<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR243610_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Brandbeveiligingsverordening Goeree-Overflakkee</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Goeree-Overflakkee</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-12-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Goeree-Overflakkee</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Huis-aan-huiskrant Groot Goeree-Overflakkee, 08-01-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Brandbeveiligingsverordening Goeree-Overflakkee</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0027466&amp;artikel=3&amp;g=2012-12-27">Wet veiligheidsregio’s, art. 3, lid 2</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0030461&amp;g=2012-12-27">Bouwbesluit 2012</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=149&amp;g=2012-12-27">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-02</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-09</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-06-30</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z-13-00348</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de Brandbeveiligingsverordening gemeente Dirksland 2010; de Brandbeveiligingsverordening Goedereede 2009; de Brandbeveiligingsverordening gemeente Middelharnis 2010; en de Brandbeveiligingsverordening gemeente Oostflakkee 2012.</al><al>Artikel 13 bevat een overgangsbepaling.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Brandbeveiligingsverordening Goeree-Overflakkee</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Goeree-Overflakkee;</al><al>gelezen het voorstel van de stuurgroep herindeling Goeree-Overflakkee van 29
                        november 2012;</al><al>gelet op artikel 3, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s, het
                        Bouwbesluit 2012 en artikel 149 van de Gemeentewet;</al><al>besluit:</al><al>vast te stellen de Brandbeveiligingsverordening Goeree-Overflakkee</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                        metaal of ander materiaal die op de plaats van bestemming
                                        hetzij direct, hetzij indirect met de grond verbonden is,
                                        hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond
                                        bedoeld om ter plaatse te functioneren;</al></li><li nr="b."><al>evenement: een evenement zoals bedoeld in de Algemene
                                        plaatselijke verordening Goeree-Overflakkee;</al></li><li nr="c."><al>gebruiksvergunning: een vergunning als bedoeld in artikel 2,
                                        eerste lid van deze verordening.</al></li><li nr="d."><al>inrichting: een voor mensen toegankelijke, tijdelijk
                                        ruimtelijk begrensde plaats voor zover het geen bouwwerk
                                        is;</al></li><li nr="e."><al>kampeerterrein: een terrein, geheel of gedeeltelijk bestemd
                                        tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen en
                                        kampeerhuisjes ten behoeve van recreatief
                                        nachtverblijf;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Deze verordening is niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld
                                in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, onder a;</al></li><li nr="b."><al>de Bouwverordening Goeree-Overflakkee.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>2</nr><titel>GEBRUIKSVERGUNNING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Gebruiksvergunningplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een door burgemeester en
                                wethouders verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te
                                nemen of te gebruiken, voor zover daarin:</al><lijst><li nr="a."><al>aan meer dan 10 personen bedrijfsmatig of in het kader van
                                        verzorging nachtverblijf zal worden verschaft;</al></li><li nr="b."><al>aan meer dan 10 personen jonger dan 12 jaar, of aan meer dan
                                        10 lichamelijk of geestelijk gehandicapte personen
                                        dagverblijf zal worden verschaft;</al></li><li nr="c."><al>meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen
                                        zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning
                                voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen, beperken en
                                bestrijden van de brandgevaar en het voorkomen en beperken van
                                ongevallen bij brand en al hetgeen daarmee verband houdt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                                toepassing op de in dit artikel bedoelde vergunning.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Kampeerterreinen dienen te voldoen aan de
                                brandveiligheidsvoorschriften kampeerterreinen zoals opgenomen in de
                                bij deze verordening horende bijlage Brandveiligheidsvoorschriften
                                Kampeerterreinen met bijbehorend begrippenkader.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag om een
                            gebruiksvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag en
                            kan de beslissing één maal voor ten hoogste zes weken verdagen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Weigeringsgronden gebruiksvergunning</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders weigeren de gebruiksvergunning, indien de in
                            de aanvraag vermelde wijze van gebruik van de inrichting niet
                            brandveilig is en door het stellen van voorwaarden geen brandveilig
                            gebruik kan worden bereikt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Wijzigen en intrekken gebruiksvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de gebruiksvergunning
                                wijzigen:</al><lijst><li nr="a."><al>indien een verandering van omstandigheden gelegen buiten de
                                        inrichting of van inzichten die bij de verlening van de
                                        gebruiksvergunning een rol hebben gespeeld dit noodzakelijk
                                        maakt, of</al></li><li nr="b."><al>op verzoek van de vergunninghouder.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de gebruiksvergunning
                                intrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>indien blijkt dat de vergunning op grond van onjuiste of
                                        onvolledige gegevens is verleend;</al></li><li nr="b."><al>indien blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft
                                        voldaan aan een voorwaarde van de vergunning;</al></li><li nr="c."><al>indien van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen
                                        30 weken na het onherroepelijk worden van de
                                        vergunning;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning gedurende een aansluitende periode
                                        van 30 weken of langer geen gebruik is gemaakt;</al></li><li nr="e."><al>indien het belang in verband waarmee de vergunning is
                                        verleend dit vereist op grond van een verandering van
                                        omstandigheden gelegen buiten de inrichting of van
                                        inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning en
                                        het niet mogelijk blijkt door wijziging van de vergunning
                                        dat belang voldoende te beschermen of op verzoek van de
                                        vergunninghouder.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Verplicht aanwezige bescheiden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In de inrichting waar activiteiten plaatsvinden waarvoor een
                                gebruiksvergunning is verleend als bedoeld in artikel 2, moet de
                                vergunning te allen tijde aanwezig zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan degene die is belast met de zorg voor de naleving van deze
                                verordening wordt de vergunning direct ter inzage gegeven.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>3:</nr><titel>HET VOORKOMEN VAN BRAND EN HET BEPERKEN VAN BRAND EN
                            BRANDGEVAAR</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Gebruikseisen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            artikelen 1.16,1.17 en 6.5 en in de afdelingen 6.5. 6.6, 7.1 en 7.2 van
                            het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676) zijn van overeenkomstige
                            toepassing op vergunningplichtige en niet-vergunningplichtige
                            inrichtingen. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>4:</nr><titel>HET BESTRIJDEN VAN BRAND EN HET VOORKOMEN EN BEPERKEN VAN ONGEVALLEN
                            BIJ BRAND</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Brandveiligheidsvoorzieningen</titel></kop><al>De eisen gesteld aan het brandveilig gebruik van bouwwerken in de
                            afdeling 6.7 en 6.8 van het Bouwbesluit 2012 (Stb. 2011, 416 en 676)
                            zijn, met uitzondering van de artikelen 6.28, 6.29 en 6.39 van
                            overeenkomstige toepassing op vergunningplichtige en
                            niet-vergunningplichtige inrichtingen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Bossen en (natuur)terreinen</titel></kop><al>De eigenaar en/of beheerder van een aaneengesloten of vrijwel
                            aaneengesloten gebied die voor meer dan de helft bestaat uit naaldhout,
                            een heideveld, een veen of een ander erf of terrein, voor zover niet
                            bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b van de Woningwet, en dat met
                            brandbare gewassen is begroeid, is verplicht de voorschriften op te
                            volgen, die burgemeester en wethouders geven tot het voorkomen van brand
