<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR244519_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Afstemming en handhaving Wet werk en bijstand c.s. 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Afstemming en handhaving Wwb c.s. 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1, onderdeel b</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 18, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 20, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, art. 35, lid 1 onderdelen b en d</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, art. 20, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-03-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>09 07 B9 Bijlage 3</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Afstemming en handhaving Wet werk en bijstand c.s. 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Onderwerp: Verordening Afstemming en handhaving Wet
                        werk en bijstand c.s. 2013</al><al>Datum: </al><al>20 december 2012</al><al>Besluitnr.: 09 07 B9</al><al/><al>De raad van de gemeente Heumen in openbare vergadering bijeen;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 november 2012, </al><al>gezien het advies van de commissie Welzijn van 6 december 2012,</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid onderdeel b en artikel 18, tweede lid van
                        de Wet werk en bijstand, artikel 20 tweede lid en artikel 35 eerste lid
                        onderdeel b en d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers en artikel 20 eerste lid van de
                        Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        gewezen zelfstandigen, </al><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, </al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen de </al><al><vet>VERORDENING AFSTEMMING EN HANDHAVING WET WERK EN BIJSTAND
                    </vet><vet>c.s. </vet><vet>2013</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader
                                worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en
                                bijstand, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte werkloze werknemers, Wet inkomensvoorziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, het
                                Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 en de Algemene wet
                                bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening verstaat onder</al><lijst><li nr="a."><al>Wwb: Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>Bbz: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;</al></li><li nr="c."><al>Ioaw: Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte werkloze werknemers;</al></li><li nr="d."><al>Ioaz: Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                        arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; </al></li><li nr="e."><al>belanghebbende: persoon met recht op bijstand ingevolge de
                                        Wwb, Bbz, Ioaw of Ioaz;</al></li><li nr="f."><al>Zelfstandige: een zelfstandige als bedoeld in artikel 78 f
                                        Wwb;</al></li><li nr="g."><al>Jongere: een meerderjarig persoon jonger dan 27 jaar;</al></li><li nr="h."><al>Ioaw/Ioaz-norm: de op belanghebbende van toepassing zijnde
                                        netto grondslag bedoeld in artikel 5, vierde lid Ioaw/Ioaz;
                                    </al></li><li nr="i."><al>Norm: de normen als bedoeld onder artikel 5 sub c van de Wwb
                                        of sub h voor zover van toepassing;</al></li><li nr="j."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Heumen;</al></li><li nr="k."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Heumen;</al></li><li nr="l."><al>oneigenlijk gebruik: het ten onrechte ontvangen van
                                        bijstand, als gevolg van het door belanghebbende handelen in
                                        strijd met het doel en de strekking van de Wwb, Bbz, Ioaw en
                                        Ioaz;</al></li><li nr="m."><al>zeer ernstig misdragen: het door de belanghebbende op een
                                        dusdanige wijze benaderen van het college, dan wel onder hem
                                        ressorterende personen die belast zijn met de uitvoering van
                                        de wet, dat dezen zich op een fysieke of psychische wijze
                                        dan wel een combinatie van beide, bedreigd voelen, onder
                                        omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de
                                        uitvoering van de wet; </al></li><li nr="n."><al>onverwijld uit eigen beweging mededelingen verstrekken: het
                                        moment waarop een belanghebbende geacht wordt </al><lijst><li nr="·"><al>direct nadat het feit zich heeft voorgedaan; </al></li><li nr="·"><al>dan wel zodra de belanghebbende kennis heeft van
                                                toekomstige feiten; </al></li><li nr="·"><al>doch uiterlijk bij het eerstvolgende
                                                rechtmatigheidsonderzoeksformulier; </al></li><li nr="·"><al>of, indien het rechtmatigheidsonderzoeksformulier
                                                niet van toepassing is, voor de eerste van de dag
                                                van de maand volgend op de maand waarin het feit of
                                                de omstandigheid als bedoeld in artikel 17 Wwb,
                                                artikel 13 Ioaw en artikel 13 Ioaz zich heeft
                                                voorgedaan;</al></li></lijst></li><li nr="o."><al>tegenprestatie: de door het college opgedragen onbeloonde
                                        maatschappelijk nuttige werkzaamheden;</al></li><li nr="p."><al>maatregelwaardige gedraging: een gedraging die een verlaging
                                        van de norm of bijzondere bijstand op grond van deze
                                        verordening tot gevolg heeft.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Bestrijding oneigenlijk gebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college draagt zorg voor de bestrijding van oneigenlijk gebruik
                            van de Wwb, Bbz, Ioaw en Ioaz.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij oneigenlijk gebruik als bedoeld in het eerste lid legt het college
