<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR248101_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Beleidsregels Bijzondere Bijstand en Reductieregeling gemeente Olst-Wijhe</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Olst-Wijhe</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-05-02</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Olst-Wijhe</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">IJsselberichten, 16-01-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Beleidsregels Bijzondere Bijstand en Reductieregeling gemeente Olst-Wijhe</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet Werk en Bijstand</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Toeslagenverordening Wet werk en bijstand gemeente Olst-Wijhe 2005</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Verordening Langdurigheidstoeslag gemeente Olst-Wijhe</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-24</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      Beleidsregels Bijzondere Bijstand en Reductieregeling gemeente Olst-Wijhe
      
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>1</nr>
            <titel>Inleiding</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet werk en bijstand (WWB)
              en de daarin opgenomen mogelijkheden tot het verstrekken van zowel individuele als
              categoriale bijzondere bijstand. In de nota minimabeleid 2006-2009 is besloten om
              vanaf 1 januari 2006 het beleid op het gebied van bijzondere bijstand van de gemeente
              Deventer te gaan gebruiken met als nadrukkelijke kanttekening dat het gaat om
              richtlijnen en de gemeente Olst-Wijhe hier dus op onderdelen van af kan wijken. In de
              afgelopen jaren is in de praktijk gebleken dat het beleid bijzondere bijstand van de
              gemeente Deventer op onderdelen afwijkt van hetgeen wij hebben vastgelegd in ons
              minimabeleid. Het Deventer beleid is vastgelegd in het handboek “Grip op WWB”
              (voorheen het handboek Schulinck). In de afgelopen jaren zijn er dan ook binnen de
              vakgroep Sociale Zaken diverse beleidsregels vastgesteld en zijn er allerlei
              werkinstructies ontwikkeld met daarin regels over de wijze waarop wordt omgegaan met
              aanvragen voor bijstand voor bijzondere kosten zoals bijvoorbeeld een aanvraag voor de
              kosten van een bril, een computer of reiskosten. Deze werkinstructies (vaste
              gedragslijnen) hebben tot op heden geen officiële status en zijn niet conform
              hoofdstuk 3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bekend gemaakt. Ze zijn daarom
              formeel niet - gelet op het bepaalde in artikel 3:40 van de Awb - in werking getreden.
              Zolang de gemeente echter de gedragslijn individueel toetst bij elke aanvraag om
              bijzondere bijstand kan de gedragslijn worden gevolgd.</al>
            <al/>
            <al>Met name om de burger voorafgaande aan de aanvraag helderheid en duidelijkheid te
              geven over de kosten die mogelijk voor bijzondere bijstand in aanmerking komen bestaat
              een dringende behoefte aan een overzicht van (beleids)regels die van toepassing zijn
              bij de uitvoering van de verlening van bijzondere bijstand en het armoede- en
              minimabeleid.</al>
            <al>In deze nota zijn de beleidsregels bijzondere bijstand en reductieregeling
              vastgelegd. De beleidsregels zijn een nadere uitwerking van het gemeentelijke armoede-
              en minimabeleid en van de op 17 december 2012 door de raad van de gemeente Olst-Wijhe
              vastgestelde kaders en de van toepassing zijnde verordeningen op het gebied van Werk
              en Inkomen en het armoede- en minimabeleid. In deze beleidsregels zijn zo weinig
              mogelijk bedragen genoemd. De maximale vergoedingen, normbedragen en dergelijke, zijn
              opgenomen in het financieel besluit, dat als bijlage 1 aan de beleidsregels is
              toegevoegd. Het college zal de bedragen in het financieel besluit jaarlijks aanpassen.
              Hierdoor wordt voorkomen dat jarenlang verouderde bedragen in de beleidsregels zijn
              opgenomen.</al>
            <al/>
            <al>Met deze beleidsregels wordt beoogd om zoveel mogelijk duidelijkheid,
              rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te waarborgen. Desalniettemin kunnen er zich
              situaties voordoen waarin onverkorte handhaving van deze regels onrecht zouden doen
              aan de doelstelling van bijzondere bijstandsverlening. Derhalve moet, zowel
              indidividueel (per besluit) als categoriaal (in de beleidsregels neergelegde
              uitvoeringsbeleid) uitdrukkelijk de mogelijkheid blijven bestaan om af te wijken van
              de hier neergelegde regels. Uiteraard zal het besluit in die gevallen ook de
              motivering moeten omvatten waarom in die situatie van de beleidsregels moet worden
              afgeweken. Daar waar niet in de beleidsregels wordt voorzien wordt het handboek “Grip
              op WWB” geraadpleegd en neemt het college een besluit.</al>
            <al/>
          </structuurtekst>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>1.1 Leeswijzer</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de algemene aspecten die in acht genomen worden bij
              de verstrekking van bijzondere bijstand. Vervolgens wordt in de hoofdstukken 3 tot en
              met 8 per kostensoort aangegeven of en hoe er bijzondere bijstand verstrekt kan
              worden.</al>
              <al/>
              <al>De slotbepalingen zijn opgenomen in hoofdstuk 9. En tot slot is in de bijlage het
              financieel besluit toegevoegd een overzicht wordt gegeven van de (maximale) bedragen
              die in het kader van de bijzondere bijstand en reductieregeling verstrekt kunnen
              worden.</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>2</nr>
            <titel>Algemeen</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>2.1 Inleiding</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand dient de volgende volgorde
              te worden aangehouden:</al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Doen de kosten zich voor? <cursief>Zo ja, beoordeel dan vraag 2. Zo nee, wijs de
                    aanvraag af.</cursief></al></li>
                <li nr="2."><al>Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk? <cursief>Zo ja, beoordeel
                    dan vraag 3. Zo nee, wijs de aanvraag af.</cursief></al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="3."><al>Vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden? <cursief>Zo
                    ja, beoordeel dan vraag 4, zo nee wijs de aanvraag af.</cursief></al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="4."><al>Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm, het vermogen en het
                  inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm? <cursief>Zo nee, wijs
                    de aanvraag toe. Zo ja, wijs de aanvraag </cursief></al></li>
              </lijst>
              <al>
                <vet>Ad 1. </vet>Wil een belanghebbende in aanmerking kunnen komen voor bijzondere
              bijstand voor bepaalde kosten dan zal hij om te beginnen de gestelde kosten ook
              daadwerkelijk moeten hebben. Indien de kosten niet daadwerkelijk gemaakt worden, is er
              geen verlening van bijzondere bijstand mogelijk </al>
              <al>
                <vet>Ad 2 </vet>Uitgaande van het maatwerkprincipe past het dat het college slechts
              bijzondere bijstand verleent aan personen bij wie is vastgesteld dat de betreffende
              kosten in het voorliggende individuele geval ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn. Er
              dient dus altijd een toetsing aan de omstandigheden van het individuele geval plaats
              te vinden </al>
              <al>
                <vet>Ad 3 </vet>Er bestaat alleen recht op bijzondere bijstand indien er sprake is
              van bijzondere omstandigheden in het individuele geval. Dit betekent dus, dat niet de
              eisen van de samenleving in relatie tot de aard van de kosten bepalend zijn, maar de
              omstandigheden in het individuele geval. Het is derhalve niet mogelijk om bijzondere
              bijstand te weigeren voor kosten die naar de eisen van de samenleving in het algemeen
              niet als noodzakelijk worden beschouwd. Het is alleen van belang of zich in het
              concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen die de kosten noodzakelijk maken. Zo
              ja, dan bestaat er mogelijk recht op bijzondere bijstand </al>
              <al>
                <vet>Ad 4. </vet>Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het
              normbedrag, dat is bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het
              bestaan met inbegrip van de component reservering, in beginsel toereikend is (zie
                <onderstreept>TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 13 en 14</onderstreept>). De algemene
              bijstand is dus een uitkering voor levensonderhoud die als het ware is opgebouwd uit
              een aantal deeluitkeringen: een voor woonkosten, een voor kleding, een voor voedsel,
              etc. Er bestaat alleen recht op bijzondere bijstand wanneer een van de deeluitkeringen
              van de algemene bijstand niet in de specifieke kosten voorziet. In welke kosten de
              algemene bijstand nu precies wel en niet voorziet is uiteindelijk ter beoordeling aan
              de rechter. Hiervan bestaat geen vaste lijst.</al>
              <al/>
              <al>De mate waarin een belanghebbende de kosten kan voldoen uit het vermogen en het
              inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm noemen we in navolging van
              artikel 39 lid 1 Abw draagkracht.</al>
              <al>Het college heeft in het kader van de bijzondere bijstand volledige vrijheid in de
              vaststelling van de draagkracht van de belanghebbende ( TK 2002-2003, 28 870, nr. 3,
              p. 64-65). Dit betekent dat het college zelf bepaalt welk deel van de middelen bij de
              vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>2.2 Algemene bepalingen</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 1 Begripsbepaling</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>In deze beleidsregels wordt verstaan onder:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>het college: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
                      Olst-Wijhe;</al></li>
                    <li nr="b."><al>de wet: de Wet werk en bijstand (WWB) (stb 2003, 375, 9 oktober 2003);</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>De begripsbepalingen van de wet zijn onverkort op deze beleidsregels van
                  toepassing.</al></li>
                <li nr="3."><al>Met deze beleidsregels wordt beoogd de kaders, waarbinnen toepassing wordt
                  gegeven aan de gemeentelijke bevoegdheid tot de verlening van bijzondere bijstand,
                  te beschrijven en inzichtelijk te maken. Dit laat onverlet dat er, gezien de
                  complexiteit en de veelheid van factoren en omstandigheden die zich bij de
                  beoordeling van het recht op bijzondere bijstand voor kunnen doen, redenen kunnen
                  zijn om gemotiveerd van deze beleidsregels af te kunnen wijken.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 2 Recht op bijzondere bijstand </label>
              </kop>
              <al>De alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin heeft recht op bijzondere
              bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit
              bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze
              kosten niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht.
            </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 3 Voorwaarden voor het recht op bijzondere bijstand </label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Bijzondere bijstand wordt verstrekt als er sprake is van bijzondere
                  omstandigheden. De alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin heeft recht
                  op bijzondere bijstand als voldaan is aan de volgende voorwaarden:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>er is onvoldoende draagkracht om de kosten zelf te dragen; en</al></li>
                    <li nr="b."><al>er is geen voorliggende voorziening; en</al></li>
                    <li nr="c."><al>de aanvrager valt niet onder de uitsluitingsgronden van artikel 13 WWB;
                      en</al></li>
                    <li nr="d."><al>de kosten kunnen niet worden voldaan uit de bijstandsnorm; en</al></li>
                    <li nr="e."><al>er is sprake van noodzakelijke kosten; en</al></li>
                    <li nr="f."><al>er zijn bijzondere omstandigheden in de individuele situatie.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="2."><al>Bijzondere bijstand is niet vatbaar voor beslag of vervreemding.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 4 Voorliggende voorzieningen </label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand wordt rekening gehouden
                  met voorliggende voorzieningen. Hieronder wordt verstaan: elke voorziening buiten
                  de WWB waarop de persoon of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan
                  doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven.</al></li>
                <li nr="2."><al>Er wordt geen bijstand verstrekt in de volgende gevallen:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>er is een voorliggende voorziening die passend en toereikend is;</al></li>
                    <li nr="b."><al>de kosten waarvoor bijstand wordt gevraagd door een voorliggende voorziening
                      als niet noodzakelijk worden beschouwd;</al></li>
                    <li nr="c."><al>de kosten waarvoor bijstand wordt gevraagd hebben betrekking op medische
                      behandelingen en verrichtingen die worden gerekend tot de
                      ontwikkelingsgeneeskunde.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Afwijking van de in het voorgaande lid benoemde afwijzingsgronden is alleen
                  mogelijk indien zeer dringende redenen aanwezig zijn. Geen afwijking is mogelijk
                  bij de behandelingen of verrichtingen die worden gerekend tot de
                  ontwikkelingsgeneeskunde.</al></li>
                <li nr="4."><al>Wanneer de bijzonder noodzakelijke kosten door een voorliggende voorziening
                  gedeeltelijk worden vergoed, is het recht op bijzondere bijstand voor het niet
                  vergoede deel van de kosten afhankelijk van de reden waarom de voorliggende
                  voorziening tot slechts gedeeltelijke vergoeding is overgegaan. Wanneer de reden
                  van gedeeltelijke vergoeding enkel budgettaire gronden heeft kunnen de niet
                  vergoede kosten voor bijzondere bijstand in aanmerking worden genomen, voor zover
                  de kosten betrekking hebben op de meest goedkope toereikende oplossing.</al></li>
                <li nr="5."><al>In deze beleidsregels worden richtlijnen vastgesteld hoe om te gaan met het
                  bepalen van het inkomen en het vermogen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 5 Noodzakelijke kosten </label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Bijzondere bijstand is bedoeld voor de voorziening in de uit bijzondere
                  omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.</al></li>
                <li nr="2."><al>Omdat ze niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden geacht te
                  behoren, kan geen bijstand worden verleend voor:</al><lijst>
                    <li nr="a."><al>De voldoening aan alimentatieverplichtingen;</al></li>
                    <li nr="b."><al>De betaling van een boete;</al></li>
                    <li nr="c."><al>Geleden of toegebrachte schade;</al></li>
                    <li nr="d."><al>Vrijwillige premiebetaling in het kader van een publiekrechtelijke
                      verzekering;</al></li>
                    <li nr="e."><al>Aflossing van een schuldenlast</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Bijstand in de kosten van aflossing van een schuldenlast is onder bijzondere
                  omstandigheden wel mogelijk, met inachtneming van het bepaalde in artikel 13 lid 1
                  sub f WWB jo artikel 49 WWB en daarop gebaseerde regelgeving.</al></li>
                <li nr="4."><al>Tenzij in de beleidsregels anders is bepaald wordt de hoogte van de te
                  verstrekken bijzondere bijstand vastgesteld aan de hand van de Nibud-prijzengids
                  zoals opgenomen in het handboek Grip op de WWB. Het college motiveert in dit geval
                  in de beschikking dat uit onderzoek geen noodzaak is gebleken om daar in het
                  individuele geval van af te wijken. Het is in beginsel aan belanghebbende om
                  gemotiveerd en zonodig onderbouwd aan te geven dat een hoger bedrag noodzakelijk
                  is. Stelt het college de bijstand lager vast dan de richtprijzen dan rust in
                  beginsel de bewijslast dat de belanghebbende in de uit bijzondere omstandigheden
                  voortvloeiende kosten kan voorzien bij het college.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 6 Beoordeling bijzondere omstandigheden in de individuele situatie </label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Het uitgangspunt is dat bij een aanvraag voor bijzondere bijstand wordt gekeken
                  naar de individuele situatie van de aanvrager. De te beantwoorden vraag is of de
                  aanvrager de bepaalde kosten kan dragen gezien zijn individuele
                  omstandigheden.</al></li>
                <li nr="2."><al>Bij de beoordeling zijn zowel de individuele omstandigheden relevant alsmede of
                  deze omstandigheden bijzonder zijn.</al></li>
                <li nr="3."><al>Wanneer de noodzakelijke kosten, waarin bijzondere bijstand wordt gevraagd,
                  ontstaan zijn door een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van de
                  aanvrager, wordt deze omstandigheid betrokken in de beoordeling van het recht op
                  bijzondere bijstand.</al></li>
                <li nr="4."><al>Onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de
                  noodzakelijke kosten van het bestaan kan, afhankelijk van de ernst van de
                  onverantwoordelijkheid, de individuele omstandigheden van de aanvrager en de
                  urgentie van het aangevraagde, ertoe leiden dat er geen recht op bijzondere
                  bijstand bestaat.</al></li>
                <li nr="5."><al>Indien en voor zover aan het ontstaan of bestaan van de bijzondere noodzakelijke
                  kosten een onvoldoende betoond besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening
                  in de noodzakelijke kosten van het bestaan ten grondslag ligt, wordt de eventueel
                  toegekende bijzondere bijstand in beginsel toegekend in de vorm van een
                  geldlening.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>2.3 Inkomen, vermogen en draagkracht</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 7 Verantwoordelijkheid tot voldoening uit eigen middelen </label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Bij de verlening van bijzondere bijstand wordt geen toepassing gegeven aan de
                  mogelijkheid van artikel 35 lid 2 WWB om op de toe te kennen bijzondere bijstand
                  een drempelbedrag in mindering te brengen.</al></li>
                <li nr="2."><al>Het vermogen wordt op dezelfde manier vastgesteld als bij de algemene bijstand.
