<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR24349_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Havenbeheersverordening Papendrecht 2011</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Papendrecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2016-12-30</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Papendrecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 29-12-2016</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Havenbeheersverordening Papendrecht 2011</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2016-12-20</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-12-30</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2020-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging Ligplaatsenoverzicht</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>F-1433911355</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>regeling gebruik en beheer havens</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>1.Besluit ligplaatsenoverzicht Papendrecht</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>inclusief toelichting.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging><overheidrg:externeBijlage>exb-2018-32297</overheidrg:externeBijlage></cvdripm></meta><body><intitule>Havenbeheersverordening Papendrecht 2011</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan
                            onder: </al><lijst><li nr="1."><al>binnenschip: schip, niet zijnde een zeeschip; </al></li><li nr="2."><al> economische vaart: het gebruik van het schip voor het doel
                                    waarvoor het gebouwd is en waarvoor de meetbrief is afgegeven;
                                </al></li><li nr="3."><al> exploitant: eigenaar, beheerder, rompbevrachter of ieder ander
                                    die zeggenschap heeft over het gebruik van het schip; </al></li><li nr="4."><al> gevaarlijke stoffen: stoffen die gevaar voor explosie, brand,
                                    corrosie, vergiftiging, bedwelming of straling kunnen opleveren,
                                    zoals vermeld in de International Maritime Dangerous Goods Code,
                                    de IBC Code, de IGC Code of het ADN, met uitzondering van
                                    eetbare oliën; </al></li><li nr="5."><al> haven: wateren binnen de gemeente die voor de scheepvaart
                                    openstaan, met uitzondering van de Rijkswateren; </al></li><li nr="6."><al> havenmeester: havenmeester van Papendrecht; </al></li><li nr="7."><al> havenwerken: alle tot de haven behorende kaden, kunstwerken,
                                    meergelegenheden, trappen, scheepshellingen, dokken,
                                    scheepsreparatiewerven, los- en laadplaatsen en dergelijke;
                                </al></li><li nr="8."><al> jachthaven: het door het college aangewezen gedeelte van de
                                    haven bestemd voor gebruik door pleziervaartuigen; </al></li><li nr="9."><al> kapitein: degene die de feitelijke leiding over een zeeschip
                                    voert; </al></li><li nr="10."><al> ladingresiduen: de restanten van lading in ruimen of tanks aan
                                    boord die na het lossen en schoonmaken achterblijven, met
                                    inbegrip van restanten na lading of lossing en morsingen; </al></li><li nr="11."><al> petroleumhaven: gebied ingericht voor de afhandeling van een
                                    tankschip met onverpakte gevaarlijke vloeibare lading; </al></li><li nr="12."><al>pleziervaartuig: vaartuig dat is bestemd voor sportbeoefening of
                                    vrijetijdsbesteding; </al></li><li nr="13."><al>recreatievaart: het, al dan niet bedrijfsmatig, varen met of het
                                    gebruik van </al></li><li nr="14."><al>pleziervaartuigen; </al></li><li nr="15."><al>scheepsafval: afval, met inbegrip van residuen, niet zijnde
                                    ladingresiduen, en sanitair afval, dat ontstaat tijdens de
                                    bedrijfsvoering van een schip en dat valt onder de reikwijdte
                                    van bijlagen I, IV, V en VI van het Internationaal Verdrag ter
                                    voorkoming van verontreiniging </al></li><li nr="16."><al>door schepen, alsmede ladinggebonden afval, zijnde al het
                                    materiaal dat aan boord bij de stuwage en verwerking van de
                                    lading als afval overblijft, waaronder in ieder geval begrepen
                                    wordt stuwmateriaal, schoorpalen, laadborden,
                                    verpakkingsmateriaal, houten platen, papier, karton, draad of
                                    stalen banden; </al></li><li nr="17."><al> schip: elk vaartuig met inbegrip van een watervliegtuig, een
                                    draagvleugelboot, een luchtkussenvoertuig, een boorinstallatie,
                                    een werkeiland of soortgelijk object, een baggermolen, een
                                    drijvende kraan, een elevator, een ponton, een drijvend
                                    werktuig, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting;
                                </al></li><li nr="18."><al> schipper: degene die de feitelijke leiding over een binnenschip
                                    voert; </al></li><li nr="19."><al> spudpaal: voorziening waarmee een schip zichzelf in de
                                    onderwaterbodem kan verankeren door middel van verticale
                                    meerpalen waarmee het schip zelf is uitgerust; </al></li><li nr="20."><al> tankschip: zee-of binnenschip, gebouwd voor of aangepast aan
                                    het vervoer van onverpakte vloeibare lading in zijn laadruimten;
                                </al></li><li nr="21."><al> toestemming: vergunning, aanwijzing, ontheffing of
                                    vrijstelling; </al></li><li nr="22."><al> woonconcentratie: een groep van zich bij elkaar op het land
                                    bevindende woningen; </al></li><li nr="23."><al>woonschip: een schip dat uitsluitend of in hoofdzaak gebruikt
                                    wordt of bestemd is voor bewoning en dat een vaste verbinding
                                    heeft met de wal; </al></li><li nr="24."><al> zeeschip: schip dat wordt gebruikt voor de vaart ter zee of dat
                                    blijkens zijn constructie voor de vaart ter zee is bestemd en
                                    elk schip dat is voorzien van een document - afgegeven door het
                                    bevoegde gezag van het land waar het schip is ingeschreven -
                                    waaruit blijkt dat het geschikt is voor de vaart ter zee. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Toepassingsgebied</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald, is
                                    deze verordening van toepassing in de haven en alle tot de haven
                                    behorende havenwerken. </al></li><li nr="2."><al> Deze verordening is tevens van toepassing op schepen die buiten
                                    de haven doch binnen de gemeente direct of indirect gemeerd of
                                    ten anker liggen of op een spudpaal zijn afgemeerd. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Aanvulling of afwijking van de Algemene wet bestuursrecht</titel></kop><al>Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van
                            toepassing op deze verordening. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het college beslist op een aanvraag om een toestemming binnen 4
                                    weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij bij of
                                    krachtens deze verordening een andere beslistermijn is
                                    vastgesteld. </al></li><li nr="2."><al> Het college kan binnen 4 weken na ontvangst van de aanvraag de
                                    in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste 4
                                    weken verlengen. Het doet hiervan mededeling aan de aanvrager.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het college kan aan een toestemming voorschriften verbinden. De
                                    toestemming kan onder beperkingen worden verleend. </al></li><li nr="2."><al> De voorschriften en beperkingen, bedoeld in het eerste lid,
                                    mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de
                                    belangen in verband waarmee de toestemming is vereist. </al></li><li nr="3."><al> Degene voor wie de toestemming geldt, is verplicht de daaraan
                                    verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Geldigheidsduur</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald,
                                    wordt een vergunning of vrijstelling verleend voor de duur van
                                    vijf jaar. </al></li><li nr="2."><al> Tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald,
                                    wordt een ontheffing die voor een eenmalige gedraging of
                                    handeling wordt verleend voor de duur van die gedraging of
                                    handeling verleend, met dien verstande dat de ontheffing voor
                                    maximaal zes maanden wordt verleend. </al></li><li nr="3."><al> Een ontheffing kan in spoedeisende gevallen voor een eenmalige
                                    gedraging of handeling mondeling worden verleend. De ontheffing
                                    wordt zo spoedig mogelijk op schrift gesteld. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Weigeren, wijzigen of intrekken van toestemming</titel></kop><al>Het college kan, onverminderd het elders bij of krachtens deze
                            verordening bepaalde, een toestemming weigeren, wijzigen of intrekken
                            indien: </al><lijst><li nr="a."><al> een of meer van de belangen die worden beschermd door deze
                                    verordening, waaronder in ieder geval vallen de orde, de
                                    veiligheid en het milieu van de haven en de omgeving van de
                                    haven, en de kwaliteit van de dienstverlening in de haven, dat
                                    wenselijk maken; </al></li><li nr="b."><al> de verbonden voorschriften of beperkingen waaronder zij is
                                    verleend, niet zijn of worden nageleefd; </al></li><li nr="c."><al> zich na de verlening een zodanig feit of omstandigheid voordoet
                                    dat, indien het feit of de omstandigheid ten tijde van de
                                    verlening bekend was geweest, de toestemming niet of niet onder
                                    die voorschriften of beperkingen zou zijn verleend; </al></li><li nr="d."><al> op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten
                                    opgetreden na het verlenen van de toestemming, moet worden
                                    aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het
                                    belang of de belangen ter bescherming waarvan de toestemming is
                                    vereist; </al></li><li nr="e."><al> ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn
                                    verstrekt; </al></li><li nr="f."><al> van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                                    binnen een daarin gestelde termijn of, bij gebreke van een
                                    dergelijke termijn, binnen een naar het oordeel van het college
                                    redelijke termijn, of; </al></li><li nr="g."><al> degene voor wie de toestemming geldt, dit verzoekt. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.8</nr><titel>Grond voor verlening van een ontheffing</titel></kop><al>Een ontheffing bij of krachtens deze verordening wordt slechts verleend,
                            indien het belang dat door het betrokken verbod wordt beschermd, zich
                            daartegen niet verzet. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.9</nr><titel>Verplichtingen van houders van toestemmingen</titel></kop><al>De houder houdt de toestemming, die op een schip betrekking heeft, of
                            een kopie hiervan, aan boord van het schip, tenzij het een schip zonder
                            bemanningsverblijf betreft. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.10</nr><titel>Normadressaat</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is de kapitein of
                                    de schipper verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde
                                    bij of krachtens deze verordening. </al></li><li nr="2."><al> Bij afwezigheid van een kapitein of een schipper, is de
                                    exploitant verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde
                                    bij of krachtens deze verordening.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>2</nr><titel>Havenmeester van Papendrecht</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Aanwijzing havenmeester</titel></kop><al>Het college wijst de havenmeester van Papendrecht aan. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>3</nr><titel>Orde in en gebruik van de haven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Verkeerstekens</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het college kan in de haven verkeerstekens plaatsen die zijn
                                    vermeld in het Binnenvaartpolitiereglement en die verkeerstekens
                                    voorzien van nadere aanduidingen. </al></li><li nr="2."><al> Het is verboden te handelen in strijd met het verkeersteken of
                                    de daarbij behorende nadere aanduidingen. </al></li><li nr="3."><al> Het college kan van het in het tweede lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Verbod tot nemen van ligplaats</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het is verboden met een schip ligplaats te nemen of zich met
                                    een schip op een ligplaats te bevinden, tenzij dit geschiedt: </al><lijst><li nr="a."><al> in overeenstemming met ter plaatse aangebrachte
                                            verkeerstekens en nadere aanduidingen als bedoeld in
                                            artikel 3.1; </al></li><li nr="b."><al> met instemming van de huurder, erfpachter of eigenaar
                                            van een ligplaats, of; </al></li><li nr="c."><al> in overeenstemming met het door het college vast te
                                            stellen Ligplaatsenoverzicht, met inachtneming van de
                                            daarin opgenomen bijzondere bepalingen. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al> Het college kan, in afwijking van het eerste lid, onder b, het
                                    nemen of houden van ligplaats verbieden uit het oogpunt van
                                    orde, veiligheid of milieu. </al></li><li nr="3."><al> Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    vrijstelling of ontheffing verlenen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Duur innemen ligplaats</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het is verboden met een schip langer dan drie maanden achtereen
                                    gebruik te maken van de haven en de havenwerken. </al></li><li nr="2."><al> Indien tijdens een onderbreking van de periode genoemd in het
                                    eerste lid of na vertrek na die periode niet aan de economische
                                    vaart met het schip wordt deelgenomen, wordt de periode van drie
                                    maanden geacht niet te zijn onderbroken danwel niet te zijn
                                    beëindigd, indien het schip terugkeert in de haven. </al></li><li nr="3."><al> Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Verbod opvijzelen boor- of werkeiland</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het is verboden een boorinstallatie, een werkeiland of een
                                    soortgelijk object op te vijzelen. </al></li><li nr="2."><al> Het verbod is niet van toepassing indien de boorinstallatie,
                                    het werkeiland of een soortgelijk object zich bevindt op een
                                    scheepswerf of bij een herstellingsinrichting, waarvoor een
                                    vergunning krachtens de Wet milieubeheer is verleend. </al></li><li nr="3."><al> Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen. </al></li><li nr="4."><al>De aanvraag om een ontheffing bevat in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al> de naam en technische gegevens van het op te vijzelen
                                            object; </al></li><li nr="b."><al> de naam van de scheepsagent; </al></li><li nr="c."><al> het resultaat van het bodemonderzoek, en; </al></li><li nr="d."><al> de aard en tijdsduur van de uit te voeren activiteiten.
                                        </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Voorzieningen in de haven</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het is een ieder verboden voorzieningen of voorwerpen in, op,
                                    onder of boven water te hebben, te plaatsen of aan te brengen,
                                    indien daardoor gevaar, schade of hinder kan ontstaan. </al></li><li nr="2."><al> Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien het betreft het hebben, plaatsen of aanbrengen van
                                    scheepstoebehoren en voorzieningen die dienen, en als zodanig in
                                    gebruik zijn, om een schip te laden en te lossen. </al></li><li nr="3."><al> Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Verhalen van schepen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het college kan de exploitant schriftelijk opdragen het schip
                                    te verhalen of doen verhalen naar een andere ligplaats indien
                                    dit in het kader van de orde of ter bescherming van veiligheids-
                                    of milieubelangen noodzakelijk is. </al></li><li nr="2."><al> Indien geen gevolg wordt gegeven aan de opdracht, bedoeld in
                                    het eerste lid, kan het college het schip voor rekening en
                                    risico van de exploitant verhalen of doen verhalen. </al></li><li nr="3."><al> In spoedeisende gevallen of indien de exploitant onbekend is,
                                    kan het college het schip voor rekening en risico van de
                                    exploitant direct verhalen of doen verhalen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7</nr><titel>Gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het is verboden voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven te
                                    gebruiken indien het schip: </al><lijst><li nr="a."><al> aan de grond zit; </al></li><li nr="b."><al> gemeerd, ten anker of op spudpalen ligt, of; </al></li><li nr="c."><al> ter hoogte van kade of oevers wordt gaande gehouden of
                                            tegen de kade of oever wordt gedrukt, anders dan
                                            noodzakelijk voor het ontmeren of afmeren. </al></li></lijst></li><li nr="3."><al> Tijdens het in werking zijn van voortstuwers, boegschroeven of
                                    hekschroeven van een schip is er een persoon in de stuurhut
                                    aanwezig, die bekend is met de bediening van het schip. </al></li><li nr="4."><al> Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien het een aan een ander schip gemeerd bunker- of
                                    bevoorradingsschip betreft, dat moet bij- of afdraaien ter
                                    voorkoming van schade. </al></li><li nr="5."><al> Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing of vrijstelling verlenen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.8</nr><titel>Recreatievaart en zeilvaart in de haven</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het is verboden zich met een schip dat voor de recreatievaart
                                    is bestemd in de haven te bevinden, tenzij: </al><lijst><li nr="a."><al> het schip zich in een jachthaven bevindt, of; </al></li><li nr="b."><al> het schip zich rechtstreeks en zonder onderbreking
                                            begeeft naar een in de haven gelegen jachthaven, private
                                            ligplaats of werf. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al> Het is verboden met een schip dat uitsluitend door middel van
                                    zeilen wordt voortbewogen te varen in de haven. </al></li><li nr="3."><al> Het college kan in geval van een evenement als bedoeld in de
                                    Algemene plaatselijke verordening Papendrecht vrijstelling
                                    verlenen van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden.
                                </al></li><li nr="4."><al> Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden vrijstelling of ontheffing verlenen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.9</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><al>Het is niet-rechthebbenden verboden een schip vast te houden, zich
                            daarop te begeven, zich daarop te bevinden of los te maken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.10</nr><titel>Melding bedrijfsstoring, gebrek of schade</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Bedrijfsstoringen, gebreken of schades aan of aan boord van een
                                    schip die gevaar, schade of hinder kunnen veroorzaken voor het
                                    schip of de omgeving, worden direct aan de havenmeester gemeld.