                            een verlaging opovereenkomstig deze verordening. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>VASTSTELLEN EN TOEPASSEN VERLAGING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het toepassen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de
                                voorziening in het bestaan dan wel de uit de Wwb, Ioaw, Ioaz of de
                                uit artikel 30c van de Wet Structuur uitvoeringsorganisatie werk en
                                inkomen (Suwi), voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende
                                nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig
                                misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een verlaging
                                toegepast. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij/zij verkeert. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verlaging kan niet meer bedragen dan de bijstand waarop
                                belanghebbende recht zou hebben gehad gedurende de periode waarop de
                                verlaging betrekking heeft, indien er geen grond voor verlaging zou
                                zijn geweest. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De verlaging wordt toegepast op: </al><lijst><li nr="a."><al>de voor de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm of
                                    Ioaw/Ioaz-norm; </al></li><li nr="b."><al>de bijzondere bijstand, voor zover verstrekt voor
                                    levensonderhoud aan jongeren onder de 21 jaar;</al></li><li nr="c."><al>de bijzondere bijstand voor woonkosten. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een verlaging wordt toegepast, wordt de belanghebbende
                                    in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
                                </al></li><li nr="2."><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien: </al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet; of</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is
                                            gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich
                                            sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan; of</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het
                                    college of van een derde aan wie het college werkzaamheden in
                                    het kader van de bijstand heeft uitbesteed, om binnen een
                                    gestelde termijn medewerking te verlenen als bedoeld in artikel
                                    17 Wwb, artikel 13 Ioaw en artikel 13 Ioaz; of </al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van
                                    de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Waarschuwing of afzien van het opleggen van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college volstaat bij een maatregelwaardige gedraging als bedoeld
                                in artikel 11, derde lid van deze verordening met het geven van een
                                waarschuwing, tenzij binnen de voorafgaande 24 maanden een
                                vergelijkbare gedraging heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college ziet af van het opleggen van een verlaging indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die
                                        gedraging door het college heeft plaatsgevonden; of</al></li><li nr="c."><al>belanghebbende inmiddels geen bijstand meer ontvangt, tenzij
                                        de belanghebbende binnen een periode van 12 maanden opnieuw
                                        bijstand gaat ontvangen. In dat geval wordt een besluit
                                        genomen over het alsnog toepassen dan wel afzien van een
                                        verlaging op dat moment; of</al></li><li nr="d."><al>het college dringende redenen aanwezig acht. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college volstaat met het geven van een waarschuwing of
                                afziet van het opleggen van een verlaging op grond van dringende
                                redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling
                                gedaan. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                opleggen van de verlaging aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
                                Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende norm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien verlaging van de bijstand overeenkomstig het eerste lid niet
                                mogelijk is, wordt de bijstand verlaagd gedurende de eerstvolgende
                                maand(en) nadat aan belanghebbende binnen een jaar na de
                                beëindigingsdatum van de bijstand opnieuw bijstand is
                                toegekend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een verlaging wordt over één maand uitgevoerd. Het college kan het
                                noodzakelijk achten om uitvoering van de verlaging te spreiden over
                                meerdere maanden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor zover de bijstand nog niet is uitbetaald, wordt de verlaging
                                toegepast op de nabetaling van de betreffende bijstand </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid wordt, voor zover het een
                                zelfstandige betreft die bijstand voor het levensonderhoud in de
                                vorm van een geldlening op grond van het Bbz heeft ontvangen, de
                                verlaging met terugwerkende kracht betrokken bij de definitieve
                                vaststelling van die bijstand<cursief>.</cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen en recidive</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of meerdere in de Wwb, Ioaw, Ioaz genoemde verplichtingen,
                                wordt voor iedere gedraging gelijktijdig een afzonderlijke verlaging
                                opgelegd. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in de Wwb, Ioaw, Ioaz genoemde verplichtingen, wordt één
                                verlaging opgelegd. Indien voor schendingen van de verplichtingen
                                verlagingen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste
                                verlaging opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De duur van de verlaging wordt verdubbeld indien belanghebbende zich
