<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR248711_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Monumentenverordening Zevenaar 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-19</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zevenaar</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumentenverordening Zevenaar 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-11-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2011-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-10-20</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>10-069</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Monumentenverordening Zevenaar 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al>a. <vet>bevoegd gezag</vet>: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1.
                            eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al><al>b.<vet>monument</vet>:</al><lijst><li nr="1."><al>zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, zijn
                                    betekenis voor de wetenschap, zijn cultuurhistorische waarde of
                                    zijn archeologische waarde;</al></li><li nr="2."><al>terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige
                                    zaak alsbedoeld onder 1;</al></li></lijst><al>c.<vet>archeologisch monument</vet>:monument, bedoeld in onderdeel b,
                            onder 2;</al><al>d.<vet>beschermd </vet><vet>gemeentelijk monument</vet>:onroerend
                            monument, dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als
                            beschermd gemeentelijk monument is aangewezen. Hieronder worden ook
                            begrepen de roerende zaken die kennelijk deel uitmaken van of behoren
                            tot het onroerende monument en die genoemd worden in de beschrijving als
                            bedoeld in artikel 9, tweede lid;</al><al>e.<vet>gemeentelijke monumentenlijst</vet>:de lijst waarop zijn
                            geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als beschermd
                            gemeentelijk monument of beschermd gemeentelijk archeologisch monument
                            aangewezen zaken;</al><al>f.<vet>rijksmonument</vet>:onroerend monument, dat is ingeschreven in de
                            ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers;</al><al>g.<vet>kerkelijk monument</vet>:onroerend monument, dat eigendom is van
                            een kerkgenootschap, kerkelijke gemeente, parochie of van een kerkelijke
                            instelling en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt
                            voor de uitoefening van de eredienst. Hieronder worden ook begrepen de
                            roerende zaken die kennelijk deel uitmaken van, of behoren tot het
                            onroerende monument en die genoemd worden in de beschrijving als bedoeld
                            in artikel 9, tweede lid;</al><al>h.<vet>beschermd stads- en dorpsgezicht</vet>:een groep van onroerende
                            zaken die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, zijn onderlinge
                            ruimtelijke of structurele samenhang dan wel zijn wetenschappelijke
                            en/of cultuurhistorische waarde, waarin zich al dan niet één of meer
                            monumenten bevinden en welke groep ingevolge deze verordening geplaatst
                            is op de gemeentelijke lijst van beschermde stads- en
                            dorpsgezichten;</al><al>i.<vet>monumentencommissie</vet>:de door het college ingestelde
                            commissie als bedoeld in artikel 3.</al><al>j.<vet>bouwhistorisch onderzoek</vet>:in schriftelijke rapportage
                            vastgelegd onderzoek naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische
                            kwaliteit van een monument;</al><al>k.<vet>archeologisch onderzoek</vet>:in schriftelijke rapportage
                            vastgelegd veldonderzoek naar de materiële neerslag van menselijke
                            aanwezigheid en menselijk handelen in het verleden;</al><al>l.<vet>eigenaren</vet>:degenen die in de openbare registers als
                            eigenaren en zakelijk gerechtigden van een onroerend monument zijn
                            ingeschreven;</al><al>m.<vet>het college</vet>:het college van burgemeester en wethouders van
                            de gemeente Zevenaar.</al><al>n.<vet>selectiecriteria</vet>:door de raad vastgestelde criteria te
                            hanteren bij procedures ter aanwijzing van een onroerend monument tot
                            beschermd gemeentelijk monument of een terrein tot beschermd
                            gemeentelijk archeologisch monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 2 DE MONUMENTENCOMMISSIE </label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Taak monumentencommissie</titel></kop><al><vet>1.</vet> Er is een monumentencommissie met als taak op verzoek of
                            uit eigen beweging het college te adviseren over de toepassing van de
                            Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de
                            uitvoering van deze verordening en over andere zaken betreffende de
                            monumentenzorg.</al><al><vet>2</vet><vet>.</vet> De leden van de commissie ontvangen een door
                            het college vast te stellen vergoeding. </al><al><vet>3.</vet> De samenstelling, onafhankelijkheid en werkwijze van de
                            monumentencommissie wordt geregeld in een door het college vast te
                            stellen reglement.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Termijn van advisering</titel></kop><al>Dit artikel is komen te vervallen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 3 DE AANWIJZING ALS BESCHERMD GEMEENTELIJK MONUMENT EN BESCHERMD GEMEENTELIJK ARCHEOLOGISCH MONUMENT</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument en beschermd
                                gemeentelijk archeologisch monument</titel></kop><al><vet>1.</vet> Het college kan, al dan niet op schriftelijke aanvraag van
                            een belanghebbende, een onroerend monument of terrein aanwijzen als
                            beschermd gemeentelijk monument of beschermd gemeentelijk archeologisch
                            monument.</al><al><vet>2.</vet> Beschermwaardig zijn:</al><al><vet>a.</vet> objecten waarvan het casco (bouwkundige hoofdstructuur) in
                            een redelijk goede staat is, zodat het object is te restaureren zonder
                            volledige afbraak;</al><al><vet>b.</vet> objecten waarvan de oorspronkelijke vorm of aanleg in
                            hoofdopzet nog aanwezig is, tenzij het een historisch gegroeide situatie
                            betreft;</al><al><vet>c.</vet> objecten met een architectonische betekenis/kunstwaarden
                            en/of oudheidkundige waarde en/of een stedenbouwkundige/ensemble-waarde; </al><al><vet>d.</vet> terreinen met een vastgestelde hoge archeologische
                            waarde</al><al><vet>3.</vet> Van een object wordt een beschrijving gemaakt, welke de
                            volgende elementen bevat:</al><al><vet>a.</vet> een recente, duidelijke foto van het object;</al><al><vet>b.</vet> plaats en straat, kadastrale aanduiding;</al><al><vet>c.</vet> oorspronkelijk en huidige functie;</al><al><vet>d.</vet> bouwjaar en bouwstijl;</al><al><vet>e.</vet> omschrijving van het geheel en van de afzonderlijke
                            onderdelen zoals gevels, vensters, deuren en dak;</al><al><vet>f.</vet> situering op het perceel;</al><al><vet>g.</vet> omgeving van het object;</al><al><vet>h.</vet> bijzonderheden;</al><al><vet>i.</vet> motivatie voor de aanwijzing;</al><al><vet>j</vet><vet>.</vet> indeling of inrichting object.</al><al>Van een terrein wordt een beschrijving gemaakt , welke de volgende
                            elementen bevat:</al><al><vet>a.</vet> plaats en straat, kadastrale aanduiding;</al><al><vet>b</vet>. oorspronkelijk en huidige functie;</al><al><vet>c</vet><vet>.</vet> datering archeologische resten;</al><al><vet>d</vet><vet>.</vet> omschrijving van de resten, vindplaats;</al><al><vet>e</vet><vet>.</vet> situering op het perceel/ tekening;</al><al><vet>f</vet><vet>.</vet> bijzonderheden;</al><al><vet>g</vet><vet>.</vet> motivatie voor aanwijzing.</al><al><vet>4.</vet> Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt,
