<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR248736_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Woerden</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-07-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Woerden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Woerdense Courant 27 december 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">??</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2012/53</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>??</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en invordering van onroerende-zaakbelastingen
            2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Woerden</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6
                        november 2012 </al><al/><al>gelet op het bepaalde in de Gemeentewet; </al><al>artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet; </al><al><vet>beslu</vet><vet>it:</vet></al><al/><al>vast te stellen de "verordening op de heffing en invordering van
                        onroerende-zaakbelastingen 2013</al><al>vast te stellen </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label/><titel>RAADSBESLUIT</titel></kop><al>12R.00411</al><table><tgroup cols="2"><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Agendapunt:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Onderwerp:</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>Verordening onroerend zaakbelastingen 2013</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>De raad van de gemeente Woerden;</al><table><tgroup cols="6"><tbody><row><entry colname="col1"><al>gelezen het voorstel d.d.</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>6 november 2012</al></entry><entry colname="col4" nameend="col6" namest="col4"><al>van:</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col6" namest="col1"><al>-burgemeester en wethouders</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col6" namest="col1"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col6" namest="col1"><al>gelet op het bepaalde in de Gemeentewet;</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col6" namest="col1"><al>artikelen 220 tot en met 220h van de
                                                Gemeentewet;</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col6" namest="col1"><al>b e s l u i t:</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col6" namest="col1"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col6" namest="col1"><al>vast te stellen de</al><al>Verordening op de heffing en invordering van
                                                onroerende-zaakbelastingen 2013</al></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col6" namest="col1"><al/></entry></row><row><entry colname="col1" nameend="col6" namest="col1"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1 -</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam ‘onroerende-zaakbelastingen’ worden
                                                ter zake van binnen de gemeente gelegen onroerende
                                                zaken twee directe belastingen geheven:</al><lijst><li nr="a."><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het
                                                begin van het kalenderjaar een onroerende zaak die
                                                niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet
                                                krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of
                                                persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:
                                                gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b."><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het
                                                begin van het kalenderjaar van een onroerende zaak
                                                het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt
                                                recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>bij de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik door degene aan wie een deel van een
                                                onroerende zaak in gebruik is gegeven (verder: de
                                                gebruiker), aangemerkt als gebruik door degene die
                                                dat deel in gebruik heeft gegeven (verder: de
                                                gebruikgever); de gebruikgever is bevoegd de
                                                belasting als zodanig te verhalen op de
                                                gebruiker;</al></li><li nr="b."><al>het ter beschikking stellen van een onroerende
                                                zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik
                                                door degene die de onroerende zaak ter beschikking
                                                heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter
                                                beschikking heeft gesteld is bevoegd de belasting
                                                als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak
                                                ter beschikking is gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende
                                                krachtens eigendom, bezit of beperkt recht
                                                aangemerkt, degene die bij het begin van het
                                                kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie
                                                kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat
                                                tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom,
                                                bezit of beperkt recht is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2 -</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende
                                                zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering
                                                onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning
                                                indien de waarde die op grond van hoofdstuk IV van
                                                de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld
                                                voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden
                                                toegerekend aan delen van die onroerende zaak die
                                                dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn
                                                aan woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3 -</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk
                                                IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de
                                                onroerende zaak vastgestelde waarde voor het
                                                kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als voor een onroerende zaak geen waarde is
                                                vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                                                waardering onroerende zaken, wordt de
                                                heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met
                                                overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of
                                                krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van
                                                de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4 -</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de
                                                bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking
                                                gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de
                                                bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de
                                                waarde van:</al><lijst><li nr="a)"><al>voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig
                                                geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen
                                                de open grond, alsmede de ondergrond van
                                                glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt
                                                voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij
                                                de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;</al></li><li nr="b)"><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend
                                                voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de
                                                ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a
                                                bedoelde grond;</al></li><li nr="c)"><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd
                                                voor de openbare eredienst of voor het houden van
                                                openbare bezinningssamenkomsten van
                                                levensbeschouwelijke aard, één en ander met
                                                uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken
                                                die dienen als woning;</al></li><li nr="d)"><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van
                                                een op de voet van de Natuurschoonwet 1928
                                                aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden
                                                genoemd in artikel 8 van het Rangschikkingsbesluit
                                                Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop
                                                voorkomende gebouwde eigendommen;</al></li><li nr="e)"><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan
                                                duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en
                                                plassen, die door rechtspersonen met volledige
                                                rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg
                                                uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel
                                                stellen, beheerd worden;</al></li><li nr="f)"><al>openbare land- en waterwegen en banen voor
                                                openbaar vervoer per rail, één en ander met inbegrip
                                                van kunstwerken;</al></li><li nr="g)"><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die
                                                worden beheerd door organen, instellingen of
                                                diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met
                                                uitzondering van de delen van zodanige werken die
                                                dienen als woning;</al></li><li nr="h)"><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van
                                                riool- en ander afvalwater en die worden beheerd
                                                door organen, instellingen of diensten van
                                                publiekrechtelijk rechtspersonen, met uitzondering
                                                van de delen van zodanige werken die dienen als
                                                woning;</al></li><li nr="i)"><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen
                                                worden afgescheiden zonder dat beschadiging van
                                                betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en
                                                die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn
                                                aan te merken;</al></li><li nr="j)"><al>onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te
                                                worden gebruikt voor de publieke dienst van de
                                                gemeente, met uitzondering van delen van zodanige
                                                onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt
                                                voor het geven van onderwijs;</al></li><li nr="k)"><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig
                                                gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke
                                                zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten
                                                dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de
                                                gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties,
                                                standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's,
                                                hekken en palen;</al></li><li nr="l)"><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de
                                                gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het
                                                genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt
                                                recht, met uitzondering van de delen van zodanig
                                                onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="m)"><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, één en
                                                ander met uitzondering van delen van zodanig
                                                onroerende zaken die dienen als woning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel
                                                j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor
                                                de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de
                                                gemeente van die zaken niet het genot heeft
                                                krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de
                                                bepaling van de heffingsmaatstaf voor de
                                                gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de
                                                waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in
                                                hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak
                                                dienstbaar zijn aan woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5 -</nr><titel>De belastingtarieven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het tarief van de belasting bedraagt een
                                                percentage van de heffingsmaatstaf:</al><al> Het percentage bedraagt voor:</al><lijst><li nr="a)"><al>de gebruikersbelasting: 0,1279%</al></li><li nr="b)"><al>bij de eigenarenbelasting: </al><lijst><li nr="1)"><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning
                                                dienen 0,1141%</al></li><li nr="2)"><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot
                                                woning dienen 0,1708%</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bedrag van de belasting wordt per
                                                belastingaanslag naar beneden afgerond op gehele