                  Belanghebbende dient een vermogen te hebben dat minder is dan de vermogensgrens
                  als bedoeld in artikel 34 lid 3 WWB.</al></li>
                <li nr="3."><al>Er geldt een extra vermogensvrijlating indien er sprake is van
                  uitvaartreservering in natura (niet afkoopbaar) die gereserveerd staat op een
                  aparte rekening of een aparte polis waarvan geen opnames kunnen worden
                  gedaan.</al></li>
                <li nr="4."><al>Van het uitgangspunt dat <vet>auto</vet>'s meetellen voor de
                  vermogensvaststelling kan worden afgeweken indien:</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr=""><al>a.de <vet>auto</vet> (of motor), gelet op de omstandigheden van persoon en
                  gezin, noodzakelijk is (bijvoorbeeld wanneer een van de gezinsleden ernstig
                  lichamelijk gehandicapt is;</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr=""><al>b.de waarde van de <vet>auto</vet> (of motor) maximaal € 4.537,80 bedraagt; is
                  de waarde van de <vet>auto</vet> hoger dan telt alleen het meerdere boven €
                  4.537,80 mee voor de vermogensvaststelling.</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr=""><al>De vrijlating van € 4.537,80 geldt slechts ten aanzien van één vervoermiddel
                    (<vet>auto</vet> of motor) per gezin. Indien er daarnaast binnen hetzelfde
                  huishouden nog een vervoermiddel (<vet>auto</vet> of motor) aanwezig is, wordt de
                  waarde daarvan toegerekend aan het vermogen.</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr=""><al>Voor de vaststelling van de waarde van de <vet>auto</vet> (inclusief btw) kan
                  bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van het prijzenboekje van de ANWB of het
                  Carbase-programma van uitgeverij Uilenstein. Van <vet>auto</vet>’s die wegens hun
                  leeftijd (doorgaans 7 à 8 jaar of ouder) niet meer in deze uitgaven zijn
                  opgenomen, wordt aangenomen dat hun waarde nihil bedraagt, tenzij er aanwijzingen
                  zijn dat dit niet het geval is (bijvoorbeeld bij oldtimers). Deze
                  <vet>auto</vet>’s worden bij de vermogensvaststelling dus in het geheel niet
                  meegeteld.</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="5."><al>Wanneer het vermogen is gebonden in de vorm van een voor eigen bewoning bestemde
                  eigen woning, wordt het vermogen eerst, volgens de regels van de krediethypotheek,
                  in aanmerking genomen wanneer de aan de aanvrager te verstrekken bijzondere
                  bijstand op draagkrachtjaarbasis meer bedraagt dan de voor de aanvrager geldende
                  bijstandsuitkering op maandbasis. Wanneer de op draagkrachtjaarbasis te
                  verstrekken bijzondere bijstand beneden de voor aanvrager op maandbasis geldende
                  bijstandsuitkering blijft, wordt het in de eigen woning gebonden vermogen niet in
                  aanmerking genomen.</al></li>
                <li nr="6."><al>Draagkracht is het gedeelte van het inkomen en vermogen dat de aanvrager bij een
                  aanvraag voor bijzondere bijstand zelf moet inzetten. Als het inkomen op
                  bijstandsniveau ligt, is er geen draagkracht aanwezig in het inkomen. Wanneer het
                  inkomen de bijstandsnorm overstijgt, moet dat meerdere inkomen geheel of
                  gedeeltelijk ter delging van de noodzakelijke kosten worden ingezet.</al></li>
                <li nr="7."><al>Onder bruto draagkracht wordt verstaan het absolute bedrag dat door de aanvrager
                  ingevolge deze beleidsregels zou moeten kunnen worden ingezet voor de bekostiging
                  van de noodzakelijke kosten. Onder netto draagkracht wordt verstaan de door de
                  aanvrager te dragen kosten, nadat op de bruto draagkracht het toepasselijke
                  draagkrachtpercentage is toegepast.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 8 Reserveringscapaciteit </label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr=""><lijst>
                    <li nr="1."><al>Wanneer het inkomen minimaal gelijk is aan het van toepassing zijnde
                      bijstandsniveau, wordt de aanvrager geacht te hebben kunnen reserveren voor de
                      bijzonder noodzakelijke kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt
                      aangevraagd.</al></li>
                    <li nr="2."><al>De reserveringscapaciteit bedraagt in beginsel 6 % van de van toepassing
                      zijnde bijstandsnorm inclusief vakantiegeld.</al></li>
                    <li nr="3."><al>Indien aannemelijk wordt gemaakt dat de aanvrager (een deel van) de
                      aanwezige reserveringscapaciteit reeds heeft ingezet voor bijzonder
                      noodzakelijke kosten waarvoor hij anderszins geen vergoeding heeft ontvangen,
                      wordt de aanwezig te achten reserveringscapaciteit met die kosten
                      verlaagd.</al></li>
                    <li nr="4."><al>Voor personen die drie jaar of langer aangewezen zijn op een inkomen op of
                      onder bijstandsniveau, wordt de reserveringscapaciteit niet in aanmerking
                      genomen.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 9 Draagkracht</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr=""><lijst>
                    <li nr="1."><al>Bijzondere bijstand wordt verstrekt onder aftrek van de draagkracht.</al></li>
                    <li nr="2."><al>Geen draagkracht hebben belanghebbenden die, op jaarbasis, een netto inkomen
                      hebben tot 110% van de voor hen geldende bijstandsnorm (beide inclusief
                      vakantiegeld) en die geen vermogen hebben boven de voor hen geldende
                      vermogensgrens, zoals bedoeld in artikel 34 lid 3 WWB.</al></li>
                    <li nr="3."><al>Bij de vaststelling van het inkomen wordt een verstrekte
                      langdurigheidstoeslag buiten beschouwing gelaten.</al></li>
                    <li nr="4."><al>Indien de belanghebbende een hoger inkomen heeft dan 110% van de geldende
                      bijstandsnorm en/of een hoger vermogen, als bedoeld in artikel 34 lid 3 WWB,
                      dan wordt de draagkracht vastgesteld op 35% van het meerdere inkomen.</al></li>
                    <li nr="5."><al>Voor de bepaling van de netto draagkracht wordt ten opzichte van de bruto
                      draagkracht met een percentage van 100 gerekend in de toekenning van
                      bijzondere bijstand voor:</al></li>
                    <li nr="a."><al>woonkostentoeslag;</al></li>
                    <li nr="b."><al>toeslagen voor voormalig alleenstaande ouders;</al></li>
                    <li nr="c."><al>bijstand voor 18-21 jarigen, voor zover die de landelijke norm te boven
                      gaat;</al></li>
                    <li nr="d."><al>bijstand voor 18-21 jarigen in een inrichting;</al></li>
                    <li nr="e."><al>bijstand voor kosten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor
                      zelfstandigen;</al></li>
                    <li nr="6."><al>Voor de bepaling van de netto draagkracht wordt ten opzichte van de bruto
                      draagkracht met een percentage van 10% gerekend in de toekenning van
                      bijzondere bijstand voor kosten die verband houden met de bevordering naar een
                      zelfstandige bestaansvoorziening en met de bevordering van het zelfstandig
                      kunnen blijven functioneren van ouderen en gehandicapten:</al></li>
                    <li nr="a."><al>eigen bijdrage thuiszorg</al></li>
                    <li nr="b."><al>alarmering</al></li>
                    <li nr="c."><al>maaltijdvoorziening</al></li>
                    <li nr="d."><al>eigen bijdrage vervoersvoorzieningen op grond van de WMO</al></li>
                    <li nr="e."><al>eigen bijdrage woningaanpassingen op grond van de WMO</al></li>
                    <li nr="7."><al>Bij een belanghebbende ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling op
                      grond van de WSNP is uitgesproken, geldt dat het college enkel de draagkracht
                      kan berekenen over middelen waarover belanghebbende daadwerkelijk de
                      beschikking heeft (zie <onderstreept>CRvB 01-02-2005, nr. 02/93
                        NABW</onderstreept>). De CRvB neemt hierbij als uitgangspunt dat dit slechts
                      de middelen betreft die op de voet van artikel 295 lid 2 Fw buiten de boedel
                      worden gelaten. Aangezien dit in de praktijk neerkomt op 90% van de
                      bijstandsnorm, betekent dit dat er in het algemeen geen draagkracht zal kunnen
                      bestaan bij een belanghebbende ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling
                      o.g.v. de WSNP van toepassing is</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 10 Periode draagkracht</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr=""><lijst>
                    <li nr="1."><al>De draagkracht wordt telkens voor een periode van één jaar vastgesteld,
                      beginnende op de eerste dag van de maand waarin de kosten gemaakt zijn.</al></li>
                    <li nr="2."><al>Bij elke volgende aanvraag binnen het draagkrachtjaar wordt rekening
                      gehouden met de vastgestelde jaardraagkracht; de vastgestelde ruimte blijft
                      dus gelden.</al></li>
                    <li nr="3."><al>Als bij een aanvraag blijkt dat er vóór de aanvraagdatum noodzakelijke
                      kosten zijn gemaakt, dan wordt het draagkrachtjaar, met inachtneming van
                      hetgeen is bepaald in artikel 12, vastgesteld vanaf de eerste dag van de maand
                      waarin deze kosten zich voor het eerst hebben voorgedaan.</al></li>
                    <li nr="4."><al>In geval van periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht verrekend
                      naar rato van het aantal maanden van de periode waarop deze bijstand
                      betrekking heeft.</al></li>
                    <li nr="5."><al>De draagkrachtperiode kan voor een langere periode vastgesteld worden
                      indien;</al></li>
                    <li nr="a."><al>belanghebbende een WWB of alleen een AOW uitkering ontvangt en</al></li>
                    <li nr="b."><al>Het gaat om de kosten van eigen bijdrage WMO</al></li>
                    <li nr="6."><al>Bij toepassing van het voorgaande lid wordt de bijstand uitbetaald na
                      inlevering van de betaalbewijzen en wordt er periodiek (1 keer per 18 maanden)
                      een administratief heronderzoek verricht.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 11 Toepassing draagkracht </label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr=""><lijst>
                    <li nr="1."><al>Het middels bijzondere bijstand toe te kennen bedrag voor de delging van
                      noodzakelijke kosten, wordt berekend door het bedrag van de in aanmerking te
                      nemen kosten te verminderen met de aanwezige netto draagkracht en de eventuele
                      reserveringscapaciteit.</al></li>
                    <li nr="2."><al>Indien de toe te kennen bijzondere bijstand periodiek wordt verstrekt, moet
                      de netto draagkracht eerst worden aangewend voor de kosten en daarna komt het
                      tot uitbetaling.</al></li>
                    <li nr="3."><al>Indien de toe te kennen bijstand een incidenteel karakter heeft, wordt de
                      vastgestelde netto draagkracht voor de vastgestelde draagkrachtperiode ineens
                      verrekend met de middels bijzondere bijstand te vergoeden noodzakelijke
                      kosten.</al></li>
                    <li nr="4."><al>Bij samenloop van incidentele en periodieke kosten, wordt de netto
                      draagkracht bij voorrang verrekend met de incidentele kosten waarvoor
                      bijzondere bijstand wordt toegekend.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>2.4 De aanvraag, vorm van bijstand, uitbetaling en terugvordering</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 12 Aanvraag</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr=""><lijst>
                    <li nr="1."><al>Bijzondere bijstand wordt in principe op aanvraag verstrekt. Aanvragen voor
                      bijzondere bijstand kunnen worden ingediend tot en met 3 maanden na het moment
                      waarop de kosten zijn gemaakt. Het is dus mogelijk om met terugwerkende kracht
                      bijzondere bijstand te verlenen.</al></li>
                    <li nr="2."><al>Een aanvraag voor bijzondere bijstand wordt slechts in behandeling genomen
                      als de gevraagde gegevens compleet zijn en/of de gevraagde bewijsstukken zijn
                      overgelegd. Het na een geboden hersteltermijn niet (tijdig) aanleveren van de
                      gevraagde gegevens en/of bewijsstukken leidt tot buiten behandelingstelling
                      van de aanvraag.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 13 De wijze van verstrekken</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr=""><lijst>
                    <li nr="1."><al>De bijzondere bijstand wordt in beginsel “om niet” (zonder
                      terugbetaalverplichting) verstrekt. Dit sluit echter niet uit dat in bepaalde
                      gevallen de bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht wordt
                      verstrekt of teruggevorderd.</al></li>
                    <li nr="2."><al>Bijzondere bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening of
                      borgtocht indien:</al></li>
                    <li nr="a."><al>het bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen
                      betreft;</al></li>
                    <li nr="b."><al>redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn
                      over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de
                      noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Onder korte termijn wordt
                      verstaan een periode van maximaal 12 maanden;</al></li>
                    <li nr="c."><al>de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend
                      besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;</al></li>
                    <li nr="d."><al>de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft;</al></li>
                    <li nr="e."><al>het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast
                      betreft.</al></li>
                    <li nr="3."><al>De bijstand die in de vorm van een renteloze geldlening wordt verleend, moet
                      in beginsel worden terugbetaald.</al></li>
                    <li nr="4."><al>De aflossingstermijn van een renteloze geldlening wordt in principe
                      vastgesteld op 3 jaar. Indien er na maximaal 36 maanden nog een restant
                      bestaat, dan wordt dit omgezet in bijstand om niet. Belanghebbende moet dan
                      wel aan de voorwaarden voldaan hebben, dat hij de vastgestelde maandelijkse
                      aflossingsbedragen volledig heeft afbetaald.</al></li>
                    <li nr="5."><al>Van het genoemde in lid 4 kan worden afgeweken als blijkt dat:</al></li>
                    <li nr="a."><al>belanghebbende op korte termijn een aanzienlijk hoger bedrag kan aflossen;
                      of</al></li>
                    <li nr="b."><al>indien hij in de eerste drie jaar nalatig is geweest met het aflossen van de
                      geldlening; of</al></li>
                    <li nr="c."><al>wanneer belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                      voor de voorziening in het bestaan kan worden verweten met betrekking tot het
                      ontstaan of voortduren van de situatie welke tot het verstrekken van bijstand
                      in de vorm van een geldlening heeft geleid. De looptijd wordt in dit geval
                      langer aangezien belanghebbende het volledige bedrag moet aflossen.</al></li>
                    <li nr="6."><al>De hoogte van de aflossing van de renteloze lening bedraagt 6% van de van
                      toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag.</al></li>
                    <li nr="7."><al>Bij een inkomen boven de bijstandsnorm wordt de aflossing verhoogd met 50%
                      van deze meerinkomsten.</al></li>
                  </lijst></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 14 Uitbetaling</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr=""><al>De individuele bijzondere bijstand kan alleen worden verleend voor daadwerkelijk
                  gemaakte kosten, waarvoor betalingsbewijzen moeten worden overlegd. Als het
                  betalingsbewijs geen factuur betreft, moet de factuur alsnog achteraf worden
                  overlegd. </al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>Artikel 15 Terugvordering</label>
              </kop>
              <lijst>
                <li nr=""><al>De bepalingen betreffende terugvordering zijn van overeenkomstige toepassing op
                  de bijzondere bijstand (artikel 58 WWB).</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>Kosten van algemene aard</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>3.1. Toeslag voor jongeren van 18 tot 21 jaar al dan niet verblijvende in een
              inrichting</titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <tussenkop> Algemeen</tussenkop>
              <al>Jongeren van 18 tot en met 20 jaar kunnen in aanmerking komen voor bijzondere
              bijstand. Voor hun algemeen noodzakelijke bestaanskosten kunnen ze een beroep doen op
              de algemene bijstand. De WWB kent voor jongeren van 18 t/m 20 jaar aparte (lage)
              normen welke zijn afgeleid van de niveaus van de Algemene Kinderbijslagwet. Ingeval de
              noodzakelijke kosten van het bestaan van de jongere hoger zijn dan de toepasselijke
              bijstandsnorm, is aanvulling mogelijk bij wijze van bijzondere bijstand. In geval een
              jongere van 18 t/m 20 in een inrichting verblijft, heeft hij geen recht op algemene
              bijstand. De verlening van bijzondere bijstand is wel mogelijk, overeenkomstig als
              voor jongeren van 18 t/m 20 jaar die niet in een inrichting verblijven. In deze
              gevallen wordt de hoogte afgestemd op de norm van een 21-jarige die in een inrichting
              verblijft.</al>
              <al>Daarbij geldt, dat het recht op bijzondere bijstand voor een jongere van 18 t/m 20
              jaar alleen maar bestaat voor zover hij zijn ouders niet kan aanspreken voor deze
              kosten.</al>
              <tussenkop> Voorwaarden</tussenkop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Bijzondere bijstand voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten van jongeren van
                  18 tot 21 jaar wordt verleend indien en voor zover:</al></li>
                <li nr="a."><al>de noodzakelijke kosten van bestaan uitgaan boven de toepasselijke norm;</al></li>
                <li nr="b."><al>voor deze kosten de jongere geen beroep kan doen op zijn ouders omdat:</al></li>
                <li nr="-"><al>de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of</al></li>
                <li nr="-"><al>de jongere redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht tegenover zijn ouders niet te
                  gelde kan maken.</al></li>
                <li nr="2."><al>De jongere bedoeld onder lid 1 b wordt in ieder geval geacht zijn
                  onderhoudsrecht tegenover zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken
                  indien:</al></li>
                <li nr="a."><al>de ouder of ouders zijn overleden of in het buitenland wonen;</al></li>
                <li nr="b."><al>de jongere in het kader van de Wet op de jeugdhulpverlening buiten het gezin is
                  geplaatst;</al></li>
                <li nr="c."><al>er sprake is van een acute crisissituatie, waarin door de jongere zelf geen
                  verandering kan worden gebracht. Hiertoe dient een indicatie te worden gegeven
                  door een hulpverlenende instantie.</al></li>
                <li nr="3."><al>De noodzakelijke kosten van bestaan van de alleenstaande jongere, alleenstaande
                  ouder of gehuwde van 18 tot 21 jaar worden gelijkgesteld aan de toepasselijke WWB
                  norm voor alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde van 21 jaar of ouder. De
                  bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het verschil tussen het inkomen van de
                  jongere en de toepasselijke bijstandsnorm.</al></li>
                <li nr="4."><al>De bijzondere bestand wordt waar mogelijk, op grond van paragraaf 6.5 van de WWB
                  verhaald. Daarmee wordt verkomen dat de beslissing tot bijstandsverlening afbreuk
                  doet aan de ouderlijke onderhoudsplicht.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>3.2. Toeslag voor alleenstaanden met inwonend, niet meer ten laste komend
              kind</titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <tussenkop> Algemeen</tussenkop>
              <al>Indien in een alleenstaand oudergezin, het laatste in de gezinsbijstand begrepen
              kind niet meer ten laste van de ouder komt, is op deze ouder het normbedrag van een
              alleenstaande van toepassing. Deze situatie kan ontstaan doordat het kind de leeftijd
              van 18 jaar bereikt of doordat het kind studiefinanciering of inkomsten vanuit werk
              ontvangt.</al>
              <al>Om de overgang naar de andere norm soepel te laten verlopen, kan de gemeente, indien
              er hogere kosten dienen te worden gemaakt, de bijstand tijdelijk daarop afstemmen door
              een aanvulling met bijzondere bijstand.</al>
              <tussenkop> Voorwaarden</tussenkop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De toeslag wordt verleend op voorwaarde dat dit kind tot het huishouden van de
                  alleenstaande blijft behoren.</al></li>
                <li nr="2."><al>De toeslag wordt verleend voor maximaal 6 maanden, waarbij de toeslag na 3
                  maanden wordt gehalveerd.</al></li>
                <li nr="3."><al>De hoogte van de garantietoeslag wordt bepaald op het verschil tussen de
                  gehuwdennorm en het gezamenlijk inkomen van ouder en kind vanaf het moment dat het
                  laatste in de gezinsbijstand begrepen kind 18 jaar wordt. De normwijziging en de
                  garantietoeslag gaan dus in vanaf de 18<sup>de</sup> verjaardag van het kind.</al></li>
                <li nr="4."><al>Alle inkomsten van ouder en kind worden bij de berekening van de garantietoeslag
                  meegenomen met uitzondering van:</al></li>
                <li nr="a."><al>de premie deeltijdwerk;</al></li>
                <li nr="b."><al>de vrijlating van inkomsten uit arbeid;</al></li>
                <li nr="c."><al>het inkomen van andere inwonende kinderen;</al></li>
                <li nr="d."><al>neveninkomsten van het studerende kind tot een maximum van 10% van het
                  minimumloon per maand.</al></li>
                <li nr="5."><al>Indien het kind <cursief>studiefinanciering</cursief> ontvangt ingevolge de WSF
                  2000, wordt dat inkomen bepaald op het voor de kosten van levensonderhoud geldende
                  normbedrag als genoemd in artikel 33 lid 2 WWB. Dit normbedrag geldt ongeacht het
                  bedrag dat het daadwerkelijke bedrag aan studiefinanciering dat het kind
                  ontvangt.</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr=""><al>Indien het kind <cursief>studietoelage</cursief> ontvangt ingevolge de Wtos,
                  wordt het inkomen bepaald op het bedrag dat het studerende kind ontvangt aan
                  basistoelage.</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="6."><al>Aan het verlenen van de garantietoeslag wordt de voorwaarde verbonden dat het
                  inwonend kind een beroep doet op de onderhoudsplicht van zijn ouder, die niet in
                  gezinsverband met hem leeft.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>3.3. Langdurigheidstoeslag </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <tussenkop> Algemeen</tussenkop>
              <al>Op 1 januari 2009 is een wetsvoorstel in werking getreden waarbij artikel 36 van de
              WWB als volgt is gewijzigd: “Het college verleent op aanvraag een
              langdurigheidstoeslag aan een persoon van 21 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar,
              die langdurig een laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in
              artikel 34 en geen uitzicht heeft op inkomensverbetering”.</al>
              <al>De gedachte achter de toeslag is, dat mensen die langdurig een inkomen op het
              sociaal minimum hebben, geen financiële ruimte hebben om te reserveren voor
              onverwachte uitgaven.</al>
              <tussenkop> Voorwaarden</tussenkop>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Voor de voorwaarden voor het recht op de langdurigheidstoeslag wordt verwezen
                  naar de Verordening langdurigheidstoeslag.</al></li>
                <li nr="2."><al>De langdurigheidstoeslag kan maximaal eenmaal per jaar worden verstrekt en dient
                  elk jaar opnieuw te worden aangevraagd.</al></li>
                <li nr="3."><al>De langdurigheidstoeslag kan met terugwerkende kracht worden verstrekt. Deze
                  moet echter wel uiterlijk binnen 5 jaar na peiljaar worden aangevraagd.</al></li>
                <li nr="4."><al>Het toetsen van de criteria voor langdurig een laag inkomen begint te lopen
                  vanaf het moment dat de aanvrager in Nederland verblijft.</al></li>
                <li nr="5."><al>Indien het een aanvraag betreft voor een aanspraak daterend van vóór 1 januari
                  2009, wordt beslist met toepassing van het oude recht.</al></li>
                <li nr="6."><al>De hoogte van de langdurigheidstoeslag is opgenomen in het financiële besluit en
                  wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd op basis van het
                  consumentenindexcijfer.</al></li>
                <li nr="7."><al>De langdurigheidstoeslag is geen voorliggende voorziening op individuele
                  bijzondere bijstand.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Woonkosten</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>4.1. Woonkostentoeslag</titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>Bij de inwerkingtreding van de Wet op de huurtoeslag heeft er een wijziging
              plaatsgevonden bij de vaststelling van het inkomen. Voor de inwerkingtreding werd er
              gekeken naar het inkomen van het voorafgaande jaar. De huidige huurtoeslag wordt
              gebaseerd op het actuele inkomen. Indien gedurende het jaar inkomensveranderingen
              optreden, kan de huurtoeslag tussentijds worden aangepast. Ook andere mutaties die van
              invloed zijn op de huurtoeslag zoals hoogte van de huur en gezinssamenstelling kunnen
              tussentijds worden aangepast. In veel situaties is het daarom niet meer noodzakelijk
              om een woonkostentoeslag te verstrekken.</al>
              <al/>
              <al>Er kunnen zich echter 2 situaties voordoen waarbij er wel een woonkostentoeslag bij
              een huurwoning kan worden verstrekt, namelijk bij een huurder die een nieuwe woning
              betrekt of als er sprake is van terugval van inkomsten en daardoor geen recht op
              huurtoeslag bestaat aangezien de huur boven de maximale huurgrens ligt.