                            vraagt hij advies aan de monumentencommissie en zonodig de
                            regioarcheoloog. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies
                            achterwege blijven.</al><al><vet>5.</vet> Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een
                            monument als beschermd monument bepalen, dat bouwhistorisch of
                            archeologisch onderzoek wordt verricht.</al><al><vet>6.</vet> De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is
                            aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is
                            aangewezen op grond van de monumentenverordening van de provincie
                            Gelderland.</al><al><vet>7.</vet> Het college geeft van zijn voornemen tot aanwijzing tot
                            beschermd gemeentelijk monument of beschermd gemeentelijk archeologisch
                            monument kennis aan de eigenaren. Tevens wordt aan degene die om
                            aanwijzing heeft verzocht het voornemen kenbaar gemaakt. De kennisgeving
                            geschiedt schriftelijk; in spoedeisende gevallen kan hiervan worden
                            afgeweken. </al><al><vet>8.</vet> Het college neemt met betrekking tot kerkelijke monumenten
                            geen beslissing tot aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument dan
                            na overleg met de eigenaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Zienswijze</titel></kop><al>De eigenaren en degenen die om aanwijzing hebben verzocht kunnen binnen
                            zes weken na de dag van verzending van de kennisgeving bedoeld in
                            artikel 5, zevende lid, schriftelijk hun zienswijze kenbaar maken bij
                            het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al><vet>1.</vet>De voorbescherming van, vangt aan op de dag na
                            verzending aan de eigenaar van de kennisgeving, waarin het college zijn
                            voornemen tot aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument of
                            beschermd gemeentelijk archeologisch monument mededeelt. Het monument
                            dat nog niet op de gemeentelijke monumentenlijst geplaatsts is, wordt
                            beschermd als zijnde een gemeentelijk monument.</al><al><vet>2.</vet> Met het oog op wijzigingen op of aan een monument dat nog
                            niet geplaatst is op de gemeentelijke monumentenlijst, dan wel om
                            aantasting van een dergelijk monument te voorkomen, zijn de artikelen
                            12,13, 14, 15 en 16 van deze verordening van overeenkomstige
                            toepassing.</al><al><vet>3.</vet> De voorbescherming duurt voort tot het moment waarop het
                            monument wordt geregistreerd als beschermd gemeentelijk monument of als
                            beschermd gemeentelijk archeologisch monument als bedoeld in artikel 9,
                            eerste lid, dan wel tot het moment dat vaststaat dat het monument niet
                            wordt geregistreerd. </al><al><vet>4.</vet> Indien het college een jaar nadat het voornemen kenbaar is
                            gemaakt, geen beslissing omtrent aanwijzing tot beschermd gemeentelijk
                            monument of beschermd gemeentelijk archeologisch monument heeft genomen,
                            vervalt de voorbescherming als bedoeld in het eerste lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Beslistermijn, bekendmaking en mededeling</titel></kop><al><vet>1.</vet> Het college beslist binnen 18 weken na ontvangst van de
                            aanvraag. Hij kan zijn beslissing voor ten hoogste twaalf weken
                            verdagen; het college deelt dit zo spoedig mogelijk mee aan de eigenaar
                            en de aanvrager. </al><al><vet>2.</vet> Het college maakt zijn besluit tot aanwijzing als
                            beschermd gemeentelijke monument of als beschermd gemeentelijk
                            archeologisch monument binnen vier weken na de datum van het besluit in
                            ieder geval bekend aan de eigenaar en aan de in de openbare registers
                            ingeschreven hypothecaire schuldeisers. </al><al><vet>3.</vet> Mededeling van de bekendmaking als bedoeld in het vorige
                            lid geschiedt in een lokaal dag-, nieuws- of huisaanhuis-blad</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Registratie</titel></kop><al><vet>1.</vet> Het college registreert het beschermde gemeentelijke
                            monument en het beschermde gemeentelijke archeologisch monument op de
                            gemeentelijke monumentenlijst. </al><al><vet>2.</vet> De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke
                            aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding, de
                            tenaamstelling en de redengevende beschrijving van het beschermde
                            gemeentelijke monument en van het beschermde gemeentelijke archeologisch
                            monument, waarbij zonodig die onderdelen worden genoemd waarop de
                            bescherming met name is gericht. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><al><vet>1.</vet> Het college kan ambtshalve of op schriftelijke aanvraag
                            van een belanghebbende wijzigingen aanbrengen in de gemeentelijke
                            monumentenlijst.</al><al><vet>2.</vet> Voordat het college besluit over de wijziging van de
                            aanwijzing vraagt hij de monumentencommissie om advies.</al><al><vet>3.</vet>De artikelen 5, zesde lid, 8 en 9, zijn van
                            overeenkomstige toepassing. </al><al><vet>4</vet><vet>.</vet> Indien de wijziging naar het oordeel van het
                            college van ondergeschikte betekenis is, blijft het gestelde in het
                            derde lid achterwege.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al><vet>1.</vet> Het college kan de aanwijzing intrekken.</al><al><vet>2.</vet> Alvorens het college besluit tot intrekken van de
                            aanwijzing, wordt de eigenaar gehoord en vragen zij de
                            monumentencommissie om advies. Artikel 8, eerste lid is van
                            overeenkomstige toepassing. </al><al><vet>3.</vet> Het besluit tot intrekking wordt bekend gemaakt met
                            toepassing van artikel 8, tweede en derde lid. De monumentencommissie
                            ontvangt een afschrift.</al><al><vet>4.</vet> De aanwijzing wordt geacht te zijn ingetrokken, indien
                            toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of
                            indien het beschermd gemeentelijk monument of beschermd gemeentelijk
                            archeologisch monument op grond van een monumentenverordening van de
                            provincie Gelderland wordt aangewezen als beschermd provinciaal
                            monument.</al><al><vet>5.</vet> De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                            aangetekend en wordt bekend gemaakt op de wijze bedoeld in artikel 8,
                            tweede en derde lid en artikel 9.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 4 VERGUNNINGEN TOT WIJZIGING OF AFBRAAK VAN BESCHERMDE GEMEENTELIJKE MONUMENTEN EN BESCHERMDE GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGISCHE MONUMNETEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12a</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><al><vet>1.</vet> Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument en een
                            beschermd gemeentelijk archeologisch monument te beschadigen of te
                            vernielen.</al><al><vet>2.</vet> Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag of
                            in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:</al><al><vet>a.</vet> een beschermd gemeentelijk monument en een beschermd
                            gemeentelijk archeologisch monument geheel of gedeeltelijke af te
                            breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te
                            wijzigen;</al><al><vet>b.</vet> een beschermd gemeentelijk monument en een beschermd
                            gemeentelijk archeologisch monument te herstellen, te gebruiken of te