                                                euro’s.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor belastingbedragen tot € 10,00 vindt geen
                                                invordering plaats.</al><al>Voor de toepassing van de vorige volzin wordt het
                                                totaal van op één aanslagbiljet verenigde
                                                verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of
                                                andere heffingen aangemerkt als één
                                                belastingbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6 -</nr><titel>De wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag
                                                geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7 -</nr><titel>De termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanslagen moeten worden betaald uiterlijk drie
                                                maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het
                                                totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde
                                                aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag
                                                bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 50,00, maar
                                                minder is dan € 5.000,00 en zolang de verschuldigde
                                                bedragen door middel van automatische
                                                betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de
                                                aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke
                                                termijnen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op
                                                de in de voorgaande leden gestelde termijnen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8 -</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan
                                                nadere regels geven met betrekking tot de heffing en
                                                de invordering van de
                                                onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9 -</nr><titel>Inwerkingtreding en
                            citeertitel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De ‘Verordening onroerende-zaakbelastingen 2012’
                                                vastgesteld door de raad op 21 december 2011, wordt
                                                ingetrokken met ingang van de in het derde lid
                                                genoemde datum van ingang van de heffing, met dien
                                                verstande dat zij van toepassing blijft op de
                                                belastbare feiten die zich voor die datum hebben
                                                voorgedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari
                                                2013.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari
                                                2013.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening
                                                onroerende-zaakbelastingen 2013’.</al></lid></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente
                        Woerden in zijn openbare vergadering, gehouden op 19 december 2012</ondertekening><ondertekening>De griffier</ondertekening><ondertekening>De wnd. voorzitter</ondertekening><ondertekening>E.M. Geldorp</ondertekening><ondertekening>drs. J.B. Waaijer</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting</titel></kop><al><vet>Wet WOZ</vet></al><al>Op 1 januari 1995 is de Wet WOZ in werking getreden. Deze wet regelt de
                            bepaling en vaststelling van de waarde van onroerende zaken ten behoeve
                            van de belastingheffing door rijk, gemeenten en waterschappen, waaronder
                            ook de onroerende-zaakbelastingen. De waardebepaling geschiedt onder
                            verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders. De
                            waarde wordt met een voor bezwaar en beroep vatbare, beschikking aan de
                            eigenaar en aan de gebruiker (belanghebbenden) bekendgemaakt. Met ingang
                            van 2008 ligt de waardepeildatum één jaar voor aanvang van het
                            kalenderjaar waarvoor de waarde geldt. Voor het jaar 2012 wordt gewerkt
                            met taxaties naar waardepeildatum 1 januari 2011.</al><al><vet>Afschaffing OZB-gebruikersbelasting voor woningen</vet></al><al>Met ingang van 1 januari 2006 is de OZB-gebruikersbelasting voor
                            woningen afgeschaft en zijn de tarieven aan een maximum gebonden (Wet
                            van 22 december 2005, Stb 725).</al><al><vet>Artikelgewijze toelichting op de verordening op de heffing en de
                                invordering van de onroerende-zaakbelastingen 2013</vet></al><al><cursief>Aanhef</cursief></al><al>In de aanhef wordt onder andere verwezen naar artikelen 220 tot en met
                            220h van de Gemeentewet. Omdat in de Gemeentewet in voorkomende gevallen
                            al wordt verwezen naar de Wet WOZ, is het niet nodig te verwijzen naar
                            de Wet WOZ. </al><al><vet><cursief> De belastingplicht (artikel 1 van de
                                    verordening)</cursief></vet></al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>In overeenstemming met artikel 220 van de Gemeentewet zijn de binnen de
                            gemeente gelegen onroerende zaken aangewezen als belastingobject. De
                            vraag wat onder een onroerende zaak moet worden verstaan, komt bij de
                            toelichting op artikel 2 van de verordening aan de orde. </al><al>Ter zake van iedere onroerende zaak kunnen twee directe belastingen
                            worden geheven. De belasting wegens het gebruik van een onroerende zaak
                            die niet in hoofdzaak tot woning dient wordt aangeduid als
                            gebruikersbelasting. De belasting wegens genot krachtens eigendom, bezit
                            of beperkt recht wordt aangeduid als eigenarenbelasting.</al><al>De onroerende-zaakbelastingen zijn tijdstipbelastingen. Het begin van
                            het kalenderjaar bepaalt de belastingplicht. Indien het gebruik dan wel
                            het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht in de loop van het
                            jaar aanvangt of eindigt, heeft dat geen invloed op de
                            belastingplicht.</al><al>De gebruikersbelasting wordt vanaf 1 januari 2006 slechts geheven van
                            degene die (naar de omstandigheden beoordeeld) bij het begin van het
                            kalenderjaar een onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient
                            (niet-woning) al dan niet krachtens eigendom, bezit of beperkt recht of
                            persoonlijk recht gebruikt. Daarbij is het niet van belang op grond
                            waarvan gebruik wordt gemaakt van de niet-woning. Ook bij
                            wederrechtelijk gebruik (krakers) is sprake van gebruik.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Overeenkomstig artikel 220b, eerste lid, van de Gemeentewet zijn in
                            artikel 1, tweede lid, van de verordening enkele aanvullende bepalingen
                            inzake de gebruikersbelasting opgenomen.</al><al>Bij de wijziging van de materiële belastingbepalingen in 1995 is het
                            begrip ‘feitelijk gebruik’ in de Gemeentewet vervangen door ‘gebruik’.
