<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR243492_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening Voorzieningen Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Ooststellingwerf</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-06-12</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Ooststellingwerf</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nieuwe Ooststellingwerver, 09-01-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening Voorzieningen Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0020031&amp;artikel=5">Wet maatschappelijke ondersteuning, art. 5</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raad, 18-12-2012, no. C.1</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Besluit Voorzieningen Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2013.</al><al>Beleidsregels Voorzieningen Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2013.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Ooststellingwerf 2010’, vastgesteld op 16 februari 2010, no. C.2</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening Voorzieningen Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/><al>De raad van de gemeente Ooststellingwerf;</al><al/><al>nr. C.1</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 6 november
                        2012;</al><al/><al>gelet op artikel 5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning;</al><al/><al>overwegende, dat de gemeenteraad bij verordening regels stelt met betrekking
                        tot het verlenen van individuele voorzieningen;</al><al/><al><vet>b e s l u i t :</vet></al><al/><al>vast te stellen de </al><al/><al><vet>VERORDENING VOORZIENINGEN WET MAATSCHAPPELIJKE
                            O</vet><vet>N</vet><vet>DERSTEUNING 2013</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1. Begripsomschrijvingen</nr></kop><structuurtekst><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colwidth="51*"/><colspec colname="col2" colwidth="49*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoofdstuk 1.
                                                  </vet><vet>Begripsomschrijvingen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 1. Aanmelding</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 2. Aanvraag</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 3. Algemeen gebruik voorzieningen</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 4. Algemene voorziening</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 5. Belanghebbende</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 6. Collectieve voorziening</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 7. College</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 8. Compensatieplicht</al></entry><entry colname="col2"><al>4</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 9. Eigen bijdrage of eigen aandeel</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 10. Financiële tegemoetkoming</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 11. Gebruikelijke zorg</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 12. Gesprek</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 13. Hoofdverblijf</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 14. Individuele voorziening</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 15. Mantelzorger</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 16. Persoonsgebonden budget</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 17. Psychosociaal probleem</al></entry><entry colname="col2"><al>5</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 18. Respijtvoorziening</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 19. Voorliggende voorziening</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 20. Voorziening in natura</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 21. Wet</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid 22. Wettelijk voorliggende voorziening</al></entry><entry colname="col2"><al>6</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoofdstuk 2. </vet><vet>Resultaatgerichte
                                                  co</vet><vet>m</vet><vet>pensatie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 2. De te bereiken resultaten</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>7</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoofdstuk 3. </vet><vet>Hoe te komen tot de te
                                                  b</vet><vet>e</vet><vet>reiken </vet></al><al><vet>resultaten </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 3. Scheiding aanmelding en
                                                  aanvraag</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 4. Aanmelding voor een
                                                gesprek</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 5. Het gesprek</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 6. Het verslag</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>8</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoofdstuk 4. </vet><vet>De aanvraag van een
                                                  voor-</vet></al><al><vet>ziening </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 7. De aanvraag</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>9</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoofdstuk 5.</vet><vet>Beoordeling van de
                                                  te
                                                  b</vet><vet>e</vet><vet>re</vet><vet>i</vet><vet>ken</vet></al><al><vet>resultaten</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paragraaf 1. Algemene regels</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 8. Het maken van een
                                                afweging</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paragraaf 2. De te bereiken resultaten</al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 9. Een schoon en leefbaar
                                                huis</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 10. Wonen in een geschikt
                                                huis</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 11. Beschikken over goederen voor
                                                </vet></al><al><vet>primaire levensbehoeften</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>11</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 12. Beschikken over schone,
                                                  draagbare</vet></al><al><vet>en doelmatige kleding</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 13. Het thuis zorgen voor kinderen
                                                  die</vet></al><al><vet>Tot het gezin behoren</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>12</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 14. Zich verplaatsen in en om de
                                                  woning</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 15. Zich lokaal verplaatsen per
                                                  vervoer-</vet></al><al><vet>middel </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>13</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 16. De mogelijkheid om contacten te
                                                </vet></al><al><vet>hebben met medemensen en deel</vet></al><al><vet>te nemen aan recreatieve,</vet></al><al><vet>maatschappelijke of religieuze</vet></al><al><vet>activiteiten</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>14</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoofdstuk 6. </vet><vet>Verstrekking in natura,
                                                  als </vet></al><al><vet>persoonsgebonden budget</vet></al><al><vet>en als financiële
                                                  teg</vet><vet>e</vet><vet>moet-</vet></al><al><vet>koming. Eigen bijdragen en </vet></al><al><vet>eigen aandeel </vet></al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paragraaf 1. Verstrekking van voorzieningen</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 17. Mogelijke vormen van
                                                  verstrekking</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paragraaf 2. Verstrekking in natura</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 18. Inhoud beschikking</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paragraaf 3. Verstrekking als persoonsgebonden
                                                budget</al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 19. Overwegende bezwaren</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 20. Inhoud beschikking</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>15</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paragraaf 4. Verstrekking als financiële </al><al>tegemoetkoming</al></entry><entry colname="col2"><al>16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 21. Inhoud beschikking</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Paragraaf 5. Eigen bijdrage en eigen aandeel</al></entry><entry colname="col2"><al>16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 22. Eigen bijdrage en eigen
                                                  aandeel</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>16</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoofdstuk 7</vet><vet>.</vet><vet>
                                                  Mantelzorg</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 23. Ondersteuning mantelzorg</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>17</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoofdstuk 8.</vet><vet>Procedurele
                                                  bepalingen rond</vet></al><al><vet>onderzoek, advies en</vet></al><al><vet>besluitvorming,
                                                  intre</vet><vet>k</vet><vet>king en</vet></al><al><vet>terugvordering</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 24. Beslistermijn</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 25. Beperkingen</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 26. Advisering</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>18</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 27. Wijziging situatie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 28. Intrekking</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 29. Terugvordering</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>19</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Hoofdstuk 9</vet><vet>.</vet><vet>
                                                  Slotbepaling</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 30. Hardheisclausule</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 31. Indexering</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 32. Evaluatie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 33. Inwerkingtreding</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>21</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>Artikel 34. Citeertitel</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>21</al></entry></row></tbody></tgroup></table></structuurtekst><artikel><kop><label>HOOFDSTUK 1. Begripsomschrijvingen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al><vet>Lid 1. Aanmelding</vet></al><al>Aanmelding: de mededeling van een belanghebbende aan het College dat hij
                            beperkingen ondervindt op grond waarvan hij (1) verzoekt een afspraak te
                            maken voor een gesprek.</al><al><vet>Lid 2. Aanvraag</vet></al><al>Aanvraag: het verzoek van een belanghebbende om in aanmerking te komen
                            voor één of meerdere voorzieningen om een resultaat te bereiken in het
                            kader van deze verordening.</al><al><vet>Lid 3. Algemeen gebruikelijke voorziening</vet></al><al>Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal
                            bedoeld is voor mensen met een beperking, dus ook door anderen gebruikt
                            wordt, algemeen verkrijgbaar is en niet – aanzienlijk – duurder is dan
                            vergelijkbare producten.</al><al><vet>Lid 4. Algemene voorziening</vet></al><al>Algemene voorziening: een voorliggende voorziening die weliswaar niet
                            bestemd is voor, noch te gebruiken is door alle personen als bedoeld in
                            artikel 4 lid 1 van de wet, maar die anderzijds door iedereen waarvoor
                            de voorziening wel bedoeld is op eenvoudige wijze te verkrijgen of te
                            gebruiken is, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure.</al><al><vet>Lid 5. Belanghebbende</vet></al><al>Belanghebbende: een persoon met een beperking, een chronisch psychisch
                            probleem of een psychosociaal probleem die behoefte heeft aan
                            compensatie ten behoeve van het bevorderen van zijn deelname aan het
                            maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren, die voor
                            zichzelf of, met behulp van een machtiging, door een ander een
                            aanmelding of een aanvraag doet of laat doen.</al><al><vet>Lid 6. Collectieve voorziening</vet></al><al>Collectieve voorziening: een voorziening die individueel wordt verstrekt
                            maar die door meerdere personen tegelijk wordt gebruikt. </al><al><vet>Lid 7. College</vet></al><al>College van burgemeester en wethouders.</al><al><vet>Lid 8. Compensatieplicht</vet></al><al>Compensatieplicht: De plicht van het College aan personen met een
                            beperking, een chronisch psychisch of een psychosociaal probleem
                            voorzieningen te bieden ter compensatie van hun beperkingen op het
                            gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie teneinde hen
                            in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen in en
                            om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen
                            te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. </al><al>Daarbij legt artikel 4 van de wet het College de plicht op om een
                            resultaat te bereiken dat als compensatie mag gelden en dat in het
                            individuele geval maatwerk is. </al><al><vet>Lid 9. Eigen bijdrage of eigen aandeel</vet></al><al>Eigen bijdrage of eigen aandeel: een door het college van burgemeester
                            en wethouders vast te stellen financiële bijdrage, die bij
                            respectievelijk de verstrekking van een voorziening in natura, een
                            persoonsgebonden budget (een eigen bijdrage) of een financiële
                            tegemoetkoming (een eigen aandeel) betaald moet worden en waarop de
                            regels van het Besluit maatschappelijke ondersteuning van toepassing
                            zijn.</al><al><vet>Lid 10. Financiële tegemoetkoming</vet></al><al>Financiële tegemoetkoming: een geldbedrag, al dan niet forfaitair of
                            gemaximeerd, bedoeld om een voorziening mee aan te schaffen voor het te
                            bereiken resultaat.</al><al><vet>Lid 11. Gebruikelijke zorg</vet></al><al>Gebruikelijke zorg: activiteiten in het kader van het leven van alledag
                            waarvan verwacht wordt dat huisgenoten die ten behoeve van het voeren
                            van het huishouden en ten behoeve van elkaar doen.</al><al><vet>Lid 12. Gesprek</vet></al><al>Gesprek: het eerste contact na een aanmelding waarin met degene die
                            maatschappelijke ondersteuning zoekt zijn gehele situatie wordt
                            geïnventariseerd ten aanzien van de beperkingen en de gevolgen daarvan,
                            de te bereiken resultaten, de te kiezen oplossingen via eigen
                            mogelijkheden of via mogelijkheden van het netwerk dan wel via algemene,
                            algemeen gebruikelijke collectieve, (wettelijk) voorliggende en
                            individuele voorzieningen. </al><al><vet>Lid 13. Hoofdverblijf</vet></al><al>Hoofdverblijf: de plaats waar een persoon daadwerkelijk de meeste
                            nachten per jaar doorbrengt.</al><al><vet>Lid 14. Individuele voorziening</vet></al><al>Individuele voorziening: een voorziening die door het college ten
                            behoeve van één persoon op basis van artikel 4 Wmo wordt verstrekt.</al><al><vet>Lid 15. Mantelzorger</vet></al><al>Mantelzorger: een persoon die mantelzorg in de zin van artikel 1, lid 1
                            onder b van de wet biedt.</al><al><vet>Lid 16. Persoonsgebonden budget</vet></al><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag om te gebruiken voor het te
                            bereiken resultaat, als alternatief voor een voorziening in natura.</al><al><vet>Lid 17. Psychosociaal probleem</vet></al><al>Psychosociaal probleem: een situatie van verlies van zelfstandigheid en,
                            met name, een gebrek aan mogelijkheden tot deelname aan het
                            maatschappelijk verkeer, veroorzaakt door belemmeringen die iemand
                            ondervindt in zijn relatie met anderen, met zijn sociale omgeving (2). </al><al><vet>Lid 18. Respijtvoorziening</vet></al><al>Respijtvoorziening is een tijdelijke voorziening die wordt toegekend
                            voor een mantelzorger van de belanghebbende. </al><al><vet>Lid 19. Voorliggende voorziening</vet></al><al>Voorliggende voorziening: een voorziening die normaal in de maatschappij
                            aanwezig en beschikbaar is en bedoeld voor iedereen die daar behoefte
                            aan heeft.</al><al><vet>Lid 20. Voorziening in natura</vet></al><al>Voorziening in natura: een voorziening, in te zetten om het resultaat te
                            bereiken, in de vorm van goederen in (bruik)leen of in eigendom, of als
                            persoonlijke dienstverlening.</al><al><vet>Lid 21. Wet</vet></al><al>Wet maatschappelijke ondersteuning.</al><al><vet>Lid 22. Wettelijk voorliggende
                                voorzi</vet><vet>e</vet><vet>ning</vet></al><al>Wettelijk voorliggende voorziening: een voorziening op grond van een
                            wettelijke bepaling anders dan ingevolge de wet, waarmee het resultaat
                            geheel of gedeeltelijk bereikt kan worden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>Resultaatgerichte compensatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>De te bereiken resultaten</titel></kop><al>De op basis van artikel 4 lid 1 van de wet via compenserende maatregelen
                            te bereiken resultaten zijn:</al><lijst><li nr="1."><al>een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="2."><al>wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="3."><al>beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;</al></li><li nr="4."><al>beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;</al></li><li nr="5."><al>het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                                    behoren;</al></li><li nr="6."><al>zich verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="7."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="8."><al>de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te
                                    nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                                    activiteiten.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>Hoe te komen tot de te bereiken resultaten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Scheiding aanmelding en aanvraag</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Aan een aanvraag voor een individuele voorziening ex artikel 1, lid 1
                            aanhef en onder g sub 6 van de wet gaat een aanmelding voor een gesprek
                            vooraf indien:</al><lijst><li nr="a."><al>De aanvraag afkomstig is van een belanghebbende die nog niet
                                    eerder een aanvraag in het kader van de wet heeft gedaan;</al></li><li nr="b."><al>De aanvraag afkomstig is van een belanghebbende die al eerder
                                    een gesprek heeft gevoerd maar waarbij sprake is van gewijzigde
                                    omstandigheden of gewijzigde te bereiken resultaten;</al></li><li nr="c."><al>Belanghebbende of het college daarom verzoekt.</al></li></lijst><al>Lid 2.</al><al>Indien belanghebbende aangeeft direct een aanvraag in te willen dienen
                            vervalt het gestelde in het eerste lid.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Aanmelding voor een gesprek</titel></kop><al>Een aanmelding voor een gesprek kan schriftelijk, elektronisch,
                            mondeling of telefonisch worden gedaan bij het loket van de gemeente
                            door of namens een persoon met een beperking, een chronisch psychisch
                            probleem of een psychosociaal probleem of de mantelzorger die behoefte
                            heeft aan compensatie ten behoeve van het bevorderen van zijn deelname
                            aan het maatschappelijk verkeer en het zelfstandig functioneren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Het gesprek</titel></kop><al>Bij het voeren van het gesprek zal de International Classification of
                            Functions, Disabilities and Health als basis voor het begrippenkader
                            worden gehanteerd. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Het verslag</titel></kop><al>Van het gesprek wordt altijd een verslag gemaakt. De belanghebbende kan
                            dit verslag te allen tijde inzien of opvragen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>De aanvraag van een voorziening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>De aanvraag</titel></kop><al>Lid 1. </al><al>De aanvraag van een individuele voorziening dient schriftelijk plaats te
                            vinden door middel van een aanvraagformulier van de gemeente
                            Ooststellingwerf.</al><al> Lid 2.</al><al>Indien een aanvraag mondeling (via de telefoon of op een andere manier)
                            plaatsvindt wordt dit per omgaande schriftelijk bevestigd. Bij deze
                            bevestiging wordt een aanvraagformulier meegezonden. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>Beoordeling van de te bereiken resultaten</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Algemene regels</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Het maken van een afweging</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Bij het beoordelen welke voorzieningen getroffen gaan worden, neemt
                                het college het verslag van het gesprek als uitgangspunt. Het
                                college gaat uit van de behoeften en persoonskenmerken van de
                                belanghebbende. Daarbij zal onderzoek gedaan worden naar de noodzaak
                                en mogelijkheid tot leveren van maatwerk ten aanzien van het te
                                bereiken resultaat. </al><al>Lid 2.</al><al>Eerst worden de eigen mogelijkheden en oplossingen afgewogen. Indien
                                dit onvoldoende resultaat biedt worden alle beschikbare en bruikbare
                                algemene, algemeen gebruikelijke, collectieve, (wettelijk)
                                voorliggende voorzieningen beoordeeld. </al><al>Lid 3</al><al>Als er voor de aanvraag geen gesprek heeft plaatsgevonden, zullen
                                alle mogelijkheden tijdens de aanvraagprocedure afgewogen worden.
