<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR246250_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Brummen 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Brummen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Brummen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">GemeenteThuis d.d. 11 januari 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Brummen 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet maatschappelijke ondersteuning</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-12</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-06-05</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV12.0069</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Brummen
            2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Brummen;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20
                        november 2012 met kenmerk RV12.0069/HW;</al><al>gehoord het behandeladvies van het Forum Samenleving/Bestuur van 6 december
                        2012;</al><al/><al>heeft besloten tot vaststelliing van de Verordening maatschappelijke
                        ondersteuning gemeente Brummen 2013 met kenmerk V12.00004/HW.</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regelgeving wordt
                            verstaan onder:</al><table><tgroup cols="2" char="" charoff="50" align="left"><colspec colname="col1" colwidth="35*"/><colspec colname="col2" colwidth="65*"/><tbody><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>a. Aanvrager </al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Een persoon als bedoeld in dit artikel onder u die
                                                een aanvraag doet in het kader van deze
                                                verordening;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>b. Algemeen gebruikelijk</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Naar geldende maatschappelijke normen tot het
                                                gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van
                                                iemand als de aanvrager behorend;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>c. Algemene voorziening</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Een voorziening die wordt geleverd op basis van
                                                directe beschikbaarheid, een beperkte
                                                toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en
                                                adequate oplossing biedt voor de beperking die een
                                                persoon ondervindt;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>d. Beperkingen</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke
                                                beperkingen, chronisch psychische of psychosociale
                                                problemen, op grond waarvan het functioneren van
                                                iemand wordt belemmerd;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>e. Budgethouder</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Een persoon aan wie op grond van deze verordening
                                                een persoonsgebonden budget is toegekend en die aan
                                                het college verantwoording verschuldigd is over de
                                                besteding van het persoonsgebonden budget;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>f. College</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Het college van burgemeester en wethouders van de
                                                gemeente Brummen;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>g. Compensatiebeginsel </al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>De algemene verplichting aan het gemeentebestuur om
                                                personen met aantoonbare beperkingen op grond van
                                                ziekte of gebrek door het treffen van voorzieningen
                                                een gelijkwaardige uitgangspositie te verschaffen
                                                zodat zij zelfredzaam zijn en in staat tot
                                                maatschappelijke participatie;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>h. Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Een door het college vast te stellen bijdrage, die
                                                bij respectievelijk de verstrekking van een
                                                voorziening in natura of een persoonsgebonden budget
                                                (eigen bijdrage) of een financiële tegemoetkoming
                                                (eigen aandeel) betaald moet worden en waarop de
                                                regels van het Besluit maatschappelijke
                                                ondersteuning (AMvB) van toepassing zijn;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>i. Financiële tegemoetkoming </al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Een tegemoetkoming in de kosten van een voorziening
                                                die kan worden afgestemd op het inkomen van de
                                                aanvrager;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>j. Gemeenschappelijke ruimte</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Gedeelte(n) van een woongebouw, niet behorende tot
                                                de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk
                                                om de woning van de aanvrager vanaf de toegang van
                                                het woongebouw te bereiken;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>k. Gebruikelijke zorg</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Zorg binnen een leefeenheid waarvan het gebruikelijk
                                                is dat het aan elkaar wordt verleend;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>l. Huisgenoot</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam
                                                gemeenschappelijk een woning bewoont;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>m. Hoofdverblijf</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>De woonruimte waar de aanvrager zijn vaste woon- en
                                                verblijfplaats heeft en op welk adres de aanvrager
                                                in de gemeentelijke basisadministratie staat dan wel
                                                zal staan ingeschreven, of het feitelijk woonadres
                                                als de aanvrager een briefadres heeft en daarmee
                                                staat ingeschreven in de gemeentelijke
                                                basisadministratie;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>n. Huishoudelijke verzorging</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>De verzorging als bedoeld in artikel 1 onder h van
                                                de wet;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>o. Individuele voorziening</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Een voorziening die individueel wordt aangeboden als
                                                een algemene voorziening geen adequate oplossing
                                                biedt;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>p. Leefeenheid</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Alle bewoners op één adres die samen duurzaam een
                                                huishouden voeren, niet zijnde kamerbewoners of
                                                personen die vanwege een zorgbehoefte op één adres
                                                ieder zelfstandig wonen;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>q. Maatschappelijke participatie</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Normale deelname aan het maatschappelijk verkeer, te
                                                weten het voeren van een huishouden; het normale
                                                gebruik van de woning; het zich in en om de woning
                                                verplaatsen; het zich zodanig verplaatsen dat
                                                aansluiting wordt gevonden bij regionale,
                                                bovenregionale en landelijke vervoersystemem; het
                                                ontmoeten van andere mensen en het aangaan en
                                                onderhouden van sociale verbanden om op die manier
                                                deel te nemen aan het lokale maatschappelijke
                                                leven;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>r. Mantelzorger</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Iemand die mantelzorg verleent als bedoeld in
                                                artikel 1, lid 1 onder b. van de wet;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>s. Meerkosten </al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Kosten van een mogelijk op grond van de wet te
                                                verlenen voorziening, voorzover dit deel van de
                                                kosten uitgaat boven voor die persoon als algemeen
                                                gebruikelijk te beschouwen kosten van een dergelijke
                                                voorziening;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>t. Persoon met beperking</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Diegene, die als gevolg van ziekte of gebrek,
                                                inclusief chronische psychische en psychosociale
                                                problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij
                                                het uitvoeren van activiteiten op het gebied van het
                                                voeren van een huishouden; bij het normale gebruik
                                                van de woning; bij het verplaatsen in en om de
                                                woning; bij het zich lokaal verplaatsen per
                                                vervoermiddel; of bij het ontmoeten van medemensen
                                                en het op basis daarvan aangaan van sociale
                                                verbanden; </al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>u. Persoonsgebonden budget</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Een geldbedrag waarmee de aanvrager één of meer aan
                                                hem te verlenen voorzieningen kan verwerven en
                                                waarop de in deze verordening en het Besluit
                                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Brummen te
                                                stellen regels van toepassing zijn;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>v. Voorziening in natura</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in
                                                huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening
                                                wordt verstrekt;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>w. Wet</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>x. Woonruimte</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Een woning,waaronder ook wordt verstaan een
                                                woonwagen als bedoeld in de Woningwet en een
                                                woonschip op een ligplaats als bedoeld in de
                                                Huisvestingswet, die voor permanente bewoning
                                                bestemd en geschikt is en waarbij geen wezenlijke
                                                woonfuncties, zoals woon- en slaapruimten, was- en
                                                kookgelegenheid en toilet met andere woningen wordt
                                                gedeeld;</al></entry></row><row><entry colname="col1" morerows="0" rotate="0"><al>y. Zelfredzaamheid</al></entry><entry colname="col2" morerows="0" rotate="0"><al>Het lichamelijk, verstandelijk, geestelijk of
                                                financiële vermogen om voorzieningen te treffen die
                                                deelname aan het normale maatschappelijke verkeer
                                                mogelijk maken;</al></entry></row></tbody></tgroup></table></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beperkingen bij het verstrekken van de voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover: </al><lijst><li nr="a."><al>deze langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het
                                        gebied van het voeren van het huishouden, het verplaatsen in
                                        en om de woning, het zich lokaal verplaatsen per
                                        vervoermiddel en bij het ontmoeten van medemensen en op
                                        basis daarvan sociale verbanden aangaan op te heffen of te
                                        verminderen;</al></li><li nr="b."><al>deze, naar objectieve maatstaven gemeten, als de goedkoopst
                                        adequate voorziening kan worden aangemerkt.</al></li><li nr="c."><al>deze in overwegende mate op het individu is gericht;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De langdurigheid zoals genoemd in artikel 1.2 eerste lid onder a is
                                niet van toepassing op de verstrekking van huishoudelijke
                                verzorging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>als de voorziening voor een persoon als de aanvrager
                                        algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>als de aanvrager zijn hoofdverblijf niet in de gemeente
                                        Brummen heeft;</al></li><li nr="c."><al>als de aanvrager de belemmeringen die hij ondervindt in
                                        voldoende mate kan compenseren door gebruik te maken van een
                                        voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling of
                                        regeling;</al></li><li nr="d."><al>als de aanvrager, eventueel met behulp van mensen die tot
                                        zijn leefeenheid behoren, de belemmeringen die hij
                                        ondervindt kan beperken of kan opheffen door het anders
                                        organiseren van het dagelijks leven of huishouden;</al></li><li nr="e."><al>als de aanvrager zich bewust in een situatie heeft gebracht
                                        waarin hij, al dan niet opnieuw, aanspraak moet maken op een
                                        voorziening;</al></li><li nr="f."><al>deze als gevolg van de beperkingen van de aanvrager voor
                                        zichzelf of voor derden onveilig is of gezondheidsrisico’s
                                        met zich meebrengt;</al></li><li nr="g."><al>als op grond van enige privaatrechtelijke overeenkomst of
                                        verbintenis aanspraak op de voorziening bestaat;</al></li><li nr="h."><al>voor zover er aan de zijde van de aanvrager geen sprake is
                                        van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                        voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de
                                        voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="i."><al>voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                        aanvrager voorafgaand aan het moment van beschikken heeft
                                        gemaakt en de medische noodzaak achteraf niet meer vast te
                                        stellen is;</al></li><li nr="j."><al>als een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                        heeft reeds eerder op grond van deze, dan wel op grond van
                                        de aan deze verordening voorafgaande Verordening
                                        voorzieningen gehandicapten gemeente Brummen is verstrekt en
                                        de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet
                                        is verstreken, tenzij de eerder vergoede of verstrekte
                                        voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden
                                        die niet aan de aanvrager zijn toe te rekenen;</al></li><li nr="k."><al>als de voorziening op therapeutische basis wordt
                                        aangevraagd.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Keuzevrijheid</titel></kop><al>Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                            financiële tegemoetkoming en als persoonsgebonden budget. Het college
                            stelt vast in welke situaties de keuze tussen deze voorzieningen wordt
                            geboden aan de hand van de in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                            gemeente Brummen neergelegde criteria.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Voorziening in natura</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als een voorziening in natura wordt verstrekt is de
                                bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of
                                dienstverleningsovereenkomst tussen de leverancier en de aanvrager
                                van toepassing, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorziening in natura eigendom is van de gemeente,
                                        of</al></li><li nr="b."><al>de inschakeling van derden voor het verlenen van
                                        maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs niet mogelijk
                                        is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de onder a. en b. genoemde situaties is de bruikleenovereenkomst,
                                huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst gemeente Brummen
                                van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Financiële tegemoetkoming</titel></kop><al>Bij verstrekking van een financiële tegemoetkoming worden de
                            toepasselijke voorwaarden zoals genoemd in het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Brummen in de beschikking opgenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het persoonsgebonden budget zoals genoemd in artikel 6 van de
                                wet, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstekt ten
                                        aanzien van individuele voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget is de tegenwaarde
                                        van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate te
                                        verstrekken voorziening in natura, voor zover nodig
                                        aangevuld met een vergoeding voor instandhoudingskosten,
                                        zoals vastgelegd in het Besluit maatschappelijke
                                        ondersteuning gemeente Brummen;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt
                                        vastgesteld wordt door het college vastgelegd in het Besluit
                                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Brummen;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toekenning van het te verstrekken persoonsgebonden budget, de
                                omvang en de looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij de beschikking wordt, voor zover dit onderdeel is van het
                                advies, een program van eisen verstrekt waarin aangegeven is aan
                                welke vereisten de met het persoonsgebonden budget te verwerven
                                voorziening moet voldoen om verantwoord en duurzaam te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Tot maximaal 5 jaar na datum van het besluit waarmee het
                                persoonsgebonden budget is verstrekt dan wel 5 jaar na afloop van de
                                periode waarop het persoonsgebonden budget van toepassing is, moet
                                de budgethouder rekening houden met controle door het college of het
                                persoonsgebonden budget besteed is aan het doel waarvoor het is
                                verstrekt. De budgethouder moet hiervoor de van belang zijnde
                                stukken beschikbaar houden. De wijze waarop het college deze
                                controle uitvoert en de eventuele terugvordering daarbij is
                                uitgewerkt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Brummen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een voorziening aangeschaft met een persoonsgebonden budget kan,
                                zodra deze voorziening voor afloop van de afschrijvingstermijn niet
                                meer gebruikt wordt, onder verrekening van eventueel eigen middelen,
                                door het college worden opgehaald en voor herverstrekking
                                beschikbaar worden gesteld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan bepalen dat:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een voorziening anders dan een financiële
                                        tegemoetkoming, een eigen bijdrage verschuldigd is;</al></li><li nr="b."><al>de financiële tegemoetkoming afhankelijk wordt gesteld van
                                        en afgestemd op het inkomen van de aanvrager en zijn
                                        eventuele echtgenoot/partner;(eigen aandeel).</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid wordt door het
                                college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Brummen nadere regels gesteld.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Huishoudelijke verzorging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Vormen van huishoudelijke verzorging</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen ten gevolge van
                            ziekte of gebrek bij het voeren van een huishouden, te verstrekken
                            voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene voorziening, waaronder algemene hulp bij
                                    huishoudelijke verzorging;</al></li><li nr="b."><al>huishoudelijke verzorging in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan huishoudelijke
                                    verzorging.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Primaat van de algemene hulp bij huishoudelijke
                                verzorging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder g, onderdeel
                                4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 3.1. onder a. vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht als:</al><al>aantoonbare beperkingen</al><al>of</al><al>problemen bij het uitvoeren van de mantelzorg</al><al>het zelf uitvoeren van een of meer huishoudelijke taken onmogelijk
                                maken en algemene hulp bij huishoudelijke verzorging dit snel en
                                adequaat kan oplossen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder g, onderdeel
                                4, 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 3.1. onder b. en c.
                                vermelde voorzieningen in aanmerking worden gebracht als</al><lijst><li nr="a."><al>de in het eerste lid genoemde voorziening een onvoldoende
                                        oplossing biedt of</al></li></lijst><lijst><li nr="b."><al>niet beschikbaar is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Gebruikelijke zorg</titel></kop><al>In afwijking van het gestelde in artikel 3.2 komt een persoon als
                            bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4, 5 en 6 van de
                            wet niet in aanmerking voor huishoudelijke verzorging als tot de
                            leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten
                            behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Omvang van de huishoudelijke verzorging</titel></kop><al>De omvang van de voorziening voor huishoudelijke verzorging wordt door
                            het college nader uitgewerkt in het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Brummen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Basistarieven huishoudelijke verzorging in natura</titel></kop><al>Voor de levering van huishoudelijke verzorging door derden stelt het
                            College uurtarieven vast. Deze uurtarieven mogen niet lager zijn dan: </al><lijst><li nr="a."><al>€ 19,63 voor de levering van HV-1;</al></li><li nr="b."><al>€ 22,76 voor de levering van HV-2.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget</titel></kop><al>De bedragen die voor huishoudelijke verzorging in de vorm van een
                            persoonsgebonden budget worden verstrekt, worden jaarlijks door het
                            college vastgesteld en vastgelegd in het Besluit maatschappelijke
                            ondersteuning gemeente Brummen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>Woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Vormen van woonvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het voeren van
                            een huishouden te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene woonvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                    woonvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele
                                woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel, eerste lid, onder g, onderdeel 5
                                en 6 van de wet kan voor de in artikel 4.1, onder a. vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht als aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek een aanpassing aan de
                                woning noodzakelijk maken en de algemene woonvoorziening dit snel en
                                adequaat kan oplossen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 4.1, onder b., c. en d.
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht als de in het
                                vorige lid genoemde oplossing niet aanwezig is of niet tot een
                                snelle en adequate oplossing leidt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Soorten individuele woonvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college te verstrekken woonvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizing en
                                    inrichting;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een uitraasruimte;</al></li><li nr="d."><al>woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische
                                    aard;</al></li><li nr="e."><al>onderhoud, keuring of reparatie;</al></li><li nr="f."><al>tijdelijke huisvesting;</al></li><li nr="g."><al>huurderving;</al></li><li nr="h."><al>verwijderen van voorzieningen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het primaat van de verhuizing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                4.3, lid 1, onder a. in aanmerking worden gebracht, wanneer
                                aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het normale
                                gebruik van de woning belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor een voorziening als bedoeld in artikel
                                4.3, lid 1, onder b, c en d. in aanmerking worden gebracht wanneer
                                de in het eerste lid genoemde voorziening niet of niet binnen
                                redelijke termijn mogelijk is of niet de goedkoopst adequate
                                oplossing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Brummen nadere regels voor de in lid 1 en 2 genoemde
                                woonvoorzieningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Het primaat van de losse woonunit</titel></kop><al>Als een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw aan of
                            aanzienlijke verbouwing van een woning die het eigendom is van een
                            verhuurder, die niet bereid is de aangepaste woning blijvend ter
                            beschikking te stellen aan personen die op basis van aantoonbare
                            beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek behoefte hebben aan een
                            dergelijke woning, zal het college een herplaatsbare losse woonunit
                            verstrekken als daartegen geen bezwaren van overwegende aard
                            bestaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Vergoeding verhuis- en inrichtingskosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en
                                (her)inrichtingskosten als bedoeld in artikel 4.3, lid 1, onder a.
