<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR244487_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:creator><dcterms:modified>2013-01-01</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Heumen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 8, lid 1 onderdeel c</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 18</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, art. 30</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>financiën en economie</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-07-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>09 07 B9 Bijlage 1</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet
                                nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Wet
                                werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>woning: een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als
                                        zelfstandige woonruimte is bewoond, alsmede de onroerende
                                        aanhorigheden, een woonwagen of een woonschip;</al></li><li nr="c."><al>woonkosten:</al><lijst><li nr="1."><al>indien een huurwoning wordt bewoond: de op de aanvraagdatum
                                        van het lopende huursubsidietijdvak per maand geldende
                                        huurprijs als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="2."><al>indien een eigen woning wordt bewoond: de tot een bedrag per
                                        maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering
                                        van de woning verschuldigde hypotheekrente, de in verband
                                        met het in eigendom hebben van de woning te betalen
                                        zakelijke lasten en een naar de omstandigheden vast te
                                        stellen bedrag voor onderhoud;</al></li><li nr="3."><al>onder zakelijke lasten wordt verstaan: de rioolrechten, het
                                        eigenaarsdeel van de onroerend-zaakbelasting, de
                                        opstalverzekering, het eigenaarsaandeel van de
                                        waterschapslasten;</al></li><li nr="4."><al>in­dien een woon­wa­gen in huur dan wel in eigendom wordt
                                        be­woond, de tot een be­drag per maand her­leide op 1 juli
                                        gel­den­de woon­kos­ten, als be­schre­ven in de Wet op de
                                        huurtoeslag en de Regeling jaarlijkse bijdragen eigen
                                        woonwagens.</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>Studerend kind: het kind dat</al><lijst><li nr="1."><al>uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs volgt;</al></li><li nr="2."><al>aanspraak kan maken op studiefinanciering op grond
                                                van de Wet studiefinanciering 2000; of</al></li><li nr="3."><al>voor een tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 4 van
                                                de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                                                schoolkosten in aanmerking komt.</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>De persoon die zorg nodig heeft: de persoon die</al><lijst><li nr="1."><al>aantoont door middel van een geldig indicatiebesluit
                                                dat hij is aangewezen op tien of meer uren per week
                                                zorg als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de
                                                Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, voor zover het
                                                betreft persoonlijke verzorging, verpleging,
                                                begeleiding verblijf of voortgezet verblijf, waarbij
                                                voor begeleiding, verblijf of voortgezet verblijf
                                                een dagdeel geldt als 4 uren en een etmaal als 24
                                                uren; </al></li><li nr="2."><al>aantoont dat hij voor in ieder geval tien van de
                                                uren zorg per week waarop hij op grond van het
                                                indicatiebesluit, bedoeld onder 1., is aangewezen,
                                                geen persoonsgebonden budget ontvangt en dat in
                                                ieder geval tien van die uren zorg per week niet
                                                worden verleend door een zorgaanbieder als bedoeld
                                                in artikel 1, onderdeel j, van de Algemene Wet
                                                Bijzondere Ziektekosten; </al></li></lijst></li><li nr="f."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Heumen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in deze verordening genoemde percentages worden berekend over de
                                norm voor gehuwden als bedoeld in artikel 21 aanhef onder c. van de
                                wet.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERHOGEN VAN DE BIJSTANDSNORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Toeslagen alleenstaanden en alleenstaande ouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan de alleenstaande of de alleenstaande ouder die géén aantoonbare
                                woonkosten zelf betaalt, wordt géén toeslag verstrekt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag voor de alleenstaande van 21 jaar bedraagt 10%.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag voor de alleenstaande van 22 jaar, in wiens woning geen