                            </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>De te bereiken resultaten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Een schoon en leefbaar huis</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het eerste te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een
                                huishouden bestaat uit het kunnen wonen in een huis dat schoon is.
                                Dit geldt ten aanzien van de woonkamer, slaapvertrekken, keuken en
                                sanitaire ruimten en eventueel de berging.</al><al>Lid 2.</al><al>Met het oog op een schoon en leefbaar huis kan een individuele
                                voorziening getroffen worden voor het lichte en/of het zware
                                huishoudelijke werk.</al><al>Lid 3.</al><al>Indien de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die
                                beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen wordt dit
                                eerst in het kader van gebruikelijke zorg beoordeeld. </al><al>Lid 4.</al><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar
                                en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Wonen in een geschikt huis</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het tweede te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een
                                huishouden bestaat uit het normaal gebruik kunnen maken van de
                                woning waar men over beschikt. Dit geldt ten aanzien van de
                                woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimten, berging, tuin
                                of balkon. </al><al>Lid 2.</al><al>Met het oog op het normale gebruik van de woning kan een individuele
                                voorziening worden getroffen ten aanzien van de bereikbaarheid,
                                toegankelijkheid en bruikbaarheid van de woning.</al><al>Lid 3.</al><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en
                                bruikbare woonvoorziening vanuit de pool die in de individuele
                                situatie van de belanghebbende kan leiden tot het te bereiken
                                resultaat, zal deze mogelijkheid eerst beoordeeld worden. </al><al>Lid 4. Voor zover de belanghebbende kan verhuizen naar een geschikte
                                woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning welke
                                verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat, zal deze
                                mogelijkheid eerst beoordeeld worden. </al><al>Lid 5.</al><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar
                                en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt. Een verhuiskostenvergoeding kan
                                dan wel verstrekt worden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Beschikken over goederen voor primaire
                                    levensbehoeften</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het derde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een
                                huishouden bestaat uit het voorzien zijn van de dagelijks benodigde
                                hoeveelheid voedsel voor maaltijden en andere momenten waarop iets
                                genuttigd wordt, evenals toiletartikelen en schoonmaakartikelen. Ook
                                de noodzakelijke bereiding van maaltijden kan hieronder vallen.</al><al>Lid 2.</al><al>Met het oog op het beschikken over goederen voor primaire
                                levensbehoeften kan een individuele voorziening worden getroffen ten
                                aanzien van het doen van boodschappen, voor wat betreft
                                levensmiddelen, schoonmaakmiddelen, en toiletartikelen, alsmede het
                                bereiden en aanreiken van maaltijden.</al><al>Lid 3.</al><al>Indien de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die
                                beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen of voor
                                zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en
                                bruikbare boodschappenservice of maaltijdvoorziening die in de
                                individuele situatie van de belanghebbende kan leiden tot het te
                                bereiken resultaat, wordt deze mogelijkheid eerst beoordeeld.</al><al>Lid 4.</al><al>Voor zover de in het vorige lid 3 genoemde mogelijkheden beschikbaar
                                en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                    kleding</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het vierde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een
                                huishouden bestaat uit het aanwezig zijn van kleding in gewassen en
                                zo nodig gestreken, opgevouwen of opgehangen staat.</al><al>Lid 2.</al><al>Met het oog op het beschikken over schone, draagbare en doelmatige
                                kleding kan een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien
                                van het wassen, drogen en strijken en opruimen van de was.</al><al>Lid 3.</al><al>Indien de belanghebbende een of meer huisgenoten heeft die
                                beschikbaar en in staat zijn werkzaamheden over te nemen, wordt dit
                                eerst in het kader van gebruikelijke zorg beoordeeld.</al><al>Lid 4.</al><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar
                                en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                                    behoren</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het vijfde te bereiken resultaat ten aanzien van het voeren van een
                                huishouden bestaat uit de dagelijkse, gebruikelijke zorg voor in het
                                huishouden aanwezige kinderen.</al><al>Lid 2.</al><al>Met het oog op het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het
                                gezin behoren, kan een individuele voorziening worden getroffen ten
                                aanzien van het – zo mogelijk tijdelijk ter overbrugging van een
                                periode noodzakelijk voor het nemen van meer definitieve maatregelen
                                – vervangen van de ouder/verzorger.</al><al>Lid 3.</al><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en
                                bruikbare voor- tussen- en naschoolse opvang, kinderopvang of andere
                                opvangmogelijkheden die in de individuele situatie van de
                                belanghebbende kunnen leiden tot het te bereiken resultaat worden
                                deze mogelijkheden eerst beoordeeld.</al><al>Lid 4.</al><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar
                                en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Zich verplaatsen in en om de woning</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich verplaatsen in en
                                om de woning bestaat uit het in staat zijn de woonkamer, het
                                slaapvertrek en/of de slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimten, de
                                berging, de tuin of het balkon kunnen bereiken en er zich zodanig
                                kunnen redden dat normaal functioneren mogelijk is.</al><al>Lid 2.</al><al>Met het oog op het verplaatsen in en om de woning kan een
                                individuele voorziening worden getroffen bestaande uit bijvoorbeeld
                                een rolstoel.</al><al>Lid 3.</al><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en
                                bruikbare rolstoelpool die in de individuele situatie van de
                                belanghebbende kan leiden tot het te bereiken resultaat wordt deze
                                mogelijkheid eerst beoordeeld.</al><al>Lid 4.</al><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar
                                en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van het zich lokaal
                                verplaatsen per vervoermiddel bestaat uit het kunnen doen van
                                dagelijkse boodschappen, het kunnen bezoeken van familie, kennissen
                                en het doen van gewenste activiteiten, alles binnen de directe woon-
                                en leefomgeving. Er geldt een uitzondering voor het collectief
                                vervoer. Gebruikmaking van het collectief vervoer is namelijk niet
                                begrensd tot de directe woon- en leefomgeving. Het collectief
                                vervoer kan gebruikt worden om verplaatsingen door het hele land te
                                maken.</al><al>Lid 2.</al><al>Met het oog op het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel, kan
                                een individuele voorziening worden getroffen ten aanzien van het
                                verplaatsen over de korte afstand rond de woning en het verplaatsen
                                over de langere afstand binnen de directe woon- en leefomgeving. </al><al> Lid 3.</al><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een aanwezige en
                                bruikbare scootmobielpool of van collectief vraagafhankelijk vervoer
                                van deur tot deur die in de individuele situatie van de
                                belanghebbende kan leiden tot het te bereiken resultaat worden deze
                                mogelijkheden eerst beoordeeld.</al><al>Lid 4.</al><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar
                                en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel
                                    te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                                    activiteiten</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van de mogelijkheid om
                                contacten te hebben met medemensen en deel te nemen aan recreatieve,
                                maatschappelijke of religieuze activiteiten bestaat uit het zo
                                mogelijk kunnen afleggen van gewenste bezoeken en het deelnemen aan
                                gewenste activiteiten.</al><al>Lid 2.</al><al>Met het oog op de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen
                                en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                                activiteiten kan een individuele voorziening worden getroffen ten
                                aanzien van het vervoer naar de gewenste bestemmingen.</al><al>Lid 3. </al><al>Voor zover de belanghebbende gebruik kan maken van een of meer
                                aanwezige en bruikbare (vrijwilligers)organisaties die in de
                                individuele situatie van belanghebbende kan leiden tot het te
                                bereiken resultaat worden deze mogelijkheden eerst beoordeeld.</al><al>Lid 4.</al><al>Voor zover de in het vorige lid genoemde mogelijkheden beschikbaar
                                en bruikbaar zijn worden ten aanzien van die onderdelen geen
                                individuele voorzieningen verstrekt.</al><al>Lid 5. </al><al>Voor zover voor belanghebbende deelname aan sportieve activiteiten
                                in het maatschappelijk leven een belangrijke plaats inneemt en het
                                een manier voor belanghebbende is om het zelfstandig functioneren en
                                de deelname aan het maatschappelijk verkeer te bevorderen kan een
                                individuele voorziening worden getroffen.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>Verstrekking in natura, als persoonsgebonden budget en als financiële
                            tegemoetkoming. Eigen bijdragen en eigen aandeel</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Verstrekking van voorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Mogelijke vormen van verstrekking</titel></kop><al>De te treffen voorzieningen kunnen als voorziening in natura, als
                                persoonsgebonden budget en als financiële tegemoetkoming worden
                                verstrekt. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Verstrekking in natura</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Bij het treffen van een voorziening in natura wordt in de
                                beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="-"><al>welke de te treffen voorziening is;</al></li><li nr="-"><al>ten behoeve van welk te bereiken resultaat;</al></li><li nr="-"><al>wat de duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="-"><al>hoe de voorziening in natura verstrekt wordt en of er sprake
                                        is van een overeenkomst waarin deze verstrekking is
                                        geregeld.</al></li></lijst><al>Lid 2.</al><al>Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt dit in de
                                beschikking opgenomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3.</nr><titel>Verstrekking als persoonsgebonden budget</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Overwegende bezwaren</titel></kop><al>Het college legt in het Gemeentelijk besluit maatschappelijke
                                ondersteuning Ooststellingwerf vast in welke situaties sprake is van
                                overwegende bezwaren waardoor er geen persoonsgebonden budget
                                verstrekt wordt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Bij het treffen van een voorziening in de vorm van een
                                persoonsgebonden budget wordt in de beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="1."><al>Voor welk te bereiken resultaat het persoonsgebonden budget
                                        gebruikt moet worden, eventueel aangevuld met een programma
                                        van eisen waaraan bij de besteding voldaan moet worden.</al></li><li nr="2."><al>Wat de omvang van het persoonsgebonden budget is en hoe deze
                                        omvang tot stand is gekomen.</al></li><li nr="3."><al>Wat de duur is van de verstrekking waarvoor het
                                        persoonsgebonden budget bedoeld is en welke regels gelden
                                        ten aanzien van verantwoording van het persoonsgebonden
                                        budget.</al></li></lijst><al>Lid 2.</al><al>Als er sprake is van een te betalen eigen bijdrage wordt dit in de
                                beschikking opgenomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4.</nr><titel>Verstrekking als financiële tegemoetkoming</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Inhoud beschikking</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Bij het treffen van een voorziening in de vorm van een financiële
                                tegemoetkoming wordt in de beschikking vastgelegd:</al><lijst><li nr="a."><al>voor welk te bereiken resultaat de financiële tegemoetkoming
                                        bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>wat de duur van de verstrekking is;</al></li><li nr="c."><al>of er sprake is van een overeenkomst waarin deze
                                        verstrekking is geregeld en</al></li><li nr="d."><al>wat de hoogte van de financiële tegemoetkoming is.</al></li></lijst><al>Lid 2.</al><al>Als er sprake is van een te betalen eigen aandeel wordt dit in de
                                beschikking opgenomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5.</nr><titel>Eigen bijdrage en eigen aandeel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Eigen bijdrage en eigen aandeel</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Bij het verstrekken van een individuele voorziening is een eigen
                                bijdrage of een eigen aandeel verschuldigd ten aanzien van de in
                                artikel 2 genoemde resultaten. Dit geldt niet indien de individuele
                                voorziening wordt verstrekt ten behoeve van personen onder de 18
                                jaar en ook niet indien de individuele voorziening een rolstoel
                                betreft. </al><al>Lid 2.</al><al>Het college legt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning
                                gemeente Ooststellingwerf de omvang van de eigen bijdrage en het
                                eigen aandeel vast. </al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7.</nr><titel>Respijtvoorziening MANTELZORG</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Ondersteuning mantelzorg</titel></kop><al>Lid 1. Het ondersteunen van mantelzorgers, daar onder begrepen steun bij
                            het vinden van adequate oplossingen indien zij hun taken tijdelijk niet
                            kunnen waarnemen, alsmede het ondersteunen van vrijwilligers maakt
                            onderdeel uit van de maatschappelijke ondersteuning in het kader van de
                            Wmo (artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 4º Wmo).</al><al>Lid 2. Met het oog op het ondersteunen van mantelzorgers, kan
                            belanghebbende gecompenseerd worden in de vorm van een
                            respijtvoorziening. Het doel van de inzet van een respijtvoorziening is
                            ontlasten van de mantelzorger. Hierdoor kan de mantelzorg worden
                            voorgezet en kan samen met de mantelzorger gezocht worden naar
                            oplossingen om de beperkingen van belanghebbende te compenseren.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8.</nr><titel>Procedurele bepalingen rond onderzoek, advies en besluitvorming,
                            intrekking en terugvordering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24.</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><al>De termijn waarbinnen een besluit genomen moet worden bedraagt voor alle
                            voorzieningen maximaal 8 weken. Als het gaat om voorzieningen waar
                            bouwkundige offertes opgevraagd moeten worden, geldt maximaal 16
                            weken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25.</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Een voorziening kan slechts worden toegekend voor zover:</al><lijst><li nr="a."><al>De noodzaak voor het te bereiken resultaat langdurig is, tenzij
                                    kortdurende hulp bij het huishouden leidt tot het te bereiken
                                    resultaat.</al></li><li nr="b."><al>De te verstrekken voorziening als de goedkoopst-compenserende
                                    voorziening aan te merken is.</al></li></lijst><al>Lid 2.</al><al>Geen voorziening wordt toegekend:</al><lijst><li nr="a."><al>Indien de voorziening algemeen gebruikelijk is.</al></li><li nr="b."><al>Indien de belanghebbende niet woonachtig is in de gemeente
                                    Ooststellingwerf</al></li><li nr="c."><al>Voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de
                                    belanghebbende voorafgaand aan het moment van aanvragen of het
                                    moment van beschikken heeft gemaakt en niet meer is na te gaan
                                    of deze voorziening noodzakelijk was en als
                                    goedkoopst-compenserend aan te merken valt.</al></li><li nr="d."><al>Voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                    heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of
                                    regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de
                                    voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of
                                    verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van
                                    omstandigheden die niet aan belanghebbende zijn toe te rekenen,
                                    of tenzij belanghebbende geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in
                                    de veroorzaakte kosten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26.</nr><titel>Advisering</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de
                            beoordeling van het recht op de aangevraagde voorziening, degene door
                            wie een aanvraag is ingediend en/of bij gebruikelijke zorg diens