              Woonkostentoeslag kan ook worden verstrekt bij een koopwoning, bijvoorbeeld indien er
              sprake is van een dusdanige verlaging van het inkomen dat de woonkosten niet meer
              (volledig) vanuit dit inkomen betaald kunnen worden.</al>
              <tussenkop> 4.1.1. Woonkostentoeslag bij een huurwoning</tussenkop>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Belanghebbende bewoont een woning, waarvan de hoogte van de woonkosten gelet op
                  artikel 13 van de Wet op de huurtoeslag (maximale huurgrens) geen belemmering
                  vormt voor toekenning van de huurtoeslag maar door omstandigheden buiten zijn
                  schuld kan hij nog geen aanspraak maken op de huurtoeslag. De woonkostentoeslag
                  wordt verstrekt tot de datum waarop de belanghebbende wel in aanmerking komt voor
                  huurtoeslag.</al></li>
                <li nr="2."><al>De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die
                  belanghebbende gelet op zijn leefomstandigheden en financiële situatie op grond
                  van de Wet op de huurtoeslag voor woonkosten per maand zou ontvangen.</al></li>
                <li nr="3."><al>Indien de woonkosten van een huurwoning het bedrag genoemd in artikel 13 van de
                  Wet op de huurtoeslag te boven gaat kan de termijn van verlening van bijzondere
                  bijstand worden verlengd, voor zover door een wijzing in inkomsten of een
                  gewijzigde situatie wat betreft een inwonende de woonkosten niet meer volledig
                  kunnen worden voldaan.</al></li>
                <li nr="4."><al>Wanneer de huur meer bedraagt dan de maximum huurgrens, dan kan op grond van
                  individuele omstandigheden overwogen worden om een (aanvullende) woonkostentoeslag
                  te verlenen. Besteedt in dit verband in ieder geval aandacht aan het betoonde
                  besef van verantwoordelijkheid: was de ontstane situatie te voorzien en dus te
                  voorkomen? Daarnaast speelt de situatie op de lokale woningmarkt een rol.</al></li>
                <li nr="5."><al>Indien er aanleiding bestaat om op grond van lid 4 een woonkostentoeslag te
                  verstrekken, wordt geen woonkostentoeslag toegekend voor het deel van de rekenhuur
                  dat ligt boven de maximum rekenhuur.</al></li>
                <li nr="6."><al>De woonkostentoeslag wordt in het geval genoemd in lid 5 toegekend voor de
                  periode van maximaal 1 jaar. Daarbij wordt met toepassing van artikel 55 WWB, de
                  verplichting opgelegd om te zoeken naar goedkopere huisvesting waarvoor wel recht
                  bestaat op huurtoeslag. Van zijn inspanningen dient de belanghebbende
                  bewijsstukken te overleggen. De periode waarover de woonkostentoeslag is toegekend
                  kan na afloop tijdelijk worden verlengd indien het feit dat de belanghebbende nog
                  niet over goedkopere woonruimte beschikt hem niet te verwijten valt.</al></li>
              </lijst>
              <tussenkop> 4.1.2. Woonkostentoeslag bij een koopwoning</tussenkop>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Aan een belanghebbende die een eigen woning bezit, die tevens door hem wordt
                  bewoond en waarvan de hoogte van de woonkosten gelet op artikel 13 van de Wet op
                  de huurtoeslag geen belemmering vormt voor toekenning van de huurtoeslag wordt een
                  woonkostentoeslag verstrekt.</al></li>
                <li nr="2."><al>De woonkostentoeslag is gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die de
                  belanghebbende gelet op zijn leefomstandigheden en financiële situatie op grond
                  van de Wet op de huurtoeslag voor woonkosten per maand zou ontvangen.</al></li>
                <li nr="3."><al>Indien de woonkosten van de koopwoning het bedrag genoemd in artikel 13 van de
                  Wet op de huurtoeslag te boven gaan is verlening van bijzondere bijstand mogelijk,
                  voor zover door een wijziging in inkomsten of een gewijzigde situatie wat betreft
                  inwoning de woonkosten niet zelf meer volledig kunnen worden voldaan.</al></li>
                <li nr="4."><al>Wanneer de woonkosten van de koopwoning meer bedragen dan de maximum huurgrens,
                  dan kan op grond van individuele omstandigheden overwogen worden om een
                  (aanvullende) woonkostentoeslag te verlenen. Besteedt in dit verband in ieder
                  geval aandacht aan het betoonde besef van verantwoordelijkheid: was de ontstane
                  situatie te voorzien en dus te voorkomen? Daarnaast speelt de situatie op de
                  lokale woningmarkt een rol.</al></li>
                <li nr="5."><al>Indien er aanleiding bestaat om op grond van lid 4 een woonkostentoeslag te
                  verstrekken, wordt geen woonkostentoeslag toegekend voor het deel van de
                  woonkosten dat ligt boven de maximum rekenhuur.</al></li>
                <li nr="6."><al>De woonkostentoeslag wordt in het geval genoemd in lid 5 toegekend voor de
                  periode van maximaal 1 jaar. Daarbij wordt met toepassing van artikel 55 WWB, de
                  verplichting opgelegd om te zoeken naar goedkopere huisvesting waarvoor wel recht
                  bestaat op huurtoeslag. In ieder geval valt hieronder het te koop zetten van de
                  eigen woning. Van zijn inspanningen dient de belanghebbende bewijsstukken te
                  overleggen. De periode waarover de woonkostentoeslag is toegekend kan na afloop
                  tijdelijk worden verlengd indien het feit dat de belanghebbende nog niet over
                  goedkopere woonruimte beschikt hem niet te verwijten valt.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>4.2. Waarborgsom</titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>In verschillende situaties kan het voorkomen dat de belanghebbende een waarborgsom
              moet voldoen ter verkrijging van een bepaalde prestatie zoals bijvoorbeeld bij het
              betrekken van nieuwe woonruimte. Over het algemeen, krijgt de huurder deze waarborgsom
              bij beëindiging van het huurcontract weer terug. De waarborgsom blijft in feite
              toebehoren aan de huurder maar hij kan er niet over beschikken. Er kan een noodzaak
              bestaan om voor deze kosten bijzondere bijstand te verlenen.</al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>Er kan bijzondere bijstand worden verleend voor een waarborgsom in de vorm van een
              (renteloze) geldlening. Belanghebbende ontvangt namelijk de waarborgsom op een later
              moment weer terug.</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Kosten van medische aard</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.1 Inleiding</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>In het algemeen is het zo dat de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de AWBZ alle
              noodzakelijke medische of paramedische kostensoorten vergoeden. Beide regelingen
              gelden samen als een aan de WWB voorliggende voorziening die passend en toereikend is.
              Bijstandsverlening voor deze kosten is daarom in beginsel uitgesloten (artikel 15 WWB)
              In dit verband zij er op gewezen dat in de toelichting bij artikel 15 WWB onder meer
              is opgemerkt dat de WWB geen functie heeft indien binnen de voorliggende regeling een
              bewuste beslissing is genomen over de noodzakelijkheid van de voorziening in het
              algemeen of in een specifieke situatie. Indien op grond van een dergelijk
              noodzakelijkheidsoordeel de keuze is gemaakt om één of meer kostensoorten niet in de
              voorziening op te nemen of de voorziening in een bepaalde situatie niet noodzakelijk
              te achten, dient de WWB zich bij die keuze aan te sluiten en komt men ten aanzien van
              die kosten niet voor bijstandsverlening in aanmerking. Dit betekent tevens dat
              medische of paramedische kosten die niet op grond van de Zvw of AWBZ worden vergoed in
              beginsel ook <cursief>niet</cursief> in aanmerking komen voor bijzondere bijstand.
              Volgens de CRvB moet namelijk worden aangenomen dat in het kader van de Zvw en de AWBZ
              een bewuste beslissing is genomen over de omvang van de genees- en heelkundige hulp.
              Deze uitspraken hebben weliswaar betrekking op de Zfw en AWBZ, maar aangenomen mag
              worden dat zulks ook geldt voor de Zvw en de AWBZ. </al>
              <al/>
              <al>De volgende medische kostensoorten worden niet noodzakelijk geacht:</al>
              <al>
                <cursief>de kostensoorten bedoeld in artikel 14 onderdeel e WWB</cursief> Geen
              bijstand wordt verleend voor de kosten van medische handelingen en verrichtingen die
              gerekend kunnen worden tot de ontwikkelingsgeneeskunde als bedoeld in de Wet op
              bijzondere medische verrichtingen, of wanneer zodanige medische behandelingen en
              verrichtingen buiten Nederland plaatsvinden. Het betreft hier een absoluut verbod. </al>
              <al/>
              <al>
                <cursief>de medische of paramedische kosten die bewust buiten het Zvw-pakket zijn
                gelaten</cursief>Ingeval de voorziening als zodanig in het concrete geval
              door die instantie niet noodzakelijk wordt geacht en derhalve ook geen vergoeding
              wordt toegekend, kan geen bijstand worden verleend. In de Zvw gaat het dan
              bijvoorbeeld om de kosten verbonden aan alternatieve geneeswijzen. Een aanvraag om
              bijstand ter vergoeding van de hieraan verbonden kosten kan, gelet op het
              bovenstaande, worden afgewezen met toepassing van artikel 15 WWB. </al>
              <al/>
              <al>Wordt de voorziening in het individuele geval op grond van de Zvw wel noodzakelijk
              geacht, maar worden de kosten om budgettaire redenen niet of niet volledig vergoed,
              dan heeft het college de bevoegdheid, alsmede in voorkomende gevallen de plicht, om
              (aanvullende) bijstand te verlenen voor zover die kosten door de voorliggende
              voorziening voor belanghebbende noodzakelijk worden geacht.</al>
              <al/>
              <al>Bijstandsverlening is, in afwijking van hetgeen in het bovenstaande is gesteld toch
              mogelijk indien en zolang, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende
              redenen aanwezig zijn (artikel 16 lid 1 WWB). Het criterium "zeer dringende redenen"
              mag echter niet al te ruim worden geïnterpreteerd. Het kan alleen worden toegepast bij
              acute noodsituaties. Daarvan zal, ook bij aanvragen om bijzondere bijstand voor
              medische kosten niet snel sprake zijn. Op grond van het motiveringsbeginsel zoals dat
              is neergelegd in artikel 3:46 Awb dient het college de mogelijkheid om wegens
              dringende redenen in afwijking van artikel 15 WWB toch bijstand te verlenen altijd te
              beoordelen. Het is daarom aan te bevelen om in de beschikking, waarin met toepassing
              van (een van beide redenen in) dit artikel de aanvraag om bijstand wordt afgewezen,
              uitdrukkelijk te vermelden dat niet is gebleken van dringende redenen om toch bijstand
              toe te kennen. Zo mogelijk dient dit nader te worden gemotiveerd.</al>
              <al>Betreft het een aanvraag om bijzondere bijstand voor medische kosten en is er geen
              sprake van zeer dringende redenen dan heeft het college op grond van de WWB niet de
              bevoegdheid om bijstand te verlenen voor de betreffende kosten. Indien het college
              desondanks toch bijstand wil verlenen, dan zal het daarvoor zelf beleid moeten
              formuleren. Men spreekt in dit verband over buitenwettelijk beleid. De rechter kan
              buitenwettelijk beleid slechts terughoudend toetsen. Het eventueel van toepassing
              zijnde buitenwettelijk gemeentelijk beleid inzake bijstandsverlening voor medische
              kosten is indien van toepassing opgenomen in deze beleidsregels. </al>
              <al>Eigen bijdragen van kostensoorten die slechts ten dele door de Zvw worden vergoed
              komen in beginsel in aanmerking voor bijzondere bijstand. Medische kosten die zijn
              uitgesloten van vergoeding op grond van de Zvw (bijvoorbeeld de kosten van
              alternatieve geneeswijzen zoals acupunctuur en kosten van diverse farmaceutische
              middelen) worden soms toch vergoed op grond van een aanvullende of collectieve
              verzekering. Daarbij geldt dan meestal een eigen bijdrage. Of deze eigen bijdrage
              wordt vergoed is afhankelijk van het wel of niet zijn uitgesloten van die medische
              kosten op grond van de Zvw. Als de kosten buiten het vergoedingenpakket van de Zvw
              vallen, komen deze eigen bijdragen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. </al>
              <al/>
              <al>Het is mogelijk dat de verzekerde de zorg van een niet door zijn zorgverzekeraar
              gecontracteerde zorgaanbieder af wil nemen. In zo'n geval zal de vergoeding veelal
              niet volledig zijn. Wellicht zal de belanghebbende voor het restant van de kosten
              bijstand aanvragen. Deze kosten zijn geen noodzakelijke kosten in de zin van artikel
              35 lid 1 WWB, voor zover bij gebruik van een wel gecontracteerde zorgaanbieder deze
              kosten wel vergoed zouden worden. Er kan dan in beginsel geen bijstand worden
              verleend.</al>
              <al/>
              <al>Een zorgverzekeraar kan polissen aanbieden waarin bepaalde om ethische of
              levensbeschouwelijke redenen controversiële prestaties buiten de dekking van de
              zorgverzekering blijven. Indien de verzekerde voor een dergelijke 'vermagerde' polis
              kiest, dan komt hem geen bijstand toe voor de kosten die buiten de dekking zijn
              gelaten. Analoog aan een vrijwillig gekozen hoger eigen risico, kan het gevolg van
              voormelde keuze niet worden afgewenteld op de WWB in die zin dat de kosten van dit
              hogere eigen risico als noodzakelijk zouden moeten worden aangemerkt.</al>
              <al>Voor de bijzondere bijstand geldt de ziektekostenverzekering als voorliggende
              voorziening. Indien men er zelf voor kiest om zich niet te verzekeren tegen een
              algemeen aanvaard risicopakket komen deze kosten volgens vaste jurisprudentie niet
              voor verlening van bijzondere bijstand in aanmerking. Bij de verlening van bijzondere
              bijstand wordt er vanuit gegaan dat er een verplichte basisverzekering is afgesloten.