                                verlenen aan:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                        onderdeel 5 en 6 van de wet;</al></li><li nr="b."><al>een persoon, die op verzoek van de gemeente, ten behoeve van
                                        de onder a. bedoelde persoon de woonruimte heeft
                                        ontruimd.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming aan een
                                persoon bedoeld in het eerste lid, onder a als:</al><lijst><li nr="a."><al>De verhuizing niet heeft plaatsgevonden voordat het college
                                        op de aanvraag heeft beschikt, tenzij zij daar schriftelijk
                                        toestemming voor heeft verleend;</al></li><li nr="b."><al> de aanvrager niet voor het eerst zelfstandig gaat
                                        wonen;</al></li><li nr="c."><al> de aanvrager verhuist vanuit en naar een woonruimte, die
                                        geschikt én bedoeld is om het hele jaar door bewoond te
                                        worden en daarvoor toestemming is verleend;</al></li><li nr="d."><al> de aanvrager niet verhuist naar een AWBZ erkende en
                                        gefinancierde instelling;</al></li><li nr="e."><al> in de te verlaten woonruimte (ergonomische) belemmeringen
                                        zijn ondervonden, tenzij het een verhuizing naar een
                                        ADL-cluster woning betreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Brummen de hoogte van de te verstrekken financiële
                                vergoeding vast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Het verwerven van grond</titel></kop><al>Voor zover het treffen van voorzieningen, als bedoeld in art. 4.3 onder
                            b.,betreft het uitbreiden van bestaande woningen, dan wel het groter
                            bouwen van een nieuw te bouwen woning dan zonder de voorzieningen nodig
                            zou zijn, kunnen burgemeester en wethouders een bijdrage verlenen voor
                            de extra te verwerven grond die ten hoogste overeenkomt met de bijdrage
                            voor het aantal vierkante meters per vertrek en een gedeelte van de
                            buitenruimte bij de woning, zoals vermeld in bijlage I.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Gereedmelding, vaststelling en uitbetaling tegemoetkoming in de
                                kosten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="a."><al> Na de voltooiing van de werkzaamheden betreffende de
                                        voorzieningen als bedoeld in artikel 4.3, onder b, c, e en
                                        h, maar uiterlijk binnen 12 maanden na het verlenen van de
                                        financiële tegemoetkoming, verklaart de eigenaar aan het
                                        college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid.</al></li><li nr="b."><al>De gereedmelding als bedoeld onder a gaat vergezeld van een
                                        verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is
                                        voldaan aan de voorwaarden waaronder de financiële
                                        tegemoetkoming is verleend.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gereedmelding is tevens een verzoek om vaststelling en
                                uitbetaling van de financiële tegemoetkoming.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><lijst><li nr="a."><al>Deze tegemoetkoming in de kosten genoemd in artikel 4.3
                                        onder b, c, e, g en h wordt uitbetaald aan de eigenaar van
                                        de woonruimte.</al></li><li nr="b."><al>Degene aan wie de financiële tegemoetkoming in de kosten
                                        genoemd in artikel 4.3 onder b wordt uitbetaald, moet
                                        gedurende een periode van 5 jaar alle rekeningen en
                                        betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter
                                        controle beschikbaar houden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De tegemoetkoming in de kosten genoemd in artikel 4.3 onder a, d en
                                f worden uitbetaald aan de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De tegemoetkoming in de kosten genoemd onder artikel 4.3 onder d en
                                e kunnen in overleg met de eigenaar en/of aanvrager uitbetaald
                                worden aan de desbetreffende leverancier.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Uitraasruimte</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor een voorziening al bedoeld in artikel 4.3, lid
                            1 onder c. in aanmerking worden gebracht wanneer sprake is van een op
                            basis van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                            aanwezige gedragsstoornis, met ernstig ontremd gedrag tot gevolg,
                            waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie
                            waarin deze persoon tot rust kan komen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de
                                kosten van onderhoud, keuring en reparatie als bedoelt in artikel
                                4.3 onder e. als:</al><lijst><li nr="a."><al>de woonvoorziening in het kader van deze verordening dan wel
                                        Besluit Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten of
                                        Regeling Geldelijke Steun Huisvesting Gehandicapten is
                                        verleend, en</al></li><li nr="b."><al>de woonvoorziening voorkomt in het Besluit maatschappelijke
                                        ondersteuning gemeente Brummen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van
                                onderhoud, keuring of reparatie zal het bedrag zoals door het
                                college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                                Brummen is vastgesteld, niet te boven gaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Kosten in verband met tijdelijke huisvesting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een financiële tegemoetkoming in de kosten van
                                tijdelijke huisvesting verlenen die door de gehandicapte moeten
                                worden gemaakt i.v.m. het aanpassen van:</al><lijst><li nr="a."><al>zijn huidige woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>de door de gehandicapte nog te betrekken woonruimte.</al></li></lijst><al/><al>De financiële tegemoetkoming als bedoeld onder a. en b. wordt
                                verleend uitsluitend voor de periode dat de aan te passen woonruimte
                                ten gevolge van het realiseren van de woningaanpassing niet bewoond
                                kan worden en de gehandicapte als gevolg daarvan voor dubbele
                                woonlasten komt te staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De maximale termijn, waarvoor het college een financiële
                                tegemoetkoming in de kosten van tijdelijke huisvesting als bedoeld
                                in het eerste lid verleent, wordt op basis van een garantiebepaling
                                in een overeenkomst met de aannemer bepaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten voor
                                tijdelijke huisvesting wordt door het college in het Besluit
                                maatschappelijke ondersteuning gemeente Brummen vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Kosten in verband met huurderving</titel></kop><al>In geval van huurbeëindiging van een aangepaste woonruimte, die voor een
                            in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Brummen
                            vastgesteld bedrag is aangepast, kan het college een financiële
                            tegemoetkoming verlenen aan de eigenaar van de woning in verband met
                            verlies van huurinkomsten voor de duur van maximaal 6 maanden, waarbij
                            eerste maand huurderving niet voor een financiële tegemoetkoming in
                            aanmerking komt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Kosten in verband met het verwijderen van voorzieningen</titel></kop><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de kosten
                            van het verwijderen van voorzieningen als bedoeld in artikel 4.3 onder
                            h. als:</al><al>De woning langer dan 6 maanden leeg staat en artikel 4.12 van toepassing
                            is op de woning, tenzij:</al><lijst><li nr="a."><al>bekend is dat binnen een periode van 3 maanden na het
                                    verstrijken van de termijn van 6 maanden een gehandicapte in
                                    aanmerking voor de woning zal komen en </al></li><li nr="b."><al>de aanpassingen zo specifiek zijn dat het door de aanwezigheid
                                    van de voorzieningen niet mogelijk is om de woning aan een
                                    niet-gehandicapte te verhuren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Uitsluitingen</titel></kop><al>De bepalingen van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op het treffen
                            van voorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens,
                            verzorgingshuizen, AWBZ erkende en gefinancierde instellingen,
                            kloosters, vakantiewoningen, tweede woningen, recreatiewoningen,
                            kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte
                            woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke
                            ruimten of voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder
                            noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.15</nr><titel>Voorwaarden bij de verlening van woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een woonvoorziening wordt slechts verleend ten behoeve van de
                                woonruimte waar de persoon zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben en
                                die geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een voorziening ten behoeve van verhuizing en inrichting wordt
                                slechts verstrekt voor zover de te verlaten woning in de gemeente
                                Brummen staat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een financiële tegemoetkoming wordt slechts verstrekt als de
                                getroffen voorzieningen toereikend zijn verzekerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een financiële tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing,
                                uitraasruimte en woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of
                                woontechnische aard wordt slechts verstrekt als in de financiering
                                van het niet door subsidie gedekte deel van de voorziening is
                                voorzien.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.16</nr><titel>Uitzondering op de voorwaarden bij verlening van
                                woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van het gestelde in artikel 4.15 lid 1 kan een
                                woonvoorziening worden getroffen voor het bezoekbaar maken van één
                                woonruimte als de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft in een
                                AWBZ-erkende instelling onder de voorwaarde dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de aanvrager de woonruimte regelmatig bezoekt;</al></li><li nr="b."><al>de aan te passen woning in de gemeente Brummen staat;</al></li><li nr="c."><al>niet eerder in de gemeente Brummen of in een andere gemeente
                                        een woning voor de aanvrager bezoekbaar is gemaakt, onverlet
                                        bijzondere situaties.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder bezoekbaar maken van de woonruimte wordt uitsluitend verstaan
                                dat de aanvrager de woonruimte, woonkamer en één toilet kan bereiken
                                en gebruiken. Dit houdt in dat bouwkundige aanpassingen niet aan de
                                orde zijn.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De woonvoorziening betreft slechts het bezoekbaar maken van de in
                                het eerste lid genoemde woonruimte met een door het college in het
                                Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Brummen vast te
                                leggen maximumbedrag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.17</nr><titel>Beperkingen in de verlening van woonvoorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in dit hoofdstuk
                                wordt geweigerd als:</al><lijst><li nr="a."><al>de noodzaak tot het treffen van deze voorziening het gevolg
                                        is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen bij
                                        het normale gebruik van de woning ten gevolge van ziekte of
                                        gebrek geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke
                                        reden aanwezig was;</al></li><li nr="b."><al>aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op
                                        dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij
                                        daarvoor tevoren schriftelijke toestemming is verleend door
                                        het college;</al></li><li nr="c."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke
                                        ruimten anders dan:</al><lijst><li nr="-"><al>verbreden van toegangsdeuren;</al></li></lijst><lijst><li nr="-"><al>automatische deuropeners;</al></li><li nr="-"><al>hellingbanen;</al></li><li nr="-"><al>drempelhulpen of vlonders;</al></li><li nr="-"><al>extra trapleuningen;</al></li><li nr="-"><al>opstelplaats voor rolstoel bij toegangsdeur
                                                woongebouw.</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat op
                                        basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te
                                        voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn en
                                        er geen sprake is van een onverwacht optredende
                                        noodzaak;</al></li><li nr="e."><al>de belemmering voortkomt uit de aard van de in de woning
                                        gebruikte materialen of uit de slechte staat van de woning
                                        als gevolg van toerekenbaar achterstallig onderhoud;</al></li><li nr="f."><al>de aangevraagde voorziening betrekking heeft op een hoger
                                        niveau dan het uitrustingsniveau voor sociale
                                        woningbouw;</al></li><li nr="g."><al>de kosten van de woonvoorziening, niet zijnde een losse
                                        woonunit, een bedrag van € 45.380 te boven gaat.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt nadere regels in het Besluit maatschappelijke
                                ondersteuning gemeente Brummen voor de maximale vergoeding voor een
                                woonvoorziening in natura, als persoonsgebonden budget of als
                                financiële tegemoetkoming.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.18</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar-bewoner, die op grond van deze verordening een
                                onroerende woonvoorziening heeft ontvangen moet bij verkoop van deze
                                woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding van de
                                voorziening, deze verkoop van de woning direct aan het college
                                melden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De eigenaar-bewoner, die op grond van deze verordening een
                                onroerende woonvoorziening heeft ontvangen, moet bij verkoop van de
                                woning binnen 10 jaar de meerwaarde als gevolg van de
                                woonvoorziening terug betalen aan de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Brummen nadere regels voor een drempelbedrag,
                                afschrijvingstermijn en terugbetaling.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college, ter compensatie van beperkingen bij het zich lokaal
                            verplaatsen te verstrekken voorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene vervoersvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een collectieve vervoersvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een vervoersvoorziening in natura;</al></li><li nr="d."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                    vervoersvoorziening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Het recht op een algemene vervoersvoorziening</titel></kop><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 5
                            en 6 van de wet kan voor de in artikel 5.1 onder a. vermelde voorziening
                            in aanmerking worden gebracht als aantoonbare beperkingen op grond van
                            ziekte of gebrek een vervoersvoorziening noodzakelijk maken en een
                            algemene vervoersvoorziening dit snel en adequaat op kan lossen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Het recht op een collectieve vervoersvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 5.1 onder b. vermelde
                                voorziening in aanmerking worden gebracht als:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene vervoersvoorziening als bedoeld in artikel 5.1
                                        onder a. niet aanwezig is of niet adequaat is, of</al></li><li nr="b."><al>door aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek
                                        het gebruik van het openbaar vervoer geen adequate oplossing
                                        is, of</al></li><li nr="c."><al>het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een begeleider van een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                                onder g, onderdeel 5 en 6 van de wet heeft recht op een vergoeding
                                (voor het collectieve vervoer), voor zover de begeleiding van deze
                                persoon tijdens het gebruik van het collectief vervoer op medische
                                gronden noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Het recht op individuele vervoersvoorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                                5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 5.1, onder c. en d.
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht wanneer</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het
                                        gebruik van een algemene of collectieve vervoersvoorziening
                                        als bedoeld in artikel 5.1, onder a. en b., onmogelijk maken
                                        dan wel</al></li><li nr="b."><al>een algemene of collectieve vervoersvoorziening als bedoeld
                                        in artikel 5.1, onder a. en b. niet adequaat of niet
                                        aanwezig is.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor zover de behoeften van echtgenoten niet samenvallen wordt niet
                                meer dan anderhalf maal een enkele vergoeding toegekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>Omvang in gebied en in kilometers</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de
                                vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie
                                uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe
                                woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alle dag,
                                tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om
                                een bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de aanvrager
                                bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de aanvrager
                                noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De te verstrekken vervoersvoorziening zal maatschappelijke
                                participatie door middel van lokale verplaatsingen met ten minste
                                een omvang per jaar van 1500 kilometers met een bandbreedte tot 2000
                                kilometers mogelijk maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.6</nr><titel>Besluit maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><al>Het college kan in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Brummen nadere regels stellen voor het zich lokaal verplaatsen per
                            vervoermiddel, met inachtneming van deze verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Verplaatsen in en rond de woning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Vormen van rolstoelvoorzieningen</titel></kop><al>De door het college ter compensatie van beperkingen bij het verplaatsen
                            in en om de woning, dan wel voor sportbeoefening te verstrekken
                            rolstoelvoorziening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een algemene rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een rolstoelvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget, te besteden aan een
                                    rolstoelvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een financiële tegemoetkoming, te besteden aan een
                                    sportrolstoel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Rolstoelvoorzieningen en sportvoorziening</titel></kop><lid><lidnr/><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 6.1, onder a.
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht als aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek incidenteel zittend
                                verplaatsen in en om de woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen
                                die verstrekt worden op grond van de Algemene wet bijzondere
                                ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen adequate
                                oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 6.1, onder b. en
                                c. vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht</al><lijst><li nr="a."><al>als een algemene rolstoelvoorziening als bedoeld in artikel
                                        6.1 onder a niet aanwezig is; </al></li><li nr="b."><al>als aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek in
                                        belangrijke mate dagelijks zittend verplaatsen in en om de
                                        woning noodzakelijk maken.</al></li></lijst><al>en hulpmiddelen die verstrekt worden op grond van de Algemene wet
                                bijzondere ziektekosten of een andere wettelijke regeling geen
                                adequate oplossing bieden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g.,
                                onderdeel 5 en 6 van de wet kan voor de in artikel 6.1, onder d.
