<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR24835_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sint Anthonis</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sint Anthonis</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sint Anthonis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">PeelrandWijzer 03-03-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand (WWB), art. 8, 1e lid sub c, art. 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-02-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-03-04</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2010-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum ondertekening inwerkingstredingbesluit 08-02-2010</al><al>Bron ondertekening inwerkingstredingbesluit PeelrandWijzer 03-03-2010</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Sint Anthonis;</al><al/><al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15
                        december 2009;</al><al>gelet op de artikelen 8, eerste lid sub c en 30 van de Wet werk en bijstand </al><al/><al>BESLUIT:</al><al/><al>vast te stellen de <vet>Verordening Toeslagen- en verlagingen Wet werk en
                            bijstand 2010.</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder de wet; de Wet werk en
                                    bijstand</al></li><li nr="2."><al>Aan de begrippen die in deze verordening worden vermeld wordt
                                    dezelfde betekenis toegekend als in de wet is aangegeven.</al><al/></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Verhogen van de norm</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="5*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="89*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>De norm wordt verhoogd met een toeslag indien de
                                                alleenstaande of de alleenstaande ouder van 21 jaar
                                                of ouder doch jonger dan 65 jaar hogere algemeen
                                                noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan
                                                waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of
                                                niet geheel kunnen delen van deze kosten met een
                                                ander.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt, voor
                                                de alleenstaande en de alleenstaande ouder met zijn
                                                ten laste komende kinderen in wiens woning geen
                                                ander zijn hoofdverblijf heeft bepaald op de
                                                maximale toeslag zoals vermeld in artikel 25 van de
                                                wet oftewel 20% van het netto wettelijk
                                                minimumloon.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>De toeslag als bedoeld in het eerste lid wordt, voor
                                                de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens
                                                woning een of meer anderen hun hoofdverblijf hebben,
                                                bepaald op 10% van het netto wettelijk
                                                minimumloon.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>De toeslag wordt eveneens bepaald op 20% van het
                                                netto wettelijk minimumloon als een van onderstaande
                                                situaties van toepassing is:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>de alleenstaande of alleenstaande ouder is als
                                                inwonende een commerciële prijs verschuldigd en er
                                                is geen sprake van medebewoning van een of meerdere
                                                kinderen met een inkomen hoger dan de in artikel, 20
                                                lid 1 sub a van de wet genoemde norm;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>er is uitsluitend medebewoning van een of meerdere
                                                kinderen en deze hebben een inkomen, dat niet hoger
                                                is dan de in artikel, 20 lid 1 sub a genoemde norm
                                                plus 10% van het netto wettelijk minimumloon;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>er is uitsluitend medebewoning van een of meerdere
                                                kinderen en deze hebben een inkomen uit
                                                studiefinanciering op grond van de Wet
                                                studiefinanciering 2000 (WSF 2000) en verder geen
                                                ander inkomen uit bijvoorbeeld arbeid;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>d.</al></entry><entry colname="col3"><al>er is uitsluitend medebewoning van een of meerdere
                                                kinderen die een inkomen hebben lager dan de in
                                                artikel, 20 lid 1 sub a genoemde norm en deze
                                                kinderen hebben inkomsten uit vakantie werkzaamheden
                                                welke niet hoger zijn dan het in het Inkomensbesluit
                                                van de Algemene kinderbijslagwet genoemde
                                                bedrag.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Van een commerciële prijs als bedoeld in het vierde
                                                lid, sub a is sprake, indien de belanghebbende als
                                                inwonende een reële prijs voor woonkosten
                                                verschuldigd is, zijnde tenminste een bedrag dat
                                                overeenkomt met 20% van het netto wettelijk
                                                minimumloon.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Verlagen van de norm</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="5*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="89*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>De norm wordt lager vastgesteld indien gehuwden
                                                waarvan beide partners 21 jaar of ouder doch jonger
                                                dan 65 jaar zijn lagere algemeen noodzakelijke
                                                kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm
                                                voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk
                                                kunnen delen van deze kosten met een ander.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt
                                                bepaald op 10% van het netto wettelijk
                                                minimumloon</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>De norm of toeslag wordt lager vastgesteld indien de
                                                belanghebbende van 21jaar of ouder doch jonger dan
                                                65 jaar lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                                                bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als
                                                gevolg van de bewoning van een woning waaraan voor
                                                de belanghebbende geen woonkosten zijn
                                                verbonden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>De verlaging als bedoeld in het derde lid wordt
                                                bepaald op 20% van het netto wettelijk