                                </al></li><li nr="2."><al> De melding bedoeld in het eerste lid vindt plaats per telefoon,
                                    per marifoon op het daarvoor bestemde kanaal, per fax of per
                                    e-mail. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.11</nr><titel>Maatregelen bij ijsgang of dichtgevroren water</titel></kop><al>Bij ijsgang of dichtgevroren water in de haven is de kapitein of
                            schipper verplicht, indien hij met zijn schip een ligplaats wenst in te
                            nemen of te verlaten, dan wel een aanwijzing daartoe ontvangt, voor zijn
                            rekening en risico zo nodig het ijs te breken of een sleepboot te
                            gebruiken. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>4</nr><titel>Veiligheid en milieu in de haven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Verontreiniging van lucht; stank, hinder of risico veroorzakende stoffen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het is verboden om aan boord van een schip, door middel van
                                    geperst gas of stoom, het uitlaatgassensysteem van
                                    verbrandingsmotoren naar de buitenlucht door te blazen, waardoor
                                    roet uit het schip ontsnapt. </al></li><li nr="2."><al> Het is verboden stoffen uit een schip te laten ontsnappen,
                                    waardoor gevaar, schade of hinder ontstaat of kan ontstaan.
                                </al></li><li nr="3."><al> Het college kan van het in het tweede lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Gebruik afvalverbrandingsoven</titel></kop><al>Het is een ieder verboden in de haven aan boord van een schip een
                            afvalverbrandingsoven in gebruik te hebben. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Melding en verwijdering van te water geraakte stoffen of voorwerpen</titel></kop><al>Degene door wiens toedoen een voorwerp of stof vrijkomt of in het water
                            terechtkomt, waardoor gevaar, schade of hinder wordt of kan worden
                            veroorzaakt, draagt ervoor zorg dat: </al><lijst><li nr="a."><al>daarvan onmiddellijk kennis wordt gegeven aan de havenmeester,
                                    en; </al></li><li nr="b."><al>de stof of het voorwerp onmiddellijk wordt verwijderd, tenzij
                                    dit redelijkerwijs niet uitvoerbaar is. </al><al/></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Ernstig gevaar, schade of hinder opleverende schepen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het college kan indien naar zijn oordeel een schip ernstig
                                    gevaar, schade of hinder, of ernstige verstoring van de orde met
                                    zich meebrengt of kan brengen: </al><lijst><li nr="a."><al> een verbod opleggen om met dat schip de haven binnen te
                                            komen, in de haven te verblijven of zich met dat schip
                                            op een ligplaats te bevinden, of; </al></li><li nr="b."><al> maatregelen opleggen aan de kapitein of de schipper van
                                            het schip dat in de haven verblijft of zich op een
                                            ligplaats bevindt. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al> Degene aan wie het verbod is of de maatregelen zijn opgelegd,
                                    is verplicht daaraan gevolg te geven. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Veilige toegang</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Een afgemeerd schip beschikt over een toegang, die geen gevaar
                                    of schade kan veroorzaken. </al></li><li nr="2."><al> Een binnenschip hoeft niet over een toegang te beschikken
                                    indien: </al><lijst><li nr="a."><al> de feitelijke situatie dit onmogelijk maakt ten gevolge
                                            van laad- of loshandelingen, of; </al></li><li nr="b."><al> het afmeren van korte duur is. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Verbod gebruik hoofdmotor</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het is, in nader door het college aan te wijzen gebieden,
                                    verboden om op een afgemeerd schip de hoofdmotor in werking te
                                    hebben, tenzij direct voor vertrek van het schip. </al></li><li nr="2."><al> Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Veilige ligplaats</titel></kop><al>Het innemen van een ligplaats in overeenstemming met deze verordening
                            ontheft de kapitein of schipper niet van zijn verplichting zich ervan te
                            overtuigen dat die plaats voor zijn schip veilig is. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>5</nr><titel>Delegatiegrondslagen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1</nr><titel>Delegatiegrondslagen in verband met het
                                stellen van nadere regels door het college</titel></kop><al>Het college kan nadere regels stellen in het kader van orde, veiligheid,
                            milieu of kwaliteit van de dienstverlening in de haven of ter voorkoming
                            van gevaar, schade of hinder, over: </al><lijst><li nr="a."><al>het aanwijzen van gebieden, te weten petroleumhavens, waar
                                    schepen alleen onder door het college nader te bepalen
                                    voorwaarden zich mogen bevinden, waarbij het college in ieder
                                    geval regels kan stellen over activiteiten die in het gebied
                                    plaatsvinden of over de eisen waaraan schepen en bemanning
                                    moeten voldoen als zij in het gebied verblijven; </al></li><li nr="b."><al> het zich bevinden van een tankschip met gevaarlijke stoffen in
                                    de haven; </al></li><li nr="c."><al> de gegevens die schepen moeten melden als zij de haven aandoen
                                    of bepaalde activiteiten in de haven willen verrichten; </al></li><li nr="d."><al> het ligplaats nemen binnen een nader te bepalen afstand bij een
                                    woonconcentratie door een schip dat geladen is met gevaarlijke
                                    stoffen; </al></li><li nr="e."><al> de overslag van vloeibare gevaarlijke en schadelijke stoffen in
                                    bulk; </al></li><li nr="f."><al> het bunkeren van schepen; </al></li><li nr="g."><al> het aanwijzen van stoffen die stank of hinder kunnen
                                    veroorzaken of aanvullende risicobeheersende maatregelen
                                    behoeven; </al></li><li nr="h."><al> het schoonmaken van scheepsruimtes die een gevaarlijke of
                                    schadelijke stof bevatten, al dan niet met gebruikmaking van een
                                    dienstverlenend schip, waarbij aan dat schip voorwaarden kunnen
                                    worden gesteld; </al></li><li nr="i."><al> de afgifte en het in ontvangst nemen van, alsmede het geven van
                                    een aanwijzing om scheepsafval, overige schadelijke stoffen of
                                    restanten van schadelijke stoffen van schepen in ontvangst te
                                    mogen nemen; </al></li><li nr="j."><al> het verrichten van werkzaamheden aan schepen; </al></li><li nr="k."><al> de wijze van afmeren van schepen en het innemen van ligplaats;
                                </al></li><li nr="l."><al> de verplichting voor schepen om gebruik te maken van walstroom
                                    in plaats van een eigen voorziening voor het opwekken van
                                    elektriciteit; </al></li><li nr="m."><al> het gebruik van generatoren aan boord van schepen, alsmede het
                                    aanwijzen van gebieden waar het gebruik van generatoren aan
                                    boord van schepen verboden is; </al></li><li nr="n."><al> het innemen van ligplaats door bepaalde categorieën van
                                    schepen; </al></li><li nr="o."><al> de openings-en sluitingstijden van bruggen; </al></li><li nr="p."><al> het aanwijzen van jachthavens en het instellen van een
                                    vergunning terzake het gebruik van de jachthaven; </al></li><li nr="q."><al> het aanwijzen van ligplaatsen voor woon-en historische schepen
                                    en het instellen van een vergunning terzake het gebruik van de
                                    ligplaatsen; </al></li><li nr="r."><al> het vast- en losmaken van schepen, het instellen van een
                                    vergunningstelsel voor personen die schepen vast- en losmaken en
                                    het vaststellen van opleidingseisen voor personen die schepen
                                    vast- en losmaken; </al></li><li nr="s."><al> het laden of lossen van schepen op palen of boeien. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>6</nr><titel>Handhaving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Aanwijzingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het college kan mondeling of schriftelijk aanwijzingen geven in
                                    het belang van de orde en veiligheid in de haven, in het
                                    bijzonder ter regeling van het scheepvaartverkeer en het nemen
                                    van ligplaats en ter voorkoming van gevaar, schade of hinder.
