<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR245981_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente Goes</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Goes</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-11-06</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Goes</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente Goes</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="jci1.3:c:BWBR0015703">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-11-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente Goes</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Besluitnummer</vet> 14</al><al><vet>Vergadering d.d.</vet> 20 december 2012</al><al><vet>Verzonden </vet>10 december 2012</al><al><vet>Onderwerp </vet>Verordening Toeslagen en Verlagingen gemeente Goes
                        2013.</al><al><vet>Registratienummer</vet> 12INT00719</al><al/><al>De raad van de gemeente Goes;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Goes van 10
                        december 2012;</al><al>gelezen het advies van de Cliëntenraad van 5 december 2012; </al><al>gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en artikel 8, lid 1, sub c,
                        juncto artikel 30 Wet Werk en Bijstand:</al><al>b e s l u i t:</al><lijst><li nr="1."><al>de Verordening Toeslagen en Verlagingen WWB 2010 in te trekken
                                per 1 januari 2013;</al></li><li nr="2."><al>de gewijzigde navolgende <vet>Toeslagenverordening WWB
                                2013</vet><vet> gemeente Goes</vet> vast te stellen per 1
                                januari 2013:</al></li></lijst><al>Aldus vastgesteld door de raad van de</al><al>gemeente Goes in zijn openbare</al><al>vergadering van 20 december 2012.</al><al>de griffier, de voorzitter,</al><al>drs. J.W. Scherpenzeel. mr. L.J. Verhulst. <vet>TOESLAGENVERORDENING WWB
                        2013 GEMEENTE GOES</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk
                                en bijstand (WWB), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de
                                Gemeentewet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de WWB</al></li><li nr="b."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Goes.</al></li><li nr="c."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Goes.</al></li><li nr="d."><al>de gehuwdennorm: norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel c
                                        WWB.</al></li><li nr="e."><al>woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel j
                                        Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip,
                                        zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB;</al></li><li nr="f."><al>woonkosten:</al></li><li nr="I."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende
                                        huurprijs zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel d Wet op de
                                        huurtoeslag;</al></li><li nr="II."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per
                                        maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering
                                        van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband
                                        met het in eigendom hebben van de woning te betalen
                                        zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen
                                        bedrag voor onderhoud.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>Deze verordening is uitsluitend van toepassing op belanghebbenden van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. In geval
                            van gehuwden gelden de bepalingen van deze verordening alleen indien
                            beide echtgenoten 21 jaar of ouder doch jonger dan de
                            pensioengerechtigde leeftijd zijn.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslag alleenstaande (ouder)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag, zoals bedoeld in artikel 25 WWB, bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>20 procent</vet> van de gehuwdennorm voor een
                                        belanghebbende in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf
                                        heeft.</al></li><li nr="b."><al><vet>10 procent</vet> van de gehuwdennorm voor
                                        belanghebbende die met één andere zijn hoofdverblijf in
                                        dezelfde woning heeft.</al></li><li nr="c."><al><vet>0 procent </vet>van de gehuwdennorm voor
                                        belanghebbende die met twee of meer anderen zijn
                                        hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van
                                het bestaan in ieder geval niet geheel of gedeeltelijk worden
                                gedeeld met een thuisinwonend kind van 18 jaar en ouder, wiens
                                inkomen niet meer bedraagt dan het normbedrag voor de kosten van
                                levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de
                                Wet studiefinanciering 2000.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 21 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>0 procent</vet> van de gehuwdennorm indien in
                                        zijn woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al><vet>0 procent</vet> van de gehuwdennorm indien hij
                                        met één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde
                                        woning heeft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                alleenstaande van 22 jaar:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>10 procent</vet> van de gehuwdennorm indien in