              Daarnaast wordt, in het algemeen, voor de vaststelling van de maximale hoogte van de
              vergoedingen aangesloten bij het Pluspakket van Salland verzekeringen. De gemeente
              heeft een collectieve ziektekostenverzekering afgesloten. Deelnemers zijn aanvullend
              verzekerd voor het Pluspakket en Tandplus pakket, in het vervolg nader te noemen
              SallandPlus.</al>
              <al/>
              <al>Wanneer de aanvrager zich niet aanvullend verzekerd heeft, dan wordt voor de hoogte
              van de te verlenen bijstand aansluiting gezocht bij de vergoeding die verleend zou
              worden indien er wel sprake was van een aanvullende verzekering . Heeft men nagelaten
              zich aanvullend te verzekeren dan bepalen de individuele omstandigheden de hoogte van
              de eventuele bijstand. In dat geval bedraagt de vergoeding maximaal hetgeen voor eigen
              rekening zou zijn gebleven indien men aanvullend verzekerd zou zijn op grond van de
              standaard aanvullende verzekering van de zorgverzekeraar waarbij de belanghebbende
              verzekerd is.</al>
              <al/>
              <al>De belanghebbende heeft namelijk een wettelijk recht om zelf een verzekeraar te
              kiezen. Hij kan niet gedwongen worden om zich bij een bepaalde zorgverzekeraar te
              verzekeren. Een en ander volgt uit de beantwoording van diverse kamervragen door de
              ministers van SZW en VWS.</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.2 Medisch advies</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Bij het bepalen of er bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor medische kosten
              is het van belang om de medische noodzakelijkheid vast te stellen omdat alleen dan de
              kosten (deels) kunnen worden vergoed. Als uitgangspunt wordt genomen dat alle kosten
              die onder de basisverzekering vallen en volledig of deels worden vergoed als medisch
              noodzakelijke kosten worden beschouwd. Daarnaast wordt voorgesteld om de onderstaande
              medisch kosten in aanmerking te laten komen voor bijzondere bijstand, omdat deze op
              grond van de Zvw en Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) medisch noodzakelijk
              worden geacht maar toch om budgettaire redenen niet of niet volledig worden
              vergoed:</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>Brillen en contactlenzen;</al></li>
                <li nr="-"><al>Tandheelkundigenhulp voor volwassenen;</al></li>
                <li nr="-"><al>Eigen bijdrage voor de uitneembare volledige prothetische voorziening voor de
                  boven en/of onderkaak (“ kunstgebit”);</al></li>
                <li nr="-"><al>De eigen bijdrage in de kosten van psychotherapie die op grond van de AWBZ wordt
                  opgelegd;</al></li>
                <li nr="-"><al>De kosten van de eerste 5 behandelingen fysiotherapie en oefentherapie;</al></li>
                <li nr="-"><al>Eigen bijdrage voor een pruik;</al></li>
                <li nr="-"><al>Eigen bijdrage in orthopedisch schoeisel;</al></li>
                <li nr="-"><al>Eigen bijdrage in kraamzorg;</al></li>
                <li nr="-"><al>Eigen bijdrage in ziekenvervoer.</al><al/></li>
              </lijst>
              <al>Voor de overige medische kosten zal door middel van een aan te vragen medisch advies
              moeten worden bepaald of de kosten als medisch noodzakelijk kunnen worden beschouwd.
              Als dit niet het geval is dan komen de kosten niet voor vergoeding vanuit de
              bijzondere bijstand in aanmerking. </al>
              <al>In voorkomende gevallen kan het college de medische noodzaak laten vaststellen door
              een hiervoor aangewezen instantie. De bijzondere bijstand moet aangevraagd zijn voor
              met de (voortgezette) behandeling wordt gestart en de kosten zijn gemaakt, zodat eerst
              een medisch advies kan worden opgevraagd om de noodzaak en eventueel de goedkoopst
              adequate voorziening vast te stellen.</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.3 Collectieve ziektekostenverzekering</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>De gemeente Olst-Wijhe heeft een collectieve ziektekostenverzekering afgesloten
              speciaal voor mensen met een lager inkomen bij Salland Verzekeringen. Deelnemers zijn
              aanvullend verzekerd voor het Pluspakket en Tandplus pakket (SallandPlus).</al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Belanghebbende met een netto maandinkomen tot en met 110% van de van geldende
                  bijstandsnorm of inkomensvoorziening, inclusief vakantiegeld, kunnen deelnemen aan
                  de collectieve ziektekostenverzekering van de door het college aangewezen
                  zorgverzekeraar.</al></li>
                <li nr="2."><al>De basisverzekering wordt als voorliggende voorziening gehanteerd voor het
                  verlenen van bijzondere bijstand.</al></li>
                <li nr="3."><al>De collectieve verzekering eindigt indien;</al></li>
                <li nr="a."><al>Het netto inkomen hoger wordt dan genoemd in lid 1.</al></li>
                <li nr="b."><al>Verzekerde verhuisd buiten de gemeente Olst-Wijhe.</al></li>
                <li nr="4."><al>De verzekering eindigt per de eerste januari van het volgend kalenderjaar omdat
                  een aanvullende verzekering niet tussentijds kan worden opgezegd.</al></li>
                <li nr="5."><al>Indien verzekerde komt te overlijden eindigt de collectieve verzekering met
                  ingang van de dag na het overlijden.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.4 Premie aanvullende ziektekostenverzekering</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>Bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand voor medische kosten wordt
              er vanuit gegaan dat iedereen naast de basisverzekering een aanvullende
              ziektekostenverzekering (inclusief) tandheelkunde) afsluit zonder vrijwillig eigen
              risico. Dit betekent dat er geen recht op bijzondere bijstand bestaat voor kosten die
              op grond van de aanvullende verzekering worden vergoed.</al>
              <al/>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Belanghebbenden met een netto maandinkomen tot en met 110% van de van geldende
                  bijstandsnorm of inkomensvoorziening, inclusief vakantiegeld, hebben recht op een
                  tegemoetkoming. De hoogte is geregeld in het financiële besluit.</al></li>
                <li nr="2."><al>De mensen die collectief verzekerd zijn bij Salland verzekeringen krijgen het
                  bedrag automatisch op hun rekening bijgeschreven aangezien van hen bekend is dat
                  zij aan de inkomens-en vermogenseisen voldoen en dat zijn aanvullend verzekerd
                  zijn.</al></li>
                <li nr="3."><al>De overige personen moeten de tegemoetkoming zelf aanvragen en hierbij aantonen
                  dat zij aanvullend verzekerd zijn.</al></li>
                <li nr="4."><al>Indien niet het hele jaar recht op bijzondere bijstand bestaat wordt het bedrag
                  na rato van de periode waarover wel het recht bestaat omgerekend.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.5 Eigen risico ziektekostenverzekering</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>In de Zorgverzekeringswet (Zvw) is een verplicht eigen risico opgenomen. Hier is
              sprake van een algemene maatregel, die geldt voor alle verzekerden. Daarnaast is het
              mogelijk een vrijwillig eigen risico af te sluiten, hierdoor wordt er een lagere
              premie betaald.</al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er kan geen bijzondere bijstand worden verleend voor het verplichte eigen
                  risico. Alleen en voor zover er sprake is van zeer dringende omstandigheden kan
                  een uitzondering worden gemaakt. Het feit dan men niet in één keer het eigen
                  risico kan betalen vormt geen zeer dringende omstandigheid.</al></li>
                <li nr="2."><al>Er kan geen bijzondere bijstand worden verleend voor het vrijwillige eigen
                  risico.</al></li>
              </lijst>
              <al>Belanghebbende neemt hiervoor zelf de beslissing en daardoor kan dit risico niet
              worden afgewenteld op de gemeente. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.6 Brillen/contactlenzen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>De zorgverzekeringswet en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering zijn voor de
              kosten van brillen (montuur en of glazen) of contactlenzen in beginsel aan te merken
              als aan de WWB voorliggende, toereikende en passen voorziening. Er is door de wetgever
              een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten van brillen
              (montuur en of glazen) of contactlenzen, zodat ( aanvullende ) bijzondere
              bijstandsverlening in beginsel niet aan de orde is. Slechts indien er sprake is van
              zeer dringende of medische redenen kan hiervan afgeweken worden.</al>
              <al/>
              <al>Bij de verstrekking van bijzondere bijstand voor een bril of contactlenzenoet
              rekening worden gehouden met de vergoeding die de collectieve aanvullende verzekering
              (SallandPlus) kent. De vergoeding is vastgelegd in het financiële besluit. Salland
              vergoedt in 2013 maximaal € 75,00 (inclusief montuur). De klant kan op grond van de
              voorwaarden van Salland ook kiezen voor een "gratis" bril via
              www.eylovebrillen.nl</al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Is er sprake van het ontbreken van een aanvullende zorgverzekering kan men in
                  aanmerking komen voor bijzondere bijstand. De bijstand wordt verstrekt eenmaal per
                  twee kalenderjaren en de hoogte van de vergoeding is vastgelegd in het financiële
                  besluit.</al></li>
                <li nr="2."><al>De kosten van vervanging van brillen (montuur en of glazen) of contactlenzen
                  komen pas in aanmerking voor vergoeding indien de aanschaf plaatsvindt na 24
                  maanden na de vorige aanschaf. Hierbij wordt aangesloten bij het
                  verstrekkingenbeleid van de meeste zorgverzekeraars.</al></li>
                <li nr="3."><al>Indien binnen twee jaar een verzoek om bijstand in de kosten van aanschaf voor
                  een nieuwe bril wordt gedaan, wordt dit verzoek afgewezen, tenzij er sprake is van
                  wijziging van de sterkte van glazen. Indien er sprake is van wijziging van een
                  sterke van +1 of -1 kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de aanschaf van
                  nieuwe glazen. Er wordt van uitgegaan dat de glazen gezet kunnen worden in het
                  “oude montuur” .</al></li>
                <li nr="4."><al>Indien een beroep wordt gedaan op bijstand in verband met een duurdere
                  voorziening op grond van medische klachten dan dient er een verklaring van een
                  oogarts verstrekt te worden. Er dient dan sprake te zijn van brillenglazen of
                  contactlenzen van +8 of -8.</al></li>
                <li nr="5."><al>De maximale vergoeding bij toepassing van lid 4 voor een bril (montuur en
                  glazen) is vastgelegd in het financiële besluit.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.7</label>
              <nr>Hoortoestellen</nr>
              <titel/>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>De Zorgverzekeringswet (Zvw) en AWBZ moeten beschouwd worden als een aan de
              bijstandsverlening in de weg staande voorliggende voorziening als bedoeld in artikel
              15 WWB. Dat de zorgverzekering geen volledige dekking voor deze kosten biedt en
              slechts een deel van de kosten vergoedt, doet hieraan niet af .De kosten van een
              gehoortoestel komen in aanmerking voor vergoeding door de zorgverzekeraar op grond van
              de Zvw, Besluit zorgverzekering en Regeling zorgverzekering. Het is mogelijk dat de
              kosten van het gekozen hoortoestel hoger zijn dan de maximale vergoeding die op basis
              van de Regeling zorgverzekering mogelijk is.</al>
              <al>Voor de hoogte van de aanvullende vergoeding wordt aangesloten bij de vergoeding van
              de collectieve aanvullende verzekering SallandPlus. </al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er kan eens in de vijf jaar per hoorapparaat maximaal € 200,- aan bijzondere
                  bijstand worden verstrekt.</al></li>
                <li nr="2."><al>Dit bedrag komt bovenop de vergoeding vanuit de zorgverzekering. De
                  basisverzekering vergoedt één keer per vijf jaar een bedrag van € 509,50 per
                  hoorapparaat. Vaak krijgen mensen met een aanvullende verzekering nog een extra
                    vergoeding<vet>. </vet></al></li>
                <li nr="3."><al>Als men dus niet aanvullend (of elders aanvullend-) verzekerd is kan dus eens in
                  de vijf jaar maximaal€ 200,00 bijzondere bijstand per hoortoestel worden
                  toegekend.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.8 Batterijen en serviceabonnementen gehoortoestellen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>Kosten van de batterijen en een serviceabonnement van een gehoortoestel behoren tot
              de bijzonder noodzakelijke kosten van het bestaan en komen daarom in aanmerking voor
              bijzondere bestand. Hierbij geldt dat wordt aangesloten bij de collectieve
              ziektekostenverzekering van de gemeente Olst-Wijhe.</al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Voor de kosten van de batterijen voor een gehoorapparaat kan maximaal eenmaal
                  per jaar bijzondere bijstand worden verleend.</al></li>
                <li nr="2."><al>De bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een forfaitair bedrag
                  vastgelegd in het financiële besluit.</al></li>
                <li nr="3."><al>Voor de kosten van een serviceabonnement kan eens in de vijf jaar bijzondere
                  bijstand worden verstrekt, de hoogte is vastgelegd in het financiële besluit.</al></li>
                <li nr="4."><al>Daarbij dient wel gekeken te worden in hoeverre een eventueel elders afgesloten
                  aanvullende verzekering de batterijen en serviceabonnement vergoedt.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.9 Bewassing- en kleding slijtagekosten</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>Kleding- en schoeiselslijtage kunnen het gevolg zijn van het gebruik van prothesen,
              stoornissen van houding en bewegingsapparaat, het evenwicht, het bewustzijn of het
              coördinatievermogen. Extra waskosten kunnen voortkomen uit incontinentie, gebruik
              medicatie zoals zalf, bedlegerigheid, gebruik van een stoma of overmatig
              transpireren.</al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>In bijzondere omstandigheden kan voor de kosten van bewassing- en/of kleding
                  slijtage maximaal eenmaal per jaar bijzondere bijstand worden verleend.</al></li>
                <li nr="2."><al>De hoogte van de voor bijzondere bijstand in aanmerking komende waskosten wordt
                  bepaald aan de hand van de GMD-lijst (Gemeenschappelijk Medische Dienst van het
                  GAK). De GMD lijst bestaat officieel niet meer, maar wordt nog wel jaarlijks door
                  Schulinck geïndexeerd. De GMD lijst gaat in op kosten in geval van ziekte of
                  handicap.</al></li>
                <li nr="3."><al>De meerkosten van kleding wordt bepaald aan de hand NIBUD-Prijzengids bij een
                  inkomen op bijstandsniveau respectievelijk het voor de andere inkomensklasse
                  gebruikelijke bedrag voor kleding op grond van het NIBUD-Budgethandboek.</al></li>
                <li nr="4."><al>Aan de verlening van de bijzondere bijstand wordt op grond van artikel 55 Wwb
                  een bestedingsverplichting verbonden, de bijstand moet worden aangewend voor het
                  doel waarvoor zij wordt verstrekt.</al></li>
                <li nr="5."><al>De noodzaak kan zonodig door een medisch advies worden vastgesteld.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.10 Dieetpreparaten en dieetkosten</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>5.10.1 Dieetpreparaten</label>
              </kop>
              <al>Dieetpreparaten zijn voedingsmiddelen die ten opzichte van de normale voeding zowel
              een gewijzigde chemische samenstelling (voedingskundige samenstelling) als een
              gewijzigde fysische samenstelling (andere consistentie zoals vloeibaar of poeder)
              hebben. Voorbeelden van dieetpreparaten zijn de drinkvoedingen zoals Nutridrink,
              Fortimel en dergelijke.</al>
              <al/>
              <al>5De AWBZ en Zvw dienen voor de kosten van dieetpreparaten te worden beschouwd als
              aan de Wwb voorliggende, toereikende en passende voorzieningen. Dit betekent dat
              artikel 15 Wwb in beginsel aan toekenning van bijzondere bijstand in deze kosten in de
              weg staat. &#x2028;In afwijking hiervan is toch bijstandsverlening mogelijk indien en zolang,
              gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn (artikel 16
              lid 1 Wwb).</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>5.10.2 Dieetkosten</label>
              </kop>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>Dieetkosten zijn de meerkosten die ten opzichte van de kosten van een normale
              gezonde voeding, ontstaan door het volgen van een (medisch noodzakelijk) dieet. Met
              voedingsupplementen worden diverse pillen, tabletten, capsules, druppels en poeders
              aangeduid die als aanvulling op de dagelijkse voeding bedoeld zijn. Dieetkosten en
              voedingssupplementen behoren niet tot het zorgpakket van de wettelijke
              ziektekostenverzekeringen AWBZ en Zvw. Deze kunnen dan ook niet als voorliggende,
              toereikende en passende voorzieningen worden aangemerkt. Dit betekent dat verlening
              van bijzondere bijstand mogelijk is indien wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden.
              Daarbij is met name van belang: Betreft het (aantoonbare) medisch noodzakelijke kosten
              van het bestaan?</al>
              <al/>
              <al>Wil een dieet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan horen dan zal een
              deskundige de (medische) noodzaak van het dieet moeten kunnen vaststellen. Maar het
              feit dat een dieet door een diëtist is opgesteld maakt niet dat dit per definitie
              medisch noodzakelijk is. Uit jurisprudentie kan voorts worden afgeleid dat de volgende
              (alternatieve) diëten en voedingssupplementen medisch <cursief>niet
              </cursief>noodzakelijk zijn:</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>een Myalgische Encephalomyelitis (M.E.)-dieet.</al></li>
                <li nr="-"><al>een Candida-dieet, voorgeschreven door een orthomoleculair therapeut</al></li>
                <li nr="-"><al>voedingssupplementen voorgeschreven door een osteopaat.</al></li>
                <li nr="-"><al>diabetesdieet. Dit dieet was weliswaar noodzakelijk, doch hieraan zijn volgens
                  de GGD geen meerkosten verbonden (zie <onderstreept>CRvB 20-08-2002, nr. 00/376
                    NABW</onderstreept> en <onderstreept>CRvB 29-10-2002, nr. 99/3120
                    NABW</onderstreept>).</al></li>
                <li nr="-"><al>een calciumverrijkt dieet (idem, zie <onderstreept>CRvB 13-07-2010, nr. 08/4159
                    W</onderstreept>wb).</al></li>
              </lijst>
              <al/>
              <al>De kosten voor normale voeding kan belanghebbende voldoen uit een inkomen ter hoogte
              van de toepasselijke norm algemene bijstand. Er dient dus sprake te zijn van
              meerkosten ten opzichte van normale voeding (referentievoeding). </al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er moet bij belanghebbende sprake zijn van een (vastgestelde) medische
                  noodzaak.Dit moet bij de 1e aanvraag worden vastgesteld aan de hand van een
                  opgevraagd medisch advies. </al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="2."><al>De meerkosten per jaar van een dieet zijn opgenomen de in prijzengids van het
                  Nibud (te vinden in het handboek Schulinck) onder 'Meerkosten dieetvoeding'.</al></li>
                <li nr="3."><al>Voor de diëten die niet in de tabel van het Nibud worden genoemd worden geacht
                  geen meerkosten aanwezig te zijn.</al></li>
                <li nr="4."><al>Aan bijzondere bijstand kan worden verleend de meerkosten van een dieet
                  verminderd met de eigen draagkracht.</al></li>
                <li nr="5."><al>Indien de belanghebbende als gevolg van meerdere voedselintoleranties een
                  combinatiedieet dient te volgen dan zijn de kosten hiervan niet per definitie
                  gelijk aan de optelsom van twee of meer normdiëten. De toepasselijke normdiëten
                  zullen volgens de regels van de dieetleer ineengeschoven moeten worden, zodat een
                  voor alle diagnosen verantwoord en een op de persoon toegesneden dieet resulteert.
