<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR243415_3</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening Baarn 2012</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Baarn</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-10-16</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Baarn</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-80148.html">Gemeenteblad, 23 december 2014, nr. 80148</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening Baarn 2012</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0005416">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:v:BWBR0002458">Drank- en Horecawet, artikelen 4, eerste tot en met derde lid en 25a, 25b, 25c en 25d</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2014-12-17</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-03-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Tweede wijziging van de verordening</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>14RV000052</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening Baarn 2012</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label/></kop><al>De raad van de gemeente Baarn </al><lijst><li nr="-"><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 23 oktober
                                2012;</al></li><li nr="-"><al>gehoord het debat in de raad d.d. 6 december 2012;</al></li><li nr="-"><al>gelet op de Gemeentewet</al><al>Besluit:</al><al>vast te stellen de Algemene plaatselijke verordening Baarn 2012 vast
                                te stellen, welke luidt als volgt:</al><al/><al><vet>Algemene plaatselijke verordening BAARN 2012</vet></al><al><vet>Hoofdstuk 1</vet></al><al><vet>Algemene bepalingen</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 1:1</onderstreept></al><al>Begripsbepalingen</al><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn
                                        vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet
                                        1994;</al></li><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen
                                        van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als
                                        bedoeld in of ten aanzien van een al verleende
                                        omgevingsvergunning;</al></li><li nr="-"><al>bouwwerk: hetgeen in artikel 1 van de Bouwverordening Baarn
                                        2012 daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="-"><al>college: het college van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="-"><al>gebouw: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder c, van de
                                        Woningwet daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="-"><al>handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                        diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel
                                        belang te dienen;</al></li><li nr="-"><al>openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of
                                        op andere wijze toegankelijk zijn;</al></li><li nr="-"><al>openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare
                                        manifestaties daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="-"><al>rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft
                                        krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;</al></li><li nr="-"><al>weg: hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de
                                        Wegenverkeerswet daaronder wordt verstaan.</al></li></lijst><al>Artikel 1:2</al><al>Beslistermijn</al><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                        vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van
                                        ontvangst van de ontvankelijke aanvraag.</al></li><li nr="2."><al>Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht
                                        weken verlengen.</al></li><li nr="3."><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien
                                        beslist wordt op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld
                                        in artikel 2:10, vierde lid, of een vergunning als bedoeld
                                        in artikel 2:11, tweede lid, aanhef en onder a, of artikel
                                        4:11.</al></li></lijst><al> Artikel 1:3</al><al>Indiening aanvraag</al><lijst><li nr="1."><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                        ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de
                                        aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het
                                        bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te
                                        behandelen.</al></li><li nr="2."><al>Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen,
                                        vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid
                                        genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste twaalf
                                        weken.</al></li></lijst><al>Artikel 1:4</al><al>Voorschriften en beperkingen</al><lijst><li nr="1."><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en
                                        beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en
                                        beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang
                                        of de belangen in verband waarmee de vergunning of
                                        ontheffing is vereist.</al></li><li nr="2."><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                        verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen
                                        na te komen.</al></li></lijst><al>Artikel 1:5</al><al>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</al><al>De vergunning of ontheffing is persoonlijk, tenzij bij of krachtens
                                deze verordening anders is bepaald.</al><al>Artikel 1:6</al><al>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</al><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of
                                gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige
                                        gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                        inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of
                                        vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege
                                        het belang of de belangen ter bescherming waarvan de
                                        vergunning of ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                        voorschriften en beperkingen niet zijn of worden
                                        nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                        gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het
                                        ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke
                                        termijn; of</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst><al> Artikel 1:7</al><al>Termijnen</al><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij
                                de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de
                                vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.</al><al>Artikel 1:8</al><al>Weigeringsgronden</al><al>De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het
                                bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al><al/></li></lijst><al><vet>H</vet><vet>OOFDSTUK </vet><vet>2</vet></al><al><vet>OPENBARE ORDE</vet></al><al><vet>Afdeling 1</vet></al><al><vet>Bestrijding van ongeregeldheden</vet></al><al/><al>Artikel 2:1</al><al>Samenscholing en ongeregeldheden</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                        samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend
                                        gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al></li><li nr="2."><al>Degene die op een openbare plaats</al></li><li nr="a."><al>aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden
                                        ontstaan of dreigen te ontstaan;</al></li><li nr="b."><al>aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot
                                        toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of
                                        dreigen te ontstaan; of</al></li><li nr="c."><al>zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;</al></li></lijst><al>is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                verwijderen.</al><lijst><li nr="3."><al>Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op
                                        openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd
                                        bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of
                                        ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde
                                        lid gestelde verbod.</al></li><li nr="5."><al>Het bepaalde in de voorgaande leden is niet van toepassing
                                        op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en
                                        levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet
                                        openbare manifestaties.</al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 2</vet></al><al><vet>Betoging</vet></al><al/><al>Artikel 2:2</al><al>Optochten</al><al>[gereserveerd]</al><al> Artikel 2:3</al><al>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</al><lijst><li nr="1."><al>Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een
                                        betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als
                                        bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Wet openbare
                                        manifestaties, geeft daarvan vóór de openbare aankondiging
                                        en ten minste achtenveertig uur voordat de betoging wordt
                                        gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.</al></li><li nr="2."><al>De kennisgeving bevat:</al></li><li nr="a."><al>naam en adres van degene die de betoging houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip
                                        van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de
                                        plaats van beëindiging;</al></li><li nr="e."><al>voor van toepassing, de wijze van samenstelling; en</al></li><li nr="f."><al>maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om
                                        een regelmatig verloop te bevorderen.</al></li><li nr="3."><al>Degene die de kennisgeving doet ontvangt daarvan een bewijs
                                        waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></li><li nr="4."><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt
                                        op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                        algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                        uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip
                                        voorafgaat vóór 12.00 uur.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek
                                        een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze
                                        termijn.</al></li></lijst><al>Artikel 2:4</al><al>Afwijking termijn</al><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al><al>Artikel 2:5</al><al>Te verstrekken gegevens</al><al>(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)</al><al/><al><vet>Afdeling 3</vet></al><al><vet>Verspreiden van gedrukte stukken</vet></al><al/><al>Artikel 2:6</al><al>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of
                                afbeeldingen</al><al>1.Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te
                                bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.</al><al>2. Het is verboden handelsreclame in de vorm van gedrukte of
                                geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden
                                dan wel openlijk aan te bieden.</al><al>3. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                dagen en uren.</al><al>4. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis
                                verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven
                                stukken en afbeeldingen.</al><al>5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                en tweede lid.</al><al>6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) van toepassing.</al><al/><al/><al><vet>Afdeling 4</vet></al><al><vet>Vertoningen e.d. op de weg</vet></al><al/><al>Artikel 2:7</al><al>Feest, muziek en wedstrijd e.d.</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:8</al><al>Dienstverlening</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:9</al><al>Straatartiest e.d.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                        straatfotograaf, tekenaar of filmoperateur op te treden op
                                        door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de
                                        openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu
                                        aangewezen openbare plaatsen.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                        bepaalde dagen en uren.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 5</vet></al><al><vet>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</vet></al><al/><al>Artikel 2:10A</al><al>Verbod op het plaatsen van voorwerpen op of aan</al><al>de weg in strijd met de publieke functie van de weg</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te
                                        gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie
                                        daarvan.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                        ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Een ontheffing bedoeld in het tweede lid kan worden
                                        geweigerd:</al></li><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg,
                                        gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                        doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering
                                        kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de
                                        weg;</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                        verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                        welstand;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van overlast
                                        voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende
                                        zaak.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan een omgevingsvergunning verlenen voor de in
                                        het tweede lid bedoelde ontheffing voor het plaatsen van
                                        containers, voor zover dit een activiteit betreft als
                                        bedoeld in artikel 2.2 eerste lid onder j. of onder k. van
                                        de Wabo.</al><al>5. Het college kan ter zake van het in het eerste lid
                                        gestelde verbod nadere regels stellen.</al><al>6. Op de ontheffing bedoeld in het tweede lid is paragraaf
                                        4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                        fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                        toepassing.</al><al/></li></lijst><al>Artikel 2:10B</al><al>Afbakeningsbepalingen en uitzonderingen</al><lijst><li nr="1."><al>Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel is niet
                                        van toepassing op:</al></li><li nr="a."><al>evenementen als bedoeld in artikel 2:24;</al></li><li nr="b."><al>(vervallen)</al></li><li nr="c."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel is
                                        voorts niet van toepassing op voorwerpen of stoffen waarop
                                        gedachten of gevoelens worden geopenbaard.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel is niet
                                        van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de
                                        Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening
                                        provincie Utrecht 2004.</al></li><li nr="4."><al>De weigeringsgrond van het tweede lid, onder a, van het
                                        vorige artikel is niet van toepassing indien in het daarin
                                        geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de
                                        Wegenverkeerswet.</al></li><li nr="5."><al>De weigeringsgrond van het tweede lid, onder b, van het
                                        vorige artikel is niet van toepassing op bouwwerken;</al></li><li nr="6."><al>De weigeringsgrond van het tweede lid, onder c, van het
                                        vorige artikel is niet van toepassing indien in het
                                        geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                        milieubeheer.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2:10C</al><al>Vrij te stellen categorieën</al><al>Het verbod in het eerste lid van artikel 2:10A geldt niet voor door
                                het college aangewezen categorieën van voorwerpen.</al><al>Artikel 2:11</al><al>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen
                                van een weg</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning
                                        een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken,
                                        in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                        wegverharding te veranderen of anderszins verandering te
                                        brengen in de wijze van aanleg van een weg.</al></li><li nr="2."><al>De vergunning wordt verleend:</al></li><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de
                                        activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                        beheersverordening, exploitatieplan of
                                        voorbereidingsbesluit; of</al></li><li nr="b."><al>door het college in de overige gevallen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien
                                        in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam
                                        publieke taken worden verricht.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin
                                        wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet
                                        beheer rijkswaterstaatswerken, de Wegenverordening provincie
                                        Utrecht 2010, de waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of
                                        de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.</al></li><li nr="5."><al>Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf
                                        4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                        fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                        toepassing.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2:12</al><al>Maken, veranderen van een uitweg</al><al>1. Het is verboden zonder vergunning van het college een uitweg te
                                maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg
                                naar de weg.</al><al>2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning
                                slechts geweigerd:</al><al>a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;</al><al>b. indien de uitweg naar het oordeel van het college zonder noodzaak
                                ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;</al><al>c. indien door de uitweg naar het oordeel van het college het
                                openbaar groen op onaanvaardbarewijze wordt aangetast, of </al><al>d. indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door
                                een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede
                                uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar
                                groen. </al><al>3. Het college kan het maken of veranderen van de uitweg verbieden
                                indien</al><al>a. het gebruik van de uitweg tot gevolg kan hebben dat kan worden
                                geparkeerd in een voortuin van een woonhuis, of</al><al>b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente dat