                                        zijn woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft;</al></li><li nr="b."><al><vet>0 procent</vet> van de gehuwdennorm indien hij
                                        met één of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde
                                        woning heeft.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlagen norm gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging zoals bedoeld in artikel 26 WWB bedraagt</al><lijst><li nr="a."><al><vet>10 procent</vet> van de gehuwdennorm voor een
                                        belanghebbende die met één andere zijn hoofdverblijf in
                                        dezelfde woning heeft.</al></li><li nr="b."><al><vet>20 procent </vet>van de gehuwdennorm indien hij met
                                        twee of meer anderen zijn hoofdverblijf in dezelfde woning
                                        heeft</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor toepassing van dit artikel kunnen de noodzakelijke kosten van
                                het bestaan in ieder geval niet geheel of gedeeltelijk worden
                                gedeeld met een thuisinwonend kind van 18 jaar en ouder, wiens
                                inkomen niet meer bedraagt dan het normbedrag voor de kosten van
                                levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de
                                Wet studiefinanciering 2000.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlagen algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten</titel></kop><al>De verlaging in verband met de woonsituatie zoals bedoeld in artikel 27
                            WWB bedraagt:</al><lijst><li nr="1."><al><vet>20 procent</vet> van de gehuwdennorm indien een
                                    woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten
                                    zijn verbonden;</al></li><li nr="2."><al><vet>10 procent</vet> van de gehuwdennorm indien geen
                                    woning wordt bewoond;</al></li><li nr="3."><al><vet>10 procent</vet> van de gehuwdennorm indien de kosten
                                    worden gedeeld met een derde die niet het hoofdverblijf in de
                                    woning heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verlagen algemene bijstand schoolverlaters</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging voor de belanghebbende die schoolverlater is zoals
                                bedoeld in artikel 28 WWB bedraagt <vet>10 procent </vet>van de
                                gehuwdennorm gedurende <vet>6 maanden</vet>, gerekend vanaf het
                                tijdstip van de beëindiging van de aanspraak op studiefinanciering
                                of tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing ten aanzien van een
                                belanghebbende op wie artikel 3 lid 3 of 4 van toepassing is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 6 van deze verordening
                            geschiedt zodanig dat de toepasselijke bijstandsnorm ten minste
                            bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>50 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>70 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande
                                    ouder;</al></li><li nr="c."><al>80 procent van de gehuwdennorm voor een gehuwden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                                deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot
                                onredelijkheid of onbillijkheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Inwerkingtreding en overgangsregeling</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2013, onder
                            intrekking van de verordening Toeslagen en Verlagingen 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening WWB gemeente
                            Goes 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Voor de belanghebbende die op de datum waarop deze verordening in
                            werking treedt een hogere toeslag ontvangt of op wiens norm een lagere
                            korting wordt toegepast dan de toeslag of verlaging die op grond van
                            deze gewijzigde verordening zou gelden, wordt de huidige toeslag of
                            verlaging nog gedurende drie maanden voortgezet, tenzij een wijziging in
                            de omstandigheden een eerdere aanpassing mogelijk maakt. </al><al/><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><nota-toelichting><al><vet>Algemene toelichting Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente
                                Goes</vet></al><al>De WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een
                            systeem van basisnormen, toeslagen en verlagingen. De normen zijn
                            geregeld in paragraaf 2 WWB. Paragraaf 3 WWB voorziet in toeslagen en
                            verlagingen. De som van deze drie onderdelen (normen, toeslagen en
                            verlagingen) levert de bijstandsnorm op. Het gaat dan om de
                            bijstandsnorm voor personen van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de
                            pensioengerechtigde leeftijd, die niet in een inrichting verblijven</al><al>De WWB kent verschillende normen voor alleenstaanden, alleenstaande
                            ouders en gehuwden. Alleenstaanden en alleenstaande ouders komen in
                            aanmerking voor een toeslag indien zij hogere algemeen noodzakelijke
                            kosten van het bestaan hebben dan waarin de norm voorziet, als gevolg
                            van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.