                            en het beperken van de gevolgen van brand.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>PARAGRAAF</label><nr>5:</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Toezicht en naleving</titel></kop><al>Het toezicht op de naleving van de bepalingen van deze verordening wordt
                            opgedragen aan ambtenaren van de brandweer en daartoe door burgemeester
                            en wethouders aangewezen ambtenaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Bestuurlijke Boete</titel></kop><al>Overtreding van de regels van deze verordening kan worden beboet met een
                            bestuurlijke boete van maximaal het bedrag, genoemd in de
                            Arbeidsomstandighedenwet, artikel 34, vierde lid, onder 1.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Vervallen oude verordeningen</titel></kop><al>De volgende verordeningen vervallen:</al><lijst><li nr="a."><al>de Brandbeveiligingsverordening gemeente Dirksland 2010;</al></li><li nr="b."><al>de Brandbeveiligingsverordening Goedereede 2009;</al></li><li nr="c."><al>de Brandbeveiligingsverordening gemeente Middelharnis 2010;
                                </al></li><li nr="d."><al>de Brandbeveiligingsverordening gemeente Oostflakkee 2012. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een vergunning die is verleend onder werking van de in artikel 13
                                genoemde brandbeveiligingsverordeningen en die van kracht is op het
                                moment van inwerkingtreding van deze verordening wordt aangemerkt
                                als een vergunning krachtens deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om vergunning op grond van de in artikel 13 genoemde
                                brandbeveiligingsverordeningen is ingediend waarop nog niet is
                                beslist, wordt deze verordening toegepast.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om
                                vergunning krachtens één van de verordeningen als bedoeld in artikel
                                13 wordt beslist met toepassing van deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Kampeerterreinen welke gelegen zijn op het grondgebied van de
                                (voormalige) gemeenten Dirksland, Middelharnis en Oostflakkee dienen
                                binnen drie jaar na inwerkingtreding van deze verordening de
                                procedure te hebben opgestart om te gaan voldoen aan de bepalingen
                                zoals deze zijn vastgelegd in deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van haar
                            bekendmaking.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Brandbeveiligingsverordening
                            Goeree-Overflakkee</al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad</ondertekening><ondertekening>van de gemeente Goeree-Overflakkee op 2 januari 2013.</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.Mimpen C.A. Kleijwegt</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>Bijlage </titel></kop><al>Behorende bij de Brandbeveiligingsverordening Goeree-Overflakkee</al><al/><tussenkop>Brandveiligheidsvoorschriften kampeerterreinen</tussenkop><al/><tussenkop>Paragraaf 1 Bereikbaarheid</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten ten behoeve van
                    hulpverlening</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De bij de inrichting behorende brandkranen en andere
                            bluswaterwinplaatsen moeten worden vrijgehouden en bereikbaar zijn voor
                            blusvoertuigen, en wel zodanig dat hiervan onbelemmerd gebruik kan
                            worden gemaakt.</al></li><li nr="2."><al>Op het bij de inrichting behorende terrein moeten de beplanting, de
                            parkeerplaatsen, de laad- en losplaatsen en de plaatsen waar goederen en
                            afval worden opgeslagen of gedeponeerd, zodanig zijn gesitueerd, dat bij
                            brand het oprijden en opstellen van de voertuigen en andere hulpmiddelen
                            van de brandweer niet worden bemoeilijkt of belemmerd.</al></li><li nr="3."><al>Ten behoeve van het verkeer van de hulpverlenende diensten moet een
                            doorgaande route met een breedte van tenminste 3,5 meter en een hoogte
                            van tenminste 4,2 meter vrijgehouden worden. De doorgaande route moet
                            verhard zijn op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een
                            asbelasting van 10 ton (100kN) en een totaalgewicht van 15 ton
                            (150kN).</al></li><li nr="4."><al>Hekwerken en slagbomen die de route als bedoeld in artikel 1.3
                            blokkeren, moeten snel en gemakkelijk geopend kunnen worden. Indien deze
                            zijn voorzien van een slot moeten in overleg met de brandweer passende
                            voorzieningen worden aangebracht.</al><al/></li></lijst><tussenkop>PARAGRAAF 2 INRICHTING TERREIN</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 2 Indeling en constructie terrein</tussenkop><lijst><li nr=""><lijst><li nr="1."><al>De afstand van enig kampeermiddel tot de perceelsgrens is
                                    tenminste 5 meter.</al></li><li nr="2."><al>Permanente standplaatsen dienen zodanig te zijn gesitueerd dat
                                    brand niet eenvoudig van het ene kampeermiddel of kampeerhuisje
                                    naar een ander kampeermiddel of kampeerhuisje kan overslaan.
                                    Hieraan wordt voldaan indien:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>Op bestaande terreinen tussen de kampeermiddelen of kampeerhuisjes een
                            vrije ruimte is van tenminste 3 meter;</al></li><li nr="b."><al>Op bestaande terreinen een bouwkundige voorziening wordt getroffen,
                            waardoor een weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) van
                            20 minuten conform de NEN 6068 en de NPR 6091 wordt bereikt;</al></li><li nr="c."><al>Op nieuwe terreinen tussen de kampeermiddelen of kampeerhuisjes een
                            vrije ruimte is van tenminste 5 meter;</al></li><li nr="d."><al>Op nieuwe terreinen een bouwkundige voorziening wordt getroffen,
                            waardoor een WBDBO van 30 minuten conform de NEN 6068 en de NPR 6091
                            wordt bereikt.</al><lijst><li nr="3."><al>De in bovenstaande genoemde bedoelde afstandscriteria van 3
                                    meter vrije ruimte (of 20 minuten WBDBO) op een bestaand terrein
                                    met betrekking tot de afstand tussen een schuurtje en een
                                    kampeermiddel, kampeerhuisje of schuurtje gelegen op een
                                    naastgelegen standplaats kan vervallen wanneer aan onderstaande
                                    voorwaarden wordt voldaan:</al><lijst><li nr="a."><al>In het schuurtje mag geen vaste aansluiting op het
                                            elektriciteitsnet aanwezig zijn;</al></li><li nr="b."><al>In het schuurtje mogen geen vluchtige stoffen opgeslagen
                                            staan zoals benzine, terpentine, thinner e.d.;</al></li><li nr="c."><al>In het schuurtje mogen geen gasflessen opgeslagen
                                            staan;</al></li><li nr="d."><al>In het schuurtje mogen geen verwarmingsapparatuur
                                            geïnstalleerd zijn zoals een geiser of iets
                                            dergelijks;</al></li><li nr="e."><al>Het schuurtje mag niet gebruikt worden als extra
                                            slaapplaats.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Niet-permanente standplaatsen dienen zodanig te zijn gesitueerd
                                    dat een onbeheersbare brand wordt voorkomen. Hieraan wordt
                                    voldaan indien de standplaatsen zijn gesitueerd in een
                                    brandcompartiment van maximaal 1000 m² en:</al></li></lijst></li><li nr="a."><al>Op bestaande terreinen de WBDBO tussen de brandcompartimenten tenminste
                            20 minuten is;</al></li><li nr="b."><al>Op bestaande terreinen tussen brandcompartimenten een vrije ruimte is
                            van tenminste 3 meter;</al></li><li nr="c."><al>Op nieuwe terreinen de WBDBO tussen de brandcompartimenten tenminste 30
                            minuten is;</al></li><li nr="d."><al>Op nieuwe terreinen tussen brandcompartimenten een vrije ruimte is van
                            tenminste 5 meter;</al></li><li nr="e."><al>Een brandcompartiment zicht niet meer dan over één perceel
                            uitstrekt.</al><al>5.Kampeermiddelen op niet-permanente standplaatsen, niet gelegen in een
                            brandcompartiment zoals bedoeld in artikel 2.3, hebben een WBDBO tussen
                            deze kampeermiddelen van tenminste 20 minuten. Hieraan wordt voldaan
                            indien:</al></li><li nr="a."><al>Tussen de kampeermiddelen een vrije ruimte is van tenminste 3
                            meter;</al></li><li nr="b."><al>Een bouwkundige voorziening wordt getroffen conform de NEN 6068 en de
                            NPR 6091 wordt bereikt.</al><lijst><li nr="6."><al>De opstelling van de kampeermiddelen en kampeerhuisjes dient
                                    zodanig te geschieden, dat de blusvoertuigen van de brandweer en
                                    andere hulpverlenende diensten te allen tijde enig kampeermiddel
                                    of kampeerhuisje tot 40 meter kunnen benaderen.</al></li><li nr="7."><al>Indien de toegang tot een kampeermiddel of kampeerhuisje dat
                                    voor het verblijf van mensen is bestemd, meer dan 40 meter is
                                    verwijderd van een doorgaande (openbare) weg, moet een
                                    verbindingsweg tussen die toegang of dat vak en het openbare
                                    wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor brandweervoertuigen
                                    conform de voorwaarden in artikel 1.3.</al></li><li nr="8."><al>Afhankelijk van de aard en omvang van het kampeerterrein moet
                                    ten behoeve van de hulpverlenende diensten, naast de reguliere
                                    toegang, één of meerdere toe- of (nood)uitgangen aanwezig zijn.