                            Daardoor kan de gebruikersbelasting in bepaalde situaties
                            belastingplichtigen aanwijzen die niet feitelijk gebruik maken van een
                            niet-woning.</al><al>Zo regelt <cursief>artikel 1, tweede lid, onderdeel a</cursief>, van de
                            verordening dat gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende
                            zaak in gebruik is gegeven, wordt aangemerkt als gebruik door degene die
                            dat deel in gebruik heeft gegeven. Door deze bepaling is de verhuurder
                            (al of niet tevens eigenaar) ook belastingplichtig voor de
                            gebruikersbelasting als hij niet zelf gebruiker (van een deel) van de
                            niet-woning is. Dit betekent dat bij verzamelkantoorgebouwen met meer
                            dan één gebruiker (die voor de Wet WOZ en de onroerende-zaakbelastingen
                            als één object kunnen gelden), de verhuurder in de heffing van de
                            gebruikersbelasting moet worden betrokken. De huurders zijn dan niet
                            belastingplichtig. </al><al>Voor alle duidelijkheid: de bepaling ziet alleen op situaties waarin
                            delen van de onroerende zaak worden gebruikt door afzonderlijke
                            gebruikers, die niet gezamenlijk het geheel gebruiken. De verhuurder van
                            een niet-woning kan niet als gebruiker worden aangemerkt als hij de
                            niet-woning verhuurt aan bijvoorbeeld één ondernemingsgezin of één
                            persoon. Verhuurt hij de verschillende delen echter aan verschillende
                            gebruikers, dan is hij wel belastingplichtig. Verhuurt hij echter de
                            niet-woning als geheel aan meerdere gebruikers (bijvoorbeeld van één
                            onderneming), dan is hij niet belastingplichtig. Hij staat dan immers
                            niet een gedeelte van de niet-woning in gebruik af. Degene die het
                            gebruik afstaat, mag overigens de gebruikersbelasting wel verhalen op
                            degene aan wie het gebruik van een deel wordt afgestaan.</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1,</nr><titel>tweede lid, onderdeel b</titel></kop><al>, van de verordening bepaalt dat het ter beschikking stellen van een
                            onroerende zaak voor volgtijdig gebruik wordt aangemerkt als gebruik
                            door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld. Dit
                            ziet met name op niet-woningendie voor korte
                            perioden worden verhuurd. In beginsel is de eigenaar degene die de
                            niet-woning ter beschikking stelt voor volgtijdig gebruik en als zodanig
                            belastingplichtig voor de gebruikersbelasting.</al><al>Degene die de niet-woning ter beschikking stelt, is bevoegd om de
                            belasting te verhalen op degene aan wie de zaak ter beschikking is
                            gesteld.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>De vaststelling van de genothebbende krachtens eigendom, bezit of
                            beperkt recht, geschiedt in het algemeen op grond van de kadastrale
                            registers. De tot belastingplicht leidende beperkte rechten zijn
                            appartementsrecht, erfpachtrecht, recht van opstal, recht van
                            vruchtgebruik, recht van beklemming, recht van gebruik en bewoning,
                            beperkt recht in de zin van artikel 5, derde lid, onderdeel b, van de
                            Belemmeringenwet privaatrecht. Het kadastrale register geeft in vrijwel
                            alle gevallen uitsluitsel omtrent de vraag wie de genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al><al><vet><cursief>Het belastingobject (artikel 2 van de
                                    verordening)</cursief></vet></al><al>Voor de afbakening van het belastingobject, de onroerende zaak, wordt in
                            de tekst van de verordening verwezen naar hoofdstuk III van de Wet WOZ.