                                vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht als aantoonbare
                                beperkingen op grond van ziekte of gebrek het sporten zonder
                                sportvoorziening onmogelijk maken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor bewoners AWBZ-erkende
                                instellingen</titel></kop><al>In uitzondering op het gestelde in artikel 6.2 komt een persoon die
                            verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                            zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in
                            aanmerking als hij geen recht heeft op een rolstoel, verstrekt op grond
                            van de Algemene wet bijzondere ziektekosten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>ARTIKELEN</label><nr>deel 2:</nr><titel>PROCEDURES</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                            besluiten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><al>Een aanvraag voor een voorziening moet worden ingediend door middel van
                            een door het college beschikbaar gesteld formulier.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten</titel></kop><al>De aanvraag moet worden ingediend bij het Wmo loket van de gemeente
                            Brummen waar zowel aanvragen voor voorzieningen voor de wet alsook
                            aanvragen zorg op grond van de Algemene wet bijzondere ziektekosten
                            kunnen worden ingediend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                de beoordeling van het recht op een voorziening, degene door wie een
                                aanvraag is ingediend:</al><lijst><li nr="a."><al>op te roepen in persoon te verschijnen op een door het
                                        college te bepalen plaats en tijdstip en hem te
                                        ondervragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door
                                        een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen
                                        ondervragen en/of onderzoeken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college stelt de noodzaak van een voorziening in het kader van
                                de wet vast. Het college vraagt daarbij het door haar
                                gecontracteerde indicatieorgaan om advies als:</al><lijst><li nr="a."><al>de om medische redenen gevraagde voorziening wordt
                                        afgewezen;</al></li><li nr="b."><al>het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college stelt bij de uitvoering van deze verordening de
                                identiteit van de belanghebbende vast aan de hand van een document
                                als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1 tot en met 3, van de
                                Wet op de identificatieplicht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een ieder is verplicht aan het college desgevraagd een document als
                                bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht terstond
                                ter inzage te verstrekken, voorzover dit redelijkerwijs nodig is
                                voor de uitvoering van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een aanvrager is verplicht aan het college of de door hen aangewezen
                                adviesinstantie al die gegevens te verschaffen of te doen
                                verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de
                                aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>De aanvrager kan zelf gevraagd worden te zorgen voor aanlevering van
                                noodzakelijk gegevens van de door de aanvrager geconsulteerde
                                specialist(en).</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Bij de advisering zoals genoemd in het eerste lid wordt door de
                                adviseur gebruik gemaakt van de systematiek zoals neergelegd in de
                                International Classification of Functions, Disabilities and
                                Impairments, de zogenaamde ICF classificatie.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Als het in lid 1 bedoelde onderzoek niet kan plaatsvinden vanwege
                                het niet verschijnen van de aanvrager door toerekenbare nalatigheid
                                van de aanvrager, kan de gemeente de door de adviseur of deskundige
                                in rekening gebrachte kosten verhalen op de aanvrager.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>De beschikking vermeldt op welke wijze de genomen beschikking
                                bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid en
                                de normale maatschappelijke participatie van mensen met een
                                beperking of een chronisch psychisch probleem en van mensen met een
                                psychosociaal probleem.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Samenhangende afstemming</titel></kop><al>Het college legt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Brummen regels vast over de wijze waarop de verkrijging van individuele
                            voorzieningen samenhangend wordt afgestemd op de situatie van de
                            aanvrager.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene aan wie op grond van deze verordening een voorziening is
                                verstrekt, is verplicht aan het college mededeling te doen van
                                feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn
                                dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                                voorziening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan heronderzoek verrichten naar het voortduren van het
                                recht op en/of de noodzaak van de verleende voorziening danwel de
                                besteding en inzet hiervan. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene aan wie een voorziening is verleend op grond van deze
                                verordening, is verplicht om medewerking te verlenen aan het
                                onderzoek zoals vermeld in artikel 7.5 lid 2.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van degene die een voorziening ontvangt op grond van
                                deze verordening, die niet meewerkt aan een heronderzoek als vermeld
                                in artikel 7.5 lid 2, de voorziening geheel of gedeeltelijk
                                terugvorderen, danwel het recht op de voorziening beëindigen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6</nr><titel>Intrekking van een besluit tot verlening van een
                                voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een besluit genomen op grond van
                                deze verordening geheel of gedeeltelijk intrekken als:</al><lijst><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens
                                        deze verordening;</al></li><li nr="b."><al>op grond van gegevens beslist is en gebleken is dat deze
                                        gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens
                                        bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een
                                persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken als blijkt dat de
                                tegemoetkoming of het budget binnen twaalf maanden na uitbetaling
                                niet is aangewend voor de bekostiging van het middel waarvoor deze
                                was verleend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.7</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Wanneer een voorziening is ingetrokken kan op basis daarvan een
                                reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden
                                budget worden teruggevorderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                                ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd als de
                                voorziening is verleend op basis van valselijke, onjuiste of
                                onvolledig verstrekte gegevens. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.8</nr><titel>Eindigen recht op voorziening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het recht op een voorziening eindigt in de navolgende gevallen:</al><lijst><li nr="a."><al>door overlijden van de persoon aan wie de voorziening is
                                        verleend;</al></li><li nr="b."><al>door een beslissing van het college, inhoudende de
                                        beëindiging van het recht op de voorziening.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij overlijden van de persoon aan wie de voorziening is verleend
                                eindigt het recht op een toegekende periodieke financiële vergoeding
                                uiterlijk met ingang van de eerste dag van de maand, volgend op de
                                maand waarin de persoon is overleden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan het recht op een verleende voorziening beëindigen,
                                wanneer de voorziening niet meer nodig of geschikt is, of wanneer
                                niet of niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de
                                voorziening is toegekend. Zij bepaalt daarbij de datum waarop het
                                recht op de voorziening eindigt.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>ARTIKELEN</label><nr>Deel 3:</nr><titel>SLOT</titel></kop></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Afwijkingen van bepalingen/hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere individuele gevallen ten gunste van de
                                aanvrager afwijken van de bepalingen in deze verordening, als
                                toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende
                                aard leidt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorafgaande aan de toepassing van het eerste lid kan het college
                                advies vragen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Als een bouwkundige aanpassing het bedrag van € 45.380 te boven
                                gaat, het orgaan als bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet
                                Bijzondere Ziektekosten de noodzaak van deze aanpassing heeft
                                vastgesteld en weigering van deze voorziening, gelet op het belang
                                dat de wet beoogt te beschermen, zou leiden tot onbillijkheden van
                                overwegende aard, kunnen burgemeester en wethouders ondanks het
                                gestelde in artikel 4.17 lid 1 onder h. besluiten tot verstrekking
                                van deze voorziening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen waarin de
                                verordening niet voorziet</titel></kop><al>In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze
                            verordening niet voorziet, beslist het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>Aanpassing vergoedingen</titel></kop><al>Het college stelt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Brummen nadere regels voor de hoogte van de vergoedingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.4</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt minimaal eenmaal per
                            vier jaar geëvalueerd. Als de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt
                            deze verordening aangepast. Het college zendt hiertoe telkens na
                            uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van deze verordening aan de
                            gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effectiviteit
                            van deze verordening in de praktijk.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.5</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Brummen 2013” (kenmerk
                                    V12.00004/HW).</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met terugwerkende kracht
                                    vanaf 1 januari 2013.</al></li><li nr="3."><al>Met ingang van datum inwerkingtreding vervalt de Verordening
                                    maatschappelijke ondersteuning gemeente Brummen 2010 (kenmerk:
                                    V10.00002/HW)</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Ondertekening</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering d.d. 20 december 2012 met
                        kenmerk RB12.0079</ondertekening><ondertekening>mr. A.P. Leenstra, griffier</ondertekening><ondertekening>N.E. Joosten bc, voorzitter</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><kop><label>BIJLAGE</label><nr>1</nr><titel>Aantal m2 waarvoor een financiële tegemoetkoming kan worden gegeven in
                        gevolge artikel 4.7 'het verwerven van grond'.</titel></kop><al>Ingevolge artikel 4.7 is het mogelijk om een tegemoetkoming te krijgen voor het
                    verwerven van extra grond ten behoeve van een aanbouw of uitbreiding van een
                    bepaald vertrek als dit op grond van ergonomische beperkingen noodzakelijk zou
                    zijn. Het aantal m2 wat voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking komt is
                    per vertrek (zie onderstaande tabel) gemaximaliseerd.</al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colwidth="32*"/><colspec colname="col2" colwidth="35*"/><colspec colname="col3" colwidth="33*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Soort vertrek</al></entry><entry colname="col2"><al>aantal m2</al><al>waarvoor ten hoogste financiële tegemoetkoming wordt
                                        verleend in geval van aanbouw van een vertrek</al></entry><entry colname="col3"><al>aantal m2</al><al>waarvoor ten hoogste financiële tegemoetkoming wordt
                                        verleend in geval van uitbreiding van een reeds aanwezig
                                        vertrek</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Woonkamer</al></entry><entry colname="col2"><al>30</al></entry><entry colname="col3"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Keuken</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Eenpersoons slaapkamer</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Tweepersoons slaapkamer</al></entry><entry colname="col2"><al>18</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Toiletruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Badkamer:</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>l. wastafelruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>2</al></entry><entry colname="col3"><al>1</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>m. doucheruimte</al></entry><entry colname="col2"><al>3</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Entree/gang/hal</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry><entry colname="col3"><al>2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Berging</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry><entry colname="col3"><al>4</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>n.b Het aantal m2 verhard pad tussen de openbare weg en de hoofdingang tot een
                    woonruimte, dan wel tussen een tweede ingang en een berging en/of tuinpoort dat
                    bij het nieuw aanleggen van paden, dan wel bij het aanpassen van bestaande paden
                    ten hoogste voor financiële tegemoetkoming in aanmerking komt bedraagt 20
                    m2</al></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><divisie><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al>Vanaf 1 januari 2007 is de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: de
                        wet) van kracht. In artikel 5 van de wet is bepaald dat gemeenten bij
                        verordening regels stellen.</al><al/><al>Relevant bij het stellen van regels is dat bij amendement het
                        compensatiebeginsel aan de wet is toegevoegd. Dit begrip vormt de kern van
                        de wet. Het begrip is afkomstig van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg
                        en “vertaald” bij amendement en in de wet opgenomen. Het is vooral de
                        toelichting op het amendement dat informatie geeft over de bedoeling van de
                        wetgever met het begrip compensatieplicht. De toelichting stelt:</al><al/><al>“Ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar om te voorzien in
                        met name genoemde producten en diensten strekt het nieuw geformuleerde
                        artikel ertoe de algemene verplichting aan gemeenten op te leggen om
                        beperkingen in de zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een
                        huishouden, het zich verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per
                        vervoermiddel te verplaatsen, weg te nemen. Onder zelfredzaamheid wordt in
                        dit verband verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en
                        financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het
                        normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken. Onder normale deelname aan
                        het maatschappelijke verkeer wordt in ieder geval verstaan het kunnen voeren
                        van een huishouden; het normale gebruik van een woning; het zich in en om de
                        woning kunnen verplaatsen; het zich zodanig kunnen verplaatsen dat
                        aansluiting kan worden gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke
                        vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van andere mensen en het aangaan en
                        onderhouden van sociale verbanden om op die manier te kunnen deelnemen aan
                        het lokale sociaal-maatschappelijk leven. Voor de gemeentelijke
                        uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                        Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader
                        dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                        gevallen vast te stellen.</al><al>De opdracht om compenserende voorzieningen te treffen wordt met dit artikel
                        bij wet gegeven. De normering ervan wordt in overeenstemming met de
                        bestuurlijke structuur van de wet op het lokale niveau bepaald met
                        inachtneming van alle bepalingen over de totstandkoming van het lokale
                        beleid en de betrokkenheid van burgers en cliënten daarbij.”</al><al/><al>Omdat een begripsomschrijving van het compensatiebeginsel in zowel de wet
                        als in het amendement ontbreekt, is in de verordening maatschappelijke
                        ondersteuning Brummen een begripsomschrijving opgenomen, in artikel 1.1.
                        onderdeel h. </al><al/><al>In de verordening is vorm gegeven aan het compensatiebeginsel zonder de
                        regels van de Wet Voorzieningen Gehandicapten (Wvg) en de regels rond de
                        functie huishoudelijke verzorging uit de Algemene Wet Bijzondere
                        Ziektekosten (AWBZ) geheel los te laten. Dit vooral omdat het
                        overgangsrecht, zoals geregeld in de wet, personen die al een voorziening
                        ontvangen, maximaal één jaar het behoud van de oude rechten op grond van de
                        WVG of de AWBZ biedt.</al><al>Het overgangsrecht gaat er ook van uit dat voor alle nieuwe aanvragen tot
                        drie maanden nadat de gemeentelijke verordening maatschappelijke
                        ondersteuning is vastgesteld, de regels uit de WVG en AWBZ gelden.</al><al/><al>Het compensatiebeginsel geldt op grond van artikel 4, lid 1 van de wet voor
                        de onderdelen: </al><al>een huishouden te voeren, </al><al>zich te verplaatsen in en om de woning, </al><al>zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en </al><al>medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. </al><al/><al>Uitgaande van het overgaan van de voormalige voorzieningen: de
                        woonvoorzieningen, de vervoersvoorzieningen en de rolstoelen uitgebreid met
                        de functie huishoudelijke verzorging uit de AWBZ naar de WMO worden de
                        onderdelen uit artikel 4 van de wet in deze verordening als volgt
                        uitgewerkt:</al><al>onder het voeren van een huishouden wordt verstaan: zowel het wonen, met
                        name de woonvoorzieningen, als de functie huishoudelijke verzorging;</al><al>zich verplaatsen in en om de woning: de rolstoel inclusief (uitsluitend) de
                        sportrolstoel;</al><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel: de vervoersvoorzieningen;</al><al>het ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende aangaan van sociale
                        verbanden wordt beschouwd als doelstelling voor de eerste drie
                        verstrekkingenterreinen.</al><al>Deze indeling is in deze verordening terug te vinden in de
                        hoofdstukindeling.</al><al/><al>In artikel 4 van de wet wordt de gemeente opgedragen ten behoeve van de
                        compensatie voorzieningen te treffen. De wet stelt dus niet dat het steeds
                        om individuele voorzieningen moet gaan. Om te voorzien in het snel en
                        regelarm treffen van veel voorkomende eenvoudige voorzieningen is in deze
                        verordening het begrip "algemene voorzieningen" opgenomen. In deze
                        verordening wordt het begrip algemene voorziening geïntroduceerd voor alle
                        onderdelen van het compensatiebeginsel. De mogelijkheid wordt geschapen voor
                        algemene woonvoorzieningen, algemene huishoudelijke verzorging, algemene
                        vervoersvoorzieningen en algemene rolstoelvoorzieningen.</al><al/><al>Bij algemene voorzieningen kan het gaan om scootermobielpools, rolstoelen
                        voor incidenteel gebruik (rolstoelpools), klussen- en boodschappendiensten.
                        Deze opsomming is uitdrukkelijk niet limitatief, aangezien het een nieuw
                        type voorziening betreft, waarvoor de komende jaren nieuwe invullingen
                        zullen ontstaan. Vooral op het terrein van huishoudelijke verzorging is het
                        een nieuw begrip. Op dit moment zullen de algemene voorzieningen maar op
                        beperkte schaal ingezet kunnen worden, omdat deze nog nader uitgewerkt
                        moeten worden voordat ze als adequaat instrument ingezet kunnen worden. In
                        de verordening is mede daarom opgenomen dat als de algemene voorziening niet
                        adequaat is of niet aanwezig is, recht bestaat op een collectieve
                        voorziening of een voorziening in natura. </al><al/><al>Algemene voorzieningen zullen in de regel met een minimum aan procedures
                        kunnen worden aangeboden: met geen of slechts een lichte toegangstoets en
                        zonder eigen bijdragen.</al><al>De voordelen van deze algemene voorzieningen zijn een snelle en simpele
                        oplossing van de problemen, zonder bureaucratie. In plaats van de soms
                        complexe advisering wordt in dit kader van het veel lichtere begrip
                        toegangsbeoordeling gebruik gemaakt. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling
                        van deze algemene voorzieningen om daarmee de mogelijkheid van de aanvrager
                        tot het kiezen voor een PGB in te perken. De algemene voorziening is alleen
                        bedoeld voor het bieden van compensatie bij kortdurende, niet complexe of
                        incidentele hulpvragen.</al><al/><al>In de wet komen voorzieningen uit de Welzijnswet en voorzieningen uit de WVG
                        en de AWBZ bij elkaar. Voorzieningen die tot 1 januari 2007 onder de
                        Welzijnswet vielen en na die datum onder de wet, worden als voorliggende
                        voorzieningen aangeboden en zijn daarom niet in deze verordening opgenomen. </al><al/><al>De verschillende verstrekkingenterreinen worden in de volgende hoofdstukken
                        behandeld. De laatste hoofdstukken zijn gereserveerd voor procedurele
                        aspecten.</al><al/><al>Voor zover de onderdelen voor zich spreken, zijn deze niet in de toelichting
                        opgenomen. Zo wordt voorkomen dat de opmerking “spreekt voor zich” op
                        meerdere punten in de tekst terug komt. </al></divisie><divisie><kop><titel>ARTIKELEN deel 1</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen verklaard.</al><al><onderstreept>Ad b. Algemeen gebruikelijk</onderstreept></al><al>Evenals onder de WVG het geval was, is het ook onder de WMO niet de
                        bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarover de
                        aanvrager, gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn handicap of
                        beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen
                        gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete situatie als algemeen
                        gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke
                        normen van het moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is
                        geconcretiseerde jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het begrip
                        heeft vaak voor verwarring gezorgd, omdat algemeen gebruikelijke
                        voorzieningen soms wel specifiek voor een handicap worden aangeschaft, maar
                        vanwege hun algemeen gebruikelijke karakter toch niet vergoed worden. Om
                        duidelijk te maken wat in de wet verstaan wordt onder dit begrip is de
                        begripsomschrijving vanuit jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het
                        gaat daarbij om voorzieningen die:</al><lijst><li nr="-"><al>in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>niet speciaal voor gehandicapten bedoeld zijn;</al></li><li nr="-"><al>niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met
                                hetzelfde doel.</al><al/></li></lijst><al><onderstreept>Ad c. Algemene voorziening</onderstreept></al><al>Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met
                        een minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken
                        aan een scala van al bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen:
                        scootermobielpools, algemene woonvoorzieningen als klussendiensten en
                        voorzieningendepots, rolstoelpools en vrijwilligersdiensten. De
                        verstrekkingprocedure is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een
                        beperkte toegangsbeoordeling, geen beschikking maar een informerende brief,
                        en geen eigen bijdragen. In de regel gaat het om eenvoudige en veel
                        voorkomende voorzieningen die bedoeld zijn voor incidenteel of kortdurend
                        gebruik. Kenmerk van algemene voorzieningen is dat zij in natura verstrekt
                        worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget.
                        Overigens wordt wel een beschikking afgegeven als aanvrager hier om vraagt.
                        Ook wordt een beschikking afgegeven als aanvrager geen algemene voorziening
                        wil. Belangrijk is immers dat de rechtsbescherming gewaarborgd blijft. </al><al/><al><onderstreept>Ad d. Beperking</onderstreept></al><al>De term “beperking” is ontleend aan de ICF, de International Classification
                        of Functioning, Disability, and Health, opgesteld door de Wereld
                        Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van de
                        Verenigde Naties). Het amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de
                        gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of
                        Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform
                        begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen
                        in individuele gevallen vast te stellen.” De beperking wordt op basis van
                        een (medische) indicatie, en met in acht nemen van de ICF classificatie
                        vastgesteld.</al><al/><al><onderstreept>Ad e. Budgethouder</onderstreept></al><al>De invoering van het persoonsgebonden budget maakt het opnemen van het
                        begrip “budgethouder” noodzakelijk. De budgethouder is de persoon die de
                        beschikking krijgt over het budget en over de besteding daarvan ook
                        verantwoording af moet leggen.</al><al/><al><onderstreept>Ad g. Compensatiebeginsel</onderstreept></al><al>Het compensatiebeginsel is via het amendement-Miltenburg c.s. (30 131, nr.
                        65) aan het wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement ontbreekt een
                        begripsomschrijving. Gevolg hiervan is dat er in de wet een
                        begripsomschrijving van het cruciale begrip compensatiebeginsel ontbreekt.
                        Daarom staat de begripsomschrijving van het compensatiebeginsel in de
                        verordening. Voor de begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het
                        briefadvies van de Raad voor de Volksgezondheid en de Zorg, de ‘uitvinder’
                        van het compensatiebeginsel. Voor wat betreft de gelijkwaardige
                        uitgangspositie is gebruik gemaakt van de toelichting op het amendement,
                        evenals voor wat betreft de termen zelfredzaamheid en maatschappelijke
                        participatie. </al><al/><al><onderstreept>Ad h. Eigen bijdrage of eigen aandeel</onderstreept></al><al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                        kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15 lid 1 en artikel 19
                        lid 1 van de wet. De eigen bijdrage of het eigen aandeel wordt bepaald aan
                        de hand van het inkomen van aanvrager. Aan de mogelijkheid om nadere regels
                        te stellen op grond van artikel 15 lid 3 is uitvoering gegeven. Bij Algemene
                        Maatregel van Bestuur zijn nadere regels gesteld over de maximaal in
                        rekening te brengen eigen bijdrage of eigen aandeel. </al><al/><al><onderstreept>Ad i. Financiële tegemoetkoming</onderstreept></al><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een
                        bepaalde voorziening te verwerven. Het is niet persé een kostendekkende
                        vergoeding, maar een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten. </al><al/><al><onderstreept>Ad j. Gemeenschappelijke ruimte</onderstreept></al><al>Bij deze term gaat het om verbijzondering van het verstrekken van
                        woonvoorzieningen voor ruimten die niet tot de afzonderlijke woonruimte van
                        de aanvrager behoren maar wel noodzakelijk zijn om de woonruimte te
                        bereiken. </al><al/><al><onderstreept>Ad k. Gebruikelijke Zorg</onderstreept></al><al>Gebruikelijke zorg is per definitie zorg waarop geen aanspraak bestaat op
                        grond van deze verordening. Het is de normale, dagelijkse zorg die partners
                        of ouders (of andere meerderjarigen) en inwonende kinderen geacht worden
                        elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een huishouden voeren en
                        op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het
                        functioneren van dat huishouden. Gebruikelijke zorg is alleen aan de orde
                        bij een leefeenheid die een gezamenlijk huishouden voert. </al><al/><al><onderstreept>Ad l. Huisgenoot</onderstreept></al><al>Het uitgangspunt van deze begripsomschrijving ligt in het Protocol
                        Gebruikelijke Zorg, zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum
                        Indicatiestelling Zorg werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de
                        AWBZ-indicatiestelling voor huishoudelijke zorg. </al><al/><al><onderstreept>Ad m. Hoofdverblijf</onderstreept></al><al>De term hoofdverblijf is overgenomen uit de WVG. Voorzieningen worden alleen
                        verstrekt aan personen die in de gemeente Brummen wonen. Een uitzondering
                        wordt gemaakt voor het aanpassen van een woning voor een persoon die nog
                        niet in de gemeente Brummen woont, maar na aanpassing van de woning daar wel
                        gaat wonen. </al><al/><al><onderstreept>Ad o. Individuele voorzieningen</onderstreept></al><al>De voorzieningen welke ingezet worden als een algemene voorziening niet
                        adequaat of niet aanwezig is. Voor het bepalen van het recht op een
                        individuele voorziening zal het op de persoonlijke situatie afgestemde
                        (medische) advies vaak van belang zijn. Individuele voorzieningen zijn
                        voorzieningen welke in bruikleen of in eigendom verleend kunnen worden. </al><al/><al><onderstreept>Ad p. Leefeenheid</onderstreept></al><al>De term leefeenheid is overgenomen uit de regels van indicatiestelling voor
                        AWBZ-voorzieningen van het CIZ. Het is behulpzaam om te bepalen in hoeverre
                        mensen in de omgeving van een aanvrager bij kunnen dragen aan de
                        zelfredzaamheid en participatie. </al><al/><al><onderstreept>Ad q. Maatschappelijke participatie</onderstreept></al><al>Met het begrip maatschappelijke participatie wordt een relatie gelegd met
                        het amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft
                        toegediend.</al><al/><al><onderstreept>Ad r. Mantelzorger</onderstreept></al><al>Het begrip mantelzorger is ontleend aan de begripsomschrijving van
                        mantelzorg in artikel 1 lid 1 onderdeel b van de wet. </al><al/><al><onderstreept>Ad s. Meerkosten</onderstreept></al><al>Het begrip meerkosten hangt nauw samen met het begrip Algemeen gebruikelijk.