                                binnen 12 maanden na de vorige verwijtbaar aangemerkte gedraging
                                opnieuw schuldig maakt aan dezelfde verwijtbare gedraging.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>SCHENDING VAN DE VERPLICHTINGEN MET
                                    BETREKKING TOT ARBEIDSINSCHAKELING EN TEGENPRESTATIE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden die schending opleveren van in de Wwb,
                            Bbz, Ioaz en Ioaw genoemde verplichtingen, worden onderscheiden in de
                            volgende categorieën: </al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie: </al><al>a.zich niet of niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                    bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, dan wel de
                                    registratie niet of niet tijdig laat verlengen. </al></li><li nr="2."><al>Tweede categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet ondertekenen of het niet aan het college
                                            verstrekken van een trajectplan, die geldt als bijlage
                                            bij het besluit tot toekenning of voortzetting van de
                                            bijstand. </al></li><li nr="b."><al>het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om
                                            op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen in
                                            verband met de inschakeling in de arbeid; </al></li><li nr="c."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling
                                            dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor
                                            scholing, opleiding of sociale activering; </al></li><li nr="d."><al>het niet verrichten van de door het college opgedragen
                                            onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid te verkrijgen of te aanvaarden in de periode
                                            voorafgaande aan de aanvraag tot bijstandsverlening dan
                                            wel na de datum van aanvraag; </al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende gebruikmaken van een door het
                                            college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9 eerste lid
                                            sub b en artikel 10 eerste lid van de Wwb, waaronder
                                            begrepen sociale activering, of artikel 37, eerste lid,
                                            onderdeel e van de Ioaw of Ioaz; </al></li><li nr="c."><al>gedragingen die overigens de inschakeling in de arbeid
                                            belemmeren; </al></li><li nr="d."><al>indien een zelfstandige niet meewerkt aan begeleiding
                                            door een door het college aangewezen derde.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al> Vierde categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>Indien een jongere in de 4 weken na melding geen of
                                            onvoldoende inspanningen heeft verricht om algemeen
                                            geaccepteerde arbeid en/of mogelijkheden in regulier
                                            bekostigd onderwijs te verkrijgen en recht heeft op
                                            bijstand, </al></li><li nr="b."><al>onredelijke eisen stelt en/of gedraging(en)en/of
                                            uiting(en) vertoont, die het verkrijgen van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid belemmeren.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>Vijfde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;
                                        </al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging bij een eerste verwijtbare
                                gedraging</titel></kop><al>De verlaging wordt vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>vijf procent gedurende een maand bij gedragingen van de eerste
                                    categorie; </al></li><li nr="b."><al>tien procent gedurende een maand bij gedragingen van de tweede
                                    categorie; </al></li><li nr="c."><al>twintig procent gedurende een maand bij gedragingen van de derde
                                    categorie; </al></li><li nr="d."><al>vijftig procent gedurende een maand bij gedragingen van de
                                    vierde categorie;</al></li><li nr="e."><al>honderd procent gedurende een maand bij gedragingen van de
                                    vijfde categorie.</al></li></lijst><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>OVERIGE GEDRAGINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Administratie zelfstandige</titel></kop><al>Indien een zelfstandige de administratie, als bedoeld in artikel 45 lid
                            2 Bbz, </al><lijst><li nr="a."><al>niet of niet naar behoren heeft gevoerd; of</al></li><li nr="b."><al>niet uit eigen beweging binnen zes maanden na afloop van het
                                    boekjaar heeft overgelegd; of</al></li><li nr="c."><al>op verzoek van het college niet binnen de daartoe door het
                                    college gestelde termijn heeft overgelegd, 
                                    wordt een verlaging opgelegd van 20% gedurende één maand bijstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond
                            als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de Wwb, wordt de bijstand
                            verlaagd: </al><lijst><li nr="a."><al>met 100% gedurende één maand, indien belanghebbende door de
                                    gedraging verwijtbaar geen of geen volledig recht heeft op een
                                    uitkering krachtens een sociale verzekering of een daarmee naar
                                    aard en doel overeenkomende buitenlandse regeling of private
                                    verzekering; </al></li><li nr="b."><al>met 100% gedurende de periode die belanghebbende niet op
                                    bijstand zou zijn aangewezen indien hij op verantwoordelijke
                                    wijze de middelen waarover hij beschikte of redelijkerwijs kon
                                    beschikken zou hebben aangewend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al>Indien aan belanghebbende één of meerdere verplichtingen zoals bedoeld