                            De voorschriften voor de objectafbakening staan vermeld in artikel 16
                            van de Wet WOZ.</al></divisie><divisie><kop><titel>Roerend of onroerend</titel></kop><al>Voor de heffing van de onroerende-zaakbelastingen is de vraag van belang
                            of er sprake is van een roerende of onroerende zaak. Alleen de
                            onroerende zaken worden immers in de heffing betrokken. Nu de
                            Gemeentewet noch de Wet WOZ hierover nadere regels stelt, is voor de
                            vraag of een zaak roerend of onroerend is, het Burgerlijk Wetboek (BW)
                            van belang. Op grond van artikel 3, boek 3, van het BW worden als
                            onroerende zaken aangemerkt de grond, de nog niet gewonnen delfstoffen,
                            de met de grond verenigde beplantingen, alsmede de gebouwen en werken
                            die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij
                            door vereniging met andere gebouwen of werken. Roerende zaken zijn alle
                            zaken die niet onroerend zijn. Over het al dan niet onroerend zijn van
                            zomerhuisjes, woonboten, stacaravans en dergelijke is de nodige
                            jurisprudentie ontstaan. </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Dit lid geeft een definitie van het begrip woning overeenkomstig de
                            bepaling in de Gemeentewet (artikel 220a, lid 2). Een onroerende zaak
                            dient tot woning indien de vastgestelde WOZ-waarde in hoofdzaak kan
                            worden toegerekend aan delen van de onroerende zaak die dienen tot
                            woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Het ‘in
                            hoofdzaakcriterium’ wordt uitgelegd als 70% of meer. </al><al>Bij een onroerende zaak, zoals bijvoorbeeld een boerderij, kunnen zowel
                            woondelen als niet-woondelen aanwezig zijn. Indien 70% of meer van de
                            totale waarde als woondelen kunnen worden aangemerkt is er sprake van
                            een woning en kan geen gebruikersbelasting worden geheven. De onroerende
                            zaak is dan in hoofdzaak een woning. </al><al>Indien de waarde van de woondelen van een onroerende zaak minder dan 70%
                            uitmaakt van de totale waarde van die onroerende zaak, is sprake van een
                            niet-woning voor de OZB. Deze onroerende zaken, zoals boerderijen en
                            verzorgingstehuizen, worden naar het tarief voor niet-woningen
                            aangeslagen. Vanaf 2007 wordt de waarde van het woondeel buiten de
                            heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting niet-woningen gelaten. Het
                            betreft hier gedeelten die in hoofdzaak dienen tot woning of dienstbaar
                            zijn aan woondoeleinden. Hiervoor is artikel 220e per 1-1-2007 aan de
                            Gemeentewet toegevoegd.</al><al><vet><cursief>De maatstaf van heffing
                                    </cursief></vet><vet><cursief>(artikel 3 van de
                                    verordening)</cursief></vet></al><al>Met betrekking tot de term ‘maatstaf van heffing’ of ‘heffingsmaatstaf’
                            merken wij op dat de eerste term wordt gebruikt in algemene zin terwijl
                            de tweede term in concrete zin wordt gebruikt (de concrete waarde van
                            een onroerende zaak). Daarom is in de aanhef van artikel 3 van de
                            verordening sprake van ‘maatstaf van heffing’ en in het vervolg van de
                            verordening steeds over ‘heffingsmaatstaf’. Dit correspondeert met de
                            wettekst. Vanaf 1 januari 1997 is artikel 19 van de Wet WOZ van
                            toepassing en dient de waarde van in aanbouw zijnde onroerende zaken te
                            worden bepaald en in de heffing van onroerende-zaakbelastingen te worden
                            betrokken.</al></divisie><divisie><kop><titel>Eerste lid </titel></kop><al>De heffingsmaatstaf is de waarde van de onroerende zaak zoals deze is
                            vastgesteld op basis van de Wet WOZ. Artikel 17 van de Wet WOZ geeft de
                            regels voor de waardering. Uitgangspunt daarbij is de waarde in het
                            economische verkeer. Voor woningen en rijksmonumenten is de waarde in
