<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR24322_1</dcterms:identifier><dcterms:title>1e wijziging, Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2008</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-09-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Uden</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Infopagina 04-06-2008</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2008</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 5 van de Wet maatschappelijke ondersteuning</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2008-04-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2008-06-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-11-22</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging van artikel 37.</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2008/32</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>nvt</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Wijziging van artikel 37.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>1e wijziging, Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2008</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De Raad van de gemeente Uden;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is het verstrekken van voorzieningen
                        aan personen met beperkingen bij verordening te regelen;</al><al>gelezen het voorstel van het College van burgemeester en wethouders van
                        14 augustus 2007;</al><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 5 van de Wet
                        maatschappelijke ondersteuning;</al><al>b e s l u i t</al><al>vast te stellen de</al><al><vet>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                        2008</vet></al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet : Wet maatschappelijke ondersteuning;</al></li><li nr="b."><al>AWBZ : Algemene wet bijzondere ziektekosten;</al></li><li nr="c."><al>compensatieplicht : de verplichting van het College krachtens de
                                    wet om personen met aantoonbare beperkingen op grond van ziekte
                                    of gebrek door het treffen van voorzieningen een gelijkwaardige
                                    uitgangspositie te verschaffen, zodat zij zelfredzaam zijn en in
                                    staat tot maatschappelijke participatie;</al></li><li nr="d."><al>College : het College van burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="e."><al>persoon met beperkingen : een persoon die ten gevolge van ziekte
                                    of gebrek, daaronder begrepen chronische psychische en
                                    psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij
                                    het uitvoeren van activiteiten op het gebied van het voeren van
                                    het huishouden, bij het normale gebruik van de woning, bij het
                                    verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen
                                    per vervoermiddel of bij het ontmoeten van medemensen en het op
                                    basis daarvan aangaan van sociale verbanden;</al></li><li nr="f."><al>zelfredzaam : lichamelijk, verstandelijk, geestelijk en
                                    financieel in staat zijn om voorzieningen te treffen die
                                    maatschappelijke participatie mogelijk maken;</al></li><li nr="g."><al>maatschappelijke participatie : normale deelname aan het
                                    maatschappelijke verkeer, te weten:</al><lijst><li nr="-"><al>het voeren van een huishouden;</al></li><li nr="-"><al>het normale gebruik van de woning;</al></li><li nr="-"><al>het zich in en om de woning verplaatsen;</al></li><li nr="-"><al>het zich zodanig verplaatsen dat aansluiting wordt
                                            gevonden bij regionale, bovenregionale en landelijke
                                            vervoerssystemen;</al></li><li nr="-"><al>het ontmoeten van andere mensen en het aangaan en
                                            onderhouden van sociale verbanden om op die manier deel
                                            te nemen aan het lokale maatschappelijke leven;</al></li></lijst></li><li nr="h."><al>algemene voorziening : een voorziening die wordt geleverd op
                                    basis van directe beschikbaarheid, een beperkte
                                    toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate
                                    oplossing biedt voor de beperkingen die een persoon
                                    ondervindt;</al></li><li nr="i."><al>individuele voorziening : een voorziening die individueel wordt
                                    aangeboden, indien een algemene voorziening geen adequate
                                    oplossing biedt;</al></li><li nr="j."><al>eigen bijdrage of eigen aandeel</al><al> in de kosten : een door het College vast te stellen bedrag dat
                                    bij de verstrekking van een voorziening in natura en een
                                    persoonsgebonden budget (eigen bijdrage) of een financiële
                                    tegemoetkoming (eigen aandeel) ten laste van de aanvrager
                                    komt;</al></li><li nr="k."><al>voorziening in natura : een voorziening die in eigendom,
                                    bruikleen of huur dan wel in de vorm van persoonlijke
                                    dienstverlening wordt verstrekt;</al></li><li nr="l."><al>persoonsgebonden budget : een geldbedrag waarmee de aanvrager
                                    een of meer aan hem te verstrekken voorzieningen kan
