<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR244647_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Doesburg</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-03-13</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Doesburg</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeentepagina, 28 december 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening onroerende-zaakbelastingen 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416&amp;artikel=220">Gemeentewet, artikel 220 tot en met 220h</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2014-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>20 december 2012, nr. 13</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>lokale heffingen</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-16004</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening op de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen
                2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Doesburg;</al><al/><al>gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 20
                        december 2012;</al><al/><al>gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;</al><al/><al>b e s l u i t :</al><al/><al>vast te stellen de:</al><al/><al><vet>Verordening op de heffing en de invordering van
                            onroerende-zaakbelastingen 2013</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Belastingplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder de naam ‘onroerende-zaakbelastingen’ worden met betrekking tot van
                            binnen de gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen
                            geheven:</al><lijst><li nr="a)"><al>een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar een onroerende zaak die niet tot woning dient, al
                                    dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk
                                    recht gebruikt, verder te noemen: gebruikersbelasting;</al></li><li nr="b)"><al>een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het
                                    kalenderjaar van een onroerende zaak het genot heeft krachtens
                                    eigendom, bezit of beperkt recht, verder te noemen:
                                    eigenarenbelasting.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Met betrekking tot de gebruikersbelasting wordt:</al><lijst><li nr="a)"><al>gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in
                                    gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat
                                    deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik
                                    heeft gegeven is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op
                                    degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;</al></li><li nr="b)"><al>het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor
                                    volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de
                                    onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de
                                    belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie die zaak ter
                                    beschikking is gesteld.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met betrekking tot de eigenarenbelasting wordt als genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het
                            begin van het kalenderjaar als zodanig in de kadastrale registratie is
                            vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende
                            krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Belastingobject</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in
                            hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die
                            op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is
                            vastgesteld voor die onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend
                            aan delen van die onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig
                            dienstbaar zijn aan de woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Maatstaf van heffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet
                            waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde
                            voor het kalenderjaar bedoeld in artikel 1.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld
                            op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt
                            de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige
                            toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18, en 20,
                            tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Vrijstellingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij het bepalen van de
                            heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is
                            geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de
                            waarde van:</al><lijst><li nr="a."><al>ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde
                                    cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de
                                    ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt
                                    voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de
                                    ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;</al></li><li nr="b."><al>glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek
                                    of teelt van gewassen, voorzover de ondergrond daarvan bestaat
                                    uit de in onderdeel a bedoelde grond;</al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare
                                    eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten
                                    van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van
                                    delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning; </al></li><li nr="d."><al>één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de
                                    voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet
                                    aan de in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van die wet
                                    bedoelde voorwaarden met uitzondering van de daarop voorkomende
                                    gebouwde eigendommen;</al></li><li nr="e."><al>natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen,
                                    heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door
                                    rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich
                                    uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon
                                    ten doel stellen, beheerd worden;</al></li><li nr="f."><al>openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per
                                    rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;</al></li><li nr="g."><al>waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd
                                    door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke
                                    rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige
                                    werken die dienen als woning;</al></li><li nr="h."><al>werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander
                                    afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of
                                    diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering
                                    van de delen van zodanige werken die dienen als woning;</al></li><li nr="i."><al>werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden
                                    afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die
                                    werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als
                                    gebouwde eigendommen zijn aan te merken</al></li><li nr="j."><al>onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt
                                    voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van
                                    delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden
                                    gebruikt voor het geven van onderwijs;</al></li><li nr="k."><al>straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde
                                    eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst ten
                                    gerieve of in het belang van het publiek, ten dienste van het
                                    verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten,
                                    verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,
                                    banken, abri’s, hekken en palen;</al></li><li nr="l."><al>plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in
                                    beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft van eigendom,
                                    bezit of beperkt recht, met uitzondering van de delen van
                                    zodanige onroerende zaken die dienen als woning;</al></li><li nr="m."><al>begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, een en ander met
                                    uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen
                                    als woning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid
                            bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor
                            zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom,
                            bezit of beperkt recht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de
                            heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten
                            de waarde van gedeelte van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot
                            woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan
                            woondoeleinden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Belastingtarieven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de
                            heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt voor:</al><lijst><li nr="a."><al>de gebruikersbelasting 0,1181 %</al></li><li nr="b."><al>de eigenarenbelasting</al><lijst><li nr="1)"><al>voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen
                                            0,1232 %</al></li><li nr="2)"><al>voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning
                                            dienen 0,1546 %</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor belastingbedragen tot € 5,00 vindt geen invordering plaats. Voor de
                            toepassing van de vorige volzin wordt het totaal van op een
                            aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen
                            onroerende-zaakbelastingen of andere heffingen aangemerkt als één
                            belastingbedrag. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Wijze van heffing</titel></kop><al>De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Termijnen van betaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990
                            moeten de aanslagen worden betaald in één termijn die vervalt op de
                            laatste dag van de tweede maand volgend op de maand die in de
                            dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien door de belastingplichtige toestemming is verleend voor
                            automatische incasso, worden de aanslagen ingevorderd in vijf gelijke
                            termijnen, waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de
                            maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is
                            vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het in het tweede lid gestelde zijn aanslagen met een
                            bedrag van minder dan € 30,00 en meer dan € 1.750,00 invorderbaar in één
                            termijn die vervalt op de laatste dag van de tweede maand volgend op de
                            maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van
                            de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde
                            beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van
                            overeenkomstige toepassing, voorzover deze gelijktijdig wordt opgelegd
                            met de vaststelling van de aanslag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste en
                            tweede lid gestelde termijnen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met
                        betrekking tot de heffing en de invordering van de
                        onroerende-zaakbelastingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding en citeertitel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De “Verordening onroerende-zaakbelastingen 2012” van 22 december,
                                nummer 6.2, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid
                                genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij
                                van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die
                                datum hebben voorgedaan.</al></li><li nr="2."><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na
                                die van de bekendmaking en werkt terug tot en met de in lid 3
                                genoemde datum.</al></li><li nr="3."><al>De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2013.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening
                                onroerende-zaakbelastingen 2013”.</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten door de raad van de gemeente Doesburg in zijn openbare
                        vergadering van 20 december 2012.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier,</ondertekening><ondertekening>J.B. Voorhof</ondertekening><ondertekening/><ondertekening> De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>drs. C.J.G. Luesink</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al><extref doc="/cvdr/images/Doesburg/i162033.pdf">Raadsbesluit </extref></al></bijlage></regeling></body></cvdr>