                            het economische verkeer altijd van toepassing. Voor niet-woningen
                            daarentegen wordt de gecorrigeerde vervangingswaarde genomen indien deze
                            hoger is dan de waarde in het economische verkeer.</al></divisie><divisie><kop><titel>Tweede lid</titel></kop><al>Het tweede lid is een zogenaamd ‘vangnetbepaling’ en voorziet erin dat
                            indien voor een onroerende zaak onverhoopt geen WOZ-beschikking is
                            vastgesteld, toch een aanslag kan worden opgelegd. Voor de tekst van de
                            vangnetbepaling is aangesloten bij de tekst van artikel 220d, vierde
                            lid, van de Gemeentewet.</al><al><vet><cursief> De vrijstellingen (artikel 4 van de
                                    verordening)</cursief></vet></al><al>Een object als zodanig wordt niet vrijgesteld maar de waarde van (een
                            gedeelte) van een object wordt buiten aanmerking gelaten. Dit maakt het
                            mogelijk dat een onroerende zaak gedeeltelijk wordt belast en
                            gedeeltelijk wordt vrijgesteld. </al><al>Een vrijstelling voor de onroerende-zaakbelastingen houdt niet in dat
                            ook de waardering achterwege kan blijven. In het kader van de Wet WOZ
                            kan de waardering van een onroerende zaak alleen achterwege blijven
                            indien op grond van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet
                            WOZ de gehele waarde buiten aanmerking kan worden gelaten. </al><al><cursief>Eerste lid, </cursief><vet><cursief>onderdeel
                            a</cursief></vet></al><al>Ingevolge artikel 220d, eerste lid, onderdeel a, van de Gemeentewet is
                            vrijgesteld de ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig
                            geëxploiteerde cultuurgrond. Men spreekt hier wel van de
                            ‘cultuurgrondvrijstelling’. Of er sprake is van landbouw moet worden
                            beoordeeld aan de hand van artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de
                            Pachtwet (Stb. 1958, 37). Zie artikel 220d, vierde lid, van de
                            Gemeentewet.</al><al><cursief>Eerste lid, </cursief><vet><cursief>onderdeel
                            b</cursief></vet></al><al>Op grond van artikel 220d, eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet
                            zijn gebouwde eigendommen vrijgesteld waarvan de ondergrond bestaat uit
                            vrijgestelde cultuurgrond. Het gaat hier om de ‘kassenvrijstelling’. </al><al><cursief>Eerste lid, </cursief><vet><cursief>onderdeel
                            c</cursief></vet></al><al>In onderdeel c is de kerkenvrijstelling geregeld, waarin twee
                            categorieën onroerende zaken zijn opgenomen, te weten onroerende zaken
                            in hoofdzaak bestemd voor de openbare eredienst en onroerende zaken in
                            hoofdzaak bestemd voor bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke
                            aard, waarbij het niet vereist is dat het bijeenkomsten betreft van
                            genootschappen die rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zijn.
                            De onroerende zaak moet ‘in hoofdzaak bestemd’ zijn voor de omschreven
                            activiteiten. </al><al><cursief>Eerste lid, </cursief><vet><cursief>onderdeel
                            d</cursief></vet></al><al>Ingevolge artikel 220d, eerste lid, onderdeel d, van de Gemeentewet is
                            vrijgesteld de onroerende zaak die deel uitmaakt van een op de voet van
                            de Natuurschoonwet 1928 (Stb. 1989, 252) aangewezen landgoed met
                            uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen. Deze
                            formulering heeft tot gevolg dat een ongebouwd gedeelte (bijvoorbeeld
                            het erf) wel onder de vrijstelling valt.</al><al><cursief>Eerste lid, </cursief><vet><cursief>onderdeel
                            e</cursief></vet></al><al>De vrijstelling voor natuurterreinen staat in artikel 220d, eerste lid,
                            onderdeel e, van de Gemeentewet. </al><al>Alleen de natuurterreinen in beheer bij rechtspersonen die het behoud
                            van natuurschoon voor 90% of meer als taak hebben, zijn vrijgesteld.