                            laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in
                            gevaar gebracht.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12b</nr><titel>Weigering</titel></kop><al>Een vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><al><vet>1.</vet> Het bevoegd gezag stelt een formulier vast voor de
                            indiening van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel
                            12, tweede lid.</al><al><vet>2.</vet>Een aanvraag om een vergunning, wordt ingediend bij
                            het college. </al><al><vet>3.</vet> Bij de aanvraag om vergunning moeten de volgende
                            bescheiden in drievoud worden overgelegd:</al><al><vet>a.</vet> een situatietekening (schaal 1:1000) waaruit blijkt de
                            situering van het bouwwerk op het betreffende terrein en de daarop
                            voorkomende bebouwing, de wijze van ontsluiting, de aangrenzende
                            terreinen met de daarop voorkomende bebouwing en het beoogde gebruik van
                            het bij het bouwwerk behorende terrein;</al><al><vet>b.</vet>bij de aanvraag voor een beschermd gemeentelijk
                            monument ook tekeningen of foto’s van de omgeving inclusief de in de
                            nabijheid gelegen bouwwerken voor zover nodig ter beoordeling van het
                            uiterlijk van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;</al><al><vet>c.</vet> tekeningen of gegevens waaruit blijkt welke onderdelen van
                            het monument aan wijzigingen onderhevig zullen zijn, de bestaande en de
                            nieuwe toestand van deze delen, alsmede de details of gegevens die, naar
                            het oordeel van het college relevant zijn om op de aanvraag te kunnen
                            beslissen;</al><al><vet>d.</vet> een werkbeschrijving of bestek.</al><al><vet>4.</vet> Het bevoegd gezag kan ten behoeve van de beoordeling van
                            de aanvraag bepalen, dat bouwhistorisch onderzoek of archeologisch
                            onderzoek moet worden uitgevoerd door de aanvrager.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>De behandeling van de aanvraag</titel></kop><al><vet>1. </vet>Voor de behandeling van de vergunningaanvraag is de
                            Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing</al><al><vet>2</vet><vet>.</vet> Het college zendt onmiddellijk een afschrift
                            van de aanvraag om vergunning aan de monumentencommissie en zonodig de
                            regioarcheoloog voor advies. </al><al><vet>3.</vet> De monumentencommissie adviseert binnen 4 weken na het
                            verzoek om advies van het bevoegd gezag. </al><al><vet>4.</vet> Bij overschrijding van de in het derde lid genoemde
                            termijn wordt de monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben.</al><al><vet>5</vet><vet>.</vet> Het college kan aan de vergunning als bedoeld
                            in artikel 12 slechts voorwaarden verbinden die strekken tot de
                            bescherming van het belang waarvoor de vergunning is vereist.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Kerkelijk monument</titel></kop><al>Voorzover sprake is van een vergunningaanvraag, waarbij de wezenlijke
                            belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding
                            zijn, wordt de vergunning niet verleend dan in overeenstemming met de
                            eigenaar.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al><vet>1.</vet> De vergunning kan door het bevoegd gezag worden
                            ingetrokken indien:</al><al><vet>a.</vet> blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                            onvolledige opgave is verleend;</al><al><vet>b.</vet> blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als
                            bedoeld in artikel 12, tweede lid, niet naleeft;</al><al><vet>c.</vet> de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                            zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient
                            te wegen;</al><al><vet>d.</vet> 2 jaar na de verlening geen gebruik is gemaakt van de
                            vergunning.</al><al><vet>2.</vet> Het bevoegd gezag stelt de vergunninghouder van het
                            voornemen tot intrekking van de vergunning in kennis.</al><al><vet>3.</vet> Een afschrift van het besluit tot intrekking wordt aan de
                            monumentencommissie gezonden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 5 DE BESCHERMING VAN GEMEENTELIJKE STADS- EN DORPSGEZICHTEN</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>De aanwijzing</titel></kop><al><vet>1.</vet> De gemeenteraad kan een gebied aanwijzen als beschermd
                            stads- of dorpsgezicht.</al><al><vet>2.</vet> De aanwijzing kan geen stads- of dorpsgezicht betreffen
                            dat is aangewezen op grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988 of
                            op grond van de monumentenverordening van de provincie Gelderland.</al><al><vet>3.</vet> Voordat de gemeenteraad over de aanwijzing een besluit
                            neemt, verzoekt hij het college advies te vragen aan de
                            monumentencommissie. </al><al><vet>4.</vet> De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht
                            weken na de dag van ontvangst van het verzoek van het college. In
                            spoedeisende gevallen kan het advies achterwege blijven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Bekendmaking en mededeling</titel></kop><al>Het college maakt het besluit van de gemeenteraad tot aanwijzing tot
                            beschermd stads- en dorpsgezicht binnen 4 weken na de datum van het
                            besluit bekend. Artikel 8, tweede en derde lid is van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Registratie op de lijst beschermde stads- en
                                dorpsgezichten</titel></kop><al><vet>1.</vet> Het college registreert het beschermde gemeentelijke
                            stads- of dorpsgezicht op de lijst beschermde stads- en dorpsgezichten
                            welke onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke monumentenlijst.</al><al><vet>2.</vet> De lijst als bedoeld in het eerste lid bevat de
                            plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de op een kaart
                            aangegeven gebiedsbegrenzing en de redengevende beschrijving van het
                            gebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn indien:</al><al><vet>a.</vet> een besluit van de minister tot aanwijzing van het
                            beschermd stads- en dorpsgezicht ingevolge artikel 35 van de
                            Monumentenwet 1988 onherroepelijk is geworden;</al><al><vet>b.</vet> een besluit ingevolge een provinciale verordening tot
                            aanwijzing van het beschermde stads- en dorpsgezicht onherroepelijk is
                            geworden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Beschermend bestemmingsplan</titel></kop><al><vet>1.</vet> De gemeenteraad stelt, ter bescherming van een beschermd
                            gemeentelijk stads- of dorpsgezicht, een bestemmingsplan vast als
                            bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening.</al><al><vet>2.</vet> Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd
                            gemeentelijk stads- of dorpsgezicht bepaalt de gemeenteraad of en in
                            hoeverre een geldend bestemmingsplan als beschermend plan in de zin van
                            het eerste lid kan worden aangemerkt.</al><al><vet>3.</vet> Het college hoort de monumentencommissie inzake een
                            raadsvoorstel tot vaststelling van een bestemmingsplan bedoeld in het
                            eerste lid. </al><al><vet>4.</vet> De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht
                            weken na de dag van ontvangst van het verzoek van het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Verbodsbepaling</titel></kop><al><vet>1.</vet> Het is verboden bouwwerken die zijn gelegen in een
                            beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht te beschadigen of te
                            vernielen.</al><al><vet>2.</vet> Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning
                            van het college of in strijd met de bij de vergunning gestelde
                            voorwaarden een bouwwerk in een beschermd gemeentelijke stads- en
                            dorpsgezicht:</al><al><vet>a.</vet> te verstoren, te plaatsen, op te richten, geheel of
                            gedeeltelijk af te breken, te verplaatsen of in enig opzicht te
                            wijzigen;</al><al><vet>b.</vet> een bouwwerk te herstellen, te gebruiken of te laten
                            gebruiken op een wijze waardoor het stads-en dorpsgezicht wordt ontsierd
                            of in gevaar gebracht;</al><al><vet>c.</vet> onroerende zaken, geen bouwwerk zijnde, hieronder begrepen
                            straten, wegen, pleinen, wateren en erfafscheidingen -niet zijnde een
                            bouwwerk- te wijzigen.</al><al><vet>3.</vet> In een gebied dat is aangewezen als een beschermd
                            gemeentelijk stads- of dorpsgezicht en waarvoor nog geen beschermend
                            bestemmingsplan als bedoeld in artikel 21, eerste lid onherroepelijk is
                            geworden, is het verboden bouwwerken en andere werken te plaatsen, op te
                            richten, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen zonder vergunning
                            van het college; het verbod als bedoeld in artikel 22, tweede lid is van
                            overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>4.</vet> Ingeval van gehele of gedeeltelijke afbraak als bedoeld in
                            het tweede lid, kan de vergunning worden geweigerd, wanneer onvoldoende
                            is verzekerd dat vervangende nieuwbouw past in de karakteristiek van het
                            beschermde stads- of dorpsgezicht.</al><al><vet>5.</vet> Er is geen vergunning vereist voor het afbreken ingevolge
                            een aanschrijving van het bevoegd gezag;</al><al><vet>6.</vet> Op de behandeling van aanvragen om een vergunning zijn de
                            artikelen 13 tot en met 16 van overeenkomstige toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK 6 DE BESCHERMING VAN ARCHEOLOGISCH GEVOELIGE GEBIEDEN EN ARCHEOLOGISCHE MONUMENTEN</label></kop><structuurtekst><al><vet>De artikelen 23 tot en met 32 zijn komen te vervallen.</vet></al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>BESCHERMDE RIJKSMONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><al><vet>1. </vet>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                            ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument
                            aan de monumentencommissie.</al><al><vet>2. </vet>De monumentencommissie adviseert over de aanvraag binnen
                            acht weken na de dag van verzending van het afschrift.</al><al><vet>3.</vet> Ingeval het bevoegd gezag na acht weken geen advies heeft
                            ontvangen, wordt de monumentencommissie geacht te hebben
                            geadviseerd.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>SCHADEVERGOEDING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al><vet>1.</vet>Voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge
                            van:</al><al><vet>a.</vet> de weigering een vergunning te verlenen tot wijziging,
                            afbraak, verstoring, verwijderen van een gemeentelijk monument te
                            verlenen als bedoeld in artikel 12;</al><al><vet>b.</vet> de weigering een vergunning te verlenen tot wijziging,
                            afbraak, verstoring, verwijdering van een onroerende zaak gelegen in een
                            gebied dat is aangewezen als beschermd gemeentelijk stads- of
                            dorpsgezicht als bedoeld in artikel 17;</al><al><vet>c</vet><vet>.</vet> voorschriften verbonden aan een vergunning
                            bedoeld onder a. en b. </al><al>schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te
                            zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet anderszins
                            is verzekerd, kent de gemeenteraad hem op zijn verzoek een naar
                            billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.</al><al><vet>2.</vet>Een verzoek tot schadevergoeding wordt behandeld
                            volgens de bepalingen van de Procedureregeling planschadevergoedingen
                            2005.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9</nr><titel>Slot- en overgangsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Hij, die handelt in strijd metartikel 12 of 22 van deze
                            verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie.
                        </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Toezicht</titel></kop><al>Het bevoegd gezag wijst de ambtenaren aan die belast zijn met het
                            toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Opsporingsbevoegdheid</titel></kop><al>De opsporing van de in artikel 35 strafbaar gestelde feiten is, naast de
                            in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde
                            opsporingsambtenaren, opgedragen aan hen die door het bevoegd gezag met
                            de zorg voor de naleving van deze verordening zijn belast, ieder voor
                            zover het de feiten betreft die in de aanwijzing zijn vermeld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Binnentreden</titel></kop><al>De ambtenaren bedoeld in de artikelen 36 en 37 hebben toegang tot alle
                            beschermde monumenten en archeologisch gevoelige gebieden, voor zover
                            dit redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al><vet>1.</vet> Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                            gemeentelijke monumenten, gemeentelijke archeologische monumenten en
                            beschermde gemeentelijke stads- en dorpsgezichten treedt zij in werking
                            op 1 januari 2011.</al><al><vet>2.</vet> Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                            rijksmonumenten, treedt zij in werking overeenkomstig het bepaalde in
                            artikel 15, tweede lid, van de Monumentenwet 1988.</al><al><vet>3.</vet> De Monumentenverordening Zevenaar 2004, vastgesteld bij
                            besluit van de gemeenteraad van 18 februari 2004, wordt -voor zover het
                            betreft bepalingen over beschermde rijksmonumenten- vervalt op de datum
                            waarop het tweede lid toepassing vindt. </al><al><vet>4.</vet> Lopende procedures die beogen dat monumenten en/of stads-
                            en dorpsgezichten worden geplaatst op de gemeentelijke monumentenlijst
                            respectievelijk de gemeentelijke lijst van beschermde stads- en
                            dorpsgezichten worden geacht te zijn gevoerd overeenkomstig de
                            bepalingen van deze verordening.</al><al><vet>5.</vet> Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de
                            inwerkingtreding van deze verordening, worden afgehandeld met
                            inachtneming van de bepalingen van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Monumentenverordening
                            Zevenaar 2010”</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 25 november 2010,</al></slotformulering><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>Dhr. H. Westra, De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>Drs. J.A. de Ruiter</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><divisie><kop><label>MONUMENTENVERORDENING GEMEENTE ZEVENAAR 2004</label></kop></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN</label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 1 Begripsbepalingen</label></kop><al><vet>b.monument</vet></al><al>De omschrijving van het begrip monument sluit goeddeels aan bij de
                        omschrijving in de Monumentenwet 1988. De vijftig-jaargrens echter die voor
                        rijksmonumenten geldt, is niet overgenomen voor gemeentelijke monumenten.
                        Hierdoor is het mogelijk monumenten “jonger” dan vijftig jaar onder de
                        werking van de verordening te brengen.</al><al/><al>Overigens staat het gemeenten vrij om naast de bepaling van het begrip
                        "monument" in de monumentenverordening, aanvullende criteria op te stellen.
