<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR246234_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Wageningen</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-01-15</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Wageningen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Stad Wageningen 12-12-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WWB 2012-II</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet artikel 147</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand artikel 8,lid 1 juncto artikel 30</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-11-26</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-15</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>12.0216495​</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Samenleving</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet werk en bijstand</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Wageningen;</al><al/><al><vet>gelezen:</vet></al><al>- het voorstel van het college van burgemeester en wethouders aan de raad
                        van 26 november 2012;</al><al>- het advies van de Cliëntenraad Werk en bijstand d.d. 19 September
                        2012.</al><al/><al><vet>gelet op:</vet></al><al>de artikelen 8 lid 1 onderdeel c en artikel 30 van de Wet werk en bijstand
                        en artikel 147 van de Gemeentewet</al><al/><al><vet>Besluit: </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Vast te stellen de Toeslagenverordening WWB 2012-II met bijbehorende
                        toelichting;</al></li><li nr="2."><al>In te trekken de Toeslagenverordening WWB 2012 met bijbehorende
                        toelichting vastgesteld op 6 februari 2012 met uitzondering van het gestelde
                        beslispunt 3 en 4;</al></li><li nr="3."><al>Tot uiterlijk 1 januari 2013 is deze verordening niet van toepassing
                        laten zijn voor personen als bedoeld in artikel 78w lid 1 WWB;</al></li><li nr="4."><al>De Toeslagenverordening WWB vastgesteld op 6 februari 2012 tot uiterlijk
                        1 januari 2013 uitsluitend van toepassing te laten zijn voor personen als
                        bedoeld in artikel 78w lid 1 WWB; </al></li><li nr="5."><al>Toepassing geven aan referendumverordening 2006 en hiermee het besluit
                        referendabel verklaren.</al></li></lijst></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet
                                werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel c
                                        WWB;</al></li><li nr="c."><al>uitkeringsgerechtigde: degene die een periodieke uitkering voor
                                    levensonderhoud ontvangt op grond van de wet;</al></li><li nr="d."><al>woning: zelfstandige woonruimte welke geschikt en
                                        bestemd is voor permanente huisvesting, waarbij de
                                        elementaire voorzieningen zich binnen de
                                        woonruimte bevinden, met inbegrip van een eigen
                                        toegang;</al></li><li nr="e."><al>wooneenheid: een gedeelte van een woongebouw, dat geschikt en
                                        bestemd is voor bewoning doch niet is een woning,
                                        tenzij de wooneenheid een gedeelte is van een
                                        woongebouw dat door burgemeester en wethouders als
                                        woning is aangewezen;</al></li><li nr="f."><al>verzorgingsbehoevende: degene die zonder verzorging zou zijn aangewezen
                                        op opname in een instelling ter verzorging of
                                        verpleging;</al></li><li nr="g."><al>verzorgende: degene die de verzorgingsbehoevende
                                        verzorgt;</al></li><li nr="h."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Wageningen;</al></li><li nr="i."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Wageningen.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De doelgroep</titel></kop><al>Deze verordening is uitsluitend van toepassing op belanghebbenden van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar. In geval van gehuwden gelden de
                            bepalingen van deze verordening uitsluitend indien alle gehuwden jonger
                            dan 65 jaar zijn en tenminste twee gehuwden 21 jaar of ouder.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de
                            bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Alleenstaanden en alleenstaande ouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet
                                bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20% van de gehuwdennorm voor een belanghebbende in wiens woning
                                geen ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></li><li nr="b."><al>10% van de gehuwdennorm voor belanghebbende die met één of meer
                                anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van
                                het bestaan in ieder geval in het geheel niet worden gedeeld met een
                                inwonend kind dat aanpraak maakt op studiefinanciering of een
                                tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 21 jaar: 5% van de gehuwdennorm indien in zijn