                            Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan Vereniging voor
                            Natuurmonumenten of Stichtingen voor provinciale landschappen. </al><al><cursief>Eerste lid, </cursief><vet><cursief>onderdeel
                            f</cursief></vet></al><al>De vrijstelling van openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar
                            vervoer per rail staat in artikel 220d, eerste lid, onderdeel f, van de
                            Gemeentewet. </al><al><cursief>Eerste lid, </cursief><vet><cursief>onderdeel
                            g</cursief></vet></al><al>De vrijstelling voor waterverdedigings- en waterbeheersingswerken is
                            niet van toepassing op de delen die dienen tot woning. De waarde van de
                            woning dient in aanmerking genomen te worden.</al><al><cursief>Eerste lid, </cursief><vet><cursief>onderdeel
                            h</cursief></vet></al><al>Ook de vrijstelling voor rioolwaterzuiveringsinstallaties ziet niet op
                            de delen die dienen tot woning zodat deze woningen niet onder de
                            vrijstelling vallen.</al><al><cursief>Eerste lid, </cursief><vet><cursief>onderdeel
                            i</cursief></vet></al><al>In dit onderdeel is de werktuigenvrijstelling opgenomen. De
                            werktuigenvrijstelling is van toepassing op onroerende werktuigen die
                            verwijderd kunnen worden met behoud van hun waarde als zodanig en niet
                            op zichzelf bezien als gebouwde eigendommen zijn aan te merken. Van een
                            werktuig is geen sprake indien een bestanddeel in hoofdzaak dienstbaar
                            is aan het gebouw in die zin dat het bestanddeel het gebouw beter
                            geschikt maakt voor gebruik. </al><al><cursief>Eerste lid, </cursief><vet><cursief>onderdelen j tot en met
                                    m</cursief></vet></al><al>In de onderdelen j tot en met m zijn facultatieve vrijstellingen
                            opgenomen. </al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Dit lid bevat een uitzondering op de in het eerste lid, onderdeel j,
                            opgenomen vrijstelling. De vrijstelling voor onroerende zaken die
                            bestemd zijn voor de publieke dienst geldt niet voor de
                            eigenarenbelasting, indien die onroerende zaken geen eigendom van de
                            gemeente zijn. </al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Als de waarde van de woondelen van een onroerende zaak minder dan 70%
                            uitmaakt van de totale waarde van die onroerende zaak, is sprake van een
                            niet-woning voor de OZB. Deze onroerende zaken, zoals boerderijen en
                            verzorgingstehuizen, worden dus naar het tarief voor niet-woningen
                            aangeslagen en zouden zonder nadere regeling niet profiteren van de
                            afschaffing van de gebruikersbelasting op woningen. Door aanvaarding van
                            een amendement-De Pater is een regeling getroffen voor deze
                            niet-woningen: het woongedeelte wordt vrijgesteld voor de
                            gebruikersbelasting niet-woningen.</al><al>Vanaf 2007 wordt de waarde van het woongedeelte buiten de
                            heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting niet-woningen gelaten. Dit
                            geldt ook voor gedeelten van de niet-woning die dienstbaar zijn aan
                            woondoeleinden. In de regeling vanaf 2007 wordt de vermindering dus al
                            in het aanslagbedrag van de gebruikersbelastingen niet-woningen
                            verdisconteerd.</al><al><vet><cursief>De belastingtarieven (artikel 5 van de
                                    verordening)</cursief></vet></al><al>In het kopje wordt uitdrukkelijk de meervoudsvorm gebruikt om nog eens
                            te benadrukken dat in deze verordening twee belastingen worden geregeld