                        Aldus de Afdeling bestuursrechtspraak. </al><al/><al>Cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting bij de
                        Monumentenwet 1988 de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde,
                        gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in de
                        loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Deze
                        omschrijving is dermate ruim, dat zij ook betrekking kan hebben op zaken en
                        gebieden met een geschiedkundige waarde, die hier als het ware een
                        toegevoegde waarde aan geeft. </al><al/><al>Terreinen kunnen bijvoorbeeld zijn parken, tuinen, een boerenerf, een
                        schootsveld rond een kasteel, of een slagveld waar zich een historische
                        gebeurtenis heeft afgespeeld. Het is niet vereist dat op het terrein een
                        bouwkundig monument voorkomt om over een monument te kunnen spreken. Een
                        ‘zaak’ is een veel ruimer begrip.</al><al/><al><vet>c.archeologisch monument</vet></al><al>Het onderscheid tussen het begrip ‘beschermd gemeentelijk monument’ en het
                        begrip ‘beschermd rijksmonument’ geldt ook ten aanzien van archeologische
                        monumenten. Op de aanvraag voor een vergunning voor een beschermd
                        archeologisch rijksmonument beslist namelijk de minister, terwijl het
                        bevoegd gezag beslist op een vergunningaanvraag voor een beschermd
                        gemeentelijk archeologisch monument.</al><al/><al>Artikel 45 van de Monumentenwet 1988 bepaalt dat het verboden is opgravingen
                        te doen zonder schriftelijke vergunning van de minister. Deze verplichting
                        geldt in zijn algemeenheid voor zowel rijks- als gemeentelijke
                        archeologische monumenten. </al><al/><al>Het eigendom van roerende monumenten die zijn gevonden bij het doen van een
                        opgraving is geregeld in artikel 50 van de Monumentenwet 1988. </al><al/><al><vet>d.beschermd gemeentelijk monument</vet></al><al>De verordening voorziet alleen in de bescherming van onroerende monumenten.
                        Roerende monumenten kunnen meestal eenvoudig worden verplaatst en daardoor
                        ongemerkt over de gemeentegrens en daarmee buiten de werking van de
                        verordening worden gebracht. Roerende zaken zijn bijvoorbeeld schepen,
                        voertuigen, schilderijen, kerkschatten en gebruiksvoorwerpen. Het
                        effectueren van de bescherming van een roerend monument is daarom
                        problematisch. </al><al>Zaken die naar hun aard onroerend zijn, zoals een kerkorgel, kunnen op basis
                        van de redengevende beschrijving wel worden beschermd.</al><al/><al><vet>e.gemeentelijke monumentenlijst</vet></al><al>De registratie van een monument op deze lijst is een administratieve
                        handeling, niet gericht op enig rechtsgevolg. </al><al/><al><vet>f.beschermd rijksmonument</vet></al><al>De wetgever heeft gekozen voor de aanwijzing tot beschermd rijksmonument
                        door de minister, maar voor decentralisatie van het vergunningenstelsel naar
                        de gemeente. Ten behoeve van de uitvoering van dit vergunningenstelsel
                        verlangt artikel 15 van de Monumentenwet 1988 dat de gemeenteraad een
                        verordening vaststelt waarin tenminste de advisering door een deskundige
                        commissie is geregeld. Om die reden is het nodig om een omschrijving van een
                        beschermd rijksmonument op te nemen in deze verordening. Op de
                        vergunningverlening voor deze categorie monumenten zijn de artikelen 11 tot
                        en met 21 van de Monumentenwet 1988 van toepassing. Zie voorts de
                        toelichting bij artikel 33.</al><al/><al><vet>g.kerkelijk monument</vet></al><al>Zie de toelichting bij artikel 5, lid 8. Bij de aanwijzing van een kerkelijk
                        monument tot beschermd gemeentelijk monument moeten het college overleggen
                        met de eigenaar. Het bereiken van overeenstemming tussen beide partijen kan
                        onderdeel vormen van de vergunningsprocedure tot wijziging van een beschermd
                        kerkelijk monument. </al><al/><al><vet>h.beschermd stads- en dorpsgezicht</vet></al><al>De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument is als vorm van
                        bescherming voor een stads-en dorpsgezicht soms onvoldoende. De
                        beschermwaardigheid ligt vaak vooral in het totaal van een bepaald gebied;
                        de onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang wordt als bepalend
                        element beschouwd. Het beschermende bestemmingsplan vormt in dat geval de
                        basis van de bescherming. De uitwerking kan bijvoorbeeld geschieden via een
                        beeldkwaliteitsplan. De lijst met stads- en dorpsgezichten maakt onderdeel
                        uit van de gemeentelijke monumentenlijst. De registratie van de stads- en
                        dorpsgezichten op de monumentenlijst betreft slechte een administratieve
                        handeling.</al><al/><al><vet>i.monumentencommissie</vet></al><al>De samenstelling, benoeming, taken en bevoegdheden van de
                        monumentencommissie worden geregeld in een door het college vast te stellen
                        reglement.</al><al/><al><vet>n.selectiecriteria</vet></al><al>Deze criteria zijn gelijktijdig met de Monumentenverordening Zevenaar 2004
                        door de raad vastgesteld en blijven van toepassing onder de nieuwe
                        monumentenverordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 2 Gebruik van het monument</label></kop><al>Bij het gebruik van het monument gaat het niet zo zeer om de
                        publiekrechtelijke, planologische bestemming, maar om de
                        gebruiksmogelijkheid die de eigenaar aan het monument toekent, mede gelet op
                        de constructie en de ligging. Dit is van belang bij de motivering van de
                        aanwijzing van monumenten en bij de vergunningverlening.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK 2 DE MONUMENTENCOMMISSIE</label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 3 Taak monumentencommissie</label></kop><al>Zie de toelichting achter artikel 1 onder j.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK 3 DE AANWIJZING ALS BESCHERMD GEMEENTELIJK MONUMENT EN BESCHERMD GEMEENTELIJK ARCHEOLOGISCH MONUMENT</label></kop><al>Het aanwijzen van objecten c.q. terreinen tot beschermd monument zijn hier
                        in een hoofdstuk ondergebracht. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 5 De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument en beschermd gemeentelijk archeologisch monument</label></kop><al/><al>Lid 1</al><al>Het aanwijzen van een monument tot beschermd monument is geen verplichting,
                        maar een discretionaire bevoegdheid van het college. Op deze bevoegdheid is
                        de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing, in het bijzonder
                        Titel 4.1 Beschikkingen. </al><al/><al>Bij de aanwijzing behoort een omschrijving van de redenen voor de
                        aanwijzing, de zogenoemde redengevende omschrijving. Met zo’n omschrijving
                        kan worden voldaan aan de motiveringsplicht als geregeld in de artikelen
                        3:46 tot en met 3:50 van de Awb. De afweging van de belangen van de
                        rechthebbende ten opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet
                        eveneens uitdrukkelijk worden gemotiveerd in het aanwijzingsbesluit. </al><al/><al>De omschrijving vormt tevens het uitgangspunt voor de bescherming van het
                        aangewezen monument.</al><al/><al>In zeer bijzondere gevallen kunnen ook interieurdelen worden aangewezen.