                            in de artikelen 55 en 57 Wwb, artikel 20, tweede lid Ioaw, artikel 20,
                            eerste lid Ioaz en art. 38, eerste lid Bbz 2004, zijn opgelegd en deze
                            niet in voldoende mate worden nagekomen, wordt een verlaging opgelegd
                            van 20% gedurende één maand.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Gedragingen als bedoeld in de artikelen 10 tot en met 13 van deze
                            verordening die gepaard gaan met zeer ernstige misdragingen hebben een
                                <onderstreept>extra</onderstreept> verlaging tot gevolg. Voor de
                            omvang van de extra verlaging geldt als richtlijn 100% gedurende één
                            maand. </al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>OVERIGE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Verlaging van de bijstand of uitkering</titel></kop><al>Het college verlaagt de bijstand overeenkomstig het bepaalde in deze
                            verordening, onverminderd de eventuele terugvordering van ten onrechte
                            ontvangen bijstand.</al><al/></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in
                            deze verordening, indien toepassing ervan tot kennelijke onbillijkheid
                            leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering
                            van deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inwerkingtreding, intrekking en overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2013. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Verordening Afstemming en handhaving Wwb c.s. 2012, vastgesteld
                                op 16 februari 2012, wordt gelijktijdig ingetrokken, met dien
                                verstande dat gedragingen die schending van de inlichtingenplicht
                                betreffen zijn begaan uiterlijk op de dag vóór de dag waarop deze
                                verordening in werking is getreden en voortduren op de dag waarop
                                deze verordening in werking is getreden, blijft het recht van
                                toepassing zoals dat gold op de dag vóór de dag waarop deze
                                verordening in werking is getreden, mits uiterlijk op de dertigste
                                dag na de dag waarop deze verordening in werking is getreden de
                                overtreding is opgeheven of geconstateerd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening Afstemming en
                            handhaving Wwb c.s. 2013’.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>LH</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Malden, 20 december 2012,</ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD;</ondertekening><ondertekening>De raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>L.Bosland.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>P.Mengde.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de
                            begripsbepalingen uit de Wwb, Bbz, Ioaw, Ioaz en Awb.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Bestrijding oneigenlijk gebruik</titel></kop><al>Dit artikel legt de verantwoordelijkheid bij het college neer om te
                            zorgen voor het bestrijden van</al><al>oneigenlijk gebruik. De gemeenteraad moet een verordening opstellen die
                            de handhaving of fraudebestrijding regelt (artikel 8a Wwb, artikel 35,
                            lid 1 sub c Ioaw/Ioaz). Deze verordening mag onderdeel zijn van de
                            Afstemmingsverordening. Aan de inhoud van het beleid worden geen eisen
                            gesteld, doch de gemeente moet een goed handhavingsbeleid voeren in het
                            kader van het financiële beheer. Dit financieel beheer brengt met zich
                            mee dat er voortdurend aandacht blijft bestaan voor de bestrijding van
                            oneigenlijk gebruik.</al><al>Van oneigenlijk gebruik is sprake indien een belanghebbende in strijd
                            met het doel en de strekking van een regeling handelt, waardoor de
                            gemeente ten onrechte bijstand of een uitkering verstrekt.
                            Belanghebbende heeft bijvoorbeeld de bijstand inzake inrichtingskosten
                            (gedeeltelijk) uitgegeven aan iets anders dan aan de (volledige)
                            inrichting van zijn huis.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 2.</vet><vet> VASTSTELLEN EN TOEPASSEN VERLAGING
                            </vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Het toepassen van een verlaging</titel></kop><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een uitkeringsgerechtigde
                            zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, dan wordt een
                            verlaging opgelegd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van
                            een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid
                            ontbreekt, ziet het college af van zo’n verlaging. De hoofdregel is dat
                            het college een verlaging dient af te stemmen op:</al><lijst><li nr="·"><al>de ernst van de gedraging; </al></li><li nr="·"><al>de mate van verwijtbaarheid; </al></li><li nr="·"><al>de persoonlijke omstandigheden.</al></li></lijst><al>Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke verlaging van
                            de bijstand zal moeten nagaan op welke wijze deze afgestemd dient te
                            worden. Een afwijking van de richtlijn kan zowel een verzwaring als een
                            matiging van de verlaging betekenen. De belanghebbende dient, alvorens
                            een verlaging opgelegd wordt, altijd in de gelegenheid gesteld te worden
                            zijn zienswijze te geven. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><al>De praktische uitvoering van een verlaging is vastgelegd in dit artikel:
                            uitgangspunt is dat een verlaging wordt toegepast op de van toepassing
                            zijnde norm. De Centrale Raad van Beroep heeft bepaald dat een verlaging
                            van de bijzondere bijstand op grond van artikel 18 lid 2 Wwb ook
                            mogelijk is (zie o.a. CRvB 02-03-2010, nr. 08/3397 Wwb). Toevoeging van
