<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR24830_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Veordening afstemming Wet werk en bijstand 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Sint Anthonis</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sint Anthonis</dcterms:spatial><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Sint Anthonis</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">PeelrandWijzer 24-02-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening afstemming Wet werk en bijstand 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1 onder b, art. 18, Algemene wet bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-02-08</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-02-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-04-25</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Datum ondertekening inwerkingstredingbesluit 08-02-2010</al><al>Bron ondertekening inwerkingstredingbesluit PeelrandWijzer 24-02-2010</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Veordening afstemming Wet werk en bijstand 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Sint Anthonis;</al><al/><al>Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15
                        december 2009.</al><al/><al>gelet op artikel 8, lid 1, sub b, en artikel 18 van de Wet werk en bijstand;
                        en de Algemene wet bestuursrecht</al><al/><al>BESLUIT:</al><al/><al>vast te stellen de <vet>Verordening afstemming Wet werk en bijstand
                            2010</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="6*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="18*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="75*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Alle begrippen die in deze verordening gebruikt
                                                worden en die niet nader worden Omschreven hebben
                                                dezelfde betekenis als in de Wet Werk en Bijstand
                                                (WWB) en de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>a.</al></entry><entry colname="col2"><al>de Wet:</al></entry><entry colname="col3"><al>werk en bijstand (Stb. 2003, 375); zoals die nadien
                                                wordt of is gewijzigd;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>b.</al></entry><entry colname="col2"><al>verlaging:</al></entry><entry colname="col3"><al>het verlagen van de bijstand of de
                                                langdurigheidstoeslag op grond van artikel 18,
                                                tweede lid van de wet:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>c.</al></entry><entry colname="col2"><al>voorziening:</al></entry><entry colname="col3"><al>voorzieningen als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                                onderdeel a, van de wet: een instrument binnen een
                                                traject dat ingezet wordt om belemmeringen bij
                                                aanvaarding van algemeen geaccepteerde arbeid weg te
                                                nemen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>d.</al></entry><entry colname="col2"><al>traject:</al></entry><entry colname="col3"><al>een met de belanghebbende overeengekomen, dan wel
                                                door het college aan hem opgelegd, geheel van
                                                activiteiten gericht op het verkrijgen en behouden
                                                van betaalde arbeid;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>e.</al></entry><entry colname="col2"><al>college:</al></entry><entry colname="col3"><al>het college van burgemeester en wethouders van de
                                                gemeente ;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>f.</al></entry><entry colname="col2"><al>Onverantwoord interen:</al></entry><entry colname="col3"><al>Een besteding aan algemeen noodzakelijke kosten van
                                                het bestaan welke omgerekend per maand meer bedraagt
                                                dan 1,5 maal de relevante bijstandsnorm, zonodig
                                                aangevuld met een bedrag voor de
                                                ziektekostenverzekering en het niet subsidiabele
                                                huurdeel.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het verlagen van de uitkering</titel></kop><al>Als de belanghebbende de uit de wet of de Wet structuur
                            uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (wet SUWI) voortvloeiende
                            verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich
                            jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze
                            verordening de bijstand verlaagd.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>De verlaging wordt toegepast op de bijstandsnorm.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                    toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidtoeslag
                                    indien aan belanghebbende bijzondere bijstand of een
                                    langdurigheidtoeslag wordt verleend.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Ingangsdatum, tijdvak en recidive</titel></kop><al/><lijst><li nr="1."><al>De verlaging gaat in met ingang van de eerst volgende
                                    kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot
                                    verlaging aan de belanghebbende is bekendgemaakt. </al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met
                                    terugwerkende kracht worden toegepast, voor zover de bijstand,
                                    de bijzondere bijstand of de langdurigheidtoeslag nog niet is
                                    uitbetaald.</al></li><li nr="3."><al>De duur van de verlaging bedraagt de termijnen die in de
                                    hoofdstukken 2 tot en met 4 vermeld staan. </al></li><li nr="4."><al>Indien de belanghebbende, binnen 1 jaar nadat de verwijtbare
                                    gedraging zich heeft voorgedaan, en dientengevolge een verlaging
                                    op de uitkering is toegepast, wederom zijn verplichtingen
                                    verwijtbaar niet nakomt, wordt de termijn, zoals gehanteerd bij
                                    deze verlaging, met inachtneming van de hoofdstukken 2 tot en
                                    met 4, verdubbeld.</al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al/><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van
                            de hoogte en duur van de verlaging uitgegaan van de gedraging waarvoor
                            de hoogste verlaging geldt.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Medewerking en inlichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Categorieën</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="90*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de
                                                verplichting op grond van artikel 9 van de wet niet
                                                of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in
                                                de volgende categorieën:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Eerste categorie:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>het niet geregistreerd zijn als werkzoekende bij het