                            De woonsituatie is hierbij van doorslaggevende betekenis. De hoogte van
                            de toeslag, welke wordt aangegeven in de toeslagenverordening, bedraagt
                            maximaal 20 procent van het netto minimumloon en moet aansluiten bij het
                            niveau van de noodzakelijke bestaanskosten. Voor een alleenstaande van
                            21 of 22 jaar kan de toeslag afwijkend worden vastgesteld.</al><al>De WWB kent de volgende grondslagen om de norm of toeslag voor personen
                            van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd,
                            die niet in een inrichting verblijven te verlagen:</al><lijst><li nr="-"><al>het kunnen delen van kosten met een ander;</al></li><li nr="-"><al>de woonsituatie;</al></li><li nr="-"><al>de recente beëindiging van deelname aan onderwijs of
                                    beroepsopleiding.</al></li></lijst><al>Het houden van één of meer huurders, onderhuurders of kostgangers wordt
                            door het college gelijkgesteld met het begrip ‘het delen van de kosten
                            met een ander’. De lagere bestaanskosten die het gevolg zijn hiervan
                            worden dus niet als inkomen in aanmerking genomen, maar hebben
                            uitsluitend invloed op de verhoging of verlaging van de norm.</al><al>Voor de berekening van de bijstandsnorm geldt een vaste volgorde: eerst
                            de norm, dan eventueel een toeslag en vervolgens de verlagingen. Het
                            college is bevoegd om de algemene bijstand (de bijstandsnorm na aftrek
                            van eventuele inkomsten) in afwijking van deze regel hoger of lager vast
                            te stellen indien de individuele omstandigheden van de belanghebbende
                            daartoe aanleiding geven.</al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente
                                Goes</vet></al><al><vet>Artikelsgewijze toelichting Toeslagenverordening WWB 2013 gemeente
                                Goes</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb of
                            de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit
                            voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de
                            betreffende wetten ook de verordening moet worden gewijzigd.</al><al>Lid 2 onderdeel d: gehuwdennorm</al><al>Voor het begrip 'gehuwdennorm' wordt verwezen naar de norm voor gehuwden
                            voor personen van 21 jaar en ouder, maar jonger dan de
                            pensioengerechtigde leeftijd, als bedoeld in artikel 21 onderdeel c
                            WWB.</al><al>Lid 2 onderdeel e: woning</al><al>Het begrip ‘woning’ is in artikel 1 van deze verordening gedefinieerd
                            omdat de tekst van de WWB nergens een omschrijving geeft van dit begrip.
                            Wel vermeldt artikel 3 lid 6 WWB dat in de WWB en de daarop berustende
                            bepalingen onder een woning mede een woonwagen of een woonschip verstaan
                            moet worden. Voorts volgt uit de totstandkominggeschiedenis van de WWB
                            dat voor de invulling van het begrip woning kan worden aangesloten bij
                            de Wet op de huurtoeslag. Daarom is in deze verordening bepaalt dat
                            onder ‘woning’ wordt verstaan: een woning zoals bedoeld in artikel 1
                            onderdeel j Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip,
                            zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB.</al><al>Lid 2 onderdeel f: woonkosten</al><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is
                            voor de toepassing van artikel 5 van deze verordening (verlaging
                            woonsituatie).</al><al>Aangesloten is bij de begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur
                            van de Algemene Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot
                            1996) was opgenomen. Volgens de CRvB volgt uit de geschiedenis van de
                            totstandkoming van de Abw dat het begrip woonkosten ten tijde van de Abw
                            (nog steeds) moest worden uitgelegd conform de bepalingen van het tot 1
                            januari 1996 geldende Bijstandsbesluit landelijke normering. Aangenomen
                            moet worden dat deze rechtspraak ook onder de WWB nog van betekenis is. </al><al>Bij “het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten”
                            kan worden gedacht aan het rioolrecht, het eigenaarsdeel van de
                            onroerende zaakbelasting, de opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de
                            waterschapslasten en de erfpachtcanon.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden die ouder
                            zijn dan 21 jaar maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd.