                            relevante huisgenoten:</al><lijst><li nr="a."><al>Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college
                                    te bepalen toegankelijke plaats en tijdstip en hem te
                                    bevragen.</al></li><li nr="b."><al>Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een
                                    of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of
                                    onderzoeken.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om
                            advies vragen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>Het handelt om een aanvraag van een persoon die niet eerder een
                                    voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als
                                    bedoeld in artikel 3 is gevoerd.</al></li><li nr="b."><al>Het handelt om een aanvraag van een persoon die wel eerder een
                                    voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel
                                    3 heeft gevoerd, maar waarvan de (medische) omstandigheden
                                    zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de
                                    noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen
                                    beïnvloeden.</al></li><li nr="c."><al>Het college dat overigens gewenst vindt.</al></li></lijst><al>Lid 3</al><al>Belanghebbende verschaft aan het college die gegevens die noodzakelijk
                            zijn voor het beoordelen van de aanvraag. </al><al>Lid 4</al><al>Bij de advisering zal de International Classification of Functions
                            Disabilities and Impairments (de ICF classificatie) als begrippenkader
                            worden gehanteerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27.</nr><titel>Wijziging situatie</titel></kop><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt,
                            is verplicht zo spoedig mogelijk aan het college mededeling te doen van
                            feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat
                            deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28.</nr><titel>Intrekking</titel></kop><al>Lid 1</al><al>Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening,
                            geheel of gedeeltelijk intrekken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>Niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld
                                    bij of krachtens deze verordening.</al></li><li nr="b."><al>Beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die
                                    gegevens zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens
                                    bekend geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.</al></li></lijst><al>Lid 2</al><al>Een besluit tot verlening van een financiële tegemoetkoming of een
                            persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken indien blijkt dat de
                            tegemoetkoming of het budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is
                            aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening
                            heeft plaatsgevonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29.</nr><titel>Terugvordering</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Indien het recht op een voorziening is ingetrokken kan op basis daarvan
                            een reeds uitbetaalde financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden
                            budget worden teruggevorderd.</al><al>Lid 2.</al><al>Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is
                            ingetrokken kan deze voorziening worden teruggevorderd. </al><al>Lid 3.</al><al>Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is
                            ingetrokken kan deze voorziening worden teruggehaald. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende
                            afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de
                            verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31.</nr><titel>Indexering</titel></kop><al>Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze
                            verordening en het op deze verordening berustende gemeentelijk besluit
                            maatschappelijke ondersteuning gemeente Ooststellingwerf geldende
                            bedragen verhogen of verlagen aan de hand van de prijsindex voor de
                            gezinsconsumptie, zoals bepaald in artikel 4.5 lid 1 van het Besluit
                            maatschappelijke ondersteuning (Stb. 2006, nr. 450).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32.</nr><titel>Evaluatie</titel></kop><al>Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per 2 jaar
                            geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt het
                            beleid vervolgens aangepast. Het college zendt hiertoe telkens 2 jaar na
                            de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag
                            over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de
                            praktijk. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Lid 1.</al><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.</al><al>Lid 2.</al><al>De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente
                            Ooststellingwerf 2010’, vastgesteld op 16 februari 2010, no. C.2, wordt
                            ingetrokken per 1 januari 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening Voorzieningen Wet
                            Maatschappelijke Ondersteuning 2013”.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Besloten in de openbare vergadering van 18 december 2012.</ondertekening><ondertekening>, griffier. , voorzitter.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening>(1) Overal waar in deze tekst de mannelijke vorm staat kan ook de
                        vrouwelijke vorm worden gelezen.</ondertekening><ondertekening>(2) Zie uitspraak CRvB 29-04-2009, LJN: BI6832.</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label>Toelichting verordening voorzieningen wet maatschappelijke ondersteuning 2013</label></kop><al><vet>Achtergrond</vet></al><al>De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) is op 1 januari 2007 van kracht
                    geworden. De uitvoering van deze nieuwe wet is aanvankelijk wat betreft de
                    individuele voorzieningen van prestatieveld 6 “beleidsarm” ingezet. Dat wil
                    zeggen dat de bestaande regelgeving van de aan de Wmo voorafgaande Wet
                    voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de functie Huishoudelijke Verzorging (HV)
                    uit de AWBZ zo veel mogelijk ongewijzigd in de nieuwe verordening werden
                    opgenomen. </al><al>Deze beleidsarme invoering heeft veel reacties opgeroepen. Allereerst van de
                    gebruikers. Hun koepels, de CG-Raad en de gezamenlijke Ouderenbonden, hebben
                    direct gereageerd, maar hadden ook begrip voor de onmogelijkheid om in zeer
                    korte tijd een geheel nieuw beleid te ontwikkelen. Ook Kamerleden reageerden
                    teleurgesteld, maar toonden ook weer begrip. Toen de Wmo eenmaal ingevoerd was
                    reageerden ook de rechters. Zij reageerden zonder terughoudendheid, omdat zij de
                    regelgeving als uitgangspunt namen. Daardoor ontstond een steeds grotere
                    discrepantie tussen de tekst van de modelverordening en de daarop gebaseerde
                    verordeningen van gemeenten en het door gemeenten te hanteren beleid.</al><al/><al>Vrij vlot na de invoering van de Wmo heeft de Vereniging Nederlands Gemeenten
                    (VNG) het initiatief genomen om de modelverordening door te ontwikkelen. Op 8
                    april 2008 werd een expert-meeting gehouden en als gevolg daarvan is een “Proeve
                    voor een nieuwe modelverordening” ontwikkeld. De reactie daarop was niet direct
                    positief. Los van het gegeven dat het slechts een proeve was, werd geoordeeld
                    dat aan het schrijven van een nieuwe verordening een tweetal processen vooraf
                    zouden moeten gaan: een proces onder (potentiële) gebruikers van de Wmo en een
                    proces onder de uitvoerders van de Wmo, de gemeenten. In samenwerking tussen VNG
                    enerzijds en CG-Raad en gezamenlijke Ouderenbonden anderzijds is daarop “De
                    Kanteling” ontstaan: een proces om de Wmo te doen kantelen naar een wijze van
                    uitvoeren die recht doet aan de bedoeling van de wetgever, met name ten aanzien
                    van het nieuwe begrip “compensatieplicht”.</al><al/><al>Deze modelverordening is de weerslag van twee zaken. Allereerst hebben de
                    resultaten van het project “De Kanteling” aan de basis gelegen van de in deze
                    modelverordening opgenomen tekst. Vervolgens is ook rekening gehouden met de
                    jurisprudentie, met name die van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). </al><al/><al>De opbouw van deze modelverordening is geheel anders dan die van de voorafgaande
                    modelverordening en die van de Wvg was. In deze modelverordening ligt het
                    zwaartepunt op de te behalen resultaten in plaats van op voorzieningen en op het
                    zogenaamde “gesprek”, een open gesprek waarin samen met de persoon die
                    compensatie behoeft een zo volledig mogelijke inventarisatie gemaakt wordt van
                    zijn<noot id="d7899e1705"><noot.nr>1</noot.nr><noot.al>Overal waar in deze tekst de mannelijke vorm
                        staat kan ook de vrouwelijke vorm worden gelezen.</noot.al></noot> situatie, zijn mogelijkheden en
                    onmogelijkheden, zijn wensen en individuele specifieke kenmerken en de problemen
                    die om een oplossing vragen. Leidend hierbij is het te bereiken resultaat. Op
                    basis hiervan kan bekeken worden welke mogelijkheden er zijn om dit resultaat te
                    bereiken met oplossingen die al voorhanden zijn, zoals eigen mogelijkheden,
                    algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke voorzieningen, collectieve
                    voorzieningen of (wettelijk) voorliggende voorzieningen. Daarna wordt duidelijk
                    op welke punten nog individuele voorzieningen nodig zijn. Na het gesprek volgt
                    eventueel een aanvraag voor individuele voorzieningen.</al><al>Door deze wijze van werken wordt het proces om te komen tot oplossingen in twee
                    delen gesplitst: een inventarisatiefase, gekarakteriseerd door het “gesprek” en
                    een fase van aanvraag, beoordeling en toekenning van individuele voorzieningen. </al><al/><al>Na de begripsomschrijvingenligt de focus op de te bereiken resultaten.
                    Daarin zal per onderdeel van de Wmo, zoals geschetst in artikel 4 lid 1 van de
                    wet (een huishouden voeren, zich verplaatsen in en om de woning, zich lokaal
                    verplaatsen per vervoermiddel, medemensen ontmoeten en op basis daarvan sociale
                    verbanden aangaan) uitgewerkt worden wat daarbij als resultaat bereikt moet
                    worden. Daarna wordt ingegaan op het Gesprek en vervolgens op de procedure na
                    dat gesprek als het komt tot een individuele aanvraag. Pas daarna zal besloten
                    worden met een aantal algemene soms procedurele regels.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 1. Begripsomschrijvingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</vet></al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><al><vet>Lid 1. Aanmelding</vet></al><al>In het kader van het gesprek wordt niet gesproken van een aanvraag maar van een
                    aanmelding. Dit geeft verschillende aspecten van het gesprek aan. Allereerst dat
                    het gesprek niet het onderzoek is naar een te verstrekken voorziening, maar het
                    onderzoek naar de situatie van betrokkene, zijn behoeften, de te bereiken
                    resultaten enz.. Dit is dan uitgangspunt voor de beoordeling welke resultaten
                    bereikt kunnen worden met algemene voorzieningen die voor iedereen beschikbaar
                    zijn. Dit traject kan uiteindelijk ook nog leiden tot een aanvraag voor een
                    individuele voorziening. Het gesprek is evenwel geen vrijblijvende zaak: het
                    gesprek is mede de basis voor de eventuele aanvraag voor een individuele
                    voorziening. Van het gesprek worden aantekeningen gemaakt die uitgewerkt worden
                    tot een verslag.</al><al><vet>Lid 2. Aanvraag</vet></al><al>De aanvraag in het kader van de Wmo volgt in principe op het gesprek. Het moge
                    duidelijk zijn dat het gesprek achterwege kan blijven als de situatie van
                    betrokkene volstrekt helder is en betrokkene goed bekend is bij de gemeente.
                    Hiervan kan sprake zijn bij bijvoorbeeld vervanging van voorzieningen wegens het
                    bereiken van de afschrijvingstermijn, of als een goed bekende aanvrager een
                    nieuwe aanvraag doet. De aanvraag dient schriftelijk gedaan te worden. </al><al><vet>Lid 3. Algemeen gebruikelijke voorziening</vet></al><al>Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een voorziening,
                    met name producten, algemeen gebruikelijk als het gaat om een voorziening die
                    niet speciaal bedoeld is voor mensen met een handicap, zodat de voorziening ook
                    op grote schaal door niet-gehandicapten wordt gebruikt, die gewoon in een
                    normale winkel te koop is en niet speciaal in de revalidatie-vakhandel of
                    soortgelijke winkels en die qua prijs niet (aanzienlijk) duurder is dan
                    vergelijkbare producten. De Centrale Raad heeft aangegeven dat als het gaat om
                    vervanging van een zaak die (nog lang) niet afgeschreven is en als het gaat om
                    een persoon die een inkomen heeft dat door onvermijdbare kosten op grond van de
                    handicap onder de bijstandsnorm komt, wellicht een uitzondering op dit principe
                    gemaakt moet worden.</al><al><vet>Lid 4. Algemene voorziening</vet></al><al>Dit zijn voorzieningen, met name diensten of een combinatie van dienst en
                    product, die weliswaar niet bestemd zijn voor, noch te gebruiken zijn door alle
                    inwoners; anderzijds zijn ze door iedereen waarvoor ze wel bedoeld zijn op
                    eenvoudige wijze, zonder een ingewikkelde aanvraagprocedure, te verkrijgen of te
                    gebruiken. Voorbeelden zijn:</al><al>&#x9f; De dagrecreatie voor ouderen </al><al>&#x9f; De sociale alarmering </al><al>&#x9f; De boodschappenbus, de supermarktservice, de vrijwillige boodschaphulp</al><al>&#x9f; De maaltijdservice en het eetcafé</al><al>&#x9f; Klusjesdiensten om kleine woningaanpassingen te realiseren zoals de
                    buurtconciërge, klussendienst, 55+service, thuiszorgservice</al><al>&#x9f; De (ramen)wasservice </al><al>&#x9f; De rolstoel-pools en scootmobiel-pools voor incidentele situaties</al><al>&#x9f; De kortdurende huishoudelijke hulp</al><al>&#x9f; Kinderopvang in al zijn verschijningsvormen </al><al>Een algemene voorziening is dus per definitie geen individuele voorziening en de
                    Wmo-regels rond eigen bijdragen/eigen aandeel gelden niet. </al><al><vet>Lid 5. Belanghebbende</vet></al><al>In de wet wordt ook gesproken over mantelzorgers en vrijwilligers als doelgroep
                    voor de compensatieplicht. Dit zijn echter geen ‘belanghebbenden’. Zij spelen
                    wel een belangrijke rol in het leven van belanghebbende en dienen ondersteund te
                    worden als overbelasting dreigt. </al><al><vet>Lid 6. Collectieve voorzieningen</vet></al><al>Dit zijn Wmo-voorzieningen die individueel worden verstrekt maar die toch door
                    meerdere personen tegelijk worden gebruikt. Tot nu toe is het collectief
                    (vraagafhankelijk) vervoer (cvv) het meest duidelijke voorbeeld.</al><al>Cvv is geen algemene voorziening, omdat de normale aanvraagprocedure geldt, er
                    een beschikking wordt afgegeven en bezwaar en beroep mogelijk is. </al><al><vet>Lid 7. College</vet></al><al>Waar staat College wordt bedoeld: College van burgemeester en wethouders.</al><al><vet>Lid 8. Compensatieplicht</vet></al><al>De begripsomschrijving van het cruciale begrip “compensatieplicht” is ontleend
                    aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 december 2008<noot id="d7899e1792"><noot.nr>2 </noot.nr><noot.al>CRvB, 10 december 2008, LJN: BG6612.</noot.al></noot>. In deze uitspraak wordt voor het eerst een fundamenteel
                    standpunt gegeven over de Wmo.</al><al/><al>Op grond van deze uitspraak wordt de volgende begripsomschrijving
                    gehanteerd:</al><al>“<cursief>Compensatieplicht: De plicht van het College van burgemeester en
                        wethouders aan personen met een beperking, een chronisch psychisch of een
                        psychosociaal probleem, voorzieningen te bieden ter compensatie van hun
                        beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke
                        participatie teneinde hen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich
                        te verplaatsen in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per
                        vervoermiddel en medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale
                        verbanden aan te gaan (met als doeleinden de zelfredzaamheid en de
                        maatschappelijke participatie van deze personen). Daarbij legt artikel 4 van
                        de Wmo het College de plicht op om een resultaat te bereiken dat als
                        compensatie mag gelden en dat in het individuele geval maatwerk
                        is.”</cursief></al><al/><al>De compensatieplicht houdt een plicht in voor het college. Die plicht geldt in
                    ieder geval ten aanzien van personen met een beperking, een chronisch psychisch
                    of een psychosociaal probleem. Daarbij moet het gaan om ondervonden beperkingen
                    op het gebied van de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie. Doel
                    is betrokkenen in staat te stellen een huishouden te voeren, zich te verplaatsen
                    in en om de woning, zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en medemensen
                    te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.</al><al>Bij wat het college ook besluit geldt: het moet gaan om maatwerk. Uitgegaan moet
                    worden van de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager. Dat legt een
                    beperking op aan de mogelijkheid algemene maatregelen te treffen, zoals het
                    hanteren van primaten. Dat is toegestaan, mits in het individuele geval steeds
                    wordt nagegaan of die algemene maatregel wel leidt tot maatwerk. Of zoals de
                    Centrale Raad het zegt: “Onder omstandigheden kan dit (maatwerk) leiden tot het
                    oordeel dat algemene keuzen die de gemeenteraad en het College bij de uitvoering
                    van de artikelen 3, 4, 5 en 6 van de Wmo hebben gemaakt in het concrete,
                    individuele geval niet kunnen worden toegepast wegens strijd met de in artikel 4
                    van de Wmo bedoelde compensatieplicht.”</al><al><vet>Lid 9. Eigen bijdrage of eigen aandeel</vet></al><al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen financiële bijdrage of eigen
                    aandeel in de kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15 lid 1 van
                    de wet. Deze eigen bijdrage kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat
                    daarvoor op basis van artikel 15 lid 3 van de wet bij Algemene Maatregel van
                    Bestuur nadere regels kunnen worden gesteld. Van deze bevoegdheid wordt gebruik
                    gemaakt door middel van het vaststellen van het Besluit maatschappelijke
                    ondersteuning. In de AMvB is bepaald wat de ruimte is die gemeenten hebben voor
                    het vaststellen van eigen bijdragen, als ze daartoe willen overgaan.