                                vereist.</al><al>4. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de
                                Waterschapskeur of de Wegenverordening provincie Utrecht 2010.</al><al/><al/><al/><al><vet>Afdeling 6</vet></al><al><vet>Veiligheid op de weg</vet></al><al/><al>Artikel 2:13</al><al>Veroorzaken van gladheid</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:14</al><al>Winkelwagentjes</al><lijst><li nr="1."><al>Een winkelier die winkelwagentjes ter beschikking stelt is
                                        verplicht deze</al></li><li nr="a."><al>te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander
                                        herkenningsteken, en</al></li><li nr="b."><al>terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de
                                        omgeving van dat bedrijf.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op
                                        een openbare plaats achter te laten.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid onder b bepaalde is niet van
                                        toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet
                                        milieubeheer.</al></li></lijst><al>Artikel 2:15</al><al>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</al><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder
                                of gevaar ontstaat.</al><al>Artikel 2:16</al><al>Openen straatkolken e.d.</al><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al><al>Artikel 2:17</al><al>Kelderingangen e.d.</al><lijst><li nr="1."><al>Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg
                                        gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar
                                        voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin
                                        wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van
                                        het Wetboek van Strafrecht.</al></li></lijst><al>Artikel 2:18</al><al>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel
                                        in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter
                                        daarvan:</al></li><li nr="a."><al>te roken gedurende een door het college aangewezen
                                        periode;</al></li><li nr="b."><al>voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende
                                        voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten
                                        liggen.</al></li><li nr="2."><al>De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op
                                        situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en
                                        onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="3."><al>De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het
                                        roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.</al></li></lijst><al>Artikel 2:19</al><al>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:20</al><al>Vallende voorwerpen</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:21</al><al>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</al><lijst><li nr="1."><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten
                                        dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of
                                        voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare
                                        verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of
                                        verwijderd.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin
                                        wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de
                                        Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></li></lijst><al>Artikel 2:22</al><al>Objecten onder hoogspanningslijn</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan
                                        weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van
                                        bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand
                                        houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken
                                        als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te
                                        hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen indien de
                                        elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn
                                        dat toelaat.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod is niet van toepassing op objecten die deel
                                        uitmaken van de hoogspanningslijn.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 2:23</al><al>Veiligheid op het ijs</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al></li><li nr="a."><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te
                                        verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige
                                        andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;</al></li><li nr="b."><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid
                                        geplaatst op de onder a. bedoelde ijsvlakten te verplaatsen,
                                        weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het
                                        gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                        voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de provinciale
                                        vaarwegenverordening.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 7</vet></al><al><vet>Evenementen</vet></al><al/><al>Artikel 2:24</al><al>Begripsbepaling</al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                        publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met
                                        uitzondering van:</al><al>a. bioscoopvoorstellingen;</al><al>b. activiteiten niet zijnde free fight gala's, kooigevechten
                                        of daarmee gelijk te stellen activiteiten, in gebouwen die
                                        in de eerste plaats gebruikt worden door
                                        cultureel-maatschappelijke instellingen, mits het gebruik
                                        past binnen de gebruiksvergunning;</al><al>c. sportwedstrijden en -toernooien georganiseerd onder
                                        auspiciën van een bij de NOC*NSF aangesloten sportbond;</al><al>d. markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h,
                                        van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze
                                        verordening;</al><al>e. kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al><al>f. het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet
                                        gelegenheid geven tot dansen;</al><al>g. betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in
                                        de Wet openbare manifestaties;</al><al>h. activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze
                                        verordening.</al><al>2. Onder evenement wordt mede verstaan: </al><al>a. een herdenkingsplechtigheid;</al><al>b. een braderie;</al><al>c. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in
                                        artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;</al><al>d. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                        weg;</al><al>e. een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein
                                        evenement).</al><al/></li></lijst><al>Artikel 2:25</al><al>Evenement</al><al>1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de
                                burgemeester een evenement te organiseren.</al><al> 2. Geen vergunning is vereist voor een evenement, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan vijftig
                                        personen;</al></li><li nr="b."><al>het evenement tussen 07.00 uur en 23.00 uur plaats
                                        vindt;</al></li><li nr="c."><al>geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na
                                        23.00 uur;</al></li><li nr="d."><al>het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad
                                        of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormt voor
                                        het verkeer en de hulpdiensten;</al></li><li nr="e."><al>slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte
                                        van minder dan 10 m2 per object;</al></li><li nr="f."><al>er een organisator is; en</al></li><li nr="g."><al>de organisator ten minste twintig werkdagen voorafgaand aan
                                        het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de
                                        burgemeester.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester kan binnen tien dagen na ontvangst van de
                                        melding besluiten een klein evenement te verbieden, indien
                                        er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde,
                                        de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in
                                        gevaar komt.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op een
                                        wedstrijd op of aan de weg, in situaties waarin voorzien
                                        wordt door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet
                                        1994.</al></li><li nr="5."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 2:26</al><al>Ordeverstoring</al><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al><al/><al><vet>Afdeling 8</vet></al><al><vet>Toezicht op openbare inrichtingen</vet></al><al/><al>Artikel 2:27</al><al>Begripsbepalingen</al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>openbare inrichting:</al></li><li nr="i."><al>een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar,
                                        discotheek, buurthuis of clubhuis;</al></li><li nr="ii."><al>elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                        waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden
                                        geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie
                                        worden verstrekt of bereid;</al></li><li nr="b."><al>terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare
                                        inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid
                                        kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen
                                        worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen
                                        worden bereid of verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de
                                        besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel
                                        daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en
                                        waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of
                                        spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of
                                        verstrekt.</al></li></lijst><al/><al>Artikel 2:28</al><al>Exploitatie openbare inrichting</al><al>(vervallen)</al><al/><al>Artikel 2:29</al><al>Sluitingstijd</al><lijst><li nr="1."><al>Openbare inrichtingen zijn gesloten</al></li><li nr="a."><al>op maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 uur en 07.00 uur,
                                        en</al></li><li nr="b."><al>op zaterdag en zondag tussen 01.00 uur en 07.00 uur
                                        (sluitingstijd).</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers
                                        geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten
                                        verblijven na sluitingstijd.</al></li><li nr="3."><al>Het is de exploitant verboden het bij een horecabedrijf
                                        behorend terras voor bezoekers geopend te hebben, of
                                        bezoekers op dat terras te laten verblijven tussen 24.00 uur
                                        en 07.00 uur van de daarop volgende dag.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de
                                        sluitingstijd.</al></li><li nr="5."><al>Voor een openbare inrichting, zijnde een winkel als bedoeld
                                        in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de
                                        activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit
                                        vormen van de winkelactiviteit, gelden dezelfde
                                        sluitingstijden als voor de winkel.</al></li><li nr="6."><al>Het eerste en het vierde lid zijn niet van toepassing op
                                        situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is
                                        voorzien.</al></li><li nr="7."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><al>8. De sluitingstijden, genoemd in lid 1, zijn niet van
                                        toepassing op horecaondernemingen, die het convenant Veilig
                                        Uitgaan hebben ondertekend.</al><al/></li></lijst><al/><al>Artikel 2:30</al><al>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                        veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere
                                        omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen
                                        tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk
                                        sluiting bevelen.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin
                                        artikel 13b van de Opiumwet voorziet.</al></li></lijst><al>Artikel 2:31</al><al>Verboden gedragingen</al><al>Het is verboden in een openbare inrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>de orde te verstoren;</al></li><li nr="b."><al>zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat
                                        de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een
                                        besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid;</al></li><li nr="c."><al>op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen
                                        die geen gebruik maken van het terras.</al></li></lijst><al>Artikel 2:32</al><al>Handel binnen openbare inrichtingen</al><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar
                                        als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van
                                        bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het
                                        Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat
                                        een handelaar of een voor hem handelend persoon in die
                                        inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige
                                        andere wijze overdraagt.</al></li></lijst><al>Artikel 2:33</al><al>Het college als bevoegd bestuursorgaan</al><al>Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand
                                gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de
                                Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28
                                tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.</al><al/><al>Artikel 2:34</al><al>Het college als bevoegd bestuursorgaan</al><al>[gereserveerd]</al></li></lijst><al/><al><vet>Afdeling 8A</vet></al><al><vet>Bijzondere bepalingen over horecabedrijven als bedoeld in de Drank- en
                            Horecawet</vet></al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:34a</onderstreept></al><al>Begripsbepaling</al><al/><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><al>-alcoholhoudende drank, </al><al>-horecabedrijf, </al><al>-horecalokaliteit, </al><al>-inrichting, </al><al>-paracommerciële rechtspersoon, </al><al>dat wat daaronder wordt verstaan in de Drank- en Horecawet. </al><al/><al><onderstreept>Artikel 2:34b</onderstreept></al><al>Regulering paracommerciële rechtspersonen</al><al/><al>1. Het is verboden in paracommerciële inrichtingen, die zich voornamelijk
                        richten op het organiseren van activiteiten van sportieve aard,
                        alcoholhoudende drank te verstrekken buiten de in onderstaand schema
                        opgenomen schenktijden: </al><al>Maandag tot en met vrijdag 19.00 uur tot 24.00 uur, </al><al>Zaterdag 13.00 tot 21.00 uur,</al><al> Zon- en feestdagen 13.00 uur tot 19.00 uur. </al><al>2. Het is verboden in paracommerciële inrichtingen, die zich voornamelijk
                        richten op het organiseren van sociale activiteiten, alcoholhoudende drank
                        te verstrekken buiten de in onderstaand schema opgenomen schenktijden:
                        Maandag tot en met vrijdag 13.00 uur tot 24.00 uur, </al><al>Zaterdag, zon- en feestdagen 13.00 uur tot 22.00 uur.</al><al>3. Ter voorkoming van oneerlijke mededinging is het verboden in een
                        paracommerciële inrichting alcoholhoudende drank te verstrekken:</al><al>a. tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard, zoals bruiloften en
                        partijen, of </al><al>b. tijdens bijeenkomsten die gericht zijn op personen die niet of niet
                        rechtstreeks bij de activiteiten van de beherende paracommerciële
                        rechtspersoon zijn betrokken.</al><al>4. De ontheffingsmogelijkheid als bedoeld in artikel 4, lid 4 van de Drank-
                        en Horecawet is van toepassing op dit artikel.</al><al/><al/><al><onderstreept>Artikel 2:34c</onderstreept></al><al>Verbod ‘happy hours” of prijsacties</al><al/><al>1. Ter bescherming van de volksgezondheid of in het belang van de openbare
                        orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan gratis alcoholhoudende
                        dranken te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een
                        periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die in de
                        betreffende lokaliteit of op het betreffende terras gewoonlijk wordt
                        gevraagd.</al><al>2. Ter bescherming van de volksgezondheid of in het belang van de openbare
                        orde is het verboden bedrijfsmatig of anders dan gratis alcoholhoudende
                        dranken aan te bieden voor gebruik elders dan ter plaatse tegen een prijs
                        die voor een periode van één week of korter lager is dan 60% van de prijs
                        die in het betreffende verkooppunt gewoonlijk wordt gevraagd. </al><al/><lijst><li nr="-"><al><vet>Afdeling 9</vet></al><al><vet>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                    nachtverblijf</vet></al><al/><al>Artikel 2:35</al><al>Begripsbepaling</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet
                                besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan
                                personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot
                                kamperen wordt verschaft.</al><al/><al>Artikel 2:36</al><al>Kennisgeving exploitatie</al><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de
                                exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is
                                verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te
                                geven aan de burgemeester.</al><al/><al>Artikel 2:37</al><al>Nachtregister</al><al>[gereserveerd]</al><al/><al>Artikel 2:38</al><al>Verschaffing gegevens nachtregister</al><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is
                                verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die
                                inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats,
                                geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst en de
                                dag van vertrek te verstrekken.</al><al/><al><vet>Afdeling 10</vet></al><al><vet>Toezicht op speelgelegenheden</vet></al><al/><al>Artikel 2:39</al><al>Speelgelegenheden</al><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt onder speelgelegenheid verstaan: een
                                        voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar
                                        bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is
                                        de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen,
                                        waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen
                                        worden gewonnen of verloren.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                        verbod is niet van toepassing op:</al></li><li nr="a."><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c,
                                        eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning
                                        is verleend;</al></li><li nr="b."><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van Veiligheid en
                                        Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te
                                        verlenen; en</al></li><li nr="c."><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het
                                        kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de
                                        kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als
                                        bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de
                                        handeling als in artikel l, onder a, van de Wet op de
                                        kansspelen te verrichten.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al></li><li nr="a."><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon-
                                        en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de
                                        openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden
                                        beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid;
                                        of</al></li><li nr="b."><al>indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is
                                        met een geldend bestemmingsplan.</al></li><li nr="4."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 2:40</al><al>Kansspelautomaten</al><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder
                                        c. van de Wet;</al></li><li nr="c."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel
                                        30, onder d, van de Wet;</al></li><li nr="d."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel
                                        30, onder e, van de Wet.</al></li><li nr="2."><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee kansspelautomaten
                                        toegestaan.</al></li><li nr="3."><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet
                                        toegestaan.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 11</vet></al><al><vet>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</vet></al><al/><al>Artikel 2:41</al><al>Betreden gesloten woning of lokaal</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de
                                        Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek
                                        toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal
                                        behorend erf te betreden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                        gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk
                                        lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een
                                        voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal
                                        behorend erf te betreden.</al></li><li nr="3."><al>Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier
                                        aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende
                                        reden noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Artikel 2:42</al><al>Plakken en kladden</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                        onroerende of roerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar
                                        is te bekrassen of te bekladden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                        rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                        onroerende of roerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar
                                        is:</al></li><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of
                                        aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere
                                        wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een
                                        afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te
                                        doen aanbrengen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing indien
                                        gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen
                                        van meningsuitingen en bekendmakingen.</al></li><li nr="5."><al>Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het
                                        aanbrengen van handelsreclame.</al></li><li nr="6."><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen
                                        van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking
                                        mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                        bekendmakingen.</al></li><li nr="7."><al>De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die
                                        aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering
                                        terstond ter inzage af te geven.</al></li></lijst><al>Artikel 2:43</al><al>Vervoer plakgereedschap e.d.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op de weg of openbaar water enig
                                        aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of
                                        verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde
                                        materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn
                                        bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.</al></li></lijst><al> Artikel 2:44</al><al>Vervoer inbrekerswerktuigen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen
                                        te vervoeren of bij zich te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde
                                        werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich
                                        onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te
                                        verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te
                                        verbreken, diefstal door middel van braak te
                                        vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.</al></li></lijst><al>Artikel 2:45</al><al>Betreden van plantsoenen e.d.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden
                                        zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op
                                        bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen,
                                        plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin
                                        gelegen wegen of paden.</al></li><li nr="2."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 2:46</al><al>Rijden over bermen e.d.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van
                                        rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de
                                        zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden
                                        redelijkerwijs wordt vereist.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                        voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de
                                        Wegenverordening provincie Utrecht 2010.</al></li></lijst><al>Artikel 2:47</al><al>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een openbare plaats:</al></li><li nr="a."><al>te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument,
                                        overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid,
                                        voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair
                                        of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of
                                        aan bewoners van nabij die openbare plaats gelegen woningen
                                        onnodig overlast of hinder berokkent.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                        voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van
                                        Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst><al> Artikel 2:48</al><al>Verboden drankgebruik</al><lijst><li nr="1."><al>Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar
                                        hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel
                                        uitmaakt van een door het college aangewezen gebied,
                                        alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen,
                                        blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te
                                        hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op:</al></li><li nr="a."><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in
                                        artikel 1 van de Drank- en Horecawet; en</al></li><li nr="b."><al>een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a,
                                        waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de
                                        Drank en Horecawet.</al><al>Artikel 2:48A</al><al>Kunststof drinkgerei</al><al>De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde,
                                        openbare veiligheid of in het geval van bijzondere
                                        omstandigheden, voor de gehele gemeente dan wel voor een of
                                        meer horecabedrijven en openbare plaatsen tijdelijk het
                                        gebruik van drinkgerei en flessen, bedoeld voor gebruik ter
                                        plaatse, anders dan van kunststof materiaal verbieden. </al></li></lijst><al>Artikel 2:49</al><al>Verboden gedrag bij of in gebouwen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden:</al></li><li nr="a."><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                        houden;</al></li><li nr="b."><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een
                                        drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></li><li nr="2."><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een
                                        flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke
                                        meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek
                                        toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te
                                        bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde
                                        ruimte van dat gebouw.</al></li></lijst><al>Artikel 2:50</al><al>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten</al><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken
                                voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze
                                ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen,
                                wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en
                                rijwielstallingen.</al><al>Artikel 2:51</al><al>Neerzetten van fietsen e.d.</al><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst><al>Artikel 2:52</al><al>Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d.</al><al>Het is verboden op uren en plaatsen die door het college of de
                                burgemeester zijn aangewezen, zich met een fiets of bromfiets te
                                bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen
                                terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of
                                plechtigheid wordt gehouden die publiek trekt, mits dit verbod
                                kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.</al><al>Artikel 2:53</al><al>Bespieden van personen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een
                                        gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de
                                        kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in
                                        dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te
                                        bespieden.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden door middel van een verrekijker of enig
                                        ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw,
                                        woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.</al></li></lijst><al>Artikel 2:54</al><al>Bewakingsapparatuur</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:55</al><al>Nodeloos alarmeren</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:56</al><al>Alarminstallaties</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:57</al><al>Loslopende honden</al><lijst><li nr="1."><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond
                                        te laten verblijven of te laten lopen:</al></li><li nr="a."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                        zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide
                                        of op een andere door het college aangewezen plaats;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is
                                        aangelijnd door middel van een fysieke lijn van ten hoogste
                                        vijf meter; en</al></li><li nr="c."><al>op de weg indien die hond niet is voorzien van een halsband
                                        of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder
                                        duidelijk doet kennen.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod in het eerste lid aanhef en onder b is niet van
                                        toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</al><al>Artikel 2:58</al></li></lijst><al>Verontreiniging door honden</al><lijst><li nr="1."><al>Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft
                                        is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die
                                        hond onmiddellijk worden verwijderd.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of
                                        houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een
                                        geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden. </al></li><li nr="3."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                        door het college aangewezen plaatsen.</al></li></lijst><al>Artikel 2:59</al><al>Gevaarlijke honden</al><lijst><li nr="1."><al>Indien het college een hond in verband met zijn gedrag
                                        gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder
                                        van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en
                                        muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of
                                        loopt op een openbare plaats of op het terrein van een
                                        ander.</al></li><li nr="2."><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder
                                        verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met
                                        een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste
                                        1,50 meter.</al></li><li nr="3."><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder
                                        verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf
                                        die:</al></li><li nr="a."><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van
                                        beide stoffen;</al></li><li nr="b."><al>door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals
                                        is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens
                                        niet mogelijk is; en</al></li><li nr="c."><al>zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                        afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de
                                        bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf
                                        aanwezig zijn.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder
                                        c, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te
                                        zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt
                                        uniek identificatienummer door middel van een microchip die
                                        met een chipreader afleesbaar is.</al></li></lijst><al>Artikel 2:60</al><al>Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op door het college ter voorkoming of
                                        opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid
                                        aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de
                                        Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide
                                        dieren:</al></li><li nr="a."><al>aanwezig te hebben;</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door
                                        het college gestelde regels;</al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben in een groter aantal dan in die
                                        aanwijzing is aangegeven; of</al></li><li nr="d."><al>te voeren.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak
                                        gelegen binnen een plaats die krachtens het eerste lid is
                                        aangewezen, ontheffing verlenen van een of meer verboden
                                        bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 2:61</al><al>Wilde dieren</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:62</al><al>Loslopend vee</al><al>De rechthebbende op herkauwende en eenhoevige dieren of varkens
                                (vee) die zich bevinden in een weiland of op een terrein dat niet
                                van de weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is
                                verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden
                                dat dit vee die weg niet kan bereiken.</al><al>Artikel 2:63</al><al>Duiven</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:64</al><al>Bijen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden bijen te houden:</al></li><li nr="a."><al>binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere
                                        gebouwen waar overdag mensen verblijven;</al></li><li nr="b."><al>binnen een afstand van dertig meter van de weg.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien
                                        op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of
                                        kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte
                                        of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en
                                        invliegen van de bijen te voorkomen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van
                                        toepassing voor de bijenhouder die rechthebbende is op de
                                        woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b is niet van
                                        toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de
                                        Wegenverordening provincie Utrecht 2004.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan van het verbod in het eerste lid ontheffing
                                        verlenen.</al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><al> Artikel 2:65</al><al>Bedelarij</al><al>Het is verboden om op of aan de weg of in een voor het publiek
                                toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken.</al><al/><al><vet>Afdeling 12</vet></al><al><vet>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</vet></al><al/><al>Artikel 2:66</al><al>Begripsbepaling</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: een handelaar als
                                bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond
                                van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.</al><al>Artikel 2:67</al><al>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</al><lijst><li nr="1."><al>De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle
                                        gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op