                                                UWV-Werkbedrijf</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>het later terugkeren van vakantie dan ingevolge
                                                artikel 13, eerste lid, onder d, van de wet is
                                                toegestaan, indien er geen plicht tot
                                                arbeidsinschakeling is;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Tweede categorie:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>gedragingen die de inschakeling in de arbeid
                                                belemmeren.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>het later terugkeren van vakantie dan ingevolge
                                                artikel 13, eerste lid, onder d, van de wet is
                                                toegestaan, indien er een plicht tot
                                                arbeidsinschakeling is.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Derde categorie:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                                arbeid;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                                geaccepteerde arbeid, dan wel andere bronnen van
                                                inkomsten;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>het in de periode voorafgaande aan de
                                                bijstandsverlening en/of de periode gedurende de
                                                bijstandsverlening niet naar vermogen trachten
                                                algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>d.</al></entry><entry colname="col3"><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting
                                                tot gebruik maken van een door het college
                                                aangeboden voorziening, waaronder begrepen het niet
                                                of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de
                                                mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of
                                                zelfstandige participatie.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="5*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="89*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Met toepassing van artikel 6, wordt de verlaging
                                                vastgesteld op:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>20% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand
                                                en maximaal 3 maanden bij gedragingen van de eerste
                                                categorie;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>50% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand
                                                en maximaal 3 maanden bij gedragingen van de tweede
                                                categorie;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>100% van de bijstandsnorm gedurende minimaal 1 maand
                                                en maximaal 3 maanden bij gedragingen van de derde
                                                categorie.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Een verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt
                                                afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                                waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan
                                                worden en de omstandigheden waarin hij
                                                verkeert.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Schending inlichtingenplicht</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="5*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="89*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Indien een belanghebbende de verplichting op grond
                                                van artikel 17 van de wet niet of niet behoorlijk
                                                nakomt, wat heeft geleid tot het ten onrechte of tot
                                                een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de
                                                verlaging als volgt vastgesteld:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien
                                                het netto benadelingsbedrag minder bedraagt dan €
                                                500,=;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien
                                                het netto benadelingsbedrag gelijk is aan of meer
                                                bedraagt dan € 500,= maar minder bedraagt dan €
                                                10.000,=;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, indien
                                                het netto benadelingsbedrag gelijk is aan of meer
                                                bedraagt dan € 10.000,=.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Indien een belanghebbende herhaaldelijk de
                                                verplichting op grond van artikel 17 van de wet niet
                                                of niet behoorlijk nakomt, wat niet heeft geleid tot
                                                het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen
                                                van bijstand, wordt een verlaging toegepast van 20%
                                                van de bijstandsnorm gedurende 1 maand.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Een verlaging als bedoeld in lid 1 en lid 2 wordt
                                                afgestemd de ernst van de gedraging, de mate waarin
                                                de belanghebbende de gedraging verweten kan worden
                                                en de omstandigheden waarin hij verkeert.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overige bepalingen schending inlichtingenplicht</titel></kop><al/><al>Indien de verlaging als bedoeld in artikel 8, eerste lid, als gevolg van
                            beëindiging van de uitkering niet kan worden toegepast, wordt de
                            bijstand welke belanghebbende heeft ontvangen gedurende de periode dat
                            belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht, door middel
                            van herziening verminderd met het bedrag van de verlaging. Het bedrag
                            dat voortvloeit uit de herziening wordt van belanghebbende
                            teruggevorderd. De terugvordering kan bij gebreke van tijdige betaling
                            verhoogd worden met de wettelijke rente en de op de invordering
                            betrekking hebbende kosten.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="5*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="89*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef
                                                van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                                bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18,
                                                tweede lid, van de wet wordt met uitzondering van
                                                hetgeen in lid 3 staat vermeld, een verlaging
                                                toegepast die wordt afgestemd op de periode dat de