                        </al><al><vet>Lid 10. Financiële tegemoetkoming</vet></al><al>Vervolgens wordt omschreven wat een financiële tegemoetkoming is. Daarbij wordt
                    gesproken over een forfaitair of gemaximeerd bedrag, een bedrag waarbij geen
                    rekening is gehouden met het inkomen of met de werkelijke kosten. </al><al>Bij een financiële tegemoetkoming wordt een bedrag verstrekt waarmee tegemoet
                    wordt gekomen in (een deel van) de kosten van de goedkoopst compenserende
                    voorziening. Het is dus geen kostendekkend bedrag. Bij een financiële
                    tegemoetkoming kan rekening worden gehouden met een algemeen gebruikelijk deel,
                    zoals bijvoorbeeld het tarief van het collectief vervoer.</al><al><vet>Lid 11. Gebruikelijke zorg</vet></al><al>Gebruikelijke zorg is al datgene dat in een leefeenheid tot de dagelijkse
                    activiteiten van de aanwezige huisgenoten hoort, zowel activiteiten die elke dag
                    voorkomen als activiteiten die bij uitzondering voorkomen. Het gaat dan om
                    activiteiten die samenhangen met het voeren van een huishouden alsmede
                    activiteiten ten behoeve van zorg voor de andere huisgenoten. Hierbij valt te
                    denken aan het draaiende houden van het huishouden met alle facetten die daarbij
                    horen, maar ook aan zorg voor elkaar. Wat betreft het draaiende houden van het
                    huishouden: huisgenoten worden verondersteld alle huishoudelijke taken met
                    elkaar te verdelen en te verrichten, waarbij van jonge kinderen geen of minder
                    inbreng wordt verwacht, maar wel naar leeftijd een bijdrage. Wat betreft de zorg
                    voor elkaar: die zorg zal bij kinderen zeer intensief beginnen en over het
                    algemeen bij het ouder worden afnemen. Toch kunnen ook volwassenen zorg nodig
                    hebben, bijvoorbeeld omdat zij ziek zijn of omdat zij (al dan niet tijdelijk)
                    beperkingen ondervinden. Van oudsher heeft er een traditionele verdeling bestaan
                    in leefeenheden waarbij scheiding bestond tussen personen die het geld
                    verdienden en personen die voor het huishouden zorgden. Door maatschappelijke
                    ontwikkelingen is het tegenwoordig zo dat naast het hebben van een baan ook het
                    huishoudelijk werk en de zorg voor huisgenoten onder huisgenoten verdeeld wordt.
                    In het kader van de wet wordt daarom uitgegaan van een gezamenlijke
                    verantwoordelijkheid van huisgenoten voor gebruikelijke zorg.</al><al>Naast gebruikelijke zorg bestaat er ook mantelzorg. Van mantelzorg is sprake als
                    er, niet in het kader van een hulpverlenend beroep, langdurige zorg wordt
                    geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij
                    zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de
                    gebruikelijke zorg van huisgenoten overstijgt (art. 1, lid 1 onder b van de
                    wet). Mantelzorgers kunnen van buiten de leefeenheid komen, maar kunnen ook
                    huisgenoten zijn. Zoals uit de begripsomschrijving van mantelzorg blijkt kan
                    gebruikelijke zorg overgaan in mantelzorg. </al><al>Gebruikelijke zorg is in principe afdwingbaar. Dat betekent dat huisgenoten
                    verplicht zijn de taken te herverdelen indien één van hen de afgesproken taken
                    niet meer kan vervullen. Bij mantelzorg kan een moment ontstaan dat men de
                    mantelzorg niet meer aan kan. Het punt waarop dit gebeurt zal voor elke persoon
                    en voor elke situatie anders zijn en samenhangen met de situatie en de
                    verhouding tussen draagkracht en de draaglast.</al><al>Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke zorg of mantelzorg en van de
                    mate waarin, moet altijd een individuele beoordeling plaatsvinden. Daarbij kan
                    gebruik worden gemaakt van een aantal ankerpunten die uitgaan van de eigen
                    regie. Deze ankerpunten kunnen zijn: samenhang van de verschillende
                    activiteiten, de verhouding draagkracht-draaglast, zelfredzaamheid, privacy, en
                    de ruimtelijke afstand tussen de verschillende personen. </al><al><vet>Lid 12. Het Gesprek</vet></al><al>Onder "het gesprek" wordt de situatie verstaan waarbij degene die problemen
                    ondervindt op het terrein waar de compensatieplicht van toepassing is, zich
                    aanmeldt en na die aanmelding in gesprek komt met een vertegenwoordiger van het
                    college, die samen met betrokkene en eventueel aanwezige mantelzorger(s)
                    inventariseert waar betrokkene en zijn mantelzorger(s) problemen ondervindt, wat
                    betrokkene nog zelf kan, wat de te bereiken resultaten zijn in de ogen van
                    betrokkene, wat de behoeften daarbij zijn, welke oplossingen er in de
                    maatschappij beschikbaar zijn via algemene voorzieningen, algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen, voorliggende voorzieningen en collectieve voorzieningen, zodat
                    een basis ontstaat voor het zoeken naar oplossingen voor de problemen. Met die
                    oplossingen wordt het te bereiken resultaat gerealiseerd. Voor zover die
                    resultaten niet in die gesprekken al te behalen zijn, zal een vervolg
                    noodzakelijk zijn in de vorm van een aanvraag die leidt tot een beschikking. Het
                    gesprek zal de basis zijn voor de aanvraag. Het verslag van het gesprek zal dan
                    ook bij de aanvraag worden gevoegd. Wie direct een aanvraag wil doen zonder
                    gesprek verplaatst in feite het gesprek naar na de aanvraag. Zonder gesprek, of
                    beter gezegd zonder het onderzoek dat tijdens het gesprek plaatsvindt, zal het
                    lastig kunnen zijn maatwerk te leveren.</al><al>Het gesprek wordt in hoofdstuk 2 uitgewerkt.</al><al><vet>Lid 13. Hoofdverblijf</vet></al><al>Het begrip hoofdverblijf biedt nogal eens problemen. Het begrip is omschreven
                    naar het aantal nachten dat men doorbrengt. Bij twijfel kan de plaats waar per
                    jaar de meeste nachten worden doorgebracht, beschouwd worden als de plaats waar
                    iemand zijn hoofdverblijf heeft. Dit kan een rol spelen als iemand meerdere
                    plaatsen heeft waar een groot deel van het jaar wordt doorgebracht, zoals
                    personen die het jaar deels in het buitenland doorbrengen, personen die deels in
                    een AWBZ-instelling verblijven en deels elders, enz. </al><al><vet>Lid 14. Individuele voorziening</vet></al><al>In dit lid wordt de individuele voorziening gedefinieerd. Deze is niet voor
                    iedereen beschikbaar, maar uitsluitend voor diegenen die onder artikel 4 van de
                    wet vallen. Er wordt individueel onderzoek gedaan naar de noodzaak van deze
                    voorziening, de voorziening wordt bij beschikking toegekend en er staat bezwaar
                    en beroep open. Verder zijn alle regels van de Wmo van toepassing, zoals die
                    rond eigen bijdragen en eigen aandeel.</al><al><vet>Lid 15. Mantelzorger</vet></al><al>Dit geeft een begripsomschrijving van de mantelzorger. Daarvoor is aansluiting
                    gezocht bij de begripsomschrijving van mantelzorg zoals de wet die geeft in
                    artikel 1 lid 1 onder b.</al><al><vet>Lid 16. Persoonsgebonden budget</vet></al><al>Dit lid beschrijft het persoonsgebonden budget als een geldbedrag bedoeld om het
                    te behalen resultaat te bereiken.</al><al><vet>Lid 17. Psychosociaal probleem</vet></al><al>Het begrip psychosociaal probleem is vanuit de AWBZ in de Wmo opgenomen, maar
                    inmiddels als “grondslag” uit de AWBZ geschrapt. Dit is gebeurd omdat gebleken
                    is dat deze grondslag in de AWBZ financieel moeilijk te beheersen was. In de Wmo
                    heeft – volgens de parlementaire behandeling - dit begrip een heel specifieke
                    betekenis. Deze betekenis wordt hier als begripsomschrijving gehanteerd en is
                    overgenomen uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 29-04-2009.
                    LJN: BI6832). Het betreft met name verlies van zelfstandigheid of deelname aan
                    het maatschappelijk verkeer, de kerndoelstelling van de Wmo.</al><al><vet>Lid 18. Respijtvoorziening</vet></al><al>Onder het ondersteunen van mantelzorgers wordt mede begrepen het bieden van
                    steun bij het vinden van adequate oplossingen indien de mantelzorger zijn taken
                    tijdelijk niet kan verrichten (artikel 1 lid 1 onder g onderdeel 4°
                    Wmo).</al><al><vet>Lid 19. Voorliggende voorziening</vet></al><al>Voorliggende voorzieningen kunnen zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen,
                    algemene voorzieningen of collectieve voorzieningen. Bij deze voorzieningen is
                    de functie bepalend: zij gaan voor individuele voorzieningen. </al><al><vet>Lid 20. Voorziening in natura</vet></al><al>Omschreven is in dit lid wat een voorziening in natura is.</al><al><vet>Lid 21. Wet</vet></al><al>Waar staat Wet wordt bedoeld de Wet maatschappelijke ondersteuning.</al><al><vet>Lid 22. Wettelijk voorliggende voorziening</vet></al><al>De wettelijk voorliggende voorzieningen zijn die voorzieningen in wetgeving en
                    in regelgeving vastgelegd, die op basis van artikel 2 van de wet voorgaan op de
                    Wmo. Te denken valt hierbij aan onder meer de Zorgverzekeringswet, de Algemene
                    Wet Bijzondere Ziektekosten, de Wet op de kinderopvang, de verschillende
                    arbeidsongeschiktheidswetten. </al><al>Als een wettelijk voorliggende voorziening het probleem kan oplossen is er geen
                    aanspraak op maatschappelijke ondersteuning op grond van de Wmo, zo is in
                    artikel 2 Wmo bepaald.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2. resultaATGERICHTE COMPENSATIE</vet><vet>Algemeen.</vet></al><al>Hoofdstuk 2 is het hart van de verordening. Hoofdstuk 2 betreft de te bereiken
                    resultaten, die afgeleid zijn uit de in artikel 4 genoemde doelstellingen van de
                    compensatieplicht.</al><al>Er zijn hieruit 8 te bereiken resultaten afgeleid: </al><lijst><li nr="1."><al>een schoon en leefbaar huis;</al></li><li nr="2."><al>wonen in een geschikt huis;</al></li><li nr="3."><al>beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;</al></li><li nr="4."><al>beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding;</al></li><li nr="5."><al>het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren;</al></li><li nr="6."><al>zich verplaatsen in en om de woning;</al></li><li nr="7."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel;</al></li><li nr="8."><al>de mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel te nemen
                            aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten.</al></li></lijst><al/><al>Op deze 8 terreinen heeft het college een resultaatverplichting: door de te
                    nemen algemene of individuele maatregelen moet het gestelde resultaat bereikt
                    kunnen worden. Ook de Centrale Raad spreekt over resultaatverplichting,
                    bijvoorbeeld in de eerdergenoemde uitspraak van december 2010.</al><al>Deze resultaten zijn afkomstig uit de eerste bouwsteen die het resultaat was van
                    het VNG-project ‘De Kanteling’ en is als brochure onder de titel ‘Denken in
                    resultaten. Bouwsteen voor een nieuwe modelverordening Wmo’ uitgebracht.
                    </al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3. Hoe te komen tot de te bereiken
                    resultaten</vet></al><al/><al><vet>Artikel 3. Scheiding aanmelding en aanvraag</vet></al><al>Dit artikel bepaalt dat er een scheiding wordt aangebracht tussen een aanmelding
                    en een aanvraag. In een drietal situaties,namelijk wanneer iemand zich
                    voor het eerst meldt voor een individuele voorziening, wanneer iemand zich niet
                    voor het eerst meldt, maar wanneer er sprake is van gewijzigde omstandigheden
                    die een nieuw gesprek rechtvaardigen, of indien ofwel belanghebbende ofwel de
                    gemeente dat gewenst vindt, dient een aanvraag voorafgegaan te worden door het
                    gesprek. Dit uitgangspunt wordt terzijde gezet als betrokkene aangeeft direct
                    een aanvraag te willen doen. Dan zal het gesprek tijdens de aanvraagprocedure
                    plaats kunnen vinden in de vorm van het noodzakelijke gemeentelijke
                    onderzoek.</al><al>Globaal kan gesteld worden dat een aanvraag pas gedaan kan worden als op basis
                    van een gesprek een uitgebreide inventarisatie heeft plaatsgevonden en alle
                    mogelijke niet-individuele voorzieningen al zijn beoordeeld. Dat betekent dat
                    het voor de gemeente duidelijk moet zijn dat er geen andere oplossingen zijn dan
                    een individuele oplossing en dat de te bereiken resultaten en de manier waarop
                    die resultaten bereikt kunnen worden vastgelegd zijn en beoordeeld als vallend
                    onder de Wmo.</al><al/><al><vet>Artikel 4. Aanmelding voor een gesprek</vet></al><al>Artikel 4 bepaalt dat een gesprek aangevraagd wordt middels een aanmelding. Het
                    gesprek leidt niet tot een beschikking, dus er is geen sprake van een aanvraag
                    die de regels van de Algemene wet bestuursrecht dient te volgen. Daarom kan een
                    aanmelding ook mondeling (telefonisch of op een andere manier) worden
                    gedaan,hetgeen in principe niet automatisch voor een formele aanvraag,
                    zoals in Hoofdstuk 4 genoemd, geldt.</al><al>Als een aanmelding is gedaan, dient binnenvijf werkdagen een afspraak voor
                    het gesprek gemaakt te worden. Dit is van belang, omdat de belanghebbende direct
                    het gevoel dient te hebben serieus genomen te worden. Een vlotte afspraak duidt
                    daar (onder andere) op. Een aanmelding die daarna gedurende enkele weken blijft
                    liggen zonder enige activiteit rond het maken van een afspraak wekt niet het
                    vertrouwen dat men serieus wordt genomen. Bovendien geeft een aanmelding aan dat
                    betrokkene een probleem ervaart. Het is van belang te laten blijken dat er vaart
                    gezet wordt achter het oplossen van een probleem. En tot slot mag de extra stap
                    van het gesprek niet leiden tot tijdverlies, het gesprek zou moeten leiden tot
                    tijdwinst. </al><al/><al><vet>Artikel 5. Het Gesprek</vet></al><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Het gesprek is voor iedereen die voor het eerst een beroep doet op de
                    compensatieplicht in het kader van de Wmo de logische start. Wie door eerdere
                    aanvragen en een eerder gesprek al bekend is, kan wellicht de fase van het
                    gesprek overslaan. Dit zal niet altijd het geval zijn. Na een gewijzigde
                    situatie kan het van belang zijn een nieuw of een aanvullend gesprek te
                    houden.</al><al>Tijdens het gesprek wordt – geheel uitgaande van degene die aangeeft behoefte te
                    hebben aan compensatie, verder belanghebbende genoemd – een complete
                    inventarisatie gemaakt. Deze inventarisatie heeft nadrukkelijk het startpunt bij
                    de belanghebbende en inventariseert:</al><al>&#x9f; De beperking, het chronisch psychisch probleem of het psychosociaal probleem
                    dat basis is van de behoefte aan compensatie.</al><al>&#x9f; De mogelijkheden die de belanghebbende ondanks dit probleem heeft.</al><al>&#x9f; De onmogelijkheden die de belanghebbende ondervindt als gevolg van het
                    ondervonden probleem of de ondervonden problemen.</al><al>&#x9f; De resultaten die belanghebbende wil bereiken op de verschillende in deze
                    verordening weergegeven terreinen.</al><al>&#x9f; Hetgeen belanghebbende inmiddels zelf heeft gedaan om bestaande belemmeringen
                    op te lossen.</al><al>&#x9f; De mogelijkheden die belanghebbende heeft om deze resultaten via eigen
                    (financiële) oplossingen, via algemene voorzieningen, via algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen of via collectieve voorzieningen te bereiken.</al><al>&#x9f; De mogelijkheden die de gemeente in principe biedt om de problemen via een
                    individuele voorziening op te lossen.</al><al>Het gesprek staat op zich los van een aanvraag voor een individuele voorziening
                    in het kader van prestatieveld 6 van de Wmo (artikel 1, lid 1 onder g sub 6
                    Wmo). Dit is van groot belang om te voorkomen dat er een claimgerichte invulling
                    van de Wmo plaatsvindt, welke invulling in strijd is met de doelstelling van de
                    Wmo. Dat heeft consequenties. Wanneer iemand met een claimgerichte aanvraag komt
                    en die uitsluitend claimgericht behandeld wil zien kan dit betekenen dat een
                    gemeente moeilijk maatwerk kan leveren. </al><al/><al>Omdat het van belang is dat het gesprek uitmondt in volstrekte duidelijkheid
                    over datgene wat in het gesprek is aangegeven, is er voor gekozen
                    inallesituaties dit gesprek uit te laten monden in een verslag.</al><al>Bij het gesprek zal het begrippenkader van de ICF, de International
                    Classification of Functions, Disabilities and Health, uitgangspunt zijn. Ook bij
                    de formulering van de te bereiken resultaten is de ICF basis geweest. Het is de
                    wens van de wetgever geweest dat dit plaats zou vinden<noot id="d7899e1990"><noot.nr>3</noot.nr><noot.al>Toelichting amendement van het lid Van Miltenburg c.s. TK 2005-2006, 30131 nr. 65: “Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”</noot.al></noot>.</al><al>Het gesprek zal alleen gevoerd kunnen worden door een persoon die ter plekke
                    uitstekend bekend is: kennis van alle in de regio aanwezige mogelijkheden aan
                    algemene, algemeen gebruikelijke, collectieve en ook individuele voorzieningen
                    is onmisbaar voor het goed voeren van een gesprek. Na dit gesprek moet een
                    gemeente er immers van uit kunnen gaan dat alle voorliggende, door
                    belanghebbende zelfstandig aan te spreken mogelijkheden, bekeken zijn. Het kan
                    niet de bedoeling zijn dat dit na een aanvraag alsnog beoordeeld moet worden.