                  Van dit samengestelde dieet zullen vervolgens de kosten moeten worden berekend en
                  afgezet tegen de kosten van de referentievoeding. Hiertoe zal het college een
                  advies moeten vragen.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.11 Zelfzorggeneesmiddelen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Naast de voedingssupplementen zijn er ook de zelfzorggeneesmiddelen. Sinds 1999 moet
              iedereen zijn zelfzorggeneesmiddelen zelf betalen, behalve belanghebbenden die deze
              medicijnen langdurig gebruiken. Zij krijgen op grond van de Regeling zorgverzekering
              deze geneesmiddelen wel vergoed door de zorgverzekeraar. De zelfzorggeneesmiddelen die
              in het zorgverzekeringspakket zijn opgenomen voor mensen die deze chronisch gebruiken,
              zijn de volgende vijf groepen zelfzorgmiddelen:</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>middelen bij allergie</al></li>
                <li nr="-"><al>middelen bij maagledigingsstoornissen</al></li>
                <li nr="-"><al>middelen bij diarree</al></li>
                <li nr="-"><al>kalktabletten</al></li>
                <li nr="-"><al>laxeermiddelen</al></li>
              </lijst>
              <al/>
              <al>In de <cursief>overige </cursief>gevallen bestond ook voor 1 januari 2004 geen
              aanspraak op vergoeding van zelfzorgmiddelen. Aangenomen moet worden dat er in het
              kader van de AWBZ en Zvw een bewuste beslissing is genomen over de noodzakelijkheid
              van deze geneesmiddelen. Er bestaat in beginsel dan ook geen recht op bijzondere
              bijstand voor de zelfzorgmiddelen. Tenzij het de kosten van een chronisch gebruiker
              betreft en deze hiervoor geen beroep kan doen op de Zvw. Onder chronisch gebruik wordt
              langer dan zes maanden verstaan. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.12 Geneesmiddelen</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>De AWBZ en Zvw dienen voor de kosten van geneesmiddelen in beginsel als aan de WWB
              voorliggende, toereikende en passende voorzieningen te worden beschouwd. De aanspraak
              op geneesmiddelen is geregeld in de Regeling zorgverzekering. Bijlage 2 bij deze
              regeling bevat een overzicht van de geneesmiddelen waarop, soms onder bepaalde
              voorwaarden, aanspraak kan worden gemaakt. Indien de AWBZ en Zvw de voorgeschreven
              geneesmiddelen niet vergoeden, bestaat er in beginsel ook geen recht op bijzondere
              bijstand. Aangenomen moet worden dat er in het kader van de AWBZ en Zvw een bewuste
              beslissing is genomen over de noodzakelijkheid van deze geneesmiddelen. Artikel 15 WWB
              staat dan in beginsel aan toekenning van bijzondere bijstand in de weg. </al>
              <al>Alleen als er sprake is van zeer dringende redenen kan bijzondere bijstand worden
              verstrekt. Dit is denkbaar bij abrupte beëindiging van medicijnen en bij het niet
              kunnen verdragen van bepaalde geneesmiddelen uit het GVS.</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.13 Alternatieve geneeswijzen</label>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <label>5.Geen recht op bijzondere bijstand </label>
              </kop>
              <al>De AWBZ en Zvw vergoeden in het algemeen alle noodzakelijke kosten die verband
              houden met medische of paramedische behandeling. Beide regelingen gelden samen in het
              kader van de WWB als een voorliggende voorziening die passend en toereikend is.
              Bijstandsverlening voor deze kosten is daarom in beginsel uitgesloten (artikel 15
              WWB).</al>
              <al/>
              <al>Indien in het kader van de AWBZ en Zvw op grond van een bewuste beslissing over de
              noodzakelijkheid van een voorziening de keuze is gemaakt om één of meer kostensoorten
              niet in de voorziening op te nemen of de voorziening in een bepaalde situatie niet
              noodzakelijk te achten, dient de WWB zich bij die keuze aan te sluiten en komt men ten
              aanzien van die kosten niet voor bijstandsverlening in aanmerking. Dit betekent in het
              algemeen dat kostensoorten die niet op grond van de Zvw of AWBZ worden vergoed ook
                <cursief>niet</cursief> in aanmerking komen voor bijzondere bijstand krachtens
                <onderstreept>artikel 35 lid 1 WWB</onderstreept>. Dit is slechts dan anders als de
              betreffende kosten noodzakelijk zijn, maar de kosten om budgettaire redenen niet of
              niet langer op grond van een voorliggende voorziening (volledig) worden vergoed. Dan
              heeft het college wel de mogelijkheid om op grond van <onderstreept>artikel 35 lid 1
                WWB</onderstreept> (aanvullende) bijzondere bijstand te verlenen.</al>
              <al/>
              <al>De kosten van alternatieve geneeswijzen worden niet vergoed in de AWBZ en Zvw. Met
              artikel 2.4 lid 1 Besluit zorgverzekeringen is een bewuste beslissing genomen over de
              noodzaak van het vergoeden van de kosten van alternatieve geneeskundige behandelingen.
              De kosten van alternatieve geneeswijzen worden niet vergoed omdat de werking ervan
              niet wetenschappelijk is bewezen. Voor deze kosten bestaat in beginsel ook geen recht
              op bijstand. De wettelijke grondslag hiervoor is <onderstreept>artikel 15
                WWB</onderstreept> (zie <onderstreept>CRvB 22-03-2011, nr. 08/7181
                WWB</onderstreept>).</al>
              <al/>
              <al>Soms wordt een deel van de kosten voor alternatieve geneeswijzen toch op basis van
              een aanvullende verzekering vergoed. Ondanks dat is er, gelet op het bovenstaande, ook
              dan in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk voor de kosten van de eigen bijdragen
            </al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.14 Bevalling en Kraamhulp</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>Als voorliggende voorziening wordt aangemerkt de Zorgverzekeringswet, AWBZ en met
              betrekking tot de draagkracht een eventuele zwangerschaps-/bevallingsuitkering. Als
              bevalling op medisch of sociaal advies in het ziekenhuis plaatsvindt, vindt vergoeding
              plaats door de zorgverzekeraar. De kosten van kraamhulp behoren tot de bijzondere
              noodzakelijke kosten van het bestaan. </al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Voor de eigen bijdrage kan bijzondere bijstand worden verleend. De bijzondere
                  bijstand voor kraamhulp kan worden toegekend na overlegging van het bewijs van
                  voorschotbetaling (het voorschot wordt dan betaalbaar gesteld) en onder de
                  voorwaarde dat de resterende eigen bijdrage wordt betaald na overlegging van de
                  definitieve nota. (Indien belanghebbende aanvullend verzekerd is bij Optimaal van
                  Salland, of een andere vergelijkbare aanvullende zorgverzekering heeft, wordt de
                  eigen bijdrage vergoed uit de aanvullende verzekering) (zie Vergoedingenlijst
                  Salland verzekeringen).</al></li>
                <li nr="2."><al>De voor eigen rekening blijvende kosten van een poliklinische bevalling komen
                  slechts voor bijzondere bijstand in aanmerking als sprake is van een medische
                  indicatie. Indien deze indicatie ontbreekt bestaat geen recht op bijzondere
                  bijstand voor deze kosten.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.15 Persoonlijke alarmering</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>Het doel van de alarmeringsapparatuur is het zelfstandig wonen mogelijk maken voor
              personen die sociaal- en ADL-zelfredzaam zijn, maar als gevolg van ziekte of gebrek
              een verhoogd risico lopen in een noodsituatie te geraken.</al>
              <al/>
              <al>De apparatuur bestaat uit een draagbare, draadloze noodschakelaar waarmee men in
              noodsituaties een telefoonkiesautomaat in werking kan stellen. Deze automaat legt
              contact met een centrale, die een hulpverlener inschakelt voor daadwerkelijke
              assistentie. De apparatuur kan worden verstrekt aan gehandicapten.</al>
              <al/>
              <al>Aanvullend op deze verstrekking, op grond van de Regeling zorgverzekering,
              verstrekken veel gemeenten op basis van de Welzijnswet (flankerend ouderenbeleid) deze
              voorziening ook aan ouderen. Er is in sommige gevallen sprake van een voorliggende
              voorziening, de collectieve aanvullende verzekering SallandPlus vergoed maximaal €
              100,- per jaar. </al>
              <al/>
              <al>Daarnaast kunnen er vanuit de gemeente, Salland Wonen of welzijnsorganisaties
              subsidie’s worden verstrekt. Voor het overige is er geen sprake van een voorliggende
              voorziening</al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Voor vergoeding komt in aanmerking</al></li>
                <li nr="-"><al>De kosten van een abonnement op het alarmeringssysteem voor personen die nog
                  over zelfstandige huisvesting beschikken.</al></li>
                <li nr="-"><al>De kosten van een abonnement op het alarmering systeem voor personen woonachtig
                  in een (aan)leunwoning of een bejaardentehuis.</al></li>
                <li nr="2."><al>De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld op de opgelegde eigen
                  bijdrage.</al></li>
                <li nr="3."><al>Voor mensen die in een zorginstelling wonen, wordt alleen de bijdrage voor de
                  kosten van alarmering vergoed. De overige kosten die de verzorgingshuizen in
                  rekening brengen voor een zorgabonnement, komen niet voor de vergoeding via de
                  bijzondere bijstand in aanmerking</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.16 Extra Stookkosten</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>Wanneer de woning in verband met medisch redenen extra verwarmd moet worden, brengt
              dat vaak extra kosten met zich mee. Voor deze extra kosten kan bijzondere bijstand
              worden verstrekt.</al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele
                  geval kan eraanleiding zijn bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten.
                </al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="2."><al>Hiervan is in ieder geval sprake indien er een medische noodzaak is voor het
                  maken van deze kosten. De medische noodzaak van de meerkosten wordt middels een
                  brief van de huisarts of een medisch advies vastgesteld. In dit advies wordt
                  aangegeven dat het extra stook- of verwarmingskosten betreft en de naam van de
                  behandelend specialist. Is er een medische noodzaak dan wordt vastgesteld of de
                  noodzakelijke verwarming betrekking heeft op:</al></li>
              </lijst>
              <al>het woonvertrek in de koude maanden</al>
              <al>het woon- en slaapvertrek in de koude maanden</al>
              <al>het woonvertrek gedurende het hele jaar</al>
              <al>het woon- en slaapvertrek gedurende het hele jaar.&#x2028;</al>
              <al/>
              <al>Daarnaast zal door de medisch adviseur de geldigheidsduur van het advies worden
              aangegeven</al>
              <lijst>
                <li nr="3."><al>De bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de meerkosten. De meerkosten zijn de
                  extra kosten hoger dan het bedrag dat mensen in een vergelijkbare woning volgens
                  het NIBUD uitgeven aan stookkosten.</al></li>
                <li nr="4."><al>Op de voor bijstand in aanmerking komen de kosten wordt de (eventueel) aanwezige
                  draagkracht in mindering gebracht.</al></li>
                <li nr="5."><al>Aan de verlening van de bijzondere bijstand wordt op grond van artikel 55 WWB
                  een bestedingsverplichting verbonden, de bijstand moet worden aangewend voor het
                  doel waarvoor zij wordt verstrekt</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.17 Maaltijdvoorziening</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>Alleen noodzakelijk gebruik van de maaltijdvoorziening kan voor bijzondere bijstand
              in aanmerking komen. </al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Belanghebbende is redelijkerwijs niet meer in staat om zelf de warme maaltijd te
                  bereiden. De noodzaak wordt vastgesteld door de bijstandsconsulent. Hierbij wordt
                  aandacht besteed aan de mate van zelfredzaamheid van belanghebbende.</al></li>
                <li nr="2."><al>De hoogte van de eigen bijdrage is vastgelegd in het financiële besluit.</al></li>
                <li nr="3."><al>Aan de verlening van de bijzondere bijstand wordt op grond van artikel 55 WWB
                  een bestedingsverplichting verbonden, de bijstand moet worden aangewend voor het
                  doel waarvoor zij wordt verstrekt.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.18 Tandheelkundige hulp</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>De AWBZ en Zvw vergoeden in het algemeen alle noodzakelijke tandheelkundige kosten.
              Beide regelingen gelden samen in het kader van de WWB als een voorliggende voorziening
              die passend en toereikend is. Bijstandsverlening voor deze kosten is daarom in
              beginsel uitgesloten. Indien in het kader van de AWBZ en Zvw op grond van een bewuste
              beslissing over de noodzakelijkheid van een voorziening de keuze is gemaakt om één of
              meer kostensoorten niet in de voorziening op te nemen of de voorziening in een
              bepaalde situatie niet noodzakelijk te achten, dient de WWB zich bij die keuze aan te
              sluiten en komt men ten aanzien van die kosten niet voor bijstandsverlening in
              aanmerking. Dit betekent in het algemeen dat kostensoorten die niet op grond van de
              Zvw of AWBZ worden vergoed ook <cursief>niet </cursief>in aanmerking komen voor
              bijzondere bijstand. </al>
              <al/>
              <al>De gemeente Olst-Wijhe maakt een uitzondering voor een maximaal bedrag aan
              tandheelkundige kosten en sluit hierbij aan bij de collectieve verzekering van
              Salland.</al>
              <al/>
              <al>Er wordt niet meer gekeken naar de kostensoort maar de vergoeding wordt vastgesteld
              op een maximumbedrag.</al>
              <al/>
              <al>Salland verzekeringen heeft er met ingang van 2013 voor gekozen om een eigen
              bijdrage van 20% voor de tandartskosten in te voeren. Dit niet uit besparingsmotief
              maar vanuit het oogpunt van kostenbewustwording. Door de eigen bijdrage wordt meer
              nagedacht over het nut en de noodzaak van de behandeling. Deze vergoeding vanuit de
              bijzondere bijstand wel op 100% stellen gaat voorbij aan de doelstelling van Salland
              verzekeringen. Daarom is er voor gekozen ook hier aan te sluiten bij de vergoeding op
              grond van de aanvullende verzekering.</al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De gemeente Olst-Wijhe heeft met Salland Verzekeringen een collectieve
                  aanvullende ziektekostenverzekering (TandPlus) afgesloten. Hiervoor ontvangt men
                  op jaarbasis een vergoeding van 80% tot een maximum bedrag dat is vastgelegd in
                  het financiële besluit.</al></li>
                <li nr="2."><al>Indien iemand ervoor heeft gekozen om een andere aanvullende (tandartskosten)
                  verzekering (al dan niet bij een andere verzekeraar), dan kunnen de kosten
                  eveneens voor 80% worden vergoed tot een maximaal bedrag dat is vastgelegd in het
                  financiële besluit (inclusief de vergoeding van de zorgverzekeraar).</al></li>
                <li nr="3."><al>Indien in het geheel geen gebruik wordt gemaakt van de aanvullende Tandplus
                  verzekering dan kan men hiervoor een aanvraag voor bijzondere bijstand voor de
                  eigen bijdrage voor de tandheelkundige kosten indienen. De maximale hoogte van de
                  bijzondere bijstand is vastgelegd in het financiële besluit</al></li>
                <li nr="4."><al>Slechts bij zeer bijzondere omstandigheden (denk aan ernstige medische
                  complicaties) kan overwogen worden om een hogere vergoeding te verstrekken in de
                  vorm van leenbijstand. Er moet dan wel een medisch advies aan de toekenning ten
                  grondslag liggen. Denk hierbij aan de mogelijkheid om behandelingen te spreiden
                  over meerdere jaren en overleg met de klant/toestemming voor leenbijstand.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.19 Gebitsprothese</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>De aanschafkosten van een kunstgebit of reparatiekosten van een kunstgebit worden
              vergoed door de zorgverzekeraar. Na goedkeuring worden de kosten van een kunstgebit
              (inclusief de techniekkosten) voor 75% vergoed op grond van de basisverzekering tot
              een bepaald maximum bedrag, afhankelijk of de tandarts of een tandprotheticus de
              gebitsprothese verzorgt. Daarnaast wordt een vergoeding via de aanvullende verzekering
              verstrekt. De overgebleven eigen bijdrage komt voor bijstandsverlening in
              aanmerking.</al>
              <al>Een medisch advies is niet nodig mits het gaat om een prothese die éénmaal per 5
              jaar wordt</al>
              <al>vervangen</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.20 Fysiotherapie</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>De AWBZ en Zvw vergoeden in het algemeen alle noodzakelijke kosten van fysiotherapie
              of oefentherapie voor een aandoening die staat in een door de minister vastgestelde
              lijst (Bijlage 1 van het Besluit zorgverzekering), de Lijst Chronische aandoeningen
              fysiotherapie en oefentherapie. Het recht op vergoeding gaat in vanaf de 21e
              behandeling. In geval een klant een collectieve verzekering bij Salland verzekering
              heeft afgesloten, vergoedt Salland 15 behandelingen vanuit deze aanvullende
              verzekering. </al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er kan voor maximaal5 fysiotherapiebehandelingen bijzondere bijstand
                  worden verstrekt. Dit geldt alleen voor aandoeningen van chronische aard (bijlage
                  1 van het Besluit Zorgverzekering).</al></li>
                <li nr="2."><al>Als mensen geen aanvullende verzekering hebben, kan vanuit de bijzondere
                  bijstand de eerste 5 behandelingen worden vergoed. De 15 behandeling die daar evt.
                  achteraan komen, zijn voor rekening van de klant.</al></li>
                <li nr="3."><al>Voor degenen die elders aanvullend verzekerd zijn, maximaal 20 zittingen per
                  jaar vergoeden en hierbij rekening houden met vergoedingen vanuit de afgesloten
                  aanvullende verzekering.</al></li>
                <li nr="4."><al>Als zich dringende redenen voordoen kan bijzondere bijstand verleend worden voor
                  aandoeningen die niet op de betreffende bijlage behorend bij artikel 2.6 lid 2
                  Besluit zorgverzekering staan.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.21. Eigen bijdrage voor de (medisch) noodzakelijke voorzieningen genoemd in de zorgverzekeringswet</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>Voor sommige soorten zorg uit het basispakket moet een eigen bijdrage worden
              betaald. Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de eigen bijdrage voor de
              medisch noodzakelijke voorzieningen genoemd in de zorgverzekeringswet (Zvw).</al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de eigen bijdragen voor de
                  noodzakelijke voorzieningen zoals:</al></li>
                <li nr="a."><al>hulpmiddelen zoals bijvoorbeeld verbandschoenen, steunzolen, orthopedisch
                  schoeisel;</al></li>
                <li nr="b."><al>medisch noodzakelijke behandeling door een pedicure/manicure;</al></li>
                <li nr="c."><al>zittend ziekenvervoer;</al></li>
                <li nr="d."><al>de wettelijke eigen bijdrage voor eerstelijnspsychologische zorg;</al></li>
                <li nr="2."><al>De bijzondere bijstand is gelijk aan de wettelijke eigen bijdrage. Uitzondering
                  hierop is de vergoeding van orthopedisch schoeisel. Hierop wordt het normbedrag
                  van een normale schoen volgens de prijzengids van het NIBUD in mindering
                  gebracht.</al></li>
                <li nr="3."><al>Als voorliggende voorziening kan de aanvullende ziektekostenverzekering worden
                  aangemerkt.</al></li>
                <li nr="4."><al>Indien de aanvrager niet aanvullend verzekerd is wordt voor de hoogte van de te
                  verlenen bijstand aansluiting gezocht bij de vergoeding die verleend zou worden
                  indien er wel sprake was van een aanvullende verzekering.</al></li>
                <li nr="5."><al>Heeft men nagelaten zich aanvullend te verzekeren dan bepalen de individuele
                  omstandigheden de hoogte van de eventuele bijstand. In dat geval bedraagt de
                  vergoeding maximaal hetgeen voor eigen rekening zou zijn gebleven indien men
                  aanvullend verzekerd zou zijn via de collectieve aanvullende Plusverzekering van
                  Salland.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>5.22 Eigen bijdrage Wet Maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en/of eigen bijdrage Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) zorg zonder verblijf</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>Voor een aantal individuele Wmo-verstrekkingen, zoals hulp bij het huishouden geldt
              een eigen bijdrage. Dit is tevens van toepassing voor zorg zonder verblijf in het
              kader van de AWBZ. De eigen bijdrage Wmo en AWBZ wordt inkomensafhankelijk berekend.
