<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR248223_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening gemeente Eijsden-Margraten 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Eijsden-Margraten</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-04-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Eijsden-Margraten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Elektronisch Gemeenteblad, 11-04-2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening gemeente Eijsden-Margraten 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0004471">Monumentenwet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416">Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0024779">Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0027464">Besluit omgevingsrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-03-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-04-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2022-12-09</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>art. 1, 3, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, hoofdstuk 5, 6, 7 toelichting</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>monumenten en archeologie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening gemeente Eijsden-Margraten 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>gezien het voorstel van het college van 20 november 2012;</al><al/><al>gelet op het advies van de raadscommissie Grondgebiedzaken;</al><al/><al><vet>BESLUIT</vet></al><al/><al>vast te stellen de Erfgoedverordening gemeente Eijsden-Margraten 2013.</al><al/><al>Aldus besloten door de raad van de gemeente Eijsden-Margraten in zijn
                        openbare vergadering van 18 december 2012.</al><al/><al>De griffier, De Voorzitter,</al><al>Mr. M.G.A.J.T. Verbeet, D.A.M. Akkermans</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene Bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening verstaat onder:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>Monument:</al><lijst><li nr="1)"><al>een zaak die van algemeen belang is wegens haar
                                            schoonheid, betekenis voor de wetenschap, haar
                                            ruimtelijk historische samenhang en/of
                                            architectuurhistorische, bouwhistorische
                                            cultuurhistorische, historisch landschappelijke,
                                            archeologische, of natuurhistorische waarde.</al></li><li nr="2)"><al>een terrein of gebied dat van algemeen belang is wegens
                                            één of meerdere daar aanwezige zaken als bedoeld onder
                                            1.</al></li></lijst></li><li nr="b."><al>beschermd monument: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>een monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet
                                    algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>beschermd stads- of dorpsgezicht: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 1.1,
                                    eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>gemeentelijk dorpsgezicht:</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>een groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn
                                    wegens hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele
                                    samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische
                                    waarde. In deze groep bevinden zich één of meer monumenten. Deze
                                    groep van onroerende zaken is overeenkomstig deze verordening
                                    als gemeentelijk dorpsgezicht vastgesteld;</al></li></lijst><lijst><li nr="e."><al>religieus monument: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>onroerend monument, dat eigendom is van een kerkgenootschap,
                                    kerkelijke gemeente of parochie of van een religieuze instelling
                                    en welke uitsluitend of voor een overwegend deel worden gebruikt
                                    voor het belijden van de godsdienst of levensovertuiging;</al></li></lijst><lijst><li nr="f."><al>archeologisch monument: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>een terrein als bedoeld in artikel 1, lid c Monumentenwet 1988,
                                    waar bekende archeologische waarden aanwezig zijn en dat met
                                    waardeaanduiding op de landelijke Archeologische Monumentenkaart
                                    en/of de gemeentelijke archeologische waardenkaart is
                                    aangegeven; </al></li></lijst><lijst><li nr="g."><al>beschermd archeologisch monument:</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>een monument als bedoeld in artikel 1, onder c van de
                                    Monumentenwet 1988, na aanwijzing volgens artikel 3 van de
                                    Monumentenwet 1988; </al></li></lijst><lijst><li nr="h."><al>archeologische verwachtingszone: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>een gebied, aangegeven op de archeologische waardenkaart, waar
                                    in bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten
                                    zijn; </al></li></lijst><lijst><li nr="i."><al>gemeentelijke archeologische waardenkaart: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>topografische kaart, bestaande uit een verwachtingskaart en de
                                    beleidskaart, waarop de archeologische monumenten en de
                                    archeologische verwachtingszones zijn aangegeven en die
                                    onderdeel uitmaakt van de gemeentelijke erfgoedlijst;</al></li><li nr="j."><al>beeldbepalend pand of object: een onroerende zaak binnen de
                                    gemeente Eijsden-Margraten met beeldbepalende kwaliteiten of
                                    overige cultuurhistorische waarden en overeenkomstig deze
                                    verordening als zodanig aangeduid op voorstel van het college
                                    door de raad.</al></li></lijst><lijst><li nr="k."><al>gemeentelijke erfgoedlijst: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>de lijst waarop zijn geregistreerd overeenkomstig deze
                                    verordening als:</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>- gemeentelijk dorpsgezicht;</al></li><li nr=""><al>- archeologisch monument;</al></li><li nr=""><al>- archeologische verwachtingszone; </al></li><li nr=""><al>- overige aangewezen zaken, terreinen en gebieden bedoeld in
                                    artikel 1.a;</al></li></lijst><lijst><li nr="l."><al>onderzoek: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al> een onafhankelijk en deskundig onderzoek naar: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1"><al>de kenmerken en wetenschappelijke en/of
                                            cultuurhistorische waarde van architectonische,
                                            ruimtelijke, esthetische, bouwhistorische,
                                            interieurhistorische, kleurhistorische, tuinhistorische,
                                            natuurhistorische of landschappelijke waarden ; of </al></li><li nr="2"><al>de aanwezigheid en/of kenmerken en/of waarde van
                                            archeologische relicten in de bodem;</al></li></lijst></li><li nr="m."><al>monumentencommissie: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>de op basis van artikel 15 lid 1 van de Monumentenwet 1988
                                    ingestelde commissie, met als taak het college op verzoek of uit
                                    eigen beweging te adviseren over de toepassing van de
                                    Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
                                    deze verordening en het monumentenbeleid in het algemeen;</al></li></lijst><lijst><li nr="n."><al>archeologisch programma van eisen:</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>programma dat door het college wordt vastgesteld, waarin kaders
                                    worden gesteld voor doel, uitvoering en rapportage van gravend
                                    archeologisch onderzoek, hetzij in het kader van de aanvraag van
                                    een omgevingsvergunning, hetzij als onderdeel van de
                                    voorschriften bij de omgevingsvergunning;</al></li></lijst><lijst><li nr="o."><al>archeologisch rapport over de waarde van het te verstoren
                                    terrein:</al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>een rapport van de bevindingen van inventariserend archeologisch
                                    onderzoek waarin de waarde van het te verstoren terrein is
                                    vastgesteld, als bedoeld in artikel 39, 40, 41 van de
                                    Monumentenwet 1988;</al></li></lijst><lijst><li nr="p."><al>archeologische voorschriften aan een
                                        omgevingsvergunning<cursief>:</cursief></al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>door het college aan een omgevingsvergunning verbonden
                                    voorschriften in het belang van de archeologische
                                    monumentenzorg, als bedoeld in art 40, lid 2 van de
                                    Monumentenwet 1988, art. 22.2.3.d. van de Wet algemene
                                    bepalingen omgevingsrecht en art 5.2. van het Besluit
                                    omgevingsrecht, leidende tot behoud in de grond of onderzoek van
                                    een archeologische vindplaats;</al></li></lijst><lijst><li nr="qp."><al>Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie<cursief>:</cursief></al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>een kwaliteitsstelsel voor de uitvoering en rapportage van
                                    archeologisch onderzoek, voorgeschreven in artikel 24, Besluit
                                    Archeologische Monumentenzorg;</al></li></lijst><lijst><li nr="r."><al>q.het college: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>het college van burgemeester en wethouders van de gemeente
                                    Eijsden-Margraten;</al></li></lijst><lijst><li nr="s."><al>bevoegd gezag: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene
                                    bepalingen omgevingsrecht;</al></li></lijst><lijst><li nr="t."><al>Omgevingsvergunning: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>vergunning als bedoeld in artikel 2.1 eerste lid of artikel 2.2
                                    eerste lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; </al></li></lijst><lijst><li nr="u."><al>t.Wabo: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li></lijst><lijst><li nr="v."><al>Bor: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>Besluit omgevingsrecht; houdende regels ter uitvoering van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li></lijst><lijst><li nr="w."><al>Mor: </al></li></lijst><lijst><li nr=""><al>Ministeriele regeling omgevingsrecht; houdende nadere regels ter
                                    uitvoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en van
                                    het Besluit omgevingsrecht;</al></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>Aanvragen, besluiten en andere bestuursrechtelijk gehanteerde
                                    termen en begrippen in deze verordening zijn bedoeld in de zin
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). </al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 2 Het gebruik van het monument</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt, binnen de kaders
                                    van het vigerende bestemmingsplan, rekening gehouden met de
                                    bestaande en mogelijke toekomstige gebruiksfuncties van
                                    monumenten, gebieden of terreinen. </al></li><li nr="2."><al>Voordat het college met betrekking tot een religieus monument
                                    een besluit neemt in het kader van deze verordening, voert het
                                    overleg met de eigenaar.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>De Monumentencommissie</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 3 De taken van de commissie</vet></al><al>De commissie heeft in het kader van deze verordening desgevraagd tot
                            taak het college of de gemeenteraad te adviseren inzake:</al><lijst><li nr="1."><al>het aanwijzen van beschermde monumenten, beschermde
                                    dorpsgezichten, archeologische monumenten en archeologische
                                    verwachtingszones;</al></li><li nr="2."><al>het aanwijzen van gemeentelijke dorpsgezichten; </al></li><li nr="3."><al>het aanduiden van beeldbepalende panden en objecten </al></li><li nr="4."><al>een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als
                                    bedoeld in artikel 2.1 eerste lid onder f of h van de wet
                                    algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="5."><al>een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als
                                    bedoeld in artikel 2.2 eerste lid onder c van de Wet algemene
                                    bepalingen omgevingsrecht; </al></li><li nr="6."><al>de technische aspecten met betrekking tot de verbouw, renovatie
                                    of restauratie van een beschermd monument of beeldbepalend pand
                                    of object;</al></li><li nr="7."><al>de aard en noodzaak van cultuurhistorisch en/of archeologisch
                                    onderzoek met betrekking tot de verbouw, renovatie of
                                    restauratie van een beschermd monument of beeldbepalend pand of
                                    object;</al></li><li nr="8."><al>de ontwikkeling van ruimtelijke plannen bestemmingsplannen en/of
                                    andere planologische voornemens in relatie tot het cultureel
                                    erfgoed;</al></li><li nr="9."><al>het gemeentelijk monumentenbeleid in algemene zin.</al></li><li nr="10."><al>De advisering t.a.v. welstandsaspecten van aanvragen voor een
                                    omgevingsvergunning voor beschermde monumenten, dan wel
                                    bouwwerken gelegen in een gemeentelijk of rijks beschermd
                                    dorpsgezicht of bouwwerken onderdeel uitmakend van een ensemble,
                                    zoals neergelegd in artikel 9 van de Bouwverordening
                                    Eijsden-Margraten 2015. </al></li><li nr="11."><al>de advisering t.a.v. welstandsaspecten van aanvragen voor een
                                    omgevingsvergunning voor beeldbepalende panden.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 4 De samenstelling, benoeming, ontslag en werkwijze van de
                                commissie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De samenstelling en de benoeming en ontslag van de leden van de
                                    commissie en de werkwijze is geregeld in het “Reglement van orde
                                    voor Monumentencommissie District Mergelland”. </al></li><li nr="2."><al>Indien de commissie niet beschikt over specialistische kennis op
                                    het terrein van de archeologie, bouwhistorie, kunsthistorie, of
                                    historische geografie kan zij zich op ad hoc basis laten
                                    adviseren door deskundigen met deze specifieke kennis.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Gemeentelijke Dorpsgezichten</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 5 De aanwijzing van een gemeentelijk
                            dorpsgezicht</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan een gebied