                            deze mogelijkheid is met name van belang voor die gevallen, waarin de op
                            belanghebbende van toepassing zijnde norm niet toereikend is, maar de
                            bijzondere bijstand wel en de gevallen, waarin belanghebbende
                            uitsluitend bijzondere bijstand ontvangt, maar belanghebbende
                            bijvoorbeeld tekort schiet in zijn besef van verantwoordelijkheid voor
                            de voorziening in het bestaan. </al><al>Bij een zelfstandige wordt de verlaging uitgevoerd op de algemene
                            bijstand voor het levensonderhoud en de in de jaarnorm opgenomen
                            bijzondere bijstand voor hoge woonkosten. Zie voor het begrip ‘jaarnorm’
                            artikel 1, sub g Bbz.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een
                            verlaging wordt toegepast inbeginsel voorgeschreven. De reden hiervan is
                            dat het college, voordat het een officieel besluit neemt,zoveel mogelijk
                            eenduidigheid moet verkrijgen over de feitelijke juistheid van de
                            vermeende verwijtbare gedraging in verband met de beoordeling van de
                            ernst van het feit, de mate vanverwijtbaarheid, eventuele verschoonbare
                            omstandigheden en eventuele persoonlijkeomstandigheden. Het vooraf horen
                            van een belanghebbende over zijn/haar zienswijze over de</al><al>vermeende niet-nakoming van zijn/haar verplichtingen kan hieraan
                            bijdragen. De hoorplicht kan in diezin tevens bijdragen aan het
                            voorkomen van bezwaar- en beroepsprocedures.</al><al>Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De
                            onderdelen a en b staan ookgenoemd in artikel 4:11 van de Algemene wet
                            bestuursrecht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Waarschuwing of afzien van het opleggen van een verlaging</titel></kop><al>Het uitgangspunt is dat de toepassing van verlagingen als een algemene
                            verplichting geldt voor hetcollege. De beleidsvrijheid die de wet aan
                            het college laat, betreft de duur en de hoogte van deverlaging en
                            nadrukkelijk niet de overweging óf een verlaging toegepast dient te
                            worden bij een</al><al>verwijtbare gedraging van een belanghebbende.</al><al>In sub b van het tweede lid van dit artikel is een andere reden
                            aangegeven om af te zien van hettoepassen van een verlaging, namelijk
                            wanneer de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden</al><al>(verjaring). Omwille van de effectiviteit (‘lik-op-stuk’) is het nodig
                            dat een verlaging spoedig nadat degedraging heeft plaatsgevonden wordt
                            toegepast. Om deze reden wordt onder b geregeld dat het</al><al>college geen verlagingen toepast voor gedragingen die langer dan één
                            jaar geleden hebbenplaatsgevonden.</al><al>In tweede lid onderdeel d. wordt geregeld dat het college kan afzien van
                            het toepassen van een verlaging indien het daarvoor dringende redenen
                            aanwezig acht. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de
                            concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd.
                            Uitgangspunt hierbij is een analoge uitleg van het begrip 'dringende
                            redenen' aan die in de Wwb- jurisprudentie van de Centrale Raad van
                            Beroep.</al><al>De rode draad in deze jurisprudentie is:</al><lijst><li nr="·"><al>dat dringende redenen zien op de gevolgen die een bepaald
                                    besluit heeft voor een belanghebbende, gelet op zijn
                                    persoonlijke omstandigheden. Dringende redenen zien dus
                                    nadrukkelijk niet op omstandigheden die betrekking hebben op de
                                    oorzaak en de verwijtbaarheid van niet-nakoming van een
                                    verplichting;</al></li><li nr="·"><al>dat met redelijke mate van objectiviteit vastgesteld dient te
                                    kunnen worden dat de dringende redenen zien op de
                                    onaanvaardbaarheid van de sociale en/of financiële consequenties
                                    van een besluit voor belanghebbende. De enkele omstandigheid dat
                                    een belanghebbende financieel zwaar getroffen wordt door een
                                    besluit is niet als dringende reden aan te merken;</al></li><li nr="·"><al>evenmin is het bestaan van (problematische) schulden aan te
                                    merken als dringende reden;</al></li><li nr="·"><al>dat verklaringen van hulpverlenende instanties van een
                                    belanghebbende hierbij een rol kunnen spelen. Tegelijkertijd
                                    behoudt het college de bevoegdheid om hiernaar een nader
                                    zelfstandig onderzoek in te stellen.</al></li></lijst><al>Het onderzoek naar dringende redenen tot het afzien van het toepassen
                            van een verlaging vindt door het college plaats indien door een
                            belanghebbende aantoonbaar een begin van bewijs van de aanwezigheid van
                            dringende redenen is overlegd dan wel wanneer daarvan anderszins uit
                            concrete feiten en omstandigheden als gevolg van het voorgenomen
                            besluit, is gebleken.</al><al>Het in het derde lid beschreven doen van een schriftelijke mededeling
                            dat het college afziet van hettoepassen van een verlaging wegens
                            dringende redenen is van belang in verband met eventuelerecidive. Deze
                            bepaling maakt tevens duidelijk dat indien zich een omstandigheid
                            voordoet als bedoeld in het eerste lid, te weten het ontbreken van elke
                            verwijtbaarheid dan wel het verlopen van een verjaringstermijn, dat in
                            dat geval het afzien van toepassing van een verlaging door het college
                            niet schriftelijk behoeft te worden kenbaar gemaakt aan belanghebbende.
