                <onderstreept>buiten</onderstreept> het grondgebied van de gemeente
                            ter uitvoering van een beslissing van het gemeentebestuur.</al><al>Aan commissieleden kan bovendien krachtens artikel 96, eerste lid, van
                            de Gemeentewet ook een vergoeding worden gegeven voor de reis- en
                            verblijfkosten in verband met reizen <onderstreept>binnen</onderstreept>
                            de gemeente.</al><al>In de artikelen 5 en 27 is voor de vergoedingen aansluiting gezocht bij
                            de ‘Regeling rechtspositie wethouders’.</al><al>De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft door
                            deze specifieke regeling voor de wethouders de mogelijkheid meer op dat
                            ambt toegespitste vergoedingen vast te stellen. De vergoedingen zijn in
                            principe dezelfde als die welke in de voor de rijksoverheid geldende
                            ‘Reisregeling binnenland’ en de ‘Reisregeling buitenland’ zijn
                            opgenomen. </al><al>De vergoeding voor noodzakelijke en redelijkerwijs gemaakte
                            verblijfkosten is niet nader ingevuld. Onder verblijfkosten worden
                            verstaan de kosten i.v.m. overnachting in een hotel. Daarmee is dit een
                            lokale aangelegenheid die kan worden vastgelegd in een door de raad vast
                            te stellen uitvoeringsregeling, waarbij eventueel aansluiting gezocht
                            kan worden bij de rijksregelingen (voor de wethouders is het aan het
                            college een uitvoeringsregeling te treffen). Gezien het zeer incidentele
                            karakter van hotelverblijf door raads- en commissieleden is er voor
                            gekozen vooralsnog geen uitvoeringsregeling te treffen. In voorkomende
                            gevallen kunnen voor wat betreft het begrip ‘noodzakelijke en
                            redelijkerwijs gemaakte verblijfkosten’ vooraf de actuele vergoedingen
                            ingevolge de Reisregelingen binnenland en buitenland als richtlijn
                            worden geraadpleegd.</al><al>Vooruitbetaalde kosten van vergoedingen die zijn aangewezen als
                            eindheffingsbestanddeel onder de werkkostenregeling gelden als zg.
                            intermediaire kosten en worden onbelast vergoed. </al><al>Voor raadsleden die <onderstreept>niet</onderstreept> hebben geopteerd
                            voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen bij de aangifte
                            inkomstenbelasting als opbrengst moeten worden verantwoord. De
                            reiskosten kunnen binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare
                            beroepskosten worden opgevoerd. Vergoed kunnen worden de kosten van
                            openbaar vervoer of bij gebruik van eigen vervoermiddelen een
                            kilometervergoeding zoals die voor het rijkspersoneel geldt. De
                            vergoeding van de reiskosten met het openbaar vervoer is onbelast. De
                            kilometervergoeding is voor € 0,19 onbelast, ongeacht het gebruikte
                            vervoermiddel. </al><al>Kilometervergoedingen die hoger zijn dan € 0,19 zijn voor dat hogere
                            deel belast.</al><al><vet>Artikelen 7, 20 en 29 Cursus, congres, seminar of symposium
                            </vet></al><al>In de paragraaf ‘De vergoedingensystematiek’ in het algemene deel van
                            deze toelichting is aangegeven dat deze voorziening in de
                            bedrijfsvoering is ondergebracht. De kosten voor cursussen, congressen
                            e.d. komen dus rechtstreeks voor rekening van de gemeente. Zij zijn geen
                            onderdeel van de vaste kostenvergoeding van de wethouders c.q. raads- en
                            commissieleden. </al><al>Een onderscheid is gemaakt tussen cursussen, congressen e.d. die door of
                            vanwege de gemeente in het gemeentelijk belang zijn georganiseerd en
                            cursussen, congressen e.d. waaraan een wethouder c.q. het individuele
                            raads- of commissielid in verband met de vervulling van het ambt c.q.