                                                minimumloon.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>5.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid van dit
                                                artikel vervalt als een van onderstaande situaties
                                                van toepassing is:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>gehuwden zijn als inwonende een commerciële prijs
                                                verschuldigd en er is geen medebewoning van een of
                                                meerdere kinderen met een inkomen hoger dan de in
                                                artikel, 20 lid 1 sub a genoemde norm;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>er is uitsluitend medebewoning van een of meerdere
                                                kinderen en deze hebben een inkomen, dat niet hoger
                                                is dan de in artikel, 20 lid 1 sub a genoemde norm
                                                plus 10% van het netto wettelijk minimumloon;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>er is uitsluitend medebewoning van een of meerdere
                                                kinderen en deze hebben een inkomen uit
                                                studiefinanciering op grond van de Wet
                                                studiefinanciering 2000(WSF 2000) en verder geen
                                                ander inkomen uit bijvoorbeeld arbeid;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>d.</al></entry><entry colname="col3"><al>er is uitsluitend medebewoning van een of meerdere
                                                kinderen die een inkomen hebben lager dan de in
                                                artikel, 20 lid 1 sub a genoemde norm en deze
                                                kinderen hebben inkomsten uit vakantie werkzaamheden
                                                welke niet hoger zijn dan het in het Inkomensbesluit
                                                van de Algemene kinderbijslagwet genoemde
                                                bedrag.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>6.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Van een commerciële prijs als bedoeld in het vijfde
                                                lid, sub a is sprake, indien de belanghebbende als
                                                inwonende een reële prijs voor woonkosten
                                                verschuldigd is, zijn de tenminste een bedrag dat
                                                overeenkomt met 20% van het netto wettelijk minimum
                                                loon.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel/></kop><al>Indien voor de belanghebbende een combinatie van een toeslag op grond
                            van artikel 2 en een verlaging op grond van artikel 3 geldt, bedraagt de
                            verlaging niet meer dan 25% van het netto wettelijk minimumloon.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel/></kop><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet beslist het college
                            van burgemeester en wethouders.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel/></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als:</al><al>Verordening Toeslagen- en verlagingen Wet werk en bijstand 2010.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel/></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na de datum van haar
                            bekendmaking. Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de
                            verordening Toeslagen- en verlagingen Wet Werk en bijstand, zoals
                            vastgesteld op 27 september 2004, ingetrokken.</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente
                        Sint Anthonis van 8 februari 2010.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>mr. A.P.J.L. Keijzers</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mevr. J.M.P.J. van Gorp-van de Ven</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Algemene Toelichting</vet></al><al/><al>Hoofdstuk 3 van de Wet werk en bijstand (Wwb) kent voor de algemeen
                            noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem van basisnormen en
                            toeslagen en verlagingen. De bijstandsnormen zijn geregeld in paragraaf
                            2, in de artikelen 20 tot en met 24 Wwb. Daarnaast voorziet paragraaf 3
                            in toeslagen en verlagingen. Dit is geregeld in de artikelen 25 tot en
                            met 29 Wwb. Het college is verplicht om in voorkomende gevallen de norm
                            te verhogen met een toeslag. Van de mogelijkheid om een verlaging toe te
                            passen hoeft geen gebruik gemaakt te worden. Voor bijstandsgerechtigden
                            ouder dan 21 jaar doch jonger dan 65 jaar bestaan een drietal
                            basisnormen (artikel 21 Wwb), te weten:</al><al/><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="28*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="71*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1. gehuwden</al></entry><entry colname="col2"><al>100% van het wettelijk minimumloon (= de
                                                gehuwdennorm)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2. alleenstaande ouders</al></entry><entry colname="col2"><al>70% van het wettelijk minimumloon</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3. alleenstaanden</al></entry><entry colname="col2"><al>50% van het wettelijk minimumloon</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande
                            ouder, indien de algemeen noodzakelijke bestaanskosten niet of niet
                            geheel gedeeld kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van kosten
                            wordt aanwezig geacht als naast de betreffende belanghebbende nog een of
                            meer anderen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Dan kunnen
                            zaken als huur, gas, water en licht, maar ook krant e.d. gedeeld worden.
                            De toeslag bedraagt ten hoogste 20% van de gehuwdennorm, zodat de
                            uitkering maximaal bedraagt voor:</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="50*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="50*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>- alleenstaande ouders</al></entry><entry colname="col2"><al>90% van het wettelijk minimumloon</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>- alleenstaanden</al></entry><entry colname="col2"><al>70% van het wettelijk minimumloon</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/><al>De toeslag kan worden vastgesteld op elk bedrag binnen dit maximum van
                            20% van het wettelijk minimumloon, mits dit aansluit bij het niveau van
                            de noodzakelijke bestaanskosten. Dit is uitgewerkt in artikel 2 van de
                            verordening. </al><al>De verlagingen zijn geregeld in artikel 3 van de verordening. De
                            verlaging wordt toegepast in de volgende situaties:</al><lijst><li nr="•"><al>verlaging bij gehuwden in verband met het geheel of gedeeltelijk
                                    kunnen delen van de algemeen noodzakelijke kosten van het
                                    bestaan met een ander; </al></li><li nr="•"><al>verlaging in verband met de woonsituatie.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2 Criteria voor het verhogen van de
                                    norm</vet></al><al/><al>Artikel 2 Verhogen van de norm</al><al>Artikel 30 van de wet schrijft voor dat de verordening vaststelt
                                    voor welke categorieën de norm wordt verlaagd of verhoogd.