                                                belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder
                                                of langer recht heeft op bijstand.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt op
                                                de volgende wijze vastgesteld:</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>20% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een
                                                periode van 1 maand of korter;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een
                                                periode van 1 tot 3 maanden;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>c.</al></entry><entry colname="col3"><al>100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, bij een
                                                periode van 3 maanden en langer.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>3.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Indien het tekortschietend besef van
                                                verantwoordelijkheid voor de voorziening in het
                                                bestaan is gelegen in de omstandigheid dat beroep op
                                                bijstand wordt gedaan doordat de belanghebbende
                                                verwijtbaar niet of niet meer over middelen
                                                beschikt, wordt in afwijking van lid 1 en 2 een
                                                verlaging toegepast van 50% gedurende het aantal
                                                maanden dat eerder beroep op bijstand wordt gedaan
                                                dan wanneer de verwijtbare gedraging niet had
                                                plaatsgevonden.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>4.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Een verlaging als bedoeld in het tweede lid en derde
                                                lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                                mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten
                                                kan worden en de omstandigheden waarin hij
                                                verkeert.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al/><al>Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks
                            verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18,
                            tweede lid van de wet, wordt onverminderd artikel 2, tweede lid, een
                            verlaging toegepast van 100% gedurende minimaal 1 maand tot maximaal 6
                            maanden. </al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al/><al>Indien aan belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld in
                            artikel 55 van de wet zijn opgelegd en deze niet in voldoende mate
                            worden nagekomen, wordt een verlaging toegepast van 50% van de
                            bijstandsnorm gedurende 1 maand. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Afzien van verlaging van de bijstand</titel></kop><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="5*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="4*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="90*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>1.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Het college ziet af van een verlaging indien;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>a.</al></entry><entry colname="col3"><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of;</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>b.</al></entry><entry colname="col3"><al>daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2.</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al>Indien het college afziet van verlaging op grond van
                                                dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan
                                                schriftelijk mededeling gedaan.</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al/><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na haar
                            bekendmaking. </al><al/><al>Met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de verordening
                            Afstemming Wet Werk en bijstand, zoals vastgesteld op 27 september 2004,
                            ingetrokken.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeerartikel</titel></kop><al/><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: de Verordening afstemming
                            Wet Werk en Bijstand 2010.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente Sint
                        Anthonis van 8 februari 2010.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De Raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de griffier,</ondertekening><ondertekening>mr. A.P.J.L. Keijzers</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mevr. J.M.P.J. van Gorp-van de Ven</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Algemene Toelichting</titel></kop><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op een
                    uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de vaststelling van
                    de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de toepasselijke
                    uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de belanghebbende, maar ook van de
                    mate waarin de opgelegde verplichtingen worden nagekomen.</al><al>Op grond van de Wet Werk en Bijstand (Wwb) dient de gemeente bij aanvang van de
                    uitkeringssituatie aan belanghebbende mede te delen wat de opgelegde
                    verplichtingen zijn en wat de directe gevolgen zijn voor de uitkering indien
                    belanghebbende één of meer van deze verplichtingen niet nakomt. De in de vorige
                    zin genoemde gevolgen, veelal een verlaging van de bijstand, worden door de
                    gemeente zelf bepaald. Artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de WWB schrijft
                    voor dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking tot het
                    verlagen van de bijstand en de langdurigheidstoeslag. In deze verordening zijn
                    deze regels vastgelegd.</al><al>Het niet voldoen aan de opgelegde arbeidsverplichtingen wordt streng aangepakt.
                    Dit is in de lijn van de wet: de belanghebbende dient alles in het werk te
                    stellen om zo snel mogelijk weer in zijn eigen levensonderhoud te kunnen
                    voorzien (werk voor bijstand). Dit in combinatie met de ervaring dat lichte
                    sancties nauwelijks het gewenste effect bewerkstelligen, namelijk een
                    verandering van houding en gedrag, heeft ertoe geleid dat met name gedragingen
                    welke een schending van de arbeidsplicht inhouden streng worden aangepakt.</al><al>Ten aanzien van het schenden van de inlichtingenplicht waarbij de gemeente geen
                    nadeel heeft ondervonden, is uit doelmatigheidsoverwegingen gekozen voor een
                    versoepeling. Zo wordt er pas een verlaging toegepast indien de belanghebbende
                    herhaaldelijk de fout is ingegaan. Hiervoor is gekozen vanwege het feit dat het
                    vaak geringe “overtredingen” betreft, zoals het niet tijdig inleveren van de
                    maandelijkse rechtmatigheidonderzoeks-formulieren, waarbij de gemeente geen
                    nadeel ondervindt en het direct verlagen van de uitkering weinig doelmatig is.