                            Dit is ook logisch omdat een</al><al>dergelijk besluit, in tegenstelling tot het afzien van toepassing van
                            een verlaging wegens dringenderedenen, rechtens niet betrokken dient te
                            worden bij de beoordeling van recidive in de toekomst.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al><cursief>Lid 1 en 2.</cursief>Het toepassen van een verlaging
                            op de bijstand of uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt,
                            is een eenvoudige methode en sluit tevens aan bij lik-op-stuk beleid. De
                            verlaging wordt bij voorkeur uitgevoerd met ingang van de eerstvolgende
                            kalendermaand, waarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                            norm. </al><al><cursief>Lid 3</cursief><cursief>.</cursief>De verlaging wordt
                            over één maand uitgevoerd, tenzij dit in verband met omstandigheden niet
                            billijk is. De mogelijkheid bestaat om het bedrag dat in eerste
                            instantie gekort dient te worden over een maand te spreiden over
                            meerdere maanden. </al><al><cursief>Lid
                            </cursief><cursief>4</cursief><cursief>.</cursief>Wanneer
                            bijstand of uitkering nog niet (volledig) is uitbetaald, kan het
                            praktisch zijn om de verlaging te verrekenen met het bedrag dat nog moet
                            worden uitbetaald. </al><al><cursief>Lid </cursief><cursief>5</cursief><cursief>. </cursief>Bij een
                            zelfstandige die een uitkering voor het levensonderhoud heeft ontvangen
                            op grond van het Bbz, wordt de verlaging betrokken bij de definitieve
                            vaststelling van die bijstand.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Samenloop van gedragingen en recidive</titel></kop><al><cursief>Lid 1. </cursief>Als er sprake is van verschillende gedragingen
                            dan dient voor iedere gedraging afzonderlijk het verlagingpercentage te
                            worden berekend en gelijktijdig te worden opgelegd, tenzij dit tot
                            onbillijkheden leidt. Indien meerdere gedragingen van belanghebbende
                            leiden tot een die hoger is dan de norm, dan dient de verlaging over
                            meerdere maanden te worden gespreid (zie ook artikel 7 van deze
                            verordening).</al><al><cursief>Lid 2</cursief><cursief>.</cursief>Indien sprake is
                            van één gedraging die als een schending van meerdere verplichtingen kan
                            worden aangemerkt, dan dient voor het toepassen van de verlaging te
                            worden uitgegaan van de verplichting waarop de zwaarste verlaging van
                            toepassing is.</al><al><cursief>Lid 3.</cursief>Is binnen 12 maanden na een eerste
                            verwijtbare gedraging sprake van herhaling van de verwijtbare gedraging,
                            dan wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht
                            in een verdubbeling van de duur van de verlaging. Met ‘vorige
                            verwijtbare gedraging’ wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding
                            is geweest tot een verlaging van de bijstand of uitkering, ook indien de
                            verlaging uiteindelijk wegens dringende redenen niet is toegepast. Voor
                            het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden geldt het
                            tijdstip waarop het besluit tot het opleggen van een verlaging bekend is
                            gemaakt aan belanghebbende. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 3.</vet><vet> SCHENDING VAN DE VERPLICHTINGEN MET
                                BETREKKING TOT ARBEIDSINSCHAKELING EN TEGENPRESTATIE</vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Indeling in categorieën</titel></kop><al>De gedragingen die verband houden met het niet of onvoldoende
                            medewerking verlenen aan hetverkrijgen of behouden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid, worden in vijf categorieënonderscheiden. Hierbij
                            is de ernst van de gedragingen het onderscheidend criterium. Een
                            gedraging</al><al>wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft
                            voor het niet verkrijgen ofbehouden van betaalde arbeid.</al><al>De Wwb volstaat met een algemene omschrijving van de plicht tot
                            arbeidsinschakeling. De concrete invulling van de verplichtingen dient
                            zoveel mogelijk te worden afgestemd op de situatie van de individuele
                            uitkeringsgerechtigde en de gevolgen die de gedragingen heeft voor het
                            re-integratietraject.</al><al>De eerste categorie gaat over de formele verplichting om zich als
                            werkzoekende te laten registreren en geregistreerd te doen blijven bij
                            het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.</al><al>De tweede categorie betreft de verplichting tot een actieve opstelling
                            ten aanzien vanarbeidsinschakeling en daarop gericht onderzoek.