              Ook voor inkomens op sociaal minimum wordt een eigen bijdrage gerekend. Deze eigen
              bijdrage komt voor bijzondere bijstand in aanmerking. </al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor de eigen bijdragen voor de
                  individuele Wmoverstrekkingen en zorg zonder verblijf in het kader van de
                  AWBZ.</al></li>
                <li nr="2."><al>De bijzondere bijstand is gelijk aan de inkomensafhankelijke (periodieke) eigen
                  bijdrage.</al></li>
                <li nr="3."><al>Aan bijzondere bijstand kan worden verleend de eigen bijdrage verminderd met de
                  eigen draagkracht zoals deze is vastgesteld op grond van artikel 9 lid 6.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Kosten van maatschappelijke aard</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>6.1 Bewindvoeringskosten</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen </vet>
              </al>
              <al/>
              <al>Er dient een onderscheid te worden gemaakt in de bewindvoeringskosten tussen
              vrijwillige- en verplichte bewindvoeringskosten. Als de kantonrechter op grond van
              artikel 1:431 e.v. Burgerlijk Wetboek de noodzaak tot onderbewindstelling heeft
              beoordeeld en vastgesteld, bestaat er voor het college geen vrijheid meer de
              onderbewindstelling te beoordelen en evenmin om te bezien of er andere oplossingen
              mogelijk zouden zijn. De met bewindvoering samenhangende kosten komen in deze situatie
              in aanmerking voor bijzondere bijstand..</al>
              <al/>
              <al>Bij vrijwillige bewindvoering zal er moeten worden beoordeeld of men geen gebruik
              kan maken van andere voorliggende oplossingen zoals budgetbegeleiding via het BAD</al>
              <al/>
              <al>Als de rechtbank een bewindvoerder benoemt in het kader van de WSNP moet het salaris
              van de WSNP-bewindvoerder uit de boedel worden betaald. Hiervoor is dus geen
              bijzondere bijstand mogelijk. </al>
              <al/>
              <al>In de 'Aanbevelingen meerderjarigenbewind' is vastgelegd dat het regelen van zeer
              problematische schulden niet behoort tot de gewone intake werkzaamheden van de
              bewindvoerder en dat een problematische schuldsanering niet behoort tot de gewone
              werkzaamheden. (Gerechtshof Leeuwarden 12-02-2012, nr. 200.080.206/01).</al>
              <al/>
              <al>Indien de kantonrechter beschermingsbewind heeft ingesteld en de kosten daarvan
              heeft vastgesteld, moet het college de noodzaak van de kosten in beginsel aannemen.
              Het college kan bij twijfel wel een onderzoek instellen om te verifiëren of de met de
              bewindvoering betrokken werkzaamheden daadwerkelijk zijn verricht en of de kosten
              waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd daadwerkelijk zijn gemaakt (zie CRvB
              09-11-2010, nr. 08/6936 WWB en CRvB 02-08-2011, nr. 09/4327 WWB).</al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien er sprake is van verplichte onderbewindstelling, door de kantonrechter
                  ingesteld, kan bijzondere bijstand worden verleend. Als bewijs dient een
                  beschikking van de kantonrechter te worden overgelegd.</al></li>
                <li nr="2."><al>De hoogte van de bijzondere bijstand wordt volgens de richtlijnen van het
                  Landelijke Overleg Kantonsectorvoorzitters (LOK) vastgesteld.</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="3."><al>Voor de intake kan niet zonder meer bijzondere bijstand worden verstrekt.
                  Als sprake is van extra werkzaamheden in verband met het regelen van zeer
                  problematische schulden of een problematische schuldsanering, kan de bewindvoerder
                  de kantonrechter verzoeken een machtiging te verlenen voor het eenmalig in
                  rekening mogen brengen van de kosten voor die werkzaamheden bij de
                  schuldenaar(s).</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>6.2. Schulden</titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>De WWB kan geen belangrijke rol spelen in het kader van de schuldsanering. De
              schuldsanering is een taak die vooral door het Budget Adviesbureau Deventer (BAD)
              wordt vervuld. Indien het inkomen van belanghebbende te weinig zekerheid biedt dat aan
              de aflossing kan worden voldaan, kan het BAD overgaan tot het niet verstrekken van een
              saneringskrediet. Wanneer om deze reden het BAD tot de afwijzing van een aanvraag voor
              saneringskrediet heeft besloten, kan het wenselijk zijn dat borgstelling op grond van
              de WWB plaatsvindt. Aan de hand van deze borgstelling kan het BAD alsnog besluiten om
              een saneringskrediet te verstrekken.</al>
              <al>Voor de toepassing van dit onderdeel is vooral de noodzaak en urgentie van de
              schuldsanering doorslaggevend en niet de aard van de kosten die tot de schuld hebben
              geleid (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 73-74). </al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Bijzondere bijstand voor schulden is op grond van artikel 13 lid 1 sub f van de
                  WWB, in combinatie met artikel 49 van de WWB mogelijk, voor zover het bepaalde in
                  dit artikel dit toestaat.</al></li>
                <li nr="2."><al>Bijzondere bijstand voor schulden, in de vorm van een borgstelling, wordt
                  slechts verleend indien:</al></li>
                <li nr="a."><al>deze gericht is op kredietverstrekking door het BAD ter sanering van de gehele
                  schuldsituatie; én</al></li>
                <li nr="b."><al>er perspectief bestaat op een schuldvrije situatie, waarbij zo nodig aandacht
                  wordt besteed aan (maatschappelijke) begeleiding; én</al></li>
                <li nr="c."><al>de weigering van de bijstand een directe bedreiging voor de bestaansvoorziening
                  van de belanghebbende zou opleveren.</al></li>
                <li nr="d."><al>In afwijking van de hoofdregel dat bijstandsverlening voor schulden niet
                  mogelijk is, kan het college op grond van artikel 49 onderdeel b WWB hiervoor toch
                  bijzondere bijstand verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en een
                  borgstelling voor een saneringskrediet geen uitkomst biedt. Een belanghebbende
                  dient voldoende aannemelijk te maken dat de mogelijkheden om - hetzij via een
                  saneringskrediet, hetzij via een aanvraag op grond van de WSNP - tot een
                  saneringsregeling te komen uitputtend onderzocht zijn, wil het niet kunnen voldoen
                  van een schuld als zeer dringende reden als bedoeld in artikel 49 WWB kunnen
                  worden aangemerkt. Sanering dient op geen enkel andere wijze dan door het
                  verstrekken van bijzondere bijstand mogelijk te zijn (zie Rechtbank Dordrecht
                  23-04-2009, nr. AWB 09/406).</al></li>
                <li nr="3."><al>Of zich zeer dringende redenen voordoen die een afwijking van de gegeven
                  hoofdregel rechtvaardigen, is ter beoordeling aan het college.</al></li>
                <li nr="4."><al>Aan de bijstandverlening wordt zo nodig de voorwaarde verbonden, om mee te
                  werken aan een budgetteringsmaatregel.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>6.3. Eigen bijdrage rechtsbijstand</titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>Indien op grond van een toevoeging rechtsbijstand wordt verleend, dient het college
              in beginsel de noodzaak voor het verlenen van rechtshulp aan te nemen. Een toevoeging
              (van een advocaat) vindt slechts plaats als de Raad voor de Rechtsbijstand de
              procedure noodzakelijk acht. Of een toevoeging wordt toegewezen hangt af van een
              aantal criteria. De belangrijkste zijn;</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>het moet gaan om een juridisch probleem dat de bezwaarmaker redelijkerwijs niet
                  zelf kan oplossen en dat hemzelf betreft of zijn minderjarig kind;</al></li>
                <li nr="-"><al>het moet gaan om een belang van tenminste € 180,-;</al></li>
                <li nr="-"><al>het mag niet gaan om een zaak die bij voorbaat kansloos is.</al></li>
              </lijst>
              <al>In het geval van een toevoeging worden de kosten (exclusief de eigen bijdrage) van
              de (toegevoegde) advocaat vergoed op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb).</al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand indien
                  op grond van een toevoeging krachtens de Wrb rechtsbijstand wordt verleend.</al></li>
                <li nr="2."><al>Indien wordt voldaan aan lid 1 kan bijzondere bijstand worden verleend voor de
                  eigen bijdrage en de eventueel noodzakelijke bijkomende kosten zoals griffierecht
                  en reiskosten mits er een noodzaak is tot het bijwonen van de rechtszaak.</al></li>
                <li nr="3."><al>De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten,
                  belanghebbende dient hiervan bewijsstukken te overleggen.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>6.4 Reiskosten</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>Reiskosten behoren tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten welke uit de
              bijstandsnorm kunnen worden voldaan. In een aantal situaties is het mogelijk om,
              indien men aan de voorwaarden voldoet, bijzondere bijstand te verstrekken. </al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Voor alle reiskosten geldt dat deze alleen worden vergoed als de bestemming is
                  gelegen buiten de gemeente Olst-Wijhe, maar binnen Nederland en deze bestemming
                  niet te vinden is binnen de gemeentegrenzen.</al></li>
                <li nr="2."><al>Voor alle reiskosten geldt dat de vergoedingen worden vastgesteld op basis van
                  de tarieven van het openbaar vervoer. Tenzij vervoer met eigen auto goedkoper is,
                  dan vergoeding op basis lid 3.</al></li>
                <li nr="3."><al>Er wordt alleen een uitzondering gemaakt op lid 2 indien er sprake is van
                  bijzondere vervoer vanwege gezondheidsredenen. In dit geval kan er een vergoeding
                  op basis van gebruik van de eigen auto worden vastgesteld. Deze vergoeding wordt
                  vastgesteld op de feitelijk te rijden kilometers op basis van de snelste route op
                  basis van de ANWb-routeplanner. Het uitkeringsbedrag is in alle gevallen
                  vastgesteld op een gelijk bedrag dat is vastgelegd in het financiële besluit.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
            <artikel>
              <kop>
                <label>6.4.1 Psychische/medische behandeling</label>
              </kop>
              <al>Voor reiskosten in verband met regelmatige geneeskundige behandelingen (bijvoorbeeld
              afspraken ziekenhuis) of bezoeken aan hulpverlenende instanties zoals GGZ buiten de
              gemeentegrenzen kan bijzondere bijstand worden verstrekt. </al>
              <al/>
              <al>Zittend ziekenvervoer wordt door de zorgverzekeraar vergoed voor
              nierdialysepatiënten, patiënten die een chemokuur of radiotherapie krijgen, blinden en
              slechtzienden en rolstoelgebruikers. Voor deze groepen is een uitzondering gemaakt
              omdat er voor hen nauwelijks alternatieve wijzen van vervoer zijn. Er is per
              verzekerde per kalenderjaar een wettelijke eigen bijdrage verschuldigd. Deze eigen
              bijdrage komt voor bijzondere bijstand in aanmerking. Incidenteel ziekenvervoer valt
              buiten deze regeling. Omdat in eerste instantie gebruik kan worden gemaakt van de
              omgeving (mantelzorg) of de kosten voor eigen verantwoording zijn.</al>
              <al/>
              <al>De kosten van incidenteel ziekenvervoer behoren in principe niet tot de bijzondere
              noodzakelijke kosten van het bestaan. Er wordt op grond van bovenwettelijk
              begunstigend beleid bijzondere bijstand verleend. </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er moet sprake zijn van een medisch noodzakelijke behandeling op basis van een
                  indicatie.</al></li>
                <li nr="2."><al>De bijstand wordt vastgesteld aan de hand van afsprakenkaarten en bedraagt
                  maximaal € 200,- per jaar.</al></li>
                <li nr="3."><al>Als de reiskosten meer bedragen dan het in lid 2 genoemde bedrag dan wordt een
                  medisch advies opgevraagd over de benodigde frequentie van de
                  behandelingen/bezoeken.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>6.4.2 Bezoek aan gedetineerde</label>
              </kop>
              <al>De reiskosten in verband met bezoek aan een gedetineerde kunnen in aanmerking komen
              voor bijzondere bijstand. De gedetineerde moet tot het gezin behoren. Met gezin wordt
              bedoeld gehuwd of daaraan gelijkgesteld en de inwonende kinderen tot 18 jaar.</al>
              <al>
                <vet>Aanvullende voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand worden verleend indien:</al></li>
                <li nr="a."><al>de gedetineerde behoort tot het gezin en;</al></li>
                <li nr="b."><al>de gedetineerde verblijft in een gesloten inrichting en geen recht heeft op
                  verlof;</al></li>
                <li nr="2."><al>De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op een bezoekfrequentie van maximaal 1
                  keer per twee weken per gezinslid.</al></li>
                <li nr="3."><al>Er wordt alleen bijzondere bijstand verleend voor de reiskosten tot aan de
                  Nederlandse grens, dus geen reiskosten in buitenland.</al><al>6.4.3 Bezoek aan elders verpleegden/verzorgden</al><al>De reiskosten die gemaakt worden voor bezoek aan een elders verpleegde/verzorgde
                  (bijvoorbeeld ziekenhuis of verzorgingstehuis) kunnen in aanmerking komen voor
                  bijzondere bijstand. </al></li>
              </lijst>
              <al>
                <vet>Aanvullende voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Onder gezins- en familieleden worden verstaan:</al></li>
                <li nr=""><al>degenen die tot het gezin behoren (partner en (pleeg)kinderen);</al></li>
                <li nr=""><al>verdere familieleden in de eerste graad (ouders, kinderen);</al></li>
                <li nr=""><al>in bijzondere gevallen, bijvoorbeeld ernstige ziekte, ook overige directe
                  familieleden (2<sup>de</sup> graad, broers/zussen, grootouders,
                  kleinkinderen).</al></li>
                <li nr="2."><al>Daarbij wordt uitgegaan van de volgende bezoekfrequentie:</al></li>
              </lijst>
              <al>bij ernstige ziekte</al>
              <lijst>
                <li nr=""><al>voor gezinsleden: 2 x per week;</al></li>
                <li nr=""><al>voor andere eerstegraads familieleden: 1 x per week;</al></li>
                <li nr=""><al>voor tweedegraads familieleden: 1 x per 2 weken.</al></li>
              </lijst>
              <al>bij langdurige verpleging of verzorging</al>
              <lijst>
                <li nr=""><lijst>
                    <li nr=""><al>voor gezinsleden: 1 x per 2 weken;</al></li>
                    <li nr=""><al>voor andere eerstegraads familieleden: 1 x per 4 weken;</al></li>
                    <li nr=""><al>voor tweedegraads familieleden: 1 x per 6 weken.</al></li>
                  </lijst></li>
                <li nr="3."><al>Voor bezoek aan personen die op verpleging of verzorging zijn aangewezen wordt
                  de restrictie gemaakt dat deze personen zelf niet meer in staat zijn te reizen en
                  dus ook geen vervoersvergoeding ontvangen.</al></li>
                <li nr="4."><al>In bijzondere situatie zoals een terminale verpleegde/verzorgde kan op
                  individuele basis worden afgeweken van de bezoekfrequentie zoals genoemd in lid 2.