                            Vanwege de lagere jongerennorm is ervoor gekozen geen verdere verlaging
                            toe te passen bij belanghebbenden van 18 tot 21 jaar.</al><al>De jongerennormen van artikel 20 WWB zijn laag vastgesteld omdat de
                            ouders nog onderhoudsplichtig zijn jegens hun kinderen totdat deze de
                            leeftijd van 21 jaar hebben bereikt. De ouders kunnen bijvoorbeeld
                            voldoen aan hun onderhoudsplicht door hun kind bij hen in te laten wonen
                            of de huur voor hen te betalen. In dergelijke gevallen zou als het ware
                            'dubbel gekort' worden als ook nog krachtens de Toeslagenverordening de
                            uitkering verlaagd zou worden. Bovendien zou de toepassing van de
                            categoriale verlagingen op belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar de
                            uitvoering van de Toeslagenverordening nodeloos ingewikkeld maken.</al><al>Mocht evenwel het niet toepassen van de verordening op de jongerennorm
                            van artikel 20 WWB onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college
                            bevoegd om op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand hoger of lager
                            vast te stellen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslag alleenstaande (ouder)</titel></kop><al>Lid 1</al><al>Op grond van artikel 25 WWB kan het college de norm voor een
                            alleenstaande (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag
                            indien een belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het
                            bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van het niet geheel
                            of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander. Artikel 3
                            van deze verordening vormt overigens het spiegelbeeld van artikel 4 van
                            deze verordening.</al><al>Sub a</al><al>De gemeenteraad is op grond van artikel 30 lid 2 WWB verplicht te
                            bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de
                            alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn
                            hoofdverblijf heeft (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de
                            norm of toeslag op andere gronden). Dit is vastgelegd in artikel 3 lid 1
                            onderdeel a van deze verordening.</al><al>Sub b en c</al><al>Als in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld
                            dat noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden. Zolang
                            geen sprake is van gehuwden of van een gezamenlijke huishouding moet
                            ervan worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een
                            toeslag blijft op zijn plaats.</al><al>Uitgangspunten hierbij zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>gehuwden of samenwonenden worden voor de toepassing van deze
                                    verordening aangemerkt als één ander;</al></li><li nr="-"><al>alleen medebewoners die ouder zijn dan 18 jaar worden
                                    meegeteld;</al></li><li nr="-"><al>voor het verlagen van de norm van gehuwden/samenwonenden me
                                    thuisinwonende kinderen is het bepaalde in artikel 3 lid 2 van
                                    toepassing;</al></li><li nr="-"><al>in alle overige gevallen gelden deze thuisinwonende kinderen als
                                    “een ander” waarmee kosten kunnen worden gedeeld, met
                                    uitzondering van jongeren die een uitkering naar de norm voor
                                    thuiswonenden tussen 18 en 21 jaar ontvangen.</al></li></lijst><al>In deze verordening is gelet op de uitvoerbaarheid als uitgangspunt
                            gekozen voor de zogenaamde forfaitaire variant voor het vaststellen van
                            de hoogte van de toeslag. Forfaitair betekent dat niet de werkelijke
                            bestaanskosten en de mate waarin deze in concreto gedeeld worden
                            bepalend zijn voor de hoogte van de toeslag maar de enkele
                            veronderstelling dat het delen van kosten mogelijk is. De meeste
                            gemeenten hebben gekozen voor deze variant, omdat deze de meest
                            efficiënte uitvoering oplevert en bovendien het minst fraudegevoelig
                            is.</al><al>In de toeslagenverordening is daarom gekozen voor een toeslag van 10%
                            van de gehuwdennorm in het geval één ander in dezelfde woning zijn
                            hoofdverblijf heeft. </al><al>Ingeval dat er twee of meer anderen in de woning hun hoofdverblijf
                            hebben dan wordt er de toeslag op 0% bepaald omdat er dan vanuit gegaan
                            kan worden dat de kosten nog meer gedeeld kunnen worden. In de
                            uitzonderlijke situatie dat de medebewoner over geen enkele vorm van
                            inkomen beschikt (denk aan de niet rechthebbende partner of inwonende
                            uitgeprocedeerde vreemdeling), kan de verdere verlaging van de toeslag
                            niet worden toegepast. De medebewoner kan dan immers daadwerkelijk geen