                                ander zijn hoofdverblijf heeft, bedraagt 15%.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De toeslag voor de alleenstaande van 23 jaar of ouder of de
                                alleenstaande ouder, in wiens woning géén ander zijn hoofdverblijf
                                heeft, bedraagt 20%.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De toeslag voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder, in wiens
                                woning een ander of meerdere anderen zijn/hun hoofdverblijf
                                heeft/hebben, bedraagt 10%.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In uitzondering op het vijfde lid bedraagt de toeslag 20%, als de
                                ander</al><al>- het ten laste komend kind is, of </al><al>- het meerderjarig studerend kind is wiens in aanmerking te nemen
                                inkomen niet meer bedraagt dan 70% van de norm voor gehuwden;
                                of</al><al>- de ander een inwonend meerderjarig kind of ouder is en zorg nodig
                                heeft van de alleenstaande of alleenstaande ouder voor ten minste 10
                                uren per week.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>CRITERIA VOOR HET VERLAGEN VAN DE BIJSTANDSNORM</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verlagingen norm gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De norm van de gehuwden die géén aantoonbare woonkosten zelf
                                betalen, wordt verlaagd met 20%.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De norm van de gehuwden in wiens woning een ander of meerdere
                                anderen zijn/hun hoofdverblijf heeft/hebben, wordt verlaagd met
                                10%.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het tweede lid is niet van toepassing indien </al><al>- reeds toepassing is gegeven aan het eerste lid; of</al><al>- de ander het meerderjarig studerend kind wiens in aanmerking te
                                nemen inkomen niet meer bedraagt dan 70% van de norm voor gehuwden;
                                of </al><al>- de ander een inwonend meerderjarig kind of ouder is en zorg nodig
                                heeft van (één van) de gehuwden voor ten minste 10 uren per
                                week.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college is bevoegd om daar waar toepassing van de verordening tot
                            onbillijke situaties leidt, van de hierboven genoemde regels af te
                            wijken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>Met de inwerkingtreding van de Verordening Toeslagen en verlagingen Wet
                            werk en bijstand 2013 vervalt de Verordening Toeslagen en verlagingen
                            Wet werk en bijstand 2012. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening Toeslagen en
                            verlagingen Wet werk en bijstand 2013’.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>LH</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Malden, </ondertekening><ondertekening>DE RAAD VOORNOEMD;</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De raadsgriffier,</ondertekening><ondertekening>L.Bosland.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>P.Mengde.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>ALGEMENE TOELICHTING </vet></al><al><vet>Systematiek van de bijstandsverlening</vet></al><al>Hoofdstuk 3 van de Wet Werk en Bijstand (Wwb), hierna de wet, kent voor
                            de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem van
                            landelijke basisnormen en gemeentelijke toeslagen en verlagingen. De
                            bijstandsnormen zijn geregeld in de artikelen 20 tot en met 24 van de
                            wet. De artikelen 25 tot en met 29 van de wet regelen de toeslagen en
                            verlagingen. </al><al>Op grond van artikel 8 eerste lid onderdeel c van de wet, stelt de
                            gemeenteraad bij verordening vast voor welke categorieën de norm wordt
                            verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria de hoogte van die
                            verhoging of verlaging wordt bepaald. Volgens artikel 30 derde lid van
                            de wet is een verhoging en verlaging alleen van toepassing op de norm
                            voor belanghebbenden van 21 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd die
                            niet in een inrichting verblijven.</al><al>Bij het afbakenen van de categorieën is getracht te komen tot eenvoudig
                            te hanteren criteria. De gemeente Heumen kent een forfaitaire benadering
                            met een beperkt aantal categorieën en criteria. Hiermee sluiten we aan
                            bij de landelijke benadering die de juridische toets veelvuldig heeft
                            doorstaan. De VNG heeft voor haar modelverordening ook gekozen voor de
                            forfaitaire benadering. Voordelen van een forfaitaire benadering
                            zijn:</al><al>Eenduidigheid: De systematiek laat direct en duidelijk zien in welke
                            situaties de toeslag (of verlaging) geldt. De klant weet snel in welke
                            categorie hij zich bevindt en op welke criteria de bijstand wordt
                            gebaseerd.</al><al>Eenvoudig: De categorieën en criteria zijn bovendien in aantal beperkt.