                                    aanwijzen tot beschermd gemeentelijk dorpsgezicht.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college van burgemeester en wethouders tot
                                    aanwijzing overgaat, vraagt het advies aan de
                                    monumentencommissie.</al></li><li nr="3."><al>Het college van burgemeester en wethouders kan ten behoeve van
                                    de aanwijzing van een gemeentelijk dorpsgezicht bepalen dat een
                                    onderzoek wordt verricht.</al></li><li nr="4."><al>De aanwijzing kan geen gebied betreffen dat is aangewezen op
                                    grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 6 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op de aanwijzingsprocedure en het aanwijzingsbesluit is de
                                    voorbereidingsprocedure als omschreven in Afdeling 3.4 van de
                                    Algemene wet bestuursrecht van toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De monumentencommissie adviseert binnen 4 weken na de datum van
                                    ontvangst van het verzoek van het college van burgemeester en
                                    wethouders.</al></li><li nr="3."><al>Het college van burgemeester en wethouders stelt op basis van
                                    het advies van de monumentencommissie een ontwerp besluit
                                    op.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 7 Voorbescherming</vet></al><al>Met ingang van de datum waarop publicatie als bedoeld in Afdeling 3.4 de
                            Algemene wet bestuursrecht van het voornemen tot aanwijzing heeft
                            plaatsgevonden, tot dat inschrijving in het register, bedoeld in artikel
                            17 lid 1 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het gemeentelijk
                            dorpsgezicht niet wordt aangewezen, zijn de artikelen 10 en 11 van
                            overeenkomstige toepassing.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Vaststellen bestemmingsplan</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad stelt ter verdere bescherming van een
                                    gemeentelijk dorpsgezicht een bestemmingsplan vast als bedoeld
                                    in de Wet op de Ruimtelijke Ordening.</al></li><li nr="2."><al>In dit bestemmingsplan wordt ter verwezenlijking van de
                                    bescherming nadere regels opgenomen, die actieve bescherming van
                                    het aangewezen gemeentelijk dorpsgezicht waarborgt.</al></li><li nr="3."><al>Bij het besluit tot aanwijzing van een gemeentelijk dorpsgezicht
                                    wordt door het college van burgemeester en wethouders, gehoord
                                    de monumentencommissie, bepaald in hoeverre het vigerende
                                    bestemmingsplan kan worden aangemerkt als beschermend plan in de
                                    zin van lid 1.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 9 Wijzigen van de aanwijzing</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                    de aanwijzing wijzigen.</al></li><li nr="2."><al>Op de wijziging van de aanwijzing zijn de artikelen 5 lid 2, 6
                                    en 7 van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                    ondergeschikte betekenis is, blijft de overeenkomstige
                                    toepassing van lid 2 van dit artikel achterwege, en beslist het
                                    college binnen een termijn van 4 weken na ontvangst van de
                                    aanvraag.</al></li><li nr="4."><al>De inhoud en datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                    erfgoedlijst aangetekend.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 10 Instandhoudingsbepaling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden om een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht te
                                    verstoren, te beschadigen, te vernielen of te gebruiken of te
                                    laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd
                                    of in gevaar gebracht.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden om zonder vergunning als bedoeld in artikel 2.2
                                    lid 1 sub c van de Wabo, of in strijd met de bij deze vergunning
                                    gestelde voorschriften bouwwerken in of onderdelen van een
                                    gemeentelijk dorpsgezicht af te breken of te verplaatsen.</al></li><li nr="3."><al>Om aannemelijk te maken dat op de plaats van het te slopen
                                    bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd is het
                                    noodzakelijk dat gelijktijdig met de aanvraag als bedoeld in lid
                                    2 tevens een vergunning wordt gevraagd tot het oprichten van een
                                    nieuw bouwwerk op de plaats van het te slopen bouwwerk, tenzij
                                    het naar oordeel van de Monumentencommissie vanwege historische
                                    – ruimtelijke overwegingen niet noodzakelijk is om op de plaats
                                    van het te slopen bouwwerk een nieuw bouwwerk op te
                                    richten.</al></li><li nr="4."><al>Indien het af te breken bouwwerk naar oordeel van de
                                    Monumentencommissie cultuur- of bouwhistorische waarden bevat,
                                    kan college van burgemeester en wethouders een onderzoek
                                    (sloopdocumentatie) van de aanvrager verlangen waarin het te
                                    slopen object is gedocumenteerd. De diepgang van dit onderzoek
                                    is afhankelijk van de aanwezige cultuurhistorische waarden.</al></li><li nr="5."><al>Voor zover door de gemeenteraad geen bestemmingsplan als bedoeld
                                    in artikel 8 lid 1 is vastgesteld, is het verboden om zonder of
                                    in afwijking van een vergunning als bedoeld in artikel 2.2 lid 1
                                    van de Wabo een gemeentelijk dorpsgezicht in enig opzicht te
                                    wijzigen.</al></li><li nr="6."><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het vijfde
                                    lid, gelden niet indien het college nadere regels stelt met
                                    betrekking tot de wijze waarop ondergeschikte werkzaamheden
                                    dienen te worden uitgevoerd.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Archeologische Monumenten en – Verwachtingszones</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 11 De aanwijzing als archeologisch monument en
                                archeologische verwachtingszone</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan een terrein waarin archeologische waarden
                                    aanwezig zijn, aanwijzen tot archeologisch monument.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan een gebied waarin archeologische waarden
                                    verwacht worden, aanwijzen tot archeologische
                                    verwachtingszone.</al></li><li nr="3."><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt
                                    het advies aan de monumentencommissie en stelt het, voor zover
                                    mogelijk, de eigenaar en beperkt zakelijk gerechtigden in de
                                    gelegenheid te worden gehoord.</al></li><li nr="4."><al>Het college stelt de gemeenteraad in kennis van het besluit over
                                    de aanwijzing van een archeologisch monument of archeologische
                                    verwachtingszone.</al></li><li nr="5."><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op
                                    grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 12 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Op de aanwijzingsprocedure en het aanwijzingsbesluit is de
                                    voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 van de Awb van
                                    toepassing.</al></li><li nr="2."><al>De monumentencommissie adviseert binnen 4 weken na de datum van
                                    ontvangst van het verzoek van het college.</al><al/></li></lijst><al><vet>Artikel 13 Mededeling aanwijzingsbesluit</vet></al><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 11 wordt medegedeeld aan degenen
                            die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel/></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 14 Wijzigen van de aanwijzing</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                    de aanwijzing wijzigen.</al></li><li nr="2."><al>Op de wijziging van de aanwijzing zijn de artikelen 11 derde
                                    lid, 12 en 13 van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3."><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                    ondergeschikte betekenis is, blijft de overeenkomstige
                                    toepassing van lid 2 van dit artikel achterwege, en beslist het
                                    college binnen een termijn van 4 weken na ontvangst van de
                                    aanvraag.</al></li><li nr="4."><al>De inhoud en datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                    erfgoedlijst aangetekend.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 15 Vaststellen bestemmingsplan</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad stelt ter verdere bescherming van archeologische
                                    monumenten of archeologische verwachtingszones een
                                    bestemmingsplan vast als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening
                                    (Wro). Bij het besluit tot aanwijzing kan hiertoe een termijn
                                    worden gesteld.</al></li><li nr="2."><al>In dit bestemmingsplan worden ter verwezenlijking van de
                                    bescherming van de in lid 1 genoemde onderdelen regels
                                    opgenomen, die actieve bescherming waarborgt;</al></li><li nr="3."><al>Bij het besluit tot aanwijzing van een archeologische monumenten
                                    of archeologische verwachtingszones wordt door het college,
                                    gehoord de monumentencommissie, bepaald in hoeverre het
                                    vigerende bestemmingsplan reeds kan worden aangemerkt als
                                    beschermend plan in de zin van lid 1.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 16 Instandhoudingsbepalingen archeologie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Voor zover door de gemeenteraad geen bestemmingsplan als bedoeld
                                    in artikel 9 is vastgesteld is het verboden om in een
                                    archeologisch monument of in een archeologische verwachtingszone
                                    zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, als bedoeld
                                    in artikel 2.1, eerste lid, onder a, b, c en h van de Wabo, het
                                    archeologische bodemarchief te verstoren of te vernielen door
                                    grondwerk te verrichten. Voor gebieden met waarde categorie 1 is
                                    altijd een vergunning vereist.</al></li><li nr="2."><al>De aanvrager van een omgevingsvergunning als bedoeld in het
                                    eerste lid, legt een rapport over waarin de archeologische
                                    waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden
                                    verstoord in voldoende mate is vastgesteld. </al></li><li nr="3."><al>De in het tweede lid genoemde verplichting is niet van
                                    toepassing indien het gaat om werkzaamheden ten behoeve van een
                                    omgevingsvergunning, als bedoeld in het eerste lid, waarvan de
                                    diepte van de verstoring valt binnen de volgende per
                                    waardecategorie, zoals aangegeven op de archeologische
                                    beleidskaart, gespecificeerde criteria:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>voor waarde archeologie 2, 3, 4 een diepte van 0,30 m onder het
                                    maaiveld, indien gelegen buiten de krachtens de Wegenverkeerswet
                                    1994 vastgestelde bebouwde kom. </al></li><li nr="b."><al>voor waarde archeologie 5 een diepte van 0,40 m onder het
                                    maaiveld, indien gelegen buiten de krachtens de Wegenverkeerswet
                                    1994 vastgestelde bebouwde kom.</al></li><li nr="c."><al>voor waarde archeologie 2, 3, 4 en 5 een diepte van 0,50 m onder
                                    het maaiveld, indien gelegen binnen de krachtens de
                                    Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>De in het tweede lid genoemde verplichting is voorts niet van
                                    toepassing indien de werkzaamheden ten behoeve van een
                                    omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid, per
                                    waardecategorie weliswaar dieper gaan dan de in het derde lid
                                    genoemde criteria, maar betrekking hebben op een op totaal te
                                    vergraven en/of totaal te bebouwen oppervlak dat kleiner is dan
                                    de volgende per waardecategorie, zoals aangegeven op de
                                    archeologische beleidskaart, gespecificeerde criteria:</al></li></lijst><lijst><li nr="a."><al>waarde archeologie 2: 100 m2 </al></li><li nr="b."><al>waarde archeologie 3: 250 m2 </al></li><li nr="c."><al>waarde archeologie 4: 500 m2 </al></li><li nr="d."><al>waarde archeologie 5: 1000 m2.</al></li><li nr="5."><al>De in het tweede lid genoemde verplichting is voorts niet van
                                    toepassing in gebieden welke op de archeologische beleidskaart
                                    zijn aangegeven met waarde archeologie 6, tenzij het een
                                    bestemmingswijzigingen betreft of een omgevingsvergunning met
                                    ruimtelijke onderbouwing, waarbij in beide gevallen de
                                    ontwikkeling omvangrijker is dan 25.000 m² <cursief>en</cursief>
                                    dieper reikt dan 40 cm.</al></li><li nr="6."><al>Indien het gebied waarvoor de vergunning gevraagd wordt, gelegen
                                    is in gebieden met verschillende waardecategorieën, geldt het
                                    criterium van de waardecategorie met het laagste
                                    indicatiegetal.</al></li><li nr="7."><al>Het college verleent de vergunning indien naar zijn oordeel uit
                                    het rapport als bedoeld in het tweede lid genoegzaam blijkt
                                    dat:</al><lijst><li nr="a."><al>er geen archeologische waarden zijn te verwachten of
                                            aanwezig zijn of kunnen worden geschaad;</al></li><li nr="b."><al>schade door de vergunningsplichtige activiteiten kan
                                            worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt
                                            door het in acht nemen van aan de vergunning verbonden
                                            voorschriften.</al></li></lijst></li><li nr="8."><al>In de situatie als bedoeld in het zesde lid, onderdeel b, kunnen