                            bijdrage in de kosten leveren, waardoor er dus ook geen voordeel is voor
                            de betrokkene. In die gevallen kan de toeslag met toepassing van de
                            hardheidsclausule van artikel 8 afwijkend worden vastgesteld en
                            afgestemd op de individuele situatie van de belanghebbende.</al><al>Lid 2</al><al>Uit artikel 25 lid 1 WWB en artikel 26 WWB volgt dat een belanghebbende
                            de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen met
                            thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder met een in aanmerking te
                            nemen inkomen van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van
                            levensonderhoud voor hoger onderwijs genoemd in artikel 3.18 van de Wet
                            studiefinanciering 2000.</al><al>Indien de alleenstaande ouder één of meer thuisinwonende kinderen heeft,
                            dient de beoordeling per kind te worden gemaakt. In combinatie met
                            artikel 3 lid 2 sub c kan dit tot gevolg hebben dat de toeslag voor de
                            alleenstaande ouder op 0% wordt bepaald indien deze de kosten kan delen
                            met twee of meer thuisinwonende kinderen die elk een inkomen hebben dat
                            meer bedraagt dan het genoemde normbedrag. </al><al>Lid 3 en 4</al><al>Op grond van artikel 29 lid 1 WWB kan het college de toeslag voor een
                            alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen. In deze
                            verordening is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt. Hiermee wordt
                            aangesloten bij de hoogte van het minimumjeugdloon, waarbij voor
                            jongeren tot 23 jaar eveneens lagere bedragen van toepassing zijn.</al><al>Een en ander is geregeld in artikel 3 lid 3 en 4 van deze verordening.
                            Er is voor gekozen aan te sluiten bij de verlaging die tot 1 januari
                            2012 op grond van de Toeslagenverordening WIJ werd toegepast. Dat
                            betekent dat de 21 jarige geen toeslag krijgt en de 22- jarige die
                            alleen wonend is een toeslag van 10 procent. Indien de 22 jarige de
                            woning deelt met een of meer anderen wordt de toeslag op 0 procent
                            bepaald. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlagen norm gehuwden</titel></kop><al>Op grond van artikel 26 WWB kan het college de gehuwdennorm verlagen
                            indien belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het
                            bestaan hebben dan waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of
                            gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.</al><al>Artikel 4 van deze verordening vormt het spiegelbeeld van artikel 3 van
                            deze verordening. Ingeval in de woning van de gehuwden een ander zijn
                            hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat er noodzakelijke kosten van
                            het bestaan gedeeld kunnen worden. Gekozen is voor een verlaging van 10
                            procent van de gehuwdennorm als één ander zijn hoofdverblijf in de
                            woning heeft en 20 procent als twee of meer anderen hun hoofdverblijf in
                            dezelfde woning hebben.</al><al>Artikel 4 lid 2 van deze verordening komt overeen met de bepaling zoals
                            opgenomen in artikel 3 lid 2 van deze verordening. Verwezen wordt dan
                            ook naar de toelichting zoals opgenomen bij artikel 3 van deze
                            verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verlagen algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten</titel></kop><al>Op grond van artikel 27 WWB kan het college de norm voor gehuwden, of de
                            toeslag voor een alleenstaande (ouder) lager vaststellen indien een
                            belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan
                            heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van zijn
                            woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.</al><al>Geen woonkosten</al><al>In artikel 5 onderdeel a van deze verordening is bepaald dat de norm of
                            toeslag wordt verlaagd met 20 procent van de gehuwdennorm indien een
                            woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn
                            verbonden. In artikel 1 van deze verordening is bepaald wat onder
                            woonkosten moet worden verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende
                                    huurprijs zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel d Wet op de
                                    huurtoeslag;</al></li><li nr="b."><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per
                                    maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van
                                    de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het
                                    in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en