                                    Dit ter beoordeling en goedkeuring van het bevoegd gezag.</al><al/></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 3 Bluswatervoorziening</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Afhankelijk van de omvang van het kampeerterrein moet ten behoeve van de
                            brandweer tenminste één primaire bluswatervoorziening aanwezig zijn.
                            Naast een primaire bluswatervoorziening moet een secundaire
                            bluswatervoorziening aanwezig zijn. </al></li><li nr="2."><al>Een plan voor de bluswatervoorziening moet ter beoordeling en
                            goedkeuring overgelegd worden aan het bevoegd gezag.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer er, in verband met de afwezigheid van een openbaar
                            waterleidingnet of de capaciteit hiervan is ontoereikend, binnen 40
                            meter van de toegang van een recreatieterrein geen primaire
                            bluswatervoorzieningen kan worden gecreëerd kan onder voorwaarden op
                            andere wijze worden voorzien in deze verplichting. Dit geldt ook indien
                            de capaciteit van het waterleidingnet onvoldoende is.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 4 Inrichtingstekening</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De beheerder van de inrichting draagt er zorg voor dat het bevoegd gezag
                            de beschikking heeft over een actuele inrichtingstekening.</al></li><li nr="2."><al>De inrichtingstekening maakt in ieder geval het volgende duidelijk:</al></li><li nr="a."><al>Aanduiding van brandblusmiddelen en brandblusvoorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>Aanduiding van bluswatervoorzieningen;</al></li><li nr="c."><al>Aanduiding van bluswaterwinplaatsen;</al></li><li nr="d."><al>De ligging van permanente en niet-permanente standplaatsen;</al></li><li nr="e."><al>Een exacte indeling van permanente en niet-permanente
                            standplaatsen;</al></li><li nr="f."><al>Een exacte aanduiding van de permanente standplaatsen waarop
                            kampeerhuisjes staan;</al></li><li nr="g."><al>De ligging van de centrumgebouwen.</al></li><li nr="3."><al>Wijzigingen betreffende de inrichtingstekening dienen onmiddellijk
                            kenbaar gemaakt te worden aan het bevoegd gezag.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 5 Gasflessendepots en propaantanks</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Gasflessendepots en propaantanks zullen aan de rand van het
                            kampeerterrein moeten worden gesitueerd en goed bereikbaar zijn, zonder
                            dat de opslaglocatie van gasflessen en gastanks bij een calamiteit de
                            bereikbaarheid van de incidentlocatie voor hulpverleningsdiensten en de
                            ontvluchting van aanwezigen op het kampeerterrein belemmert of in gevaar
                            brengt.</al></li><li nr="2."><al>Een gasflessenopslag moet voldoen aan de eisen zoals omschreven in deel
                            15 van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS 15), met name
                            Hoofdstuk 6 van deze PGS 15.</al><al/></li></lijst><tussenkop>PARAGRAAF 3 INSTALLATIES</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 6 Elektrische installatie(s)</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De elektrische installatie van het kampeerterrein, inclusief de
                            bouwwerken, moet tenminste voldoen aan het gestelde in het normblad NEN
                            1010 en de voorschriften van het energiebedrijf waarbij het
                            kampeerterrein is aangesloten.</al></li><li nr="2."><al>Alleen elektrische installaties van kampeermiddelen en kampeerhuisjes
                            die aan het gestelde in het normblad NEN 1010, de voorschriften van het
                            energiebedrijf en de keuringsvoorschriften K57 van de KEMA voldoen,
                            mogen aangesloten worden op de elektrische installatie van het
                            kampeerterrein.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 7 Gasinstallatie(s)</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Gasinstallaties, waaronder leidingen en toebehoren voor propaan of
                            butaan, moeten voldoen aan het gestelde in de normbladen NEN 1078 en/of
                            NEN 2920 en NPR 2921.</al></li><li nr="2."><al>Gasslangen voor butaangas en propaangas moeten voldoen aan het bepaalde
                            in het normblad NEN-EN 1763-1.</al></li><li nr="3."><al>Gasflessen die zijn gevuld met autogas (LPG) mogen niet worden gebruikt
                            en/of aanwezig zijn anders dan voor de aandrijving van hef- of
                            transportvoertuigen.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 8 Blusmiddelen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Op het kampeerterrein dienen voldoende brandblusmiddelen aanwezig te
                            zijn. De brandblusmiddelen moeten zijn aangebracht op de plaatsen zoals
                            aangegeven op de bij de melding behorende gewaarmerkte
                            inrichtingstekening.</al></li><li nr="2."><al>Draagbare blustoestellen moeten zijn voorzien van een rijkskeurmerk met
                            rangnummer en conform de NEN 2559 worden onderhouden.</al></li><li nr="3."><al>Brandslanghaspels moeten voldoen aan normblad NEN-EN 671-1.</al></li><li nr="4."><al>Alle brandblusmiddelen, brandbestrijdings- en beveiligingssystemen
                            moeten steeds:</al></li><li nr="a."><al>Voor onmiddellijk gebruik gereed zijn;</al></li><li nr="b."><al>In goede staat van onderhoud verkeren;</al></li><li nr="c."><al>Goed bereikbaar zijn;</al></li><li nr="d."><al>Als zodanig herkenbaar en zichtbaar zijn.</al></li><li nr="5."><al>Tenminste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                            onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid
                            en goede werking van de in de artikelen 8.2 en 8.3 beschreven
                            voorzieningen.</al><al/></li></lijst><tussenkop>PARAGRAAF 4 GEBRUIKSVOORSCHRIFTEN</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 9 Verbod voor roken/ open vuur en vuurwerk</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Het verbod van open vuur als bedoeld in artikel 5:34 van de APV moet,
                            daar waar nodig, op opvallende plaatsen duidelijk staan aangegeven door
                            middel van het opschrift “VERBODEN VOOR OPEN VUUR”; of door een
                            gestandaardiseerd symbool overeenkomstig het gestelde in de norm NEN
                            3011.</al></li><li nr="2."><al>Indien het kampeerreglement het branden in een vuurkorf of vuurton
                            toestaat, dient aan de volgende voorwaarden voldaan te worden:</al></li><li nr="a."><al>Er moet voortdurend toezicht zijn van een meerderjarig persoon;</al></li><li nr="b."><al>De vuurkorf of -ton moet op een open plaats staan, zodanig dat deze geen