                                    burgemeester en wethouders de volgende voorschriften aan de
                                    omgevingsvergunning verbinden:</al></li><li nr="a."><al>de verplichting tot het treffen van technische maatregelen
                                    waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden
                                    behouden;</al></li><li nr="b."><al>de verplichting tot het doen van opgravingen, of</al></li><li nr="c."><al>de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te
                                    laten begeleiden volgens de eisen die in de Kwaliteitsnorm
                                    Nederlandse Archeologie aan archeologische begeleiding
                                    stelt.</al></li><li nr="9."><al>Indien een vergunningsaanvraag betrekking heeft op een locatie
                                    gelegen binnen waarde archeologie 1 (voor zover geen vanwege
                                    Rijkswege beschermd monument) of een locatie waarvoor bij een
                                    eerdere vergunningsaanvraag een rapport over de waarde is
                                    voorgelegd of een locatie waarvoor eerder voorschriften zijn
                                    gegeven welke hebben geleid tot een behoud van een
                                    archeologische vindplaats in de bodem, geldt het bepaalde in het
                                    zevende lid. Het college kan een geactualiseerd rapport
                                    verlangen en eerdere voorschriften als bedoeld in het zevende
                                    lid wijzigen.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 17 Opgravingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Eijsden-Margraten
                                    onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van
                                    opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988,
                                    waaronder bedoeld proefsleuven, opgravingen en archeologische
                                    begeleiding zoals omschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse
                                    Archeologie, dient onverminderd de overige bepalingen van deze
                                    wet het college een programma van eisen vast te stellen als
                                    bedoeld in artikel 1 onder m, waarbij voorwaarden worden gesteld
                                    ten aanzien van het onderzoek.</al></li><li nr="2."><al>Indien het archeologische programma van eisen niet door de
                                    gemeente zelf is opgesteld vraagt het college advies aan een
                                    onafhankelijk deskundige, zijnde een senior-archeoloog zoals
                                    omschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, om te
                                    beoordelen of het archeologische programma van eisen voldoet aan
                                    de kwaliteitsvoorwaarden van de archeologische monumentenzorg en
                                    het gemeentelijk archeologisch beleid.</al></li><li nr="3."><al>Het college vraagt advies aan een onafhankelijk deskundige zoals
                                    boven omschreven omtrent de kwaliteit van rapportages van
                                    uitgevoerd onderzoek en over door of namens belanghebbenden
                                    opgestelde conclusies en aanbevelingen met betrekking tot
                                    waardebepalingen en de aard van aan de vergunning te verbinden
                                    archeologische voorschriften.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 18 De aanvraag om vergunning</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 Besluit omgevingsrecht
                                    voor een vergunning als bedoeld in artikel 16 en de daarbij te
                                    overleggen gegevens en bescheiden wordt in enkelvoud
                                    ingediend.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                    ontvankelijke aanvraag om vergunning aan de monumentencommissie
                                    voor advies.</al></li><li nr="3."><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                    binnen de termijn vastgesteld door het college.</al></li><li nr="4."><al>Het bepaalde in de leden 1 en 2 is niet van toepassing indien de
                                    monumentencommissie reeds eerder positief heeft geadviseerd
                                    inzake de aanvraag om het wijzigen van het beschermd monument en
                                    het ingediende plan in overeenstemming is met het eerdere
                                    advies.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 19 Weigeringsgronden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van
                                    het cultureel erfgoed zich daartegen niet verzet. Bij de
                                    beslissing houdt het bevoegd gezag rekening met de bestaande en
                                    mogelijke toekomstige gebruiksfuncties van monumenten, gebieden
                                    of terreinen.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan aan een vergunning voorschriften verbinden
                                    in het belang van het cultureel erfgoed.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 20 Intrekken van de vergunning</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning kan door het bevoegde gezag worden ingetrokken
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                            onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder
                                            zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het
                                            cultureel erfgoed zwaarder dient te wegen;</al></li><li nr="c."><al>blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als
                                            bedoeld in artikel 16 lid 8 niet naleeft;</al></li><li nr="d."><al>niet binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van de
                                            vergunning, van de vergunning gebruik wordt
                                            gemaakt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Van de beschikking tot intrekking wordt een afschrift gezonden
                                    aan de monumentencommissie.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 21 Overig onderzoek</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Waarneming en onderzoek bij onvoorziene
                                        vondsten<cursief>.</cursief> Indien tijdens graaf-, bouw- of
                                    sloopwerkzaamheden onvoorziene vondsten zijn of worden
                                    aangetroffen, waarvan vast staat of redelijkerwijs het vermoeden
                                    bestaat dat zij van archeologische waarde zijn, worden deze
                                    onverwijld aan het college gemeld. Het college kan verlangen dat
                                    de werkzaamheden gedurende maximaal 2 werkdagen, doch zo kort
                                    mogelijk, worden opgeschort teneinde veiligstelling van de
                                    vondsten en overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel
                                    Erfgoed inzake de toepassing van artikel 56 Monumentenwet 1988,
                                    evenals overleg met alle betrokkenen inzake eventueel verder
                                    behoud of onderzoek mogelijk te maken.</al></li><li nr="2."><al>Onderzoek krachtens artikel 57, lid 2 Monumentenwet
                                        1988<cursief>. </cursief>Het college kan wegens de
                                    voorbereiding of uitvoering van een bestemmingsplan als bedoeld
                                    in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, een
                                    beheersverordening als bedoeld in artikel 3.38 van die wet of
                                    een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in
                                    artikel 2.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wabo bepalen dat
                                    een rechthebbende ten aanzien van een terrein moet dulden dat
                                    een terrein in het belang van archeologisch onderzoek wordt
                                    betreden, dat daarop metingen worden verricht dan wel dat daarin
                                    opgravingen worden gedaan, voor zover dat onderzoek dient ter
                                    voorbereiding of ter uitvoering daarvan.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Beeldbepalende panden en objecten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Aanduiding van beeldbepalende panden en objecten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het college kan, al dan niet op verzoek van belanghebbenden, een
                                voorstel doen aan de gemeenteraad om een onroerende zaak in een
                                bestemmingsplan aan te duiden als beeldbepalend pand of object.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Voordat het college voorstel doet aan de gemeenteraad tot
                                aanduiding in een bestemmingsplan, vraagt het college advies aan de
                                monumentencommissie.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Registratie en intrekking</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 23 Registratie op de gemeentelijke erfgoedlijst</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college registreert op de gemeentelijke erfgoedlijst. </al></li><li nr="1)"><al>een gemeentelijk dorpsgezicht;</al></li><li nr="2)"><al>een archeologisch monument of archeologische
                                    verwachtingszone;</al></li><li nr="3)"><al>een binnen een monument of verwachtingszone gelegen
                                    archeologische vindplaats met betrekking tot welke voorschriften
                                    als bedoeld onder artikel 1, onder q, aan een vergunning
                                    verbonden zijn, voor zover deze voorschriften tot geheel of
                                    gedeeltelijk behoud in de bodem geleid hebben.</al></li><li nr="4)"><al>een beeldbepalend pand of object.</al></li><li nr="2."><al>De gemeentelijke erfgoedlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                    de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een
                                    beschrijving van respectievelijk:</al></li><li nr="1)"><al>de esthetische kwaliteiten, ruimtelijke (bouw)historische
                                    kenmerken alsmede de wetenschappelijke en cultuurhistorische
                                    waarde van het gemeentelijke dorpsgezicht;</al></li><li nr="2)"><al>de wetenschappelijke en cultuurhistorische waarde van een
                                    archeologisch monument en van een archeologische vindplaats,
                                    indien met betrekking tot deze vindplaats voorschriften als
                                    bedoeld onder artikel 1, onder r, aan een vergunning verbonden
                                    zijn, voor zover deze voorschriften tot geheel of gedeeltelijk
                                    behoud in de bodem geleid hebben;</al></li><li nr="3)"><al>de kans op het aantreffen van archeologische waarden in een
                                    archeologische verwachtingszone.</al></li><li nr="3."><al>de beeldbepalende kwaliteiten en cultuurhistorische waarden van
                                    een door de gemeenteraad als beeldbepalend aangeduide onroerende
                                    zaak</al></li><li nr="4."><al>De gemeentelijke erfgoedlijst bevat tevens:</al></li><li nr="1)"><al>de plaatselijke aanduiding, de kadastrale aanduiding en de
                                    tenaamstelling van het perceel waarop of waarin het onder lid 1
                                    geregistreerde onderdeel is gelegen;</al></li><li nr="2)"><al>de gebiedsaanduiding, indien het een groter gebied betreft dat
                                    meerdere kadastrale percelen omvat. Deze dient op één kaart of
                                    meerdere kaarten, die deel uitmaken van het gemeentelijke
                                    erfgoedregister te worden aangegeven.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 24 Intrekken van de aanwijzing</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende,
                                    de aanwijzing intrekken.</al></li><li nr="2."><al>Voordat het college over de intrekking een besluit neemt, vraagt
                                    het advies aan de monumentencommissie en stelt het, voor zover
                                    mogelijk, de eigenaar en beperkt zakelijk gerechtigden in de
                                    gelegenheid te worden gehoord.</al></li><li nr="3."><al>De aanwijzing van een gemeentelijk dorpsgezicht wordt geacht te
                                    zijn ingetrokken, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 35
                                    van de Monumentenwet 1988.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan bepalen dat: </al><lijst><li nr="1)"><al>een beschermd dorpsgezicht;</al></li><li nr="2)"><al>een archeologisch monument;</al></li><li nr="3)"><al>een archeologische verwachtingszone;</al></li><li nr="4)"><al>een binnen een monument of verwachtingszone gelegen
                                            archeologische vindplaats met betrekking tot welke
                                            voorschriften als bedoeld onder artikel 1, onder n, aan
                                            een vergunning verbonden zijn, voor zover deze
                                            voorschriften tot geheel of gedeeltelijk behoud in de
                                            bodem geleid hebben;</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr=""><al>geheel of gedeeltelijk moeten worden gedocumenteerd alvorens de
                                    aanwijzing wordt ingetrokken.</al></li></lijst><lijst><li nr="5."><al>Het besluit van intrekking wordt op de gemeentelijke
                                    erfgoedlijst geregistreerd.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 25 Registratie van de vergunningen op de gemeentelijke
                                erfgoedlijst</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het college registreert de vergunning tot het verrichten van
                                    (bouw)werkzaamheden in een gemeentelijk dorpsgezicht en graaf-
                                    en of bouwwerkzaamheden in een archeologisch monument of
                                    archeologisch verwachtingsgebied met vermelding van de eventueel
                                    aan de vergunning verbonden voorschriften.</al></li><li nr="2."><al>Na wijziging van een gemeentelijk dorpsgezicht of een
                                    archeologisch monument of archeologisch verwachtingsgebied kan
                                    de redengevende omschrijving dienovereenkomstig worden
                                    aangepast.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Slot- en Overgangsbepalingen</titel></kop><structuurtekst><al><vet>Artikel 26 Tegemoetkoming in schade</vet></al><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie
                            staat tot:</al><lijst><li nr="1."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 10 en te verlenen;</al></li><li nr="2."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                    vergunning als bedoeld in 12;</al></li><li nr="3."><al>uitvoering van werkzaamheden als bedoeld in artikel 18, tweede
                                    lid van deze verordening;</al></li><li nr="4."><al>voor de behandeling van de aanvragen om schadevergoeding geldt
                                    dezelfde procedure als voor planschade op basis van artikel 6.1.