                            raads- of commissielidmaatschap op eigen initiatief deelneemt.</al><al>Kosten van partijgebonden bijeenkomsten kunnen niet ten laste van de
                            gemeente worden gebracht. Om die reden wordt in het tweede lid het
                            algemeen belang van de cursus etc. benadrukt. In het laatste geval zijn
                            er aanvullende voorwaarden gesteld aan de aanvraag (inhoudelijke
                            informatie over de cursus of het congres en een kostenspecificatie).
                            Hierbij kan de betreffende fractievoorzitter een rol spelen. In het
                            aanvraagformulier is een vraag opgenomen of de fractievoorzitter de
                            aanvraag ondersteunt.</al><al>De in deze artikelen bedoelde cursussen, congressen e.d. hebben een
                            zakelijk karakter en zijn aan te merken als beroepskosten waarvan de
                            vergoeding c.q. verstrekking van loonbelasting is vrijgesteld (gerichte
                            vrijstelling onder de werkkostenregeling). Vooruitbetaalde kosten gelden
                            als zg. intermediaire kosten en worden onbelast vergoed. Voor raadsleden
                            die <onderstreept>niet</onderstreept> hebben geopteerd voor de
                            loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar de waarde
                            in het economische verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting als
                            opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen de
                            geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden
                            opgevoerd.</al><al><vet>Artikelen 8, 21 en 30 Computer en internetverbinding</vet></al></divisie><divisie><kop><titel>Algemeen</titel></kop><al>Sinds 2005 kan een computer met bijbehorende apparatuur en software
                            alleen onbelast worden vergoed, verstrekt of ter beschikking gesteld
                            indien deze geheel of nagenoeg geheel zakelijk wordt gebruikt. In de
                            Nota naar aanleiding van het verslag (Tweede-Kamerstuk 29 767, nr. 14,
                            blz. 22) wordt hierover het volgende opgemerkt:</al><al>‘Er is juist omwille van de eenvoud gekozen voor het criterium geheel of
                            nagenoeg geheel. Op deze wijze blijven computers die louter zakelijk
                            worden gebruikt buiten de heffing. Het aanvullende criterium 'nagenoeg
                            geheel' zorgt ervoor dat de werkgever bij zeer incidenteel privé-gebruik
                            niet meteen de gehele computer in de heffing hoeft te betrekken. De
                            werkgever dient aannemelijk te maken dat de computer geheel (of nagenoeg
                            geheel) zakelijk wordt gebruikt om deze onbelast te kunnen vergoeden,
                            verstrekken of ter beschikking te stellen. Hierbij geldt de vrije
                            bewijsleer. In dit kader kan bijvoorbeeld worden gedacht aan situaties
                            waarin technische voorzieningen zijn aangebracht aan de computer die
                            privé-gebruik als zodanig bemoeilijken, de werknemer via de computer
                            toegang heeft tot het intranet van de werkgever, hij via de
                                <cursief>computer geen vrije internettoegang</cursief><cursief>
                                heeft, er op de computer geen software anders dan bedrijfsmatige
                                software op staat, de werknemer ook niet de mogelijkheid heeft er
                                software op te zetten en hij geen eigen randapparatuur kan
                                aansluiten.’</cursief></al><al><cursief>1</cursief><cursief><sup>e</sup></cursief><cursief> aanschaf
                                van een tabletcomputer door wethouders,</cursief><cursief> raads- en
                                commissieleden</cursief></al><al>Om redenen van milieu en kostenbesparing hebben zowel het college als de
                            raad besloten per september 2012 over te gaan naar papierloos
                            vergaderen. Een tabletcomputer is daarvoor het geëigende hulpmiddel.