                            gevaar oplevert voor de omgeving;</al></li><li nr="c."><al>Onder de vuurkorf, of -ton dient een ondergrond van zand te zijn, mocht
                            dit niet aanwezig zijn dan dient er een niet brandbare onderplaat
                            geplaatst te worden;</al></li><li nr="d."><al>Een vuurkorf of -ton moet zodanig zijn opgesteld of uitgevoerd dat deze
                            niet eenvoudig kan omvallen of kan worden omgestoten;</al></li><li nr="e."><al>De vuurkorf of -ton wordt niet verlaten alvorens het vuur gedoofd
                            is;</al></li><li nr="f."><al>In de directe nabijheid van de vuurkorf of -ton staan voldoende
                            blusmiddelen voor onmiddellijk gebruik gereed.</al></li><li nr="3."><al>Indien het kampeerreglement barbecueën toestaat, dient aan de volgende
                            voorwaarden te worden voldaan:</al></li><li nr="a."><al>Er moet voortdurend toezicht zijn van een meerderjarig persoon;</al></li><li nr="b."><al>De barbecue moet op een open plaats staan die tenminste 2 meter rondom
                            vrij is van opstallen, bomen en struiken;</al></li><li nr="c."><al>Een barbecue moet zodanig zijn opgesteld of uitgevoerd dat deze niet
                            eenvoudig kan omvallen of kan worden omgestoten;</al></li><li nr="d."><al>Vaste brandstof (niet anders zijnde dan briketten of houtskool) in een
                            barbecue mag alleen ontstoken worden met aanmaakblokjes,
                            aanmaakvloeistof en/of aanmaakgel;</al></li><li nr="e."><al>De barbecue mag niet worden verlaten alvorens het vuur gedoofd is;</al></li><li nr="f."><al>In de directe nabijheid van de barbecue staan voldoende blusmiddelen
                            voor onmiddellijk gebruik gereed.</al></li><li nr="4."><al>Verbod voor roken/open vuur en vuurwerk. Bij extreme droogte mag niet
                            worden gebrand (vuurkorf, vuurton, barbecue) met vaste brandstof (hout,
                            houtskool, briketten e.d.) in brandgevaarlijke natuurgebieden.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 10 Afval</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Afval moet worden verzameld in veilig opgestelde containers.</al></li><li nr="2."><al>De afstand tussen afvalcontainers met een inhoud groter dan 5 m3 dan wel
                            containerverzamelplaatsen en een gebouw moet tenminste 5 meter bedragen,
                            tenzij er tussen deze opslag en het gebouw een WBDBO van tenminste 30
                            minuten aanwezig is.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 11 Opslag van materialen</tussenkop><al>Het is verboden om voorwerpen of stoffen in de inrichting of in de omgeving
                    daarvan zodanig op te slaan of neer te zetten, dat daardoor het gebruik van
                    telefoons, blusmiddelen, vluchtwegen en toegangswegen bemoeilijkt en/of
                    geblokkeerd worden.</al><al/><tussenkop>Artikel 12 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale
                    bedrijfsuitoefening</tussenkop><al>Bij het verrichten of doen verrichten van werkzaamheden, waarbij
                    brandgevaarlijke stoffen of gereedschappen worden gebruikt, waarvan het gebruik
                    aanleiding kan geven tot het ontstaan van brand, moeten voldoende maatregelen
                    zijn getroffen tegen het ontstaan van brand.</al><al/><tussenkop>Artikel 13 Doorlopend toezicht</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Gedurende de tijd dat personen in de inrichting aanwezig zijn, moet voor
                            de naleving van de brandveiligheidseisen een verantwoordelijk persoon
                            oproepbaar zijn die de aanwijzingen van de met de controle belaste
                            ambtenaren op eerste aanzegging uitvoert of doet uitvoeren.</al></li><li nr="2."><al>Door of namens de vergunninghouder moet er doorlopend op worden
                            toegezien dat voor zover van toepassing:</al></li><li nr="a."><al>Vlucht- en toegangswegen, en aanduidingen daarvan, goed zichtbaar
                            zijn;</al></li><li nr="b."><al>Vlucht- en toegangswegen goed bereikbaar zijn;</al></li><li nr="c."><al>Blusmiddelen, en aanduidingen daarvan, goed zichtbaar zijn;</al></li><li nr="d."><al>Blusmiddelen goed bereikbaar en bedrijfsgereed zijn;</al></li><li nr="e."><al>De vastgestelde gedragsregels worden nageleefd.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 14 Logboek</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Binnen de inrichting is een logboek aanwezig. Het logboek ligt ter
                            inzage van de met controle belaste functionarissen van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het logboek bevat voor zover mogelijk een volledig en chronologisch
                            overzicht van buitengebruikstellingen en uitgevoerde onderhouds- en
                            controleactiviteiten en storings- en alarmmeldingen van:</al></li><li nr="a."><al>Verlichting en elektrische installaties;</al></li><li nr="b."><al>Installaties voor verwarming;</al></li><li nr="c."><al>Droge blusleidingen;</al></li><li nr="d."><al>Brandmeldinstallaties;</al></li><li nr="e."><al>Ontruimingsinstallaties;</al></li><li nr="f."><al>Brandblusinstallaties;</al></li><li nr="g."><al>Brandblusmiddelen.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 15 Brandveiligheidsinstructie</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De eigenaar van het kampeerterrein moet in overleg met het bevoegd gezag
                            een brandveiligheidsinstructie samenstellen ten behoeve van het
                            personeel.</al></li><li nr="2."><al>De brandveiligheidsinstructie moet:</al></li><li nr="a."><al>Op de door de met controle belaste functionarissen van de gemeente aan
                            te wijzen plaatsen worden opgehangen;</al></li><li nr="b."><al>Aan alle standplaatshouders kenbaar worden gemaakt;</al></li><li nr="c."><al>Aan nieuw personeel bij indiensttreding worden uitgereikt.</al></li><li nr="3."><al>Het personeel dient te worden geïnstrueerd betreffende de voor hun
                            functie geldende brandveiligheidsinstructie.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 16 Gedragsregels</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>In de overeenkomst voor standplaatshouders dienen gedragsregels
                            opgenomen te worden of is een verwijzing opgenomen naar een
                            huishoudelijk reglement waar die gedragsregels onderdeel van
                            uitmaken.</al></li><li nr="2."><al>In deze gedragsregels, die vooraf ter goedkeuring moeten worden
                            voorgelegd aan het bevoegd gezag dient in elk geval het volgende
                            opgenomen te worden:</al></li><li nr="a."><al>Een verwijzing naar de brandveiligheidsinstructie;</al></li><li nr="b."><al>Wettelijke bepalingen betreffende elektriciteit-, gas-, en
                            waterinstallaties</al></li><li nr="c."><al>Een verbod tot het gebruik van LPG-tanks, anders dan bestemd voor de
                            aandrijving van motorvoertuigen en speciaal daartoe ingerichte