                            De mogelijkheid om voor specifieke gevallen uitzonderingen te regelen is
                            beperkt. </al><al>Vereenvoudiging uitvoering: Er is een korte beoordelingstoets. Een
                            GBA-check voldoet bij een eerste beoordeling. </al><al>In niet geregelde of uitzonderlijke gevallen heeft het college de
                            bevoegdheid om de bijstand bij wijze van individualisering afwijkend
                            vast te stellen. Deze mogelijkheid wordt geboden op grond van artikel 18
                            eerste lid van de wet. </al><al/><al><vet>Normen, toeslagen en verlagingen</vet></al><al><cursief>Normen</cursief></al><al>Voor personen van 21 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd bestaat er
                            een drietal basisnormen, te weten:</al><al>• Gehuwden: 100 procent van het wettelijk minimumloon (= de
                            gehuwdennorm).</al><al>• Alleenstaande ouders: 70 procent van de gehuwdennorm.</al><al>• Alleenstaanden: 50 procent van de gehuwdennorm.</al><al><cursief>Toeslagen</cursief></al><al>Een toeslag kan worden verstrekt aan een alleenstaande of alleenstaande
                            ouder indien de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet of
                            niet geheel gedeeld kunnen worden. De mogelijkheid tot het delen van
                            kosten wordt aanwezig geacht als naast de belanghebbende nog één of meer
                            anderen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Dan kunnen zaken
                            als huur, gas, water en licht, maar ook krant etc. worden gedeeld. Het
                            is overigens niet van belang of men deze kosten daadwerkelijk deelt. Dat
                            is een verantwoordelijkheid van de belanghebbende zelf. Het gaat
                            uitsluitend om de beoordeling of ‘deling van kosten’ mogelijk is. De
                            toeslag bedraagt ten hoogste 20 procent van de gehuwdennorm, zodat de
                            bijstand de volgende maxima kent:</al><al>• Alleenstaande ouders: 90 procent van de gehuwdennorm.</al><al>• Alleenstaanden: 70 procent van de gehuwdennorm.</al><al><cursief>Verlagingen</cursief></al><al>De Wwb kent de mogelijkheid om de toeslag lager vast te stellen of de
                            gehuwdennorm te verlagen in de volgende situaties:</al><al>Een lagere toeslag voor alleenstaanden of alleenstaande ouders of een
                            verlaging van de gehuwdennorm in verband met het geheel of gedeeltelijk
                            kunnen delen met een ander van algemeen de noodzakelijke kosten van het
                            bestaan (artikel 25 resp. 26 van de wet);</al><al>Een lagere toeslag voor alleenstaanden of alleenstaande ouders of een
                            verlaging van de gehuwdennorm in verband met de woonsituatie (artikel 27
                            van de wet);</al><al>Verlaging van de toeslag of norm in verband met het recentelijk
                            beëindigen van een studie (artikel 28 van de wet); of</al><al>Een lagere toeslag vaststellen voor alleenstaanden in verband met de
                            leeftijd van 21 of 22 jaar (artikel 29 van de wet).</al><al>Er is afgezien van de bevoegdheid om de toeslag of norm te verlagen in
                            verband met het recentelijk beëindigen van de studie. De wetgever
                            plaatst personen die aanspraak maken op een studiefinanciering of
                            tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten in een gunstiger
                            positie. Indien de studie wordt beëindigd en een beroep op de Wwb wordt
                            gedaan, komt er een einde aan die gunstige positie. De belanghebbende
                            wordt vervolgens nog extra benadeeld als er een verlaging plaatsvindt. </al><al>Een eventuele lagere toeslag is alleen van toepassing op de uitwonende
                            ex-student, die met de basisbeurs, toeslag en lening zelfs een hoger