                    Daarnaast zullen de gespreksvoerders moeten beschikken over uitstekende
                    gespreksvaardigheden en empathische vermogens om op gelijkwaardige basis het
                    gesprek te kunnen voeren. </al><al>Mocht de gemeente nadat een aanvraag is ingediend behoefte hebben aan een
                    medisch advies of een onderzoek door een deskundige van een andere discipline,
                    dan vindt dit na het gesprek plaats. Een dergelijk onderzoek past niet in een
                    procedure als het gesprek waarbij belanghebbende en zijn wensen en persoonlijke
                    kenmerken het uitgangspunt zijn en dat niet gericht is op een bepaalde
                    individuele voorziening.</al><al>In praktijk zal er ongetwijfeld een soort lijst ontstaan aan de hand waarvan het
                    gesprek gevoerd zal worden. Een dergelijke lijst is van belang om te zorgen dat
                    er geen enkel mogelijk van belang zijnd punt vergeten wordt. Dit betekent niet
                    dat het gesprek een starre opzet kan hebben: naast structuur die door de
                    professional aangebracht kan worden is er de richting die de belanghebbende aan
                    het gesprek geeft.</al><al/><al><vet>Artikelsgewijs</vet></al><al>Het gesprek wordt in principe bij de belanghebbende thuis gevoerd. Er is een
                    aantal argumenten aan te voeren waarom dit de meest geschikte plek is: het is de
                    vertrouwde omgeving van betrokkene, een professional kan zich gemakkelijker
                    aanpassen aan wisselende plaatsen dan een niet-professional, het kan relevant
                    zijn de leefomgeving van de belanghebbende te zien om de loop van het gesprek
                    beter te begrijpen, enz. Ook is het mogelijk het ten kantore van degene die als
                    professional aan het gesprek deelneemt te houden. Dit omdat bijvoorbeeld in de
                    thuissituatie door allerlei omstandigheden een gesprek niet mogelijk of uiterst
                    ingewikkeld is. </al><al>Verder is het mogelijk dat de belanghebbende aangeeft het gesprek liever elders
                    te voeren. Dat zou kunnen zijn bij een vertrouwenspersoon of een naast
                    familielid. De belanghebbende wordt geadviseerd om te zorgen voor de
                    aanwezigheid van een vertrouwenspersoon of naast familielid bij het gesprek. Dit
                    advies kan tijdens de uitnodiging voor het gesprek aan belanghebbende worden
                    gegeven.</al><al/><al><vet>Artikel 5. Het gesprek</vet></al><al>Artikel 5 geeft aan dat de ICF de basis is voor het begrippenkader van het
                    gesprek. Dit wil niet zeggen dat de ICF op tafel moet komen of dat
                    belanghebbende bekend moet zijn met het ICF. De ICF zal aan de basis liggen van
                    de lijst met te bespreken punten en de daarbij te gebruiken begrippen. Wel
                    betekent dit dat de professional de ICF dient te kennen. </al><al/><al><vet>Artikel 6. Het verslag</vet></al><al>Artikel 6 bepaalt dat van het gesprek altijd een verslag wordt gemaakt. Omdat
                    dit verslag meestal niet ter plekke gemaakt wordt lijkt het een goede oplossing
                    om per onderdeel van het gesprek de belangrijkste punten samen te vatten en te
                    noteren. Op het einde van het gesprek kunnen alle belangrijke punten nog eens
                    worden nagelopen om na te gaan of de belanghebbende zich erin kan vinden. Met
                    behulp van deze notities wordt door de professional uiteindelijk een uitgebreid
                    gespreksverslag gemaakt. Belanghebbende zal het verslag te allen tijde kunnen
                    opvragen. </al><al/><al>Daarbij dient men zich te realiseren dat het gesprek gevoerd wordt vanuit de
                    belanghebbende en zijn behoeften en persoonlijke kenmerken. Van het verslag kan
                    dan ook niet verwacht worden dat het een objectieve weergave van de situatie van
                    betrokkene weergeeft: het zal duidelijk subjectieve aspecten bevatten. Deze
                    subjectieve aspecten zullen als zodanig herkenbaar moeten zijn. Bestaat er
                    uiteindelijk behoefte aan een objectieve onderbouwing, dan zal dat na de
                    aanvraag plaats moeten hebben.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4. De aanvraag van een voorziening</vet></al><al/><al><vet>Artikel 7. De aanvraag</vet></al><al/><al>In lid 1 is geregeld dat een aanvraag van een voorziening schriftelijk moet
                    worden ingediend. </al><al/><al>Lid 2 bepaalt dat indien een aanvraag mondeling (via telefoon of op een andere
                    manier)</al><al>wordt ingediend de gemeente deze indiening schriftelijk moet bevestigen onder
                    gelijktijdige toezending van het aanvraagformulier om deze aanvraag formeel te
                    maken. </al><al>Van belang is dat de termijn waarbinnen de aanvraag moet uitmonden in een
                    beschikking </al><al>(maximaal 8 weken) pas begint te lopen vanaf het moment dat het
                    aanvraagformulier, volledig ingevuld en voorzien van alle benodigde bijlagen bij
                    de gemeente is binnengekomen. Het spreekt voor zich dat deze belangrijke
                    informatie in de begeleidende brief bij het aanvraagformulier verstrekt dient te
                    worden.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5. Beoordeling van de te bereiken resultaten</vet></al><al/><al>Hoofdstuk 5 van de verordening heeft een speciale opbouw. In paragraaf 1 worden
                    de algemene regels die voor alle 8 te bereiken resultaten gelden, opgesomd. Het
                    betreft dan met name het maken van een afweging. Waarom deze maatregel, deze
                    voorziening wel en die niet. Zeker als de te verstrekken voorziening niet
                    (precies) datgene is wat betrokkene wenst, is dit van groot belang: het gaat
                    immers om het te bereiken resultaat en het college zal dan aan moeten kunnen
                    geven waarom dit toch als maatwerk kan gelden.</al><al>In paragraaf 2 wordt dan per te bereiken resultaat besproken wat de globale
                    kaders zijn.</al><al>Er is bewust gekozen voor het niet noemen van de voorzieningen die mogelijk
                    zijn. Allereerst laat de wet deze mogelijkheid toe.</al><al>Vervolgens is het principe van het gesprek en de daaropvolgende aanvraag zodanig
                    dat niet van meet af aan een bepaalde voorziening centraal in de procedure moet
                    staan maar het te bereiken resultaat en hoe dat mogelijk is. Focussen op een
                    bepaalde voorziening kan de aandacht daarvan zodanig afleiden dat de verkeerde
                    voorziening wordt toegekend.</al><al/><al><vet>Artikelgewijs</vet><vet>Artikel 8. Het maken van een afweging</vet></al><al>In lid 1 van artikel 8 is vastgelegd dat het college het verslag van het gesprek
                    tot uitgangspunt van de beoordeling van de vraag welke voorzieningen getroffen
                    gaan worden, dient te nemen. Daarbij gaat het college uit van de
                    persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager, zoals artikel 4 Wmo
                    voorschrijft. "Uitgaan van" betekent dat het college die persoonskenmerken en
                    behoeften als vertrekpunt van het onderzoek en de afweging neemt. Bij het
                    onderzoek zal gekeken worden naar wat nodig is, wat mogelijk is en hoe maatwerk
                    ten aanzien van de te bereiken resultaten mogelijk is. Het College kijkt daarbij
                    ook naar de mogelijkheden van belanghebbende om het resultaat zelf te bereiken,
                    bijvoorbeeld door de aanschaf van een bepaald hulpmiddel.</al><al/><al>Lid 2 bepaalt dat alle algemene, algemeen gebruikelijke, collectieve (wettelijk)
                    voorliggende, voorzieningen die voor betrokkene beschikbaar en in praktijk ook
                    daadwerkelijk bruikbaar zijn, eerst beoordeeld dienen te worden. Dat wil zeggen
                    dat allereerst bekeken moet worden of via deze, in de maatschappij logischerwijs
                    voorhanden voorzieningen, de te bereiken resultaten ook daadwerkelijk bereikt
                    kunnen worden. Dat kan nodig zijn omdat men niet weet welke voorzieningen er
                    normaal voorhanden zijn. Als deze voorzieningen toch niet leiden tot het te
                    bereiken resultaat zal naar andere oplossingen gezocht moeten worden en komen
                    individuele voorzieningen ter beoordeling in perspectief.</al><al>Als er geen gesprek heeft plaatsgevonden zal dit na de aanvraag gebeuren. Dus
                    met of zonder gesprek: er wordt in alle gevallen eerst beoordeeld welke
                    voorliggende, algemeen gebruikelijke en collectieve voorzieningen een oplossing
                    zouden kunnen bieden om het te bereiken resultaat daadwerkelijk te
                    bereiken.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2. De te bereiken resultaten</vet></al><al/><al><vet>Artikel 9. Een schoon en leefbaar huis</vet></al><al>In lid 1 van artikel 9 wordt geschetst wat het te bereiken resultaat is ten
                    aanzien van een schoon en leefbaar huis. </al><al>Dit resultaat houdt in dat iedereen moet kunnen wonen in een huis dat schoon is
                    volgens de normen zoals die tot nu toe zijn gehanteerd. Wat betreft de vraag wat
                    onder schoon verstaan moet worden zijn normen geformuleerd in de beleidsregels.
                    Die normen zijn ontleend aan gangbare ideeën die bestaan in de maatschappij. Er
                    zijn ook beperkingen ten aanzien van de omvang van de woning, zoals het aantal
                    kamers, de oppervlakte van de kamers, waarbij uitgangspunt is de omvang van een
                    nieuwe woning binnen de sociale woningbouw. Dit uitgangspunt is niet star: er
                    zijn altijd mogelijkheden bij te stellen naar boven of naar beneden (maatwerk). </al><al>Ramen lappen aan de buitenkant valt van oudsher buiten de gemeentelijke plicht.
                    Maar een aanvrager kan met een (sterk) afwijkende vraag ten aanzien van het
                    onderdeel omvang sociale woningbouw geen compensatie afdwingen voor het meerdere
                    boven het niveau sociale woningbouw. Dit zal in de beleidsregels nader worden
                    uitgewerkt.</al><al>Onder de ruimten die onder dit principe vallen zijn te rekenen: een woonkamer,
                    de aanwezige en gebruikte slaapkamers, de keuken en sanitaire ruimten. Ook een
                    eventuele berging die daadwerkelijk in gebruik is, zal meegenomen worden. </al><al/><al>In lid 2 van artikel 9 wordt geschetst welke individuele voorzieningen
                    beschikbaar gesteld kunnen worden om het schone en leefbare huis te bereiken.
                    Dat gaat allereerst via licht en zwaar huishoudelijk werk, d.w.z. om het droog
                    en nat schoon en stofvrij maken en houden van de woning. Daarbij valt
                    bijvoorbeeld het reinigen van de ramen aan de buitenkant niet onder de
                    compensatieplicht, omdat daarvoor een algemeen gebruikelijke voorziening
                    bestaat: de glazenwasser. Het aantal benodigde uren voor deze activiteit zal
                    bepaald worden via een normenschema dat is opgesteld in samenwerking met de
                    aanbieders van HH en in de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is
                    geaccepteerd als een redelijk uitgangspunt voor de bepaling van de omvang van de
                    hulp. Hierbij zal het te bereiken resultaat altijd centraal dienen te
                    staan.</al><al/><al>Lid 3 van artikel 9 gaat in op het onderdeel gebruikelijke zorg. </al><al>Er wordt rekening gehouden met huisgenoten uit de leefeenheid vanaf 18 jaar.
                    Wanneer die in staat zijn huishoudelijke werkzaamheden die onder de
                    compensatieplicht vallen over te nemen zal allereerst gekeken moeten worden of
                    dit niet een voorliggende voorziening is. Alle huisgenoten vanaf 18 jaar zijn
                    met elkaar verantwoordelijk voor het voeren van een huishouden. Dat betekent dat
                    wanneer één van de huisgenoten die het huishoudelijk werk doet, uitvalt, via een
                    herverdeling de andere huisgenoten deze taken zullen moeten overnemen. Alleen
                    als er geen huisgenoten zijn of als de huisgenoten met enige regelmaat langdurig
                    afwezig zijn zal er plicht tot compensatie bestaan. Ook aanwezige personen
                    jonger dan 18 jaar, zoals thuiswonende kinderen, worden geacht hun bijdrage aan
                    het huishouden te leveren door hun kamer bij te houden en hand- en spandiensten
                    te verrichten.</al><al>Compensatieplicht bestaat er uiteraard ook als de huisgenoot zelf ook niet in
                    staat is het huishoudelijk werk te verrichten. Hiertoe zal al dat onderzoek
                    gedaan moeten worden om dit vast te stellen.</al><al>Niet gewend zijn huishoudelijk werk te verrichten is geen reden tot compensatie.
                    Alleen dreigende overbelasting of bestaande overbelasting van huisgenoten,
                    waaronder begrepen de kinderen, kan compensatieplicht betekenen. Door onderzoek
                    zal deze overbelasting vastgesteld moeten worden.</al><al/><al>Lid 4 bepaalt dat indien er sprake is van gebruikelijke zorg en er geen reden is
                    om aan te nemen dat deze gebruikelijke zorg niet uitgevoerd kan worden, er in
                    principe geen individuele voorziening toegekend zal kunnen worden. Omdat het om
                    maatwerk gaat, zal ook hiernaar nauwkeurig onderzoek gedaan moeten worden.