                                    een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                    onderhoud.</al></li></lijst><al>Hieronder valt ook de situatie waarin er geen huur of hypotheeklasten
                            zijn, maar anderszins wel sprake is van andere woonlasten. Ook in dat
                            geval bedraagt de verlaging 20 procent van de gehuwdennorm. Van lagere
                            bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn: </al><lijst><li nr="a."><al>bij het niet aanhouden van een woning (in dat geval is artikel 5
                                    lid 1 onderdeel b van deze verordening van toepassing);</al></li><li nr="b."><al>bij bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn
                                    verbonden, bijvoorbeeld in het geval van krakers;</al></li><li nr="c."><al>indien een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de
                                    woonlasten betaalt van de woning.</al></li></lijst><al>Als een derde, bijvoorbeeld de ex-echtgenoot, de woonlasten van de door
                            belanghebbende bewoonde woning draagt, heeft het college de keuze om het
                            aldus verkregen woongenot aan te merken als inkomen in natura of de norm
                            of toeslag te verlagen op grond van artikel 27 WWB (zie ook TK
                            2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 54-55).</al><al>Overigens kan het college, indien noch in het kader van artikel 27 WWB
                            noch in het kader van artikel 33 lid 1 WWB rekening wordt gehouden met
                            de situatie waarin een ander dan belanghebbende de woonkosten betaalt,
                            de bijstand in voorkomende gevallen lager vaststellen op grond van het
                            individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB.</al><al>In artikel 5 onderdeel b van deze verordening is bepaald dat de
                            verlaging 10 procent van de gehuwdennorm bedraagt indien geen woning
                            wordt bewoond.</al><al>Deze bepaling ziet op de mogelijkheid om de uitkering van dak- en
                            thuislozen te verlagen omdat deze lagere bestaanskosten hebben dan
                            belanghebbenden die een woning bewonen. </al><al>Tegenover het ontbreken van kosten omdat geen woonruimte wordt
                            aangehouden, staat dat dak- en thuislozen regelmatig kosten zullen
                            moeten maken voor dak- en thuislozenopvang. Daarom is gekozen voor een
                            verlaging van slechts 10 procent van de gehuwdennorm.</al><al>In artikel 5 lid 3 is bepaald dat de korting 10% bedraagt als de
                            woonlasten met een derde die niet het hoofdverblijf in dezelfde woning
                            heeft, worden gedeeld.</al><al>Het verschil tussen artikel 5 lid 1 en artikel 5 lid 3 van deze
                            verordening is dat artikel 5 lid 1 slaat op de situatie dat een ander,
                            bijvoorbeeld de ex-partner de woonlasten <vet>betaalt</vet></al><al>(20% korting) en artikel 5 lid 3 op de situatie dat de woonlasten met
                            een derde die niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft, worden
                                <vet>gedeeld</vet> ( (10% korting). Bijvoorbeeld omdat een ander aan
                            de huur meebetaalt, zoals dat bij sommige jongeren die een kamer huren,
                            kan voorkomen. In dat geval worden de schaalvoordelen geacht gelijk te
                            zijn aan de schaalvoordelen, die van toepassing zijn op een
                            belanghebbende, in wiens woning één ander het hoofdverblijf heeft.</al><al>Artikel 5 is niet van toepassing op degene die daadwerkelijk inwonend is
                            bij zijn</al><al>ouder(s). In dat geval vindt een korting op de toeslag of norm plaats op
                            grond van artikel 3 lid 1 of artikel 4 lid 1 van deze verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Verlagen algemene bijstand schoolverlaters</titel></kop><al>Op grond van artikel 28 WWB kan het college voor een belanghebbende die
                            recent de deelname heeft beëindigd aan onderwijs of een
                            beroepsopleiding, de norm of de toeslag gedurende zes maanden na het
                            tijdstip van die beëindiging lager vaststellen. Het moet dan wel gaan om
                            onderwijs of een beroepsopleiding waarvoor aanspraak bestond op
                            studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 of op een
                            tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de schoolkosten op grond van
                            hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                            schoolkosten.</al><al>In artikel 6 lid 1 van deze verordening is bepaald dat de verlaging voor
                            schoolverlaters 10 procent van de gehuwdennorm bedraagt gedurende zes
                            maanden, gerekend vanaf het tijdstip van de beëindiging van de aanspraak
                            op de studiefinanciering of tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en de
                            schoolkosten. Deze verlaging kan echter niet worden toegepast ten
                            aanzien van een belanghebbende op wie artikel 3 lid 3 of 4 van deze
                            verordening van toepassing is (artikel 6 lid 2 van deze verordening).