                                woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 22 jaar: 10% van de gehuwdennorm indien in zijn
                                woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft:</al><lijst><li nr="a."><al>verzorgingsbehoevenden die door de uitkeringsgerechtigde worden
                                verzorgd</al></li><li nr="b."><al>in geval de uitkeringsgerechtigde verzorgingsbehoeftig
                                is:verzorgenden waardoor de uitkeringsgerechtigde wordt
                                verzorgd.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlagen norm gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 WWB bedraagt 10% van de
                                gehuwdennorm voor een belanghebbende die met één of meer anderen
                                zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten
                                van het bestaan in ieder geval in zijn geheel niet worden gedeeld
                                met een inwonend studerend kind dat aanspraak maakt op
                                studiefinanciering</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging in verband met woonsituatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt 10% van
                                de gehuwdennorm, indien een woning wordt bewoond waaraan voor de
                                uitkeringsgerechtigde geen kosten van huur of hypotheeklasten
                                verbonden zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt met voorrang
                                toegepast op de toeslag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlagen algemene bijstand
                                schoolverlaters</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging voor schoolverlaters zoals bedoeld in artikel 28 WWB
                                bedraagt 10% van de gehuwdennorm gedurende 3 maanden, gerekend vanaf
                                het tijdstip van de beëindiging van de aanspraak op
                                studiefinanciering of tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de
                                schoolkosten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van een
                                belanghebbende op wie artikel 3 lid 3 of 4 van toepassing is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening
                                beleidsregels vaststellen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan ten gunste van de belanghebbende in bijzondere situaties
                            afwijken van het bepaalde in deze verordening, indien toepassing hiervan
                            kennelijk onredelijk zou zijn. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening WWB
                            2012-II.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Inwerkingtreding en toepassingsbereik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 15 januari 2013 en werkt terug
                                tot en met 1 januari 2012.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tot uiterlijk 1 januari 2013 is deze verordening niet van toepassing
                                op personen als bedoeld in artikel 78w lid 1 WWB.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Toeslagenverordening WWB 2012 is tot uiterlijk 1 januari 2013
                                uitsluitend van toepassing op personen als bedoeld in artikel 78w
                                lid 1 WWB. Per 1 januari 2013 vervalt de Toeslagenverordening WWB
                                2012 vastgesteld op 6 februari 2012.</al></lid></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><titel>op de Toeslagenverordening Wet werk en
                        bijstand</titel></kop><tussenkop><cursief>Algemene toelichting</cursief></tussenkop><al>De WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem
                    van basisnormen, toeslagen en verlagingen. De normen zijn geregeld in paragraaf
                    2 WWB. Paragraaf 3 WWB voorziet in toeslagen en verlagingen. De som van deze
                    drie onderdelen (normen, toeslagen en verlagingen) levert de bijstandsnorm op.
                    Het gaat dan om de bijstandsnorm voor personen van 21 tot en met 64 jaar die
                    niet in een inrichting verblijven. De WWB kent verschillende normen voor
                    alleenstaanden, alleenstaande ouders en gehuwden. Alleenstaanden en
                    alleenstaande ouders komen in aanmerking voor een toeslag indien zij hogere
                    algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm
                    voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten
                    met een ander. De woonsituatie is hierbij van doorslaggevende betekenis. De
                    hoogte van de toeslag, welke wordt aangegeven in de toeslagenverordening,
                    bedraagt maximaal 20 procent van het netto minimumloon en moet aansluiten bij
                    het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten. Voor een alleenstaande van 21 of
                    22 jaar en schoolverlater kan de toeslag afwijkend worden vastgesteld. De WWB
                    kent de volgende grondslagen om de norm of toeslag voor personen van 21 tot en
                    met 64 jaar die niet in een inrichting verblijven te verlagen:</al><al>• het kunnen delen van kosten met een ander;</al><al>• de woonsituatie;</al><al>• de recente beëindiging van deelname aan onderwijs of beroepsopleiding.</al><al>Voor de berekening van de bijstandsnorm geldt een vaste volgorde: eerst de norm,