                                        andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of
                                        namens de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin
                                        onverwijld op te nemen:</al></li><li nr="a."><al>het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het
                                        goed;</al></li><li nr="b."><al>de datum van verkoop of overdracht van het goed;</al></li><li nr="c."><al>een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voor
                                        zover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het
                                        goed;</al></li><li nr="d."><al>de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van
                                        het goed; en</al></li><li nr="e."><al>de naam en het adres van degene die het goed heeft
                                        verkregen.</al></li><li nr="2."><al>De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze
                                        verplichtingen.</al></li><li nr="3."><al>Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 2:68</al><al>Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van
                                Strafrecht</al><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te
                                        stellen:</al></li><li nr="1."><al>dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding
                                        van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming
                                        behorende vestiging;</al></li><li nr="2."><al>van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde
                                        adressen;</al></li><li nr="3."><al>dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;</al></li><li nr="4."><al>dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een
                                        misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is
                                        gegaan;</al></li><li nr="b."><al>de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of
                                        register ter inzage te geven;</al></li><li nr="c."><al>aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben
                                        waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk
                                        zichtbaar zijn;</al></li><li nr="d."><al>een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie
                                        dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed
                                        verkregen is.</al></li></lijst><al>Artikel 2:69</al><al>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:70</al><al>Handel in horecabedrijven</al><al>[Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op openbare
                                inrichtingen) onder artikel 2:32]</al><al/><al><vet>Afdeling 13</vet></al><al><vet>Vuurwerk</vet></al><al/><al>Artikel 2:71</al><al>Begripsbepaling</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: hetgeen
                                daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit, houdende nieuwe
                                regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk.</al><al>Artikel 2:72</al><al>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                verkoopdagen.</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 2:73</al><al>Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door
                                        het college in het belang van de voorkoming van gevaar,
                                        schade of overlast aangewezen plaats.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats
                                        te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan
                                        veroorzaken.</al></li><li nr="3."><al>De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet
                                        van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door
                                        artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van
                                        Strafrecht.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 14</vet></al><al><vet>Drugsoverlast</vet></al><al/><al>Artikel 2:74</al><al>Drugshandel op straat</al><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een
                                openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als
                                bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende
                                waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te
                                verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.</al><al/><al><vet>Afdeling 15</vet></al><al><vet>Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden,</vet><vet>
                                    cameratoezicht op openbare plaatsen</vet><vet>en
                                    gebiedsontzegging</vet></al><al/><al>Artikel 2:75</al><al>Bestuurlijke ophouding</al><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de
                                Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door
                                hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen
                                plaats indien deze personen het bepaalde in de hierna genoemde
                                artikelen van de Algemene plaatselijke verordening 2012 groepsgewijs
                                niet naleven:</al><al>artikel 2:1 (Samenscholing en ongeregeldheden);</al><al>artikel 2:10A (Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan
                                de weg in strijd met de publieke functie van de weg);</al><al>artikel 2:11 (Aanleggen, beschadigen en veranderen van een
                                weg);</al><al>artikel 2:16 (Openen straatkolken e.d.);</al><al>artikel 2:26 (Ordeverstoring);</al><al>artikel 2:47 (Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen);</al><al>artikel 2:48 (Verboden drankgebruik);</al><al>artikel 2:49 (Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen);</al><al>artikel 2:50 (Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                                ruimten);</al><al>artikel 2:73 (Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                jaarwisseling); en</al><al>artikel 5:34. (Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen
                                of anderszins vuur te stoken).</al><al>Artikel 2:76</al><al>Veiligheidsrisicogebieden</al><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de
                                Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid
                                van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan,
                                een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek
                                openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al><al>Artikel 2:77</al><al>Cameratoezicht op openbare plaatsen</al><al>De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de
                                Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een
                                bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare
                                plaats.</al><al>Artikel 2:78</al><al>Gebiedsontzeggingen</al><al>1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het
                                voorkomen of beperken van</al><al>overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon-
                                en leefklimaat, de</al><al>veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de
                                zedelijkheid, aan degene die een</al><al>strafbaar feit pleegt, een verbod opleggen om zich gedurende 24 uur
                                te bevinden op in dat</al><al>verbod aangewezen plaatsen waar, of in de nabijheid waarvan, het
                                feit is gepleegd;</al><al>2.De burgemeester kan, met het oog op de in het eerste lid genoemde
                                belangen, aan degene</al><al>aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd
                                en ten aanzien van wie</al><al>wordt geconstateerd, dat hij opnieuw een strafbaar feit pleegt, een
                                verbod opleggen om zich</al><al>gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste vier
                                weken te bevinden op in</al><al>dat verbod aangewezen plaatsen waar, of in de nabijheid waarvan, het
                                feit is gepleegd.</al><al>3.Een verbod als genoemd in het tweede lid kan slechts worden
                                opgelegd indien het strafbare</al><al>feit wordt geconstateerd binnen zes maanden na het opleggen van een
                                eerder verbod op</al><al>grond van het eerste of tweede lid;</al><al>4.De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid genoemde
                                verboden indien dat in</al><al>verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene
                                noodzakelijk is, of in verband</al><al>met de in het eerste lid genoemde belangen verantwoord;</al><al>5.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                burgemeester opgelegd verbod.</al><al>Artikel 2:79</al><al>Mosquito</al><lijst><li nr="1."><al>In dit artikel wordt onder een mosquito verstaan: een
                                        apparaat dat een slechts voor jongeren hoorbare, hinderlijke
                                        hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg
                                        te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 4:6 kan de
                                        burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op
                                        een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken
                                        ernstige overlast door jongeren op die plaats.</al></li><li nr="3."><al>De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar
                                        gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.</al></li><li nr="4."><al>Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat
                                        overlast redelijkerwijs valt te verwachten.</al></li><li nr="5."><al>Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten
                                        hoogste drie maanden. De burgemeester kan die periode
                                        telkens met een periode van ten hoogste een maand
                                        verlengen.</al><al/></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 3</vet></al><al><vet>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie
                                e.d.</vet></al><al/><al><vet>Afdeling 1</vet></al><al><vet>Begripsbepalingen</vet></al><al/><al>Artikel 3:1</al><al>Begripsbepalingen</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten
                                        van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of
                                        vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
                                        Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
                                        seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub
                                        of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
                                        erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met
                                        elkaar;</al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                        rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere
                                        plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van
                                        erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="f."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                        rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of
                                        escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
                                        bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al></li><li nr="g."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel
                                        uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;</al></li><li nr="h."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                        uitzondering van:</al></li><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2
                                        van deze verordening;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting
                                        wegens dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst><al> Artikel 3:2</al><al>Bevoegd bestuursorgaan</al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al><al>Artikel 3:3</al><al>Nadere regels</al><al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel
                                3:13, tweede lid kan het college nadere regels stellen met
                                betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in dit
                                hoofdstuk.</al><al/><al><vet>Afdeling 2</vet></al><al><vet>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                    dergelijke</vet></al><al/><al>Artikel 3:4</al><al>Seksinrichtingen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                        exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                        bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in
                                        ieder geval vermeld:</al></li><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder; en</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.</al></li><li nr="3."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 3:5</al><al>Gedragseisen exploitant en beheerder</al><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en de beheerder:</al></li><li nr="a."><al>staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de
                                        ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al></li><li nr="c."><al>hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de
                                        exploitant en de beheerder niet:</al></li><li nr="a."><al>met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van
                                        Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met
                                        toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht
                                        ter beschikking gesteld;</al></li></lijst><al> b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                                onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de
                                rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire,
                                Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door
                                een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands
                                recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67,
                                eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;</al><lijst><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij ten minste twee rechterlijke
                                        uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een
                                        onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een
                                        andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                        onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede
                                        wegens overtreding van:</al></li><li nr="-"><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet,
                                        de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                        vreemdelingen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met
                                        249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417,
                                        417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                        Strafrecht;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto
                                        artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet
                                        1994;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de
                                        Wet op de Kansspelen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></li><li nr="3."><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt
                                        gelijk gesteld:</al></li><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel
                                        74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of
                                        artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake
                                        rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro
                                        bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                        straf.</al></li><li nr="4."><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid,
                                        wordt:</al></li><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                        datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                        datum van de intrekking van deze vergunning.</al></li><li nr="5."><al>De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf
                                        jaar geen exploitant of beheerder geweest van een
                                        seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een
                                        maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of
                                        waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is
                                        ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen
                                        verwijt treft.</al></li></lijst><al>Artikel 3:6</al><al>Sluitingstijden</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                        hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten
                                        verblijven:</al></li><li nr="a."><al>op zondag tot en met donderdag tussen 0.00 uur en 07.00
                                        uur;</al></li><li nr="b."><al>op vrijdag en zaterdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan voor een afzonderlijke
                                        seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.</al></li><li nr="3."><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin
                                        te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting
                                        krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens
                                        artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op
                                        situaties waarin wordt voorzien door de op de Wet
                                        milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></li></lijst><al>Artikel 3:7</al><al>Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting</al><lijst><li nr="1."><al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in
                                        artikel 3:13, tweede lid of in geval van strijdigheid met de
                                        bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd
                                        bestuursorgaan:</al></li><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of
                                        tweede lid, geldende sluitingstijden vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk
                                        de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene
                                        wet bestuursrecht maakt het bevoegd bestuursorgaan het
                                        besluit bedoeld in het eerste lid bekend op de voet van
                                        artikel 3:42, tweede lid.</al></li></lijst><al>Artikel 3:8</al><al>Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                        hebben, zonder dat exploitant of de beheerder bedoeld in
                                        artikel 3:4, tweede lid onder a of b in de seksinrichting
                                        aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat
                                        in de seksinrichting:</al></li><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval
                                        de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de
                                        zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid),
                                        XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het
                                        Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet
                                        en in de Wet wapens en munitie; en</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd
                                        met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                        Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst><al>Artikel 3:9</al><al>Straatprostitutie</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of
                                        op andere wijze, passanten te bewegen gebruik te maken van
                                        de diensten van een prostituee, uit te nodigen dan wel aan
                                        te lokken:</al></li><li nr="a."><al>op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of
                                        gebieden;</al></li><li nr="b."><al>gedurende andere dan door het college vastgestelde
                                        tijden.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op de naleving van het verbod bedoeld in het
                                        eerste lid, kan door politieambtenaren het bevel worden
                                        gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te
                                        verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in
                                        artikel 3:13, tweede lid, kan door politieambtenaren aan
                                        personen die zich bevinden op de wegen of gebieden en
                                        gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel
                                        worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te
                                        verwijderen.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan met het oog op de openbare orde en de
                                        belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid, personen aan
                                        wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in
                                        het derde lid, verbieden zich gedurende een bepaalde
                                        termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te
                                        bevinden op of aan de wegen of gebieden en op de tijden
                                        bedoeld in het eerste lid onder b.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester beperkt het verbod bedoeld in het vierde lid
                                        indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van
                                        betrokkene noodzakelijk is.</al></li></lijst><al>Artikel 3:10</al><al>Sekswinkels</al><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al><al>Artikel 3:11</al><al>Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische
                                goederen, afbeeldingen en dergelijke</al><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden
                                        daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen,
                                        gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                        erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen,
                                        aan te bieden of aan te brengen:</al></li><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                        bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                        aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en
                                        leefomgeving in gevaar brengt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan
                                        in het belang van de openbare orde of de woon- en
                                        leefomgeving gestelde regels.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing
                                        op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                        opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken
                                        dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van
                                        gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                        van de Grondwet.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 3</vet></al><al><vet>Beslistermijn: weigeringsgronden</vet></al><al/><al>Artikel 3:12</al><al>Beslistermijn</al><lijst><li nr="1."><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid,
                                        beslist het bevoegd bestuursorgaan op de aanvraag om
                                        vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf
                                        weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                        twaalf weken verdagen.</al></li></lijst><al> Artikel 3:13</al><al>Weigeringsgronden</al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                        geweigerd indien:</al></li><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel
                                        3:5 gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                        escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                        beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit,
                                        stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening; of</al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                        escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                        strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of
                                        met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                        Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li><li nr="2."><al>Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde
                                        escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel
                                        1:8, de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid,
                                        worden geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling
                                        bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, achterwege gelaten, in
                                        het belang van:</al></li><li nr="a."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en
                                        leefklimaat;</al></li><li nr="c."><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></li><li nr="d."><al>de verkeersvrijheid of -veiligheid;</al></li><li nr="e."><al>de gezondheid of zedelijkheid; of</al></li><li nr="f."><al>de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 4</vet></al><al><vet>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</vet></al><al/><al>Artikel 3:14</al><al>Beëindiging exploitatie</al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning vervalt zodra de exploitant die overeenkomstig
                                        artikel 3:4 op de vergunning is vermeld, de exploitatie van
                                        de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                        beëindigd.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de
                                        exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis
                                        aan het bevoegd bestuursorgaan.</al></li></lijst><al>Artikel 3:15</al><al>Wijziging beheer</al><lijst><li nr="1."><al>Indien de beheerder het beheer van de seksinrichting of het
                                        escortbedrijf feitelijk beëindigt, geeft de exploitant
                                        daarvan binnen een week schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                        bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                        indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de
                                        exploitant besluit de verleende vergunning overeenkomstig de
                                        wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel
                                        3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></li><li nr="3."><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan
                                        het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder
                                        vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als
                                        bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de
                                        aanvraag is besloten.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 5</vet></al><al><vet>Overgangsbepaling</vet></al><al/><al>Artikel 3:16</al><al>Overgangsbepaling</al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Afdeling</vet><vet> 6</vet></al><al><vet>Kwetsing van de openbare zedelijkheid</vet></al><al/><al>Artikel 3:17</al><al>Kwetsing van de openbare zedelijkheid</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een weg of vandaar af zichtbaar zich te
                                        bevinden in een houding, toestand of kleding, die uit een
                                        oogpunt van openbare zedelijkheid kwetsend is.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover
                                        in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door h et
                                        Wetboek van Strafrecht.</al><al/></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 4</vet></al><al><vet>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en</vet><vet>
                                    zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente</vet></al><al/><al><vet>Afdeling 1</vet></al><al><vet>Geluidhinder en verlichting</vet></al><al/><al>Artikel 4:1</al><al>Begripsbepalingen</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen
                                        milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                        Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;</al></li><li nr="f."><al>geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond
                                        van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="g."><al>geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van
                                        artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="h."><al>onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is
                                        versterkt.</al></li></lijst><al>Artikel 4:2</al><al>Aanwijzing collectieve festiviteiten</al><lijst><li nr="1."><al>De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                        van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden
                                        niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen
                                        collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen
                                        dagen of dagdelen.</al></li><li nr="2."><al>De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve
                                        van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel
                                        3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het
                                        college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                        festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                        dagdelen.</al></li><li nr="3."><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid,
                                        kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in
                                        een of meer van de volgende delen:</al></li><li nr="4."><al>Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor
                                        het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                        redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit
                                        terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het
                                        eerste lid aanwijzen.</al></li></lijst><al> 6. Bij aangewezen collectieve festiviteiten mag het equivalent
                                geluidniveau, veroorzaakt door de inrichting, op de gevels van
                                geluidgevoelige gebouwen maximaal 30 dB(A) hoger zijn ten opzichte
                                van de geluidvoorschriften van het Besluit algemene regels voor
                                inrichtingen milieubeheer (BARIM).</al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="35*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="21*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="23*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Geluidnormen (BARIM)</al></entry><entry colname="col2"><al>7.00 – 19.00 uur</al></entry><entry colname="col3"><al>19.00 – 23.00 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>23.00 – 7.00 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>45 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>35 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>30 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>70 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>65 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>55 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="7."><al>De geluidruimte van 30 dB(A) als bedoeld in het zesde lid is
                                        inclusief onversterkte muziek en 10 dB(A) toeslag vanwege
                                        muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie
                                        buiten beschouwing gelaten.</al></li><li nr="8."><al>De ontheffing geldt voor (muzikale)activiteiten binnen het
                                        gebouw van de inrichting.</al></li><li nr="9."><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                        deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten
                                        van personen of goederen.</al></li></lijst><al>Artikel 4:3</al><al>Kennisgeving incidentele festiviteiten</al><lijst><li nr="1."><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal drie incidentele
                                        festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                        geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                        van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van
                                        toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste
                                        twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college
                                        daarvan in kennis heeft gesteld.</al></li><li nr="2."><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal drie
                                        incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting
                                        langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten
                                        waarbij artikel 4.113, eerste lid, van het Besluit niet van
                                        toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste
                                        tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het
                                        college daarvan in kennis heeft gesteld.</al></li><li nr="3."><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                        kennisgeving.</al></li><li nr="4."><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                        formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                        ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al></li><li nr="5."><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer
                                        het college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                        incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                        was, terstond toestaat.</al></li><li nr="6."><al>Bij een incidentele festiviteit mag het equivalent
                                        geluidniveau, veroorzaakt door de inrichting, op de gevels
                                        van geluidgevoelige gebouwen maximaal 30 dB(A) hoger zijn
                                        ten opzichte van de geluidvoorschriften van het Besluit
                                        algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (BARIM).</al></li></lijst><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colwidth="35*"/><colspec colname="col2" colwidth="21*"/><colspec colname="col3" colwidth="23*"/><colspec colname="col4" colwidth="21*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Geluidnormen (BARIM)</al></entry><entry colname="col2"><al>7.00 – 19.00 uur</al></entry><entry colname="col3"><al>19.00 – 23.00 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>23.00 – 7.00 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>45 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>35 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>30 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>70 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>65 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>55 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="7."><al>De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is inclusief
                                        onversterkte muziek en 10 dB(A) toeslag vanwege
                                        muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie
                                        buiten beschouwen gelaten.</al></li><li nr="8."><al>De geluidsnorm als bedoeld in het zesde lid geldt voor het
                                        bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de
                                        buitenruimte.</al></li><li nr="9."><al>Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en
                                        deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten
                                        van personen of goederen.</al></li></lijst><al>Artikel 4:4</al><al>Verboden incidentele festiviteiten</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 4:5</al><al>Onversterkte muziek</al><lijst><li nr="1."><al>Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als
                                        bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid
                                        van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen
                                        tabel van toepassing, met dien verstande dat:</al></li><li nr="a."><al>de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige
                                        gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze
                                        gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in
                                        redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van
                                        geluidsmetingen;</al></li><li nr="b."><al>de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij
                                        gevoelige terreinen op de grens van het terrein;</al></li><li nr="c."><al>de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor
                                        zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige
                                        ruimten en verblijfsruimten;</al></li><li nr="d."><al>bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de
                                        tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast.</al></li></lijst><al> e. Tabel</al><table><tgroup cols="4"><tbody><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>7.00-19.00 uur</al></entry><entry colname="col3"><al>19.00-23.00 uur</al></entry><entry colname="col4"><al>23.00-7.00 uur</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>45 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>40 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>35 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>30 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>25 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>70 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>65 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>60 dB(A)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>LAmax in in- en aanpandige gevoelige
                                                  gebouwen</al></entry><entry colname="col2"><al>55 dB(A)</al></entry><entry colname="col3"><al>50 dB(A)</al></entry><entry colname="col4"><al>45 dB(A)</al></entry></row></tbody></tgroup></table><lijst><li nr="2."><al>Voor de duur van 20 uur in de week is onversterkte muziek,
                                        vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten,
                                        harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting
                                        gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de
                                        genoemde geluidsniveaus in het eerste lid.</al></li><li nr="3."><al>Indien versterkte elementen worden gecombineerd met
                                        onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd
                                        als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en
                                        incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2 en
                                        artikel 4:3.</al></li></lijst><al>Artikel 4:6</al><al>Overige geluidhinder</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                        milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze
                                        toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of
                                        handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de
                                        omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                        voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet
                                        openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de
                                        Provinciale Milieuverordening Utrecht 1995.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 2</vet></al><al><vet>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</vet></al><al/><al>Artikel 4:7</al><al>Straatvegen</al><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al><al>Artikel 4:8</al><al>Natuurlijke behoefte doen</al><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al><al>Artikel 4:9</al><al>Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en
                                putten buiten gebouwen</al><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al><al/><al><vet>Afdeling 3</vet></al><al><vet>Het bewaren van houtopstanden</vet></al><al/><al>Artikel 4:10</al><al>Begripsomschrijvingen</al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al></li><li nr="a."><al>houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen;</al></li><li nr="b."><al>hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op
                                        de stronk uitlopen;</al></li><li nr="c."><al>dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de
                                        houtopstand;</al></li><li nr="d."><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld
                                        ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet;</al></li><li nr="e."><al>iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel
                                        Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi
                                        (Buism.) C. Moreau);</al></li><li nr="f."><al>iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium,
                                        behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F.) en Scolytus
                                        multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus.</al></li><li nr="2."><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien,
                                        met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van
                                        handelingen die de dood of ernstige beschadiging of
                                        ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></li></lijst><al> Artikel 4:11</al><al>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag
                                        houtopstand te vellen of te doen vellen.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor:</al></li><li nr="a."><al>bomen op gemeentegrond met een stamomtrek kleiner dan 0,50
                                        meter, gemeten op een hoogte van 1,30 meter vanaf
                                        maaiveld;</al></li><li nr="b."><al>bomen op andere dan gemeentegrond met een stamomtrek kleiner
                                        dan 0,78 meter, gemeten op een hoogte van 1,30 meter vanaf
                                        maaiveld;</al></li><li nr="c."><al>de coniferen: thuja en chamaecyparis;</al></li><li nr="d."><al>wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
                                        landbouw gronden, beide voor zover bestaande uit
                                        niet-geknotte populieren of wilgen;</al></li><li nr="e."><al>vruchtbomen en windschermen om boomgaarden;</al></li><li nr="f."><al>fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te dienen
                                        als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder
                                        bestemde terreinen;</al></li><li nr="g."><al>kweekgoed;</al></li><li nr="h."><al>houtopstand die bij wijze van dunning moet worden
                                        geveld;</al></li><li nr="i."><al>houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij het
                                        Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en gelegen is
                                        buiten een bebouwde kom, tenzij de houtopstand een
                                        zelfstandige eenheid vormt die:</al></li><li nr="1."><al>ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;</al></li><li nr="2."><al>ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20 bomen,
                                        gerekend over het totale aantal rijen;</al></li><li nr="j."><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de
                                        Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of een last
                                        van het bevoegd gezag, zulks onverminderd het bepaalde in
                                        artikel 4:12C.</al></li></lijst><al>Artikel 4:12</al><al>Aanvraag vergunning</al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel
                                        met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of
                                        door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid
                                        gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer het bureau LASER aan het bevoegd gezag een afschrift
                                        heeft toegezonden van de ontvangstbevestiging als bedoeld in
                                        artikel 2 van de Boswet, beschouwt het bevoegd gezag dit
                                        afschrift mede als een vergunningaanvraag.</al></li></lijst><al>Artikel 4:12A</al><al>Weigeringsgronden</al><al>De vergunning kan worden geweigerd op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>de natuurwaarde van de houtopstand;</al></li><li nr="b."><al>de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="c."><al>de waarde van de houtopstand voor stads- en
                                        dorpsschoon;</al></li><li nr="d."><al>de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="e."><al>de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="f."><al>de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.</al></li></lijst><al>Artikel 4:12B</al><al>Bijzondere vergunningsvoorschriften</al><lijst><li nr="1."><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan
                                        behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en
                                        overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven
                                        aanwijzingen moet worden herplant.</al></li><li nr="2."><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven,
                                        dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn
                                        na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde
                                        beplanting moet worden vervangen.</al></li><li nr="3."><al>Een vergunning wordt verleend onder de standaardvoorwaarde
                                        van feitelijk niet-gebruik tot het moment dat:</al></li><li nr="a."><al>de bezwaartermijn voor derden is verstreken zonder dat
                                        bezwaar is ingediend;</al></li><li nr="b."><al>beslist is op het bezwaar van derden en geen verzoek tot
                                        voorlopige voorziening is gedaan;</al></li><li nr="c."><al>beslist is op een verzoek om een voorlopige
                                        voorziening.</al></li></lijst><al>Artikel 4:12C</al><al>Herplant-/instandhoudingsplicht</al><lijst><li nr="1."><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld
                                        in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van
                                        het bevoegd gezag is geveld dan wel op andere wijze
                                        tenietgegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk
                                        gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond
                                        dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen
                                        van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te
                                        herbeplanten overeenkomstig de door zijn te geven
                                        aanwijzingen binnen een door hem te stellen termijn.</al></li><li nr="2."><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid
                                        opgelegd, dan kan daarbij worden bepaald binnen welke
                                        termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde
                                        beplanting moet worden vervangen.</al></li><li nr="3."><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld
                                        in deze afdeling van toepassing is, ernstig in het
                                        voortbestaan wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de
                                        zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand
                                        bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het
                                        treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting
                                        opleggen om overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen
                                        binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te
                                        treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.</al></li><li nr="4."><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste
                                        tot en met derde lid is opgelegd, alsmede zijn
                                        rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.</al></li></lijst><al> Artikel 4:12D</al><al>Schadevergoeding</al><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de
                                toepassing van artikel 4:11, artikel 4:12B of artikel 4:12C, schade
                                lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te
                                zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet
                                anderszins is verzekerd, kent het bevoegd gezag hem op zijn verzoek
                                een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.</al><al>Artikel 4:12E</al><al>Bestrijding iepziekte</al><lijst><li nr="1."><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die
                                        naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren voor
                                        verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van
                                        iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe
                                        door het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij
                                        de aanschrijving vast te stellen termijn:</al></li><li nr="a."><al>indien de iepen in de grond staan, deze te vellen;</al></li><li nr="b."><al>de iepen te ontschorsen en de schors te vernietigen;</al></li><li nr="c."><al>of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te vernietigen
                                        of zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte
                                        wordt voorkomen.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met
                                        uitzondering van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout
                                        met een doorsnede kleiner dan 4 cm, voorhanden of in
                                        voorraad te hebben of te vervoeren. Het bevoegd gezag kan
                                        ontheffing verlenen van dit verbod.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 4</vet></al><al><vet>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</vet></al><al/><al>Artikel 4:13</al><al>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op door het college in het belang van het
                                        uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
                                        opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de
                                        openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een
                                        inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de
                                        openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen
                                        op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:</al></li><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken
                                        voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;</al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;</al></li><li nr="c."><al>kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen
                                        daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan
                                        geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een
                                        commercieel doel; of</al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil,
                                        een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                                        landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan bij de aanwijzing nadere regels
                                        stellen.</al></li><li nr="3."><al>Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                        voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of
                                        krachtens de Verordening bescherming natuur en landschap
                                        provincie Utrecht.</al></li></lijst><al>Artikel 4:14</al><al>Stankoverlast door gebruik van meststoffen</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 4:15</al><al>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op of aan een onroerende zaak of roerende
                                        zaak, niet zijnde voertuigen als bedoeld in de
                                        Wegenverkeerswet, handelsreclame te maken of te voeren door
                                        middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding
                                        waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige
                                        hinder ontstaat voor de omgeving.</al></li><li nr="2."><al>Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin
                                        wordt voorzien door het Besluit algemene regels voor
                                        inrichtingen milieubeheer.</al></li></lijst><al>Artikel 4:16</al><al>Vergunningplicht lichtreclame</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op of aan
                                        een onroerende zaak verlichte handelsreclame te maken of te
                                        voeren die vanaf de weg zichtbaar is.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning
                                        als bedoeld in het eerste lid worden geweigerd:</al></li><li nr="a."><al>indien de handelsreclame, op zichzelf of in verband met de
                                        omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van
                                        welstand;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van overlast
                                        voor gebruikers van een inde de nabijheid gelegen onroerende
                                        zaak.</al></li><li nr="c."><al>De weigeringsgrond van het tweede lid onder a geldt niet
                                        voor bouwwerken;</al></li><li nr="d."><al>De weigeringsgrond van het tweede lid onder b geldt niet
                                        voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                        door de Wet milieubeheer</al></li><li nr="4."><al>Reclame-uitingen binnen de begrenzing van het beschermd
                                        dorpsgezicht zijn vergunningplichtig.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 5</vet></al><al><vet>Kamperen buiten kampeerterreinen</vet></al><al/><al>Artikel 4:17</al><al>Begripsbepaling</al><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de
                                zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is
                                dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al><al>Artikel 4:18</al><al>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                        kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten
                                        een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan,
                                        de beheersverordening, exploitatieplan of een
                                        voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen
                                        voor eigen gebruik door de rechthebbende op een
                                        terrein.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als
                                        bedoeld in het eerste lid.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing
                                        worden geweigerd in het belang van:</al></li><li nr="a."><al>de bescherming van natuur en landschap; of</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></li><li nr="5."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 4:19</al><al>Aanwijzing kampeerplaatsen</al><lijst><li nr="1."><al>Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van
                                        toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen ter
                                        bescherming van de belangen genoemd artikel 4:18, vierde
                                        lid, onder a en b.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 6</vet></al><al><vet>Bescherming van flora en fauna</vet></al><al/><al>Artikel 4:20</al><al>Het is in een voor publiek toegankelijk park of plantsoen of in bij
                                de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of
                                bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een
                                bloem- of heesterperk, dan wel aldaar bloemen te plukken.</al><al>Artikel 4:21</al><al>Beschermde planten; hout sprokkelen en paddenstoelen plukken</al><lijst><li nr="1."><al>Het college is bevoegd:</al></li><li nr="a."><al>plaatsen aan te wijzen waar het ter bescherming van het
                                        natuur-, landschaps- of dorpsschoon verboden is daarbij
                                        aangeduide bloemen, mossen, paddenstoelen plukken , planten
                                        te plukken of bij zich te hebben;</al></li><li nr="b."><al>bosgebieden of gedeelten daarvan aan te wijzen, waar het om
                                        redenen van milieubeheer verboden is hout te sprokkelen of
                                        gesprokkeld hout bij zich te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden op een, door het college, krachtens het
                                        eerste lid, aangewezen plaats:</al></li><li nr="a."><al>de daarbij aangeduide bloemen, paddenstoelen, mossen of
                                        planten te plukken, bij zich te hebben; dan wel</al></li><li nr="b."><al>hout te sprokkelen of gesprokkeld hout bij zich te
                                        hebben.</al></li><li nr="3."><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet:</al></li><li nr="a."><al>ten aanzien van door of met toestemming van de rechthebbende
                                        ter plaatse verkregen dan wel elders afkomstige bloemen,
                                        paddenstoelen, mossen, planten, of hout;</al></li><li nr="b."><al>indien de in dit artikel bedoelde handelingen worden
                                        verricht in het kader van normale
                                        onderhoudswerkzaamheden;</al></li><li nr="c."><al>voor zover de Flora- en faunawet van toepassing is.</al></li><li nr="4."><al>Het in het tweede lid, aanhef en onder b, bepaalde geldt
                                        voorts niet:</al></li><li nr="a."><al>ten aanzien van hout afkomstig van houtopstanden waarop het
                                        in artikel 4.3.2 gestelde verbod niet van toepassing
                                        is;</al></li><li nr="b."><al>ten aanzien van hout dat moet worden verwijderd krachtens
                                        een verordening van het Bosschap.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede
                                        lid gestelde verbod.</al></li><li nr="6."><al>Onder sprokkelen van hout wordt in dit artikel verstaan: het
                                        verzamelen en verwijderen van staand of losliggend, vermolmd