                            wisseltanks voor de aandrijving van hef- en transportvoertuigen;</al></li><li nr="d."><al>Een voorschrift over het gebruik van propaan of butaan in flessen van
                            maximaal 45 liter tot een maximum van twee flessen (leeg of vol);</al></li><li nr="e."><al>Een verbod propaan- en butaanflessen te vullen met LPG;</al></li><li nr="f."><al>Een verbod tot het maken of gebruiken van open vuur, met uitzondering
                            van koken en braden op kooktoestellen;</al></li><li nr="g."><al>Een parkeerverbod voor wegen en doorgaande routes voor
                            hulpverleningsdiensten, anders dan de daartoe ingerichte
                            parkeerplaatsen;</al></li><li nr="h."><al>Een advies om in kampeermiddelen op permanente standplaatsen en in
                            kampeerhuisjes werkende en op een adequate plaats gemonteerde
                            rookmelders aan te brengen.</al></li><li nr="3."><al>De beheerder van de inrichting dient er op toe te zien dat de
                            gedragsregels worden nageleefd.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 17 Ontruimingsplan</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De exploitant van een kampeerterrein zal een door het bevoegd gezag
                            goedgekeurd ontruimingsplan moeten bezitten. Dit plan moet aanwezig zijn
                            op een nader door het bevoegd gezag aangegeven plaats.</al></li><li nr="2."><al>Op onregelmatige tijden moet een oefening van het ontruimingsplan
                            plaatsvinden. De met de controle belaste functionarissen van de
                            brandweer kunnen tijdstippen bepalen waarop de ontruimingsoefeningen
                            moeten plaatsvinden.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 18 Gelijkwaardigheid</tussenkop><al>Indien niet is voldaan aan enig voorschrift als bedoeld in de artikelen 1 tot en
                    met 17, dan moet de inrichting een mate van veiligheid bieden die tenminste
                    gelijk is aan de mate van veiligheid die is beoogd met de desbetreffende
                    artikelen. Het bevoegd gezag zal moeten beoordelen of een toereikende veiligheid
                    wordt gegarandeerd.</al><al/><tussenkop>BEGRIPPEN BRANDVEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN KAMPEERTERREINEN</tussenkop><al>In deze bijlage wordt verstaan onder:</al><al><vet>Aan- of uitbouw:</vet> Een op de standplaats en met het kampeermiddel of
                    hoofdgebouw verbonden gebouw dat ten dienste staat van het kampeermiddel of
                    hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan
                    dat kampeermiddel of hoofdgebouw.</al><al><vet>Bijgebouw:</vet> Een op de standplaats en van het kampeermiddel of
                    hoofdgebouw vrijstaand gebouw dat ten dienste staat van het kampeermiddel of
                    hoofdgebouw en door zijn ligging, constructie of afmetingen ondergeschikt is aan
                    dat kampeermiddel of hoofdgebouw.</al><al><vet>Bouwen:</vet> Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten,
                    vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel
                    of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. </al><al><vet>Compartiment:</vet>Een cluster van niet-permanente standplaatsen met
                    een maximale oppervlakte van 1000 m². Binnen een compartiment gelden geen
                    afstandcriteria ten aanzien van de overslag van brand. Tussen
                    brandcompartimenten geldt wel een afstandscriterium van 3 meter. Bij nieuwe
                    recreatieterreinen is echter een afstandscriterium tussen brandcompartimenten
                    van 5 meter van toepassing.</al><al><vet>Gasfles:</vet>Een voor meervoudig gebruik bestemde, cilindrische
                    metalen drukhouder die voorzien is van een aansluiting met klep- of
                    naaldafsluiter en een waterinhoud heeft van ten hoogste 150 liter.</al><al><vet>Gebouw:</vet>Elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke,
                    overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.</al><al><vet>Inrichting:</vet>Een voor mensen toegankelijke ruimtelijk begrensde
                    plaats, voor zover die geen bouwwerk is.</al><al><vet>Kampeermiddel:</vet> Niet als een bouwvergunningspichtig bouwwerk aan te
                    merken tenten, vouwwagens, kampeerauto’s, caravans of hiermee gelijk te stellen
                    onderkomens die bestemd zijn voor recreatief nachtverblijf en waarbij de
                    gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben. </al><al><vet>Kampeerovereenkomst:</vet> Overeenkomst tussen de houder van een
                    kampeerterrein en degene die een kampeermiddel of kampeerhuisje plaatst of
                    geplaatst houdt betreffende het plaatsen of geplaatst houden daarvan.</al><al><vet>Kleinschalig kampeerterrein:</vet> Een recreatiebedrijf met over het
                    algemeen recreatie als neventak, waarbij door aard, ligging en omvang van de
                    voorzieningen en koppeling met overige functies, minder intensief op het terrein
                    wordt gerecreëerd en naast verblijfsrecreatie sprake is van een subbestemming
                    waarvoor aan specifieke voorwaarden moet worden voldaan, met veelal de nadruk op
                    landschappelijke kwaliteiten.</al><al><vet>NEN:</vet> Een door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven
                    norm.</al><al><vet>Niet-permanente standplaats:</vet>Een standplaats bestemd voor het
                    plaatsen van één of meerdere kampeermiddelen, niet zijnde een stacaravan,
                    gedurende een bepaalde periode. De maximale periode betreft 1 maart tot en met
                    15 november van elk kalenderjaar of een andere periode, indien het
                    bestemmingsplan dit toelaat.</al><al><vet>Permanente standplaats:</vet>Een standplaats bestemd voor het
                    plaatsen van een kampeermiddel of kampeerhuisje, inclusief bij dat kampeermiddel
                    of kampeerhuisje behorende ondergeschikte onderkomens, zoals bijzettenten, dat
                    gedurende het gehele jaar aanwezig mag zijn.</al><al><vet>PGS:</vet>Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen.</al><al><vet>Primaire bluswatervoorziening:</vet> Mogelijkheid om middels een verbinding
                    met de bluswatervoorziening binnen drie minuten na aankomst, een tankautospuit
                    direct en onafgebroken van bluswater te voorzien. Dit (is normaliter een onder
                    druk staande voorziening, zoals een ondergrondse brandkraan en) ligt in beginsel
                    op maximaal 40 meter van de brandweeringang van een object.</al><al><vet>Secundaire bluswatervoorziening:</vet>Mogelijkheid om binnen 15
                    minuten na aankomst met een lage druk watertransport water op de brandhaard te
                    hebben welke ligt op maximaal 2 x 160 meter = 320 meter van het object. (Dit is
                    vaak open water met transport via één haler en één brenger, het zogenaamd
                    “aanjaagverband” met 2 tankautospuiten, maar kan ook een bluswaterriool zijn