                                </al></li><li nr="2."><al>Degene tot wie een aanwijzing is gericht, is gehouden de
                                    aanwijzing onmiddellijk op te volgen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt
                            gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
                            tweede categorie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Toezichthoudende ambtenaren</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                    krachtens deze verordening zijn belast de medewerkers werkzaam
                                    bij de Divisie Havenmeester Rotterdam van Havenbedrijf Rotterdam
                                    N.V., met uitzondering van hen die meer in het bijzonder
                                    administratieve werkzaamheden uitoefenen. </al></li><li nr="2."><al> Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde
                                    bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het
                                    college aan te wijzen personen. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Betreden van woonruimten</titel></kop><al>Personen die zijn belast met het toezicht op de naleving of de opsporing
                            van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn bevoegd een
                            woning binnen te treden, zonder toestemming van de bewoner, voor zover
                            het toezicht op de naleving of de opsporing van het bepaalde bij of 
                            krachtens deze verordening dit vereisen. </al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>§</label><nr>7</nr><titel>Overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Havenverordening Papendrecht, vastgesteld op 14 mei 2009, wordt
                            ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Toestemmingen die zijn verleend bij of krachtens de
                                    Havenverordening Papendrecht 1994 of de Havenverordening
                                    Papendrecht, en die van kracht zijn op het moment van
                                    inwerkingtreding van deze verordening, worden aangemerkt als
                                    toestemmingen bij of krachtens deze verordening. </al></li><li nr="2."><al> Indien vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                    verordening een aanvraag om toestemming op grond van de
                                    Havenverordening Papendrecht is ingediend waarop nog niet is
                                    beslist wordt daarop deze verordening toegepast. </al></li><li nr="3."><al>Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een
                                    aanvraag om toestemming krachtens de Havenverordening
                                    Papendrecht, wordt beslist met toepassing van deze verordening.
                                </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking de dag na publicatie daarvan in het
                            Papendrechts Nieuwsblad en werkt terug tot 1 juli 2011. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als Havenbeheersverordening
                            Papendrecht 2011, afgekort als HbvP 2011. </al></artikel></paragraaf></regeling-tekst><bijlage><kop><label>Ligplaatsenoverzicht</label></kop><al><extref doc="/cvdr/images/Papendrecht/i283512.pdf">Ligplaatsenoverzicht</extref></al></bijlage><nota-toelichting><kop><label>Toelichting bij de Havenbeheersverordening Papendrecht 2011 </label></kop><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al/><al><vet>Aanleiding </vet></al><al/><al>De aanleiding om de bestaande Havenverordening Papendrecht 2011 te herzien is
                    tweeledig. </al><al/><al>Ten eerste wordt aan de havenmeester van Rotterdam, werkzaam bij Havenbedrijf
                    Rotterdam </al><al/><al>N.V. met ingang van 1 juli 2011 het nautisch beheer in een aantal havens van de
                    gemeente Papendrecht opgedragen. Ten behoeve van het toezicht en de handhaving
                    door de opsporingsambtenaren en de toezichthouders werkzaam bij de Divisie
                    havenmeester van Havenbedrijf Rotterdam N.V. in de havens van Papendrecht die
                    voor de commerciële scheepvaart openstaan is het wenselijk de Havenverordening
                    Papendrecht in overeenstemming te brengen met regelingen zoals die gelden in de
                    havens waar de toezichthouders en opsporingsambtenaren reeds werkzaam zijn. Dit
                    betreft de havens die gelegen zijn in de gemeenten Dordrecht, Rotterdam,
                    Schiedam, Vlaardingen en Zwijndrecht. </al><al>Ten tweede is de haven een zeer dynamische omgeving. Nieuwe ontwikkelingen
                    volgen elkaar in rap tempo op. Het is van belang dat de Havenmeester in zijn rol
                    van Gastvrije Autoriteit een constante kwaliteit kan leveren om het
                    scheepvaartverkeer vlot, schoon, veilig en beveiligd af te </al><al>wikkelen. Gelet hierop is het noodzakelijk om de regelgeving die uit 2008
                    dateert op onderdelen te moderniseren. </al><al/><al><vet>Gewijzigde verordening en indeling</vet></al><al/><al>Wat als eerste opvalt aan de Havenbeheersverordening ten opzichte van de oude
                    Havenverordeningen is de naam. De naam is na vele jaren gewijzigd in
                    Havenbeheersverordening, dit als trendbreuk en ter onderscheiding van de vorige
                    havengebonden regelingen. Hierbij is tevens geanticipeerd op de nieuw
                    geformuleerde taakstelling, waar gesteld wordt dat het ter bevordering van een
                    goed havenbeheer noodzakelijk is om regels te stellen. De Havenmeester beheert
                    en bewaakt de publiekrechtelijke belangen </al><al>voor én namens het gemeentebestuur. </al><al/><al>Om de transparantie te verbeteren is gekozen voor een nieuwe opzet en indeling
                    van de gemeentelijke havenregelingen. Naast de Havenbeheersverordening bestaat
                    één aan die verordening gekoppeld algemeen verbindend voorschrift, het
                    Havenreglement Papendrecht </al><al>2011. Dit Havenreglement wordt door het college vastgesteld. </al><al/><al>De Havenbeheersverordening bevat voornamelijk algemene regels voor schepen die
                    de haven aandoen en deze regels zijn toekomstbestendig. Regels die vatbaar zijn
                    voor verandering zijn zoveel mogelijk in het Havenreglement Papendrecht 2011
                    geplaatst en worden door het college </al><al>vastgesteld. Het overdragen van de bevoegdheid van de raad aan het college om
                    deze nadere regels vast te stellen geschiedt vanzelfsprekend niet blanco. In de
                    Havenbeheersverordening is opgenomen om welke onderwerpen het precies gaat en
                    hoe het college deze bevoegdheid nader </al><al>kan invullen (zie artikel 5.1). Vanzelfsprekend informeert het college de raad
                    (pro-)actief over de wijze waarop zij deze bevoegdheid uitoefent. </al><al/><al>Bij het ontwerpen en opstellen van de Havenbeheersverordening Papendrecht 2011
                    c.a. is nadrukkelijk rekening gehouden met het feit dat het huidige niveau van
                    normstelling gehandhaafd blijft en dat er geen concessies zijn gedaan aan het
                    huidige bestaande veiligheidsniveau. Het </al><al>was, om de haven vlot, schoon, veilig en beveiligd te houden, ook noodzakelijk
                    enkele nieuwe artikelen toe te voegen. </al><al/><al>In de artikelsgewijze toelichting wordt hierop meer uitgebreid ingegaan. </al><al/><al><vet>Uitoefening bevoegdheden op grond van Havenbeheersverordening</vet></al><al/><al/><al>De bevoegdheden, genoemd in de verordening, zijn door de gemeenteraad toegekend
                    aan het college, die deze bevoegdheden grotendeels aan de havenmeester
                    mandateert. De havenmeester oefent deze bevoegdheden derhalve niet op eigen
                    gezag uit, maar namens het college (het bestuursorgaan). In hoofdstuk 10 van de
                    Awb is de verhouding tussen de </al><al>mandaatgever en de gemandateerde geregeld. In de eerste plaats kan de
                    mandaatgever de gemandateerde per geval of in het algemeen instructies geven ter
                    zake van de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid. Voorts verschaft de
                    gemandateerde de mandaatgever op diens verzoek inlichtingen ter zake van de
                    uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid. De mandaatgever blijft bevoegd om