                            inkomen kan hebben dan waarop hij recht zou hebben als hij bijstand
                            ontvangt. Bovendien is de hoogte van de studiebeurs afhankelijk van de
                            studie en wordt er een vast bedrag voor de kosten van het
                            levensonderhoud gehanteerd. Gelet hierop houdt een verlaging van de
                            bijstandsnorm of toeslag geen verband met lagere kosten voor
                            levensonderhoud, want de leefsituatie wijzigt niet bij het beëindigen
                            van de studie. Niet wenselijk is om bij de vaststelling van de bijstand
                            een verder onderscheid te maken op basis van studie voor de duur van
                            maximaal 6 maanden. Door geen gebruik te maken van deze mogelijkheid tot
                            verlaging, behoudt de verordening zijn eenvoud.</al><al>Overigens biedt de wet wel de mogelijkheid om schoolverlaters extra te
                            stimuleren om zo snel mogelijk aan het werk te gaan. Via de
                            Afstemmingsverordening zal dit geborgd worden.</al><al/><al><vet>ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING</vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die reeds zijn omschreven in de Wwb niet
                            afzonderlijk te definiëren in de verordening. Dit voorkomt dat in geval
                            van wijziging van de definities in de wet ook de verordening aangepast
                            moet worden. </al><al>Er zijn wel omschrijvingen opgenomen voor de begrippen ‘woning’ en
                            ‘woonkosten’. Voor de omschrijving van de ‘woning’ is aangesloten bij
                            omschrijving in de Wet op de huurtoeslag. In de Wet op de huurtoeslag is
                            ook het begrip ‘woonwagen’ opgenomen i.c. een verwijzing naar de
                            Huisvestingwet: “een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid,
                            onder f, van de Huisvestingswet, zonder eigen aandrijving”. Door
                            aansluiting te zoeken bij de Wet op de huurtoeslag wordt de verificatie
                            van medebewoning vereenvoudigd. Een check in de Gemeentelijke
                            Basisadministratie (GBA) volstaat.</al><al>Voor de omschrijving van het begrip woonkosten is aangesloten bij de
                            jurisprudentie. Zie hiervoor de uitspraak van CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7
                            NABW e.a. Het begrip woonkosten is voor de woningeigenaar uitgebreid met
                            de zakelijke lasten van de woning. De kosten voor het gebruik van de
                            woning, zoals energiekosten, vallen hier buiten.</al><al>Tot slot zijn er begripsomschrijvingen opgenomen van ‘studerend kind’ en
                            ‘de persoon die zorg nodig heeft’. In de wet zoals die in 2012 gold
                            waren deze begrippen opgenomen. Betreffende personen konden in 2012
                            uitgesloten worden van het gezin, zodat hun inkomen niet werd meegenomen
                            bij de berekening van de norm en gemeentelijke toeslag. Met het
                            verdwijnen van de gezinsnorm zijn zij automatisch geen onderdeel van het
                            gezin, maar zelfstandig subject voor de bijstand. Echter, zij kunnen wel
                            van invloed zijn op de gemeentelijke toeslag van de belanghebbende bij
                            wie zij inwonen. Door de begripsomschrijving over te nemen van de Wwb
                            2012 blijft de situatie zoals hij was.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Toeslagen alleenstaanden en alleenstaande ouders</titel></kop><al>Artikel 27 van de wet maakt het mogelijk om bij de berekening van de
                            toeslag rekening te houden met de woonsituatie. Gemiddeld geeft een
                            huishouden in een huurwoning per maand € 442 euro uit aan huur. Het
                            betreft hier de basishuur (kale huur plus subsidiabele servicekosten).