                  Dit ter beoordeling aan het college.</al><al/></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>6.4.4.</label>
                <nr>Bezoek aan uit huis geplaatste kinderen</nr>
                <titel/>
              </kop>
              <al>De reiskosten voor bezoek aan een uit huis geplaatst kind door ouder(s) komen voor
              bijzondere bijstand in aanmerking. De reiskosten die gemaakt worden in verband met een
              omgangsregeling omdat beide ouders niet dichtbij elkaar wonen, komen niet in
              aanmerking voor bijzondere bijstand.</al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand worden verleend indien er een bewijs van
                  uithuisplaatsing is.</al></li>
                <li nr="2."><al>De bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de bezoekregeling die
                  opgesteld is door de instelling zoals bijvoorbeeld Bureau Jeugdzorg.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <label>6.4.5</label>
                <nr>Scholing en opleiding van (ten laste komende) kinderen</nr>
                <titel/>
              </kop>
              <al>De reiskosten in verband met scholing en opleiding van (minderjarige ten laste
              komende) kinderen horen tot de directe schoolkosten waarvoor de WTOS in beginsel een
              passende en toereikende voorliggende voorziening is. Uit de wetsgeschiedenis van de
              totstandkoming van de WTOS blijkt dat de toelage op grond van deze wet geen aparte
              component voor reiskosten bevat, vanuit budgettaire overwegingen. In aanvulling op de
              WTOS kan bijzondere bijstand worden verstrekt indien er sprake is van bijzondere
              omstandigheden.</al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er kan bijzondere bijstand voor reiskosten worden verleend indien:</al></li>
                <li nr="-"><al>de voorliggende voorziening niet toereikend is;</al></li>
                <li nr="-"><al>de soort opleiding niet aantoonbaar binnen een straal van 20 kilometer enkele
                  reisafstand gevolgd kan worden.</al></li>
                <li nr="2."><al>De bijzondere bijstand wordt op basis van het tarief openbaar vervoer
                  vastgesteld voor maximaal 10 maanden per schooljaar.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>6.5. Reductieregeling </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>De beleidsregels voor de Reductieregeling zijn opgenomen in deze nota zodat alle
              beleidsregels in één document bij elkaar staan. De algemene voorwaarden die gelden
              voor de bijzondere bijstand zijn niet van toepassing op deze regeling. De
              reductieregeling kan worden verleend aan personen van 18 jaar en ouder voor de kosten
              van deelname aan het maatschappelijk verkeer.</al>
              <al/>
              <al>De reductieregeling kan als tegemoetkoming worden gezien in de kosten van sport,
              cultuur, educatieve en recreatieve activiteiten. Hieronder vallen ook giften/donaties
              voor zover deze bijdragen aan deelname aan het maatschappelijk verkeer, zo ontvangen
              donateurs gratis toegang tot activiteiten, hieronder valt ook de bijdrage aan de
              kerken. </al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er kan een bijdrage in de kosten van sport, cultuur,
                  internet/telefoon/televisie, recreatieve en educatieve activiteiten worden
                  verstrekt, die in de onderstaande lijst worden genoemd: deze lijst is niet
                  limitatief ;</al></li>
                <li nr="-"><al>lidmaatschap van sportvereniging of sportschool;</al></li>
                <li nr="-"><al>entree, 10-badenkaart of abonnement van het zwembad;</al></li>
                <li nr="-"><al>danslessen;</al></li>
                <li nr="-"><al>lessen van een muziekschool;</al></li>
                <li nr="-"><al>lidmaatschap en/of activiteiten van (sociaal) cultureel werk, zoals bijvoorbeeld
                  een zangvereniging, een muziekvereniging, een vereniging op het gebied van
                  amateuristische kunstbeoefening, hobbyactiviteiten;</al></li>
                <li nr="-"><al>abonnement op de schouwburg/theater (of entreekaartje);</al></li>
                <li nr="-"><al>abonnement op krant en/of tijdschrift;</al></li>
                <li nr="-"><al>entreekaartje bioscoop;</al></li>
                <li nr="-"><al>lidmaatschap Openbare bibliotheek;</al></li>
                <li nr="-"><al>lidmaatschap ouderenbond;</al></li>
                <li nr="-"><al>museumjaarkaart;</al></li>
                <li nr="-"><al>patiëntenvereniging;</al></li>
                <li nr="-"><al>computercursussen;</al></li>
                <li nr="-"><al>cursussen van de Volksuniversiteit;</al></li>
                <li nr="-"><al>cursussen van club-en buurthuizen;</al></li>
                <li nr="-"><al>cursussen volwassenen educatie en vorming van ROC Aventus;</al></li>
                <li nr="-"><al>kosten peuterspeelzaal;</al></li>
                <li nr="-"><al>kosten van (kerk) telefoon,internet en televisie tot maximaal € 100,00 per
                  jaar.</al></li>
                <li nr="2."><al>Om voor de reductieregeling in aanmerking te komen moet de aanvrager;</al></li>
                <li nr="a."><al>tenminste 18 jaar oud zijn en;</al></li>
                <li nr="b."><al>in het bevolkingsregister van de gemeente Olst-Wijhe staan ingeschreven en;</al></li>
                <li nr="c."><al>zijn of haar inkomen mag het bedrag van 110% van de voor belanghebbende geldende
                  bijstandsnorm niet overschrijden;</al></li>
                <li nr="d."><al>inwoners die geen zelfstandig huishouden voeren maar zijn opgenomen in een
                  inrichting komen ook in aanmerking voor de reductieregeling.</al></li>
                <li nr="3."><al>De hoogte van de reductieregeling is vastgelegd in het financiële besluit. De
                  bijdrage moet in ieder geval zijn aangevraagd voor 1 februari volgend op het jaar
                  waarin de kosten zijn gemaakt.</al></li>
                <li nr="4."><al>Het college verstrekt de subsidie op declaratiebasis. Belanghebbende dient
                  bewijsstukken bij te voegen om aan te tonen dat hij de kosten ook daadwerkelijk
                  gemaakt heeft.</al></li>
                <li nr="5."><al>Er is geen sprake van een vermogenstoets.</al></li>
                <li nr="6."><al>Op een aanvraag wordt een beschikking afgeven voor één jaar, kosten die in de
                  loop van dit jaar worden gemaakt kunnen worden uitbetaald na inlevering van een
                  declaratieformulier met de bewijsstukken tot de in lid 2 genoemde maximum
                  bedragen. Belanghebbende ontvangt een brief met daarop vermeld het restant recht
                  op reductieregeling.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>6.6 Computerregeling</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>Er kan bijzondere bijstand worden verleend voor de aanschaf voor een computer of
              laptop, beeldscherm, toetsenbord, muis en printer inclusief geïnstalleerde software,
              eventuele installatiekosten en meegeleverde extra cartridges</al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Deze bijzondere bijstand wordt verleend indien belanghebbende:</al></li>
                <li nr="a."><al>gedurende een periode van drie jaar een netto maandinkomen tot en met 110% van
                  de geldende bijstandsnorm of inkomensvoorziening (inclusief vakantiegeld) heeft
                  en</al></li>
                <li nr="b."><al>geen vermogen heeft boven de vermogensgrens in artikel 34. lid 3 WWB;</al></li>
                <li nr="2."><al>De computer wordt in bruikleen verstrekt. Na drie jaar wordt de computer
                  eigendom van de belanghebbende zelf.</al></li>
                <li nr="3."><al>Er wordt voor de goederen (met uitzondering van de cartridges) uitgegaan van een
                  levensduur van in ieder geval vijf jaar.</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="4."><al>Er wordt uitgegaan van een garantieperiode van twee jaar. Na deze twee jaar
                  kunnen de reparatiekosten aan de hardware voor bijzondere bijstand in aanmerking
                  komen.</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="5."><al>De hoogte van de bijzondere bijstand is opgenomen in het financiële
                  besluit.</al></li>
                <li nr="6."><al>De bijstand wordt uitbetaald na het inleveren van een pro forma nota in te
                  leveren bij de vakgroep Sociale Zaken. Achteraf dient een betalingsbewijs te
                  worden ingeleverd, indien gewenst kan de bijstand rechtstreeks op rekening van de
                  leverancier worden overgemaakt.</al></li>
                <li nr="7."><al>Belanghebbende dient een gebruikersovereenkomst te tekenen en bij de vakgroep
                  Sociale Zaken in te leveren.</al></li>
                <li nr="8."><al>Reparatiekosten tengevolge van software problemen (bijvoorbeeld problemen
                  veroorzaakt door virussen) komen nooit voor vergoeding in aanmerking 9. Bij het
                  verstrekken van de computer wordt de klant nadrukkelijk gewezen op relevante
                  cursussen die in het kader van volwassenen educatie worden aangeboden en waar zij
                  kosteloos gebruik van kunnen maken, een voorbeeld van een dergelijke cursus is de
                  cursus veilig internetgebruik. Daarnaast heeft het Senioren-Web Olst-Wijhe een
                  specifiek cursusaanbod en kunnen zij PC’s installeren.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>6.7 Begrafenis- of crematiekosten</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>In zijn algemeenheid is het uitgangspunt dat een ieder zelf kan voorzien in de
              noodzakelijke kosten van lijkbezorging. De middelen om een begrafenis/crematie te
              bekostigen zijn:</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>verzekeringen op het leven, zoals begrafenis- en levensverzekeringen en
                  ongevallenverzekering;</al></li>
                <li nr="-"><al>lidmaatschap van een speciale vereniging, bijv. crematievereniging;</al></li>
                <li nr="-"><al>overlijdensuitkering, indien de overledene een uitkering ontving krachtens de
                  Ziektewet (Z.W.), Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong),
                  Wet Inkomensondersteuning Arbeidsongeschikten (WIA), Algemene Ouderdomswet
                  (A.O.W.) e.d.;</al></li>
                <li nr="-"><al>spaargelden, waaronder ook het "vrij te laten bescheiden vermogen";</al></li>
                <li nr="-"><al>nalatenschap;</al></li>
                <li nr="-"><al>een in een depositofonds gestort bedrag met als enige bestemming de betaling van
                  de kosten van begraven van de storter en eventuele partner.</al></li>
              </lijst>
              <al/>
              <al>Voor zover de eigen middelen daartoe niet toereikend zijn en de nabestaanden de
              kosten van lijkbezorging niet of niet geheel voor hun rekening nemen, bestaat de
              mogelijkheid om bijzondere bijstand voor deze kosten te verstrekken (natuurlijk met in
              achtneming van alle voorwaarden die aan de verstrekking van bijzondere bijstand zijn
              verbonden). Er dient rekening te worden gehouden met het eigen vermogen van de
              overledene, de draagkracht van de aanvrager, evenals met de noodzakelijke kosten van
              lijkbezorging.</al>
              <al/>
              <al>
                <cursief>Niemand geeft opdracht voor de begrafenis.</cursief>
              </al>
              <al>De gemeente heeft de plicht te zorgen voor de lijkbezorging, geeft hiertoe opdracht
              en neemt de kosten op zich. Een en ander op grond van de Wet op de Lijkbezorging. In
              deze situatie is er dus geen sprake van bijstandsverlening. Achteraf zal altijd moeten
              worden bezien of er verhaal mogelijk is op de eventuele nalatenschap en op de
              nagelaten betrekkingen.</al>
              <al/>
              <al>
                <cursief>Begrafeniskosten in het buitenland</cursief>
              </al>
              <al>Bijstandsverlening voor begrafenis- of crematiekosten in het buitenland van een (in
              Nederland of in het buitenland) overleden vreemdeling is niet mogelijk. Ditzelfde
              geldt voor de overleden Nederlander die buiten Nederland begraven wordt.</al>
              <al/>
              <al>
                <cursief>Reiskosten naar een begrafenis/crematie</cursief>
              </al>
              <al>Voor de reiskosten om een begrafenis of crematie bij te wonen, wordt geen bijzondere
              bijstand verleend.</al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Er wordt alleen bijzondere bijstand verleend voor de volgende noodzakelijke
                  kosten;</al></li>
                <li nr="-"><al>akte van overlijden;</al></li>
                <li nr="-"><al>basistarief uitvaartverzorger;</al></li>
                <li nr="-"><al>rouwkaarten (maximaal 100)</al></li>
                <li nr="-"><al>werkzaamheden uitvaartverzorger;</al></li>
                <li nr="-"><al>eenvoudige kist;</al></li>
                <li nr="-"><al>opbaren in het rouwcentrum of thuis</al></li>
                <li nr="-"><al>rouwauto met maximaal 1 volgauto;</al></li>
                <li nr="-"><al>dragers;</al></li>
                <li nr="-"><al>begraafkosten begraafplaats</al></li>
                <li nr="-"><al>eenvoudige grafzerk.</al></li>
                <li nr="-"><al>grafrechten (voor een algemeen graf, niet voor een graf in eigendom);</al></li>
              </lijst>
              <al>Of als er sprake is van crematie</al>
              <lijst>
                <li nr="-"><al>kosten crematie (crematie, aula, bijzetting asbus)</al></li>
                <li nr="-"><al>as verstrooien bij crematorium</al></li>
                <li nr="-"><al>as bewaren in nis in crematorium.</al></li>
                <li nr="2."><al>De hoogte van de bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de
                  Prijzengids van het Nibud.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>7</nr>
            <titel>Kosten van inrichting en verhuizing</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>7.1 Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Bij inrichtingskosten moet een onderscheid worden gemaakt tussen de kosten voor
              duurzame gebruiksgoederen en de overige inrichtingskosten. Duurzame gebruiksgoederen
              zijn bijvoorbeeld een koelkast, wasmachine of gasfornuis. Met overige
              inrichtingskosten worden de kosten bedoeld zoals verf en behang. Dit onderscheid is
              van belang voor de vorm waarin de bijzondere bijstand kan worden verstrekt.</al>
            </structuurtekst>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>7.1.1 Kosten aanschaf duurzame gebruiksgoederen</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>De kosten van inrichting, aanschaf en vervanging van normale duurzame
              gebruiksgoederen behoren tot de algemene kosten van bestaan en moeten in beginsel uit
              het inkomen worden betaald. Ook indien men een inkomen op het niveau van het sociaal
              minimum ontvangt wordt in principe voldoende ruimte in het inkomen aanwezig geacht om
              hiervoor te reserveren dan wel gespreide betaling achteraf. In eerste instantie geldt
              dan een krediet via het Budget Adviesbureau Deventer (BAD). Pas als dat niet lukt (ook
              niet met borgstelling) kan bijzondere bijstand in de vorm van een lening worden
              verstrekt. Hierbij moet de noodzaak worden vastgesteld. Een uitzondering wordt gemaakt
              indien belanghebbende gedurende een periode van 3 jaar een inkomen om minimumniveau
              heeft dan kan bijzondere bijstand om niet worden verstrekt. </al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Belanghebbende met een inkomen tot 110% van de geldende bijstandsnorm die langer
                  dan 3 jaar een inkomen op dit niveau hebben gehad en gedurende deze periode een
                  zelfstandige huishouding hebben gevoerd kunnen voor de kosten van reparatie of
                  vervanging van duurzame gebruiksgoederen, waaronder inbegrepen inrichtingskosten,
                  in aanmerking komen voor bijzondere bijstand om niet.</al></li>
                <li nr="2."><al>In bijzondere gevallen kan en zal van de norm van drie jaar worden
                  afgeweken.</al></li>
                <li nr="3."><al>Het bedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, wordt vastgesteld
                  aan de hand van de prijzengids van het Nibud.</al></li>
                <li nr="4."><al>Bij de aanvraag voor vervanging dient een redelijke afschrijvingstermijn in acht
                  te worden genomen. Het Nibud gaat uit van een gemiddelde afschrijvingsduur van 10
                  jaar. Per duurzaam gebruiksgoed kan dus pas na 10 jaar opnieuw bijzondere bijstand
                  worden aangevraagd.</al></li>
                <li nr="5."><al>Belanghebbende dient aan te tonen dat het oude gebruiksgoed aan vervanging toe
                  is en niet meer te repareren is en levert hiertoe een rapport/bon in van een
                  servicemonteur.</al></li>
                <li nr="6."><al>De kosten (zoals voorrijkosten) zijn voor rekening van de klant indien blijkt
                  dat het duurzaam gebruiksgoed niet aan vervanging toe is. Indien blijkt dat het
                  duurzaam gebruiksgoed aan vervanging toe is, dan wordt bijzondere bijstand
                  verleend voor de voorrijkosten van de servicemonteur tot een maximaal bedrag dat
                  is opgenomen in het financiële besluit.</al></li>
                <li nr="7."><al>Als blijkt dat het gebruiksgoed te repareren is kan voor deze kosten (inclusief
                  de voorrijkosten) bijzondere bijstand om niet worden verstrekt.</al></li>
                <li nr="8."><al>Voor het vaststellen van de noodzaak van vervanging van de duurzaam gebruiksgoed
                  waaronder inrichtingskosten kan een huisbezoek worden afgelegd.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>7.1.2 Overige inrichtingskosten</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>Volgens jurisprudentie stelt de Centrale Raad van Beroep dat kosten zoals verf en
              behang naar hun aard niet als duurzame gebruiksgoederen kunnen worden aangemerkt.</al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Voor de kosten van overige inrichting wordt in principe bijzondere bijstand
                  verleend om niet.</al></li>
                <li nr="2."><al>Van lid 1 kan worden afgeweken indien zich ten aanzien van belanghebbende
                  omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 48 lid 2 WWB.</al></li>
                <li nr="3."><al>Het bedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt, wordt vastgesteld
                  aan de hand van de Prijzengids van het NIBUD.</al></li>
                <li nr="4."><al>De gevraagde voorziening is niet noodzakelijk indien de kosten hoger zijn dan de
                  bedragen van de Prijzengids van het Nibud.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>7.2 Woninginrichtingskosten</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>Bij een eerste huisvesting na het verlaten van een AZC wordt de asielzoeker
              geconfronteerd met de kosten van een ‘eerste inrichting’ in Nederland. Gelet op het
              eerder genoten inkomen was er geen ruimte om te kunnen reserveren voor de kosten van
              een complete woninginrichting. Deze kosten komen, voor zover deze niet voldaan kunnen
              worden uit eigen middelen of via een lening, voor bijzondere bijstand in aanmerking.
              Als voorliggende voorziening wordt een lening bij het BAD aangemerkt waarvoor door de
              gemeente borg kan worden gestaan. </al>
              <al/>
              <al>Ook in andere situaties kan er sprake zijn van inrichtingskosten. In deze situaties
              zal het in principe niet om een volledige woninginrichting gaan. Per individueel geval
              zal gekeken moeten worden of en welke inrichtingskosten noodzakelijk zijn.</al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Belanghebbende met een inkomen tot 110% van de geldende bijstandsnorm kunnen
                  voor de kosten van een (volledige) woninginrichting in aanmerking komen voor
                  borgstelling dan wel leenbijstand.</al></li>
                <li nr="2."><al>Er wordt vanuit gegaan dat bij een (volledige) inrichting een deel tweedehands
                  kan worden aangeschaft via overname van derden of kringloopwinkel.</al></li>
              </lijst>
              <al>Het bedrag dat voor bijzondere bijstand in aanmerking komt is vastgelegd in het
              financiële besluit. </al>
            </structuurtekst>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>7.2.1 Suppletie</titel>
              </kop>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>Suppletie kan worden gegeven voor een lening voor de aanschaf van duurzame
              gebruiksgoederen als de aflossingscapaciteit in de norm niet toereikend is.
              Bijvoorbeeld als iemand vanuit een AZC, zelfstandig gaat wonen en een woning compleet
              moet inrichten. de beoordeling vindt plaats conform de regels van bijzondere bijstand,
              artikel 35 lid 1.</al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>De suppletie en borgstelling wordt in principe toegekend voor de duur van de
                  lening, in principe dus maximaal drie jaar.</al></li>
                <li nr="2."><al>De hoogte van de bijstand kan wel worden aangepast.</al></li>
                <li nr="3."><al>De suppletie vult de maximale aflossingscapaciteit aan tot de
                  aflossingscapaciteit die nodig is voor de betreffende lening. De hoogte van de
                  suppletie wordt als volgt per maand vastgesteld;</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr=""><al>Het bedrag dat aan de bank moet worden betaald € (bedrag lening)</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr=""><al>Het bedrag voor eigen rekening 6% van WWB norm € (eigen bijdrage) -/-</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr=""><al>De financiële draagkracht <onderstreept>€ (bedrag draagkracht)
                    -/-</onderstreept></al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr=""><al>Het bedrag waarvoor bijzondere bijstand wordt verstrekt € (bedrag bijstand)</al></li>
              </lijst>
              <lijst>
                <li nr="4."><al>Bij de beoordeling van de hoogte van de suppletie wordt rekening gehouden met de
                  financiële draagkrachtregels zoals die gelden voor Olst-Wijhe.</al></li>
                <li nr="5."><al>Een eenmaal vastgestelde suppletie wijzigt alleen als de leefomstandigheden
                  zicht wijzigen, waardoor de belanghebbende gaat behoren tot een andere categorie
                  zoals bedoeld in de artikelen 20 tot en met 24 van de WWB. Daarnaast kan de hoogte
                  van de suppletie worden aangepast bij wijziging van het inkomen van betrokkene of
                  zijn gezinsleden.</al></li>
                <li nr="6."><al>In geval van een verhuizing buiten de gemeente wordt de suppletie ongewijzigd
                  voortgezet.</al></li>
                <li nr="7."><al>De draagkracht wordt telkens vastgesteld voor één jaar. Belanghebbende moet
                  blijven voldoen aan de inlichtingenplicht op grond van artikel 17 WWB en dus
                  wijzigingen in zijn situatie en inkomen aan ons doorgeven.</al></li>
                <li nr="8."><al>Indien belanghebbende niet meer voldoet aan zijn terugbetalingsverplichting bij
                  het BAD zal het BAD de gemeente als borg aanspreken. Het volledige openstaand
                  bedrag van de lening, inclusief rente en incassokosten, wordt aan het BAD voldaan.