                    (&lt; 5 meter opstelplaats 2e tankautospuit)).</al><al><vet>Recreatief nachtverblijf:</vet> Het zich bevinden in een kampeermiddel of
                    kampeerhuisje tussen 22.00 en 06.00 uur.</al><al><vet>Recreatieterrein:</vet> Dag- en verblijfsrecreatie zoals
                    kampeergelegenheden, verblijfsaccommodatie (zoals jeugdherberg of bungalowpark),
                    jachthavens.</al><al>Dieren- en plantentuinen, evenementengelegenheden, recreatiecentra en
                    visvijvers. </al><al>Een recreatieterrein is in algemene zin een terrein of plaats, geheel of
                    gedeeltelijk ingericht, en blijkens die inrichting bestemd, om daarop
                    gelegenheid te geven tot recreatief verblijf. </al><al><vet>Reglement:</vet> De voorwaarden met betrekking tot het gebruik van het
                    kampeerterrein en het verblijf daarop. </al><al><vet>Stacaravan:</vet> Een gebouw dat in zijn geheel kan worden verplaatst en is
                    bestemd voor recreatief nachtverblijf, waarbij de gebruikers hun hoofdverblijf
                    elders hebben.</al><al><vet>Standplaats:</vet> Het gedeelte van een kampeerterrein aangewezen voor
                    recreatief nachtverblijf in één of meerdere kampeermiddelen of een
                    kampeerhuisje.</al><al/><tussenkop>PARAGRAAF 1 BEREIKBAARHEID</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten ten behoeve van
                    hulpverlening</tussenkop><lijst><li nr="3."><al>De afstandsmaten zijn afkomstig uit de ‘Handleiding Bluswatervoorziening
                            en bereikbaarheid’ die in 2003 door de NVBR is uitgegeven.</al></li><li nr="4."><al>Bij een calamiteit mag de brandweer in haar opkomst niet gehinderd
                            worden door afgesloten hekwerken en/of slagbomen. Om dit te voorkomen
                            zullen in overleg met de brandweer passende voorzieningen getroffen
                            moeten worden. Een passende voorziening op een centrale plaats is
                            bijvoorbeeld een brandweersleutelkluis of brandweersleutelbuis.</al><al/></li></lijst><tussenkop>PARAGRAAF 2 INRICHTING TERREIN</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 2 Indeling en constructie terrein</tussenkop><al>2.De WBDBO van ieder kampeermiddel of kampeerhuisje of andere zaken op een
                    permanente standplaats ten opzichte van het aangrenzende kampeermiddel of
                    kampeerhuisje en andere zaken op een permanente standplaats moet op bestaande
                    terreinen minimaal 20 minuten bedragen. Dit betekent dat het kampeermiddel of
                    kampeerhuisje minimaal 3 meter vrij van het kampeermiddel of kampeerhuisje of
                    andere zaken van de buren dient te staan. Hierdoor wordt bewerkstelligd dat
                    altijd een vrije tussenruimte van 3 meter ontstaat tussen de eigendommen van
                    personen. De WBDBO van ieder kampeermiddel of kampeerhuisje of andere zaken op
                    een permanente standplaats ten opzichte van het aangrenzende kampeermiddel of
                    kampeerhuisje en andere zaken op een permanente standplaats moet op nieuwe
                    terreinen minimaal 30 minuten bedragen. Dit betekent dat het kampeermiddel of
                    kampeerhuisje minimaal 5 meter vrij van het kampeermiddel of kampeerhuisje of
                    andere zaken van de buren dient te staan. </al><al>Onder nieuwe terreinen verstaan we terreinen die op het moment van bekendmaking
                    van de Brandbeveiligingsverordening nog niet waren aangelegd en terreinen die
                    geherstructureerd of uitgebreid worden. </al><lijst><li nr="3."><al>Wanneer zonder grote infrastructurele aanpassingen binnen de permanente
                            kampeerplekken op bestaande terreinen niet kan worden voldaan aan de eis
                            om minimaal 3 meter vrije tussenruimte (of 20 minuten WBDBO) tussen een
                            schuurtje en een kampeermiddel of kampeerhuisje te creëren kan onder
                            onderstaande voorwaarden, met betrekking tot het gebruik van het
                            schuurtje welke bij het kampeermiddel of kampeerhuisje staat, worden
                            afgeweken aan deze verplichting:</al></li><li nr="a."><al>Het schuurtje mag geen vaste aansluiting hebben op het
                            elektriciteitsnet, dit om te voorkomen dat men elektrische apparatuur
                            gaat installeren zoals frituurpan en oven. Dit geeft een extra
                            brandrisico zeker als men dit vergeet uit te zetten als men weer naar
                            huis gaat. Ook als men een lamp laat branden geeft dit een extra
                            brandrisico.</al></li><li nr="b."><al>In het schuurtje mogen geen vluchtige stoffen opgeslagen staan zoals
                            benzine, terpentine, thinner e.d. Ook deze stoffen geven een extra
                            brandrisico;</al></li><li nr="c."><al>In het schuurtje mogen geen gasflessen opgeslagen staan;</al></li><li nr="d."><al>In het schuurtje mogen geen verwarmingsapparatuur geïnstalleerd zijn
                            zoals een geiser of iets dergelijks;</al></li><li nr="e."><al>Het schuurtje mag niet gebruikt worden als extra slaapplaats.</al></li><li nr="4."><al>Niet permanente standplaatsen dienen zodanig te zijn gesitueerd dat
                            overslag van brand niet onbeperkt kan plaatsvinden. Dit kan worden
                            gerealiseerd door niet permanente standplaatsen te situeren in een
                            brandcompartiment van maximaal 1000 m². De WBDBO tussen de
                            brandcompartimenten is afhankelijk van het soort terrein (bestaan of
                            nieuw) 20 of 30 minuten, te realiseren door een vrije ruimte van
                            minimaal 3 of 5 meter tussen de brandcompartimenten.</al></li><li nr="5."><al>Een snelle brandoverslag bij kampeervakken voor niet-permanente
                            standplaatsen, niet gelegen in een brandcompartiment, kan worden
                            voorkomen door een WBDBO tussen de standplaatsen van tenminste 20
                            minuten. Dit betekent dat op dergelijke standplaatsen de kleine tentjes
                            bij een hoofdtent worden geschaard en er tussen deze kampeermiddelen
                            geen afstand in acht genomen dient te worden. Het is aan de exploitant
                            om een keuze te maken. Op het kampeerterreinen kunnen beide varianten
                            worden gebruikt. De motivatie voor de gelijkwaardigheid van
                            brandcompartimenten van max. 1000 m² luidt dat met de indeling in
                            (brand)compartimenten van maximaal 1000 m², die onderling gescheiden
                            zijn met een WBDBO van tenminste 30 minuten, wordt beoogd de
                            ongehinderde uitbreiding van een brand te beperken tot een gedeelte van
                            het kampeerterrein. Daardoor hebben de campinggasten die zich niet in
                            het gedeelte met de brand bevinden de gelegenheid veilig te ontkomen.
