<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR244512_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Verrekening bestuurlijke boete bij recidive Wet werk en bijstand 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-10-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Verrekening bestuurlijke boete bij recidive Wet werk en bijstand 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1, onderdeel i</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147, lid 1</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>09 07 B9 Bijlage 2</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Verrekening bestuurlijke boete bij recidive Wet werk en bijstand 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Onderwerp: Verordening Verrekening bestuurlijke
                        boete bij recidive Wet werk en bijstand 2013</al><al/><al>Datum: 20 december 2012</al><al>Besluitnr.: 09 07 B9</al><al/><al>De raad van de gemeente Heumen in openbare vergadering bijeen;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 november 2012, </al><al>gezien het advies van de commissie Welzijn van 6 december 2012,</al><al>gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel i van de Wet werk en
                        bijstand,</al><al>gelet op artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet, </al><al>b e s l u i t:</al><al>vast te stellen de </al><al><vet>VERORDENING </vet><vet>VERREKENING </vet><vet>BESTUURLIJKE BOETE
                        BIJ RECIDIVE </vet></al><al><vet>WET WERK EN BIJSTAND </vet><vet>2013</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="-"><al>Beslagvrije voet: beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen
                                    475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke
                                    Rechtsvordering;</al></li><li nr="-"><al>Recidiveboete: bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 18a,
                                    vijfde lid, van de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="-"><al>Bezit:waarde van de bezittingen waarover
                                    belanghebbende of diens gezin beschikt of redelijkerwijs kan
                                    beschikken, met uitzondering van het in de woning met
                                    bijbehorend erf gebonden vermogen, bedoeld in artikel 50, eerste
                                    lid, van de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="-"><al>Verrekenen:verrekening als bedoeld in artikel 60,
                                    vierde lid, van de Wet werk en bijstand.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>BESCHERMING BESLAGVRIJE VOET BIJ VERREKENING WEGENS RECIDIVE</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete zonder inachtneming van de beslagvrije voet.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verrekening, bedoeld in het eerste lid, geschiedt gedurende een
                                tijdvak van drie maanden vanaf het moment van de dagtekening waarop
                                de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het bezit van een belanghebbende niet ten minste driemaal de
                                toepasselijke bijstandsnorm bedraagt, verrekent het college de
                                recidiveboete gedurende één maand zonder inachtneming van de
                                beslagvrije voet. De verrekening geschiedt vanaf het moment van de
                                dagtekening waarop de bestuurlijke boete is opgelegd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aansluitend op verrekening als bedoeld in het eerste lid, verrekent
                                het college de recidiveboete in de daarop volgende twee maanden op
                                een dusdanige wijze dat belanghebbende blijft beschikken over een
                                inkomen ter hoogte van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot het inkomen, bedoeld in het tweede lid, worden ook middelen
                                gerekend als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdelen n en r,
                                van de Wet werk en bijstand.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>In afwijking van de artikelen 2 en 3 kan het college de recidiveboete
                            met inachtneming van de beslagvrije voet verrekenen indien: </al><lijst><li nr="a."><al>aannemelijk is dat verrekening op de wijze, bedoeld in de
                                    artikelen 2 of 3, zou leiden tot huisuitzetting van
                                    belanghebbende en diens gezin; of</al></li><li nr="b."><al>anderszins sprake is van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>De artikelen 2, 3 en 4 zijn van overeenkomstige toepassing op de
                            verrekening van de bestuurlijke boete, bedoeld in artikel 18a, eerste
                            lid, van de Wet werk en bijstand, indien en voor zover deze boete nog
                            niet is betaald op het moment van verrekening van de recidiveboete.