                                    t/m 6.7 van de Wet ruimtelijke ordening.</al></li></lijst><al/><al><vet>Artikel 27 Strafbepaling</vet></al><al>Degene, die al dan niet opzettelijk, handelt in strijd met het bepaalde
                            in deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie. </al><al/><al><vet>Artikel 28 Toezichthouders</vet></al><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de bij besluit van het college aan te wijzen
                            personen.</al><al/><al><vet>Artikel 29 slotbepalingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al> De verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.
                                </al></li><li nr="2."><al> De “Erfgoedverordening Margraten”, vastgesteld op 5 oktober
                                    2010 en de “Monumentenverordening Eijsden 1997” vastgesteld op 6
                                    mei 1997 worden gelijktijdig met het in werking treden van deze
                                    verordening ingetrokken. </al></li><li nr="3."><al> De gemeentelijke monumenten, gemeentelijke dorpsgezichten,
                                    archeologische monumenten of archeologische verwachtingszones,
                                    die zijn geregistreerd op grond van de in lid 2 vervallen
                                    verordeningen, worden geacht te zijn aangewezen en geregistreerd
                                    overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. </al></li><li nr="4."><al> De aanvragen om vergunning, die zijn ingediend vóór de
                                    inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld
                                    overeenkomstig de bepalingen van de in lid 2 genoemde
                                    ingetrokken verordening. </al></li><li nr="5."><al> Deze verordening wordt aangehaald als “Erfgoedverordening
                                    gemeente Eijsden-Margraten 2013 (eerste aanpassing)”.</al></li></lijst><al/></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>TOELICHTING</label><nr/><titel/></kop><al>In de Monumentenwet 1988 wordt in artikel 15 de vaststelling van een
                    erfgoedverordening geëist:“De gemeenteraad stelt een verordening vast waarin ten
                    minste de inschakeling wordt geregeld van een commissie op het gebied van de
                    monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om
                    een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste
                    lid, onderdeel f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Van de
                    commissie maken geen deel uit leden van burgemeester en wethouders van de
                    desbetreffende gemeente. Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het
                    gebied van de monumentenzorg”.In het kader van de fusie en de daaruit
                    voortvloeiende harmonisatie van de regelgeving van de gemeente Eijsden-Margraten
                    is het noodzakelijk te komen tot één erfgoedverordening voor de gehele
                    gemeente.Zaken die in de Erfgoedverordening Gemeente Eijsden-Margraten 2013
                    (eerste aanpassing) worden geregeld zijn: 1. de inschakeling van Monumenten
                    Commissie als adviesorgaan voor de aanwijzing van monumenten tot beschermd
                    monument; 2. de aanwijzing van dorpsgezichten tot beschermde dorpsgezichten; de
                    aanduiding van beeldbepalende panden en objecten; de aanwijzing van
                    archeologische monumenten en verwachtingsgebieden, het vergunningenstelsel met
                    betrekking tot behoud en onderzoek van archeologische waarden en vindplaatsen en
                    de te stellen eisen aan archeologisch onderzoek.Het aanvragen van een vergunning
                    op grond van de Erfgoedverordening wordt beschouwd als een activiteit in de zin
                    van de Wabo. De bepalingen in de Wabo met betrekking tot het indienen,
                    behandelen en het nemen van een beslissing op een aanvraag zijn, naast de in de
                    verordening opgenomen bepalingen, van toepassing op de afhandeling van een
                    aanvraag om vergunning. Ook de bepalingen in de Wabo, de Awb en de zijn van
                    toepassing op de Erfgoedverordening.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1 Begripsbepalingen</vet></al><al><vet><cursief>Sub a</cursief></vet> Bij de omschrijving van het begrip monument
                    is de omschrijving uit de Monumentenwet 1988. Cultuurhistorische waarde is
                    volgens de Memorie van Toelichting de aan een bouwwerk of gebied toegekende
                    waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat de mens in
                    de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of gebied heeft gemaakt. Het begrip
                    cultuurhistorische waarde is dermate ruim dat het ook betrekking kan hebben op
                    zaken en gebieden met een geschiedkundige waarde. Als ‘zaak’ kunnen niet alleen
                    alle gebouwen, bouwwerken, straatmeubilair, parken, begraafplaatsen, groen en
                    landschapselementen, waterwerken (waaronder bruggen en sluizen) en andere
                    infrastructurele werken worden aangemerkt, maar ook roerende en onroerende
                    archeologische objecten, soms bovengronds zichtbaar, meestal niet (grafheuvels,
                    vuursteenmijnen, paalsporen van houten gebouwen, stenen resten van Romeinse en
                    middeleeuwse gebouwen, aardewerk, stenen bijlen, etc. etc.). Zaken met een
                    sterke onderlinge samenhang, maar ook groepen van gelijke of seriematig tot
                    stand gekomen gebouwen kunnen als ‘terrein’ worden beschreven. Daarbij kan
                    gedacht worden aan straatwanden, bebouwing aan pleinen en series identieke of
                    vrijwel identieke woonhuizen, en aan terreinen waar archeologische objecten
                    aanwezig zijn. Doorgaans wordt dit complex van bebouwing en stedelijke ruimte
                    aangeduid als ‘openbare ruimte’.</al><al><vet><cursief>Sub b en c</cursief></vet> Met de hier genoemde beschermde
                    monumenten en stads- of dorpsgezichten worden de Rijksbeschermde monumenten
                    en/of dorpsgezichten bedoeld. Een beschermd dorpsgezicht is een groep van één of
                    meerdere gebouwen, die samen met hun directe omgeving van algemeen belang
                        zijn.</al><al><vet><cursief>Sub d</cursief></vet> Bij de definitie van een gemeentelijk
                    dorpsgezicht is aansluiting gezocht bij de definitie van een beschermd
                    dorpsgezicht in het kader van de Monumentenwet 1988. Volgens de memorie van
                    toelichting bestaat het aanwijzingscriterium voor een beschermd stads- of
                    dorpsgezicht niet alleen uit een visueel schoonheidsaspect, maar ook uit andere
                    factoren die het karakter van een gebied bepalen, zoals het historisch gegroeide
                    stedenbouwkundig patroon, gevormd door de nederzettingsstructuur, de verhouding
                    tussen de bebouwde en onbebouwde ruimten, de bouwvormen en de samenhang in het
                    gebruik van grond en opstallen.<vet><cursief>Sub e</cursief></vet> Er is sprake
                    van een religieus monument indien het monument uitsluitend of voor een
                    overwegend deel wordt gebruikt voor het belijden van godsdienst of
                    levensovertuiging. Dit houdt verband met de vrijheid van godsdienstuitoefening
                    geregeld in artikel 6 van de Grondwet. Voor onderdelen die niet ten dienste
                    staan van het belijden van de godsdienst of levensovertuiging en waar er door
                    opleggen van nadere eisen geen sprake is van beperkingen van deze
                    godsdienstvrijheid is de term religieus monument daarom niet van
                    toepassing.</al><al><vet><cursief>Sub f en g</cursief></vet> Archeologische monumenten worden
                    overgenomen van de landelijke Archeologische Monumentenkaart. Een archeologisch
                    monument is volgens de Monumentenwet een terrein waarin archeologische objecten
                    blijkens eerdere vondsten of onderzoek of historische gegevens aanwezig zijn.
                    Een archeologisch verwachtingsgebied is een gebied waar zulke objecten verwacht
                    worden. Een deel van de archeologisch monumenten is wettelijk beschermd. Over
                    beschermde archeologische monumenten heeft de gemeente geen zeggenschap. Deze
                    vallen onder de bevoegdheid van de Minister van OCW.</al><al><vet><cursief>Sub h en i</cursief></vet> De verordening geeft de mogelijkheid om
                    archeologische monumenten en verwachtingszones aan te wijzen. De Monumentenwet
                    1988 bepaalt in art 38a dat het gemeentelijke archeologiebeleid in
                    bestemmingsplannen moet worden verankerd en dat rekening moet worden gehouden
                    met verwachte en bekende (in de grond aanwezige) monumenten. Omdat met de
                    herziening van alle bestemmingsplannen enige tijd is gemoeid, is het
                    noodzakelijk om via deze verordening een soort van voorbescherming te regelen.