                        Meerkosten zijn de kosten, die in een direct oorzakelijk verband staan met
                        het compenseren van de ondervonden beperking of het psychosociaal probleem,
                        zoals die zijn genoemd in artikel 1, lid 1, onder g. van de wet. Een met de
                        persoon als de aanvrager vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat
                        psychosociale probleem heeft deze meerkosten per definitie niet, omdat
                        daarvoor in diens situatie geen noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze
                        meerkosten, dus de kosten die voor een persoon als de aanvrager niet
                        algemeen gebruikelijk zijn, is de wet gericht.</al><al/><al><onderstreept>Ad t. Persoon met beperking</onderstreept></al><al>Met de term persoon met beperking wordt een relatie gelegd met de wettekst,
                        artikel 1 lid g onder 5 en 6.</al><al/><al><onderstreept>Ad u. Persoonsgebonden budget</onderstreept></al><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de aanvrager mag besteden aan
                        een compenserende voorziening naar zijn keuze, binnen de door het college
                        gestelde voorwaarden en met in acht neming van eventuele uit een (medisch)
                        advies volgend pakket van eisen. </al><al/><al><onderstreept>Ad v. Naturavoorziening</onderstreept></al><al>Voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei financiële tegemoetkoming
                        worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan verstrekking in huur, in
                        bruikleen, in eigendom of in de vorm van dienstverlening.</al><al/><al><onderstreept>Ad x. Woonruimte</onderstreept></al><al>De definitie van woonruimte was ook al in de WVG gangbaar en is van belang
                        om te bepalen of een ruimte in beginsel in aanmerking kan komen voor
                        aanpassing voor een persoon.</al><al/><al><onderstreept>Ad y. Zelfredzaamheid</onderstreept></al><al>Ook deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op eerder al genoemde
                        amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatiebeginsel aan de wet heeft
                        toegevoegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beperkingen bij het verstrekken van de voorzieningen</titel></kop><al><onderstreept>Lid 1</onderstreept>.</al><al>Ad a</al><al>Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het
                        kan, in tijd uitgedrukt, gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die
                        in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar,
                        in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van
                        aard is. Kenmerk is in beide genoemde situaties dat de ondervonden
                        beperking, naar de stand van de medische wetenschap op het moment van de
                        aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te
                        verwachten in de situatie van de aanvrager. In dit kader is de prognose van
                        groot belang. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd zonder de
                        benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag men van een
                        kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering
                        in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden
                        van een langdurige noodzaak. </al><al>De medisch adviseur speelt bij het antwoord op de vraag of er al dan niet
                        sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening een
                        belangrijke rol. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie
                        tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vast
                        staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor een voorziening
                        in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Betrokkene kan een
                        beroep doen op de hulpmiddelendepots van de thuiszorgorganisaties die
                        opgezet zijn in het kader van de AWBZ. Waar precies de grens ligt tussen
                        kortdurend en langdurig ligt zal van situatie tot situatie verschillen. </al><al/><al>Ad b</al><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt moeten
                        naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope
                        voorziening zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip
                        adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven toereikend. Hoewel
                        datgene wat de aanvrager als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de
                        beoordeling van het adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium
                        van het goedkoop zijn, de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de
                        uiteindelijke beoordeling van het al dan niet adequaat zijn van een
                        voorziening. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de
                        voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in
                        aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van
                        een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald
                        wordt. Ook is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een
                        vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat
                        betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, mag het duidelijk
                        zijn dat bij een verantwoord niveau moet worden aangesloten. </al><al/><al>Ad c </al><al>Het probleem van het individu moet op grond van de wet worden gecompenseerd.
                        Dat individuele probleem staat dan ook centraal bij de beoordeling van de
                        aanvraag voor een voorziening op grond van de wet.</al><al/><al><onderstreept>Lid 2</onderstreept></al><al>Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                        noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een
                        afzienbare periode huishoudelijke verzorging nodig is, bijvoorbeeld bij
                        ontslag uit het ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden. </al><al/><al><onderstreept>Lid 3</onderstreept></al><al>Ad a </al><al>Algemeen gebruikelijk wordt als term al jaren gehanteerd in de sociale
                        wetgeving (AAW/WAO, Wet Rea en de WVg) en heeft tot een omvangrijke
                        jurisprudentie geleid, die is vastgelegd in de definitie van dit begrip,
                        zoals opgenomen in artikel 1.1 onder b. van deze verordening. Wat in een
                        concreet geval algemeen gebruikelijk is, hangt in beginsel af van de aard
                        van de gevraagde voorziening. Daarnaast speelt de (financiële) situatie van
                        de aanvrager een rol, bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op
                        het moment van de aanvraag. Vooral de financiële situatie van de aanvrager
                        kan leiden tot een uitzondering op het beginsel dat geen algemeen
                        gebruikelijke voorzieningen worden verstrekt. Uit de bovengenoemde
                        jurisprudentie blijkt immers dat een dergelijke uitzondering zich voordoet
                        als het inkomen van de aanvrager, mede ten gevolge van aantoonbare kosten
                        ten gevolge van zijn beperking, onder het in diens situatie geldende
                        bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere uitzondering is het ten
                        gevolge van een plotseling optredende handicap moeten vervangen van zaken
                        die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap immers ook niet
                        gebeuren.</al><al/><al>Ad b </al><al>In de wet is, in tegenstelling tot de situatie onder de WVG geen specifieke
                        bepaling opgenomen waaruit blijkt dat de compensatieplicht zich beperkt tot
                        in de gemeente woonachtige personen, hoewel artikel 11 van de wet spreekt
                        over ingezetenen. Dit artikel is daarom opgenomen, mede omdat bij de
                        voorbereidingen rond de WMO is gesteld dat het niet de bedoeling is bestaand
                        beleid nadrukkelijk te verruimen of te versmallen en hiermee de bestaande
                        WVG-lijn wordt voortgezet. </al><al/><al>Ad c</al><al>Deze regel is gebaseerd op artikel 2 van de wet waarin wordt gesteld dat
                        geen aanspraak bestaat op maatschappelijke ondersteuning als recht bestaat
                        op ondersteuning op grond van een andere wettelijke bepaling. Niet alles is
                        echter wettelijk bepaald; soms kan de aanvrager recht doen gelden op een
                        niet wettelijke regeling die als voorliggende voorziening beschouwd kan
                        worden.</al><al/><al>Ad d</al><al>Een persoon wordt verondersteld eerst zover mogelijk zelf te zorgen zaken zo
                        te regelen en te organiseren dat die bijdragen aan zijn zelfredzaamheid en
                        maatschappelijke participatie, voordat hij een beroep doet op deze
                        verordening. </al><al/><al>Ad e</al><al>Van een persoon wordt verwacht dat hij zoveel mogelijk voorkomt dat hij een
                        beroep op deze verordening moet doen. </al><al/><al>Ad h</al><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na
                        het optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie tot de
                        conclusie kan leiden dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met
                        zich meebrengt. Het betreft dan algemeen gebruikelijke kosten.</al><al/><al>Ad i</al><al>Hier wordt gedoeld op de situatie dat aanvrager een voorziening aanvraagt
                        nadat al is gestart met het realiseren van de voorziening, de voorziening al
                        is gerealiseerd of al aangeschaft is. </al><al>Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens
                        het vastgestelde beleid te verstrekken of anderszins invloed heeft op de te
                        verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden
                        geweigerd. Zo mag bijvoorbeeld pas nadat het college een beslissing op een
                        aanvraag voor een woningaanpassing heeft genomen, begonnen worden met de
                        werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het college alle op de aanvraag
                        betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit
                        genomen over de te treffen voorziening. Hiermee wordt voorkomen dat een
                        voorziening uiteindelijk niet overeenstemt met het pakket van eisen of dat
                        deze niet als goedkoopst adequate voorziening wordt beschouwd. </al><al>Pas nadat advies is verkregen en de gemeente een afweging heeft gemaakt
                        welke oplossing het meest adequaat is, kan de aanvrager tot het realiseren
                        of aanschaffen van de voorziening overgaan. </al><al/><al>In bepaalde gevallen kan het echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet
                        beslissen. Dit kan vooral bij woonvoorziening het geval zijn waarbij
                        bijvoorbeeld verhuiskosten als goedkoopst adequate voorziening wordt
                        aangemerkt en een geschikte woning anders aan een andere woningzoekende
                        wordt toegewezen. In deze of andere dringende gevallen is het geven van
                        toestemming door het college ook voldoende. Maar in alle gevallen dient
                        aanvrager voorafgaand aan het starten met, of het realiseren of aanschaffen
                        van de voorzieningen schriftelijk toestemming van de gemeente te hebben
                        verkregen. </al><al/><al>Ad j</al><al>In dit artikel wordt aangegeven dat een voorziening geweigerd kan worden als
                        het gaat om een vergoeding of verstrekking die al eerder heeft plaatsgehad,
                        terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan,
                        bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet
                        indien de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is
                        voor het verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze
                        derde door de aanvrager hiervoor aansprakelijk te laten stellen om zodoende
                        de kosten te kunnen verhalen. </al><al/><al>Ad k</al><al>De WMO wijkt ten aanzien van voorzieningen welke een therapeutische
                        grondslag hebben niet af van de WVG. Voorzieningen welke op therapeutische
                        basis worden aangevraagd vallen daardoor ook buiten de werkingssfeer van de
                        WMO. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Keuzevrijheid</titel></kop><al>De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                        individuele voorziening de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden
                        budget en een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen overwegende
                        bezwaren bestaan om niet over te gaan tot verstrekking van een
                        persoonsgebonden budget. Het college kan regels stellen om af te wegen in
                        welke gevallen er sprake is van bezwaren van overwegende aard, die reden
                        zijn om geen persoonsgebonden budget te verstrekken. Naast deze
                        keuzevrijheid bestaat er nog een tweede vorm van keuzevrijheid: namelijk de
                        vrijheid om bij voorzieningen in natura te kiezen uit meerdere aanbieders.
                        Dit zal vooral bij huishoudelijke verzorging een rol spelen. In deze
                        keuzevrijheid wordt voorzien door het afsluiten van overeenkomsten met
                        meerdere aanbieders. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Voorziening in natura</titel></kop><al>Lid 1 en 2</al><al>Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en plichten van
                        het college en de aanvrager bij het verstrekken van een voorziening in
                        natura. De bepaling in lid 1 ziet toe op de situatie waarin het college een
                        derde inschakelt voor verstrekking van naturavoorzieningen en deze derde
                        eigenaar blijft van de verstrekte voorziening of wanneer het college een
                        derde inschakelt voor het verlenen van zorg. </al><al>De bepaling in lid 2 ziet toe op de situatie waarin het college eigenaar
                        blijft van de verstrekte naturavoorziening of het college de zorg in natura
                        zelf geregeld heeft.</al><al/><al>Voor zover een naturavoorziening in eigendom wordt verstrekt is een
                        overeenkomst niet nodig. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Financiële tegemoetkoming</titel></kop><al>Om te waarborgen dat de verstrekte financiële tegemoetkoming wordt besteed
                        aan een noodzakelijke voorziening, en niet aan zaken die los staan van de
                        doelen die met de wet worden beoogd, worden bij beschikking voorwaarden
                        verbonden aan de verstrekking van een tegemoetkoming op grond van de wet.
                        Deze bepaling, die moet worden bezien in relatie tot de bepalingen uit
                        hoofdstuk 7 van deze verordening, biedt daartoe de mogelijkheid. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Persoonsgebonden budget</titel></kop><al>Lid 1 verwijst naar de in artikel 6 van de wet gestelde keuzemogelijkheid
                        voor een voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget. </al><al>De in onderdeel a. genoemde bepaling sluit eveneens op de bepaling in
                        artikel 6 van de wet. Hierin is namelijk vastgelegd dat alleen bij
                        toekenning van individuele voorzieningen in beginsel de keuze voor een
                        persoonsgebonden budget moet worden geboden. Algemene voorzieningen vallen
                        hier buiten.</al><al>Onderdeel b. bepaalt dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is
                        gekoppeld aan de tegenwaarde van de te verstrekken goedkoopst adequate
                        voorziening. Er moet namelijk een referentiebedrag zijn, waarop het
                        persoonsgebonden budget kan worden gebaseerd. Goedkoopst adequaat is, mede
                        op basis van jurisprudentie, een objectief vaststelbaar referentiepunt.
                        Verder kan een aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de
                        instandhoudingkosten van de voorziening. </al><al>Onderdeel c. bepaalt dat het college de wijze waarop, inclusief de hoogte en
                        de voorwaarden waaronder, een persoonsgebonden budget wordt verstrekt,
                        vaststelt. Het kan namelijk gaan om een veelheid van verschillende
                        persoonsgebonden budgetten voor verschillende voorzieningen waarvoor
                        richtlijnen gelden. Invulling van deze richtlijnen vindt plaats in het
                        Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Brummen en de beleidsregels. </al><al/><al>Lid 2 bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                        persoonsgebonden budget in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het
                        gaat om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om
                        de periode waarover het persoonsgebonden budget wordt toegekend. Het spreekt
                        voor zich dat dergelijke beschikkingen zorgvuldig worden geformuleerd.</al><al/><al>In lid 3 is bepaald dat, uiteraard voor zover dit onderdeel is van het
                        (medisch) advies, het program van eisen waarin wordt aangegeven aan welke
                        eisen de met het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening moet
                        voldoen aan de toekenningsbeschikking wordt toegevoegd. Als niet aan het
                        program van eisen wordt voldaan kan dat gevolgen hebben voor de afrekening
                        van het toegekende budget.</al><al/><al>In lid 5 wordt bepaald dat het college, als een persoonsgebonden budget
                        gebruikt is om een voorziening aan te schaffen en deze voorziening niet meer
                        gebruikt wordt, de voorziening kan terughalen. Het gaat hierbij om een
                        voorziening die niet meer nodig is of omdat het gebruik niet meer mogelijk
                        is. Door de voorziening terug te halen, kan de voorziening worden
                        herverstrekt, waardoor zorgvuldig wordt omgegaan met gemeenschapsgeld en dit
                        optimaal wordt gebruikt. De gebruiker is verplicht het niet meer gebruiken
                        van de voorzieningen aan het college door te geven. Deze plicht vloeit voort
                        uit artikel 7.5 van deze verordening. Ook door de budgethouder bij aanschaf
                        ingezette eigen middelen kunnen op afschrijvingsbasis worden overgenomen of
                        terugbetaald. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><al>Lid 1 en 2 </al><al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van
                        voorzieningen in natura of persoonsgebonden budgetten eigen bijdragen te
                        vragen. Artikel 19 van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële
                        tegemoetkomingen af te stemmen op het inkomen van degene aan wie
                        maatschappelijke ondersteuning wordt verleend: het zogeheten eigen aandeel.
                        In dit artikel wordt bepaald dat het college van deze mogelijkheid gebruik
                        kan maken.</al><al/><al>Artikel 15 en artikel 19 van de wet geven verder aan dat alleen van personen
                        van 18 jaar en ouder aan wie een individuele voorziening is verleend, een
                        eigen bijdrage dan wel eigen aandeel, afgestemd op het inkomen van deze
                        persoon en eventuele partner, kan worden gevraagd. Dit betekent dat de
                        bijdrageplicht voor onderhoudsplichtige ouders, zoals dat was geregeld in de
                        Wet Voorzieningen Gehandicapten, daarmee is komen te vervallen.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>Huishoudelijke verzorging</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Vormen van huishoudelijke verzorging</titel></kop><al>In artikel 4 lid 1 van de wet wordt het college opgedragen om voorzieningen
                        aan te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. In deze
                        verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk
                        3 van deze verordening gaat het om de voorziening “huishoudelijke
                        verzorging”, in hoofdstuk 4 om “woonvoorzieningen”. Overigens gebruikt de
                        Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) het begrip “hulp bij het huishouden”,
                        maar dat is gedaan om een onderscheidt te maken tussen huishoudelijke
                        verzorging onder de AWBZ en onder de WMO. Inhoudelijk is er geen verschil.
                        Omdat de wet de term huishoudelijke verzorging gebruikt, sluit deze
                        verordening hier bij aan.</al><al/><al>Bij het interpreteren van het begrip “voeren van een huishouden” is er van
                        uitgegaan dat een persoon pas behoefte kan hebben aan huishoudelijke
                        verzorging als dat huishouden in een voor hem geschikte woning plaatsvindt.