                        </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2013. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening Verrekening
                            bestuurlijke boete bij recidive Wet werk en bijstand 2013’. </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>BL</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Malden, </ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD;</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>L.Bosland.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>P.Mengde.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING </vet></al><al>Op 1 januari 2013 treedt de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid
                            SZW-wetgeving in werking. Voor de Wet werk en bijstand (Wwb)
                            introduceert deze wet de bestuurlijke boete bij een schending van de
                            inlichtingenplicht. Het college van burgemeester en wethouders (verder:
                            college) is verplicht de bestuurlijke boete met de lopende uitkering te
                            verrekenen. In beginsel moet bij deze verrekening de bescherming van de
                            beslagvrije voet in acht genomen worden. Is echter sprake van een
                            bestuurlijke boete wegens recidive (belanghebbende maakt zich binnen 12
                            maanden na de vorige verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig
                            aan dezelfde verwijtbare gedraging), dan kan het college besluiten
                            gedurende maximaal drie maanden met de beslagvrije voet te verrekenen. </al><al>De Wwb verplicht de gemeenteraad in een verordening nadere regels te
                            stellen over de bevoegdheid de beslagvrije voet tijdelijk buiten werking
                            te stellen bij verrekening van de recidiveboete. Gemeenten krijgen
                            daarmee de ruimte een afweging te maken van situaties of omstandigheden
                            waarin het buiten werking stellen van de beslagvrije voet niet
                            proportioneel wordt geacht.</al><al>De bevoegdheid van de gemeenteraad strekt zich slechts uit over het al
                            dan niet in acht nemen van de beslagvrije voet bij verrekening van de
                            recidiveboete. Daar waar terugvordering en invordering niet door de
                            wetgever is verplicht, blijft sprake van een bevoegdheid van het
                            college. Het is derhalve aan het college op deze onderdelen nadere
                            (beleids-)regels vast te stellen. </al><al>In het kader van pseudoverrekening kunnen gemeenten te maken krijgen met
                            verzoeken van andere gemeenten om een door hen opgelegde recidiveboete
                            te verrekenen. Het college dat de boete heeft opgelegd zal in dat geval
                            aangeven in hoeverre het de beslagvrije voet in acht wil nemen (volgens
                            de regels van zijn gemeentelijke verordening). De gemeente die de
                            uitkering verstrekt, moet in beginsel gehoor geven aan dit verzoek.
                            Mocht de beslagvrije voet niet gerespecteerd worden, dan kan de
                            belanghebbende het college waarvan hij uitkering ontvangt, verzoeken de
                            beslagvrije voet toch in acht te nemen. In artikel 60b, tweede lid, van
                            de Wwb is geregeld dat het college die de uitkering verstrekt, de
                            bevoegdheid heeft aan dit verzoek van belanghebbende tegemoet te komen.
                            Het ligt voor de hand dat het college bij de beslissing op dat verzoek
                            handelt analoog aan de regels die in de eigen gemeentelijke verordening
                            zijn vastgelegd. </al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING </vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>In deze bepaling is een aantal begrippen nader omschreven. De meeste
                            behoeven geen nadere toelichting. </al><al><cursief>Bezit </cursief></al><al>De verordening kent een definitie van het begrip bezit. Het gaat daarbij
                            om (de waarde van) alle bezittingen waarover een belanghebbende of diens
                            gezinsleden beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken. Bezittingen
                            kunnen zowel bestaan uit geld als op geld waardeerbare goederen. </al><al>Bij het begrip bezit zoals dat in deze verordening wordt gebruikt, gaat
                            het nadrukkelijk niet om vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Wwb.
                            Eventueel aanwezige schulden spelen immers geen rol en worden dus ook
                            niet op het bezit in mindering gebracht. Ook de vrijlatingen van artikel
                            34, tweede lid, van de Wwb zijn hier niet van toepassing. Een
                            belanghebbende die vanwege de volledige verrekening met de beslagvrije
                            voet zonder inkomsten komt te zitten, zal de bezittingen waarover hij
                            beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, volledig moeten aanwenden om
                            in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien. Een
                            uitzondering is gemaakt voor de door belanghebbende en zijn gezin
                            bewoonde (eigen) woning. </al><al><cursief>Verrekenen </cursief></al><al>De Wwb kent een ruimer begrip van verrekenen dan het Wetboek van
                            Burgerlijke Rechtsvordering. Voor de duidelijkheid is daarom een aparte
                            begripsbepaling opgenomen in de verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Verrekenen met beslagvrije voet bij voldoende bezit</titel></kop><al>Uitgangspunt van deze verordening is dat volledige verrekening met de
                            beslagvrije voet plaatsvindt voor de maximale termijn van drie maanden,
                            als een belanghebbende over voldoende bezittingen beschikt om dit op te
                            kunnen vangen. Dat uitgangspunt is vastgelegd in artikel 2 van deze