                    de bevoegdheid zelf uit te oefenen. Ook kan de mandaatgever de bevoegdheid te
                    allen tijde intrekken. </al><al/><al><vet>Artikelsgewijze toelichting </vet></al><al/><al>§ 1 Algemene bepalingen </al><al/><al>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen </al><al/><al>De begrippen die in de Havenbeheersverordening worden gebruikt, zijn
                    ondergebracht in artikel </al><al/><al>1.1. Dit geldt ook voor relevante begrippen die voorheen in de Havenverordening
                    Papendrecht waren opgenomen. Een aantal begrippen is naar het Havenreglement
                    verplaatst aangezien die onderwerpen alleen daar worden geregeld, zoals de
                    begrippen gevaarlijke stoffen, schadelijke </al><al>stoffen, brandbare vloeistoffen, vlampunt, schoonmaken, schoonmaakcertificaat en
                    gasdeskundige. </al><al>De begrippen van de Havenbeheersverordening zijn ook van toepassing voor
                    diezelfde begrippen in het Havenreglement. </al><al/><al>Hieronder volgt een toelichting op een aantal begrippen. </al><al/><al>Exploitant </al><al>Onder exploitant wordt verstaan: de eigenaar, beheerder, rompbevrachter of ieder
                    ander die zeggenschap heeft over het gebruik van het schip. </al><al>Deze definitie hangt samen met artikel 1.10 waarin de normadressaat is
                    opgenomen: degenen tot wie de bepalingen van de Havenbeheersverordening zich
                    richten. </al><al/><al/><al>Havenmeester </al><al/><al>Onder het begrip havenmeester wordt de havenmeester van Papendrecht verstaan. In
                    artikel 2.1 is opgenomen dat het college van burgemeester en wethouders van de
                    gemeente Papendrecht de havenmeester aanwijst. </al><al/><al>Kapitein en Schipper </al><al>De kapitein of de schipper is degene die de feitelijke leiding heeft over een
                    schip. Dit is in principe de (papieren) kapitein, maar kan ook zijn vervanger
                    zijn, of iemand anders van de bemanning die op dat moment de feitelijke leiding
                    heeft. </al><al/><al>De definities hangen samen met artikel 1.10 waarin de normadressaat is
                    opgenomen: degenen tot wie de bepalingen van de Havenbeheersverordening zich
                    richten. </al><al/><al>Scheepsafval </al><al>Aan de definitie scheepsafval is bijlage VI van het internationaal Verdrag ter
                    voorkoming van verontreiniging door schepen toegevoegd. Bijlage VI omvat ozon
                    aantastende stoffen die ook in scheepsafval kunnen voorkomen. </al><al/><al>Schip </al><al>Aan de definitie schip zijn de begrippen boorinstallatie, een werkeiland of
                    soortgelijk object opgenomen. Dit begrip hangt samen met artikel 3.4, waarin het
                    verbod tot het opvijzelen van boor- en werkeilanden is geregeld. Door deze
                    begrippen hier op te nemen, wordt voorkomen dateen werkeiland of soortgelijk
                    object niet onder de definitie van "schip" zou vallen. Voorts wordt hiermee
                    voorkomen dat een opgevijzeld (op zijn poten staand) booreiland buiten de
                    werking van de definitie zou vallen. </al><al/><al>Spudpaal </al><al>Een spudpaal is een inrichting, anders dan ankers, waarmee het schip zichzelf in
                    de onderwaterbodem kan verankeren. </al><al/><al>Zeeschip </al><al>Ten aanzien van de definitie zeeschip wordt opgemerkt dat schepen die de
                    vereiste documenten hebben om op de binnenwateren en op zee te varen (zogenaamde
                    binnen-buitenschepen), op grond van deze definitie worden aangemerkt als
                    zeeschip. </al><al/><al>Artikel 1.2 Toepassingsgebied </al><al/><al>Het toepassingsgebied beperkt zich niet tot de als haven omschreven wateren,
                    maar strekt zich tevens uit over alle tot de haven behorende havenwerken, zoals
                    o.a. bouwwerken en kademuren. </al><al>Het is duidelijk dat ook vanaf de wal de orde en de veiligheid ongunstig kan
                    worden beïnvloed. De verordening is tevens van toepassing op schepen die buiten
                    de haven doch binnen de gemeente direct of indirect gemeerd, ten anker of op
                    spudpalen liggen aan of bij kaden, aanlegsteigers, meerpalen, ankergebieden of
                    andere voorzieningen. Op schepen die gemeerd </al><al>liggen buiten de haven, maar binnen de gemeente is de verordening eveneens van
                    toepassing, onafhankelijk van de vraag of de gemeente dan wel een particulier
                    "beheerder" van deze steiger is. </al><al/><al>Artikel 1.3 Aanvulling of afwijking van de Algemene wet bestuursrecht </al><al/><al>Expliciet is in dit artikel aangegeven dat paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                    bestuursrecht dat regels geeft omtrent de positieve fictieve beschikking bij
                    niet tijdig beslissen niet van toepassing is op de Havenbeheersverordening c.a. </al><al/><al>Artikel 1.4 Beslistermijn </al><al/><al>Opgenomen is dat binnen vier weken op een aanvraag moet worden besloten. De
                    mogelijkheid bestaat om deze termijn éénmaal met vier weken te verlengen. Wel
                    moet deze verlenging (binnen de eerste vier weken) aan de aanvrager gemeld
                    worden. </al><al/><al>Op grond van het eerste lid is mogelijk gemaakt dat bij of krachtens deze
                    verordening voor bepaalde besluiten een andere afwijkende beslistermijn kan
                    worden vastgesteld. Vooralsnog wordt van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. </al><al/><al>Artikel 1.5 Voorschriften en beperkingen </al><al/><al>In de strafbepalingen van deze Havenbeheersverordening wordt overtreding van het
                    bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Dat geldt dus ook
                    voor overtreding van de aan de toestemming verbonden voorschriften of
                    beperkingen. </al><al/><al>Artikel 1.6 Geldigheidsduur </al><al/><al>In het eerste lid wordt geregeld dat een vergunning of vrijstelling wordt
                    verleend voor de duur van vijf jaar. Wel bestaat de mogelijkheid bij of
                    krachtens de Havenbeheersverordening te bepalen dat een andere termijn wordt
                    vastgesteld. </al><al/><al>Het tweede lid bepaalt dat een ontheffing, indien deze wordt verleend voor een
                    eenmalige gedraging of handeling, wordt verleend voor de duur van die gedraging
                    of handeling. </al><al>Kantekening hierbij is dat een ontheffing nooit langer dan voor zes maanden kan
                    worden verleend. </al><al/><al>Op grond van het derde lid kan de ontheffing in spoedeisende gevallen voor een
                    eenmalige gedraging of handeling mondeling worden verleend. Wel wordt de
                    ontheffing daarna zo spoedig mogelijk op schrift gesteld. </al><al/><al/><al>Artikel 1.7 Weigeren, wijzigen of intrekken van toestemming </al><al/><al>Onder het bepaalde in onderdeel d, worden ook beleidswijzigingen bedoeld. Deze
                    kunnen tot intrekking of wijziging van de toestemming leiden. Daarbij moeten
                    vanzelfsprekend door het bestuursorgaan de algemene beginselen van behoorlijk
                    bestuur in acht worden genomen. </al><al/><al>Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking dan wel wijziging van de
                    vergunning of ontheffing wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van
                    vergunningsvoorschriften nopen tot toepassing van de administratieve sanctie van
                    intrekking van de vergunning. Met name het rechtszekerheids- en het
                    vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en
                    intrekking. </al><al/><al>Artikel 1.8 Grond voor verlening van een ontheffing </al><al/><al>Dit artikel bepaalt dat een ontheffing bij of krachtens deze verordening slechts
                    kan worden verleend, indien het belang dat door het betrokken verbod wordt
                    beschermd, zich daartegen niet verzet. </al><al/><al>Artikel 1.9 Verplichtingen van houders van toestemmingen </al><al/><al>Op grond van dit artikel moet de houder – indien een toestemming op een schip
                    betrekking heeft – de toestemming of een kopie daarvan, aan boord van het schip
                    houden, tenzij het schip geen bemanningsverblijf heeft. </al><al/><al>Artikel 1.10 Normadressaat </al><al/><al>Dit artikel bepaalt tot wie de voorschriften van de verordening zich richten.