                        Daarom zijn de onder de WVG bestaande woonvoorzieningen onder dit begrip
                        gebracht. </al><al/><al>Hulp bij huishoudelijke verzorging kan in drie vormen als voorziening worden
                        aangeboden. </al><al>Onder a. wordt genoemd de algemene voorziening; een snelle en eenvoudige
                        oplossing voor kortdurende persoonlijke dienstverlening bij een niet
                        complexe zorgvraag en zonder veel administratieve rompslomp voor aanvrager
                        en gemeente. </al><al>Onder b. wordt de huishoudelijke verzorging in natura genoemd. Ook hier gaat
                        het om een vorm van persoonlijke dienstverlening, net als bij de onder a.
                        genoemde vorm. Het verschil zit echter in de toekenningprocedure, die meer
                        op de persoon is afgestemd, en meer geschikt voor de meer complexe en
                        langduriger behoefte aan hulp.</al><al>Onder c. is genoemd het persoonsgebonden budget voor hulp bij huishoudelijke
                        verzorging. Met dit persoonsgebonden budget moet de aanvrager de hulp zelf
                        inhuren.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Primaat van de algemene hulp bij huishoudelijke verzorging</titel></kop><al>In aanmerking komen in eerste instantie personen met een aantoonbare
                        beperking ten gevolge van ziekte of gebrek waarbij sprake is van
                        zorgbehoefte voor korte duur. Verder komen in aanmerking mantelzorgers in
                        het kader van de zogenaamde ‘respijtzorg’, dus om mantelzorgers te
                        ontlasten. Het is daarbij niet de bedoeling van de wetgever dat het
                        huishouden van de mantelzorger wordt overgenomen, maar overname van het
                        huishouden van degene die de mantelzorg ontvangt is wel degelijk
                        mogelijk.</al><al>Algemeen aangeboden is in de vorm van een primaat in deze verordening
                        neergelegd. Dat houdt in dat in eerste instantie wordt bezien of deze vorm
                        van hulp bij huishoudelijke verzorging het probleem op adequate wijze kan
                        oplossen.</al><al/><al>Als de in het lid 1 genoemde algemene voorziening onvoldoende adequaat of
                        niet aanwezig is, komt de individuele voorziening voor hulp bij
                        huishoudelijke verzorging aan de orde. </al><al/><al>Lid 2 moet dus in samenhang met lid 1 worden gelezen. De individuele
                        voorziening kan bestaan uit een voorziening in natura of uit een
                        persoongebonden budget. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Gebruikelijke zorg</titel></kop><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op huishoudelijke verzorging wordt
                        allereerst bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de
                        leefeenheid zelf de problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is al jaren
                        geleden onder de AWBZ-indicatiestelling van huishoudelijke verzorging in
                        gang gezet. Voor zover de ondervonden problemen door middel van
                        gebruikelijke zorg kunnen worden opgelost, bestaat er geen aanspraak op
                        huishoudelijke verzorging.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Omvang van de huishoudelijke verzorging</titel></kop><al>Omdat huishoudelijke verzorging uiteindelijk altijd in de vorm van
                        dienstverlening zal worden verstrekt, moet de omvang in tijd worden
                        vastgesteld. In het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Brummen
                        wordt door het college de omvang vastgelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Basistarieven huishoudelijke verzorging in natura</titel></kop><al>Op grond van het initiatiefwetsvoorstel Leijten over basistarieven in de
                        Huishoudelijke Verzorging (HV) moeten gemeenten basistarieven voor de
                        verschillende vormen van HV vaststellen op basis van reële kostprijzen.
                        Vanaf augustus 2012 moeten gemeenten die van plan zijn een aanbesteding af
                        te kondigen, of potentiële inschrijvers uit te nodigen voor een offerte,
                        rekening houden met deze wet. De basistarieven moet door de gemeenteraad
                        worden vastgesteld. Bij het aangaan van overeenkomsten met derden voor de
                        levering van huishoudelijke verzorging in natura moet het College de door de
                        gemeenteraad vastgestelde basistarieven in acht nemen.</al><al>De in dit artikel opgenomen basistarieven zijn daarbij te beschouwen als
                        minimumtarieven en gebaseerd op reële kostprijs. Daarbij is als uitgangspunt
                        genomen de CAO VVT (Verpleging, Verzorging en Thuiszorg).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Omvang van het persoonsgebonden budget</titel></kop><al>Het persoonsgebonden budget voor huishoudelijke verzorging was in de AWBZ
                        maximaal 75% van de natura waarde. In het Besluit maatschappelijke
                        ondersteuning gemeente Brummen wordt door het college jaarlijks het passende
                        bedrag voor een persoonsgebonden budget vastgelegd waarbij het bestaande
                        beleid uitgangspunt kan zijn. </al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Woonvoorzieningen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Vormen van woonvoorzieningen</titel></kop><al>De woonvoorziening kan worden verstrekt in vier hoofdvormen:</al><lijst><li nr="1."><al>De algemene woonvoorziening. Hierbij moet worden gedacht aan een
                                mogelijkheid om snel oplossingen te bieden voor meestal minder
                                complexe woonproblemen. Te denken valt aan inzet van
                                klussendiensten, snel beschikbare voorzieningen uit depot en
                                mogelijk andere, nog te ontwikkelen voorzieningen;</al></li><li nr="2."><al>Een woonvoorziening in natura. Deze vorm is vergelijkbaar met de
                                voorziening zoals deze ook onder de WVG werden verleend. Het kan
                                bijvoorbeeld gaan om een roerende of een onroerende woonvoorziening;
                            </al></li><li nr="3."><al>Het persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld een
                                verhuiskostenvergoeding;</al></li><li nr="4."><al>De financiële tegemoetkoming. De voorziening welke aan de eigenaar
                                van de woning wordt uitbetaald op grond van artikel 7 lid 2 van de
                                wet.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op individuele
                            voorzieningen</titel></kop><al>Lid 1 en 2 </al><al>In eerste instantie zal worden bezien of een woonprobleem kan worden
                        opgelost met een algemene voorziening. Deze voorziening heeft voorrang bij
                        het zoeken naar een oplossing voor een voor de wet relevant woonprobleem,
                        dus een probleem bij het normale gebruik van de woning. Als een algemene
                        voorziening niet volstaat als oplossing of niet aanwezig is in de gemeente,
                        moet het probleem door middel van een individuele voorziening worden
                        opgelost; dat kan een woonvoorziening in natura zijn of een persoonsgebonden
                        budget.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Soorten individuele voorzieningen</titel></kop><al>a.verhuis- en inrichtingskosten</al><al>Het college kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de
                        verhuis- en inrichtingskosten, als verhuisd wordt naar een aangepaste of een
                        goedkoper dan de reeds bewoonde woonruimte aan te passen woning. De gemeente
                        maakt de afweging of zij een tegemoetkoming in de verhuiskosten wil geven of
                        dat de woning van gehandicapte aangepast moet worden. Als aangepaste of
                        aanpasbare woningen beschikbaar zijn wordt uit doelmatigheidsoverwegingen de
                        voorkeur gegeven aan verhuizen boven aanpassen van de huidige woonruimte van
                        de gehandicapte. Bij de uiteindelijke keuze van de te verstrekken
                        voorziening wordt een afweging gemaakt tussen de kosten van het verhuizen
                        versus het aanpassen van de huidige woonruimte. Tevens moet bij de afweging
                        verhuizen of aanpassen rekening gehouden worden met de persoonlijke
                        omstandigheden waarin de gehandicapte zich bevindt alsmede externe
                        omstandigheden als bijvoorbeeld de aanwezigheid van mantelzorg.</al><al/><al>Uitgangspunt van het gemeentelijk beleid is dat zo goed mogelijk gebruik
                        wordt gemaakt van de voorraad aangepaste woningen in de gemeente. Er kunnen
                        verschillende redenen zijn op grond waarvan de gemeente besluit om het
                        vrijkomen van een woning te stimuleren door het verstrekken van een
                        verhuiskostenvergoeding. Hierbij kan gedacht worden aan de hoogte van eerder
                        gemaakte investeringskosten van de vrij te maken woning, bijv. als de woning
                        voor een door burgemeester en wethouders te bepalen bedrag in het verleden
                        is aangepast. Een andere reden voor het verstrekken van een
                        verhuiskostenvergoeding kan zijn dat daarmee voorkomen wordt dat een woning
                        voor meer dan een soortgelijk bedrag moet worden aangepast. Afhankelijk van
                        de situatie kan het college in uitzonderlijke gevallen de hoogte van de
                        tegemoetkoming laten afhangen van de concrete situatie. Het instrument wordt
                        als stimulans aangewend om de medewerking van huurders te krijgen bij het
                        vrijmaken van de woning voor een gehandicapte. </al><al>Het mag duidelijk zijn dat wanneer een woning wordt vrijgemaakt, er twee
                        maal een vergoeding voor verhuizing en inrichting kan worden verstrekt:
                        allereerst aan degene die de woning vrijmaakt en vervolgens aan de
                        gehandicapte die naar de vrijgemaakte woning verhuist. De totaalkosten
                        hiervan zullen een onderdeel uitmaken van de afweging of er een
                        tegemoetkoming in de verhuiskosten verstrekt zal worden dan wel een woning
                        aangepast moet worden.</al><al/><al>c.uitraasruimte</al><al>De uitraaskamer is overgenomen uit de Verordening voorzieningen
                        gehandicapten gemeente Brummen en aan deze verordening toegevoegd. Dit ook
                        vanuit de gedachte dat de WMO beoogt het inhoudelijke beleidsterrein ten
                        opzichte van de voormalige WVG niet nadrukkelijk te verruimen of te
                        beperken. Een uitraasruimte is een ruimte die wordt gedefinieerd als een
                        verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge van een beperking in de
                        vorm van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich
                        kan afzonderen of tot rust kan komen. </al><al>Aan een uitraasruimte wordt de voorwaarde verbonden dat:</al><lijst><li nr="a."><al>het moet gaan om een zelfstandige woonsituatie;</al></li><li nr="b."><al>er een AWBZ indicatie moet zijn m.b.t. ernstig ontremd gedrag;</al></li><li nr="c."><al>de uitraasruimte dienstig moet zijn aan de belangen van de
                                psychische gehandicapte en niet aan de belangen van anderen (hinder
                                voor anderen).</al></li></lijst><al/><al>d. woonvoorzieningen van niet-bouwkundige of woontechnische aard</al><al>Onder een woonvoorziening waarbij geen sprake is van een ingreep van bouw-
                        of woontechnische aard, de zogenaamde roerende woonvoorziening, zal in de
                        praktijk met name een financiële vergoeding voor woningsanering i.v.m. CARA
                        of het verstrekken van rolstoelvast tapijt verstaan worden. Ook kan onder
                        deze categorie worden begrepen de hulpmiddelen voor baden, douchen en wassen
                        welke niet nagelvast aan de woning zijn bevestigd, alsmede mobiele
                        patiëntenliften. Deze laatst genoemde roerende woonvoorzieningen kunnen ook
                        in de vorm van een voorziening in natura worden verstrekt, bijvoorbeeld in
                        bruikleen of huur, zodat hergebruik mogelijk is.</al><al>Het betreft de woonvoorzieningen die voorheen onder de AAW werden verstrekt
                        en waar het criterium 'ergonomisch' geen directe rol speelt.</al><al/><al>e.onderhoud, keuring en reparatie</al><al>Het gaat hierbij vooral om voorzieningen die (elektrisch) beweegbaar zijn en
                        waar om die reden slijtage kan optreden waardoor de veiligheid van het
                        gebruik van de voorziening niet langer kan worden gegarandeerd. </al><al>De kosten voor onderhoud, keuringen en reparatie worden
                            vergoed<cursief>.</cursief></al><al/><al>f/g. tijdelijke huisvesting/huurderving</al><al>In die gevallen waarin en persoon tijdens het aanbrengen van de
                        voorzieningen niet in de woonruimte kan blijven wonen en om deze reden
                        tijdelijk naar een andere woonruimte moet uitwijken, kan voor de periode dat
                        dit noodzakelijk is een tegemoetkoming in de dubbele woonlasten worden
                        verstrekt. Vergoeding van de kosten in huurderving hebben vooral een functie
                        naar verhuurders van woningen om hun medewerking te verkrijgen. Aanpassingen
                        zijn in de regel kostbaar. Het is van belang dat de gemeente zo lang
                        mogelijk van deze investering kan profiteren. Wanneer een woning vrijkomt
                        maar er geen geschikte persoon aanwezig is om het te huren, kan het college
                        overwegen om de periode van leegstand de verhuurder te compenseren. Hierdoor
                        kan de woning beschikbaar blijven voor de doelgroep waarvoor de woning is
                        aangepast.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Het primaat van verhuizing</titel></kop><al>Al onder de WVG gold de regel dat bij een aanvraag voor een woningaanpassing
                        eerst werd bezien of verhuizing naar een andere woning een oplossing kon
                        bieden. Dit is het zogenaamde primaat van de verhuizing. In feite gaat het
                        om een uitwerking van de regel dat in beginsel wordt gekozen voor de
                        goedkoopst adequate voorziening. Primair zal dan ook gekeken worden of
                        verhuizing mogelijk en zinvol is. Dat wil zeggen dat een geschikte woning
                        beschikbaar is of op korte termijn beschikbaar komt. Onder geschikte woning
                        moet hier begrepen worden een woning die met betrekkelijk lage investeringen
                        volledig aangepast of toe- en doorgankelijk kan worden gemaakt. Is geen
                        geschikte woning beschikbaar dan kan het college besluiten één van de andere
                        voorzieningen te verstrekken. Overigens kunnen hierbij ook andere
                        omstandigheden een rol spelen, zoals bijv. persoonlijke, o.a. sociale
                        omstandigheden en externe omstandigheden als bijvoorbeeld opgebouwde
                        mantelzorg etc. Ook diverse andere relevante aspecten, nader uitgewerkt in
                        de gemeentelijke beleidsregels spelen, afhankelijk van de situatie, een rol
                        bij de afweging betreffende het toepassen van het primaat van de verhuizing
                        in een concreet geval.</al><al>Als, nadat alle factoren in de overweging zijn meegenomen, tot de conclusie
                        wordt gekomen dat verhuizing de goedkoopst, adequate oplossing is, dan heeft
                        bij het verstrekken van de woonvoorziening de vergoeding voor verhuis- en
                        (her)inrichtingskosten het primaat.</al><al>Het mag duidelijk zijn dat het hanteren van dit "primaat van de verhuizing"
                        efficiënter benut kan worden als voldoende aangepaste woningen zijn
                        opgenomen in een goed registratiesysteem en er ook een beroep gedaan kan
                        worden op een aanzienlijke voorraad aanpasbare woningen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Het primaat van de losse woonunit</titel></kop><al>Onder de Wet voorzieningen gehandicapten kon de gemeente woningaanpassingen
                        duurder dan € 20.420 onder bepaalde voorwaarden declareren bij het
                        Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder de Wet
                        maatschappelijke ondersteuning is deze mogelijkheid vervallen en zijn de
                        kosten voor rekening van de gemeente. Als het gaat om grote aanpassingen aan
                        huurwoningen die opnieuw kunnen worden verhuurd voor de huisvesting van
                        mensen met beperkingen, kan de investering over een langere periode
                        afgeschreven worden. In gevallen waarin dat niet speelt, wordt in principe
                        uitgegaan van het primaat van losse woonunits. In concrete situaties waarin
                        de mogelijkheid bestaat, wordt aan gebruik van een dergelijke unit voorrang
                        gegeven door middel van deze bepaling. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Vergoeding verhuis- en inrichtingskosten</titel></kop><al>Het college kan een financiële vergoeding in de verhuis- en
                        inrichtingskosten verstrekken aan een gehandicapte die naar een geschikte
                        (aangepaste) of een goedkoper dan de huidige woonruimte aan te passen
                        woonruimte verhuist. Het college kan ook aan een niet-gehandicapte persoon
                        een financiële tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten verstrekken
                        als op deze wijze een aangepaste of geschikte woonruimte vrij komt voor een
                        gehandicapte. De financiële vergoeding van een deel van de verhuis- en
                        inrichtingskosten dient ter stimulering van het vrijmaken van de woning. Een
                        kanttekening die gemaakt moet worden bij het bieden van een
                        verhuiskostenvergoeding om een woning vrij te maken, is dat dit middel een
                        stimulans is en geen garantie biedt dat de woning daadwerkelijk vrij komt. </al><al/><al>Het feit dat pas nadat de gemeente positief heeft beschikt een gehandicapte
                        in aanmerking komt voor een financiële tegemoetkoming heeft te maken met de
                        zorgvuldigheid die betracht moet worden. Pas nadat advies is verkregen en de
                        gemeente een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest adequaat is
                        kan de gehandicapte tot verhuizen overgaan. Via de hardheidsclausule kan het
                        college alsnog besluiten een financiële vergoeding te verlenen als, naar de
                        mening van de gemeente, in urgente gevallen naar een geschikte woning is
                        verhuisd voordat de beschikking door de gemeente is verleend, rekening
                        houdend met de eisen van zorgvuldigheid. De zorgvuldigheid houdt in dat het
                        advies wel ingewonnen moet zijn. Wordt dit nagelaten dan kan het voorkomen
                        dat gehandicapte reeds is verhuisd naar een andere woning die echter niet
                        voldoende de beperkingen opheft. De gehandicapte moet in voorkomende
                        gevallen vooraf toestemming aan de gemeente vragen.</al><al/><al>Verhuizingen naar AWBZ- en andere zorginstellingen leiden ertoe dat deze
                        aanvragers buiten de werkingssfeer van de wet vallen; zij hebben geen
                        aanspraak op woonvoorzieningen, ook al omdat ze die onder de WVG ook niet
                        hadden. Een verhuizing volgend uit het voor het eerst zelfstandig gaan wonen
                        valt evenmin onder de wet. Deze kosten zijn in principe algemeen
                        gebruikelijk en te voorzien nu iedereen deze kosten kan verwachten. Ook
                        verhuizing naar een woning welke niet geschikt en bedoeld is voor permanente
                        bewoning valt buiten de wettelijke bepalingen. Hierbij gaat het immers om
                        niet legale of tijdelijke huisvesting. In dergelijke situaties is er,
                        evenals onder de WVG geen aanspraak op woonvoorzieningen wat al
                        herhaaldelijk door de Centrale Raad van Beroep is bevestigd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Het verwerven van grond</titel></kop><al>Als de woningaanpassing een uitbreiding van een bestaande woning of het
                        groter bouwen van een nieuwe woning tot gevolg heeft kan de gemeente een
                        financiële tegemoetkoming verlenen in de kosten van het verwerven van extra
                        grond die noodzakelijk is om de woningaanpassing te realiseren. Uiteraard
                        wordt geen financiële tegemoetkoming verstrekt als de extra te verwerven
                        grond als tuin o.i.d. wordt benut. Alleen de grond die noodzakelijk is voor
                        de woningaanpassing zelf kan in aanmerking komen voor een financiële
                        tegemoetkoming, waarbij een maximum aantal m2 wordt gehanteerd voor de
                        verschillende vertrekken (zie bijlage 1).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Gereedmelding, vaststelling en uitbetaling tegemoetkoming in de
                            kosten</titel></kop><al>In dit artikel wordt aangegeven dat vergoedingen voor onroerende
                        woningaanpassingen, voor onderhoud, keuring en reparatie, voor huurderving
                        en voor het verwijderen van voorzieningen worden verstrekt aan de eigenaar
                        van de woonruimte. Financiële vergoedingen voor verhuizing en inrichting
                        worden verstrekt aan de aanvrager evenals de vergoedingen voor roerende
                        woningaanpassingen en voor tijdelijke huisvesting.</al><al/><al>De gereedmelding vindt plaats door degene aan wie de tegemoetkoming wordt
                        uitbetaald en niet door de aanvrager. Hiervoor is gekozen omdat degene die
                        de tegemoetkoming ontvangt niet altijd de aanvrager is. Als dat het geval
                        is, heeft de aanvrager of zijn gemachtigde geen belang bij de gereedmelding
                        en zou de begunstigde de dupe kunnen worden. De gereedmelding moet binnen 12
                        maanden na de toekenning van de tegemoetkoming plaats vinden, dit om te
                        voorkomen dat het treffen van de voorziening te lang op zich laat
                        wachten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Uitraasruimte</titel></kop><al>Zie het hier voorgaande onder artikel 4.3 onder c.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie</titel></kop><al>Van de voorzieningen, genoemd in het door het college vast te stellen
                        Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Brummen, komen de kosten van
                        onderhoud, keuring en reparatie in aanmerking voor een vergoeding. De
                        maximale hoogte van deze vergoeding staat tevens vermeld in het Besluit
                        maatschappelijke ondersteuning gemeente Brummen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Kosten in verband met tijdelijke huisvesting</titel></kop><al>In die gevallen waarin de gehandicapte tijdens het aanbrengen van de
                        voorzieningen niet in de woonruimte kan blijven wonen en om deze reden
                        tijdelijk naar een andere woonruimte moet uitwijken, kan voor de periode dat
                        dit noodzakelijk is een vergoeding in de dubbele woonlasten worden
                        verstrekt. </al><al>Alleen in die gevallen dat het redelijkerwijs buiten de mogelijkheden van de
                        gehandicapte ligt om te voorkomen dat er dubbele woonlasten opgebracht
                        moeten worden, kan tot vergoeding van extra woonlasten in verband met
                        tijdelijke huisvesting worden overgegaan.</al><al>Het college verleent slechts een financiële tegemoetkoming in de kosten van
                        de tijdelijke huisvesting als de gehandicapte redelijkerwijs niet kan
                        voorkomen dat hij deze dubbele woonlasten heeft. De tegemoetkoming heeft
                        betrekking op de kosten die gemaakt worden in verband met het tijdelijk
                        betrekken van een zelfstandige woonruimte, het tijdelijk betrekken van een
                        niet-zelfstandige woonruimte of het langer moeten aanhouden van de te
                        verlaten woonruimte. De tegemoetkoming betreft alleen de kale huurkosten van
                        de tijdelijke huisvesting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Kosten in verband met huurderving</titel></kop><al>Het vinden van een geschikte huurder voor een aangepaste woning zal in veel
                        gevallen langer duren dan de termijnen die voor niet-gehandicapten gelden.