                            Wanneer de huurtoeslag wordt verrekend met de basishuur, komen we voor
                            alle huurders uit op een gemiddelde, netto (vaste) woonuitgavenpost van
                            € 385 per maand (prijspeil 2010). De overheid stelt dat een
                            woningbezitter zo'n 26,3% van zijn inkomen besteedt aan wonen. Dit is
                                <cursief>exclusief</cursief> de kosten van onderhoud en zakelijke
                            lasten. Voor een woningbezitter in de bijstand is dat minimaal € 243,--
                            per maand. Indien de alleenstaande of alleenstaande ouder geen
                            woonkosten betaalt, wordt verondersteld dat de overige noodzakelijk
                            kosten van het bestaan uit de norm betaald kunnen worden. Er wordt
                            daarom geen toeslag toegekend. Dit kan zich voordoen bij krakers, of als
                            de woonkosten worden betaald door een derde, bijvoorbeeld de ouders of
                            de ex-partner. </al><al>Indien het eerste lid van toepassing is, dan zijn de leden 2 tot en 5
                            van dit artikel niet van toepassing.</al><al>Artikel 29 Wwb geeft het college de bevoegdheid om een afwijkende
                            toeslag toe te passen indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte
                            van het minimum jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te
                            aanvaarden. Alleenstaanden van 21 of 22 jaar krijgen, gezien de hoogte
                            van de minimumjeugdloon, een aangepaste toeslag. </al><al>Op grond van artikel 30 tweede lid onderdeel a van de wet is de hoogte
                            van de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande of
                            alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. </al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt
                            verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen
                            worden (bijvoorbeeld huur en stookkosten, maar ook een krant). Daarbij
                            is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van
                            belang. Dat is een verantwoordelijkheid van de belanghebbende zelf.
                            Zolang er geen sprake is van een gezinssituatie moet er echter van
                            worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag
                            blijft op zijn plaats. In de Toeslagenverordening is daarom gekozen voor
                            een toeslag van 10 procent van de norm voor gehuwden in het geval
                            maximaal één of meer anderen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf
                            heeft/hebben. </al><al>Hierop wordt echter een tweetal uitzonderingen gemaakt. De kosten kunnen
                            in ieder geval niet geheel of gedeeltelijk gedeeld worden met
                            thuiswonende kinderen van 18 jaar of ouder die studeren en een inkomen
                            hebben op grond van de Wet studiefinanciering of de Wet tegemoetkoming
                            onderwijsbijdrage en schoolkosten, eventueel aangevuld met een eigen
                            inkomen tot maximaal 70% van de gehuwdennorm. Dit geldt ook voor de
                            zorgbehoevende die minimaal 10 uur per week zorg nodig heeft. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Verlagingen norm gehuwden</titel></kop><al>Als aan een woning van de gehuwden geen woonkosten verbonden zijn, is er
                            sprake van lagere bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 27 van
                            de wet geeft om die reden de mogelijkheid om de norm voor gehuwden te
                            verlagen. De norm wordt, in de situatie dat de gehuwden geen woonkosten
                            betalen, verlaagd met 20 procent. Dit is analoog aan het gestelde in
                            artikel 2 eerste lid.</al><al>Indien in de woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de
                            algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan nog verder gedeeld
                            worden.</al><al>Er is echter een tweetal uitzonderingen. De kosten kunnen in ieder geval
                            niet geheel of gedeeltelijk gedeeld worden met thuiswonende kinderen van
                            18 jaar of ouder die studeren en een inkomen hebben op grond van de Wet
                            studiefinanciering of de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en
                            schoolkosten, eventueel aangevuld met een eigen inkomen tot maximaal 70%
                            van de gehuwdennorm. Dit geldt ook voor de zorgbehoevende die minimaal
                            10 uur per week zorg nodig heeft. </al><al>Tot slot wordt er niet nogmaals een verlaging van 10 procent toegepast
                            in verband met een ander die zijn hoofdverblijf heeft in het woning van
                            de gehuwden, als er reeds een verlaging is toegepast in verband met het
                            niet betalen van woonkosten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Niet alle mogelijke praktijksituaties kunnen in een verordening worden
                            vastgelegd. Vandaar dat, naast de afstemmingsverplichting van artikel
                            18, eerste lid, van de wet, het college de bevoegdheid krijgt hierin te
                            voorzien. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>