                    Op het moment dat iemand frequent de fout ingaat is het toepassen van een
                    verlaging wel doelmatig, omdat dan een verandering van houding en/of gedrag
                    bewerkstelligd dient te worden.</al></nota-toelichting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al/><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                        betekenis als de omschrijving in de Wwb. In de verordening wordt het begrip
                        ‘belanghebbende’ gebruikt.Dit begrip wordt in artikel 1:2 van de
                        Algemene wet bestuursrecht (Awb) omschreven als ‘degene wiens belang
                        rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. </al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Het verlagen van de uitkering</titel></kop><al/><al>De Wwb verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering een aantal
                        verplichtingen, zoals het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid
                        voor de voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid) en de plicht tot
                        arbeidsinschakeling (artikel 9). </al><al>Deze laatste bestaat uit twee soorten verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                                verkrijgen en deze te aanvaarden; en</al></li><li nr="2."><al>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                                voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. </al><al/><al>Voorts geldt een informatieplicht (artikel 17, eerste lid). De
                                belanghebbende dient aan het college op verzoek of onverwijld uit
                                eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden
                                waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed
                                kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op
                                bijstand.</al><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht om
                                desgevraagd het college de medewerking te verlenen die
                                redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De
                                medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan,
                                zoals:</al></li><li nr="*"><al>het toestaan van huisbezoek;</al></li><li nr="*"><al>het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een
                                schending van de medewerkingplicht inhoudt: ‘het zich jegens het
                                college zeer ernstig misdragen’.</al><al/><al>De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan belanghebbenden. Het
                                betreft de verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken
                                aan het UWV-Werkbedrijf te verstrekken die nodig zijn voor de
                                beslissing door het college (artikel 28, tweede lid Wet SUWI) en de
                                verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle
                                feiten en omstandigheden mee te delen waarvan hem redelijkerwijs
                                duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op
                                bijstand, het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of
                                de duur van de bijstand (artikel 29, eerste lid Wet SUWI).</al><al/></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><al/><al>In dit artikel is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                        toegepast op de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de
                        wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                        vakantietoeslag. Lid 2 van dit artikel maakt het mogelijk dat het college in
                        incidentele gevallen een verlaging toepast op de bijzondere bijstand of de
                        langdurigheidtoeslag. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de
                        gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand of de
                        langdurigheidtoeslag.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Ingangsdatum, tijdvak en recidive</titel></kop><al/><al>In dit artikel is geregeld dat, behalve indien in de verordening anders
                        staat vermeld, een verlaging naar de toekomst toe wordt toegepast. Dit wil
                        zeggen dat de verlaging na constatering direct geëffectueerd wordt zonder
                        herziening van het recht.</al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde
                        is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging te verrekenen met het
                        bedrag dat nog moet worden uitbetaald. In dat geval moet de bijstand wel
                        worden herzien en teruggevorderd. Voor de duur van de toe te passen
                        verlaging wordt verwezen naar de bepalingen van de hoofdstukken 2 t/m 4.
                        Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging opnieuw sprake is
                        van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                        uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de eerste (de
                        direct voorafgaande) verlaging. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de
                        eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een verlaging, ook
                        indien de verlaging wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het
                        bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip
                        waarop het besluit waarin de verlaging is medegedeeld, bekend is gemaakt.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                        verschillende gedragingen van een belanghebbende die (min of meer)
                        gelijktijdig plaatsvinden. De regeling geldt dus niet voor een bepaalde
                        gedraging die verschillende schendingen van verplichtingen met zich
                        meebrengt. Indien sprake is van meerdere gedragingen met als gevolg daarvan
                        meerdere schendingen van de verplichtingen, dient voor het toepassen van de
                        verlaging te worden uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging
                        van toepassing is.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Medewerking en inlichtingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Categorieën</titel></kop><al/><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                        verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                        worden in drie categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de
                        gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht
                        naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of
                        behouden van betaalde arbeid. Dit is volledig in lijn met de doelstelling
                        van de Wwb: de belanghebbende dient zelf alles in het werk te stellen om aan
                        het werk te komen dan wel te aanvaarden. De concrete invulling van de
                        verplichtingen dient zoveel mogelijk te worden afgestemd op de mogelijkheden
                        van de individuele belanghebbende.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>De hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al/><al>Deze bepaling bevat de verlagingen voor de drie categorieën van gedragingen
                        waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de wet niet of
                        onvoldoende is nagekomen. Bij het vaststellen van de hoogte en duur van de
                        verlaging zal gekeken moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate
                        van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van belanghebbende.