                                        dan wel uitdrogend, dood hout.</al><al/></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 5</vet></al><al><vet>Andere onderwerpen betreffende de</vet></al><al><vet>huishouding der gemeente</vet></al><al/><al><vet>Afdeling 1</vet></al><al><vet>Parkeerexcessen</vet></al><al/><al>Artikel 5:1</al><al>Begripsbepalingen</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al,
                                        van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens,
                                        kinderwagens en rolstoelen;</al></li><li nr="b."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van
                                        het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990).</al></li></lijst><al>Artikel 5:2</al><al>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</al><lijst><li nr="1."><al>Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede
                                        verstaan:</al></li><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                        lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                        personen tegen betaling.</al></li><li nr="2."><al>Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet
                                        gerekend:</al></li><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                        worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen,
                                        en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor
                                        deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid
                                        bedoelde persoon.</al></li><li nr="3."><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                        gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                        slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al></li><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                        toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met
                                        een straal van honderd meter met als middelpunt een van deze
                                        voertuigen;</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al><al>5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 5:3</al><al>Te koop aanbieden van voertuigen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                        voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan
                                        te bieden of te verhandelen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 5:4</al><al>Defecte voertuigen</al><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al><al>Artikel 5:5</al><al>Voertuigwrakken</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                        staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                        toestand verkeert op de weg te parkeren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                        voorzien door de Wet milieubeheer.</al></li></lijst><al>Artikel 5:6</al><al>Kampeermiddelen e.a.</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of
                                        anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt
                                        gebruikt:</al></li><li nr="a."><al>langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te
                                        hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar
                                        zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van
                                        beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het
                                        uiterlijk aanzien van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar
                                        dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                        aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het
                                        eerste lid, aanhef en onder a.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                        situaties waarin wordt voorzien door de Wegenverordening
                                        provincie Utrecht 2004 of de Verordening bescherming natuur
                                        en landschap provincie Utrecht.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 5:7</al><al>Parkeren van reclamevoertuigen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een
                                        aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het
                                        kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="3."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 5:8</al><al>Parkeren van grote voertuigen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de
                                        lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte
                                        van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college
                                        aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is
                                        voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de
                                        lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op
                                        een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar
                                        zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van
                                        beschikbare parkeerruimte.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op
                                        werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van
                                        08.00 tot 18.00 uur.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing
                                        op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor
                                        zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende
                                        dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                        verboden ontheffing verlenen.</al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 5:9</al><al>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading,
                                        een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer
                                        dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning
                                        of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze
                                        dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit
                                        dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen
                                        anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                        gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor
                                        de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk
                                        is.</al></li></lijst><al>Artikel 5:10</al><al>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen</al><al>[gereserveerd]</al><al>Artikel 5:11</al><al>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of
                                        plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of
                                        groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.</al></li><li nr="2."><al>Dit verbod is niet van toepassing:</al></li><li nr="a."><al>op de weg;</al></li><li nr="b."><al>op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of
                                        vanwege de overheid; en</al></li><li nr="c."><al>op voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op
                                        terreinen die voor dit doel zijn bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 5:12</al><al>Overlast van fiets of bromfiets</al><al>Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk
                                aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast,
                                of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen
                                plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor
                                bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.</al><al/><al><vet>Afdeling 2</vet></al><al><vet>Collecteren</vet></al><al/><al>Artikel 5:13</al><al>Inzameling van geld of goederen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                        openbare inzameling van geld of goederen te houden of
                                        daartoe een intekenlijst aan te bieden.</al></li><li nr="2."><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede
                                        verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook
                                        worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij
                                        het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen,
                                        indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt
                                        gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een
                                        liefdadig of ideëel doel is bestemd.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten
                                        kring gehouden wordt.</al></li><li nr="4."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 3</vet></al><al><vet>Venten</vet></al><al/><al>Artikel 5:14</al><al>Begripsbepaling</al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                        uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden,
                                        verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een
                                        openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan
                                        huis.</al></li><li nr="2."><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al></li><li nr="a."><al>het aan huis afleveren van goederen in het kader van de
                                        exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de
                                        Winkeltijdenwet</al></li><li nr="b."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen
                                        dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten
                                        als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de
                                        Gemeentewetof artikel 5:22;</al></li><li nr="c."><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen
                                        dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als
                                        bedoeld in artikel 5:17.</al></li></lijst><al>Artikel 5:15</al><al>Ventverbod</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden te venten</al></li><li nr="a."><al>op door het college in het belang van de openbare orde
                                        aangewezen openbare plaatsen; of </al></li><li nr="b."><al>op door het college aangewezen dagen en uren.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het
                                        tweede lid.</al></li><li nr="3."><al>Op de ontheffing bedoeld in het tweede lid is paragraaf
                                        4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                        fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                        toepassing.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                        situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de
                                        Wegenverkeerswet. </al></li><li nr="5."><al>Het verbod bedoeld in artikel 5:15, eerste lid, is niet van
                                        toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken
                                        waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard. </al></li></lijst><al>Artikel 5:16</al><al>Vrijheid van meningsuiting</al><al>(vervallen)</al><al/><al><vet>Afdeling 4</vet></al><al><vet>Standplaatsen</vet></al><al/><al>Artikel 5:17</al><al>Begripsbepaling</al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf
                                        een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen
                                        plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen
                                        dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals
                                        een kraam, een wagen of een tafel.</al></li><li nr="2."><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al></li><li nr="a."><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in
                                        artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                        Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                        2:24.</al></li></lijst><al>Artikel 5:18</al><al>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                        standplaats in te nemen of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het college weigert de vergunning wegens strijd met een
                                        geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan
                                        of voorbereidingsbesluit.</al></li><li nr="3."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                        worden geweigerd:</al></li><li nr="a."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband
                                        met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van
                                        welstand;</al></li><li nr="b."><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
                                        gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te
                                        verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor
                                        een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk
                                        verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar
                                        komt.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de
                                        dagen, aantallen en locaties van de standplaatsen.</al></li><li nr="5."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 5:19</al><al>Toestemming rechthebbende</al><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al><al> Artikel 5:20</al><al>Afbakeningsbepalingen</al><lijst><li nr="1."><al>Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van
                                        toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet
                                        milieubeheer, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de
                                        Wegenverordening provincie Utrecht 2004.</al></li><li nr="2."><al>De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is
                                        niet van toepassing op bouwwerken.</al></li></lijst><al>Artikel 5:21</al><al>Aanhoudingsplicht</al><al>[gereserveerd]</al><al/><al><vet>Afdeling 5</vet></al><al><vet>Snuffelmarkten</vet></al><al/><al>Artikel 5:22</al><al>Begripsbepaling</al><lijst><li nr="1."><al>In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een
                                        markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar
                                        hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden
                                        verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een
                                        standplaats.</al></li><li nr="2."><al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:</al></li><li nr="a."><al>een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste
                                        lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;</al></li><li nr="b."><al>een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></li></lijst><al>Artikel 5:23</al><al>Organiseren van een snuffelmarkt</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                        snuffelmarkt te organiseren.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel
                                        nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in
                                        de zin van de Winkeltijdenwet.</al></li><li nr="3."><al>De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een
                                        geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan
                                        of voorbereidingsbesluit.</al></li><li nr="4."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 6</vet></al><al><vet>Openbaar water</vet></al><al/><al>Artikel 5:24</al><al>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</al><lijst><li nr="1."><al>Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water
                                        verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of
                                        boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te
                                        hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving,
                                        constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor
                                        de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het
                                        doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering
                                        vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het
                                        openbaar water.</al></li><li nr="2."><al>Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een
                                        ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven
                                        openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee
                                        weken tevoren een melding aan Het college.</al></li><li nr="3."><al>De melding bevat in ieder geval naam, adres en
                                        contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de
                                        aard en omvang van het voorwerp.</al></li><li nr="4."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                        situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van
                                        Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het
                                        Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de
                                        Vaarwegenverordening provincie Utrecht 2008, de
                                        Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                        Telecommunicatieverordening.</al></li></lijst><al>Artikel 5:25</al><al>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen
                                        of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig
                                        beschikbaar te stellen op door het college aangewezen
                                        gedeelten van openbaar water.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar
                                        stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op
                                        niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van
                                        openbaar water:</al></li><li nr="a."><al>nadere regels stellen in het belang van de openbare orde,
                                        volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien
                                        van de gemeente;</al></li><li nr="b."><al>beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                        situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer,
                                        het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet, de
                                        Vaarwegenverordening provincie Utrecht 2008 of de
                                        Verordening bescherming natuur en landschap provincie
                                        Utrecht.</al></li></lijst><al>Artikel 5:26</al><al>Aanwijzingen ligplaats</al><lijst><li nr="1."><al>Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig
                                        aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen,
                                        veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de
                                        openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne
                                        en het aanzien van de gemeente.</al></li><li nr="2."><al>De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of
                                        vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot
                                        het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te
                                        volgen.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                        voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                        rijkswaterstaatswerken, het Binnenvaartpolitiereglement, de
                                        Waterwet of de Vaarwegenverordening provincie Utrecht 2008.