                        Om deze reden dient een grens te worden getrokken bij een
                        investeringsbedrag. Woningen die voor een lager bedrag zijn aangepast zullen
                        in veel gevallen niet zo specifiek zijn aangepast dat het vinden van een
                        geschikte kandidaat door de woningaanpassingen belemmerd wordt. Door de
                        eigenaar van de woning een financiële tegemoetkoming ofgemaximeerde
                        vergoeding in de gederfde huurinkomsten te verlenen kan bevorderd worden dat
                        de aangepaste woonruimte beschikbaar blijft voor gehandicapten. De duur van
                        de tegemoetkoming kan afhankelijk gesteld worden van de situatie ter
                        plaatse. Een algemene termijn die redelijk geacht kan worden is zes maanden.
                        In bepaalde gevallen kan echter ook geconcludeerd worden dat een kortere
                        periode ook redelijk is. Dit is afhankelijk van de woningmarktsituatie.</al><al>In de exploitatie van een woning wordt rekening gehouden met een bepaald
                        percentage huurderving. Om deze reden is het te verantwoorden dat de
                        verhuurder het normale risico van leegstand loopt. De eerste maand dat de
                        woning leeg staat mag dit als normaal beschouwd worden. Het is daarentegen
                        niet onredelijk dat de gemeente enigszins tegemoet komt in de extra risico's
                        die een verhuurder loopt als gevolg van het feit dat er sprake van een
                        aangepaste woning is.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Kosten in verband met het verwijderen van voorzieningen</titel></kop><al>Uitgangspunt voor het gemeentelijk beleid zal zijn zo weinig mogelijk
                        voorzieningen uit de woning te verwijderen en aangepaste woningen zo veel
                        mogelijk aan andere kandidaten toe te wijzen. In uitzonderlijke gevallen kan
                        de gemeente er toe overgaan om tegemoet te komen aan de risico’s die een
                        verhuurder loopt als de band tussen de woning en de gehandicapte verbroken
                        wordt en er niet binnen een bepaalde termijn (bijvoorbeeld zes maanden) een
                        geschikte kandidaat kan worden gevonden voor de woning. Tevens moet dan niet
                        bekend zijn dat binnen afzienbare tijd (bijvoorbeeld binnen drie maanden)
                        een kandidaat zich voor de woning zal aanmelden. Een derde voorwaarde is dat
                        door de aanwezigheid van specifieke voorzieningen de woning niet verhuurd
                        kan worden. Als aan alle drie de voorwaarden is voldaan, kan een bijdrage in
                        de kosten van het verwijderen van de voorziening worden gegeven. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.14</nr><titel>Uitsluitingen</titel></kop><al>Een woonvoorziening wordt alleen verstrekt voor het treffen van
                        voorzieningen aan woonruimten die in het kader van de Wet op de huurtoeslag
                        als zelfstandige woonruimte aangemerkt worden. De in dit artikel genoemde
                        woonruimten vallen hier niet onder. Verder worden, behoudens de uitzondering
                        op grond van artikel 4.17, lid 1 onderdeel c van deze verordening, geen
                        woonvoorzieningen verstrekt voor gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen
                        voor ouderen of gehandicapten of voorzieningen die in dergelijke gebouwen of
                        wooneenheden, bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten
                        (hadden) kunnen worden meegenomen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.15</nr><titel>Voorwaarden bij de verlening van woonvoorzieningen</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>In tegenstelling tot in de WVG wordt in de wet niet expliciet vermeld dat de
                        gemeentelijke compensatieplicht alleen geldt voor de inwoners van de
                        gemeente. Zie ook onder artikel 1.1. lid 2 onderdeel b.</al><al/><al>In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie uitsluitsel.
                        Voor bepaalde gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een
                        briefadres elders kunnen aanhouden. De gemeente waar de aanvrager van de
                        voorziening daadwerkelijk verblijft, heeft de verplichting tot compensatie
                        van beperkingen. In het geval van bewoners van een AWBZ gefinancierde
                        instelling heeft deze verplichting geen betrekking op de woonvoorzieningen.
                        De zinsnede 'of zal hebben' is opgenomen voor situaties waarin de aanvrager
                        naar een andere gemeente wil verhuizen en in die gemeente een woning wil
                        laten bouwen of aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken.
                        Hiermee wordt geregeld dat een voorziening kan worden verleend aan een
                        persoon die (nog) niet in de gemeente woont. </al><al/><al>Lid 3. Als in een woning een traplift, een verstelbare keuken of een andere
                        dure voorziening in eigendom wordt aangebracht heeft dit gevolgen voor de te
                        verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering
                        van de aanvrager gedekt te worden. Als bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de
                        woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze
                        verordening worden gedaan.</al><al/><al>Lid 4. Als er geen duidelijkheid bestaat over de wijze van financiering van
                        het niet door subsidie gedekte deel van de voorziening staat het niet vast
                        dat de voorziening daadwerkelijk getroffen kan worden. Het mag duidelijk
                        zijn dat er in dat geval geen subsidie wordt verleend.</al><al>Bij gehandicapten die een huurwoning bewonen, moet er overeenstemming
                        bestaan tussen huurder en verhuurder over de financiering van het niet door
                        subsidie gedekte deel van de investering. Deze overeenstemming kan bestaan
                        uit een doorberekening in de huur of afspraken over rente en aflossing van
                        een door de verhuurder aan de huurder verstrekte lening of een andere wijze
                        van financieren door de gehandicapte zelf.</al><al>Bij gehandicapten die een eigen woning laten aanpassen moet duidelijk zijn
                        dat voorzien is in de financiering van het niet door subsidie gedekte
                        deel.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.16</nr><titel>Uitzondering op de voorwaarden bij verlening van
                            woonvoorzieningen</titel></kop><al>Onder de WVG waren bewoners van een AWBZ gefinancierde instelling
                        uitgesloten van het recht op woonvoorzieningen. Een bovenwettelijke
                        uitzondering hierop werd door gemeenten gemaakt voor het zogenaamd
                        ‘bezoekbaar maken’ van een woonruimte voor bezoek aan vooral ouders. Deze
                        uitzondering was gebaseerd op de verordening voorzieningen gehandicapten
                        gemeente Brummen. Ten aanzien van het bezoekbaar maken is aansluiting
                        gezocht bij het WVG-beleid zodat het bezoekbaar maken ook in deze
                        verordening is opgenomen. Voorwaarde is dat het een bezoekbaar te maken
                        woning in de gemeente Brummen betreft. Bezoekbaar maken wordt in de
                        verordening gelimiteerd tot het bereikbaar maken van de woonruimte zelf en
                        enkele essentiële ruimten daarin, en kan bovendien in financiële zin op
                        grond van het derde lid van dit artikel worden gemaximeerd. Verdere
                        verplichtingen dan genoemd in deze verordening heeft de gemeente niet nu het
                        formeel een bovenwettelijke regeling betreft. Volgens vaste jurisprudentie
                        van de CRvB kan een gemeente ten aanzien van bezoekbaar maken nooit
                        gedwongen worden meer dan het limitatief opgesomde te verstrekken of de
                        hardheidsclausule te gebruiken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.17</nr><titel>Beperkingen in de verlening van woonvoorzieningen</titel></kop><al><cursief>Sub a.</cursief></al><al>Als een gehandicapte in een voor de handicap adequate woning woont, bestaat
                        uiteraard altijd het recht op verhuizing. Bij die verhuizing mag van de
                        gehandicapte verwacht worden dat deze rekening houdt met de aanwezige
                        omstandigheden, ook de omstandigheden die te maken hebben met de handicap.
                        Dat betekent dat gezocht zal moeten worden naar een woning die weer adequaat
                        is. Dit kan in een tweetal situaties anders liggen. Als op basis van ziekte
                        of gebrek de handicap zal verergeren en op korte termijn belemmeringen bij
                        het normale gebruik van de woning zullen optreden, zal een uitzondering op
                        deze situatie gemaakt moeten worden. In die situatie moet het wel vaststaan
                        of zeer waarschijnlijk zijn dat de belemmeringen op korte termijn zullen
                        toenemen. In die situatie hoeft niet gewacht te worden tot de belemmeringen
                        daadwerkelijk zijn toegenomen.</al><al/><al>Een tweede situatie betreft een situatie waarin er belangrijke redenen zijn
                        om te verhuizen. Te denken valt bijvoorbeeld aan het aanvaarden van een
                        andere werkkring door de gehandicapte of zijn partner op een afstand die
                        niet bereisbaar geacht moet worden. Of de noodzaak tot mantelzorg die niet
                        realiseerbaar is in de woning waar de gehandicapte op dat moment woont,
                        terwijl een afweging is gemaakt ten aanzien van professionele ondersteuning
                        of zorg. Ook vanuit die situatie kan verhuizing vanuit een adequate woning
                        leiden tot medewerking van nieuwe aanpassingen in een nieuw te betrekken
                        woning, mits daarbij gezocht is naar de meest adequate woning die op dat
                        moment beschikbaar is en in de situatie van de gehandicapte passend geacht
                        moet worden.</al><al/><al><cursief>Sub b.</cursief></al><al>Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                        beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is
                        niet de bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens
                        de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met verhuizen wordt
                        hier overigens niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op
                        alle onomkeerbare handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een
                        verhuizing, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Voor
                        de toepassing geldt dat de gemeente zicht moet hebben op de aangepaste of
                        gemakkelijk aan te passen woningvoorraad. Daarnaast zal de gemeente haar
                        burgers goed moeten informeren over de gang van zaken bij dit soort
                        verhuizingen. Alleen dan kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is
                        verhuisd naar de voor zijn situatie meest geschikte woning.</al><al/><al>Als niet verhuisd wordt naar de meest geschikte woning kan daar aanleiding
                        toe bestaan. Dit artikel regelt dan ook tevens dat in die situatie aan de
                        aanpassing toch meegewerkt kan worden mits tevoren schriftelijk toestemming
                        daartoe is verleend door burgemeester en wethouders. De toestemming tevoren
                        is belangrijk, zodat beoordeeld kan worden of inderdaad gesproken kan worden
                        van de meeste geschikte woning. Ook kan beoordeeld worden of de kosten
                        binnen de Wmo passen en of mogelijk andere oplossingen de voorkeur
                        verdienen.</al><al/><al><cursief>Sub c.</cursief></al><al>Voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten kunnen, als daar een aanvraag
                        voor is gedaan, aangebracht worden. Het moet daarbij gaan om woongebouwen,
                        die niet bedoeld zijn voor ouderen en/of mensen met een handicap. Voor deze
                        gebouwen geldt namelijk het gestelde in artikel 4.14.</al><al/><al>Het kan de voorkeur verdienen bepaalde voorzieningen niet in de
                        gemeenschappelijke ruimte aan te brengen. Hierbij valt bijvoorbeeld te
                        denken aan (trap)liften in gemeenschappelijke ruimten in de buitenlucht. Het
                        gaat daarbij om voorzieningen waar iedereen bij kan, zodat zij zeer gevoelig
                        zijn voor vandalisme en daartegen beschermd moeten worden. Bovendien vergt
                        het gegeven dat zij zich in de buitenlucht bevinden ook extra
                        beschermingsmaatregelen. Om deze reden kan sprake zijn van (zeer) dure
                        voorzieningen. Uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep kan
                        afgeleid worden dat als in dit artikel de in de gemeenschappelijke ruimte
                        aan te brengen voorzieningen limitatief opgenomen zijn en daar een redelijke
                        onderbouwing voor gegeven kan worden, verstrekking van de niet opgenomen
                        voorzieningen achterwege kan blijven.</al><al/><al>De in dit artikel opgenomen limitatieve opsomming is ontleend uit de WVG
                        verordening.</al><al/><al><cursief>Sub d.</cursief></al><al>Onder d. wordt onder andere gedoeld op verhuiskostenvergoedingen; veel
                        verhuizingen zijn als algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de
                        beperking die men heeft. Te denken valt aan verhuizingen van het ouderlijk
                        huis naar een zelfstandige woonruimte, verhuizing van een eengezinswoning
                        naar een kleinere woning of seniorenwoning, omdat de eengezinswoning te
                        bewerkelijk is geworden en kinderen zelfstandig zijn gaan wonen.</al><al/><al><cursief>Sub e.</cursief></al><al>Onder e worden beperkingen gesteld ten aanzien van een belemmering in het
                        gebruik van de woning die voortkomen uit de aard van de in de woning
                        gebruikte materialen of die het gevolg zijn van toerekenbare achterstand in
                        onderhoud. </al><al/><al><cursief>Sub f.</cursief></al><al>Het uitrustingsniveau voor sociale woningbouw is vastgesteld in het
                        Bouwbesluit 2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden
                        verstrekt, zijn in beginsel toereikend en van voldoende kwaliteit. Andere of
                        duurdere voorzieningen hoeven niet te worden verstrekt. Een duidelijke
                        begrenzing daarom. Garages bijvoorbeeld vallen daarom niet onder dit niveau.