                    De regels en voorwaarden die op grond van deze verordening worden gesteld komen
                    overeen met de regels en voorwaarden die (uiteindelijk) ook in het
                    bestemmingsplan worden gesteld. De gebieden met bekende en verwachte
                    archeologische objecten, dat wil zeggen de archeologische monumenten en de
                    archeologische verwachtingsgebieden, zijn vastgelegd op de gemeentelijke
                    archeologische waardenkaart. Deze is gebaseerd op de landelijke Archeologische
                    Monumentenkaart (AMK), waarop de monumenten aangegeven staan, ingedeeld in vier
                    categorieën: terreinen van zeer hoge archeologische waarde, beschermd krachtens
                    art 3 MW 1988; terreinen van zeer hoge archeologische waarde; terreinen van hoge
                    archeologische waarde; terreinen van archeologische waarde. Op de AMK vallen
                    historische dorpskernen onder de terreinen van hoge archeologische waarde. De
                    verwachtingsgebieden zijn bepaald volgens een landelijke gehanteerde indeling in
                    gebieden met hoge, middelhoge, lage verwachting en gebieden met lage
                    verwachting, maar met kans op bijzondere vondsten. Het woord verwachting is hier
                    kwantitatief gebruikt en betekent trefkans. Omdat landelijke verwachtingskaarten
                    te globaal zijn en bovendien niet afgestemd op het Zuid-Limburgse landschap, is
                    een speciale gemeentelijke verwachtingskaart gemaakt. Van de waardenkaart is een
                    vereenvoudigde beleidskaart afgeleid waarop 6 categorieën staan. Deze vormt de
                    grondslag voor het gevoerde beleid (zie artikel 13). Omdat een archeologisch
                    monument en archeologisch verwachtingsgebied betrekking kan hebben op een groot
                    aantal kadastrale percelen, is het niet mogelijk om elk perceel afzonderlijk in
                    het erfgoedregister op te nemen. Om deze reden zijn de archeologische monumenten
                    en archeologische verwachtingszones aangegeven op een kaart die onderdeel
                    uitmaakt van het erfgoedregister.</al><al><vet><cursief>Sub j</cursief></vet> Beeldbepalende panden en objecten dragen bij
                    aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. Om te beoordelen of een pand of
                    object beeldbepalend is wordt onder andere gekeken naar de cultuurhistorische
                    waarden, architectuur- en kunsthistorische waarden, situationele en
                    ensemblewaarden, gaafheid, herkenbaarheid en zeldzaamheid, conform de
                    Waarderingscriteria voor bouwkunst van de Rijksdienst voor het Cultureel
                    Erfgoed. Van de potentiele beeldbepalende panden en objecten wordt een beknopte
                    beschrijving opgesteld. Deze beschrijving wordt voorgelegd aan de
                    monumentencommissie om te beoordelen of het pand of object kan worden
                    gekwalificeerd als beeldbepalend. Bij een positief advies zal het college aan de
                    gemeenteraad voorstellen om de onroerende zaak in een bestemmingsplan aan te
                    duiden als beeldbepalend. Ook zal het worden beschermd via de
                        welstandsnota.</al><al><vet><cursief>Sub k</cursief></vet> Het plaatsen op de erfgoedlijst heeft geen
                    rechtsgevolg. Het betreft slechts een administratieve handeling. Voorafgaand aan
                    de plaatsing op de lijst is het de aanwijzing die rechtsgevolg beoogt. De
                    aanwijzing en de plaatsing op de lijst zijn daarom uit elkaar getrokken. Zie ook
                    artikel 3, lid 1, en artikel 6.</al><al><vet><cursief>Sub l</cursief></vet> Omdat het onderzoek mede het toetsingskader
                    voor de vergunningaanvraag vormt, is het noodzakelijk dat het onderzoek een
                    onafhankelijk en deskundig karakter heeft. Daarnaast kan het onderzoek fungeren
                    als inspiratiekader voor de plannenmaker. De bouwhistorische onderzoeken moeten
                    voldoen aan de landelijk vastgestelde richtlijnen voor bouwhistorisch onderzoek,
                    opgesteld onder auspiciën van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed,
                    Stichting Bouwhistorie Nederland, Atelier Rijksbouwmeester en
                    Rijksgebouwendienst. De archeologische onderzoeken moeten voldoen aan de
                    Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (zie sub r).</al><al><vet><cursief>Sub m</cursief></vet> Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 stelt
                    dat gemeenten de bij verordening de inschakeling van een commissie, die het
                    college adviseert over aanvragen om vergunning als bedoeld in artikel 2.2 van de
                    Wabo, is verplicht op grond van artikel 15 van de Monumentenwet 1988. Deze
                    commissie adviseert tevens over aanwijzingen en aanvragen om vergunning als
                    bedoeld in artikel 3, 10 en 18 van deze verordening. De commissie is zowel
                    onafhankelijk als deskundig op het gebied van monumentenzorg. Door het ontbreken
                    van keuzevrijheid is er geen strijdigheid met het duale uitgangspunt van het
                    bestuur wanneer in deze verordening de raad bepaalt dat er een commissie is die
                    adviseert aan het college. In Eijsden-Margraten is dit de Welstands- en
                    Monumentencommissie district Mergelland. De commissie wordt niet geleid door
                    bestuurlijke belangen en beschikt over enkele leden met deskundigheid op het
                    gebied van monumentenzorg. Naast monumentenzorg is het wenselijk dat ook de
                    disciplines archeologie, cultuurhistorie, bouw/architectuurhistorie, restauratie
                    en landschap en (historische) stedenbouw in de commissie vertegenwoordigd moeten
                        zijn.</al><al><vet><cursief>Sub n, o, p en q</cursief></vet> Het archeologiebeleid is
                    gebaseerd op het Verdrag van Malta uit 1992, waarin is overeengekomen dat
                    primaire beleidsdoel is het archeologisch erfgoed duurzaam in de bodem te
                    behouden (behoud <cursief>in situ</cursief>) door verstoring te voorkomen. Als
                    dat niet mogelijk is moet datgene dat waardevol is bevonden, voorafgaande aan de
                    verstoring worden gedocumenteerd (opgegraven; behoud <cursief>ex situ</cursief>)
                    waarbij het principe is: de verstoorder betaalt. Wat van waarde is wordt vooral
                    afgemeten aan de parameters gaafheid, zeldzaamheid en informatiewaarde. Van elk
                    onderzoek moet een rapport worden gemaakt, waarbij het Verdrag van Malta
                    voorschrift dat de bevolking kennis moet kunnen nemen van de geschiedenis van
                    hun woonplaats. Kenmerkend voor de archeologie is dat maar in beperkte mate
                    vooraf bekend is waar archeologische locaties liggen is en wat hun waarde is. De
                    gebieden waarvan bekend is of aangenomen kan worden, dat zij archeologisch
                    waardevol zijn, vallen in de categorie archeologische monumenten, maar dat wil
                    niet zeggen dat deze tot in detail bekend zijn. Van verwachtingsgebieden wordt
                    vooral om landschappelijke redenen aangenomen dat er archeologische vindplaatsen
                    kunnen liggen in een grotere of geringere hoeveelheid. Van de waarde van
                    eventuele vindplaatsen in verwachtingsgebieden kan van te voren niets gezegd
                    worden. In de meeste gevallen is het daarom nodig om bij een voorgenomen ingreep
                    (bouw- of graafwerkzaamheden) een<cursief>inventariserend archeologisch
                        onderzoek</cursief> (IVO) uit te voeren dat leidt tot een rapport over de
                    waarde van het te verstoren terrein. Een IVO begint in de regel met een
                    verkennend of karterend booronderzoek (alleen in historische kernen is dat
                    meestal niet zinvol) en wordt als er een vindplaats aanwezig is, voortgezet met
                    proefsleuven om de waarde te bepalen. In de praktijk blijkt in veel gevallen dat
                    er geen archeologische vindplaats aanwezig is of dat deze niet gaaf genoeg is.
                    Vaak is dat na de eerste fase (booronderzoek) al duidelijk. Dan zijn geen
                    verdere maatregelen nodig. Soms blijkt op (een deel van) het terrein een
                    waardevolle vindplaats aanwezig te zijn. Op basis van een rapport over de waarde
                    neemt het college een besluit (het zogenaamde selectiebesluit) of er voorwaarden
                    aan de vergunning gesteld moeten worden. Vaak kan de vindplaats in de bodem
                    behouden blijven, bijvoorbeeld omdat de archeologie dieper blijkt te liggen dan
                    het onderste niveau van de ingreep. De toegestane diepte wordt dan als
                    voorschrift aan de omgevingsvergunning gehecht. Soms echter moet de vindplaats
                    worden opgegraven. Een opgraving komt in een gemeente als Eijsden-Margraten
                    slechts sporadisch voor. In sommige gevallen is het praktischer om het werk te
                    begeleiden en daarbij de vindplaats te documenteren. Indien een waardevolle
                    vindplaats <cursief>in situ </cursief>behouden kan blijven, wordt dit
                    geregistreerd. Indien later voor deze locatie een andere vergunning wordt
                    gevraagd, is er geen inventariserend onderzoek meer nodig. Als de nieuwe
                    vergunning wel tot verstoring leidt, kan het college alsnog tot een opgraving
                    besluiten.</al><al/><al><vet>Artikel 2 Het gebruik van het monument</vet></al><al>1. Het betreft hier de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar/gebruiker toekent
                    aan het pand. Het gebruik van het monument betreft niet zozeer de planologische
                    bestemming van het monument, als wel de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar
                    daaraan toekent.</al><al>2. Bij aanwijzing van een religieus object als beschermd gemeentelijk monument
                    is overleg nodig met de eigenaar. Ook bij de vergunningsprocedure voor het
                    wijzigen van een beschermd religieus monument moet overleg worden gepleegd met
                    de eigenaar en dient ter zake overeenstemming te zijn. De noodzaak van
                    overeenstemming betreft de wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in
                    het religieuze monument.</al><al/><al><vet>Artikel 3 De taken van de commissie</vet></al><al>In dit artikel zijn de taken van de monumentencommissie nader
                    gespecificeerd. Door de taken van de monumentencommissie op deze wijze aan te
                    geven is het voor een ieder duidelijk op welke activiteiten en momenten de
                    commissie adviseert.</al><al><vet>1. en 4.</vet> Het betreft hier de wettelijke taken, zoals vastgelegd in de
                    Monumentenwet 1988.</al><al><vet>2, 3 en 5.</vet> Het betreft hier taken die voortvloeien uit de bepalingen
                    in deze verordening.</al><al><vet>6.</vet> Bij een restauratie kan de monumentencommissie om advies worden
                    gevraagd ten aanzien van complexe technische aspecten.</al><al><vet>7.</vet> De commissie kan adviseren over de noodzaak tot cultuurhistorisch,
                    bouwhistorisch of archeologisch onderzoek teneinde meer klaarheid te brengen in
                    de geschiedenis van een gebouw en om te voorkomen dat onbekende elementen, zoals
                    ondergrondse resten van oudere bouwfases, verloren gaan.</al><al><vet>8.</vet> De Beleidsnota over Modernisering van de Monumentenzorg gaat
                    nadrukkelijk uit van het verankeren van cultuurhistorische waarden in het
                    bestemmingsplan. Dit is de reden om ook ten aanzien van ruimtelijke plannen en
                    planologische voornemens eveneens advies in te winnen bij de commissie.</al><al><vet>9. </vet>De commissie wordt verzocht om advies uit te brengen inzake het
                    monumentenbeleid in algemene zin, bijvoorbeeld ten behoeve van de ontwikkeling
                    van een Beleidsnota Monumentenzorg, deze verordening etc. </al><al><vet>10. </vet>In artikel 2.10 lid 1 sub d van de Wabo juncto artikel 12 lid 1
                    onder a van de Woningwet is aangegeven dat een aanvraag om een
                    omgevingsvergunning getoetst moet worden aan redelijke eisen van welstand. In
                    artikel 12b van de Woningwet is aangegeven dat deze toetsing gebeurt door de
                    Welstandscommissie dan wel de Dorpsbouwmeester. In de Bouwverordening moet dit
                    nader uitgewerkt worden. In de vigerende Bouwverordening van de gemeente
                    Eijsden-Margraten is in hoofdstuk 9 geregeld dat een dorpsbouwmeester adviseert
                    over de welstandsaspecten. Aanvragen om omgevingsvergunning voor monumenten dan
                    wel voor bouwwerken in beschermde dorpsgezichten en voor bouwwerken in ensembles
                    worden echter niet voor advies voorgelegd aan de dorpsbouwmeester maar aan de
                    Monumentencommissie. In de Erfgoedverordening gemeente Eijsden-Margraten 2013
                    zijn in artikel 3 de taken van de Monumentencommissie beschreven. In artikel 3
                    is niet opgenomen dat de monumentencommissie bevoegd is te adviseren over
                    welstandsaspecten ten aanzien van monumenten en bouwwerken in beschermde
                    dorpsgezichten dan wel ensembles. Middels deze wijziging wordt deze taak in de
                    Erfgoedverordening aan de Monumentencommissie toegekend. Gelijktijdig wordt de
                    Bouwverordening aangepast.</al><al/><al><vet>Artikel 4 De samenstelling, benoeming, ontslag en werkwijze van de
                        commissie.</vet></al><al>1. In de gemeente Eijsden-Margraten is er voor gekozen om gebruik te maken van
                    de Monumentencommissie district Mergelland. De samenstelling benoeming, ontslag
                    en werkwijze van de commissie in geregeld in het reglement op deze
                    commissie.</al><al>2. Bij specialistische onderdelen kan gebruik worden gemaakt van de kennis en
                    expertise van ter zake kundige adviesbureaus of er kan een beroep worden gedaan
                    op buurgemeenten.</al><al/><al><vet>Artikel 5 De aanwijzing van een gemeentelijk dorpsgezicht</vet></al><al>Dit artikel behandelt de aanwijzingsprocedure aangaande beschermde stads-
                    of dorpsgezichten.</al><al>1. De aanwijzing als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht en het plaatsen op de
                    erfgoedlijst zijn uit elkaar getrokken. Het aanwijzingsbesluit heeft
                    rechtsgevolg, de registratie op de erfgoedlijst betreft daarna slechts een
                    administratieve handeling. De gemeenteraad stelt het beleid en de juridische
                    instrumenten, zoals deze, vast. Het college van burgemeester en wethouders geeft
                    uitvoering aan het vastgestelde beleid. Gelet op het duale systeem is de
                    aanwijzingsbevoegdheid dan ook neergelegd bij het college van burgemeester en
                    wethouders.</al><al>2. Voordat het college van burgemeester en wethouders tot aanwijzing overgaat,
                    moet het een advies vragen aan de monumentencommissie. Deze verordening bindt
                    dit advies niet aan bepaalde voorschriften over vorm en inhoud.</al><al>3. Het onderzoek geeft meer inzicht in de geschiedenis en waarden van een
                    gebied. In de Monumentenwet 1988 is geen bepaling over onderzoek opgenomen.