                  Dit bedrag wordt dan door ons op grond van artikel 58, eerste lid onder c, van de
                  WWB van belanghebbende teruggevorderd.</al></li>
              </lijst>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>7.3 Overbruggingsuitkering</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>Het college verstrekt in beginsel geen overbruggingsuitkeringen voor algemeen
              noodzakelijke kosten van het bestaan. De voor belanghebbende van toepassing zijnde
              bijstandsnorm wordt geacht toereikend te zijn. N.B.: in overbrugging tijdens de
              bijstandsaanvraag is voorzien door het verplichte voorschot; </al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <al/>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien een belanghebbende gesteld wordt voor noodzakelijke kosten die
                  voortvloeien uit bijzondere omstandigheden, waardoor liquiditeitsproblemen kunnen
                  ontstaan omdat hij deze niet uit de eigen middelen kan voldoen kan voor deze
                  kosten bijzondere bijstand worden verstrekt.</al></li>
                <li nr="2."><al>Bij toepassing van lid 1, wordt de bijstand verstrekt als algemene bijstand om
                  niet.</al></li>
                <li nr="3."><al>Het college maakt, gezien de bijzondere situatie ten gevolge waarvan de noodzaak
                  van een overbruggingsuitkering is ontstaan, geen gebruik van de bevoegdheid tot
                  terugvordering ervan na beëindiging van de bijstand.</al></li>
                <li nr="4."><al>De wijze van berekenen is opgenomen in het financiële besluit.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>7.4 Baby-uitzet</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al>De kosten van een babyuitzet behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen
              noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter
              hoogte van de toepasselijke uitkering algemene bijstand door middel van reservering
              dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat er in beginsel geen
              bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten. Alleen indien er sprake is van
              bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er van deze regel worden
              afgeweken.</al>
              <al/>
              <al>In hoeverre de belanghebbende voor de kosten van een babyuitzet heeft kunnen
              reserveren zal individueel beoordeeld moeten worden. In het algemeen geldt dat de
              belanghebbende in ieder geval vanaf de vierde maand van de zwangerschap voor deze
              kosten heeft kunnen reserveren.</al>
              <al/>
              <al>Zie voor een overzicht van de goederen waaruit een complete babyuitzet dient te
              bestaan bijvoorbeeld de Prijzengids van het Nibud of gegevens van de Landelijke
              Vereniging voor Thuiszorg (LVT) of informeer bij het plaatselijke kraamcentrum. Uit de
              rapportage zal duidelijk moeten blijken over welke van deze goederen de belanghebbende
              nog niet beschikt.</al>
              <al/>
              <al>Kosten van aangepaste kleding voor de moeder behoren tot de algemeen noodzakelijke
              kosten van het bestaan. Deze kosten kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte
              van de toepasselijke bijstandsnorm en komen derhalve niet voor bijzondere bijstand in
              aanmerking.</al>
              <al>
                <vet>Voorwaarden</vet>
              </al>
              <lijst>
                <li nr="1."><al>Indien iemand 3 jaar of langer van een minimuminkomen leeft en geen vermogen
                  heeft, zoals bedoeld in artikel 34 WWB, zit kan deze voor de geboorte van het
                  eerste kind het bedrag genoemd in het financiële besluit om niet verstrekt
                  krijgen.</al></li>
                <li nr="2."><al>Indien iemand korter dan drie jaar van een minimum inkomen leeft kan deze vanaf
                  de vierde maand van de zwangerschap reserveren, 6% van de geldende bijstandsnorm.
                  Het restant tot een maximaal bedrag genoemd in het financiële besluit (inclusief
                  reservering) kan worden verstrekt in de vorm van een geldlening via het BAD.</al></li>
                <li nr="3."><al>Er kan een borgstelling worden afgeven onder toepassing van lid 2.</al></li>
                <li nr="4."><al>De bijstand wordt verstekt in de vorm van een geldlening indien borgtocht op
                  grond van lid 2 en 3 niet mogelijk is.</al></li>
                <li nr="5."><al>Alleen wanneer er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, is het mogelijk
                  om de bijzondere bijstand om niet te verstrekken. Dit is bijvoorbeeld het geval
                  indien reserveringsmogelijkheden in het verleden hebben ontbroken en er vanwege
                  noodzakelijke leningen geen aflossingscapaciteit meer resteert</al></li>
                <li nr="6."><al>De bijzondere bijstand wordt gesplitst uitbetaald. Het eerste gedeelte wordt in
                  de 6<sup>de</sup> maand van de zwangerschap uitbetaald. Het tweede gedeelte van
                  wordt na de geboorte van het kind uitbetaald, de verdeling is opgenomen in het
                  financiële besluit. In het geval van een meerling wordt het toe te kennen bedrag
                  vermenigvuldigd met het aantal verwachte kinderen.</al></li>
              </lijst>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>8</nr>
            <titel>Kosten van kinderopvang</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>8.1 Kinderopvang met sociaal medische indicatie</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>
                <vet>Algemeen</vet>
              </al>
              <al/>
              <al>Voor de kosten van kinderopvang blijven de Beleidsregels inzake tegemoetkoming
              kosten kinderopvang op grond van een sociaal medische indicatie gemeente Olst-Wijhe
              van toepassing. </al>
              <al/>
              <al>Deze beleidsregels zijn ingegaan op 1 april 2011.</al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <label>8.2 Reguliere kinderopvang</label>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Voor de kosten van reguliere kinderopvang moet de verordening kinderopvang met
              ingang van 1-1-2013 nog worden vastgesteld. Naar aanleiding daarvan worden de
              beleidsregels kinderopvang opgesteld. </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>9</nr>
            <titel>Slotbepalingen</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <lijst>
              <li nr="1."><al>Het college kan ter nadere uitvoering van deze beleidsregels uitvoeringsregels
                  opstellen.</al></li>
              <li nr="2."><al>De bedragen, zoals genoemd in het Financieel besluit in de bijlage bij deze
                  beleidsregels kunnen jaarlijks worden aangepast.</al></li>
              <li nr="3."><al>In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien of toepassing daarvan
                  niet overeenkomt met de bedoeling van deze regels, beslist het college.</al></li>
              <li nr="4."><al>Deze beleidsregels treden in werking per 1 januari 2013 en vervangen de daarvoor
                  geldende beleidsregels bijzondere bijstand en reductieregeling.</al></li>
              <li nr="5."><al>Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als Beleidsregels Bijzondere
                  Bijstand en Reductieregeling gemeente Olst-Wijhe.</al></li>
            </lijst>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van de gemeente
              Olst-Wijhe op 18 december 2012</al></slotformulering></regeling-sluiting>
      <bijlage>
        <kop>
          <label> Bijlage 1: Financieel besluit 2013 </label>
        </kop>
        <al/>
        <al>Onderstaande bedragen zijn de bedragen per 1-1-2013 en worden jaarlijks geïndexeerd
              aan de hand van de consumentenprijs index van het CBS. Voor 2013 bedraagt deze
              2,8%.</al>
        <al>
          <vet>3.3. Langdurigheidstoeslag</vet>
        </al>
        <al>Ad 6. De hoogte van de langdurigheidstoeslag bedraagt per jaar:</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>voor een alleenstaande € 376,-;</al></li>
          <li nr="b."><al>voor een alleenstaande ouder € 481,-;</al></li>
          <li nr="c."><al>voor gehuwden € 537,- .</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>5.4 Premie aanvullende ziektekostenverzekering</vet>
        </al>
        <al>De hoogte bedraagt € 100,- per jaar per verzekerde van 18 jaar en ouder.</al>
        <al>
          <vet>5.6 Brillen/contactlenzen</vet>
        </al>
        <al>Ad 1. SallandPlus vergoedt in 2013 maximaal € 75,- (inclusief montuur). De klant kan
              op grond van de voorwaarden van Salland ook kiezen voor een "gratis" bril via
              www.eylovebrillen.nl</al>
        <al>Ad 2.Indien geen aanvullende zorgverzekering bedraagt de hoogte maximaal € 75,- per
              twee jaar.</al>
        <al>Ad 5. De maximale vergoeding bedraagt bij toepassing van lid 4 voor een bril
              (montuur en glazen) € 349,00.</al>
        <al>
          <vet>5.7 Hoortoestellen</vet>
        </al>
        <al>Ad 1. Eén keer per vijf jaar € 200,- .</al>
        <al>Ad 2. Vergoeding basisverzekering één keer per vijf jaar € 509,50 per hoorapparaat. </al>
        <al>Ad 3. Maximaal€ 200,- </al>
        <al>
          <vet>5.8 Batterijen en serviceabonnementen gehoortoestellen</vet>
        </al>
        <al>Ad 2. Forfaitair bedrag € 60,- per jaar.</al>
        <al>Ad 3. € 25,- bij één en € 45,- bij twee hoortoestellen</al>
        <al>
          <vet>5.17</vet>
          <vet> Maaltijdvoorziening</vet>
        </al>
        <al>Ad 2. De eigen bijdrage warme maaltijd voor een alleenstaande bedraagt € 2,- en voor
              een echtpaar € 4,-. De maximale vergoeding voor een warme maaltijd wordt vastgesteld
              op &#x2028;€ 6,50 (afgerond).</al>
        <al>
          <vet>5.18 Tandheelkundige hulp</vet>
        </al>
        <al>Ad 1. De vergoeding bedraagt 80% tot een maximum bedrag van € 500,- per jaar.&#x2028;</al>
        <al>Ad 2. De vergoeding bedraagt 80% tot een maximum bedrag van € 500,- per jaar.</al>
        <al>Ad 3. De maximale hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt € 250,- per jaar.</al>
        <al>
          <vet>6.4 Reiskosten</vet>
        </al>
        <al>Ad 3. € 0,20 per kilometer.</al>
        <al>
          <vet>6.5 Reductieregeling</vet>
        </al>
        <al>Ad 3. De reductieregeling bedraagt per jaar;</al>
        <al> Voor een echtpaar 250,-</al>
        <al> Voor een alleenstaande € 200,-</al>
        <al> Voor elk inwonend kind onder de 18 jaar € 200,-</al>
        <al>
          <vet>6.6 Computerregeling</vet>
        </al>
        <al>Ad 5. De bijstand voor een computer met toebehoren bedraagt maximaal € 750,-. </al>
        <al>
          <vet>7.1.1</vet>
          <vet> Kosten aanschaf duurzame gebruiksgoederen</vet>
        </al>
        <al>Ad 6. De vergoeding voor voorrijdkosten bedraagt maximaal € 40,-.</al>
        <al>
          <vet>7.2 Woninginrichtingskosten</vet>
        </al>
        <al>Voor woninginrichting kan maximaal worden vergoed voor een;</al>
        <lijst>
          <li nr="a."><al>alleenstaande (kamerbewoner) € 1.570,-</al></li>
          <li nr="b."><al>alleenstaande (zelfstandig gehuisvest) € 3.007,-</al></li>
          <li nr="c."><al>gezin van 2 personen € 4.454,-</al></li>
          <li nr="d."><al>Voor elke persoon meer € 800,-</al></li>
        </lijst>
        <al>
          <vet>7.3 Overbruggingsuitkering</vet>
        </al>
        <al>Ad 4. De overbruggingsuitkering moet op de volgende wijze worden berekend.</al>
        <al>Datum ingang uitkering ..-..-….</al>
        <al>Maand waarin de eerste keer volledige WWB-uitkering wordt ontvangen …………….</al>
        <al>Welke maand dient volledig te worden overbrugd …………….</al>
        <al>Van toepassing zijnde norm + toeslag exclusief VT €……..,..</al>
        <al>Eigen bijdrage in de woonkosten over deze volledige maandag €……..,..</al>
        <al>Eigen bijdrage in de woonkosten van de niet volledige maand minus huurtoeslag
              €……..,..</al>
        <al>De te betalen huurnota inclusief kosten van Salland wonen €……..,..</al>
        <al>Overbruggingsuitkering voor betrokkene is €………,..</al>
        <al>Betaling aan Salland wonen €………,..</al>
        <al>
          <vet>7.4 Baby-uitzet</vet>
        </al>
        <al>Ad 1. Voor het eerste kind maximaal € 500,- </al>
        <al>Ad 2. Maximaal € 500,- (inclusief reservering) wordt verstekt in de vorm van een
              geldlening via het BAD.</al>
        <al>Ad 6. Het eerste gedeelte van € 300,00 wordt in de 6<sup>de</sup> maand van de
              zwangerschap uitbetaald. Het tweede gedeelte van € 200,00 wordt na de geboorte van het
              kind uitbetaald.</al>
        <al>Aldus vastgesteld in de vergadering van burgemeester en wethouders van de gemeente
              Olst-Wijhe op 18 december 2012</al>
      </bijlage>
      
      <bijlage>
        <kop>
          <label>Inhoudsopgave</label>
        </kop>
        <al>Hoofdstuk 1 Inleiding </al>
        <al>1.1 Leeswijzer </al>
        <al>Hoofdstuk 2 Algemeen </al>
        <al>2.1 Inleiding </al>
        <al>2.2 Algemene bepalingen </al>
        <al>Artikel 1 Begripsbepaling </al>
        <al>Artikel 2 Recht op bijzondere bijstand </al>
        <al>Artikel 3 Voorwaarden voor het recht op bijzondere bijstand </al>
        <al>Artikel 4 Voorliggende voorzieningen </al>
        <al>Artikel 5 Noodzakelijke kosten </al>
        <al>Artikel 6 Beoordeling bijzondere omstandigheden in de individuele situatie
              </al>
        <al>2.3 Inkomen, vermogen en draagkracht </al>
        <al>Artikel 7 Verantwoordelijkheid tot voldoening uit eigen middelen </al>
        <al>Artikel 8 Reserveringscapaciteit </al>
        <al>Artikel 9 Draagkracht </al>
        <al>Artikel 10 Periode draagkracht </al>
        <al>Artikel 11 Toepassing draagkracht </al>
        <al>2.4 De aanvraag, vorm van bijstand, uitbetaling en terugvordering </al>
        <al>Artikel 12 Aanvraag </al>
        <al>Artikel 13 De wijze van verstrekken </al>
        <al>Artikel 14 Uitbetaling </al>
        <al>Artikel 15 Terugvordering </al>
        <al>Hoofdstuk 3 Kosten van algemene aard </al>
        <al>3.1. Toeslag voor jongeren van 18 tot 21 jaar al dan niet verblijvende in een
              inrichting </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>3.2. Toeslag voor alleenstaanden met inwonend, niet meer ten laste komend kind
            </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>3.3. Langdurigheidstoeslag </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>Hoofdstuk 4 Woonkosten </al>
        <al>4.1. Woonkostentoeslag </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>4.1.1. Woonkostentoeslag bij een huurwoning </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>4.1.2. Woonkostentoeslag bij een koopwoning </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>4.2. Waarborgsom </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>Hoofdstuk 5 Kosten van medische aard </al>
        <al>5.1 Inleiding </al>
        <al>5.2 Medisch advies </al>
        <al>5.3 Collectieve ziektekostenverzekering </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>5.4 Premie aanvullende ziektekostenverzekering </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>5.5 Eigen risico ziektekostenverzekering </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>5.6 Brillen/contactlenzen </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>5.7 Hoortoestellen </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>5.8 Batterijen en serviceabonnementen gehoortoestellen </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>5.9 Bewassing- en kleding slijtagekosten </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>5.10 Dieetpreparaten en dieetkosten </al>
        <al>5.10.1 Dieetpreparaten </al>
        <al>5.10.2 Dieetkosten </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>5.11 Zelfzorggeneesmiddelen </al>
        <al>5.12 Geneesmiddelen </al>
        <al>5.13 Alternatieve geneeswijzen </al>
        <al>5.Geen recht op bijzondere bijstand </al>
        <al>5.14 Bevalling en Kraamhulp </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>5.15 Persoonlijke alarmering </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>5.16 Extra Stookkosten </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>5.17 Maaltijdvoorziening </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>5.18 Tandheelkundige hulp </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>5.19 Gebitsprothese </al>
        <al>5.20 Fysiotherapie </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>5.21. Eigen bijdrage voor de (medisch) noodzakelijke voorzieningen genoemd in
                de zorgverzekeringswet </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>5.22 Eigen bijdrage Wet Maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en/of eigen
                bijdrage Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) zorg zonder verblijf </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>Hoofdstuk 6 Kosten van maatschappelijke aard </al>
        <al>6.1 Bewindvoeringskosten </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>6.2. Schulden </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>6.3. Eigen bijdrage rechtsbijstand </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>6.4 Reiskosten </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>6.4.1 Psychische/medische behandeling </al>
        <al>6.4.2 Bezoek aan gedetineerde </al>
        <al>Aanvullende voorwaarden </al>
        <al>Aanvullende voorwaarden </al>
        <al>6.4.4. Bezoek aan uit huis geplaatste kinderen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>6.4.5 Scholing en opleiding van (ten laste komende) kinderen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>6.5. Reductieregeling </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>6.6 Computerregeling </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>6.7 Begrafenis- of crematiekosten </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>Hoofdstuk 7 Kosten van inrichting en verhuizing </al>
        <al>7.1 Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten </al>
        <al>7.1.1 Kosten aanschaf duurzame gebruiksgoederen </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>7.1.2 Overige inrichtingskosten </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>7.2 Woninginrichtingskosten </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>7.2.1 Suppletie </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>7.3 Overbruggingsuitkering </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>7.4 Baby-uitzet </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>Voorwaarden </al>
        <al>Hoofdstuk 8 Kosten van kinderopvang </al>
        <al>8.1 Kinderopvang met sociaal medische indicatie </al>
        <al>Algemeen </al>
        <al>8.2 Reguliere kinderopvang </al>
        <al>Hoofdstuk 9 Slotbepalingen </al>
        <al> Bijlage 1: Financieel besluit 2013 </al>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>