                    Hetzelfde geldt de in artikel 7 lid 2 gestelde uitzondering voor voorliggende en
                    andere voorzieningen die gewoon in de maatschappij beschikbaar zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 10. Wonen in een geschikt huis</vet></al><al>Lid 1.</al><al>Als het gaat om het wonen in een geschikte woning hebben we het over de
                    woonvoorzieningen, zowel bouwkundig als niet-bouwkundig. Uitgangspunt is daarbij
                    dat men zelf al beschikt of zal beschikken over een woning. Het is niet zo dat
                    een gemeente voor een woning moet zorgen: dat is een eigen verantwoordelijkheid
                    van de aanvrager. De gemeente kan wel ondersteunen of bemiddelen bij het zoeken
                    naar een (geschikte) woning. Daarbij is uitgangspunt dat iedereen altijd zoekt
                    naar een voor hem op dat moment meest geschikte beschikbare woning, uiteraard
                    passend bij het bestedingspatroon.</al><al>Heeft iemand een woning, dan zal de compensatieplicht betekenen dat eventuele
                    problemen met het normale gebruik van de woning opgelost worden. Daarbij kan
                    veelal gekozen worden uit meerdere mogelijke oplossingen.</al><al>Ook nu gaat het weer om woningen op het niveau sociale woningbouw. De ruimten
                    zijn dan ook weer de woonkamer, slaapvertrekken, keuken, de sanitaire ruimten,
                    berging, tuin of balkon. Er kan altijd afgeweken worden naar boven of beneden,
                    maar omvangrijke woningen en zeer grote ruimten zullen niet als uitgangspunt
                    voor compensatie gelden. Wat de tuin en balkon betreft moet het mogelijk zijn in
                    de tuin of op het balkon te komen. De inrichting van deze ruimten is een eigen
                    verantwoordelijkheid (zie ook toelichting artikel 14).</al><al/><al>Lid 2.</al><al>Als het gaat om een geschikte woning is er een reeks aan mogelijke wijzen van
                    compensatie. Het kan mogelijk zijn de woning aan te passen, maar ook kan het
                    mogelijk zijn dat er een andere woning beschikbaar is die geschikt is, of een
                    woning die gemakkelijker geschikt te maken is. In die situatie zal een afweging
                    moeten worden gemaakt van de diverse mogelijkheden. Uitgangspunt daarbij zijn de
                    behoeften van de aanvrager. Maar aan de andere kant is er ook de noodzaak tot
                    een doelmatige besteding van gemeenschapsgelden, waardoor zo veel mogelijk
                    aanvragers gecompenseerd kunnen worden met de beschikbare middelen. Door hier
                    gericht beleid op te maken kan het college sturen in de mogelijkheden. De
                    verschillende regels die gelden bij het maken van afwegingen zijn in de
                    beleidsregels opgenomen.</al><al>Ten aanzien van de vraag of er aangepast dient te worden of dat het plaatsen van
                    een herplaatsbare woonunit ook een oplossing kan zijn, spelen afwegingen over
                    afschrijving van de voorziening en over de vraag of de voorziening later
                    hergebruikt kan worden een belangrijke rol. Gestreefd wordt aanpassingen die
                    bestaan uit een aanbouw alleen dan te realiseren als vastgelegd kan worden dat
                    deze aanpassing tijdens de gehele looptijd beschikbaar kan blijven voor een
                    gehandicapte. Dit zal over het algemeen uitsluitend te realiseren zijn bij
                    huurwoningen van sociaal verhuurders. In andere situaties zal indien mogelijk
                    gekozen worden voor het plaatsen van een losse woonunit.</al><al/><al>Lid 3.Eerst wordt beoordeeld of de belanghebbende gebruik kan maken van
                    een woonvoorziening vanuit de voorzieningenpool. Wanneer dit in de individuele
                    situatie van belanghebbende tot resultaat zal leiden wordt deze mogelijkheid
                    eerst beoordeeld. </al><al/><al>Lid 4. </al><al>Verhuizing naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken
                    woning kan een snelle(re) oplossing bieden dan het aanpassen van een woning.
                    Bovendien kan een woning zich niet lenen voor aanpassing. Dat kan betekenen dat
                    er eerst naar alternatieven gekeken zal moeten worden. Daarbij zal zo mogelijk
                    rekening gehouden worden met de behoeften van de aanvrager. Dat wil zeggen dat
                    in een afweging bepaald zal worden hoe die behoeften zich verhouden tot de
                    belangen (met name financiële) van de gemeente.</al><al/><al>Lid 5.</al><al>Als er voorliggende voorzieningen zijn of alternatieve voorzieningen zijn die
                    goedkoper zijn, zal eerst beoordeeld worden of het hanteren hiervan nog leidt
                    tot maatwerk, zodat via deze voorzieningen het resultaat bereikt zou kunnen
                    worden.</al><al/><al><vet>Artikel 11. Beschikken over goederen voor primaire
                        levensbehoeften</vet></al><al>Lid 1 van artikel 11 beschrijft wat verstaan wordt onder het beschikken over
                    goederen voor primaire levensbehoeften. Het kunnen beschikken over goederen voor
                    primaire levensbehoeften betekent dat de dagelijks benodigde hoeveelheid voedsel
                    voor maaltijden en andere momenten waarop iets genuttigd wordt beschikbaar moet
                    zijn. Hetzelfde geldt voor toiletartikelen en schoonmaakmiddelen. Deze
                    dagelijkse benodigdheden kunnen op vele manieren in huis komen. Compensatie
                    houdt niet per definitie in dat de aanvrager zelf de boodschappen moet kunnen
                    doen. Er zal in redelijkheid gezocht worden naar een oplossing waarmee het
                    resultaat bereikt wordt. Te denken valt aan een boodschappenservice, waarbij wel
                    opgelet wordt dat de supermarkt qua prijsniveau past bij het bestedingspatroon
                    van de aanvrager.</al><al>Het gaat niet alleen om de ingrediënten maar ook om de maaltijden zelf.
                    Compensatie betekent dat de aanvrager beschikt over de verschillende maaltijden
                    door de dag heen. Daarbij dient rekening gehouden te worden met medische
                    geïndiceerde diëten en kan rekening worden gehouden met de wensen van de
                    aanvrager. Het te bereiken doel kan behaald worden via een maaltijdservice, via
                    het gebruik maken van gezamenlijke maaltijden of via het – met behulp van een
                    vrijwilliger of anderszins – zelf bereiden van maaltijden. Ook kan het bereiden
                    van maaltijden worden overgenomen.</al><al/><al>Lid 2 van artikel 11 stelt welke hulpmiddelen gekozen kunnen worden om dit
                    resultaat te bereiken. Boodschappen kunnen op verschillende manieren gedaan
                    worden. Er kan gebruik gemaakt worden van beschikbare diensten, zoals
                    boodschappenservice. Bij afwezigheid van dergelijke diensten, of indien de
                    kosten van de dienst, zowel wat betreft producten als wat betreft extra
                    bezorgkosten, dat rechtvaardigen, kan gekozen worden voor het inzetten van hulp
                    om de boodschappen te doen. Daarbij zal goedkoopst-compenserend leidraad zijn,
                    zodat het doen van boodschappen niet perse door de aanvrager zelf met hulp hoeft
                    te worden gedaan. Ook hier is het te bereiken resultaat van belang en is de
                    manier waarop daaraan ondergeschikt.</al><al/><al>Lid 3 bepaalt dat een bruikbare boodschappenservice of bruikbare
                    maaltijdvoorziening die leidt tot het te bereiken resultaat voorliggend is op
                    eventueel individuele voorzieningen. Om te bepalen of een boodschappenservice of
                    maaltijdvoorziening bruikbaar is, zal gekeken moeten worden naar
                    gezinssamenstelling, kosten en concrete beschikbaarheid. Als een voorliggende
                    voorziening niet beschikbaar is, kan daar uiteraard geen gebruik van worden
                    gemaakt.</al><al/><al>Lid 4 bepaalt dat indien een voorliggende voorziening aanwezig is, waarmee het
                    resultaat bereikt kan worden, er geen ruimte bestaat voor een individuele
                    voorziening.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Beschikken over schone draagbare en doelmatige
                    kleding</vet></al><al>Lid 1 </al><al>Gemeenten dienen aanvragers in staat te stellen te beschikken over schone,
                    draagbare en doelmatige kleding. Dit onderdeel is beperkt tot het verzorgen van
                    kleding die iemand in zijn bezit heeft.</al><al/><al>Lid 2 </al><al>Schone, draagbare en doelmatige kleding betekent dat er gewassen, gestreken en
                    eventueel gerepareerd moet kunnen worden, alles voor zover de aanvrager daartoe
                    niet in staat is. Ook het opruimen van de was dient te worden overgenomen indien
                    de aanvrager hiertoe niet zelfstandig in staat is. Het wassen zal veelal
                    gebeuren met de algemeen gebruikelijke wasmachine. Ook het drogen van de was
                    vindt indien mogelijk plaats op moderne wijzen van drogen: de wasdroger. Voor
                    zover het noodzakelijk is kleding te strijken kan dit ook onder te compenseren
                    problemen vallen. Daarbij is weer uitgangspunt wat in de maatschappij algemeen
                    gangbaar is.</al><al/><al>Lid 3 en 4.</al><al>Als er voorliggende, algemene, collectieve of algemeen gebruikelijke
                    voorzieningen zijn, die tot het te bereiken resultaat kunnen leiden, zal geen
                    ruimte bestaan voor individuele voorzieningen. Hierbij wordt uiteraard gekeken
                    of er wel sprake is van maatwerk.</al><al/><al><vet>Artikel 13. Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin
                        behoren</vet></al><al>Lid 1 spreekt over de dagelijkse zorg van kinderen die tot het gezin behoren.
                    Dit kan onder de compensatieplicht behoren als een ouder of verzorger met
                    beperkingen dat zelf niet kan. Compensatie is dan bedoeld als ondersteuning. Het
                    zal nooit gaan om volledige overname. In die situatie zullen andere oplossingen
                    gezocht moeten worden. Te denken valt aan algemeen gebruikelijke en voorliggende
                    voorzieningen zoals kinderopvang.</al><al>Het ondersteunen bij de opvoeding in een ontregeld gezin valt onder de Wet op de
                    jeugdzorg en intensieve zorg voor gehandicapte kinderen, die de gebruikelijke
                    zorg overstijgt, valt onder de AWBZ.</al><al/><al>Lid 2 biedt de mogelijke oplossingen. Het thuis verzorgen van kinderen die tot
                    het gezin behoren zal veelal van kortere duur zijn. De compensatie van het niet
                    zelf verzorgen (en opvoeden) van tot het gezin behorende kinderen zal bij een
                    langere duur opgelost kunnen worden via algemeen gebruikelijke, voorliggende en
                    algemene voorzieningen. Soms zal tijdelijke compensatie van belang zijn om de
                    ouder(s)/verzorger(s) de gelegenheid te geven een definitieve oplossing te
                    zoeken. Voorliggende voorzieningen spelen dan een grote rol. Te denken valt aan
                    kinderopvang, gastouders, oppasgrootouders enz. </al><al/><al>Lid 3 en 4.</al><al>Voor- tussen- en naschoolse opvang kinderopvang of andere opvangmogelijkheden
                    die in de individuele situatie van de aanvrager kunnen leiden tot het te
                    bereiken resultaat kunnen het verstrekken van een individuele voorziening
                    onnodig maken. Er zal dus altijd eerst beoordeeld moeten worden of er sprake is
                    van dit soort oplossingsmogelijkheden.</al><al/><al><vet>Artikel 14. Zich verplaatsen in en om de woning</vet></al><al>Lid 1. Het te bereiken resultaat betekent dat de aanvrager zich in, om en nabij
                    zijn woning moet kunnen verplaatsen. Daarbij dient gedacht te worden aan het
                    verplaatsen in het kader van het wonen, waarbij de woning bij alle
                    verplaatsingen centraal staat. Alle andere verplaatsingen, die verder gaan dan
                    de woning (zoals het gaan posten van een brief, het op bezoek gaan bij een
                    buurman of het maken van een ommetje) horen bij het volgende te bereiken
                    resultaat: zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Bij deze verplaatsingen
                    horen wel de verplaatsing naar een centrale hal in een flat, waar veelal de
                    brievenbussen zijn, of het gebruik van een balkon of het gebruik van de tuin.
                    Wat de tuin betreft moet het mogelijk zijn in die tuin te komen, de inrichting
                    van de tuin is een eigen verantwoordelijkheid.</al><al>In de woning moeten de normale woonruimten bereikt kunnen worden. Te denken valt
                    daarbij aan de woonkamer, het slaapvertrek, of mogelijk de slaapvertrekken,
                    keuken en de sanitaire ruimten. Als er een berging is, moet ook de berging
                    bereikt kunnen worden, als belanghebbende deze daadwerkelijk gebruikt.</al><al/><al>In principe zullen zolders zonder stahoogte, veelal bereikbaar zonder vaste
                    trap, met bijvoorbeeld een vlizotrap, niet onder de compensatieplicht
                    vallen.</al><al>Het doel hierbij is dat men zich in die ruimten zodanig kan verplaatsen en zich
                    daardoor zodanig kan redden dat normaal functioneren mogelijk is. Om dit
                    resultaat te bereiken wordt compensatie geboden in de vorm van hulpmiddelen. Een
                    voorbeeld is een rolstoel voor verplaatsingen door de ruimte. Ook een tillift
                    zou gezien kunnen worden als een dergelijk middel. Doordat een belangrijk deel
                    van de tilliften vanwege aard- en nagelvaste verbinding met het plafond gerekend
                    worden tot de voorzieningen waardoor in een geschikte woning gewoond kan worden,
                    wordt de tillift verder beschouwd als een voorziening die daar onder valt. </al><al>De hulpmiddelen die het te bereiken resultaat kunnen bevorderen kunnen nieuw of
                    gebruikt zijn. Het is niet zo dat de compensatieplicht betekent dat iemand een
                    nieuwe voorziening moet ontvangen, de compensatieplicht betekent dat iemand met
                    de verstrekking het te bereiken resultaat moet kunnen bereiken.</al><al>Het kunnen verplaatsen in de woning zou kunnen betekenen dat er twee
                    voorzieningen verstrekt worden. Wanneer iemand een transfer kan maken, maar
                    overigens aangewezen is op een rolstoel, zou gekozen kunnen worden voor een
                    stoeltjeslift in combinatie met een rolstoel beneden en een rolstoel boven,
                    waardoor iemand in staat zal zijn om zich in de gehele woning te verplaatsen. In
                    deze situatie kunnen naast een traplift ook andere voorzieningen nodig zijn om
                    de woning rolstoeldoorgankelijk te maken.</al><al/><al>Lid 2.</al><al>In principe zal een hulpmiddel voor verplaatsing in, om en nabij het huis (onder
                    de Wmo valt in veel gevallen de rolstoel) verstrekt worden als men een
                    dergelijke voorziening voor (dagelijks) zittend gebruik nodig heeft. Aan een
                    dergelijke noodzaak gaat vaak een periode vooraf waarin gebruik wordt gemaakt
                    van andere hulpmiddelen, (ooit) verstrekt op basis van de Zorgverzekeringswet of
                    AWBZ of zelf aangeschaft. De zogenaamde rolstoel voor incidenteel gebruik valt
                    hier niet onder: deze rolstoel wordt immers niet gebruikt voor verplaatsen in,
                    om en nabij de woning, maar wordt vooral gebruikt als men zich elders moet
                    verplaatsen en dat zonder een rolstoel niet kan, zoals tijdens een uitstapje.