                        Juist omdat het interieurdelen betreft, grijpt een dergelijke aanwijzing
                        sterk in op de persoonlijke inrichtingswensen van de eigenaar,
                        respectievelijk gebruiker. Om deze reden kan dit alleen geschieden indien
                        het zaken betreft met grote kwaliteit.</al><al/><al>Voordat het college besluit tot aanwijzing moeten de aanvrager en andere
                        belanghebbenden worden gehoord; afdeling 4.1.2 van de Awb is hier van
                        toepassing.</al><al/><al>Het registreren van de aanwijzing op de gemeentelijke monumentenlijst is een
                        administratieve handeling. Om die reden zijn de aanwijzing en de registratie
                        van de aanwijzing in aparte artikelen opgenomen. Zie ook de toelichting bij
                        artikel 9.</al><al/><al>Lid 2</al><al>De hier genoemde toetsingscriteria zijn binnen de monumentenzorg in
                        Nederland algemeen erkend. </al><al/><al>Wanneer bijvoorbeeld het casco van een monument in slechte staat is, of
                        wanneer er dusdanige ingrijpende verbouwingen zijn gepleegd als gevolg
                        waarvan de oorspronkelijke vorm is verdwenen, is een object niet meer
                        beschermwaardig. </al><al/><al>Lid 4</al><al>De Monumentencommissie is een adviesorgaan in de zin van artikel 3:5 Awb;
                        zie ook de artikelen 3:9, 3:49 en 3:50 Awb. </al><al/><al>Lid 5</al><al>Het laten uitvoeren van archeologisch onderzoek is een discretionaire
                        bevoegdheid van het college. Bevindingen uit het onderzoek kunnen van belang
                        zijn voor het besluit van het college een terrein al dan niet geheel of
                        gedeeltelijk aan te wijzen als archeologisch monument. </al><al/><al>Het laten verrichten van bouwhistorisch onderzoek is een discretionaire
                        bevoegdheid van het college. Een bouwhistorisch onderzoek kan worden
                        verricht bij de (aanvraag tot) aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                        monument, bij de aanvraag voor een vergunning tot wijziging van een
                        beschermd monument. De bouwhistorische waarde van een pand kan van belang
                        zijn voor het besluit om een (deel van een) pand al dan niet als beschermd
                        gemeentelijk monument aan te wijzen en voor de wijze waarop het pand op de
                        gemeentelijke monumentenlijst wordt geregistreerd. De mate waarin de
                        bouwhistorische waarde door een verbouwing of andere wijziging wordt
                        aangetast, kan van invloed zijn op het besluit al dan niet een vergunning te
                        verlenen.</al><al/><al><vet>Bouwhistorisch onderzoek en de aanwijzing tot beschermd
                        monument</vet></al><al>De aanvraag tot aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument wordt veelal
                        ingediend door een belangenvereniging tot behoud van monumenten en niet door
                        de eigenaar. Ingeval een ander dan de eigenaar van een monument een aanvraag
                        tot aanwijzing indient dan wel de gemeente ambtshalve een voorstel tot
                        aanwijzing doet, kan de gemeente de eigenaar niet verplichten om een
                        bouwhistorisch onderzoek uit te voeren. </al><al>Om bouwhistorisch onderzoek te kunnen uitvoeren moet men al dan niet
                        besloten ruimten en plaatsen betreden. Hiervoor is toestemming van de
                        eigenaar nodig, hetgeen een probleem kan zijn. Binnentreden in een woning
                        zonder toestemming van de bewoner is alleen geoorloofd in de gevallen
                        geregeld bij of krachtens de Wet op het binnentreden, te weten handhaven van
                        de openbare orde en veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid
                        van personen. Het is evident dat bouwhistorisch onderzoek hier niet onder
                        valt. De gemeente is voor wat betreft het laten uitvoeren van bouwhistorisch
                        onderzoek in een woning dan ook afhankelijk van de bereidheid van de bewoner
                        om onderzoekers in zijn woning toe te laten. </al><al/><al><vet>Bouwhistorisch onderzoek en de aanvraag voor een vergunning tot
                            wijziging van een beschermd monument</vet></al><al>Zoals gezegd kan de mate waarin de bouwhistorische waarde door een
                        verbouwing of andere wijziging wordt aangetast, van invloed zijn op het
                        besluit al dan niet een vergunning te verlenen. Alvorens het college beslist
                        op een vergunningaanvraag kan hij daarom bepalen, dat informatie nodig is
                        over de bouwhistorische waarde. (Een deel van) de kosten van het onderzoek
                        kan ten laste van de eigenaar worden gebracht.</al><al>Het is niet noodzakelijk de voorwaarde van een bouwhistorisch onderzoek in
                        de verordening vast te leggen, artikel 4:5 Awb biedt voldoende houvast. Er
                        kan immers beargumenteerd worden, dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch
                        onderzoek tot de noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van
                        de aanvraag te komen. Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid. De
                        gemeente kan de aanvrager bijvoorbeeld niet verplichten om voor het gehele
                        pand bouwhistorisch onderzoek uit te voeren terwijl voor een deel van het
                        pand een wijzigingsvergunning wordt aangevraagd. </al><al/><al>Daarnaast moet de gemeente bij het stellen van voorwaarden rekening houden
                        met de kosten die met het bouwhistorisch onderzoek zijn gemoeid. Deze kosten
                        moeten in redelijke verhouding tot de kosten van de verbouwing staan.</al><al/><al>Het is aan te raden in het aanvraagformulier bedoeld in artikel 13 op te
                        nemen, dat bouwhistorisch onderzoek mogelijk nodig is om tot een beoordeling
                        op de aanvraag te komen. Op deze manier is de aanvrager op het moment van
                        aanvragen op de hoogte van wat er van hem wordt verlangd. Het onderzoek
                        dient door deskundigen te worden uitgevoerd; in het aanvraagformulier kan
                        worden aangegeven welke personen of instanties in zijn ogen voldoende
                        gekwalificeerd zijn. Als de gemeente besluit bouwhistorisch onderzoek te
                        subsidiëren, kunnen kwalitatief hogere eisen aan het onderzoek worden
                        gesteld.</al><al/><al>In de vergunningvoorwaarden kan het doen van onderzoek en het verstrekken
                        van documentatie tijdens de bouwwerkzaamheden worden geregeld, evenals het
                        veilig stellen van afkomende bouwhistorische elementen.</al><al/><al>Lid 6</al><al>Monumenten die aangewezen zijn als beschermd rijks- of provinciaal monument
                        komen niet voor aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument of beschermd
                        gemeentelijk archeologisch monument in aanmerking. Deze mogelijkheid bestaat
                        wel voor zelfstandige bouwdelen. Zo kan bijvoorbeeld een boerderij
                        aangewezen zijn als gemeentelijk monument en het (oudere) inrijhek als
                        rijksmonument.</al><al/><al>Lid 8</al><al>Deze bepaling is nodig omdat het voeren van overleg meer inhoudt dan het
                        ‘naar voren brengen van zienswijzen’ en ‘horen’ op grond van de Awb. Het
                        initiatief tot overleg dient van het college uit te gaan. Zie ook artikel 15
                        en de daarbij behorende toelichting. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 7 Voorbescherming</label></kop><al>Deze bepaling is analoog aan artikel 5 van de Monumentenwet 1988 en regelt