                    dan eventueel een toeslag en vervolgens de verlagingen. Het college is bevoegd
                    om de algemene bijstand (de bijstandsnorm na aftrek van eventuele inkomsten) in
                    afwijking van deze regel hoger of lager vast te</al><al>stellen indien de individuele omstandigheden van de belanghebbende daartoe
                    aanleiding geven.</al><al/><al><vet><cursief>Artikelgewijze toelichting</cursief></vet></al><al><vet>Artikel 1 - Begripsbepalingen</vet></al><al>In deze verordening hebben de begrippen die niet nader in artikel 1 zijn
                    omschreven dezelfde betekenis als in de WWB en de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb). De meeste begrippen komen terug in artikel 3 en 4 WWB.</al><al><vet><cursief>Gehuwdennorm</cursief></vet> Voor het begrip 'gehuwdennorm' wordt
                    verwezen naar de norm voor gehuwden voor personen van 21 t/m 64 jaar als bedoeld
                    in artikel 21 onderdeel c WWB. <vet><cursief>Woning en
                        wooneenheid</cursief></vet></al><al>Voor het begrip woning is aangesloten bij hetgeen de Memorie van Toelichting WWB
                    hierover vermeld bij artikel 3 WWB. Het begrip is in artikel 1 van de
                    verordening opgenomen, om het onderscheid met het begrip wooneenheid zichtbaar
                    te maken. Doordat uitgangspunt van beleid is, dat bijstandsgerechtigden die een
                    studentenflat bewonen niet de maximale toeslag ontvangen, is nader omschreven
                    wat onder een wooneenheid wordt verstaan. Overigens hebben burgemeester en
                    wethouders de bevoegdheid een woongebouw als woning aan te wijzen indien de
                    bewoners daarvan op geen enkele manier algemeen noodzakelijke kosten van het
                    bestaan met een ander kunnen delen.</al><al><vet><cursief>Verzorgingsbehoevende en verzorgende</cursief></vet></al><al>Een persoon is verzorgingsbehoevende als de uitkeringsgerechtigde aannemelijk
                    kan maken dat deze persoon zonder de verzorging zou zijn aangewezen op opname in
                    een instelling ter verzorging of verpleging. Er moet een duidelijke indicatie
                    zijn op grond waarvan de verzorgingsbehoevendheid kan worden aangenomen,
                    bijvoorbeeld een verklaring van deze strekking die is afgegeven door een arts.
                    De verzorgende is degene die de verzorgingsbehoevende verzorgt. Wanneer de
                    uitkeringsgerechtigde de verzorgende is, dient de uitkeringsgerechtigde ook in
                    dit geval te zorgen voor de bewijslast over de verzorgingsbehoefte.</al><al><vet>Artikel 2- Doelgroep</vet></al><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden in de
                    leeftijdscategorie van 21 tot 65 jaar. Vanwege de lagere jongerennorm is ervoor
                    gekozen geen verdere verlaging toe te passen bij belanghebbenden van 18 tot 21
                    jaar.</al><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden in de
                    leeftijdscategorie van 21 tot 65 jaar. Vanwege de lagere jongerennorm is ervoor
                    gekozen geen verdere verlaging toe te passen bij belanghebbenden van 18 tot 21
                    jaar.</al><al>De jongerennormen van artikel 20 WWB zijn laag vastgesteld omdat de ouders nog
                    onderhoudsplichtig zijn jegens hun kinderen totdat deze de leeftijd van 21 jaar
                    hebben bereikt. De ouders kunnen bijvoorbeeld voldoen aan hun onderhoudsplicht
                    door hun kind bij hen in te laten wonen of de huur voor hen te betalen. In
                    dergelijke gevallen zou als het ware 'dubbel gekort' worden als ook nog
                    krachtens de Toeslagenverordening de uitkering verlaagd zou worden. Bovendien
                    zou de toepassing van de categoriale verlagingen op belanghebbenden van 18, 19
                    of 20 jaar de uitvoering van de Toeslagenverordening nodeloos ingewikkeld
                    maken.</al><al>Mocht echter het niet toepassen van de verordening op de jongerennorm van
                    artikel 20 WWB onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college bevoegd om
                    op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand hoger of lager vast te stellen. </al><al><vet>Artikel 3-Toeslag alleenstaande (ouder)</vet></al><al><vet>Lid 1</vet></al><al>Op grond van artikel 25 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                    (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag indien een belanghebbende
                    lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm
                    voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk</al><al>kunnen delen van deze kosten met een ander. Artikel 3 van deze verordening vormt
                    overigens het spiegelbeeld van artikel 4 van deze verordening.</al><al>De gemeenteraad is op grond van artikel 30 lid 2 WWB verplicht te bepalen dat de
                    toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de alleenstaande of
                    alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft
                    (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de norm of toeslag op</al><al>andere gronden). Dit is vastgelegd in artikel 3 lid 1 onderdeel a van deze
                    verordening.</al><al>Als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Zolang geen sprake
                    is van gehuwden of van een gezamenlijke huishouding moet ervan worden uitgegaan
                    dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag</al><al>blijft op zijn plaats. Gekozen is voor 10 procent van de gehuwdennorm (zie 8 van
                    13 artikel 3 lid 1 onderdeel b van deze verordening). </al><al/><al><vet>Lid 2</vet></al><al>Uit artikel 25 lid 1 WWB en artikel 26 WWB volgt dat een belanghebbende de</al><al>algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen met thuisinwonende
                    kinderen van 18 jaar of ouder met een laag inkomen. Hiervan is sprake indien dat
                    kind een in aanmerking te nemen inkomen heeft van ten hoogste het normbedrag
                    voor de kosten van levensonderhoud voor</al><al>hoger onderwijs genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000. </al><al/><al><vet>Lid 3 en 4</vet></al><al>Artikel 29 WWB geeft het college de bevoegdheid om de toeslag als bedoeld in
                    artikel 25 WWB afwijkend vast te stellen voor alleenstaanden van 21 en 22 jaar,
                    om daarmee te stimuleren dat de belanghebbende optimaal gebruik maakt van zijn
                    kansen om uit te stromen naar de arbeidsmarkt. Gezien de hoogte van het minimum
                    jeugdloon zou een maximale toeslag voor deze personen een drempel op kunnen
                    werpen om werk te aanvaarden. Aangezien het minimum jeugdloon voor een 21-jarige
                    lager is dan voor een 22-jarige, ligt het voor de hand om de toeslag voor de
                    21-jarige eveneens lager vast te stellen dan voor een 22-jarige.</al><al/><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Zorgbehoevenden en verzorgenden worden evenmin aangemerkt als degene die in
                    dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. Het is niet wenselijk om de
                    uitkeringsgerechtigde vanwege zijn zorgtaken of zijn zorgbehoevendheid te
                    confronteren met een lagere toeslag. Dit sluit aan bij de huidige
                    uitvoeringspraktijk</al><al><vet>Artikel 4- Verlagen norm gehuwden</vet></al><al>Op grond van artikel 26 WWB kan het college de gehuwdennorm verlagen indien
                    belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan
                    waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen
                    van deze kosten met een ander.</al><al>Artikel 4 van deze verordening vormt het spiegelbeeld van artikel 3 van deze
                    verordening. Ingeval in de woning van het gehuwden een ander zijn hoofdverblijf
                    heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld
                    kunnen worden. Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van</al><al>de gehuwdennorm (zie artikel 4 lid 1 van deze verordening).</al><al>Artikel 4 lid 2 van deze verordening komt overeen met de bepaling zoals
                    opgenomen in artikel 3 lid 2 van deze verordening. Verwezen wordt dan ook naar
                    de toelichting zoals opgenomen bij artikel 3 van deze verordening. </al><al><vet>Artikel 5 - Verlaging in verband met woonsituatie</vet></al><al>De bijstandsuitkering wordt geacht voldoende te zijn om in de algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. De kosten van het wonen
                    maken daar deel van uit. Artikel 27 WWB geeft het college de mogelijkheid om de
                    norm of de toeslag te verlagen, wanneer de uitkeringsgerechtigde lagere algemeen
                    noodzakelijke kosten van het bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie.
                    Uitkeringsgerechtigden in de gemeente Wageningen die geen huur- of
                    hypotheeklasten hebben, omdat aan de woning dergelijke kosten niet zijn
                    verbonden, worden in de huidige uitvoeringspraktijk voor de vaststelling van de
                    toe te passen toeslag gelijkgesteld met uitkeringsgerechtigden die de kosten van
                    het bestaan kunnen delen. Met de bepaling in artikel 6 is bij deze
                    uitvoeringspraktijk aangesloten.</al><al><vet>Artikel 6- Verlagen algemene bijstand schoolverlaters</vet></al><al>Op grond van artikel 28 WWB kan het college voor een belanghebbende die recent
                    de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een beroepsopleiding, de norm of de
                    toeslag gedurende zes maanden na het tijdstip van beëindiging lager vaststellen.
                    Het moet dan wel gaan om onderwijs of een beroepsopleiding waarvoor aanspraak
                    bestond op studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op
                    een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van
                    hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.</al><al>In artikel 6 lid 1 van deze verordening is bepaald dat de verlaging voor
                    schoolverlaters 10 procent van de gehuwdennorm bedraagt gedurende 3 maanden,
                    gerekend vanaf het tijdstip van de beëindiging van de aanspraak op de
                    studiefinanciering of tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten.