                            Voor de 1<sup>e</sup> aanschaf van een tabletcomputer wordt een door het
                            college vast te stellen vergoeding verleend. </al><al>De grondslag voor de vergoeding is te vinden in de
                            rechtspositiebesluiten voor wethouders en raads- en commissieleden. </al><al>Technische voorzieningen die privé-gebruik (nagenoeg) onmogelijk maken
                            worden niet getroffen. De vergoeding voor de aanschaf van een
                            tabletcomputer is aangewezen als eindheffingsbestanddeel onder de
                            werkkostenregeling en daarom onbelast. Voor raadsleden en
                            steunfractieleden die <onderstreept>niet</onderstreept> hebben geopteerd
                            voor de loonbelasting geldt dat de vergoeding bij de aangifte
                            inkomstenbelasting moet worden verantwoord en dat de gemaakte kosten
                            binnen de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen
                            worden opgevoerd.</al><al>De wethouder, het raadslid en het steunfractielid zijn vrij in de keuze
                            van een tabletcomputer. De netto vergoeding is een toereikende
                            tegemoetkoming in de aanschaf van een kwalitatief goede tabletcomputer. </al><al>College en raad zijn van mening dat voor deelname aan het
                            maatschappelijk verkeer het hebben van een computer en randapparatuur
                            zodanig gemeengoed is, dat een vergoeding in de aanleg- en
                            abonnementskosten van een internetverbinding alsmede de aanschaf van
                            applicaties niet langer geëigend is. Hoewel ook het bezit van een
                            tabletcomputer is toegenomen, is het bezit ervan nog geen gemeengoed. Om
                            die reden wordt op aanvraag een vergoeding verleend als tegemoetkoming
                            in de kosten van 1<sup>e</sup> aanschaf. De verwachting is dat op
                            termijn van enige jaren nauwelijks nog aanvragen zullen worden
                            ingediend.</al></divisie><divisie><kop><titel>De burgemeester</titel></kop><al>De burgemeester is geen belanghebbende in de zin van de Verordening
                            rechtspositie bestuurders 2013. Artikel 30, lid 2, van het
                            Rechtspositiebesluit burgemeesters 1994 biedt echter de mogelijkheid de
                            burgemeester eveneens een vergoeding te verlenen voor de aanschaf van
                            een (tablet-)computer. Zijn positie is daarmee gelijk aan die van de
                            wethouder. </al><al><vet>Artikelen 10a en 23a Fietsregeling raadsleden en
                            wethouders</vet></al><al>Raadsleden die gekozen hebben voor het fictieve werknemerschap en
                            wethouders kunnen deelnemen aan de fietsregeling. Het gaat hier niet om
                            een rechtspositionele aangelegenheid maar om een fiscale faciliteit voor
                            werknemers. Het is niet toegestaan een ‘werkgeversbijdrage’ te
                            verstrekken. Afhankelijk van de kostprijs van de fiets bedraagt de
                            vermindering ten hoogste het bedrag dat in artikel 37 van de
                            Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 is vastgelegd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Verlaging vergoeding werkzaamheden raadsleden bij
                                arbeidsongeschiktheid</titel></kop><al>In de motie Slob (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 800 VII, nr. 21) is
                            aangegeven dat de gemeenteraad een brede afspiegeling van de bevolking
                            dient te vormen. Om deze reden moeten drempels om raadslid te worden of
                            te blijven, worden weggenomen. In WAO en WIA geldt het algemene principe
                            dat indien een persoon inkomen uit arbeid geniet, dit in de regel zal
                            leiden tot verlaging of intrekking van de wettelijke
                            arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit omdat een dergelijke uitkering is
                            bedoeld om het als gevolg van arbeidsongeschiktheid ontstane verlies aan