                    Daarmee behoort het laten verrichten van onderzoek tot een beleidsvrijheid van
                    de gemeente die daarvoor steun vindt in de Algemene wet bestuursrecht en wel
                    meer in het bijzonder bij artikel 3:2 dat betrekking heeft op de adequate
                    belangenvergaring van de zijde van de overheid, en het complementaire artikel
                    4:2 lid 2, dat de rol van de aanvrager in het kader van het informatie- en
                    motiveringsbeginsel regelt. Het onderzoek geeft in dit geval een indicatie van
                    de cultuurhistorische waarde van een gebied en kan zo een richtlijn zijn voor de
                    beslissing van de gemeente over de aanwijzing.4. Beschermde gezichten die al op
                    de rijkslijst voorkomen, komen niet in aanmerking voor aanwijzing als
                    gemeentelijk monument.</al><al/><al><vet>Artikel 6 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</vet></al><al>1. Door het van toepassing verklaren van artikel 3.4 van de Awb wordt de
                    rechtszekerheid van belanghebbenden gegarandeerd. Voor het aanwijzen van
                    gemeentelijke monumenten en gemeentelijke dorpsgezichten is dit niet
                    noodzakelijk, aangezien aan deze aanwijzing geen gevolgen heeft voor de
                    eigenaren of beperkt zakelijk gerechtigden</al><al>2. In dit lid is de termijn genoemd waarbinnen de monumentencommissie moet
                    adviseren. Gelet op de uniformiteit in de verordening is ervoor gekozen om de
                    termijn in overeenstemming te brengen met de adviestermijnen die ook voor de
                    vergunningen op basis van de Wabo gelden. De adviestermijn voor de
                    monumentencommissie is daarbij ingekort van 8 naar 4 weken.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Voorbescherming</vet></al><al>Teneinde het potentieel van aan te wijzen stads- of dorpsgezichten zeker te
                    stellen is een voorbescherming als in de Monumentenwet 1988 opgenomen. Indien
                    tegen het besluit (hoger)beroep is ingesteld, blijft de voorbescherming van
                    kracht totdat onherroepelijk op het (hoger)beroep is beslist, tenzij voorlopige
                    voorziening is gevraagd en de voorzieningenrechter beslist op de voorbescherming
                    op te heffen.</al><al/><al><vet>Artikel 8 Vaststellen bestemmingsplan</vet></al><al>1. Op grond van dit artikel stelt de gemeenteraad een bestemmingsplan vast ter
                    bescherming van archeologisch monumenten of archeologische verwachtingsgebieden.
                    Dit (gedetailleerde) bestemmingsplan moet de basis bieden voor het beschermen
                    van de structuurbepalende delen van het betreffende gebied. Deze
                    structuurbepalende delen worden benoemd in de beschrijving van het gebied.</al><al>2. In het bestemmingsplan kan ter verwezenlijking van de bescherming gekozen
                    worden voor een aanlegvergunningenstelsel. Daarnaast bestaat op grond van lid 2
                    de mogelijkheid om andere instrumenten te ontwikkelen die een actieve
                    bescherming van de aangewezen gebieden.</al><al>3. Het college vraagt gelijktijdig met het advies met betrekking tot de
                    aanwijzing aan de monumentencommissie in hoeverre het vigerend bestemmingsplan
                    kan worden aangemerkt als plan dat de archeologische waarden in voldoende mate
                    beschermt. M.a.w. in hoeverre de volgens het vigerende plan mogelijke
                    ontwikkelingen geen afbreuk doen aan de in het ‘gezicht’ vervatte
                    cultuurhistorische en/of landschappelijke waarden.</al><al/><al><vet>Artikel 9 Wijziging van de aanwijzing</vet></al><al>Voor het wijzigen van een aanwijzing geldt in principe dezelfde
                    voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing. Er kunnen zich echter situaties
                    voordoen dat het wenselijk is de aanwijzing ambtshalve te wijzigen, zonder dat
                    de hele aanwijzingsprocedure hoeft te worden gevolgd. Het gaat daarbij om
                    wijzigingen van ondergeschikte aard. Onder wijzigingen van ondergeschikte aard
                    worden kleine correcties en aanvullingen van de omschrijving bedoeld. Hierbij
                    wordt gedacht aan veranderingen die niet van invloed zijn op de omvang van de
                    bescherming.</al><al/><al><vet>Artikel 10 Instandhoudingsbepaling</vet></al><al><vet>1.en 2.</vet> De opbouw en inhoud van dit artikel vertoont gelijkenis met
                    voormalige artikel 11 van de Monumentenwet 1988 en thans met artikel 2.1 lid 1
                    sub f van de Wabo. Het artikel regelt dat altijd een vergunning nodig is voor
                    afbreken van bouwwerken binnen een beschermd stads en dorpsgezicht.</al><al><vet>5.</vet> Op grond dit artikel geldt dat zolang voor het aangewezen stads-
                    of dorpsgezicht geen bestemmingsplan is vastgesteld, een vergunningstelsel van
                    toepassing wordt verklaard. Dit betekent dat voor het oprichten, afbreken en
                    veranderen van bouwwerken binnen het beschermde dorpszicht een vergunning moet
                    worden aangevraagd. Doch ook andere zaken, zoals de inrichting van de openbare
                    ruimte, reclame-uitingen en reclame-uitstallingen etc. zijn
                    vergunningplichtig.Zodra een beschermend bestemmingsplan is vastgesteld, behoeft
                    op basis van artikel 10 lid 5 geen afzonderlijke vergunning meer te worden
                    aangevraagd voor de genoemde werkzaamheden. Hiermee worden overbodige
                    administratieve lasten voor de burger en gemeentelijke overheid zoveel mogelijk
                    beperkt. Voor het slopen van onderdelen van of bouwwerken in het beschermde
                    gezicht blijft op grond van lid 2 echter altijd een monumentenvergunning
                        nodig.<vet>6.</vet> In dit lid wordt de mogelijkheid geschapen voor het
                    college om nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van
                    het verbod uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo
                    ziet alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van
                    nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor het
                    bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan
                    cultuurhistorische waardevolle objecten die niet van ingrijpende aard zijn.
                    Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden
                    opgenomen, zodat burgers voor relatief eenvoudige wijzigingen (bijvoorbeeld met
                    betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke materialen) niet
                    worden geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen
                    dan expliciet die situaties worden benoemd waarin de burger geen vergunning
                    hoeft aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat het toetsingskader is voor
                    grote (niet-reguliere) wijzigingen aan een cultuurhistorische waardevol object,
                    kan ook dit toetsingskader in algemene regels worden opgenomen, zodat burgers
                    nog minder met administratieve lasten worden geconfronteerd. In de nadere regels
                    (richtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de uitgangspunten, functionele
                    toetsen en aanwijzingen in het kader van de monumentenzorg worden opgenomen.