                            Hieronder valt de verplichting om het trajectplan te ondertekenen (en te
                            retourneren). Het trajectplan bevat de afspraken met de belanghebbende
                            over diens re-integratie. Het (tijdig) voldoen aan een oproep voor
                            arbeidsbemiddeling of een onderzoek naar de mogelijkheden voor
                            arbeidsinschakeling en het meewerken aan een sociaal-medisch onderzoek
                            naar de mogelijkheden van de belanghebbende. </al><al>Daarnaast bestaat de mogelijkheid om bij het verwijtbaar niet meewerken
                            aan het leveren van een ‘tegenprestatie naar vermogen’ de uitkering van
                            de cliënt te verlagen met 10%. Het gaat hierbij om kortdurende,
                            niet-structurele, additionele en onbeloonde maatschappelijk zinvolle
                            activiteiten. Over het algemeen zal dit de cliënten betreffen die gezien
                            hun persoonlijke omstandigheden en hun verblijfsduur in de bijstand
                            weinig aansluiting (meer) hebben met de arbeidsmarkt. </al><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding
                            kunnen vormen toteen beroep op uitkering of het zonder noodzaak langer
                            laten voortduren daarvan. </al><al>De medewerkingsplicht aan de door het college aangeboden voorzieningen
                            treedt in de plaats van deverplichting tot het naar vermogen verkrijgen
                            van algemeen geaccepteerde arbeid en is als sluitendalternatief bedoeld
                            voor arbeidstoeleiding. Een verlaging is mogelijk bij het niet nakomen
                            van de verplichting tot een actieve opstelling op de arbeidsmarkt,
                            bijvoorbeeld de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om
                            voldoende en adequaat te solliciteren. De verplichting is gericht op de
                            bevordering van de zelfstandige bestaansvoorziening. Voor deelname aan
                            een voorziening geldt dat de kortste weg naar duurzame arbeid voorop
                            staat en dat vertraging (van het traject) door eigen toedoen van een
                            belanghebbende als een ernstige gedraging wordt beschouwd. </al><al>De vierde categorie betreft de jongere of degene die onredelijke eisen
                            stelt en/of gedragingen/uitingen vertoont, die het verkrijgen van
                            algemeen geaccepteerde arbeid belemmeren. Met onredelijke eisen wordt
                            bedoeld dat de belanghebbende alleen wenst te solliciteren op banen van
                            een bepaald niveau of in een richting waar nauwelijks banen voor handen
                            zijn.</al><al>De jongere is verplicht zich na melding, gedurende 4 weken, in te
                            spannen om geaccepteerde arbeid en/of mogelijkheden in regulier
                            bekostigd onderwijs te verkrijgen. Voldoet hij niet aan deze
                            verplichting, maar heeft hij wel recht op bijstand (hij kan op grond van
                            artikel 13 lid 2 Wwb niet van het recht op bijstand worden uitgesloten)
                            dan wordt een verlaging opgelegd. De inspanningsverplichting geldt voor
                            alle jongeren (dus ook de jongere, die deel uitmaakt van een gezin
                            waarvan tenminste 1 gezinslid 27 jaar of ouder is). </al><al>In de vijfde categorie gaat het om zeer ernstige gedragingen die onnodig
                            gebruik van bijstand tot gevolg hebben. Hier gaat het om het niet
                            aanvaarden of door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                            geaccepteerde arbeid voorafgaand aan de aanvraag of tijdens de periode
                            van bijstand/uitkering. Onder die omstandigheden acht het college het
                            daarom verdedigbaar dat ook voor deze gedraging een standaardverlaging
                            passend is van 100% gedurende een maand.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging bij een eerste verwijtbare
                                gedraging</titel></kop><al>Deze bepaling bevat de standaardverlagingen voor de vijf categorieën van
                            gedragingen die verband houden met het niet of onvoldoende medewerking
                            verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde
                            arbeid.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 4. </vet><vet> OVERIGE GEDRAGINGEN</vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Administratie zelfstandige</titel></kop><al>Een zelfstandige is verplicht zijn administratie naar behoren te voeren,
                            en deze uit eigen beweging binnen 6 maanden danwel binnen een door het
                            college bepaalde termijn, na afloop van het boekjaar waarover de
                            uitkering (als bedoeld in hoofdstuk II, par. 4 Bbz) is verleend of
                            aanspraak kan worden gemaakt op bijstand (als bedoeld in artikel 21
                            Bbz), aan het college te overleggen. Het niet of niet naar behoren
                            nakomen van een van deze verplichtingen is een maatregelwaardige
                            gedraging.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>Belanghebbende heeft de verplichting om voldoende besef van
                            verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan. Deze
                            verplichting geldt zowel in de periode voor als in de periode tijdens
                            bijstand of een uitkering. Dit betekent dat wanneer belanghebbende een
                            tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor
                            hij niet beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te
                            voorzien en als gevolg daarvan afhankelijk wordt of blijft van bijstand
                            of een uitkering, het college een verlaging kan opleggen.</al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