                            verordening. Van voldoende bezit is sprake als de waarde van de
                            bezittingen waarover belanghebbende beschikt (of redelijkerwijs kan
                            beschikken), ten minste driemaal de toepasselijke bijstandsnorm
                            bedraagt. Immers, bij aanwending of tegeldemaking van deze bezittingen,
                            zou een periode van drie maanden overbrugd moeten kunnen worden. N.B. De
                            beslagvrije voet is dat deel van de bijstandsnorm/het inkomen waarop
                            geen beslag kan worden gelegd, te weten 90% van de toepasselijke
                            bijstandsnorm.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verrekenen bij geen of onvoldoende bezit</titel></kop><al>Heeft een belanghebbende onvoldoende bezittingen om een periode van drie
                            maanden volledige verrekening met de beslagvrije voet te kunnen
                            overbruggen, dan verrekent het college slechts één maand zonder
                            inachtneming van de beslagvrije voet. Voor de overige twee maanden vindt
                            weliswaar verrekening met de beslagvrije voet plaats, maar niet
                            volledig. Belanghebbende blijft beschikken over een inkomen ter hoogte
                            van 80% van de toepasselijke bijstandsnorm. </al><al>Voor het percentage van 80 is aansluiting gezocht bij de
                            invorderingsmogelijkheden die de Belastingdienst heeft bij notoire
                            wanbetalers. Onder omstandigheden kan deze de beslagvrije voet (90% van
                            de toepasselijke bijstandsnorm) verlagen met 10% op grond van artikel
                            19, eerste lid, van de Invorderingswet 1990. </al><al>Met de gekozen opzet wordt enerzijds uiting gegeven aan het principe dat
                            fraude niet mag lonen. Het gaat hier immers om belanghebbenden die
                            herhaaldelijk hun inlichtingenplicht hebben geschonden. Daar mag een
                            duidelijk signaal tegenover staan. Anderzijds wordt rekening gehouden
                            met de zorgplicht van gemeenten. Het volledig buiten werking stellen van
                            de beslagvrije voet gedurende drie maanden kan kwalijke maatschappelijke
                            consequenties hebben. Dat moet voorkomen worden, nu de regeling daarmee
                            zijn doel voorbij zou schieten. </al><al>Een belanghebbende kan inkomsten uit arbeid hebben die op grond van
                            artikel 31, tweede lid, onderdelen n of r, van de Wwb worden vrijgelaten
                            voor de algemene bijstand. Bij verrekening van een recidiveboete tot 80%
                            van de bijstandsnorm, tellen deze inkomsten echter gewoon mee. Het
                            college laat deze inkomsten dus niet buiten beschouwing bij de
                            beoordeling van de vraag of een belanghebbende nog over voldoende
                            inkomen beschikt. Dat is geregeld in lid 3. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verrekenen met inachtneming beslagvrije voet</titel></kop><al>Hoewel het hier gaat om een herhaaldelijke schending van de
                            inlichtingenplicht, zijn situaties denkbaar waarin volledige verrekening
                            met de beslagvrije voet niet aanvaardbaar wordt geacht. Die situaties
                            komen aan de orde in artikel 4. Het gaat daarbij altijd om individuele
                            omstandigheden waaraan het college zal moeten toetsen. </al><al>In onderdeel a is geregeld dat het college kan besluiten in afwijking
                            van de artikelen 2 en 3 toch de beslagvrije voet te respecteren wanneer
                            volledige verrekening waarschijnlijk leidt tot huisuitzetting van
                            belanghebbende en diens gezin. Voorkomen moet worden dat een
                            belanghebbende door de volledige verrekening op straat komt te staan
                            omdat dit de problematiek alleen maar verergert, met alle
                            maatschappelijke kosten van dien. Een dreigende huisuitzetting wordt in
                            deze verordening gezien als een dringende reden om van verrekening met
                            de beslagvrije voet af te zien. Dat volgt uit het woord 'anderszins' in
                            onderdeel b. Ook bij aanwezigheid van andere dringende redenen dan een
                            dreigende huisuitzetting, kan het college rekening houden met de
                            bescherming van de beslagvrije voet. Van dringende redenen is niet snel
                            sprake. Het gaat slechts om incidentele gevallen, waarbij de behoeftige
                            omstandigheden waarin de belanghebbende en diens gezinsleden verkeren op
                            geen enkele andere wijze te verhelpen zijn. Het enkele feit dat het
                            belanghebbende door de verrekening aan middelen ontbreekt om in het
                            bestaan te voorzien, is op zich geen voldoende voorwaarde om te kunnen
                            spreken van dringende redenen. Te denken valt aan dreigende afsluiting
                            van gas-, water- en lichtvoorzieningen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Eerder opgelegde bestuurlijke boetes</titel></kop><al>In artikel 60b, derde lid, van de Wwb is bepaald dat de bevoegdheid om
                            te verrekenen met de beslagvrije voet ook van toepassing is op eerder
                            opgelegde bestuurlijke boetes voor zover op het moment van verrekening
                            van de recidiveboete, die eerdere boetes nog niet zijn betaald. Mocht
                            het college die eerdere, nog openstaande boetes gaan verrekenen, dan
                            regelt artikel 5 dat de bepalingen in deze verordening van
                            overeenkomstige toepassing zijn. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding en artikel 7. Citeertitel</titel></kop><al>Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting. </al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>