                                    Overeenkomstig het bepaalde in artikel 30, lid 1 van de wet
                                    geeft de gemeenteraad de criteria aan voor het verhogen of
                                    verlagen van de norm. Op grond van lid 2 van dit artikel is de
                                    toeslag voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens
                                    woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft, vastgesteld op het
                                    bedrag dat de minister in artikel 25 van de wet heeft bepaald.
                                    Het college is dus verplicht om in deze situaties de norm met
                                    20% te verhogen. Ingeval in de woning een ander zijn
                                    hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke
                                    kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur-
                                    en stookkosten). Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke
                                    huishouding, moet er echter van worden uitgegaan dat niet alle
                                    kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft op zijn plaats.
                                    In de Verordening is daarom voor deze gevallen gekozen voor een
                                    toeslag van 10%. In het vierde lid is geregeld dat er een
                                    toeslag van 20% wordt verleend indien in geval van medebewoning
                                    een commerciële prijs wordt betaald. De hoogte van deze
                                    commerciële prijs wordt bepaald door uit te gaan van 20% van het
                                    netto wettelijk minimumloon. Indien de belanghebbende derhalve
                                    een prijs betaald welke overeenkomt met 20% van het netto
                                    wettelijk minimumloon dan komt hij in aanmerking van de toeslag
                                    van 20%. De hoogte van de toeslag is dus gelijk aan de
                                    feitelijke woonkosten die de belanghebbende verschuldigd is.
                                    (Ter indicatie: op basis van de normensystematiek 2e helft 2009
                                    bedraagt deze toeslag 20% van € 1.230,32 = € 259,01) In het
                                    vierde lid wordt eveneens geregeld dat kinderen die niet (meer)
                                    in de norm begrepen zijn, maar die wel in omstandigheden
                                    verkeren waardoor het niet aannemelijk is, dat zij kunnen
                                    bijdragen in de kosten van het huishouden, niet meetellen als
                                    persoon die in de woning hun hoofdverblijf hebben. Aangezien de
                                    betreffende kinderen niet in de bijstand begrepen zijn, is het
                                    aan de alleenstaande ouder om zodanige inlichtingen te
                                    verstrekken dat kan worden vastgesteld of deze situatie van
                                    toepassing is. Voor wat betreft het inkomen van deze kinderen
                                    wordt aangesloten bij de norm van een 18,- 19-, of 20-jarige +
                                    10% van het wettelijk minimumloon. In het vierde lid sub c is
                                    tevens geregeld dat thuisinwonende studerende kinderen dat als
                                    het inkomen bestaat uit een studiebeurs op grond van de WSF 2000
                                    geen bijdrage kunnen leveren in het huishouden en dat een
                                    verlaging hier dus niet op zijn plaats is. De situatie van lid 4
                                    sub d heeft betrekking op medebewoning van kinderen die
                                    gedurende een relatief korte periode hogere inkomsten genieten
                                    als gevolg van het verrichten van vakantiewerk. Het wordt als
                                    redelijk geacht om indien het louter om vakantiewerk gaat deze
                                    inkomsten buiten beschouwing te laten. Wel is hieraan een
                                    maximum verbonden. Voor dit maximum is aangesloten bij het
                                    bedrag dat vermeld is in het inkomensbesluit van de Algemene
                                    kinderbijslagwet</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3 Criteria voor het verlagen van de
                                        bijstandsnorm</vet></al><al/><al>Artikel 3 Verlagen van de norm</al><al>Indien in de woning naast de gehuwden nog een ander zijn
                                    hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke kosten van
                                    het bestaan gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de kosten
                                    van het bestaan gedeeld worden niet van belang. Gekozen is voor
                                    een verlaging van 10%. In lid 3 worden een aantal situaties
                                    opgesomd waarbij geen verlaging wordt toegepast. </al><al>Voor de commerciële prijs wordt verwezen naar de toelichting op
                                    artikel 2, </al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 4 Slotbepalingen</vet></al><al/><al>Artikel 4</al><al>Indien gebruik wordt gemaakt van de verlagingsmogelijkheden zoals die
                            zijn genoemd in artikel 3, dient rekening te worden gehouden met de
                            effecten van cumulatie van factoren. Een dergelijke cumulatie kan er
                            namelijk toe leiden dat de uitkering die overblijft onvoldoende is om in
                            de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen
                            voorzien.</al></li></lijst></nota-toelichting><bijlage/></regeling></body></cvdr>