                            Dit volgt uit artikel 30 lid 2 onderdeel b WWB waarin is bepaald dat
                            jegens een belanghebbende niet tegelijkertijd een
                            schoolverlaterverlaging en een verlaging voor een alleenstaande van 21
                            of 22 jaar mag worden toegepast. </al><al>Bij toepassing van de verlaging voor schoolverlaters is het volgende van
                            belang. Om de verlaging te kunnen toepassen moet voldaan zijn aan de
                            voorwaarde dat voor het onderwijs of de beroepsopleiding recht bestond
                            op studiefinanciering op grond van de Wet op de studiefinanciering 2000
                            (WSF 2000) of op een tegemoetkoming in de studiekosten op grond van
                            hoofdstuk 4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
                            (WTOS). Van belang is dat de belanghebbende daadwerkelijk recht heeft op
                            studiefinanciering en niet dat het volgen van de soort opleiding daar in
                            theorie recht op geeft. Dit volgt uit de bedoeling van de wetgever zoals
                            die blijkt uit de toelichting op artikel 28 WWB. Daarnaast is van belang
                            dat de belanghebbende zijn recht op studiefinanciering ontleent aan de
                            WSF 2000 of de WTOS. Een extraneus valt niet onder de WSF 2000. Daarvoor
                            is inschrijving als student vereist. Een voormalig extraneus is dus geen
                            schoolverlater in de zin artikel 28 WWB.</al><al>Indien het inkomen van belanghebbende voorafgaande aan de bijstand hoger
                            is dan de bijstandsnorm omdat belanghebbende naast zijn
                            studiefinanciering inkomsten uit bijvoorbeeld arbeid of stagevergoeding
                            ontving (en de belanghebbende er bij bijstandsverlening dus op achteruit
                            gaat in plaats van - zoals bij een overgang van alleen WSF 2000 naar
                            bijstand - op vooruit), maakt niet dat de schoolverlaterverlaging in
                            zo'n geval niet kan worden toegepast. De invloed van inkomsten naast de
                            studiefinanciering van de belanghebbende spelen in het kader van de
                            schoolverlaterverlaging geen rol.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende
                            omstandigheden en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden
                            aangemerkt. Zonder een anti-cumulatiebepaling zou dat echter kunnen
                            betekenen dat het college de bijstandsnorm (vanwege de samenloop van
                            verlagingen) dermate laag moet vaststellen, dat er feitelijk geen sprake
                            meer is van een toereikende uitkering. In voorkomende gevallen zou het
                            college de bijstand op grond van het individualiseringsbeginsel van
                            artikel 18 lid 1 WWB hoger moeten vaststellen. Er is voor gekozen reeds
                            in de Toeslagenverordening een absoluut minimumbedrag vast te leggen
                            waarop het college de bijstandsnorm (norm inclusief eventuele toeslag en
                            verlagingen) tenminste moet vaststellen.</al><al>Het individualiseringsbeginsel kan echter met zich meebrengen dat bij
                            samenloop ook bij een resterende bijstandsnorm die boven de in dit
                            artikel genoemde percentages ligt, toch aanleiding bestaat om tot
                            verhoging daarvan over te gaan, gelet op alle omstandigheden van de
                            belanghebbende.</al><al>Aan de verplichting van artikel 30 lid 2 onderdeel b WWB dat in de
                            Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de schoolverlaterverlaging
                            (artikel 28 WWB) en de leeftijdsverlaging (artikel 29 WWB) niet
                            gelijktijdig mogen worden toegepast, wordt reeds voldaan door de
                            formulering van artikel 6 lid 2 van de Toeslagenverordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2013, onder
                            intrekking van de Verordening Toeslagen en Verlagingen 2010, welke is
                            vastgesteld in de gemeenteraad van 17 juni 2010.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Deze verordening kent een verdere verlaging van de toeslag of norm
                            indien twee of meer anderen het hoofdverblijf in dezelfde woning hebben.
                            Op grond van deze overgangsbepaling treden de nieuwe bepalingen voor
                            bestaande cliënten pas drie maanden na datum inwerkingtreding van deze
                            verordening in werking.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>