                            Tegelijkertijd wordt voorkomen dat de brand in korte tijd een zodanige
                            omvang aanneemt dat hij niet meer te beheersen is en kan maken dat er
                            onacceptabel veel slachtoffers vallen.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 3 Bluswatervoorziening</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>De gemeente is niet in alle situaties verplicht te voorzien in een
                            bluswatervoorziening. Bij het niet voorhanden zijn van (een toereikende)
                            openbare bluswatervoorziening kan de gemeente een exploitant verplichten
                            op eigen kosten te voorzien in een niet-openbare bluswatervoorziening
                            (op eigen terrein). </al></li><li nr="a."><al>Op of nabij (max. 40 meter) de ingang (toegang) van het kampeerterrein
                            dient een primaire bluswatervoorziening aanwezig te zijn in de vorm van
                            een (ondergrondse) brandkraan aangesloten op het (openbare)
                            drinkwaterleidingnet met een capaciteit van tenminste 60 m³/uur.</al></li><li nr="b."><al>Tevens dient een secundaire bluswatervoorziening aanwezig te zijn tot
                            enig kampeermiddel of gebouw op het kampeerterrein op een afstand van
                            maximaal 225 meter hemelsbreed, of 320 meter over de weg. De capaciteit
                            van 60 m³/uur moet gedurende 4 uur geleverd kunnen worden (middelbrand
                            situatie).</al></li><li nr="c."><al>Als de afstand tussen de secundaire bluswatervoorziening en het eind van
                            het kampeerterrein meer dan 225 m hemelsbreed of 320 meter over
                            (verharde) wegen bedraagt, kan niet worden voldaan aan de basiseis.</al></li><li nr="2."><al>Indien niet aan deze basiseisen kan worden voldaan, moet een plan van
                            aanpak worden gemaakt, waarin de primaire en secundaire
                            bluswatervoorziening worden geregeld en omschreven. Hierbij gelden de
                            volgende uitgangspunten: </al></li><li nr="a."><al>Voor elke opstelplaats voor de brandweer, waarvan de kampeermiddelen,
                            gebouwen en brandcompartimenten tot op 40 meter kunnen worden benaderd,
                            moet binnen 80 meter een primaire bluswatervoorziening aanwezig zijn. De
                            capaciteit van deze primaire bluswatervoorziening moet tenminste 30
                            m³/uur bedragen. Deze voorziening kan en mag worden uitgevoerd als
                            (horizontale) droge blusleiding met afnamepunten (buisdiameter tenminste
                            75 millimeter en uitgevoerd conform NEN 1594).</al></li><li nr="b."><al>Brandkranen en afnamepunten moeten tot op een afstand van maximaal 15
                            meter door blusvoertuigen kunnen worden benaderd via rijlopers, welke
                            voldoen aan het gestelde in artikel 1 “Vrijhouden van terreingedeelten
                            ten behoeve van de hulpverlening”.</al></li><li nr="c."><al>Bluswaterwinplaatsen en afnamepunten die aan het oog onttrokken kunnen
                            worden, moeten in de directe omgeving gemarkeerd worden met een
                            markering (met afstandsindicatie of vermelding op
                            bereikbaarheidskaart).</al></li><li nr="d."><al>Voor elke opstelplaats voor de brandweer, waarvan de kampeermiddelen,
                            gebouwen en brandcompartimenten tot op 40 meter kunnen worden benaderd,
                            moet binnen 225 meter hemelsbreed of 320 meter over (verharde) wegen een
                            secundaire bluswatervoorziening aanwezig zijn. De capaciteit van deze
                            secundaire bluswatervoorziening moet tenminste 30 m³/uur zijn en
                            gedurende tenminste 4 uur kunnen worden geleverd.</al></li><li nr="e."><al>De horizontale afstand tussen de opstelplaats van een blusvoertuig en
                            een (secundaire) bluswatervoorziening, mag niet meer bedragen dan 5
                            meter.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer op een bestaand recreatieterrein, omdat er geen waterleiding
                            aanwezig is of deze heeft onvoldoende capaciteit, niet kan worden
                            voldaan aan de eis om een primaire bluswatervoorziening te creëren
                            binnen 40 meter van de toegang tot het terrein dient op onderstaande
                            wijze te worden voldaan aan de vraag om voldoende bluswater:</al></li><li nr="a."><al>Er dient bij de toegang van het terrein en op eigen terrein een geboorde
                            put te worden aangelegd. Ook kan, indien open water in de vorm van een
                            vijver o.i.d. aanwezig is, een opstelplaats t.b.v. een brandweervoertuig
                            gecreëerd worden. Deze opstelplaats dient te voldoen aan de daarvoor
                            gestelde eisen. Deze bluswatervoorziening wordt dan aangemerkt als
                            primaire bluswatervoorziening.</al></li><li nr="b."><al>De in dit artikel genoemde eis tot voorziening voor een secundaire
                            bluswatervoorziening blijft verder wel onverkort van kracht.</al><al/></li></lijst><tussenkop>Artikel 4 Inrichtingstekening</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Een actuele inrichtingstekening biedt de met controle belaste
                            functionarissen van de gemeente onder meer de mogelijkheid te
                            controleren op overstand. In het geval van overstand kunnen geringe
                            afstanden tussen kampeermiddelen de kans op overslaande brand verhogen.
                            Plaatsing van kampeermiddelen buiten de standplaatsen kan
                            hulpverleningsdiensten in hun werk beperken.</al></li><li nr="2."><al>Per standplaats moet worden aangegeven of er sprake is van een
                            permanente of niet-permanente standplaats. Indien nodig wordt bij de
                            inrichtingstekening een legenda gevoegd, waaruit blijkt welke
                            standplaatsnummers een permanent karakter hebben, welke
                            standplaatsnummers een niet-permanent karakter hebben en op welke
                            permanente standplaatsen een kampeerhuisje staat.</al></li><li nr="3."><al>Bij wijzigingen dient de beheerder een geheel nieuwe inrichtingstekening
                            in te dienen.</al><al/></li></lijst><tussenkop>PARAGRAAF 3 INSTALLATIES</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 8 Blusmiddelen</tussenkop><lijst><li nr="1."><al>Om een beginnende brand op een juiste manier te kunnen bestrijden,
                            moeten een aantal voorzieningen aanwezig zijn. Het gaat hierbij om
                            brandbestrijdingsmiddelen die in de vorm van draagbare brandblusmiddelen
                            die op aanvaardbare loopafstand van de plaats van een kampeereenheid
                            bereikbaar en beschikbaar moeten zijn. Als een aanvaardbare loopafstand
                            wordt een afstand van maximaal 100 meter over begaanbare paden gezien.
                            Uiteraard is een centrale plaats waar dergelijke middelen aanwezig zijn
                            ideaal. Gedacht kan dan worden aan toilet- en sanitairgebouwen, receptie
                            en andere gebouwen met een speciale- of centrale functie op het
                            kampeerterrein. Op een kampeerterrein wordt bij voorkeur een
                            poederblusser met een minimaal gewicht van 6 kg opgehangen.</al></li><li nr="5."><al>Op grond van artikel 7.5 moet tenminste eenmaal per jaar op adequate
                            wijze het nodige onderhoud aan een blusmiddel worden verricht en de
                            goede werking ervan worden gecontroleerd. Doel van dit voorschrift is
                            dat de goede werking van het blusmiddel te allen tijde gewaarborgd is.