                    Hierbij dient de bouwkundige en monumentale kwaliteit (behoudtechnische optiek)
                    voorop te staan.</al><al/><al><vet>Artikel 11 De aanwijzing als archeologisch monument en archeologische
                        verwachtingszone</vet></al><al><vet>1.en 2.</vet> Archeologische monumenten worden overgenomen van de
                    landelijke Archeologische Monumentenkaart. Wel kan de gemeente wijzingen
                    aanbrengen aan de contour van een archeologisch monument en aan de
                    waardecategorie waarin deze op de waardenkaart geplaatst wordt. Archeologische
                    verwachtingsgebieden staan op een kaart die in opdracht van de gemeente is
                    gemaakt, zoals dat in heel Limburg gebeurd is, omdat bestaande landelijke
                    verwachtingskaarten niet geschikt waren. De gemeenteraad stelt het beleid en de
                    juridische instrumenten, zoals deze verordening, vast. Het college van
                    burgemeester en wethouders geeft uitvoering aan het vastgestelde beleid. Gelet
                    op het duale systeem is de aanwijzingsbevoegdheid dan ook neergelegd bij het
                    college van burgemeester en wethouders.</al><al><vet>3.</vet> Voordat het college van burgemeester en wethouders tot aanwijzing
                    overgaat, moet het een advies vragen aan de monumentencommissie. Deze
                    verordening bindt dit advies niet aan bepaalde voorschriften over vorm en
                    inhoud.</al><al><vet>4.</vet> Het onderzoek geeft meer inzicht in de geschiedenis en waarden van
                    een object. Het laten verrichten van onderzoek behoort tot een beleidsvrijheid
                    van de gemeente die daarvoor steun vindt in de Awb en wel meer in het bijzonder
                    bij artikel 3:2 dat betrekking heeft op de adequate belangenvergaring van de
                    zijde van de overheid, en het complementaire artikel 4:2 lid 2, dat de rol van
                    de aanvrager in het kader van het informatie- en motiveringsbeginsel regelt. Het
                    onderzoek geeft in dit geval een indicatie van de cultuurhistorische waarde van
                    een object en kan zo een richtlijn zijn voor de beslissing van de gemeenteraad
                    over de aanwijzing.</al><al><vet>5.</vet> Monumenten en dorpsgezichten die beschermd zijn op basis van de
                    Monumentenwet 1988, komen niet in aanmerking voor aanwijzing als gemeentelijk
                    monument of gemeentelijk dorpsgezicht.</al><al/><al><vet>Artikel 12 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</vet></al><al>1. Door het van toepassing verklaren van artikel 3.4 van de Awb wordt de
                    rechtszekerheid van belanghebbenden gegarandeerd. Voor het aanwijzen van
                    gemeentelijke monumenten en gemeentelijke dorpsgezichten is dit niet
                    noodzakelijk, aangezien aan deze aanwijzing geen gevolgen heeft voor de
                    eigenaren of beperkt zakelijk gerechtigden</al><al>2. In dit lid is de termijn genoemd waarbinnen de monumentencommissie moet
                    adviseren. Gelet op de uniformiteit in de verordening is ervoor gekozen om de
                    termijn in overeenstemming te brengen met de adviestermijnen die ook voor de
                    vergunningen op basis van de Wabo gelden. De adviestermijn voor de
                    monumentencommissie is daarbij ingekort van 8 naar 4 weken.</al><al/><al><vet>Artikel 14 Wijziging van de aanwijzing</vet></al><al>Voor het wijzigen van een aanwijzing geldt in principe dezelfde
                    voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing. Er kunnen zich echter situaties
                    voordoen dat het wenselijk is de aanwijzing ambtshalve te wijzigen, zonder dat
                    de hele aanwijzingsprocedure hoeft te worden gevolgd. Het gaat daarbij om
                    wijzigingen van ondergeschikte aard. Onder wijzigingen van ondergeschikte aard
                    worden kleine correcties en aanvullingen van de omschrijving bedoeld. Hierbij
                    wordt gedacht aan veranderingen die niet van invloed zijn op de omvang van de
                    bescherming.</al><al/><al><vet>Artikel 15 Vaststellen bestemmingsplan</vet></al><al>1. Op grond van dit artikel stelt de gemeenteraad een bestemmingsplan vast ter
                    bescherming van archeologisch monumenten of archeologische verwachtingsgebieden.
                    Dit (gedetailleerde) bestemmingsplan moet de basis bieden voor het beschermen
                    van de structuurbepalende delen van het betreffende gebied. Deze
                    structuurbepalende delen worden benoemd in de beschrijving van het gebied.</al><al>2. In het bestemmingsplan kan ter verwezenlijking van de bescherming gekozen
                    worden voor een aanlegvergunningenstelsel. Daarnaast bestaat op grond van lid 2
                    de mogelijkheid om andere instrumenten te ontwikkelen die een actieve
                    bescherming van de aangewezen gebieden.</al><al>3. Het college vraagt gelijktijdig met het advies met betrekking tot de
                    aanwijzing aan de monumentencommissie in hoeverre het vigerend bestemmingsplan
                    kan worden aangemerkt als plan dat de archeologische waarden in voldoende mate
                    beschermt.</al><al/><al><vet>Artikel 16 Instandhoudingsbepalingen archeologie</vet></al><al><vet>1.</vet> Het artikel regelt dat een vergunning nodig is voor het wijzigen
                    van archeologische erfgoed. Zolang voor de archeologische verwachtingszone geen
                    beschermend bestemmingsplan is vastgesteld, is een vergunningstelsel in het
                    kader van de Wabo van toepassing.</al><al><vet>2.</vet> Daar waar te weinig bekend is van een monument of
                    verwachtingsgebied en van het risico dat de vergunningsplichtige activiteit
                    vormt, wordt een rapport gevraagd over de waarde van het te vergraven of te
                    bebouwen terrein. Dit wordt gemaakt door een archeologisch bedrijf met
                    vergunning van de Minister van OCW. Wanneer voor het maken van het rapport
                    proefsleuven nodig zijn, gebeurt dit op basis van een door het college vast te
                    stellen programma van eisen. Voor kleine projecten waar het risico dat
                    archeologische vindplaatsen getroffen worden relatief gering is, hoeft geen
                    rapport over de waarde worden opgesteld. De Monumentenwet 1988 noemt in artikel
                    41a 100 m2 als ondergrens voor de aanlevering van een rapport, maar zegt dat
                    gemeenten hiervan af mogen wijken en andere ondergrenzen mogen kiezen. De
                    ondergrens slaat niet op de omvang van de archeologische vindplaats. Na
                    inventariserend onderzoek kan gebleken zijn dat binnen het te verstoren gebied
                    maar een klein deel waardevol is. Terwijl de rest van het gebied vrijgegeven
                    wordt, moet dit onderzocht worden.</al><al><vet>3., 4. en 5.</vet> De verplichting om een rapport over de waarde aan te
                    leveren is gekoppeld aan het risico dat een verstoring vormt. Ondiepe ingrepen
                    vormen geen of een gering risico. Ingrepen met een klein oppervlak vormen een
                    risico in gebieden waar veel vindplaatsen zijn, maar niet in gebieden met een
                    beperkte verwachting. In het gemeentelijk beleid is gebruik gemaakt van de
                    mogelijkheid om af te wijken van de 100m2-norm uit de Monumentenwet en is naar
                    een mix gezocht die gebaseerd is op minimalisering van het verstoringsrisico
                    zonder de burgerij en het bedrijfsleven onnodig te belasten. Eerst zijn alle
                    ondiepe ingrepen vrijgesteld van de verplichting om een rapport over de waarde
                    te leveren. Daarbij is rekening gehouden met het feit dat in de bebouwde kom de
                    bodem meestal al tot 50 cm verstoord is. In het buitengebied is dat in gebieden
                    die lang in grasland hebben gelegen 20 cm en elders meestal 30 cm. Een knelpunt
                    is dat door erosie vaak nog maar weinig sporen van enige diepte resteren. Een
                    ontheffing van de inventarisatieplicht tot bijvoorbeeld 50 cm zou betekenen dat
                    praktisch alle archeologische relicten, waaronder Romeinse villafunderingen,
                    ongezien verloren kunnen gaan. Desalniettemin is aan zeer groot deel van het
                    grondgebied (categorie 6, lage verwachting) geen dieptebeperking gesteld, aan de
                    gebieden met middelhoge verwachting 40 cm en elders in het buitengebied 30 cm.
                    Dit geeft een redelijke archeologische bescherming, maar is niet werkelijk
                    belemmerend. Als voor een werkzaamheid een diepere verstoring nodig is, kan met
                    eenvoudig (verkennend) booronderzoek worden vastgesteld of de bodem nog gaaf is.
                    Als dat niet het geval is, volgt vrijstelling van verder inventariserend
                    onderzoek. Voor diepe ingrepen geldt ook qua oppervlakte een op maat gemaakt
                    systeem van ontheffing van de verplichting tot inventariserend onderzoek. Voor
                    categorie 1 (de beschermde archeologische monumenten) is het Rijk
                    verantwoordelijk. Door aan de overige waardecategorieën oplopende
                    vrijstellingsgrenzen te verbinden geldt het strengste regime (100 m2) slechts
                    voor een zeer klein aantal gebieden waar een kleine verstoring al grote schade
                    kan aanbrengen. In andere gebieden is de trefkans lager en is daarom alleen bij
                    een grote ingreep een onderzoek naar de aanwezigheid en waarde van
                    archeologische resten nodig. In de praktijk richt het beleid zich in de bebouwde
                    kom op ingrepen in het hart van de historische kern en in het buitengebied op de
                    wat grotere bouwprojecten en op grote verstoringen die in de regel
                    infrastructureel en niet-agrarisch van aard zijn.</al><al><vet>7.en 8.</vet> In een inventariserend onderzoek kunnen meerdere rapporten
                    worden gemaakt. Deze worden door een onafhankelijk deskundige getoetst op
                    kwaliteit. Indien een geleverd rapport (bijvoorbeeld van booronderzoek) nog
                    onvoldoende informatie over de waarde van het terrein geeft, wordt ambtelijk
                    aangegeven dat de toelichting bij de vergunningsaanvraag nog incompleet is.
                    Nadat er een rapport gereed is waaruit de waarde blijkt, wordt dit rapport door
                    een deskundige getoetst op kwaliteit en met een advies over de waarde en de al
                    dan niet te nemen maatregelen aan het college voorgelegd. Bij het bepalen van de
                    waarde speelt ook de gemeentelijke archeologische onderzoeksagenda een rol.