                            gedragingen blijken, zoals: </al><lijst><li nr="·"><al>het niet afsluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering,
                                    zodat bij arbeidsongeschiktheid geen verzekering is, maar een
                                    beroep gedaan moet worden op bijstand (zie onderdeel a);</al></li><li nr="·"><al>het niet nakomen van de verplichting tot instellen
                                    alimentatievordering;</al></li><li nr="·"><al>een onverantwoorde besteding van vermogen (let op: geldt niet
                                    voor de Ioaw’er, wel voor de Ioaz’er, zie art. 20 lid 1 Ioaz jo
                                    art. 8 lid 2 Ioaz) / geen of te late aanvraag doen voor een
                                    voorliggende voorziening;</al></li><li nr="·"><al>bedrijfsbeëindiging wegens wanbeleid, waardoor een beroep op
                                    bijstand gedaan moet worden;</al></li><li nr="·"><al>onverantwoorde bedrijfsinvesteringen, zoals een te dure
                                    bedrijfswagen of bedrijfsruimte, waardoor financiële problemen
                                    ontstaan.</al></li></lijst><al>In onderdeel b. is de hoogte van de verlaging de norm, maar de duur van
                            de verlaging is afhankelijk van de periode dat belanghebbende
                            onafhankelijk van bijstand of uitkering zou zijn gebleven, indien hij
                            wel voldoende besef van verantwoordelijkheid had getoond. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Nadere verplichtingen</titel></kop><al>Op grond van de artikel 55 en 57 Wwb, artikel 20 tweede lid IOAW,
                            artikel 20 eerste lid Ioaz en artikel 38 lid 1 Bbz kan het college,
                            naast de in respectievelijk de Wwb, Ioaw, Ioaz en Bbz (voor de
                            zelfstandige:) opgesomde verplichtingen, bepaalde andere verplichtingen
                            aan belanghebbende opleggen die strekken tot arbeidsinschakeling of
                            vermindering dan wel beëindiging van de bijstand of die het college
                            (voor de zelfstandige) nodig acht voor een doelmatige bedrijfs- of
                            beroepsuitoefening. Het niet nakomen van deze nadere verplichting(en)
                            levert een maatregelwaardige gedraging op.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al>Onder ‘zich zeer ernstig misdragen’ verstaat de wetgever ‘gedrag dat in
                            het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan
                            worden beschouwd’ en de mogelijkheid om dat gedrag te sanctioneren. De
                            Centrale Raad van Beroep (CRvB 30-06-2009, nrs 08/5699 Wwb e.a.) vindt
                            dat een zeer ernstige misdraging op zichzelf namelijk niet kan leiden
                            tot een verlaging van de bijstand, doch slechts in samenhang met een in
                            het kader van het niet nakomen van een uit de Wwb, Bbz, Ioaw en Ioaz
                            voortvloeiende verplichting. Met andere woorden: sanctionering van de
                            belanghebbende die zich zeer ernstig misdraagt is mogelijk, maar dan
                            alleen als verzwarende omstandigheid in combinatie met het niet nakomen
                            van een uit de Wwb voortvloeiende verplichting. Een belanghebbende kan
                            niet gesanctioneerd worden puur en alleen omdat hij zich zeer ernstig
                            misdraagt. Bij het vaststellen van de verlaging in de situatie waarin
                            belanghebbende zich ernstig heeft misdragen, zal vanzelfsprekend gekeken
                            moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van
                            verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden. </al><al>Het vaststellen van een verlaging staat geheel los van het doen van
                            aangifte bij de politie. Het college kan de verlaging opleggen, terwijl
                            de functionaris tegen wie de agressie zich richtte, aangifte kan doen
                            bij de politie.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 5. </vet><vet> OVERIGE BEPALINGEN</vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Verlaging van de bijstand of uitkering</titel></kop><al>Wanneer belanghebbende onvolledige of onjuiste informatie geeft, kan de
                            norm (tijdelijk) verlaagd worden conform deze verordening. Deze
                            verlaging is bedoeld om het nakomen van de verplichtingen en de hoogte
                            van de bijstand of uitkering op elkaar af te stemmen. Dit staat los van
                            het terugvorderen van de bijstand of uitkering, dat bedoeld is om de
                            situatie (weer) in overeenstemming te brengen met het recht.</al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 6</vet><vet>.</vet><vet> SLOTBEPALINGEN</vet></al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>De uitvoering van de Wwb, het Bbz, de Ioaw en Ioaz is geattribueerd aan
                            het college van burgemeester en wethouders. De gemeenteraad machtigt het
                            college voor het opstellen van nadere (beleids)regels.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inwerkingtreding, intrekking en overgangsrecht</titel></kop><al>Deze verordening wordt toegepast met ingang van 1 januari 2013 onder
                            gelijktijdige intrekking van de verordening 2012. Met de
                            inwerkingtreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                            SZW-wetgeving vallen gedragingen die schending van de inlichtingenplicht
                            betreffen onder het (strengere) boeteregime van de Wwb c.s. Echter art.
                            XXV, overgangsrecht is van toepassing.</al><al>Indien de gedraging van belanghebbende zich heeft voorgedaan in de
                            periode vóór inwerkingtreding, maar voortduren tot of geconstateerd
                            worden voor 31 januari 2013, dan geldt nog steeds de verordening 2012 in
                            plaats van het boeteregime.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Behoeft geen nadere toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>