                    Voor dit soort rolstoelen kan gebruik gemaakt worden van speciaal hiervoor
                    beschikbare uitleendepots, of van rolstoelen die op de plaats van bestemming
                    beschikbaar zijn, zoals in pretparken, dierentuinen en dergelijke.</al><al>De rolstoel voor incidenteel gebruik wordt alleen dan verstrekt, indien de
                    gemeente geen regeling heeft voor het lenen van dit soort rolstoelen. Ook is het
                    wellicht in incidentele situaties noodzakelijk om andere redenen een dergelijke
                    rolstoel voor incidenteel gebruik te verstrekken. Het zal hierbij gaan om
                    uitzonderingen: uitgangspunt is dat een rolstoel alleen verstrekt wordt indien
                    die noodzakelijk is voor het verplaatsen in, om en nabij de woning.</al><al/><al>Lid 3 en 4. </al><al>Een rolstoelpool zou kunnen leiden tot een adequate oplossing voor het probleem
                    van het verplaatsen op andere plaatsen dan rond de woning. Daarom zal een
                    rolstoelpool een oplossing kunnen bieden voor diegenen die behoefte hebben aan
                    een oplossing voor incidenteel gebruik waarbij het gebruik niet in en om de
                    woning plaatsvindt. </al><al>Als daar sprake van is zal geen individuele voorziening worden verstrekt. Als de
                    gemeente een rolstoelpool heeft opgezet, dan moeten deze rolstoelen gebruikt
                    worden voor verplaatsingen in en om de woning, mits dit het gewenste resultaat
                    levert en passend is bij deze aanvrager</al><al/><al><vet>Artikel 15. Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</vet></al><al>Lid 1.</al><al>Als het gaat om het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel is het te bereiken
                    resultaat dat de aanvrager zich met een of ander vervoermiddel binnen zijn eigen
                    woonplaats en het direct daaromheen gelegen gebied kan verplaatsen. Die
                    verplaatsingen moeten passen in het kader van het leven van alledag. Sommige
                    verplaatsingen worden reeds vanuit voorliggende voorzieningen vergoed te denken
                    valt aan de wet WIA. Indien men vanuit de WIA een vergoeding krijgt voor de
                    verplaatsen in verband met werk, kan men ook (deels) vanuit de WIA gecompenseerd
                    worden in het zich verplaatsen in het kader van het leven van alledag. Ook
                    kunnen er vanuit vrijwilligersorganisaties initiatieven genomen worden om
                    verplaatsingen, in het kader van het leven van alledag, aan te bieden. </al><al>Maar het enkele feit dat er voorliggende voorzieningen zijn om je te verplaatsen
                    in het kader van het leven van alledag ontslaat de gemeente niet van de
                    compensatieplicht. De gemeente zal rekening moeten houden met de
                    persoonskenmerken en de behoefte van de aanvrager. Naar aanleiding van een
                    onderzoek naar de specifieke situatie en de vervoersbehoefte van de aanvrager
                    zal de gemeente een passend arrangement aanbieden met betrekking tot de
                    verplaatsingen in het kader van het leven van alledag. Hierin zal bepaald worden
                    of de gemeente een compenserende rol heeft of niet.</al><al> Een uitzondering op bovenstaande is gemaakt voor het collectief vervoer. Met
                    het collectief vervoer kunnen inwoners van de gemeente Ooststellingwerf ook
                    verplaatsingen buiten de eigen woonplaats en direct daaromheen gelegen gebieden
                    maken. Het collectief vervoer is dan ook niet beperkt tot de directe woon- en
                    leefomgeving.</al><al/><al>Lid 2</al><al>De individuele voorzieningen die verstrekt gaan worden om als resultaat te
                    bereiken dat je je met een of ander vervoermiddel in de woonplaats en directe
                    omgeving kan verplaatsen betreffen een breed scala van verplaatsingen.
                    Uitgesloten zijn verplaatsingen die met een speciaal middel gemaakt moeten
                    worden in verband met betaalde arbeid. Verder zijn ook vakanties en ander
                    verblijf buiten het gebied zoals omschreven met woonplaats en omgeving
                    uitgesloten. </al><al>Daarvoor wordt door het Ministerie van VWS Valys beschikbaar gesteld. Valys is
                    aanvullend op de door de Wmo te compenseren voorzieningen en valt buiten de
                    verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders. Valys
                    regelt het vervoer wanneer de pashouder een vervoersbehoefte heeft die verder
                    reikt dan 5 OV-zones vanaf het woonadres van de pashouder of wanneer het
                    vertrekadres is gelegen op een afstand van meer dan 5 OV-zones vanaf het
                    woonadres van de pashouder. De gemeente is verantwoordelijk voor de
                    vervoersbehoefte van de pashouder tot en met vijf OV-zones vanaf diens woonadres
                    of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand tot en met 5 OV-zones
                    vanaf het woonadres van de pashouder. </al><al/><al>Wel gaat het om verplaatsingen nodig voor het doen van boodschappen (zodat ook
                    op deze wijze het resultaat van het kunnen beschikken over de eerste
                    levensbehoeften wordt bereikt), nodig om op bezoek te gaan, nodig om naar
                    artsen, paramedici, specialisten en voor ziekenhuisonderzoek, voor zover het
                    zogenaamde zittend ziekenvervoer daar geen oplossing voor biedt. Dit medisch
                    vervoer betreft vooral situaties waarbij dat vervoer zo frequent is dat het
                    beschikbaar gestelde vervoer bijna geheel aan dit medisch vervoer gebruikt zou
                    worden. In deze situatie kan extra vervoer ter compensatie geboden worden. Ook
                    het vervoer om in de natuur te zijn, al dan niet met familie of vrienden, of het
                    vervoer om een kerk, een sporthal, of een museum te bezoeken valt onder de
                    compensatieplicht.</al><al/><al>Bij een vraag met betrekking tot ondersteuning bij het vervoer in het kader van
                    sociaal en maatschappelijk verkeer, dient allereerst vastgesteld te worden wat
                    de reële vervoersbehoefte is, gezien de persoonskenmerken en behoeften van de
                    aanvrager, maar ook gezien de financiële situatie van de aanvrager. Immers, met
                    een laag inkomen kan men wel de wens hebben veel verplaatsingen te maken, maar
                    omdat voor iedere Nederlander verplaatsen een prijskaartje heeft, zal dat ook
                    voor mensen met een handicap gelden. Daarbij is het van belang vast te stellen
                    of de vervoersbehoefte hiermee spoort. </al><al>De omvang van de te bieden compensatie ligt volgens de jurisprudentie over het
                    algemeen tussen 1500 en 2000 kilometer per jaar. Het kan voorkomen dat er een
                    grotere reële vervoersbehoefte bestaat, die in de vorm van maatwerk
                    gecompenseerd moet worden. </al><al>Lid 3 en 4.</al><al>Ook bij de vervoersvoorzieningen kan een scootmobielpool een oplossing bieden
                    voor personen met een beperkte vervoersbehoefte op de korte afstand. Datzelfde
                    geldt voor het zogenaamde vraagafhankelijke vervoer van deur tot deur. Om
                    hierbij te komen tot maatwerk zal de vervoersbehoefte van de aanvrager
                    uitgangspunt zijn van de beoordeling welke voorziening nodig is om het te
                    bereiken resultaat te bereiken. Voorliggende voorzieningen kunnen individuele
                    voorzieningen voorkomen.</al><al/><al><vet>Artikel 16. De mogelijkheid om contacten te hebben met medemensen en deel
                        te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                    activiteiten</vet></al><al>Lid 1.</al><al>Het te bereiken resultaat ten aanzien van de mogelijkheid om contacten te hebben
                    met medemensen en deel te nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze
                    activiteiten bestaat uit het kunnen afleggen van gewenste bezoeken en het
                    deelnemen aan gewenste activiteiten. Daarbij kan gedacht worden aan
                    familiebezoek, aan het bezoeken van bijeenkomsten of het bezoeken van
                    kerkdiensten, het deelnemen aan het verenigingsleven, maar ook het volgen van
                    cursussen om de vrije tijd op een aangename wijze te kunnen invullen.
                    Voorwaarden hiervoor zijn bijvoorbeeld het zich kunnen verplaatsen naar deze
                    bestemmingen. Daarvoor zal artikel 15 over het algemeen een voldoende oplossing
                    kunnen bieden. Hierbij is van belang dat altijd de persoonskenmerken en
                    behoeften van de belanghebbende in acht worden genomen.</al><al/><al>Lid 2.</al><al>Als vervoer voldoende in staat stelt aan activiteiten deel te nemen kan via
                    artikel 15 het vervoersprobleem opgelost worden.</al><al/><al>Lid 3 en 4.</al><al>Als sprake is van voorliggende voorzieningen, die het probleem op kunnen lossen,
                    zal er geen ruimte meer zijn voor individuele voorzieningen.</al><al/><al>Lid 5.</al><al>De rechtbank Amsterdam en Breda zijn van oordeel dat deelname aan sportieve
                    activiteiten in het maatschappelijk leven een belangrijke plaats inneemt. Het
                    moet worden gezien als een manier om het zelfstandig functioneren en de deelname
                    aan het maatschappelijk verkeer van personen met beperkingen te bevorderen. Het
                    college zal zich bij elke vraag voor een sportvoorziening een oordeel moeten
                    vormen of de gevraagde sportvoorziening hierin daadwerkelijk een bijdrage kan
                    leveren. Hierbij zal gekeken moeten worden naar de vier compensatiegebieden van
                    artikel 4 lid 1 Wmo. Wanneer bijvoorbeeld een hometrainer wordt aangevraagd om
                    thuis krachttrainingen te doen, zal ook beoordeeld moeten worden of dit het
                    zelfstandig functioneren en deelname aan het maatschappelijk verkeer
                    bevordert.</al><al>Wanneer belanghebbende bijvoorbeeld een handbike aanvraagt om alleen in het bos
                    te kunnen sporten, zou deze voorziening afgewezen kunnen worden omdat deze
                    voorziening belanghebbende niet in staat stelt om sociale verbanden aan te
                    gaan.</al><al/><al>Het college heeft geen compensatieplicht voor topsportvoorzieningen.
                    Belanghebbenden die speciale sportvoorzieningen nodig hebben om sport op
                    topniveau te bedrijven, dienen uit eigen middelen, fondswerving of door middel
                    van sponsoring de benodigde financiën bijeen te brengen. Dit laat onverlet dat
                    een topsporter eventueel wel in aanmerking kan komen voor een "normale"
                    sportvoorziening, die voldoende geschikt is om sport te kunnen beoefenen op een
                    lager niveau. </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 6. VERSTREKKING IN NATURA, ALS PERSOONSGEBONDEN BUDGET EN ALS
                        FINANCIËLE TEGEMOETKOMING</vet></al><al/><al><vet>Paragraaf 1. Verstrekking van voorzieningen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 17. Mogelijke vormen van verstrekking</vet></al><al>In dit artikel wordt allereerst behandeld in welke vormen voorzieningen
                    verstrekt kunnen worden. De mogelijkheden voorziening in natura of een
                    persoonsgebonden budget zijn voorgeschreven in artikel 6 Wmo. De financiële
                    tegemoetkomingen kunnen niet ontbreken (hoewel er in feite geen verschil bestaat
                    tussen een persoonsgebonden budget en een financiële tegemoetkoming) omdat
                    artikel 7 lid 2 Wmo spreekt over een “financiële tegemoetkoming voor een
                    bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan de woonruimte”.</al><al/><al><vet>Paragraaf 2. Verstrekking in natura</vet></al><al/><al><vet>Artikel 18. Inhoud beschikking</vet></al><al>Dit artikel bepaalt in lid 1 welke aspecten bij het verstrekken van een
                    voorziening in natura in de beschikking vastgelegd moeten worden.</al><al>Het gaat er daarbij uiteraard allereerst om welke voorziening(en) aan de orde
                    zijn. Dit uiteraard in relatie tot de te bereiken resultaten. Vervolgens wordt
                    aangegeven wat de duur van de voorziening is: voor hoe lang wordt iets toegekend
                    of hoe lang moet men in principe de bepaalde voorziening kunnen gebruiken om het
                    resultaat te bereiken. Vervolgens is van belang te vermelden op welke wijze de
                    voorziening in natura verstrekt wordt. Als er sprake is van een overeenkomst
                    wordt deze overeenkomst vermeld.</al><al>Ook andere aspecten, speciaal aspecten die voor deze ene verstrekking gelden,
                    dienen in de beschikking opgenomen te worden.</al><al/><al>Lid 2 geeft aan dat als een eigen bijdrage gevraagd wordt, dit in de beschikking
                    komt te staan. Dit betreft alleen het gegeven dat een eigen bijdrage gevraagd
                    wordt. Hoe hoog de eigen bijdrage is zal door het CAK bepaald worden en door het
                    CAK bij afzonderlijke beschikking worden opgelegd.</al><al/><al><vet>Paragraaf 3. Verstrekking als persoonsgebonden budget</vet></al><al/><al><vet>Artikel 19. Overwegende bezwaren</vet></al><al>Artikel 19 bepaalt dat die situaties waarin geen persoonsgebonden budget
                    verstrekt wordt, ook al is dat aangevraagd, omdat zij vallen onder de
                    formulering van artikel 6 Wmo: “ overwegende bezwaren” door het college
                    opgenomen moeten worden in het Gemeentelijk besluit maatschappelijke
                    ondersteuning. Dit omdat het aantal situaties nog zeer beperkt is maar in de
                    loop der jaren meer situaties zullen ontstaan waarin tegen het verstrekken van
                    een pgb overwegende bezwaren bestaan. Dit kan zijn als vast staat dat
                    belanghebbende niet in staat is de gelden te beheren. Ook kan dit een situatie
                    zijn waarin het gaat om zeer kortdurende hulp bij het huishouden en het
                    verstrekken van een persoonsgebonden budget niet praktisch uitvoerbaar is. Ook
                    het collectief vraagafhankelijk vervoer kan als het systeem in gevaar komt als
                    vrijheid tot keuze van een persoonsgebonden budget zou leiden tot leegloop een
                    argument zijn geen keuzevrijheid te bieden. Dit moet onderbouwd kunnen worden en
                    uitzonderingen moeten mogelijk zijn. Zie ook CRvB, 12-01-2010, BL4037. </al><al/><al><vet>Artikel 20. Inhoud beschikking</vet></al><al>Lid 1 van artikel 20 bepaalt wat er bij het verstrekken van een persoonsgebonden
                    budget vastgelegd moet worden in de beschikking. Het gaat daarbij allereerst om
                    de formulering van het te bereiken resultaat zodat helder is waarvoor het
                    persoonsgebonden budget gebruikt moet worden. Dat kan beperkt zijn, zoals het
                    bezoeken van familie, vrienden en kennissen en het doen van boodschappen met een
                    scootmobiel, maar ook een meer algemeen geformuleerd resultaat, zoals het maken
                    van alle noodzakelijke verplaatsingen in de naaste woon- en leefomgeving.</al><al>Als er een programma van eisen wordt verstrekt (waar is het geld voor bedoeld,
                    aan welke eisen moet voldaan zijn) wordt dat ook in de beschikking vastgelegd
                    onder bijvoeging van het program van eisen.</al><al>Vervolgens kan in de beschikking worden vastgelegd wat de omvang van het
                    persoonsgebonden budget is, welk bedrag men ontvangt, met vermelding hoe dat
                    bedrag tot stand is gekomen. Tot slot moet voor wat betreft de verantwoording
                    ook in de beschikking worden vastgelegd wat van degene tot wie de beschikking is
                    gericht in dit opzicht wordt verwacht.</al><al>Lid 2 van dit artikel bepaalt dat bij het heffen van een eigen bijdrage dit in
                    de beschikking vermeld moet worden, waarbij meegenomen kan worden dat het CAK de
                    hoogte van de eigen bijdrage vaststelt en per beschikking op zal leggen.</al><al/><al><vet>Paragraaf 4. Verstrekking als financiële tegemoetkoming</vet></al><al/><al><vet>Artikel 21. Inhoud beschikking</vet></al><al>Lid 1 bepaalt ten aanzien van de financiële tegemoetkoming wat in de beschikking
                    vermeld wordt. Het gaat hier allereerst om de vermelding van het te bereiken
                    resultaat waarvoor de financiële tegemoetkoming gebruikt dient te worden.