                            verdienvermogen te vergoeden. Voor raadsleden kan dit ertoe leiden dat
                            een geringe verhoging van het inkomen door een raadsvergoeding een grote
                            teruggang betekent voor de hoogte van de wettelijke
                            arbeidsongeschiktheidsuitkering als gevolg van de
                            anticumulatieregeling.</al><al>Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij aanvaarding van een raadszetel of
                            bij verhoging van de vergoeding voor de werkzaamheden. Op grond van
                            artikel 12 van het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden kunnen
                            gemeenten hiervoor een voorziening treffen. Artikel 11 van de
                            verordening regelt daarom dat op aanvraag een raadslid een lagere
                            vergoeding voor de werkzaamheden wordt gegeven om te voorkomen dat de
                            anticumulatieregeling zal leiden tot een verlaging van de wettelijke
                            arbeidsongeschiktheidsuitkering van het raadslid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Compensatie korting werkloosheidsuitkering raadsleden</titel></kop><al>Artikel 20 van de Werkloosheidswet (WW) komt erop neer dat op het moment
                            dat iemand die een werkloosheidsuitkering op grond van die wet ontvangt,
                            nieuwe werkzaamheden aanvangt, de WW- uitkering wordt gekort met het
                            aantal uren dat in de nieuwe functie wordt gewerkt. Het Besluit
                            werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel kent een soortgelijke
                            bepaling. De hoogte van het inkomen uit de nieuwe betrekking is daarbij
                            niet relevant. Indien derhalve iemand tot raadslid wordt gekozen, zal de
                            WW-uitkering worden verlaagd met het aantal uren dat het UWV voor het
                            raadslidmaatschap in aanmerking neemt. Indien deze verlaging van de
                            WW-uitkering groter is dan de vergoeding voor de werkzaamheden zal er
                            een negatief inkomenseffect optreden. Het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden biedt gemeenten de mogelijkheid dit nadeel te
                            compenseren. Dat is geregeld in artikel 12 van de verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Vergoeding raadslid voor waarneming voorzitterschap van de
                                gemeenteraad</titel></kop><al>In artikel 77 van de Gemeentewet is geregeld dat het voorzitterschap van
                            de gemeenteraad bij verhindering of ontstentenis van de burgemeester
                            wordt waargenomen door het langstzittende raadslid. De gemeenteraad kan
                            ook een ander raadslid met de waarneming van het voorzitterschap
                            belasten. In overeenstemming met het Rechtspositiebesluit raads- en
                            commissieleden is in artikel 13 van de verordening geregeld dat bij een
                            onafgebroken waarneming van meer dan 30 dagen het betreffende raadslid
                            over de tijd van waarneming recht heeft op een toeslag van 8% van de
                            vergoeding voor de werkzaamheden en van de</al><al>vaste onkostenvergoeding.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13a</nr><titel>Ziektekostenvoorziening raadsleden</titel></kop><al>Ongeacht of een raadslid gekozen heeft voor het fictieve werknemerschap
                            of de status van fiscaal zelfstandige moet over de raads- en
                            onkostenvergoeding een inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet
                            worden betaald (2012: 5%).</al><al>Bij degenen die hebben gekozen voor het fictieve werknemerschap wordt
                            deze door de gemeente ingehouden; zelfstandigen betalen deze via de
                            inkomstenbelasting. Na afloop van het belastingjaar zal aan de hand van
                            de vaststelling van het maximum inkomen waarover de bijdrage wordt
                            geheven (dus alle belastbare inkomsten die in welke hoedanigheid dan ook
                            zijn ontvangen) worden vastgesteld of te veel is ingehouden resp.