                        de zogenaamde voorbescherming. Doel van de voorbescherming is het voorkomen
                        van ongewenste ontwikkelingen gedurende de aanwijzingsprocedure. Als
                        peildatum voor de voorbescherming geldt de dag na die waarop de kennisgeving
                        is verzonden. Vanaf die datum tot, in geval van aanwijzing, het moment van
                        inschrijving op de gemeentelijke monumentenlijst dan wel tot het moment
                        waarop vaststaat dat zo’n inschrijving niet zal plaatsvinden, geldt het
                        normale systeem van bescherming van beschermde monumenten, zoals geregeld in
                        de artikelen 12 tot en met 16.</al><al/><al>De kennisgeving is een feitelijke handeling waaraan de wet rechtsgevolg
                        verbindt. Aan deze constructie wordt de voorkeur gegeven boven een eventuele
                        spoedprocedure, waarbij het advies van de monumentencommissie achterwege kan
                        blijven. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 8 Beslistermijnen</label></kop><al>De hier genoemde termijnen zijn termijnen van orde; overschrijding van deze
                        termijnen kan echter strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel opleveren. </al><al/><al>Lid 3 Mededeling en publicatie</al><al>Deze bepaling is een verbijzondering van de bekendmaking en mededeling van
                        een besluit zoals geregeld in de artikelen 3:40 tot en met 3.45 Awb. </al><al>De mededeling van de aanwijzing is voor de eigenaar en anderszins zakelijk
                        gerechtigden van groot belang en zal in de regel aangetekend worden
                        verzonden.</al><al/><al>Een belanghebbende kan tegen het aanwijzingsbesluit een bezwaarschrift
                        indienen op grond van de Awb. Daarna is beroep bij de rechtbank mogelijk en
                        hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 9 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</label></kop><al>Door de aanwijzing van het college van een onroerend monument of terrein met
                        archeologische overblijfselen verkrijgt het de status van beschermd
                        gemeentelijk monument of beschermd gemeentelijk archeologisch monument. Het
                        gehele terrein of object, eventueel inclusief het interieur, valt daarmee
                        onder de werking van de Monumentenverordening. Andere (zelfstandige) zaken
                        die zich op het kadastrale perceel van het beschermde monument bevinden,
                        zoals bijgebouwen, moeten expliciet in de redengevende omschrijving zijn
                        opgenomen, willen zij onder de beschermende werking van de verordening
                        vallen.</al><al/><al>De registratie van de aanwijzing is een feitelijke handeling. Doel van de
                        registratie is een ieder snel inzicht geven in welke zaken om welke reden
                        zijn aangewezen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 10 Wijziging van de aanwijzing</label></kop><al>Omdat door de aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument of beschermd
                        gemeentelijk archeologisch monument het gehele object of terrein onder de
                        werking van de Monumentenverordening is geplaatst, zal een wijziging van de
                        aanwijzing in de praktijk vaak een geval van ondergeschikte betekenis zijn
                        (bijvoorbeeld een wijziging van de straatnaam, huisnummer, van de kadastrale
                        aanduiding, tenaamstelling en dergelijke). </al><al/><al>De monumentale waarde kan teniet zijn gegaan bijvoorbeeld door brand of
                        doordat gebruik is gemaakt van een sloopvergunning. Het bodemarchief kan
                        zijn verstoord als gevolg van archeologisch onderzoek. In dergelijke
                        gevallen kan de aanwijzing worden doorgehaald. </al><al>Indien het college een onroerende zaak of vindplaats, die zich op het
                        kadastrale perceel van het beschermd monument bevindt, maar niet eerder in
                        de beschrijving is opgenomen (en daarom niet is beschermd), alsnog wil
                        beschermen, kan hij de aanwijzing wijzigen. In dat geval geldt de gewone
                        aanwijzingsprocedure en is ook de voorbescherming van toepassing.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 11 Intrekken van de aanwijzing</label></kop><al>Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van een
                        gemeentelijk beschermd monument in te trekken (lid 1). Ook hiervoor geldt
                        dat het advies van de monumentencommissie nodig is, tenzij het gaat om
                        spoedeisende gevallen (lid 2). Na intrekking, bijvoorbeeld omdat het
                        monument is gesloopt of anderszins volledig teloor is gegaan, haalt het
                        college de aanwijzing op de gemeentelijke monumentenlijst door.</al><al>Een beschermd gemeentelijk monument of beschermd gemeentelijk archeologisch
                        monument dat later wordt geregistreerd als beschermd rijks- of provinciaal
                        monument wordt geacht vanaf dat moment niet meer te zijn aangewezen als
                        gemeentelijk beschermd monument. Hiervoor is geen apart besluit van het
                        college vereist.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK 4 VERGUNNINGEN TOT WIJZIGING OF AFBRAAK VAN BESCHERMDE GEMEENTELIJKE MONUMENTEN EN BESCHERMDE GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGISCHE MONUMENTEN</label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 12a Verbodsbepaling</label></kop><al>Dit artikel vertoont veel gelijkenis met artikel 11 van de Monumentenwet
                        1988.</al><al/><al>Beschadiging of vernietiging is absoluut verboden en valt buiten bereik van
                        een vergunning. Herstelwerkzaamheden, het gebruik of het doen gebruiken van
                        een beschermd monument zijn slechts vergunningplichtig, indien door dat
                        herstel of gebruik het monument wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Voor
                        normaal onderhoudswerk is in beginsel geen vergunning nodig. Het schilderen
                        van de gevel bijvoorbeeld in felle kleuren is een vorm van wijziging,
                        wanneer de kleur of kleuren van een monument daarvan een wezenlijk onderdeel
                        uitmaken . </al><al/><al>Het begrip verstoren heeft betrekking op een beschermd gemeentelijke
                        archeologische monumenten.</al><al/><al>Ten aanzien van verstoring van een beschermd gemeentelijk archeologisch
                        monument kan bijvoorbeeld het voorschrift in de vergunning worden opgenomen
                        dat toestemming moet worden verleend om graafwerk en/of
                        documentatiewerkzaamheden op het terrein te laten verrichten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 13 en 14 Behandeling van de aanvraag </label></kop><al>Verwezen wordt naar de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, waarin zaken
                        als ontvankelijkheid, ter inzagelegging, termijnen en dergelijke worden
                        geregeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 15 Kerkelijk monument</label></kop><al>Wanneer er geen wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het
                        geding zijn, is overeenstemming niet vereist. Een vergunningaanvraag voor
                        een pastorie bijvoorbeeld of een catechisatieruimte valt onder de
                        voorschriften die voor niet-kerkelijke monumenten gelden.</al><al>Zie ook de toelichting bij artikel 1 onder f.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 16 Intrekking van de vergunning</label></kop><al>Dit artikel bevat de intrekkingsgronden. De bepaling onder c. heeft
                        betrekking op de situatie dat, als er een nieuwe belangenafweging zou kunnen