                        Alleen in die gevallen dat bijvoorbeeld vanuit welstandstoezicht hogere
                        eisen worden gesteld, kan het college hierop een uitzondering maken. Over de
                        hiermee gepaard gaande kosten moeten in een concrete situatie afspraken
                        gemaakt worden.</al><al/><al><cursief>Sub g.</cursief></al><al>Deze bepaling is overgenomen uit de WVG. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.18</nr><titel>Terugbetaling bij verkoop</titel></kop><al>De Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Brummen bevatte een
                        zogenaamde anti-speculatiebepaling. Deze bepaling komt in deze
                        verordening.terug. Op grond van lid 1 is de eigenaar-bewoner van een woning
                        die een onroerende woonvoorziening heeft ontvangen verplicht de verkoop van
                        de woning te melden. Op grond van lid 2 kan het college (een deel) van
                        investering door de eigenaar-bewoner te laten terugbetalen. Op deze manier
                        wordt kapitaalverlies tegengegaan. In het Besluit maatschappelijke
                        ondersteuning gemeente Brummen stelt het college nadere regels voor deze
                        terugbetaling.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Vormen van vervoersvoorzieningen</titel></kop><al>Ad a </al><al>Ook ten aanzien van vervoersvoorzieningen kan een algemene voorziening
                        worden aangeboden als de voorziening voor korte duur of incidenteel gebruik
                        bedoeld is. Als de voorziening niet adequaat of niet beschikbaar is wordt
                        een andere vorm van vervoersvoorziening ingezet. Hierbij wordt rekening
                        gehouden met het primaat van de collectieve vervoersvoorziening.</al><al/><al>Ad b</al><al>De collectieve vervoersvoorziening is al bekend als vorm van het collectief
                        vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf 1994 onder de Wet
                        voorzieningen gehandicapten heeft ontwikkeld. </al><al>Deze vorm van vervoer is weer als primaat in de verordening opgenomen. Dit
                        primaat berust mede op de uitkomst van het Algemeen Overleg van de Tweede
                        Kamer op 29 maart 2006 over een aan de WMO gerelateerde zaak, het
                        bovenregionaal vervoer Valys. Daarin is uitgesproken dat de regel voor
                        keuzevrijheid niet bedoeld is om goed draaiende vervoerssystemen,
                        bijvoorbeeld een collectief vervoerssysteem, in gevaar te brengen. Voor
                        diegenen die afhankelijk zijn van een collectief vervoersysteem zou dan
                        immers de vervoersvoorziening wegvallen.</al><al/><al>Ad c</al><al>Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan ten aanzien van
                        verschillende vormen van vervoermiddelen net zoals onder de WVG. In het
                        Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Brummen en in de
                        beleidsregels wordt nader uitgewerkt onder welke voorwaarden men voor een
                        bepaald soort voorziening in aanmerking komt.</al><al/><al>Ad d</al><al>Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de WVG is het persoonsgebonden
                        budget. De vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget wordt
                        door het college in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Brummen uitgewerkt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.2</nr><titel>Het recht op een algemene vervoersvoorziening</titel></kop><al>Criterium om in aanmerking te kunnen komen voor een algemene
                        vervoersvoorziening is dat ten gevolge van een aantoonbare beperking er een
                        noodzaak aanwezig is voor een vervoersvoorziening en deze noodzaak zich
                        kortdurend of incidenteel voordoet. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.3</nr><titel>Het recht op een collectieve vervoersvoorziening</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Criterium om voor een vervoersvoorziening in de vorm van een collectieve
                        vervoersvoorziening in aanmerking te komen is het geen gebruik kunnen maken
                        of het niet kunnen bereiken van het openbaar vervoer. </al><al>Die regel stamt uit de aan de WVG voorafgaande AAW en wordt in de praktijk
                        beoordeeld door te kijken naar de loopafstand van een aanvrager (de bekende
                        800-metergrens). Doordat de streekbus, bijvoorbeeld voor iemand met een
                        functionele beperking niet toegankelijk is, heeft men recht op een
                        vervoersvoorziening. Psychische problemen (men durft niet in een drukke bus,
                        men is bang voor de trein) zijn daardoor in principe geen indicatie voor een
                        vervoersvoorziening. Hier moet wellicht een adequate voorziening getroffen
                        worden buiten de wet, bijvoorbeeld therapie waardoor de belemmering
                        opgeheven kan worden. Als zo een oplossing geboden wordt voor het
                        ondervonden probleem voldoet ze niet aan de voorwaarde van langdurig
                        noodzakelijk. Anders wordt het als blijkt dat het probleem niet
                        therapeutisch opgelost kan worden. Dan is wel een langdurige noodzaak
                        aanwezig en zou wel een vervoersvoorziening verstrekt kunnen worden.
                        Mogelijk bestaat dan ook een noodzaak voor een individuele
                        vervoersvoorziening. </al><al/><al>Lid 2.</al><al>Dit onderdeel geeft aan dat de begeleider, die absoluut medische
                        noodzakelijk is, mede gebruik moet kunnen maken van de vervoersvoorziening.
                    </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.4</nr><titel>Het recht op individuele vervoersvoorziening</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Als het collectief vervoer geen adequate oplossing biedt wordt het recht op
                        een individuele voorziening beoordeeld. Ook voor de korte afstand kan een
                        individuele voorziening worden ingezet, bijvoorbeeld in de vorm van een
                        scootermobiel. </al><al>Individuele voorzieningen kunnen ook in aanvulling op het gebruik van een
                        collectief systeem verstrekt kunnen worden. Dit is het geval wanneer het
                        collectieve systeem de vervoersbehoefte van de aanvrager die een aanspraak
                        heeft niet volledig dekt. Dit is volgens WVG-jurisprudentie van bijzonder
                        belang bij mensen die slechts zeer beperkt mobiel zijn (mensen met een
                        loopafstand van maximaal circa 100 meter). Alleen collectief vervoer is voor
                        deze categorie mensen geen adequate voorziening. De individuele
                        vervoersvoorziening kan ook het in artikel 5.1 onderdeel d bedoelde
                        persoonsgebonden budget betreffen. </al><al/><al>Lid 2.</al><al>Wanneer echtgenoten beide een vervoersvoorziening nodig hebben, kan, in het
                        geval dat de behoeften van de echtgenoten samenvallen, volstaan worden met
                        een enkele voorziening. Dit om te voorkomen dat men een
                        vervoerskostenvergoeding krijgt die niet in relatie staat tot de
                        tegemoetkoming die anderen ontvangen. Vallen de behoeften niet samen, of
                        slechts ten dele, dan kan twee maal een vervoerskostenvergoeding worden
                        verstrekt tot een totaal maximum van 1.5 x het normbedrag.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.5</nr><titel>Omvang in gebied en in kilometers</titel></kop><al>Onder de WVG is de zorgplicht voor vervoer beperkt tot verplaatsingen in het
                        kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving; de wet
                        spreekt nu in artikel 4 lid 1, onder c. over “het zich lokaal verplaatsen
                        per vervoermiddel”. Dit lijkt beperkter te zijn dan de zorgplicht onder de
                        Wet voorzieningen gehandicapten, maar aangezien met de wet niet is beoogd de
                        reikwijdte van de WVG te beperken of uit te breiden, is er geen reden om aan
                        te nemen dat alleen de letterlijk lokale verplaatsingen onder de wet zullen
                        vallen. Vandaar dat in artikel 5.6, conform de onder de WVG gevormde
                        jurisprudentie, wordt uitgegaan van de eigen woon- of leefomgeving, met als
                        uitzondering de bovenregionale zorgplicht, zoals die ook in de
                        jurisprudentie is omschreven.</al><al>Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie onder de WVG in dat een
                        vervoersvoorziening of een combinatie van voorzieningen de mogelijkheid moet
                        bieden om op jaarbasis minimaal 1500-2000 kilometers af te leggen. Deze
                        regel werd onder de WVG toegepast en is overgenomen in deze
                        verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.6</nr><titel>Besluit maatschappelijke ondersteuning</titel></kop><al>Het college kan in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Brummen en in de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Brummen nadere regels stellen voor het zich lokaal verplaatsen per
                        vervoermiddel.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>Verplaatsen in en rond de woning</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Vormen van rolstoelvoorzieningen</titel></kop><al>Onder de WVG waren rolstoelen in de wet zelf als aparte categorie
                        voorzieningen opgenomen. In de WMO is dat niet het geval. Aangezien met deze
                        wet niet wordt beoogd bestaand beleid ten opzichte van de WVG nadrukkelijk
                        te verruimen of te beperken wordt de rolstoelvoorziening gehandhaafd als de
                        enige voorziening waarmee beperkingen bij het verplaatsen in en rond de
                        woning in het kader van de wet gecompenseerd kunnen worden. </al><al/><al>Een definitie van een rolstoel is niet te geven, daarom wordt hier onder het
                        begrip “rolstoel” een rolstoel begrepen zoals iedereen die kent. De rolstoel
                        kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn en kan zowel worden
                        gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen als voor buiten. Primair
                        doel van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat lopend verplaatsen,
                        ook met op grond van andere regelingen te verstrekken voorzieningen als
                        looprekken, rollator, wandelstokken en krukken niet of onvoldoende mogelijk
                        is. Kosten van onderhoud en reparatie van de rolstoel vallen eveneens onder
                        de wet.</al><al/><al>Onder handbewogen rolstoelen kan ook verstaan worden een duwwandelwagen of
                        een zelfbeweger. Ook individuele aanpassingen aan rolstoelen vallen onder de
                        rolstoelverstrekking. Vaak zullen aanpassingen tegelijkertijd met de
                        verstrekking van de rolstoel worden gerealiseerd.</al><al>Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire doel
                        verplaatsen in en om de woning, worden niet op grond van de wet verstrekt.
                        Accessoires die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen zijn: medisch
                        noodzakelijk; niet-algemeen gebruikelijk; noodzakelijk voor een duurzaam
                        en/of veilig gebruik. Voorbeelden hiervan zijn een been- en voetenzak en
                        rolstoelbeschermers, die met name bestemd zijn voor kinderen.</al><al/><al>De sportvoorziening valt in het kader van deze verordening onder het begrip
                        rolstoel. Onder de WVG was de sportrolstoel, meestal verstrekt in de vorm
                        van een financiële tegemoetkoming, een bovenwettelijke voorziening die
                        alleen op basis van de verordening werd verstrekt.</al><al/><al>Artikel 6.1 onderdeel a bepaalt dat een rolstoel in de vorm van een algemene
                        voorziening verstrekt kan worden als het gaat om een rolstoel voor
                        incidenteel gebruik. Deze rolstoelen voor incidenteel gebruik hoefden onder
                        de WVG formeel niet te worden verstrekt, hoewel dat in de praktijk wel vaak
                        gebeurde. Deze mogelijkheid geeft een regeling waarbij wel incidenteel
                        noodzakelijke rolstoelen worden verstrekt, maar dan via een algemene
                        rolstoelvoorziening. Het betreft dan situaties waarbij soms een rolstoel
                        nodig is, terwijl het dagelijks verplaatsen in en om de woning zonder
                        rolstoel plaatsvindt. </al><al>Onderdeel b. en c. betreffen de individuele rolstoel voor dagelijks zittend
                        gebruik, terwijl onder d. de sportrolstoel wordt genoemd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Rolstoelvoorzieningen en sportvoorziening</titel></kop><al>In dit artikel is geregeld dat een aanvrager voor een rolstoel uit een
                        rolstoelpool in aanmerking kan komen als het gaat om incidenteel gebruik van
                        de rolstoel. Een rolstoel wordt in natura of in de vorm van een
                        persoonsgebonden budget verstrekt als de rolstoel voor het in belangrijke
                        mate dagelijks zittend verplaatsen in en om de woning langdurig medisch
                        noodzakelijk is. Een algemene voorziening is dan immers geen adequate
                        voorziening. </al><al>Als en zolang een algemene rolstoelvoorziening niet beschikbaar is kan ook
                        voor incidenteel gebruik een rolstoel in natura worden verstrekt. Het
                        principe blijft dat geen rolstoel wordt verstrekt als hulpmiddelen als
                        krukken, een rollator, of andere hulpmiddelen een voldoende oplossing bieden
                        voor het verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk is, een
                        rolstoel verstrekt worden in aanvulling op dergelijke voorzieningen, mits
                        het gebruik dagelijks noodzakelijk is. </al><al>Een sportvoorziening, in principe altijd te verstrekken als een financiële
                        tegemoetkoming, zal verstrekt worden als zonder de sportvoorziening
                        sportbeoefening niet mogelijk is of zal zijn.</al><al>In navolging van de Wet Voorzieningen Gehandicapten (WVG (voorloper van de
                        Wmo)) was de sportrolstoel als bovenwettelijke voorziening opgenomen en
                        overgenomen in de Wmo. Uit jurisprudentie blijkt echter dat de aan het
                        college opgedragen compensatieplicht (specifiek artikel 4 Wmo eerste lid
                        onder d) niet op een aan de WVG gelijke wijze kan worden voortgezet. Het
                        college moet ter compensatie van beperkingen die een persoon ondervindt in
                        zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, voorzieningen treffen
                        waarmee de persoon medemensen kan ontmoeten en sociale verbanden aan kan
                        gaan. Een deel van de participatie vindt plaats op het gebied van sport. Het
                        moeten treffen van voorzieningen in samenhang met een keuzevrijheid die de
                        aanvrager heeft, leidt er toe dat niet volstaan kan worden met het aanbieden
                        van een sportrolstoel als enige sportvoorziening. </al><al/><al>Voor sportvoorzieningen kunnen ook personen in aanmerking komen die in het
                        dagelijks leven van loophulpen gebruik kunnen maken, maar zonder
                        sportvoorziening niet in staat zijn tot sportbeoefening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor bewoners AWBZ-erkende
                            instellingen</titel></kop><al>Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan bewoners van een
                        AWBZ-gefinancierde instelling bestaat alleen, als de bewoner zowel de
                        AWBZ-functie “verblijf”, als de functie “behandeling” geniet in één en
                        dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als een bewoner niet aan deze voorwaarde
                        voldoet, is er ook geen recht op een AWBZ-rolstoel, en zal er door de
                        gemeente een rolstoel moeten worden verstrekt op grond van de wet.</al><al/><al>Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning
                        voor de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de
                        AWBZ-functie “behandeling” als het ware inkoopt bij een voor die functie wél
                        erkende instelling. Het “verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een
                        veelvoorkomende situatie, waarin in de instelling wél beide AWBZ-functies
                        kunnen worden “genoten”, maar de instelling zelf alleen erkenning heeft voor
                        de functie verblijf en niet voor beide AWBZ-functies. Het gevolg is dat er
                        geen recht op een AWBZ-rolstoel bestaat in een dergelijke situatie, juist
                        omdat beide functies op die verpleegafdeling niet door één en dezelfde
                        erkende AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee verschillende
                        AWBZ-instellingen, waarbij de ene instelling gebruik maakt van de erkenning
                        van de andere instelling. </al></divisie><divisie><kop><label>ARTIKELEN</label><nr>deel 2</nr><titel>PROCEDURES</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren
                            van besluiten</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Aanvraagprocedure</titel></kop><al>In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag
                        tot het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij
                        wettelijk voorschrift anders is bepaald. Hiervan is onder de wet geen
                        sprake. Een voorziening wordt aangevraagd op een daarvoor door het college
                        beschikbaar gesteld aanvraagformulier. </al><al>De aanvraag in het kader van de wet die niet op het beschikbaar gestelde
                        formulier is ingediend, kan niet zonder meer terzijde worden gelegd. De Awb
                        bepaalt dat de aanvraag in ieder geval naam en adres van de aanvrager en een
                        aanduiding van de beschikking die gevraagd wordt, moet bevatten en verder
                        ondertekend moet zijn. Jurisprudentie leert dat een ondertekend formulier,
                        dat overigens niet of onvolledig is ingevuld, geaccepteerd moet worden als
                        de overige benodigde bescheiden daarbij zijn gevoegd. Alvorens overgegaan
                        kan worden tot een besluit de aanvraag niet te behandelen moet de
                        desbetreffende persoon eerst de gelegenheid gegeven worden de ontbrekende
                        gegevens aan te vullen. Besluit men, nadat deze gelegenheid is geboden,
                        alsnog een aanvraag niet te behandelen dan moet dit conform de Awb
                        schriftelijk binnen een bepaalde termijn worden meegedeeld aan deze persoon
                        . Tegen een beschikking om een aanvraag niet in behandeling te nemen staan
                        overigens rechtsmiddelen open. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Relatie met de Algemene Wet Bijzondere
                            Ziektekosten</titel></kop><al>Bij amendement is in artikel 5, lid 2, onder a. van de wet opgenomen dat de
                        gemeenteraad bij verordening regels vaststelt omtrent de wijze waarop de
                        toegang tot individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het
                        gebied van wonen en zorg als bedoeld in de AWBZ is geregeld. </al><al>Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat lid 2, onder
                        a. ertoe strekt dat “de gemeente bepaalt hoe achter één loket de samenhang
                        van toegang tot voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot
                        zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het
                        gebied van wonen is geregeld”, wordt gedoeld op de zogenaamde één-loket
                        gedachte. Praktisch gezien zal de concrete uitvoering van activiteiten in
                        het loket en de werking ervan een typische uitvoeringsactiviteit zijn, dus
                        naar zijn aard vallen onder de verantwoordelijkheid van het college. De door
                        de raad vast te stellen verordening beperkt zich daarom tot het aanwijzen
                        van een loket, waarbij de nadere uitwerking daarvan via het college geregeld
                        moet worden. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking</titel></kop><al>Lid 1 onder a. en b. van dit artikel bepaalt dat het college bevoegd is de
                        aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te
                        bepalen plaats en tijdstip om inlichtingen te vragen te laten onderzoeken
                        en/of ondervragen door bijvoorbeeld een medisch adviseur of ander aangewezen
                        deskundige. Dit alleen voor zover dit in het belang is van de aanvraag.</al><al/><al>Lid 2 van dit artikel regelt dat het indicatieonderzoek(vaststellen van de
                        noodzaak) bij het college ligt. De feitelijke uitvoering berust bij de
                        daartoe bevoegde medewerkers van de gemeente. Niettemin zal in voorkomende
                        gevallen een extern advies onontbeerlijk zijn. </al><al>Advies zal in ieder geval worden gevraagd wanneer de om medische redenen
                        gevraagde voorziening moet worden afgewezen.</al><al/><al>Tot slot vraagt het college advies, als dit overigens gewenst wordt geacht.
                        Het zal duidelijk zijn dat hier een scala aan argumenten op te voeren valt.