                            betaald. In dat geval zal dat door de Belastingdienst worden
                            terugbetaald, te beginnen bij de inhoudingen op de raads- en
                            onkostenvergoeding (2012: 5%).</al><al>Met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 kan de raad op grond van
                            artikel 11 van het</al><al>Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden besluiten dat deze
                            tegemoetkoming wordt vastgesteld. Dit moet bij verordening worden
                            bepaald. Deze tegemoetkoming is door tussenkomst van de VNG tot stand
                            gekomen op verzoek van een groot aantal gemeenten als reactie op de
                            inhouding van de inkomensafhankelijke bijdrage waardoor de netto
                            raadsvergoeding vermindert. De tegemoetkoming kan worden gezien als een
                            compensatie hiervoor.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13b</nr><titel>Voorzieningen raadsleden bij tijdelijk ontslag wegens
                                zwangerschap en bevalling of ziekte</titel></kop><al>Raadsleden kunnen tijdelijk worden vervangen wegens zwangerschap en
                            bevalling dan wel wegens langdurige ziekte. De regeling daarvan is
                            opgenomen in de Kieswet, omdat het te vervangen raadslid tijdelijk
                            ontslagen wordt. In de vacature wordt voorzien door de tijdelijke
                            benoeming van de vervanger. Er is steeds sprake van een vaste periode
                            van 16 weken. Door zowel het tijdelijk ontslag, de tijdelijke benoeming
                            en de vaste periode van vervanging is het niet nodig dat tussen beiden
                            een afspraak wordt gemaakt over de duur van de vervanging. Het is
                            hierdoor ook niet mogelijk weer binnen de termijn van 16 weken het
                            raadslidmaatschap te hervatten. Evenmin is het mogelijk de vervanging
                            nog even voort te laten duren, tenzij</al><al>opnieuw een verzoek wordt gedaan voor een tijdelijk ontslag. Bij
                            inwilliging van dat verzoek, is opnieuw sprake van een periode van 16
                            weken.</al><al>In de artikelen X10, X11 en X12 van de Kieswet zijn de voorwaarden
                            opgenomen waaraan moet worden voldaan voor een vervanging, de datum van
                            ingang en beëindiging van de vervanging. De verklaring van een
                            verloskundige dan wel behandelend arts is bepalend voor de aanvang van
                            de vervanging. De benoeming van de vervanger kan later plaatsvinden,
                            maar wijzigt het tijdstip van het einde van het tijdelijk ontslag niet.
                            De feitelijke vervanging kan daardoor korter zijn dan 16 weken. Na
                            afloop van de termijn van 16 weken wordt zonder enig verzoek of besluit
                            de oude situatie hersteld. Dat geldt zowel voor de hervatting van het
                            raadslidmaatschap, het einde van het tijdelijk raadslidmaatschap als de
                            rechtspositionele aspecten daarvan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Reiskosten woon/werk en 16 Zakelijke reiskosten
                                wethouders</titel></kop><al>Voor wethouders is in artikel 15 een belastingvrije vergoeding voor het
                            woon-werkverkeer geregeld overeenkomstig de bepalingen bij en krachtens
                            het Rechtspositiebesluit wethouders en de Regeling rechtspositie
                            wethouders. Bij gebruik van de eigen personenauto bedraagt de vergoeding
                            € 0,15 per afgelegde kilometer (norm per 1 juli 2008).</al><al>Ingevolge artikel 16 worden zakelijke reiskosten, indien gemaakt met het
                            openbaar vervoer of met een taxi, volledig vergoed (mits in redelijkheid
                            gemaakt) en indien gemaakt met de eigen personenauto vergoed naar € 0,28
                            per afgelegde kilometer (norm onder de werkkostenregeling). De
                            kilometervergoeding is op basis van de desbetreffende
                            rechtspositiebesluiten aangewezen als eindheffingsbestanddeel voor de
                            loonbelasting. Daarvan is € 0,19 per afgelegde kilometer gericht
                            vrijgesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Dienstauto</titel></kop><al>P.M. </al><al><vet>Artikelen 19 en 28 Buitenlandse dienstreis wethouders en
                                commissieleden</vet></al><al>De vergoeding voor reis- en verblijfkosten voor reizen gemaakt voor de
                            uitoefening van het ambt is op basis van de desbetreffende
                            rechtspositiebesluiten aangewezen als eindheffingsbestanddeel voor de
                            loonbelasting.</al><al>Bij buitenlandse dienstreizen in het gemeentelijk belang kunnen aan de
                            wethouder de in redelijkheid gemaakte werkelijke reis- en verblijfkosten