                        plaatsvinden, de belangen van het monument behoren voor te gaan. </al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK 5 DE BESCHERMING VAN GEMEENTELIJKE STADS- EN DORPSGEZICHTEN</label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 17 De aanwijzing tot beschermd stads- of dorpsgezicht</label></kop><al>Met name voor een gebied met jonge bouwkunst -dat wil zeggen jonger dan 150
                        jaar- dat van belang is voor de lokale geschiedenis, kan deze aanwijzing een
                        goed instrument zijn om de algehele cultuurhistorische waarde van het
                        desbetreffende gebied te beschermen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 20 De wijziging en intrekking van de aanwijzing</label></kop><al>Wanneer een gebied, dat is aangewezen op grond van artikel 17 nadien door de
                        minister wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van
                        artikel 35 van de Monumentenwet 1988, wordt de aanwijzing op grond van
                        artikel 20 van deze verordening geacht te zijn ingetrokken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 21 Beschermend bestemmingsplan</label></kop><al>Op grond van artikel 36 van de Monumentenwet is de gemeenteraad verplicht
                        een bestemmingsplan vast te stellen ter bescherming van een beschermd
                        gemeentelijk stads- of dorpsgezicht; in de planvoorschriften kunnen nadere
                        eisen worden geformuleerd waaraan (ver)bouwplannen worden getoetst. Te
                        denken valt aan een beeldkwaliteitsplan. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 22 Verbodsbepaling</label></kop><al>Dit artikel regelt een algemeen geldende sloopvergunningplicht. De
                        sloopvergunningplicht heeft betrekking op <onderstreept>alle</onderstreept>
                        bouwwerken in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. Voor het
                        slopen van een beschermd gemeentelijk monument in een beschermd gebied zijn
                        dus twee vergunningen nodig: een op grond van artikel 12 en een op grond van
                        artikel 22. </al><al/><al>Het vierde lid veronderstelt een zorgvuldige welstandstoetsing, zie de
                        toelichting bij artikel 21. </al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK 6 DE BESCHERMING VAN GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGISCH GEVOELIGE GEBIEDEN EN MONUMENTEN</label></kop><al>Dit hoofdstuk, met name de artikelen 23 tot en met 32, is in zijn geheel
                        vervallen, als gevolg van het vaststellen van het Bestemmingsplan
                        Archeologie op 31 maart 2010 en het onherroepelijk worden hiervan op 12
                        augustus 2010. </al><al/><al>Alleen het aanwijzen van archeologische vindplaatsen tot beschermd
                        gemeentelijk archeologisch monument en de bepalingen daaromtrent worden in
                        deze verordening geregeld en wel bij hoofdstuk 3.</al><al>In het Bestemmingsplan Archeologie is een archeologische beleidsadvieskaart
                        opgenomen. Op de kaart zijn gebieden met een vastgestelde archeologische
                        waarde en gebieden met een hoge, middelmatige, lage en onbekende
                        archeologische verwachting aangegeven. In het bestemmingsplan is aangegeven
                        dat het verboden is om zonder aanlegvergunning de grond te verstoren ten zij
                        de verstoring plaatsvindt in:</al><al><vet>a.</vet> een gebied met een vastgestelde hoge archeologische waarde
                        waarbij het te verstoren gebied niet groter is dan 30 m2 en er niet dieper
                        gegraven wordt dan 30 cm;</al><al><vet>b.</vet> een gebied met een hoge archeologische verwachting waarbij het
                        te verstoren gebied niet groter is dan 200 m2 en er niet dieper gegraven
                        wordt dan 50 cm;</al><al><vet>c.</vet> een gebied met een middelmatige archeologische verwachting
                        waarbij het te verstoren gebied niet groter is dan 500 m2 en er niet dieper
                        gegraven wordt dan 50 cm;</al><al><vet>d.</vet> een gebied met een lage archeologische verwachting waarbij het
                        te verstoren gebied niet groter is dan 2500 m2 en er niet dieper gegraven
                        wordt dan 50 cm;</al><al><vet>e.</vet> een gebied met een onbekende archeologische verwachting
                        waarbij het te verstoren gebied niet groter is dan 2500 m2 en er niet dieper
                        gegraven wordt dan 50 cm;</al><al><vet>f.</vet> oppervlaktewateren waarbij het te verstoren gebied niet groter
                        is dan 2500 m2 en er niet dieper gegraven wordt dan 50 cm</al><al>De diepte is maatgevend op het diepste punt.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK 7 BESCHERMDE RIJKSMONUMENTEN</label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 33</label></kop><al>lid 1</al><al>Zie de toelichting bij artikel 1 onder f. en artikel 14.</al><al>Een ontvankelijke vergunningsaanvraag moet door het college ter inzage
                        worden gelegd. Deze terinzagelegging wordt op de gebruikelijke wijze bekend
                        gemaakt op grond van afdeling 3.4 van de Awb. De procedure voor de
                        behandeling van de aanvraag van een vergunning door het college voor
                        beschermde rijksmonumenten is geregeld in de artikelen 11 tot en met 21 van
                        de Monumentenwet 1988 in samenhang met de Wet algemene bepalingen
                        omgevingsrecht.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK 8 SCHADEVERGOEDING</label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 34 Schadevergoeding</label></kop><al>Het is niet noodzakelijk een schadevergoedingsregeling op te nemen in de
                        verordening, zo blijkt uit jurisprudentie van de afdeling Rechtspraak van de
                        Raad van State; er is evenwel voor gekozen uit oogpunt van uniformiteit met
                        de Monumentenwet 1988.</al><al/><al>De aanwijzing van en de wijziging of intrekking van de aanwijzing als
                        zodanig vormt geen grondslag voor schadevergoeding. Eerst wanneer er voor
                        bepaalde activiteiten geen, althans niet de gewenste vergunning is verleend,
                        kan er mogelijk sprake zijn van schade.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK 9 SLOT EN OVERGANGSBEPALINGEN</label></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel 35 Strafbepaling</label></kop><al>De gemeenteraad kan op grond van artikel 154, eerste lid Gemeentewet, op
                        overtreding van zijn verordeningen straf stellen maar geen andere of
                        zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de
                        tweede categorie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikelen 36 en 37 Toezicht en opsporingsbevoegdheid</label></kop><al>De gemeentelijke wetgever is bevoegd in zijn verordeningen buitengewone
                        opsporingsambtenaren aan te wijzen. In dit artikel wordt deze bevoegdheid
                        geattribueerd aan het college. </al><al/><al>De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang is geregeld in artikel 125
                        Gemeentewet en in afdeling 5.3 Awb. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 38 Binnentreden</label></kop><al>Dit artikel biedt de grondslag voor het betreden van open ruimten en het
                        binnentreden in beschermde gemeentelijke monumenten, die geen woning zijn.
                        Het is niet toegestaan binnen te treden in een woning zonder toestemming van
                        de bewoner. Zie ook de toelichting bij artikel 5, vijfde lid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel 39 Inwerkingtreding</label></kop><al>De bekendmaking en inwerkingtreding van verordeningen is geregeld in de
                        artikelen 139 tot en met 144 van de Gemeentewet. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>