                        Door deze bepaling is het echter te allen tijde mogelijk om advies te
                        vragen. Het is verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies
                        gevraagd wordt, met het oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin dit
                        een rol zou kunnen spelen. </al><al/><al>Bij een aanvraag waar medische omstandigheden/argumenten een belangrijke rol
                        spelen wordt altijd advies van de medisch adviseur opgevraagd, tenzij de
                        aard, omvang en prognose van beperkingen duidelijk en onomstreden zijn. Dit
                        om de aanvrager niet aan een onnodig onderzoek bloot te stellen en de
                        besluitvorming te bespoedigen.</al><al>Vooral wanneer de aard van de aandoening niet echt duidelijk is, is extern
                        advies onontbeerlijk; soms kan een op het oog eenvoudige aanvraag leiden tot
                        een stroom van verdere aanvragen, zonder dat duidelijk is wat iemand
                        mankeert. Dat kan bij verstrekking van voorzieningen zelfs tot invaliderende
                        effecten voor de aanvrager en onnodige kosten voor de gemeente leiden. Dit
                        probleem speelt in het bijzonder bij een aantal zogeheten (medisch) moeilijk
                        objectiveerbare aandoeningen: (m)moa’s.</al><al/><al>Lid 3 en 4.</al><al>Om de persoonsgegevens te kunnen vaststellen en verifiëren is het wenselijk
                        dat personen die een aanvraag indienen voor WMO-voorzieningen zich
                        legitimeren. In tegenstelling tot de Wet werk en bijstand is in de WMO deze
                        identificatie niet wettelijk verplicht gesteld. De wijze van vaststelling
                        van de identiteit moet dan ook in de verordening worden opgenomen. In
                        artikel 7.3 lid 3 en 4 is daarbij aangesloten bij artikel 1 van de Wet op de
                        identificatieplicht, waarin een aantal documenten wordt vermeld die als
                        wettig identificatiemiddel gelden.</al><al/><al>Lid 5 bepaalt dat aanvrager verplicht is aan het college gegevens te
                        verstrekken over de medische situatie, het inkomen, de woonsituatie en
                        andere gegevens die noodzakelijk kunnen zijn om een aanvraag te kunnen
                        beoordelen. Uiteraard wordt niet meer opgevraagd dan noodzakelijk is voor
                        het nemen van een besluit op de aanvraag. Bij het omgaan met de vaak
                        privacygevoelige gegevens, houdt de gemeente rekening met de regels die
                        voortvloeien uit de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Bij weigering om
                        mee te werken kan een aanvraag buiten behandeling worden gesteld met in
                        achtneming van de daarvoor geldende regels op grond van de Algemene wet
                        bestuursecht.</al><al/><al>Lid 6 geeft aan dat aanvrager gevraagd kan worden zelf te zorgen voor de
                        aanlevering van de noodzakelijke gegevens van de door de aanvrager
                        geconsulteerde specialisten. Het komt vaak voor dat informatie opgevraagd
                        door de medisch adviseur niet beschikbaar komt omdat de specialist niet of
                        traag reageert of meewerkt. Vanwege de directe relatie tussen de aanvrager
                        en de behandelend specialist, ligt het voor de hand om de aanvrager
                        verantwoordelijk te maken voor het verkrijgen van de informatie.</al><al/><al>Lid 7 geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de
                        zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld Gezondheidsorganisatie. Deze
                        bepaling is in de verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting
                        op amendement 65, waarin staat: “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk
                        biedt de International Classification of Functions, Disabilities and
                        Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag
                        kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te
                        stellen.”</al><al>Omdat bij de indicatiestelling van de diverse functies in de AWBZ eveneens
                        van deze classificatie gebruik wordt gemaakt kan het gebruik hiervan
                        afstemming tussen de AWBZ en deze wet vergemakkelijken.</al><al/><al>Lid 9 vertaalt de opdracht van artikel 26 lid 1 van de wet naar de
                        verordening en bepaalt dat de beschikking dient te vermelden op welke wijze
                        de genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de
                        zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van mensen met
                        een beperkingof een chronisch psychisch probleem en van
                        mensen met een psychosociaal probleem.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Samenhangende afstemming</titel></kop><al>In artikel 5, lid 2, onder b. van de wet is vastgelegd dat de raad in de
                        verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele
                        voorzieningen samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de aanvrager.
                        Deze bepaling is bedoeld om, naast de toepassing van algemene
                        bestuursrechtelijke zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen
                        zelf, vanuit cliëntperspectief, in samenhang te bezien. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.5</nr><titel>Wijzigingen in de situatie</titel></kop><al>Lid 1 tot en met 4</al><al>Het spreekt voor zich dat wijzigingen in de situatie gemeld moeten worden in
                        al die gevallen dat zij van invloed zijn op de verstrekte of te verstrekken
                        voorzieningen. Dit artikel bepaalt ook dat heronderzoek door het college
                        verricht kan worden en dat aanvrager of gebruiker van een voorziening
                        verplicht is om mee te werken aan dit onderzoek. Het komt geregeld voor dat
                        er twijfels bestaan over het gebruik van een voorziening. Op grond hiervan
                        kan gedurende de looptijd en de juistheid van de beschikking aan de huidige
                        feiten en omstandigheden getoetst worden. Verder is bepaalt dat bij het
                        weigeren om mee te werken een voorziening geheel of gedeeltelijk kan worden
                        teruggevorderd of beëindigd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.6</nr><titel>Intrekking van een besluit tot verlening van een voorziening</titel></kop><al>Duidelijk is dat verstrekking van voorzieningen gebonden is aan voorwaarden.
                        Als deze niet nagekomen worden kan (het recht op) een voorziening worden
                        ingetrokken. Het is in verband met het kenbaarheidvereiste, verwoord in de
                        passage “waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed
                        zijn op het recht op een voorziening”, van groot belang om de voorwaarden
                        duidelijk te vermelden in de toekenningsbeschikking. Daarnaast is het van
                        belang in de beschikking ook expliciet te wijzen op de verplichting om
                        wijzigingen in de situatie aan het college door te geven. Hierdoor wordt
                        aanvrager concreet op de voorwaarden gewezen. </al><al/><al>In lid 2 wordt bepaald dat (het recht op) een voorziening kan worden
                        ingetrokken als 12 maanden na verlening van een financiële tegemoetkoming
                        het budget niet is aangewend voor de bekostiging van de gevraagde
                        voorziening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.7</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><al>De wet bevat geen bepalingen over terugvordering van voorzieningen. Hierin
                        ligt aanleiding om deze mogelijkheid op te nemen in de verordening, omdat er
                        anders een wettelijke basis ontbreekt om voorzieningen terug te vorderen.
                        Als er, naar later blijkt, ten onrechte is uitbetaald of geleverd
                        (voorziening in natura), kan het college de voorziening geheel of
                        gedeeltelijk terugvorderen. Het besluit tot herziening van het recht op de
                        voorziening en de daaraan gekoppelde terugvordering biedt echter geen
                        executoriale titel, zoals in de Wet werk en bijstand het geval is. Er is wel
                        sprake van een civielrechtelijke vordering op grond van onverschuldigde
                        betaling waarvoor het Burgerlijk Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v. de
                        wettelijke basis biedt. </al><al/><al>Het ligt voor de hand dat van de terugvorderingmogelijkheid in ieder geval
                        gebruik wordt gemaakt als er aan de zijde van de aanvrager sprake is van
                        verwijtbaarheid. Wanneer deze bijvoorbeeld bewust verkeerde gegevens heeft
                        verstrekt over zijn inkomen. Ook kan terugvordering van een voorziening in
                        natura aan de orde zijn wanneer de aanvrager in gebreke blijft zijn eigen
                        bijdrage binnen de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen. Alvorens tot
                        terugvordering wordt overgegaan wordt ook een schatting gemaakt van de
                        daarmee gemoeide uitvoeringskosten. </al><al/><al>Wanneer blijkt dat een financiële tegemoetkoming of een gemaximeerde
                        vergoeding binnen twaalf maanden na de uitbetaling niet is aangewend voor de
                        bekostiging van de voorziening waarvoor deze is verleend, kan deze betaling,
                        na of onder gelijktijdige intrekking van het besluit, ook worden
                        teruggevorderd. Het gaat hierbij om voorzieningen waarbij de uitbetaling van
                        de tegemoetkoming of de vergoeding aan de aanschaf van de voorziening
                        voorafgaat. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.8</nr><titel>Eindigen recht op een voorziening</titel></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>ARTIKELEN</label><nr>deel 3</nr><titel>SLOT</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.1</nr><titel>Afwijkingen van bepalingen/hardheidsclausule</titel></kop><al>Artikel 8.1 bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de
                        aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, en niet van
                        de in de wet zelf genoemde bepalingen. In veel gevallen zal hiervoor advies
                        worden ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele
                        van de betrokken persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte.
                        Met nadruk is gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de
                        hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een
                        regel. Het college moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk
                        aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt
                        afgeweken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.2</nr><titel>Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen waarin de
                            verordening niet voorziet</titel></kop><al>Deze restclausule biedt het college de mogelijkheid in alle niet-voorziende
                        situaties te handelen naar bevind van zaken. Omdat ook deze beslissingen
                        onderworpen zijn aan de voorgeschreven bezwaar- en beroepsprocedures, moet
                        ook in deze gevallen de beslissing gemotiveerd genomen worden.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.3</nr><titel>Aanpassing vergoedingen</titel></kop><al>Deze bepaling, maakt het mogelijk alle bedragen, genoemd in het op de
                        verordening gebaseerde Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente
                        Brummen, te indexeren, te verhogen of te verlagen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.4</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Op grond van dit artikel moet het gemeentelijke beleid periodiek geëvalueerd
                        worden. Dat beleid omvat zowel het algemene beleid, zoals door de
                        gemeenteraad neergelegd in de verordening, en zoals door het college
                        neergelegd in het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Brummen en
                        de Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Brummen. Als de
                        evaluatie daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat het
                        voorzieningenniveau te hoog of te laag blijkt te zijn, moet de evaluatie
                        leiden tot aanpassing van de verordening of van de beleidsregels.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.5</nr><titel>Citeertitel; inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel geeft de citeertitel van de verordening en geeft aan wanneer de
                        verordening in werking treedt.</al></divisie></nota-toelichting><bijlage><kop><label>Inhoudsopgave</label></kop><al>HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen </al><al>Artikel 1.1 Begripsbepalingen </al><al>Artikel 1.2 Beperkingen bij het verstrekken van de voorzieningen
                            </al><al>HOOFDSTUK 2 Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen
                        </al><al>Artikel 2.1 Keuzevrijheid </al><al>Artikel 2.2 Voorziening in natura </al><al>Artikel 2.3 Financiële tegemoetkoming </al><al>Artikel 2.4 Persoonsgebonden budget </al><al>Artikel 2.5 Eigen bijdragen en eigen aandeel </al><al>HOOFDSTUK 3 Huishoudelijke verzorging </al><al>Artikel 3.1 Vormen van huishoudelijke verzorging </al><al>Artikel 3.2 Primaat van de algemene hulp bij huishoudelijke
                                verzorging </al><al>Artikel 3.3 Gebruikelijke zorg </al><al>Artikel 3.4 Omvang van de huishoudelijke verzorging </al><al>Artikel 3.5 Basistarieven huishoudelijke verzorging in natura
                            </al><al>Artikel 3.6 Omvang van het persoonsgebonden budget </al><al>HOOFDSTUK 4 Woonvoorzieningen </al><al>Artikel 4.1 Vormen van woonvoorzieningen </al><al>Artikel 4.2 Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op
                                individuele woonvoorzieningen </al><al>Artikel 4.3 Soorten individuele woonvoorzieningen </al><al>Artikel 4.4 Het primaat van de verhuizing </al><al>Artikel 4.5 Het primaat van de losse woonunit </al><al>Artikel 4.6 Vergoeding verhuis- en inrichtingskosten </al><al>Artikel 4.7 Het verwerven van grond </al><al>Artikel 4.8 Gereedmelding, vaststelling en uitbetaling
                                tegemoetkoming in de kosten </al><al>Artikel 4.9 Uitraasruimte </al><al>Artikel 4.10 Kosten in verband met onderhoud, keuring en
                                reparatie </al><al>Artikel 4.11 Kosten in verband met tijdelijke huisvesting
                            </al><al>Artikel 4.12 Kosten in verband met huurderving </al><al>Artikel 4.13 Kosten in verband met het verwijderen van
                                voorzieningen </al><al>Artikel 4.14 Uitsluitingen </al><al>Artikel 4.15 Voorwaarden bij de verlening van woonvoorzieningen
                            </al><al>Artikel 4.16 Uitzondering op de voorwaarden bij verlening van
                                woonvoorzieningen </al><al>Artikel 4.17 Beperkingen in de verlening van woonvoorzieningen
                            </al><al>Artikel 4.18 Terugbetaling bij verkoop </al><al>HOOFDSTUK 5 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel </al><al>Artikel 5.1 Vormen van vervoersvoorzieningen </al><al>Artikel 5.2 Het recht op een algemene vervoersvoorziening
                            </al><al>Artikel 5.3 Het recht op een collectieve vervoersvoorziening
                            </al><al>Artikel 5.4 Het recht op individuele vervoersvoorziening </al><al>Artikel 5.5 Omvang in gebied en in kilometers </al><al>Artikel 5.6 Besluit maatschappelijke ondersteuning </al><al>HOOFDSTUK 6 Verplaatsen in en rond de woning </al><al>Artikel 6.1 Vormen van rolstoelvoorzieningen </al><al>Artikel 6.2 Rolstoelvoorzieningen en sportvoorziening </al><al>Artikel 6.3 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor bewoners
                                AWBZ-erkende instellingen </al><al>ARTIKELEN deel 2: PROCEDURES </al><al>HOOFDSTUK 7 Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                            besluiten </al><al>Artikel 7.1 Aanvraagprocedure </al><al>Artikel 7.2 Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
                            </al><al>Artikel 7.3 Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking
                            </al><al>Artikel 7.4 Samenhangende afstemming </al><al>Artikel 7.5 Wijzigingen in de situatie </al><al>Artikel 7.6 Intrekking van een besluit tot verlening van een
                                voorziening </al><al>Artikel 7.7 Terugvordering </al><al>Artikel 7.8 Eindigen recht op voorziening </al><al>ARTIKELEN Deel 3: SLOT </al><al>HOOFDSTUK 8 Slotbepalingen </al><al>Artikel 8.1 Afwijkingen van bepalingen/hardheidsclausule </al><al>Artikel 8.2 Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen
                                waarin de verordening niet voorziet </al><al>Artikel 8.3 Aanpassing vergoedingen </al><al>Artikel 8.4 Evaluatie </al><al>Artikel 8.5 Citeertitel; inwerkingtreding </al><al>Ondertekening </al><al>BIJLAGE 1 Aantal m2 waarvoor een financiële tegemoetkoming kan worden
                            gegeven in gevolge artikel 4.7 'het verwerven van grond'. </al><al>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </al><al>Algemene toelichting </al><al>ARTIKELEN deel 1 </al><al>HOOFDSTUK 1 Algemene bepalingen </al><al>Artikel 1.1 Begripsbepalingen </al><al>Artikel 1.2 Beperkingen bij het verstrekken van de voorzieningen
                            </al><al>Hoofdstuk 2 Vorm van te verstrekken individuele voorzieningen
                        </al><al>Artikel 2.1 Keuzevrijheid </al><al>Artikel 2.2 Voorziening in natura </al><al>Artikel 2.3 Financiële tegemoetkoming </al><al>Artikel 2.4 Persoonsgebonden budget </al><al>Artikel 2.5 Eigen bijdragen en eigen aandeel </al><al>HOOFDSTUK 3 Huishoudelijke verzorging </al><al>Artikel 3.1 Vormen van huishoudelijke verzorging </al><al>Artikel 3.2 Primaat van de algemene hulp bij huishoudelijke
                                verzorging </al><al>Artikel 3.3 Gebruikelijke zorg </al><al>Artikel 3.4 Omvang van de huishoudelijke verzorging </al><al>Artikel 3.5 Basistarieven huishoudelijke verzorging in natura
                            </al><al>Artikel 3.6 Omvang van het persoonsgebonden budget </al><al>Hoofdstuk 4 Woonvoorzieningen </al><al>Artikel 4.1 Vormen van woonvoorzieningen </al><al>Artikel 4.2 Primaat algemene woonvoorzieningen en recht op
                                individuele voorzieningen </al><al>Artikel 4.3 Soorten individuele voorzieningen </al><al>Artikel 4.4 Het primaat van verhuizing </al><al>Artikel 4.5 Het primaat van de losse woonunit </al><al>Artikel 4.6 Vergoeding verhuis- en inrichtingskosten </al><al>Artikel 4.7 Het verwerven van grond </al><al>Artikel 4.8 Gereedmelding, vaststelling en uitbetaling
                                tegemoetkoming in de kosten </al><al>Artikel 4.9 Uitraasruimte </al><al>Artikel 4.10 Kosten in verband met onderhoud, keuring en
                                reparatie </al><al>Artikel 4.11 Kosten in verband met tijdelijke huisvesting
                            </al><al>Artikel 4.12 Kosten in verband met huurderving </al><al>Artikel 4.13 Kosten in verband met het verwijderen van
                                voorzieningen </al><al>Artikel 4.14 Uitsluitingen </al><al>Artikel 4.15 Voorwaarden bij de verlening van woonvoorzieningen
                            </al><al>Artikel 4.16 Uitzondering op de voorwaarden bij verlening van
                                woonvoorzieningen </al><al>Artikel 4.17 Beperkingen in de verlening van woonvoorzieningen
                            </al><al>Artikel 4.18 Terugbetaling bij verkoop </al><al>HOOFDSTUK 5 Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel </al><al>Artikel 5.1 Vormen van vervoersvoorzieningen </al><al>Artikel 5.2 Het recht op een algemene vervoersvoorziening
                            </al><al>Artikel 5.3 Het recht op een collectieve vervoersvoorziening
                            </al><al>Artikel 5.4 Het recht op individuele vervoersvoorziening </al><al>Artikel 5.5 Omvang in gebied en in kilometers </al><al>Artikel 5.6 Besluit maatschappelijke ondersteuning </al><al>HOOFDSTUK 6 Verplaatsen in en rond de woning </al><al>Artikel 6.1 Vormen van rolstoelvoorzieningen </al><al>Artikel 6.2 Rolstoelvoorzieningen en sportvoorziening </al><al>Artikel 6.3 Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor bewoners
                                AWBZ-erkende instellingen </al><al>ARTIKELEN deel 2 PROCEDURES </al><al>HOOFDSTUK 7 Het verkrijgen van voorzieningen en het motiveren van
                            besluiten </al><al>Artikel 7.1 Aanvraagprocedure </al><al>Artikel 7.2 Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten
                            </al><al>Artikel 7.3 Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking
                            </al><al>Artikel 7.4 Samenhangende afstemming </al><al>Artikel 7.5 Wijzigingen in de situatie </al><al>Artikel 7.6 Intrekking van een besluit tot verlening van een
                                voorziening </al><al>Artikel 7.7 Terugvordering </al><al>Artikel 7.8 Eindigen recht op een voorziening </al><al>ARTIKELEN deel 3 SLOT </al><al>HOOFDSTUK 8 Slotbepalingen </al><al>Artikel 8.1 Afwijkingen van bepalingen/hardheidsclausule </al><al>Artikel 8.2 Beslissing burgemeester en wethouders in gevallen
                                waarin de verordening niet voorziet </al><al>Artikel 8.3 Aanpassing vergoedingen </al><al>Artikel 8.4 Evaluatie </al><al>Artikel 8.5 Citeertitel; inwerkingtreding </al></bijlage></regeling></body></cvdr>