                        Voorts is de mogelijkheid opgenomen om de verlaging toe te passen over een
                        periode van 1 tot maximaal 3 maanden. Indien bijvoorbeeld blijkt dat
                        belanghebbende binnen een bepaalde periode bij verschillende werkgevers geen
                        algemeen geaccepteerde arbeid aanvaard heeft, dient de duur van de verlaging
                        langer te zijn dan 1 maand. Een andere situatie is die waarin de
                        belanghebbende voor langere duur niet als werkzoekende bij het
                        UWV-Werkbedrijf ingeschreven heeft gestaan. De duur van de verlaging kan dan
                        gerelateerd worden aan de periode waarin men niet ingeschreven heeft
                        gestaan.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Verstrekken van inlichtingen</titel></kop><al/><al>In lid 1 van dit artikel wordt de hoogte van de verlaging geregeld als een
                        belanghebbende de inlichtingenplicht (artikel 17 van de wet) niet of niet
                        behoorlijk nakomt en dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te
                        hoog bedrag verlenen van bijstand. De verlaging wordt afhankelijk gesteld
                        van de hoogte van het bedrag aan bijstand dat als gevolg van de schending
                        van de inlichtingenplicht ten onrechte of teveel aan de belanghebbende is
                        betaald. In lid 2 wordt de zogeheten “nulfraude” geregeld: het verstrekken
                        van onjuiste of onvolledig inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen
                        heeft voor de hoogte van de bijstand. Bijvoorbeeld het bij herhaling te laat
                        inleveren van het rechtmatigheidsonderzoeksformulier of het niet opgeven van
                        een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens. Uit
                        doelmatigheidsoverwegingen is ervoor gekozen om niet al bij de eerste
                        overtreding van de in dit lid bedoelde verplichting over te gaan tot het
                        verlagen van de bijstand. Blijkt iemand echter herhaaldelijk de fout in te
                        gaan, dan dient wel overgegaan te worden tot het verlagen van de bijstand,
                        om zodoende een verandering van houding en/of gedrag te bewerkstelligen. </al><al/><al>De relatie met de strafrechtelijke sanctie.</al><al>Voor gemeenten geldt de verplichting om proces-verbaal op te maken en
                        aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie indien er sprake is van fraude
                        en het benadelingbedrag hoger is dan € 10.000,= (de aangifterichtlijn
                        sociale zekerheid). Het doen van aangifte wegens fraude sluit het toepassen
                        van een verlaging niet uit, ook niet bij benadelingbedragen van boven de
                        aangifterichtlijn. Beide sancties kunnen samen gaan. Uitgangspunt is dat het
                        OM bij de straftoemeting rekening houdt met de verlaging zoals deze door de
                        gemeente is toegepast. Anderzijds ligt het niet voor de hand om over te gaan
                        tot een verlaging, als het OM inmiddels een sanctie heeft opgelegd. Het ‘una
                        via’ beginsel (geen samenloop van sancties op dezelfde onrechtmatige
                        gedraging dan bij beslissing van één enkele overheidsorgaan) kan zich daar
                        tegen verzetten. De centrale raad voor beroep heeft zich in het (recente)
                        verleden geregeld uitgesproken tegen ‘dubbele bestraffing’.</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Overige bepalingen schending inlichtingenplicht</titel></kop><al/><al>In dit artikel wordt geregeld dat op het moment dat fraude geconstateerd
                        wordt op het moment dat de bijstand beëindigd is, de bijstand gedurende de
                        fraudeperiode toch kan worden verlaagd. Deze verlaging leidt tot herziening
                        van uitkering en terugvordering</al><al/></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al/><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                        voorziening in het bestaan, geldt reeds voordat een bijstandsuitkering wordt
                        aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan
                        de bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                        getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten
                        van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering
                        aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening
                        kan houden. Bij de vaststelling van de hoogte en duur van de verlaging dient
                        beoordeeld te worden hoe lang betrokkene onafhankelijk van bijstand zou zijn
                        gebleven, indien hij wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had
                        betoond. Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
                        gedragingen blijken, zoals:</al><lijst><li nr="*"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen;</al></li><li nr="*"><al>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende
                                voorziening;</al></li><li nr="*"><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen
                                alimentatievordering.</al><al>Het betreft overigens géén limitatieve opsomming van alle
                                gedragingen die leiden tot een tekortschietend besef van
                                verantwoordelijkheid.</al><al/><al>Bij het onverantwoord interen van vermogen (lid 3) is er voor