                    Tenzij uit de tekst anders blijkt, is de kapitein of de schipper
                    verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                    verordening. De kapitein of schipper is degene die de feitelijke leiding heeft </al><al>over een schip. Dit is in principe de (papieren) kapitein of schipper, maar kan
                    ook zijn vervanger zijn, of iemand anders van de bemanning die op dat moment de
                    feitelijke leiding heeft. Overal waar in de verordening staat “het is verboden”,
                    richt de norm zich dus in de eerste plaats tot de kapitein, de schipper, of zijn
                    plaatsvervanger. </al><al/><al>Met nadruk zij hier opgemerkt dat er enkele artikelen in de verordening zijn
                    opgenomen waarin expliciet is bepaald dat “een ieder” zich aan dat voorschrift
                    dient te houden. De normen in die artikelen richten zich derhalve niet tot de
                    kapitein of de schipper, maar tot iedereen. Voor dit systeem is in deze
                    verordening gekozen om eenduidigheid ten aanzien van het normadressaat te
                    verkrijgen. Bijkomend voordeel is dat niet langer in elk artikel afzonderlijk
                    behoeft te worden bepaald tot wie de norm zich richt. </al><al/><al>In het tweede lid is bepaald dat bij afwezigheid van een kapitein of een
                    schipper, de exploitant verantwoordelijk is voor de naleving van het bepaalde
                    bij of krachtens deze verordening. Deze bepaling is opgenomen voor de gevallen
                    waarin een ponton of een ander soort schip is afgemeerd en er geen bemanning
                    (meer) aan boord is. </al><al/><al>§ 2 Havenmeester van Papendrecht </al><al/><al>Artikel 2.1 Aanwijzing havenmeester </al><al/><al>Artikel 2.1 vormt de basis voor het college om de havenmeester aan te wijzen. De
                    hier bedoelde havenmeester is de havenmeester van Papendrecht. </al><al/><al>§ 3 Orde in en gebruik van de haven </al><al/><al>Artikel 3.1 Verkeerstekens </al><al/><al/><al>In het Binnenvaartpolitiereglement is een voor Nederland uniform systeem van
                    verkeerstekens geregeld. Om dit systeem niet te doorkruisen is in dit artikel
                    vastgelegd dat dezelfde tekens worden gebruikt ten behoeve van de orde en
                    veiligheid in de haven. </al><al/><al>Artikel 3.2 Verbod tot nemen van ligplaats </al><al/><al>In principe is het verboden ligplaats te nemen of zich met een schip op een
                    ligplaats te bevinden, tenzij een van de uitzonderingsbepalingen, genoemd in de
                    onderdelen a tot en met c in acht worden genomen. Het in het derde lid opnemen
                    van een ontheffings- en vrijstellingsregeling is onder andere nodig gebleken ten
                    aanzien van de openbare ligplaatsen. Door opname van deze vrijstellingsregeling
                    kan het college middels beperkingen en voorschriften die aan een ontheffing of
                    vrijstelling worden verbonden, anticiperen op de specifieke omstandigheden van
                    de ligplaats. </al><al>Het nemen van ligplaats omvat tevens ankeren of gebruik maken van spudpalen op
                    de aangewezen ankerplaatsen. Het verbod leidt ertoe dat in de meeste gevallen
                    kan worden volstaan met plaatsing in de haven van verkeerstekens. </al><al/><al>Artikel 3.3 Duur innemen ligplaats </al><al/><al>De reden van opname van dit artikel is gelegen in het feit dat door beperking
                    van de maximale tijdsduur van het innemen van een ligplaats er in beginsel
                    voldoende ligplaatsen beschikbaar blijven. Indien schepen voor langere tijd, in
                    casu maandenlang achtereen zouden blijven liggen, </al><al>bijvoorbeeld in verband met een faillissement, dan komt de vrije
                    ligplaatsvoorziening in het gedrang. </al><al/><al>Artikel 3.4 Verbod opvijzelen boor-of werkeiland </al><al/><al>Op grond van artikel 3.4 is het verboden om een boorinstallatie, een werkeiland
                    of een soortgelijk object (hierna: werkeiland) op te vijzelen. Dit artikel is
                    opgenomen in verband met het mogelijk gebruik van de haven door werkeilanden.
                    Bij het opvijzelen - dat is het met behulp van de aan </al><al>boord geplaatste vijzels op eigen kracht verheffen van een werkeiland - worden
                    de poten van het werkeiland op de bodem geplaatst. Vervolgens werkt het
                    werkeiland zich omhoog. </al><al/><al>In artikel 1.7 is bepaald dat het college de afgifte van een ontheffing kan
                    weigeren indien een of meer van de belangen die worden beschermd door deze
                    verordening, waaronder redenen van orde, veiligheid of milieu in de haven, dat
                    wenselijk maken. De gegevens die moeten worden verstrekt bij de aanvraag tot een
                    ontheffing bieden de mogelijkheid om tot een goede beoordeling van de nautische
                    en andere veiligheidsaspecten van de haven te komen. De exploitant van een
                    werkeiland, die eerstverantwoordelijke is voor de activiteiten, heeft tevens
                    belang bij een zo effectief mogelijke informatie-uitwisseling met de
                    havenbeheerder. In de bodem kunnen zich </al><al>bijvoorbeeld leidingen, kabels of duikers bevinden die door de vrijkomende
                    krachten beschadigd kunnen worden. Ook dient rekening te worden gehouden met de
                    vergrote windgevoeligheid van het werkeiland tijdens en na het opvijzelen. De
                    gegevens die moeten worden overgelegd bij de </al><al>aanvraag om een ontheffing omvatten dan ook tevens een mededeling omtrent de
                    resultaten van het door de exploitant uit te (laten) voeren bodemonderzoek.
                    Indien een werkeiland zich bevindt op een scheepswerf of bij een
                    herstellingsinrichting geldt het verbod niet, voor zover de activiteiten vallen
                    binnen de werkingssfeer van de vergunning die is afgegeven krachtens de Wet
                    milieubeheer. </al><al/><al>Artikel 3.5 Voorzieningen in de haven </al><al/><al>Dit artikel bepaalt in algemene zin dat het verboden is voorzieningen of
                    voorwerpen in, op, onder of boven water te hebben of aan te brengen indien
                    daardoor gevaar, schade of hinder kan ontstaan. </al><al>De havenbeheerder dient in verband met het veilig gebruik van de haven op de
                    hoogte te zijn van alle voorzieningen die in, onder of boven water worden
                    aangebracht en die van een min of meer permanent karakter zijn. Uitgezonderd
                    zijn scheepstoebehoren en voorzieningen die dienen om </al><al>een schip te laden en te lossen. Daarbij wordt de eis gesteld dat deze
                    voorzieningen ook werkelijk (als zodanig) in gebruik zijn, teneinde te voorkomen
                    dat voorzieningen die hinderlijk of gevaarlijk voor anderen zijn (bijvoorbeeld
                    meerdraden en fenders) blijvend worden aangebracht. </al><al/><al>Artikel 3.6 Verhalen van schepen </al><al/><al>Indien zich een calamiteit voordoet in de haven, moeten schepen - in verband met
                    de veiligheid of het milieu - met spoed verhaald kunnen worden, ook al liggen
                    deze schepen er met toestemming van het college. Bij een brand zouden de schepen
                    bijvoorbeeld in de weg kunnen liggen voor </al><al>bestrijdingsvaartuigen. </al><al/><al>Aangezien niet altijd in strijd met bestaande wettelijke voorschriften wordt
                    gehandeld, is bestuursdwang als bedoeld in artikel 125 van de Gemeentewet en
                    artikel 5:21 Awb in dergelijke gevallen niet mogelijk. Teneinde de
                    havengebruiker tegen onnodig optreden te beschermen, wordt in het eerste lid
                    bepaald dat de beslissing op schrift dient te worden gesteld. Voorts kan
                    uitsluitend van de bevoegdheid gebruik worden gemaakt indien dit noodzakelijk is
                    in het kader van de orde of ter bescherming van veiligheids- of milieubelangen.