                            Overigens gaat het bij die voorgeschreven inspectie- en
                            controlefrequentie om een minimumvereiste. Het staat de exploitant van
                            een kampeerterrein derhalve vrij de blusmiddelen vaker te laten
                            controleren.</al><al/></li></lijst><tussenkop>PARAGRAAF 4 GEBRUIKSVOORSCHRIFTEN</tussenkop><al/><tussenkop>Artikel 13 Doorlopend toezicht</tussenkop><al>In dit artikel is het toezicht oproepbaar, terwijl in eerdere instanties het
                    toezicht aanwezig moest zijn. Naar huidige maatstaven kan worden volstaan met
                    oproepbaarheid. Het is dan wel redelijk om te eisen dat degene die oproepbaar is
                    binnen een bepaald tijdsbestek op het kampeerterrein aanwezig zal zijn.</al><al>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad</al><al>van de gemeente Goeree-Overflakkee op 2 januari 2013.</al><al>de griffier, de voorzitter,</al><al>J.Mimpen C.A. Kleijwegt</al></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting</label><nr/><titel>Brandbeveiligingsverordening</titel></kop><al><vet>Artikel 2 Gebruiksvergunningplicht</vet></al><al>Het college kan aan de vergunning voorwaarden verbinden. Deze voorwaarden kunnen
                    uitsluitend worden gesteld indien zij in het specifieke geval noodzakelijk zijn
                    in het kader van het voorkomen, beperken en bestrijden van brand, brandgevaar en
                    ongevallen bij brand. De voorwaarden kunnen onder meer betrekking hebben op: </al><lijst><li nr=""><al>Stoffering en versiering;</al></li><li nr=""><al>Uitgangen en vluchtwegen;</al></li><li nr=""><al>Installaties;</al></li><li nr=""><al>Standbouw, podia, kramen en dergelijke;</al></li><li nr=""><al>Verbrandingsmotoren;</al></li><li nr=""><al>Verbod voor open vuur en vuurwerk;</al></li><li nr=""><al>Bewaking en controle;</al></li><li nr=""><al>Openingstijden;</al></li><li nr=""><al>Terreininrichting;</al></li><li nr=""><al>Openluchtzwembaden;</al></li><li nr=""><al>Straatfestivals en barbecues;</al></li><li nr=""><al>Openluchtconcerten;</al></li><li nr=""><al>Braderieën;</al></li><li nr=""><al>Demonstraties;</al></li><li nr=""><al>Bluswatervoorziening;</al></li><li nr=""><al>Aanwezigheid van brandwachten;</al></li><li nr=""><al>Ventilatie en werkzaamheden;</al></li><li nr=""><al>Brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende
                            stoffen;</al></li><li nr=""><al>Verrichten van werkzaamheden die brand kunnen veroorzaken;</al></li><li nr=""><al>Opstellingsplannen;</al></li><li nr=""><al>Aanvalsplannen voor de brandweer;</al></li><li nr=""><al>Afval;</al></li><li nr=""><al>Doorlopend toezicht;</al></li><li nr=""><al>Brandveiligheidsinstructie en ontruimingsplan uitgaande van de bestaande
                            interne organisatie;</al></li><li nr=""><al>Het maximaal toelaatbare aantal personen in een ruimte van een
                            inrichting of in een inrichting met het oog op de brandveiligheid;</al></li><li nr=""><al>De maximale vuurbelasting, weergegeven in het aantal Mj/m2 gedeeld door
                            19 per oppervlakte van het brandcompartiment;</al></li><li nr=""><al>De plaats van, alsmede het aantal en het type draagbare blustoestellen
                            en/of minihaspels;</al></li><li nr=""><al>Aansluiting op het openbaar telefoonnet of aanwezigheid van mobiele
                            telefoons, omroepinstallaties (t.b.v. alarmering en ontruiming);</al></li><li nr=""><al>Vluchtwegaanduidingen.</al></li></lijst><al/><al>De op het grondgebied van de (voormalige) gemeenten Dirksland, Middelharnis en
                    Oostflakkee gelegen kampeerterreinen dienen binnen drie jaar na inwerkingtreding
                    van deze verordening de procedure te hebben opgestart om een gebruiksvergunning
                    aan te vragen om te kunnen voldoen aan het bepaalde in deze
                    Brandbeveiligingsverordening Goeree-Overflakkee.</al><al/><al><vet>Artikel 3 Beslistermijn</vet></al><al>In het eerste lid is bepaald dat het college binnen 12 weken na ontvangst de
                    beslissing neemt, waarbij de beslissing eenmaal voor een periode van hoogstens 6
                    weken kan worden uitgesteld. Om het voorgenomen gebruik mogelijk te maken, moet
                    de vergunning tijdig worden aangevraagd. Op de afhandeling van de aanvraag voor
                    een gebruiksvergunning zijn de algemene regels van de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb) van toepassing. </al><al/><al><vet>Artikel 4 Weigeringsgronden gebruiksvergunning</vet></al><al>De vergunning mag slechts en moet worden geweigerd indien de voorgenomen wijze
                    van gebruik van de inrichting in relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet
                    brandveilig is en naar het oordeel van het college ook niet door het stellen van
                    aanvullende voorwaarden brandveilig gemaakt kan worden of indien de
                    bouwvergunning is geweigerd.</al><al/><al><vet>Artikel 5 Wijzigen en intrekken gebruiksvergunning</vet></al><al>Een gebruiksvergunning heeft in principe een onbeperkte geldigheidsduur, de
                    vergunning kan echter wel worden gewijzigd of ingetrokken.</al><al/><al><vet>Artikel 7 Gebruikseisen</vet></al><al>In verband met het vervallen van het Gebruiksbesluit is dit artikel opgenomen.
                    Dit om een juiste afbakening te maken tussen regels van het Bouwbesluit
                    (bouwwerken) en deze verordening (niet-bouwwerken)</al><al/><al><vet>Artikel 8 Brandveiligheidsvoorzieningen</vet></al><al>In verband met het vervallen van het Gebruiksbesluit is dit artikel opgenomen.
                    Dit om een juiste afbakening te maken tussen regels van het Bouwbesluit
                    (bouwwerken) en deze verordening (niet-bouwwerken).</al><al/><al><vet>Artikel 10 Toezicht en naleving</vet></al><al>Het toezicht op de naleving van de brandbeveiligingsverordening berust krachtens
                    artikel 61 van de Wet veiligheidsregio's bij door burgemeester en wethouders
                    aangewezen ambtenaren.</al><al>De minister van Veiligheid en Justitie wijst op grond van artikel 65 van de Wet
                    veiligheidsregio's de ambtenaren aan belast met de opsporing van strafbare
                    feiten.</al><al/><al><vet>Artikel 11 Bestuurlijke boete</vet></al><al>De Wet veiligheidsregio's geeft de raad van een gemeente de bevoegdheid om,
                    indien de raad dat wenst, bij verordening te bepalen dat een bestuurlijke boete
                    wordt opgelegd voor overtreding van regels gesteld krachtens artikel 3, tweede
                    lid (brandbeveiligingsverordening) en derde lid (algemene maatregel van bestuur,
                    deze is nog niet opgesteld) van de wet. Het maximum bedrag van de boete mag niet
                    hoger zijn dan het bedrag, genoemd in artikel 34, vierde lid, onder 1°, van de
                    Arbeidsomstandighedenwet. voor 2011 is dat bedrag € 9.000.</al><al>De Wet veiligheidsregio's geeft geen verdere beschrijving van de uitvoering van
                    deze sanctie, zodat de gemeente alleen met de Awb rekening hoeft te houden.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>