                    Deze verlaging kan echter niet worden toegepast ten aanzien van een
                    belanghebbende op wie artikel 3 lid 3 of 4 van deze verordening van toepassing
                    is (artikel 6 lid 2 van deze verordening). Dit volgt uit artikel 30 lid 2
                    onderdeel b WWB waarin is bepaald dat ten opzichte van een belanghebbende niet
                    tegelijkertijd een schoolverlatersverlaging en een verlaging voor een
                    alleenstaande van 21 of 22 jaar mag worden toegepast.</al><al>Bij toepassing van de verlaging voor schoolverlaters is het volgende van belang.
                    Om de verlaging te kunnen toepassen moet voldaan zijn aan de voorwaarde dat voor
                    het onderwijs of de beroepsopleiding recht bestond op studiefinanciering op
                    grond van de Wet op de studiefinanciering 2000 (WSF</al><al>2000) of op een tegemoetkoming in de studiekosten op grond van hoofdstuk 4 van
                    de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS).</al><al>Van belang is dat de belanghebbende daadwerkelijk recht heeft op
                    studiefinanciering en niet dat het volgen van de soort opleiding daar in theorie
                    recht op geeft. Dit volgt uit de bedoeling van de wetgever zoals die blijkt uit
                    de toelichting op artikel 28 WWB. Daarnaast is van belang dat de belanghebbende
                    zijn recht op studiefinanciering ontleent aan de WSF 2000 of de WTOS. Een
                    extraneus valt niet onder de WSF 2000. Daarvoor is inschrijving als student
                    vereist. Een voormalig extraneus is dus geen schoolverlater in de zin artikel 28
                    WWB. Indien het inkomen van belanghebbende voorafgaande aan de bijstand hoger is
                    dan de bijstandsnorm omdat belanghebbende naast zijn studiefinanciering
                    inkomsten uit bijvoorbeeld arbeid of stagevergoeding ontving (en de
                    belanghebbende er bij bijstandsverlening dus op achteruit gaat in plaats van -
                    zoals bij een overgang van alléén WSF 2000 naar bijstand - op vooruit), maakt
                    niet dat de schoolverlatersverlaging in zo'n geval niet kan worden toegepast. De
                    invloed van inkomsten naast de studiefinanciering van de belanghebbende spelen
                    in het kader van de schoolverlatersverlaging geen rol.</al><al><vet>Artikel 7 - Uitvoering</vet></al><al>Evenals de uitvoering van de WWB ligt de uitvoering van de Toeslagenverordening
                    WWB bij het college. Om een efficiënte en effectieve uitvoering van deze
                    verordening te waarborgen kan het college nadere beleidsregels vaststellen.</al><al><vet>Artikel 8 - Hardheidsclausule</vet></al><al>Het kan zijn dat zich bepaalde situaties voordoen die niet voorzien zijn bij het
                    opstellen van deze verordening en waarin toepassing van de bepalingen in deze
                    verordening kennelijk onredelijke gevolgen zou hebben voor de belanghebbende.
                    Het college heeft op grond van dit artikel de bevoegdheid om in dergelijke
                    situaties af te wijken van de bepalingen in deze verordening.</al><al><vet>Artikel 10 - Citeertitel</vet></al><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening.</al><al><vet>Artikel 11 – Inwerkingtreding en toepassingsbereik</vet></al><al>Deze verordening werkt terug tot en met 1 januari 2012. Hierbij is aansluiting
                    gezocht bij het wetsvoorstel “Wijziging van de Wet werk en bijstand in verband
                    met de herziening van de definities van gezin en middelen" (Wet afschaffing
                    huishoudinkomenstoets).</al><al>Voor een beperkte groep bijstandsgerechtigden blijft de oude
                    Toeslagenverordening nog van kracht tot uiterlijk 1 januari 2013. Dat is
                    geregeld in lid 2 en 3 van dit artikel. Het gaat hierbij om mensen voor wie
                    toepassing van de huishoudinkomenstoets tot een hogere uitkering leidt. Op grond
                    van artikel 78w WWB blijven de oude gezinsbegrippen nog op hen van toepassing
                    tot uiterlijk 1 januari 2013.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>