                                gekozen om de duur van </al><al>de verlaging te koppelen aan de duur van de periode dat eerder een
                                beroep gedaan wordt op bijstand. Ook hier wordt evenwel de verlaging
                                afgestemd op de ernst van de gedraging, de verwijtbaarheid en de
                                omstandigheden van de belanghebbende. </al><al/></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al/><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
                        agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                        verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle
                        gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd. Er kan alleen een verlaging
                        toegepast worden indien er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging
                        en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het vaststellen van het
                        recht op een uitkering. In artikel 18, tweede lid, wordt gesproken over ‘het
                        zich jegens het college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen
                        (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren
                        aanleiding kan zijn voor een verlaging. Een verlaging is dus niet mogelijk
                        als een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een
                        andere organisatie die belast is met de uitvoering van de Wwb (bijvoorbeeld
                        een reïntegratiebedrijf). Het is in dat geval wel mogelijk om een verlaging
                        toe te passen wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een
                        voorziening gericht op arbeidsinschakeling.</al><al/><al>Bij het vaststellen van de hoogte en duur van de verlaging in de situatie
                        dat de belanghebbende zich ernstig heeft misdragen, wordt ook gekeken naar
                        de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                        omstandigheden van de betrokkene. Wat betreft het vaststellen van de ernst
                        van de gedraging, kunnen de volgende vormen van agressief gedrag in een
                        oplopende reeks (steeds ernstiger) worden onderscheiden: </al><lijst><li nr="*"><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="*"><al>verbaal geweld (schelden);</al></li><li nr="*"><al>discriminatie;</al></li><li nr="*"><al>Intimidatie (uitoefenen van psychische druk, stalking, dragen of
                                tonen van wapens);</al></li><li nr="*"><al>alle vormen van (mensgericht) fysiek geweld;</al></li><li nr="*"><al>combinatie van agressievormen. </al><al/><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken
                                moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                                plaatsgehad. In dit verband is het relevant een onderscheid te maken
                                tussen instrumenteel geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel
                                geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt
                                om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een
                                uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid,
                                onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                                frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
                                verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan
                                bij frustratiegeweld. Het toepassen van een verlaging staat geheel
                                los van het doen van aangifte bij de politie. </al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al>In artikel 55 van de wet wordt de mogelijkheid geboden om naast de in
                        Hoofdstuk 2 van de wet opgenomen verplichtingen aan belanghebbende bepaalde
                        andere verplichtingen op te leggen die strekken tot arbeidsinschakeling of
                        vermindering dan wel beëindiging van de bijstand. De verplichting om zich
                        onder medische behandeling te stellen, is expliciet opgenomen in het
                        artikel. Een ander voorbeeld is de verplichting om zich als woningzoekende
                        in te schrijven indien er woonkostentoeslag wordt verstrekt voor een te hoge
                        huur. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Afzien van verlaging van de bijstand</titel></kop><al/><al>Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid
                        ontbreekt. Dit is geregeld in artikel 18, tweede lid, Wwb. Te denken valt
                        daarbij aan situaties waarbij de belanghebbende door overmacht niet in staat
                        is geweest een of meer afspraken volledig na te komen. Dringende redenen om
                        af te zien van verlaging zijn enkel die situaties waarin sprake is van
                        gevaar voor verlies van leven, verwonding of verwaarlozing van
                        belanghebbende en/of zijn gezinsleden, gevaar voor mishandeling door
                        belanghebbende van zijn gezinsleden en verlies van de woning. Het hebben van
                        schulden is evenwel geen dringende reden om van verlaging van de bijstand af
                        te zien. Het afzien van een verlaging in geval van dringende redenen wordt
                        vastgesteld in een besluit en schriftelijk meegedeeld aan belanghebbende.
                    </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>