                            die ieder een eigen tarief kennen.</al><al><cursief>Eerste lid</cursief></al><al>De bepalingen over de tarieven zijn opgenomen in artikel 220f en artikel
                            220 g van de Gemeentewet.</al><al>Omdat de gebruikersbelasting voor woningen is afgeschaft wordt alleen
                            nog een gebruikerstarief vastgesteld voor niet-woningen.</al><al>Ingevolge artikel 220f van de Gemeentewet moet het tarief worden gesteld
                            op een percentage van de waarde in het economische verkeer. </al><al>Uiteraard - het gaat immers om twee verschillende belastingen - kunnen
                            de tarieven voor de gebruikersbelasting en de eigenarenbelasting van
                            elkaar verschillen. </al><al>De gemeente heeft gekozen voor tariefsdifferentiatie tussen de woningen
                            en de niet-woningen, als genoemd in artikel 220f, eerste lid van de
                            Gemeentewet. Daarbij zijn de tarieven van de eigenarenbelasting van de
                            onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woningen dienen, hoger
                            gesteld dan de eigenarenbelasting van de onroerende zaken die in
                            hoofdzaak tot woning dienen. </al><al>Bij het vaststellen van de tarieven dient rekening te worden gehouden
                            met de drempel- en maximumtarieven, zoals aangegeven in artikel 220f van
                            de Gemeentewet. Jaarlijks wordt aangegeven in de meicirculaire wat de
                            maximaal toegestane stijging is van de tarieven voor de gemeente
                            Woerden.</al><al><cursief>Tweede lid</cursief></al><al>Uit efficiencyoverwegingen heeft de gemeente bepaald dat
                            belastingaanslagen naar beneden worden afgerond op gehele euro’s.</al><al><cursief>Derde lid</cursief></al><al>Artikel 220h, tweede lid, van de Gemeentewet geeft de mogelijkheid in de
                            belastingverordening te regelen dat belastingbedragen tot maximaal €
                            10,-- niet ingevorderd behoeven te worden. De gemeente Woerden heeft
                            deze mogelijkheid geconcretiseerd en vastgesteld op € 10,--.</al><al>Met het opnemen van de tweede volzin in het derde lid wordt bereikt dat
                            het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen als
                            één belastingaanslag wordt aangemerkt. De mogelijkheid hiertoe staat in
                            artikel 220h, tweede lid, van de Gemeentewet. Het totaalbedrag van de op
                            het aanslagbiljet verzamelde belastingaanslagen wordt dan getoetst aan
                            het bedrag zoals dat in de eerste volzin van het derde lid is
                            opgenomen.</al><al><vet><cursief>De wijze van heffing (artikel 6 van de
                                    verordening)</cursief></vet></al><al>Ingevolge artikel 233 van de Gemeentewet kunnen gemeentelijke
                            belastingen worden geheven bij wege van aanslag, bij wege van voldoening
                            op aangifte of op andere wijze. In de verordening heeft de gemeente
                            gekozen voor de heffing bij wege van aanslag.</al><al><vet><cursief>De termijnen van betaling (artikel 7 van de
                                    verordening)</cursief></vet></al><al>In deze verordening heeft de gemeente gekozen voor de volgende
                            mogelijkheden: 8 termijnen indien er door middel van automatische
                            incasso kan worden afgeschreven en voor betaling in één termijn indien
                            dit niet mogelijk is, of indien het belastingbedrag hoger is dan €
                            2.000,00.</al><al><vet><cursief>Nadere regels door het college van burgemeester en
                                    wethouders (artikel 8 van de verordening).</cursief></vet></al><al>Deze nadere regelgeving heeft betrekking op de regelgeving inzake zaken
                            als aangifte, voorlopige aanslagen en invorderingsrente.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>