                            worden vergoed. Deze vergoeding van vooruitbetaalde kosten geldt onder
                            de werkkostenregeling als zg. intermediaire kosten en worden onbelast
                            vergoed.</al><al>De tarieven in het voor het rijkspersoneel geldende Reisbesluit
                            buitenland zijn daarbij richtsnoer. In de eerder genoemde gedragscode
                            zijn nadere gedragsregels vastgesteld (zie de Toelichting algemeen,
                            paragraaf Controle en verantwoording, 2<sup>e</sup> alinea). Daarbij
                            gaat het om expliciete besluitvorming in het college over buitenlandse
                            reizen en over uitnodigingen daartoe op kosten van derden.</al><al>Maar ook om bijvoorbeeld de rekening en verantwoording achteraf (zowel
                            inhoudelijk als financieel), het meereizen van de partner en het
                            combineren van een dienstreis met een (direct voorafgaande of
                            aansluitende) privéreis.</al><al>Ook gemeenteraden of raadscommissies maken wel eens in het gemeentelijk
                            belang excursies of reizen naar het buitenland. Hiervoor moet de
                            gemeenteraad expliciet toestemming verlenen. De reis of excursie wordt
                            in alle gevallen door of vanwege de gemeente georganiseerd. Hetgeen
                            hierboven is geschreven over buitenlandse dienstreizen van wethouders
                            geldt mutatis mutandis ook voor buitenlandse excursies en reizen van de
                            gemeenteraad of raadscommissies.</al><al>Voor raadsleden die <onderstreept>niet </onderstreept>hebben geopteerd
                            voor de loonbelasting geldt dat de vergoedingen en verstrekkingen naar
                            de waarde in het economische verkeer bij de aangifte inkomstenbelasting
                            als opbrengst moeten worden verantwoord en dat de gemaakte kosten binnen
                            de geldende randvoorwaarden als aftrekbare beroepskosten kunnen worden
                            opgevoerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>mobiele telefoon wethouders</titel></kop><al>De verstrekking van een mobiele telefoon, een smartphone en een
                            BlackBerry is onder de werkkostenregeling aangewezen als
                            eindheffingsbestanddeel vallend onder de gerichte vrijstellingen als het
                            zakelijk gebruik meer dan 10% is.</al><al>In de vaste onkostenvergoeding is een component van 9% voor
                            telefoonkosten opgenomen (per 1 januari 2013: 9% x € 307,75 = € 27,70;
                            let op: afgeleid van het normbedrag 2012). Bij het verstrekken van een
                            mobiele telefoon c.a. kan sprake zijn van overbedeling. De component
                            telefoonkosten kan om die reden verminderd worden. Anderzijds is ook bij
                            wethouders sprake van gebruik van de privé telefoon voor zakelijke
                            doeleinden. Voor dit doel ontvangen burgemeesters maandelijks een
                            vergoeding die onder de werkkostenregeling is aangewezen als
                            eindheffingsbestanddeel voor de loonbelasting. De vergoeding bedraagt €
                            12. Het is redelijk om, wanneer plaatselijk de component telefoonkosten
                            wordt gekort, deze korting tot een bedrag van € 12 per maand van de
                            bruto onkostenvergoeding achterwege te laten. Per 1 januari 2013
                            bedraagt de korting dan € 15,70.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Reis- en pensionkosten en verhuiskosten wethouders</titel></kop><al>Sinds de dualisering van het gemeentebestuur kunnen personen van buiten
                            de gemeenteraad tot wethouder worden benoemd. Dat kunnen ook personen
                            zijn die niet in de gemeente zelf wonen. Die zijn op grond van de
                            Gemeentewet verplicht om te gaan wonen in de gemeente waar zij wethouder
                            zijn geworden. In artikel 24 is geregeld dat zij bij verhuizing naar de
                            gemeente in aanmerking komen voor een verhuiskostenvergoeding en
                            eventueel voor vergoeding van reis- en pensionkosten in afwachting van
                            de verhuizing. De vergoedingen zijn aangewezen als
                            eindheffingsbestanddeel onder de werkkostenregeling. Voor wat betreft de
                            verhuiskostenvergoeding zal bij ministeriële regeling nog aanpassing
                            plaatsvinden van bruto naar netto bedragen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Vergoeding voor het bijwonen van commissievergaderingen</titel></kop><al>In dit artikel is het presentiegeld voor leden van gemeentelijke
                            commissies geregeld. Deze bepaling geldt niet voor raadsleden en
                            wethouders die in de commissie zitten. Hun vergoeding is immers al
                            geregeld in de rechtspositiebesluiten en elders in deze verordening.