                    Daarin staat van welke delen van de geschiedenis van Eijsden en Margraten meer
                    en minder bekend is, zodat keuzes onderbouwd kunnen worden. Ook wordt gekeken
                    hoe de kenmerken, plaats en waarde van de archeologische vindplaats zich
                    verhouden tot het risico van de ingreep. Soms is het mogelijk een vindplaats te
                    behouden, omdat graafwerkzaamheden niet diep gaan of omdat een vindplaats
                    afgedekt kan worden. Als dat niet mogelijk is, kan het college bij een
                    waardevolle vindplaats besluiten dat aan de omgevingsvergunning de voorwaarde
                    van een opgraving of archeologische begeleiding wordt gesteld. Deze voorwaarde
                    wordt vertaald in een archeologisch programma van eisen, dat onderdeel van de
                    vergunning is. Hierin worden de onderzoekskaders gesteld. Voorwaarde bij de
                    vergunning is tevens dat binnen twee jaar na het einde van het veldwerk een
                    rapport volgens het PvE over het gevondene wordt gepubliceerd. Na de uitvoering
                    van het veldwerk van de opgraving of begeleiding is er al geen belemmering meer
                    voor de activiteiten waarvoor de vergunning is verleend. Bij een opgraving vindt
                    het onderzoek voorafgaande aan het werk plaats. Bij een begeleiding worden
                    onderzoek en uitvoering geïntegreerd, bijvoorbeeld door een bouwput onder
                    toezicht uit te graven tot het archeologisch relevante niveau en vervolgens
                    sporen te documenteren. Als dat onderzoek gereed kan de bouwput worden
                    afgemaakt.</al><al><vet>9.</vet> Dit artikel heeft betrekking op terreinen waarvan al een rapport
                    over de waarde gemaakt is of waar als gevolg van eerdere besluitvorming een
                    vindplaats geheel of gedeeltelijk in de bodem behouden is. Indien hiervoor
                    (opnieuw) een vergunning wordt gevraagd, zijn de in lid 3 en 4 genoemde
                    vrijstellingsgrenzen niet van toepassing. Deze gelden alleen voor locaties
                    waarvan nog geen rapport over de waarde voorhanden is of waarover nog geen
                    besluit over de waarde genomen is. In dit geval wordt voor elke
                    vergunningsaanvraag, ongeachte de grootte of diepte, direct besloten of
                    voorschriften volgens lid 7 aan de vergunning verbonden worden of dat eerder
                    gegeven voorschriften gewijzigd of gehandhaafd blijven. Bij gewijzigde
                    omstandigheden of wanneer het rapport over de waarde sterk verouderd is, kan om
                    een geactualiseerd rapport gevraagd worden of kan besloten worden om eerdere
                    voorschriften aan te passen. Locaties waarover besloten is dat er voorschriften
                    volgens lid 7 aan de vergunning verbonden worden, vallen in de categorie
                    archeologie waarde 1.</al><al/><al><vet>Artikel 17 Opgravingen</vet></al><al><vet>2.en 3.</vet> Indien de gemeente zelf niet over deskundigheid op dit
                    gebied beschikt, worden programma’s van eisen en rapporten met bijbehorende
                    conclusies en aanbevelingen door een onafhankelijke deskundige opgesteld of
                    getoetst.</al><al/><al><vet>Artikel 18 De aanvraag om vergunning</vet></al><al>De aanvraag in het kader van de Wabo kan zowel elektronisch als schriftelijk
                    worden ingediend. Indien door de aanvrager wordt gekozen om de aanvraag
                    schriftelijk in te dienen, biedt de wetgever de mogelijkheid om tot maximaal
                    vier exemplaren van de te overleggen stukken te vragen. Voor de gemeente
                    Eijsden-Margraten is besloten dat een enkelvoudig exemplaar volstaat.</al><al/><al><vet>Artikel 19 Weigeringsgronden</vet></al><al>1. De Wabo stelt als eis dat in de verordening de grond worden opgenomen waarop
                    de vergunning kan worden verleend en geweigerd. Ook bestaat de mogelijkheid om
                    aan een vergunning voorwaarden te stellen mits hiervoor door wetgeving of
                    gemeentelijke verordening een grondslag aanwezig is. In deze leden wordt hiertoe
                    de grondslag gelegd.</al><al>2. In de vergunning kunnen o.a. voorwaarden worden opgenomen met betrekking
                    tot:</al><al> - de wijze waarop werkzaamheden moeten worden uitgevoerd;</al><al> - de materialen die moeten worden gebruikt bij herstel van monumentale
                    onderdelen; </al><al>- de voorzorgsmaatregelen die moeten worden getroffen om schade aan erfgoed te
                    voorkomen;</al><al> - de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor
                    monumenten in de bodem kunnen worden behouden;</al><al> - de verplichting tot het doen van opgravingen; - de verplichting de activiteit
                    die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige en
                    erkende partij op het terrein van de archeologische monumentenzorg.</al><al/><al><vet>Artikel 20 Intrekken van de vergunning</vet></al><al>Als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien van het monument
                    wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat, als er een nieuwe belangenafweging zou
                    plaatsvinden, aan de cultuurhistorische belangen van het monument prioriteit
                    dient te worden gegeven boven de belangen van de vergunninghouder. In dat geval
                    dient het bevoegd gezag (meestal het college) de mogelijkheid te hebben de
                    vergunning in te trekken.</al><al/><al><vet>Artikel 21 Overig onderzoek</vet></al><al>1. Ondanks de maatregelen om archeologische vindplaatsen vooraf te
                    lokaliseren en te documenteren of veilig te stellen kunnen onvoorziene vondsten
                    bij bouw- en graafprojecten worden aangetroffen. Het gaat hierbij niet om
                    vondsten tijdens een proces van archeologische begeleiding, waarvoor aan de
                    vergunning voorschriften zijn verbonden. Voor de ‘toevalsvondsten’ geldt de
                    meldingsplicht volgens artikel 53 van de Monumentenwet 1988). Deze houdt in dat,
                    de bevoegde minister zo spoedig mogelijk dient te worden geïnformeerd door de
                    vinder. In aanvulling hierop wordt bepaald dat de vondsten ook worden gemeld bij
                    de gemeente, zodat deze kan overleggen met de Rijksdienst voor het Cultureel
                    Erfgoed. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed kan namens de minister op
                    grond van artikel 56 de werkzaamheden stilleggen, hetgeen uitsluitend in zeer
                    uitzonderlijke gevallen gebeurt. Om te voorkomen dat de archeologische relicten
                    worden verwijderd tussen het moment dat de vondst wordt ontdekt en het moment
                    van het mogelijk stil leggen van werkzaamheden door de rijksdienst, acht het
                    college het gewenst dat de werkzaamheden worden opgeschort of zo worden
                    uitgevoerd dat de vondst niet tussentijds verloren gaat. Hierover wordt met alle
                    betrokkenen inclusief de Rijksdienst overleg gevoerd. De opschorting van
                    werkzaamheden wordt zo veel mogelijk beperkt. Deze ‘time out’ maakt het ook
                    mogelijk om met alle betrokkenen te overleggen over een pragmatische
                    oplossing.</al><al>2. Dit is een bepaling die onderzoek bij het voorbereiden van bestemmingsplannen
                    e.d. mogelijk moet maken.</al><al/><al><vet>Artikel 22 Aanduiding van beeldbepalende panden en objecten</vet></al><al>1. De gemeenteraad stelt het beleid en de juridische instrumenten vast. Het
                    college van burgemeester en wethouders geeft uitvoering aan het vastgestelde
                    beleid. De vaststelling van een bestemmingsplan, en daarmee ook de aanduiding
                    van beeldbepalende panden objecten, ligt dus bij de gemeenteraad.</al><al>2. Voordat het college van burgemeester en wethouders een voorstel aan de
                    gemeenteraad doet tot aanduiding in een bestemmingsplan, moet het een advies
                    vragen aan de monumentencommissie. Deze verordening bindt dit advies niet aan
                    bepaalde voorschriften over vorm en inhoud.</al><al/><al><vet>Artikel 23 Registratie op de gemeentelijke erfgoedlijst</vet></al><al>1. De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling. De
                    bedoeling van het erfgoedregister is om een ieder snel inzicht te geven in welke
                    zaken op grond van de gemeentelijke monumentenverordening zijn aangewezen en/of
                    beschermd.</al><al>2. Gemeentelijke dorpsgezichten, archeologische monumenten en archeologische
                    verwachtingsgebieden worden na aanwijzing geregistreerd.</al><al>3. Omdat gebiedsaanduidingen moeilijk in een beschrijving kunnen worden
                    vastgelegd, is er voor gekozen om deze aan te geven op een kaart die deel
                    uitmaakt van het gemeentelijke erfgoedregister.</al><al/><al><vet>Artikel 24 Intrekken van de aanwijzing</vet></al><al><vet>1.en 2.</vet> Voor het intrekken van een aanwijzing geldt dezelfde
                    voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing.</al><al><vet>3.</vet> Dit lid regelt dat een archeologisch monument nadat het wordt
                    aangewezen tot rijksmonument, vanaf het moment waarop het aanwijzingsbesluit tot
                    rijksmonument onherroepelijk geworden is, niet meer zijn aangewezen op grond van
                    de gemeentelijke verordening.</al><al><vet>4.</vet> Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot
                    intrekking van de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen. Deze
                    dient enerzijds voor een goede afweging van de aanvraag en anderzijds om te
                    voorkomen dat kennis over cultuurhistorie voor het nageslacht verloren
                    gaat.</al><al/><al><vet>Artikel 25 Registratie van vergunningen op de gemeentelijke
                        erfgoedlijst</vet></al><al>1. Wanneer van een locatie als gevolg van onderzoek voor een eerdere vergunning
                    al genoeg bekend is, hoeft bij een latere vergunningsaanvraag niet opnieuw een
                    rapport te worden gemaakt. De eerder aan de vergunning verbonden voorschriften,
                    bijvoorbeeld om een vindplaats in de grond te behouden, blijven van kracht, maar
                    kunnen voor de nieuwe vergunning ook gewijzigd worden gesteld, bijvoorbeeld om
                    de vindplaats alsnog op te graven. Voorkomen moet worden dat een eerder behouden
                    vindplaats bij een nieuwe vergunningsaanvraag door de ondergrenzen heen glipt en
                    verloren gaat. Een dergelijke behouden vindplaats wordt daarom geregistreerd in
                    het erfgoedregister.</al><al>2. Indien bij het wijzigen van een gemeentelijk monument of gemeentelijk
                    dorpsgezicht een archeologisch monument of een archeologische vindplaats de
                    omstandigheden zodanig wijzigen dat de redengevende omschrijving niet meer
                    aansluit bij de werkelijke situatie, kan het wenselijk zijn de redengevende
                    omschrijving aan te passen.</al><al/><al><vet>Artikel 26 Tegemoetkoming in schade</vet></al><al>Dit artikel regelt dat het bevoegd gezag een tegemoetkoming kan toekennen, ter
                    compensatie van schade ten gevolge van de weigering van een vergunning, of het
                    verbinden van voorwaarden aan een vergunning als een rechtmatige overheidsdaad.
                    Het aanwijzen, wijzigen of intrekken van de aanwijzing tot gemeentelijk monument
                    is uit het schadevergoedingsartikel weggelaten. Dit heeft als reden dat
                    eventuele schade pas optreedt als voor bepaalde activiteiten geen of niet de
                    gewenste vergunning is verleend. De Afdeling rechtspraak van de Raad van State
                    heeft uitgemaakt dat ook een verordening zonder een schadevergoedingsregeling
                    rechtsgeldig is (BR 86,604). Dit artikel is dus niet verplicht. Alternatief voor
                    een schadevergoedingsregeling is de civielrechtelijke jurisprudentie over
                    schadevergoeding bij rechtmatige overheidsdaad, Boek 6, artikel 126 Burgerlijk
                    Wetboek).Ten opzichte van de (on)rechtmatige daad/procedure, heeft een
                    schadevergoedingsregeling de volgende voordelen: Een lage drempel voor de burger
                    en meer mogelijkheden voor overleg (administratieve voorprocedure); Er bestaat
                    een samenhang tussen monumenten en ruimtelijke ordening. Vandaar dat in lid 2
                    voor de behandeling van de aanvragen de bepalingen van de verordening ter
                    regeling van de procedure artikel 6.1. t/m 6.7 van de Wet op de ruimtelijke
                    ordening van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. De regeling specifieke
                    uitkering excessieve kosten voor opgraving is door de minister ingetrokken.</al><al/><al><vet>Artikel 27 Strafbepaling</vet></al><al>De bedoelde overtredingen zijn strafbare feiten. Artikel 154 van de Gemeentewet
                    bepaalt dat een gemeente geen hogere boete dan een boete van de tweede categorie
                    op kan leggen voor overtredingen tegen zijn verordeningen. In artikel 23 van het
                    Wetboek van Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen.</al><al/><al><vet>Artikel 28 Toezichthouders</vet></al><al>Een toezichthouder mag zijn bevoegdheid slechts uitoefenen voor zover dit
                    redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is (artikel 5:13
                    Awb). Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te
                    betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de
                    bewoner.</al><al/><al><vet>Artikel 29 Slotbepalingen</vet></al><al>Omdat aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór het van kracht worden van
                    deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de oude verordening op
                    grond waarvan de aanvragen zijn gedaan, worden ook bezwaar- en beroepschriften
                    die hierop betrekking hebben, afgehandeld op grond van deze (ingetrokken)
                    verordening.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>