                                    </al></li></lijst><al>Artikel 5:27</al><al>Verbod innemen ligplaats</al><al>Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar
                                te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26, tweede lid
                                bepaalde.</al><al>Artikel 5:28</al><al>Beschadigen van waterstaatswerken</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen
                                        aan te brengen in de toestand van openbare wateren, havens,
                                        dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen,
                                        oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen,
                                        waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens
                                        of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                        voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het
                                        Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de
                                        Vaarwegenverordening provincie Utrecht 2008.</al></li></lijst><al>Artikel 5:29</al><al>Reddingsmiddelen</al><al>Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en
                                daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een
                                ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.</al><al>Artikel 5:30</al><al>Veiligheid op het water</al><lijst><li nr="1."><al>Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het
                                        openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen
                                        dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan
                                        ondervinden.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                        voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet
                                        of de Vaarwegenverordening provincie Utrecht 2008.</al></li></lijst><al>Artikel 5:31</al><al>Overlast aan vaartuigen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel vast te houden aan
                                        een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich
                                        daarop of daarin te begeven of te bevinden.</al></li><li nr="2."><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                        vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te
                                        maken.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 7</vet></al><al><vet>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                    natuurgebieden</vet></al><al/><al>Artikel 5:31A</al><al>Begripsbepalingen</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>motorvoertuig; hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel
                                        1, onder z, van het Reglement verkeersregels en
                                        verkeerstekens 1990;</al></li><li nr="-"><al>bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1,
                                        eerste lid onder e, van de Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst><al>Artikel 5:32</al><al>Crossterreinen</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                        motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter
                                        voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit
                                        te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen,
                                        dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het
                                        kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door
                                        het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij
                                        nadere regels stellen voor het gebruik van deze
                                        terreinen:</al></li><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                        overlast;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien
                                        van de omgeving en ter bescherming van andere
                                        milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in
                                        het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het
                                        publiek.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                        situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of
                                        het Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></li></lijst><al> Artikel 5:33</al><al>Beperking verkeer in natuurgebieden</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                        natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief
                                        gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden
                                        met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een
                                        paard.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door
                                        het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij
                                        nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in
                                        het belang van:</al></li><li nr="a."><al>het voorkomen van overlast;</al></li><li nr="b."><al>de bescherming van natuur- of milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>de veiligheid van het publiek.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op
                                        motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:</al></li><li nr="a."><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                        hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste
                                        lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de
                                        bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;</al></li><li nr="b."><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                        exploitatie van de terreinen als in het eerste lid
                                        bedoeld;</al></li><li nr="c."><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                        wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></li><li nr="d."><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van
                                        percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het
                                        eerste lid bedoeld;</al></li><li nr="e."><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging
                                        van de onder d bedoelde personen.</al></li><li nr="4."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is voorts niet van
                                        toepassing:</al></li><li nr="a."><al>op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid
                                        bedoelde gebieden of terreinen;</al></li><li nr="b."><al>binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                        'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden ten aanzien van
                                        motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn
                                        aangewezen als 'toestel'.</al></li><li nr="5."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                        lid gestelde verbod.</al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 8</vet></al><al><vet>Verbod vuur te stoken</vet></al><al/><al>Artikel 5:34</al><al>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins
                                vuur te stoken</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                        buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                        anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></li><li nr="2."><al>Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor
                                        de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:</al></li><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                        dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                                        afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="4."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                        worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                        voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                        Wetboek van Strafrecht of de Provinciale
                                        milieuverordening.</al><al>6. Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf
                                        4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                        fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                        toepassing. </al></li></lijst><al>Artikel 5:34A</al><al>Verbod carbid te schieten</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie
                                        tussen calciumacetylide (carbid) en water, of een gasmengsel
                                        met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te
                                        verbranden (carbid te schieten).</al></li><li nr="2."><al>Het college kan onder voorwaarden ontheffing verlenen van
                                        het in het eerste lid gestelde verbod.</al></li><li nr="3."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor carbid
                                        schieten buiten de bebouwde kom indien:</al></li><li nr="a."><al>gebruik wordt gemaakt van vaten met een inhoud van maximaal
                                        50 liter; en</al></li><li nr="b."><al>de vaten zijn afgesloten met zacht materiaal; en</al></li><li nr="c."><al>het vrije schootsveld minimaal 75 meter is en hierin geen
                                        openbare wegen of paden liggen; en</al></li><li nr="d."><al>het gebruik plaatsvindt tussen 31 december 10.00 uur en 1
                                        januari 02.00 uur van het daarop volgende jaar; en</al></li><li nr="e."><al>er wordt geschoten in een richting die is afgewend van de
                                        woonbebouwing; en</al></li><li nr="f."><al>de betreffende locatie is gelegen op een afstand van ten
                                        minste:</al></li><li nr="1."><al>75 meter van woonbebouwing; en</al></li><li nr="2."><al>300 meter van inrichtingen voor intramurale zorg; en</al></li><li nr="3."><al>300 meter van inrichtingen waar dieren worden gehouden.</al></li><li nr="g."><al>het schietterrein wordt afgezet met linten of ander
                                        vergelijkbaar materiaal.</al></li><li nr="4."><al>Het bepaalde in het tweede en derde lid is niet van
                                        toepassing op door het college ter voorkoming van gevaar,
                                        schade of overlast of in het belang van de
                                        natuurbescherming, aangewezen plaatsen.</al></li><li nr="5."><al>Het verbod in het eerste lid geldt voorts niet voor zover in
                                        het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
                                        milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet
                                        milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke
                                        stoffen of het Wetboek van Strafrecht.</al><al/></li></lijst><al><vet>Afdeling 9</vet></al><al><vet>Verstrooiing van as</vet></al><al/><al>Artikel 5:35</al><al>Begripsbepaling</al><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al><al>Artikel 5:36</al><al>Verboden plaatsen</al><lijst><li nr="1."><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al></li><li nr="a."><al>verharde delen van de weg;</al></li><li nr="b."><al>gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op
                                        andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid
                                        asverstrooiing plaatsvindt.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg
                                        draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden
                                        ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid,
                                        behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en
                                        crematoriumterreinen.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) van toepassing.</al></li></lijst><al>Artikel 5:37</al><al>Hinder of overlast</al><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al><al/><al><vet>Afdeling 10</vet></al><al><vet>Overige bepalingen</vet></al><al/><al>Artikel 5:38</al><al>Detectorverbod</al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden zich anders dan met vergunning van het
                                        college met een metaaldetector te bevinden binnen door het
                                        college aangewezen gebieden.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                        degene aan wie ingevolge artikel 40 van de Monumentenwet
                                        1988 een opgravingsvergunning is verstrekt.</al><al/></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 6</vet></al><al><vet>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet></al><al/><al>Artikel 6:1</al><al>Strafbepaling</al><lijst><li nr="1."><al>Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen
                                        bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven
                                        voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis
                                        van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede
                                        categorie.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt
                                        overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen
                                        bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven
                                        voorschriften en beperkingen gestraft met een geldboete van
                                        de eerste categorie: artikel 2:47, artikel 2:50, artikel
                                        2:62 en artikel 4:6.</al></li></lijst><al>Artikel 6:2</al><al>Toezichthouders</al><al>1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze
                                verordening bepaalde zijn belast de ambtenaren als bedoeld in de
                                artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering. </al><al>2. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze
                                verordening bepaalde zijn tevens belast de bij het besluit van het
                                college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen. </al><al>Artikel 6:3</al><al>Binnentreden woningen</al><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing
                                van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                                voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of
                                veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van
                                personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder
                                toestemming van de bewoner.</al><al>Artikel 6:4</al><al>Intrekking oude verordening</al><al>De Algemene plaatselijke verordening Baarn 2009 wordt
                                ingetrokken.</al><al>Artikel 6:5</al><al>Overgangsbepaling</al><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                                die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze
                                verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten
                                kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</al><al> Artikel 6:6</al><al>Inwerkingtreding</al><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is
                                bekendgemaakt.</al><al>Artikel 6:7</al><al>Citeertitel</al><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke
                                verordening Baarn 2012.</al><al/><al>Vastgesteld in de openbare vergadering, </al><al>op 19 december 2012.</al><al>griffier voorzitter</al></li></lijst></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>