                    Daarnaast moet vermeld worden voor welke duur, voor welke periode de financiële
                    tegemoetkoming verstrekt wordt en tenslotte dient hier vermeld te worden of er
                    een overeenkomst van toepassing is op deze verstrekking. Uiteraard moet ook de
                    hoogte van de financiële tegemoetkoming vermeld worden.</al><al/><al>Lid 2.</al><al>Bij het verstrekken van een financiële tegemoetkoming bestaat de mogelijkheid
                    een eigen aandeel te vragen. Indien dit van toepassing is dient dit in de
                    beschikking vermeld te worden. De berekening van het eigen aandeel kan, in
                    tegenstelling tot de eigen bijdrage, door het college plaatsvinden. In de wet is
                    alleen voor de eigen bijdrage geregeld dat dit verplicht door het CAK dient te
                    gebeuren. Als een college zelf het eigen aandeel berekent dient er zorg voor te
                    worden gedragen dat de regels rond de cumulatie van eigen bijdragen in acht
                    worden genomen. Met name als al een eigen bijdrage AWBZ wordt betaald zal
                    herberekening (en wel wat de eigen bijdrage AWBZ betreft door het CAK) plaats
                    moeten vinden, aangezien een eigen aandeel op basis van de Wmo voor gaat op een
                    eigen bijdrage in het kader van de AWBZ.</al><al/><al><vet>Paragraaf 5. Eigen bijdrage en eigen aandeel</vet></al><al/><al><vet>Artikel 22. Eigen bijdragen en eigen aandeel</vet></al><al>Lid 1</al><al>Voor alle resultaatsgebieden geldt dat een eigen bijdrage of eigen aandeel
                    verlangd kan worden. Dit geldt niet indien de individuele voorziening wordt
                    verstrekt ten behoeve van personen onder de 18 jaar en ook niet indien de
                    individuele voorziening een rolstoel betreft. </al><al/><al>Lid 2</al><al>Het tweede lid van artikel 22 vermeldt dat het college de bedragen vast legt in
                    het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Ooststellingwerf.
                    </al><al/><al><vet>HOOFDSTUK 7. respijtvoorziening MANTELZORG</vet></al><al/><al><vet>Artikel 23. Ondersteuning mantelzorg</vet></al><al>Lid 1</al><al>In de parlementaire geschiedenis is als argument genoemd dat, nu mantelzorg als
                    belangrijke vorm van zorg wordt gezien, een dergelijke noodvoorziening in de Wmo
                    niet mag ontbreken (TK 2005-2006, 30 131, nr. 45). </al><al/><al>Bij mantelzorg gaat het om de zorg die uit gaat boven de gebruikelijke zorg die
                    men redelijkerwijs van een huisgenoot mag verwachten. Er bestaat brede
                    overeenstemming dat er vooral sprake is van mantelzorg als deze intensief en
                    langdurig wordt verleend, dat wil zeggen meer dan 8 uur per week en langer dan 3
                    maanden. Minder intensieve en langdurige zorg voor een ander valt uiteraard ook
                    onder mantelzorg, maar krijgt beleidsmatig gezien minder aandacht bij de
                    ondersteuning van mantelzorgers. Dit is gebaseerd op het feit dat mantelzorgers
                    pas echt problemen gaan ondervinden ten gevolge van het verlenen van zorg als
                    dat intensief gedurende een langere periode geschiedt (EK 2005-2006, 30 131, C,
                    p. 59).</al><al/><al>Lid 2</al><al>Een respijtvoorziening is een voorziening die gericht is op het (tijdelijk)
                    ontlasten van de mantelzorger, wanneer deze overbelast dreigt te raken.
                    Overbelasting van de mantelzorger kan dit leiden tot een verminderde inzet van
                    mantelzorg, wat een grote impact kan hebben op het maatschappelijk functioneren
                    van belanghebbende. Een respijtvoorziening heeft als doel dat de mantelzorger
                    zijn ondersteuning kan voorzetten en samen met de mantelzorger gezocht kan
                    worden naar andere oplossingen om de beperkingen van belanghebbende te
                    compenseren. Een respijtvoorziening moet verkrijgbaar zijn voor alles waarvoor
                    een bepaalde persoon geïndiceerd is (TK 2005-2006, handelingen, nr. 45, p.
                    2998).De gemeente zal bekijken op welke wijze aan de mantelzorger steun wordt
                    geboden indien deze zijn taken tijdelijk niet kan verrichten. Dat kan
                    bijvoorbeeld door het verstrekken van een individuele voorziening, zijnde hulp
                    bij het huishouden. Wel is de gemeente volgens de staatsecretaris van VWS niet
                    verplicht om mantelzorgers een individuele voorziening aan te bieden (EK
                    2005-2006, 30 131, E, bijlage 1, p. 9). Bij het ondersteunen van mantelzorgers
                    en vrijwilligers zal het als regel gaan om algemene beleidsmaatregelen en minder
                    vaak om individuele voorzieningen.</al><al/><al/><al><vet>Hoofdstuk 8. Procedurele bepalingen rond onderzoek, advies en
                        besluitvorming, intrekking en terugvordering</vet></al><al/><al><vet>Artikel 24. Beslistermijn</vet></al><al>De Algemene wet bestuursrecht regelt dat, als bij wettelijk voorschrift niet
                    anders is bepaald, een besluit genomen dient te worden binnen een redelijke
                    termijn. Die redelijke termijn is 8 weken. De Wmo bepaalt niets over
                    beslistermijnen. Het college heeft de mogelijkheid om afwijkende termijnen vast
                    te stellen. Hoewel het van belang is zo min mogelijk afwijkende termijnen te
                    hanteren, immers, de doorzichtigheid van de termijnen komt daardoor wellicht in
                    het geding, is het logisch voor enkele onderdelen wel een langere termijn vast
                    te stellen. Dit geldt met name voor bouwkundige woonvoorzieningen. Zeker als
                    daar een offerte voor moet worden aangevraagd, zal daarmee de nodige tijd
                    gemoeid zijn, zodat de termijn van acht weken niet haalbaar is. Om dat helder te
                    hebben is het wenselijk deze termijn in de verordening op te nemen. Dit is
                    gebeurd ten aanzien van de verschillende te bereiken resultaten.</al><al/><al><vet>Artikel 25. Beperkingen</vet></al><al>Er geldt een aantal beperkingen bij het verstrekken van voorzieningen.</al><al/><al>Lid 1 onder a bepaalt dat het noodzakelijk is dat een voorziening langdurig
                    noodzakelijk is. Op deze regel bestaat een duidelijke uitzondering: hulp bij het
                    huishouden na een ziekte of ziekenhuisopname. Als deze kortdurende hulp bij het
                    huishouden binnen een gemeente niet geleverd kan worden als algemene
                    voorziening, waardoor geen individuele voorziening meer nodig zal zijn, zal deze
                    hulp als individuele voorziening verstrekt moeten worden. Deze uitzondering
                    dient dan in de verordening te worden opgenomen.</al><al>Wat langdurig noodzakelijk is hangt geheel af van de situatie, maar ook een te
                    bereiken resultaat voor een belanghebbende die terminaal is dient gerekend te
                    worden tot langdurig noodzakelijk. De voorziening zal immers iemands gehele
                    verdere leven noodzakelijk zijn.</al><al/><al>Lid 1 onder b bepaalt dat de voorziening als de goedkoopst-compenserende
                    voorziening aangemerkt moet kunnen worden. Het gaat daarbij op de eerste plaats
                    om een voorziening die compenserend is voor de ondervonden problemen, zodat het
                    te bereiken doel daadwerkelijk bereikt kan worden. Maar wanneer dan meerdere
                    voorzieningen compenserend blijken te zijn mag volstaan worden met de
                    goedkoopste voorziening.</al><al/><al>Lid 2 bepaalt onder a dat geen voorziening wordt toegekend indien de voorziening
                    als algemeen gebruikelijk beschouwd dient te worden voor een persoon als de
                    aanvrager.</al><al>Verder wordt geen voorziening toegekend als niet meer is na te gaan of de
                    voorziening noodzakelijk was en of wel sprake was van een goedkoopst
                    compenserende voorziening. Is de voorziening te duur geweest dan kan de gemeente
                    volstaan met het vergoeden van een lager bedrag conform de
                    goedkoopst-compenserende voorziening.</al><al/><al><vet>Artikel 26. Advisering</vet></al><al>Lid 1.</al><al>Het kan noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de gevraagde voorziening een
                    beroep te doen op een (medisch) adviseur. Als daar aanleiding voor is biedt
                    artikel 25 daartoe de mogelijkheid. Geregeld is dat het college twee
                    mogelijkheden heeft: het college kan allereerst iemand oproepen op een bepaalde
                    plaats en tijd te verschijnen en daar die vragen te beantwoorden die nodig zijn
                    om tot een zorgvuldig besluit te komen.</al><al>De tweede mogelijkheid is uitgebreider: deze biedt ook de gelegenheid tot
                    onderzoek, bijvoorbeeld door een arts. Bij de advisering zal de ICF terminologie
                    gebruikt worden met het oog op de consistentie van verslag, onderzoek en
                    beoordeling.</al><al>Het zal duidelijk zijn dat er van deze mogelijkheden alleen maar gebruik kan
                    worden gemaakt als dit noodzakelijk is, dat wil zeggen als zonder dit onderzoek
                    een zorgvuldige besluitvorming niet mogelijk is.</al><al>In principe mag van de aanvrager verwacht worden mee te werken. Is de aanvrager
                    niet bereid tot medewerking, dan zal het college moeten beoordelen of zonder
                    deze medewerking een zorgvuldig besluit te nemen is. Is dat niet mogelijk dan
                    zal het college de aanvraag buiten behandeling kunnen stellen. Is wel een
                    zorgvuldig besluit mogelijk dan zal dat besluit genomen moeten worden.</al><al/><al>Lid 2 geeft de situaties weer waarin een adviesinstantie (over het algemeen een
                    medisch adviseur) om advies gevraagd kan worden.</al><al>Dat kan van belang zijn als het gaat om een aanvraag van een persoon die nog
                    niet bij de gemeente bekend is. In die situatie is het van groot belang te weten
                    wat de aard van de problemen is en welke prognose er bestaat. Dit kan van belang
                    zijn bij de bepaling van de voorzieningen om de gewenste resultaten te
                    bereiken.</al><al>Is de aanvrager bekend, maar is er sprake van gewijzigde omstandigheden, dan kan
                    er ook aanleiding zijn een advies op te vragen. Dat zal zeker het geval zijn als
                    die gewijzigde omstandigheden een andere kijk op de te bereiken resultaten
                    rechtvaardigen.</al><al>Uiteraard zal er een medisch advies moeten zijn bij een afwijzing op medische
                    gronden. En er kunnen zich situaties voordoen dat er anderszins behoefte bestaat
                    aan een medisch advies. Dan biedt het laatste lid van dit artikel daartoe de
                    mogelijkheid.</al><al/><al>De bepaling in lid 3 spreekt voor zich; het is duidelijk dat gegevens inzake de
                    medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei andere gegevens
                    noodzakelijk kunnen zijn om eenaanvraag te kunnen
                    beoordelen. Uiteraard moet er niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk is
                    voor het nemen van een besluit op de aanvraag, zie hieromtrent ook artikel 4:3
                    Algemene wet bestuursrecht. De gemeente heeft de</al><al>plicht reeds beschikbare gegevens te hergebruiken. Door ondertekening van het
                    aanvraagformulier geeft de aanvrager toestemming deze informatie in te winnen.
                    Bijvoorbeeld gegevens die bekend zijn van een aanvraag voor een
                    gehandicaptenparkeerkaart.</al><al>Weigert de aanvrager echter de voor het nemen van het besluit noodzakelijke
                    gegevens te verstrekken, dan rest het college niets anders dan de aanvraag
                    volgens de procedure van artikel4:5 Algemene wet
                    bestuursrecht buiten behandeling te laten. </al><al/><al>Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige – gegevens moet de
                    gemeente rekening houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet
                    bescherming persoonsgegevens (Wbp). </al><al/><al>Lid 4 geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de
                    zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld
                        Gezondheidsorganisatie.Deze bepaling is in de
                    verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting op amendement 65,
                    waarin staat“Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk
                    biedt de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments
                    (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om
                    de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te
                    stellen.”</al><al>Mede omdatbij de indicatiestelling van de diverse functies
                    in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten eveneens van deze classificatie
                    gebruik wordt gemaakt kan het gebruik van de ICF-classificatie afstemming tussen
                    de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en deze wet vergemakkelijken. </al><al/><al><vet>Artikel 27. Wijziging situatie</vet></al><al>Dit artikel voorziet erin dat bij een gewijzigde situatie de plicht bestaat het
                    college hiervan op de hoogte te stellen als men kan vermoeden dat dit invloed
                    kan hebben op de verstrekte voorziening. Zo zal bij overlijden de voorziening
                    stopgezet kunnen worden en dienen de erven dit zo snel mogelijk te melden.
                    Uiteraard kan de gemeente in deze situatie ook via het GBA kennis hebben van
                    deze gewijzigde omstandigheid.</al><al>Maar andere omstandigheden zijn minder gemakkelijk kenbaar door de gemeente. In
                    die situatie kan men op basis van dit artikel verwachten dat wijzigingen worden
                    doorgegeven. Het kan overigens geen kwaad deze bepaling in de beschikking te
                    herhalen, hetgeen de kans dat er kennis van genomen wordt aanzienlijk
                    vergroot.</al><al/><al><vet>Artikel 28. Intrekking</vet></al><al>Een besluit, genomen op basis van deze verordening, kan in bepaalde
                    omstandigheden geheel of gedeeltelijk ingetrokken worden.</al><al>Dit zal gebeuren als bij de toekenning voorwaarden gesteld zijn en daar op enig
                    moment niet of niet meer aan is voldaan. In die situatie bestaat ook de
                    mogelijkheid tot terugvordering, indien de voorziening zich daartoe leent. Dat
                    is in artikel 29 geregeld.</al><al>Ook de situatie dat beslist is op onjuist verstrekte gegevens biedt de
                    mogelijkheid een genomen beschikking geheel of ten dele in te trekken. Ook in
                    deze situatie kan terugvordering een mogelijkheid zijn.</al><al>Een beslissing wordt genomen met de bedoeling dat men daar een voorziening mee
                    treft. Als binnen 6 maanden na het nemen van de beslissing de voorziening nog
                    niet is getroffen, is er ook de mogelijkheid een beslissing geheel of ten dele
                    in te trekken.</al><al/><al><vet>Artikel 29. Terugvordering</vet></al><al>Indien een besluit is ingetrokken (en ook alleen maar in die situatie) kan
                    eventueel tot terugvordering worden overgegaan. Voorwaarde is dat het recht op
                    de voorziening is ingetrokken. Een voorziening in natura, een financiële
                    tegemoetkoming of een pgb kan worden teruggevorderd. Hierbij geldt de
                    privaatrechtelijke procedure op grond van onverschuldigde betaling zoals bedoeld
                    in het Burgerlijk Wetboek. </al><al/><al>Terugvordering van een voorziening die bestaat uit een natura-verstrekking kan
                    ook als later blijkt dat de verstrekking onterecht is geweest doordat er
                    onjuiste gegevens zijn verstrekt.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 9. Slotbepalingen</vet></al><al/><al><vet>Artikel 30. Hardheidsclausule</vet></al><al>Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen
                    om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te
                    beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende
                    aard.</al><al>Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te
                    verwachten is, Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke
                    beoordeling. Als ondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van
                    een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de
                    aanvrager ook een beroep doen op deze clausule.</al><al>Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan men zich
                    afvragen of het beleid terzake niet aangepast zou moeten worden.</al><al/><al><vet>Artikel 31. Indexering</vet></al><al>Bepaalde bedragen zullen jaarlijks aangepast worden zonder dat het college hier
                    iets voor hoeft te doen. Te denken valt daarbij aan de bedragen voor de eigen
                    bijdrage en het eigen aandeel. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en
                    Sport zal deze bedragen jaarlijks aanpassen. Een college is op basis van dit
                    artikel ook bevoegd eigen bedragen aan te passen.</al><al>Om deze reden is het voor de hand liggend alle bedragen in het gemeentelijke
                    Besluit maatschappelijke ondersteuning op te nemen, zodat de bedragen snel en
                    gemakkelijk aan te passen zijn.</al><al/><al><vet>Artikel 32. Evaluatie</vet></al><al>De wet vereist evaluatie. Dit artikel biedt de mogelijkheid deze evaluatie in de
                    tijd vast te leggen.</al><al/><al><vet>Artikel 33. Inwerkingtreding</vet></al><al>Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 34. Citeertitel</vet></al><al>Deze verordening wordt aangehaald als de Verordening Voorzieningen Wet
                    Maatschappelijke Ondersteuning 2013. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>