                    Een voorbeeld van een niet-spoedeisend belang in het kader van de orde van de
                    haven, is het noodzakelijk worden van het plegen van onderhoud aan een kademuur
                    of steiger waaraan reeds voor langere periode een schip gemeerd ligt. De
                    eigenaar, beheerder of gebruiker van een schip kan op basis van dit artikel
                    schriftelijk worden verzocht binnen een redelijke termijn het schip te verhalen
                    naar een andere ligplaats. Indien </al><al>medewerking wordt geweigerd, kan het schip verhaald worden. </al><al/><al>Artikel 3.7 Gebruik van voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven </al><al/><al>In, onder en langs de haven bevinden zich onder meer kunstwerken, kabels,
                    tunnels, pijpleidingen, kades en zinkers. Het gebruik van voortstuwers
                    (schroeven), boegschroeven of hekschroeven kan schade veroorzaken aan deze
                    voorzieningen indien het in andere gevallen </al><al>wordt gebruikt dan voor het bereiken of verlaten van een ligplaats. </al><al/><al>Het verbod van dit artikel geldt ook in die situaties waarbij het schip op
                    spudpalen ligt of indien men anders dan noodzakelijk voor het ontmeren of
                    afmeren, het schip gaande houdt of tegen de kade of oever drukt waarbij het
                    schip niet met meerdraden is afgemeerd. Reden waarom het verbod wordt ingevoerd
                    ligt in het feit dat wanneer door gebruikers van de haven schepen gaande worden
                    gehouden zeer gevaarlijke situaties kunnen worden veroorzaakt. Voorts kan – met
                    name – het proefdraaien van machines, maar ook het trachten los te komen indien
                    een schip aan de grond zit, grote schade veroorzaken. Het bij- of afdraaien door
                    een bunker-of </al><al>bevoorradingsschip, dat afgemeerd is aan een ander schip, ter voorkoming van
                    schade levert een verwaarloosbaar risico op voor de haveninfrastructuur en is
                    gelet op de vaak moeilijke afmeersituatie ter voorkoming van directe schade
                    aanvaardbaar. </al><al/><al>Ontheffingen worden slechts in beperkte gevallen verleend. Voor het proefdraaien
                    wordt slechts op een beperkt aantal locaties ontheffing verleend. </al><al/><al>Ten slotte is in het artikel een verplichting opgenomen dat tijdens het
                    inwerking zijn van </al><al>voortstuwers, boegschroeven of hekschroeven een persoon in de stuurhut aanwezig
                    dient te zijn </al><al>die bekend is met de bediening van het schip. In de praktijk is gebleken dat dit
                    regelmatig niet het </al><al>geval is. Dit kan tot zeer gevaarlijke en ongewenste situaties leiden. </al><al/><al>Artikel 3.8 Recreatievaart en zeilvaart in de haven </al><al/><al>Dit artikel regelt in het eerste lid dat het - in principe - verboden is de
                    recreatievaart te beoefenen </al><al>in de haven. Het gaat hierbij om havens die onder invloed staan van de eb- en
                    vloedstroom en </al><al>die derhalve in directe verbinding staan met open zee. Het varen met
                    pleziervaartuigen in havens </al><al>die worden gebruikt door de beroepsvaart, kan zeer gevaarlijke situaties met
                    zich meebrengen </al><al/><al>Het eerste lid stelt dat het verbod niet van toepassing is indien het schip zich
                    rechtstreeks en </al><al>zonder onderbreking begeeft naar in een in de haven gelegen jachthaven, private
                    ligplaats of </al><al>werf. </al><al/><al>In het tweede lid wordt bepaald dat het verboden is de zeilvaart te beoefenen in
                    de haven, tenzij </al><al>hiervoor een ontheffing is verleend. De recreatievaart in het eerste lid heeft
                    geen betrekking op </al><al>de zeilvaart, die in het tweede lid wordt omschreven. Zeilvaart kan
                    bedrijfsmatig -dus tegen </al><al/><al/><al>vergoeding - worden beoefend en niet bedrijfsmatig, dus recreatief. Beide worden
                    in het tweede </al><al>lid geregeld. Een ontheffing van het verbod kan bijvoorbeeld worden verleend
                    ingeval van een </al><al>zeilwedstrijd of een manifestatie, dan wel ingeval van motorpech. </al><al/><al>Het college kan op grond van het derde lid een vrijstelling geven voor de in dit
                    artikel gestelde </al><al>verboden in geval van evenementen. </al><al/><al>Het vierde lid regelt dat het verbod niet van toepassing is indien wordt
                    gehandeld met een door het college verleende vrijstelling of ontheffing. </al><al/><al>Artikel 3.9 Overlast van vaartuigen </al><al/><al>In de praktijk van de haven komt het regelmatig voor dat handelingen
                    plaatsvinden, zoals het vasthouden en losmaken van schepen alsmede het zich
                    begeven en bevinden op schepen, die onrechtmatig zijn. Met de invoeging van dit
                    artikel wordt handhaving mogelijk gemaakt. </al><al/><al>Artikel 3.10 Melding bedrijfsstoring, gebrek of schade </al><al/><al>Dit artikel bevat de verplichting voor schepen om alle bedrijfsstoringen,
                    gebreken of schades aan boord van een schip, die een gevaar voor het schip of de
                    omgeving kunnen opleveren aan de havenmeester te melden. De bepaling is van
                    toepassing op alle schepen. </al><al>De melding vindt plaats per telefoon, per marifoon op het daarvoor bestemde
                    kanaal, per fax of per e-mail via telefoonnummer 010 -252 1000, faxnummer 010 -
                    252 1600, VHF kanaal 14 of email cmh@portofrotterdam.com . </al><al/><al>Artikel 3.11 Maatregelen bij ijsgang of dichtgevroren water </al><al/><al>Bij ijsgang of dichtgevroren water in de haven is de kapitein of schipper
                    verplicht, indien hij met dat schip een ligplaats wenst in te nemen of te
                    verlaten, dan wel een aanwijzing daartoe ontvangt, voor zijn rekening en risico
                    zo nodig het ijs te breken of een sleepboot te gebruiken. </al><al/><al>§ 4 Veiligheid en milieu in de haven </al><al/><al>Artikel 4.1 Verontreiniging van lucht; stank, hinder of risico veroorzakende
                    stoffen </al><al/><al>Artikel 4.1, eerste lid, regelt dat het verboden is om roet uit een schip te
                    laten ontsnappen tengevolge van het doorblazen van het uitlaatgassensysteem. </al><al>Het tweede lid bepaalt dat het verboden is stoffen uit een schip te laten
                    ontsnappen, indien hierdoor gevaar, schade of hinder ontstaat of kan ontstaan. </al><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden beperken zich tot handelingen
                    die plaatsvinden aan boord van een schip. Handelingen gepleegd vanaf de wal
                    vallen buiten deze bepalingen. </al><al>Het derde lid regelt dat het college ontheffing kan verlenen van het in het
                    tweede lid gestelde verbod. </al><al/><al/><al>Artikel 4.2 Gebruik afvalverbrandingsoven </al><al/><al>In artikel 4.2 is ter voorkoming van gevaar, schade en hinder voor de omgeving,
                    door bijvoorbeeld ernstige rookontwikkeling en het gebruik van de
                    afvalverbrandingsoven terwijl het schip is afgemeerd, een verbod opgenomen op
                    het gebruik van afvalverbrandingsovens aan </al><al>boord van schepen. Eventueel zich aan boord bevindend afval kan worden afgegeven
                    aan de daartoe bestemde inzamelaars. </al><al/><al>Artikel 4.3 Melding en verwijdering van te water geraakte stoffen of voorwerpen </al><al/><al>Dit artikel regelt dat, in verband met de veiligheid en het eventuele belemmeren
                    van de vaarweg, indien stoffen of voorwerpen te water geraken, hiervan
                    onmiddellijk kennis wordt gegeven aan de </al><al>havenmeester. Deze kennisgeving is niet aan voorschriften verbonden, maar de
                    voorkeur wordt gegeven aan een telefonische melding op 010 – 252 1000 of via de
                    marifoon op VHF kanaal 14. </al><al>Vervolgens dient de stof of het voorwerp – voor zover mogelijk – onmiddellijk te
                    worden verwijderd. </al><al/><al>Het opnemen van een verbod is niet noodzakelijk in verband met de werkingssfeer
                    van de Waterwet, het Binnenvaartpolitiereglement en gemeentelijke regelgeving. </al><al/><al>Artikel 4.4 Ernstig gevaar, schade of hinder opleverende schepen </al><al/><al>In het kader van een goed havenbeheer is het noodzakelijk ten aanzien van
                    schepen die ernstig gevaar, schade of hinder of ernstige gevolgen voor de orde
                    met zich mee (kunnen) brengen, maatregelen te kunnen treffen van min of meer
                    ingrijpende aard. Hierbij kan gedacht worden aan </al><al>schepen die in brand staan, dreigen te zinken of schepen waaruit gevaarlijke
                    stoffen lekken. De maatregelen kunnen variëren van het treffen van
                    noodvoorzieningen aan boord van het schip, tot - in het uiterste geval - het
                    verbieden van binnenkomst of van verblijf van het schip in de haven. </al><al>De te treffen maatregelen en het verbod zullen (zo nodig achteraf) schriftelijk
                    worden meegedeeld. </al><al/><al>Artikel 4.5 Veilige toegang </al><al/><al>Dit artikel is toegevoegd aangezien er in de havenpraktijk zich bij de betreding
                    van schepen regelmatig zeer gevaarlijke en onaanvaardbare situaties voordoen.