                            Uitgezonderd zijn verder onder meer ambtenaren en bestuurders die in die
                            hoedanigheid in de commissie zitting hebben. Uitgezonderd zijn tenslotte
                            vertegenwoordigers van belangengroepen e.d. tenzij hun lidmaatschap
                            tevens in belangrijke mate het gemeentelijk belang dient.</al><al>De hoogte van het presentiegeld wordt bij gemeentelijke verordening
                            bepaald. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt
                            jaarlijks per 1 januari het maximum vast zoals dat is herzien aan de
                            hand van het indexcijfer CAO lonen overheid.</al><al>In artikel 26, eerste lid, is er voor gekozen de hoogte van de
                            vergoeding te bepalen op het door de minister vastgestelde maximum. De
                            raad kan ook een lager bedrag vaststellen.</al><al>Het Rechtspositiebesluit raads- en commissieleden biedt echter ook de
                            mogelijkheid om in de gemeentelijke verordening te regelen dat in
                            bepaalde gevallen een hoger bedrag aan presentiegeld wordt toegekend dan
                            het eerder bedoelde maximumbedrag. Dat is geregeld in artikel 26, vierde
                            lid, van de verordening. Er kan gekozen worden voor een procentuele
                            verhoging, maar het is ook mogelijk om het bedrag uit een hogere
                            gemeenteklasse te kiezen.</al><al><vet>Artikelen 31 t/m 34 De procedure van declaratie raads- en
                                commissieleden en wethouders</vet></al><al>In artikel 31 zijn de twee wijzen van betaling aangegeven. Betaling via
                            een gemeentelijke creditcard is niet van toepassing. In de artikelen 32
                            en 33 is bepaald in welke gevallen welke betalingswijze aan de orde is
                            en welke procedurevoorschriften daarbij gelden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>33:</nr><titel>declaratie van vooruitbetaalde kosten (zg. intermediaire
                                kosten)</titel></kop><al>Daarbij gaat het om vergoeding van de volgende kosten:</al><lijst><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van raadsleden (art. 5 en 6);</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders (art.16);</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                                    wethouders (art. 19);</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten wethouders (art.
                                    24);</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten van leden van gemeentelijke commissies
                                    (art. 27).</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>34:</nr><titel>rechtstreekse facturering bij de gemeente</titel></kop><al>Rekeningen kunnen rechtreeks bij de gemeente in rekening worden gebracht
                            in de volgende gevallen:</al><lijst><li nr="-"><al>deelname aan cursussen, congressen, seminars en symposia door
                                    raadsleden en wethouders (art. 7, 20 en 24);</al></li><li nr="-"><al>zakelijke reis- en verblijfkosten van wethouders (art. 16);</al></li><li nr="-"><al>reis- en pensionkosten en verhuiskosten van wethouders (art.
                                    24);</al></li><li nr="-"><al>reis- en verblijfkosten bij buitenlandse dienstreizen van
                                    wethouders (artikel 19).</al></li></lijst><al><vet>Artikelen 35 t/m 37 Citeertitel en inwerkingtreding</vet></al><al>De artikelen 31 tot en met 33 hebben terugwerkende kracht: </al><lijst><li nr="-"><al>voor de raads- en commissieleden tot en met 11 maart 2010;</al></li><li nr="-"><al>voor de nieuw aangetreden wethouders tot en met de dag van hun
                                    beëdiging, in casu 18 mei 2010.</al></li></lijst><al>Sinds 20 februari 2004 bestaat naast het Rechtspositiebesluit wethouders
                            ook de (ministeriële) Regeling rechtspositie wethouders. In lijn met die
                            benaming is de naam van de verordening: Verordening rechtspositie
                            wethouders, raads- en commissieleden 2013.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>