                    Veilige toegang tot een schip was nergens geregeld, tenzij een schip uitsluitend
                    als een werkplaats werd gezien, dan waren er </al><al>in de Arbo-wetgeving algemene voorschriften dat de werkplek veilig moest kunnen
                    worden betreden. Echter er wordt niet altijd gewerkt, er wordt op een schip ook
                    gewoond en geleefd en ook dan dient een schip op veilige wijze te kunnen worden
                    betreden. Het motief voor deze regeling is gelegen in het wonen en leven aan
                    boord, met al het daartoe noodzakelijk </al><al>maatschappelijk verkeer. In dit artikel wordt als norm gesteld dat het schip
                    over een toegang dient te beschikken waardoor in redelijkheid geen gevaar of
                    schade voor personen kan ontstaan. </al><al/><al>Voor binnenschepen is het in sommige gevallen niet mogelijk of zeer onpraktisch
                    om een veilige toegang tot het schip mogelijk te maken. Enerzijds is dit het
                    geval bij laad-of loshandelingen. </al><al>Door het laden of lossen van lading aan boord van een binnenschip, kan het schip
                    aanzienlijk bewegen. In dit soort situatie kan een veilige toegang niet worden
                    gegarandeerd, sterker nog een toegang is in dit soort gevallen juist onveilig. </al><al>Anderzijds meert een binnenschip soms kort af, bijvoorbeeld om passagiers of een
                    auto af te zetten. Om in dit soort korte handelingen van een binnenschipper te
                    eisen dat hij een veilige toegang creëert, zou een onevenredige belasting voor
                    een binnenschipper opleveren. </al><al/><al>Artikel 4.6 Verbod gebruik hoofdmotor </al><al/><al>Het komt zeer regelmatig voor dat afgemeerde schepen hun hoofdmotor onnodig
                    laten draaien, anders dan direct voor vertrek van het schip. Dit betekent een
                    onnodige belasting van het milieu en het kan hinder voor omwonenden veroorzaken.
                    Artikel 4.6 is geen absoluut verbod, maar is </al><al>afhankelijk voor een aanwijzing van gebieden door het college. </al><al/><al>Door de gekozen formulering blijft het mogelijk om bijvoorbeeld de hoofdmotor
                    ten dienste van proefdraaien in werking te hebben. Voor deze activiteit is wel
                    een door het college verleende ontheffing nodig. </al><al/><al>Artikel 4.7 Veilige ligplaats </al><al/><al>Het innemen van een ligplaats in overeenstemming met deze verordening ontheft de
                    kapitein of schipper niet van zijn verplichting zich ervan te overtuigen dat die
                    plaats voor zijn schip veilig is. </al><al/><al>§ 5 Delegatiegrondslagen </al><al/><al>Artikel 5.1 Delegatiegrondslagen </al><al/><al>Aan de in dit artikel opgenomen delegatiegrondslagen is in het Havenreglement
                    Papendrecht 2011 uitvoering gegeven. In de voorgaande Havenverordening
                    Papendrecht waren de delegatiegrondslagen verspreid over de verschillende
                    artikelen. In plaats hiervan zijn deze nu </al><al>overzichtelijk in dit artikel aangegeven. De genoemde delegatiegrondslagen
                    vormen de basis voor het college om nadere regels te stellen in het
                    Havenreglement. </al><al/><al/><al>§ 6 Handhaving </al><al/><al>Artikel 6.1 Aanwijzingen </al><al/><al>Op basis van dit artikel kan het college aanwijzingen geven in het belang van de
                    orde en veiligheid in de haven, in het bijzonder ter regeling van het
                    scheepvaartverkeer en het nemen van ligplaats en ter voorkoming van gevaar,
                    schade of hinder. Deze aanwijzing kan mondeling of schriftelijk worden gegeven. </al><al/><al>Artikel 6.2 Strafbepaling </al><al/><al>Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt gestraft
                    met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. </al><al/><al>Artikel 6.3 Toezichthoudende ambtenaren </al><al/><al>In dit artikel worden de toezichthoudende ambtenaren aangewezen. Het eerste lid
                    is in redactioneel opzicht in overeenstemming gebracht met de modelbepaling uit
                    aanwijzing 90 van de Aanwijzingen voor de regelgeving voor decentrale overheden.
                    Hierin is een modelbepaling opgenomen inzake de aanwijzing van personen belast
                    met het toezicht op de naleving. In artikel 5:17 Awb is de bevoegdheid van de
                    toezichthouder tot het vorderen van inzage van zakelijke gegevens en bescheiden
                    geregeld. </al><al>In artikel 5:18 Awb is de bevoegdheid van de toezichthouder om zaken te </al><al>onderzoeken, aan opneming te onderwerpen en daarvan monsters te nemen,
                    opgenomen. </al><al>De plicht tot medewerking is in algemene zin geregeld in artikel 5:20 Awb: "een
                    ieder is verplicht aan een toezichthouder binnen de door hem gestelde redelijke
                    termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de
                    uitoefening van zijn bevoegdheden". Deze plicht beoogt alle denkbare vormen van
                    medewerking te omvatten, met inbegrip van het </al><al>verstrekken van inlichtingen en de afgifte van gevorderde gegevens en
                    bescheiden. </al><al/><al>Artikel 6.4 Betreden van woonruimten </al><al/><al>In artikel 5:15 Awb, is bepaald dat een toezichthouder een woning niet mag
                    betreden als de bewoner daar geen toestemming voor geeft. De bevoegdheid tot het
                    binnentreden is gestoeld op artikel 149a van de Gemeentewet. Van de bevoegdheid
                    kan in principe alleen gebruik worden </al><al>gemaakt indien een machtiging op grond van de Algemene wet op het binnentreden
                    is afgegeven. Opgemerkt wordt dat onder het begrip "woning" tevens een woning
                    aan boord van een schip moet worden verstaan. </al><al/><al>§ 7 Overgangs-en slotbepalingen </al><al/><al>Artikel 7.1 Intrekking oude verordening </al><al/><al>In artikel 7.1 wordt de Havenverordening Papendrecht ingetrokken. </al><al/><al>Artikel 7.2 Overgangsrecht </al><al/><al>In artikel 7.2 wordt het overgangsrecht geregeld. In het eerste lid wordt
                    bepaald dat de op basis van de Havenverordening Papendrecht afgegeven
                    beschikkingen hun geldigheid behouden na inwerkingtreding van de onderhavige
                    verordening onder de destijds geldende voorwaarden en </al><al>beperkingen. Voorts zal een drie jaar geleden afgegeven vergunning met een
                    geldigheidsduur van vijf jaar, ook onder deze nieuwe Havenbeheersverordening,
                    nog twee jaar zijn geldigheid behouden. Men noemt dit “eerbiedigende werking”. </al><al/><al>In het tweede lid wordt geregeld dat indien vóór het inwerkingtreden van de </al><al>Havenbeheersverordening Papendrecht 2011 aanvragen om toestemming zijn ingediend
                    en waarop nog niet is beslist, deze aanvragen op grond van het nieuwe recht
                    worden behandeld.</al><al/><al>Het derde lid bepaalt dat als een bezwaarschrift is ingediend tegen een
                    beschikking om een toestemming die is gebaseerd op de Havenverordening
                    Papendrecht, dit bezwaarschrift wordt afgehandeld met toepassing van de
                    Havenbeheersverordening Papendrecht 2011 (het nieuwe </al><al>recht wordt dus toegepast). </al><al/><al>Artikel 7.3 Inwerkingtreding </al><al/><al>De regeling treedt in werking de dag na publicatie daarvan in het Papendrechts
                    Nieuwsblad en werkt terug tot 1 juli 2011. Deze datum valt samen met de
                    overdracht van het nautisch beheer aan de havenmeester van Rotterdam werkzaam
                    bij Havenbedrijf Rotterdam N.V. </al><al/><al>Artikel 7.4 Citeertitel </al><al/><al>De citeertitel van deze verordening luidt Havenbeheersverordening Papendrecht
                    2011, afgekort HbvP 2011.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>