                                    verwerven;</al></li><li nr="m."><al>financiële tegemoetkoming : een tegemoetkoming in de kosten van
                                    een voorziening welke kan worden afgestemd op het inkomen van de
                                    aanvrager;</al></li><li nr="n."><al>algemeen gebruikelijk : naar geldende maatschappelijke normen
                                    behorend tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon
                                    van een persoon als de aanvrager;</al></li><li nr="o."><al>meerkosten : kosten van een mogelijk krachtens de wet te
                                    verlenen voorziening, voor zover de kosten uitgaan boven de voor
                                    die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten van
                                    een dergelijke voorziening;</al></li><li nr="p."><al>huisgenoot : iedere meer- of minderjarige met wie de aanvrager
                                    duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont;</al></li><li nr="q."><al>norminkomen : de voor aanvrager geldende norm genoemd in
                                    paragraaf 3.2 van de Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="r."><al>inkomen : 1. het netto-inkomen van de aanvrager;</al><lijst><li nr="2."><al>het gezamenlijk netto inkomen van de ouders of
                                            pleegouders van de aanvrager, indien deze minderjarig
                                            is;</al></li><li nr="3."><al>het gezamenlijk netto-inkomen van de aanvrager en zijn
                                            echtgenoot;</al></li></lijst></li><li nr="s."><al>forfaitaire vergoeding : een bijdrage ineens die los van het
                                    inkomen en de werkelijke kosten van een voorziening wordt
                                    verstrekt, al dan niet met inachtneming van een
                                    inkomensgrens;</al></li><li nr="t."><al>gemaximeerde vergoeding : een bijdrage in de kosten van een
                                    voorziening die tot een vastgesteld maximum wordt verstrekt, al
                                    dan niet met inachtneming van een inkomensgrens;</al></li><li nr="u."><al>echtgenoot, gehuwd en ongehuwd: hetgeen de wet daaronder
                                    verstaat;</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Beperkingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Ter voldoening aan zijn compensatieplicht kan het College aan
                                    een persoon met beperkingen een voorziening verstrekken, indien
                                    deze:</al><lijst><li nr="a."><al>langdurig noodzakelijk is om de beperkingen op het
                                            gebied van het voeren van het huishouden, het
                                            verplaatsen in en om de woning, het zich lokaal
                                            verplaatsen per vervoermiddel en bij het ontmoeten van
                                            medemensen en op basis daarvan sociale verbanden aangaan
                                            op te heffen of te verminderen;</al></li><li nr="b."><al>naar objectieve maatstaven gemeten als de goedkoopste
                                            adequate voorziening kan worden aangemerkt;</al></li><li nr="c."><al>in overwegende mate op het individu is gericht.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Geen voorziening wordt verstrekt, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de voorziening voor een persoon als de aanvrager
                                            algemeen gebruikelijk is;</al></li><li nr="b."><al>de aanvrager niet woonachtig is in de gemeente
                                            Uden;</al></li><li nr="c."><al>op grond van enige andere wettelijke regeling of
                                            privaatrechtelijke verbintenis aanspraak op de
                                            voorziening bestaat;</al></li><li nr="d."><al>een toereikende algemene voorziening beschikbaar is die
                                            adequaat is;</al></li><li nr="e."><al>de ondervonden beperkingen bij het normale gebruik van
                                            de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning
                                            gebruikte materialen;</al></li><li nr="f."><al>de aangevraagde voorziening betrekking heeft op een
                                            hoger niveau dan het uitrustingsniveau van sociale
                                            woningbouw;</al></li><li nr="g."><al>aan de zijde van de aanvrager geen sprake is van
                                            aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie
                                            voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor
                                            de voorziening wordt aangevraagd;</al></li><li nr="h."><al>de aanvraag betrekking heeft op kosten die de aanvrager
                                            voorafgaand aan het moment van beschikken heeft
                                            gemaakt;</al></li><li nr="i."><al>een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking
                                            heeft reeds eerder krachtens deze verordening of de
                                            Verordening voorzieningen gehandicapten is verstrekt,
                                            terwijl de normale afschrijvingstermijn van de
                                            voorziening nog niet is verstreken, tenzij de eerder
                                            vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan
                                            als gevolg van omstandigheden die niet aan de aanvrager
                                            zijn toe te rekenen.</al></li></lijst></li></lijst><al>3.Een aanvrager houdt bij het maken van keuzes zo veel mogelijk rekening
                            met zijn beperkingen en de te verwachten progressie daarvan. Indien hij
                            hieraan niet voldoet, kan dat gevolgen hebben voor de verstrekking van
                            een voorziening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>3.Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Vorm van individuele voorzieningen</titel></kop><structuurtekst><al>3.Artikel 3. Keuzevrijheid</al><al>3.Een individuele voorziening kan verstrekt worden in natura, als
                            financiële tegemoetkoming dan wel forfaitaire of gemaximeerde vergoeding
                            en als persoonsgebonden budget. </al><al>3.Artikel 4. Voorziening in natura</al><al>3.Indien een voorziening in natura wordt verstrekt, is de
                            bruikleenovereenkomst, huurovereenkomst of dienstverleningsovereenkomst
                            die wordt gesloten tussen de leverancier en/of het College met de
                            aanvrager van toepassing, onverminderd hetgeen in of krachtens deze
                            verordening is bepaald.</al><al>3.Artikel 5. Vervallen</al><al>3.(Opvolgende artikelen worden vernummerd.)</al><al>3. Artikel 6. Persoonsgebonden budget</al><lijst><li nr="1."><al>Op het persoonsgebonden budget zijn de volgende voorwaarden van
                                    toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>een persoonsgebonden budget wordt alleen verstrekt ten
                                            aanzien van individuele voorzieningen;</al></li><li nr="b."><al>de omvang van het persoonsgebonden budget is de
                                            tegenwaarde van de in de desbetreffende situatie
                                            goedkoopste adequate te verstrekken voorziening in
                                            natura, indien nodig aangevuld met een vergoeding voor
                                            instandhoudingkosten.</al></li></lijst></li></lijst><lijst><li nr="2."><al>De verstrekking van een persoonsgebonden budget, de omvang en de
                                    looptijd ervan worden bij beschikking vastgesteld.</al></li><li nr="3."><al>Een persoonsgebonden budget te besteden aan hulp bij het
                                    huishouden bedraagt ten hoogste 75% van de kosten van de zorg in
                                    natura.</al></li></lijst><lijst><li nr="4."><al>In de beschikking tot verstrekking van een persoonsgebonden
                                    budget vermeldt het College de eisen waaraan de met behulp
                                    daarvan te verwerven voorziening dient te voldoen.</al></li><li nr="5."><al>Na verwerving van de voorziening waarvoor het persoonsgebonden
                                    budget is verstrekt dan wel na afloop van de periode waarvoor
                                    het persoonsgebonden budget geldt, legt degene aan wie het
                                    budget is verstrekt desgevraagd aan het College over:</al><lijst><li nr="a."><al>nota’s/facturen van de verworven voorziening;</al></li><li nr="b."><al>betalingsbewijzen van de verworven voorziening;</al></li><li nr="c."><al>een overzicht van de salarisadministratie;</al></li><li nr="d."><al>bescheiden waaruit blijkt dat de verworven voorziening
                                            voldoet aan de door het College gestelde eisen.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Verstrekking in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt
                                    niet plaats, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het een voorziening betreft waarin een algemene of
                                            collectieve voorziening kan voorzien;</al></li><li nr="b."><al>het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager niet in
                                            staat is om:</al></li></lijst></li></lijst><al>1<sup>o</sup>. de verantwoordelijkheid voor de besteding van het
                            persoonsgebonden budget aan de voorziening waarvoor deze wordt verstrekt
                            aan te kunnen, of</al><al>2<sup>o</sup>. te voldoen aan de regels ter verantwoording van de
                            besteding van het persoonsgebonden budget;</al><lijst><li nr="c."><al>aanvrager een eerder verstrekt persoonsgebonden budget
                                    verwijtbaar niet of niet geheel heeft besteed aan de voorziening
                                    waarvoor dit budget was toegekend of zich niet heeft gehouden
                                    aan de regels ter verantwoording van de besteding van het
                                    persoonsgebonden budget;</al></li><li nr="d."><al>op grond van de progressiviteit van zijn ziektebeeld de
                                    aangevraagde voorziening zo snel weer door een andere
                                    voorziening vervangen dient te worden, dat deze verstrekking
                                    zich daardoor niet leent voor een persoonsgebonden budget.</al><al>Artikel 7. Eigen bijdragen en eigen aandeel</al><al>Bij het verstrekken van een individuele voorziening is de
                                    aanvrager een eigen bijdrage verschuldigd of dient hij een eigen
                                    aandeel in de kosten te dragen.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Hulp bij het huishouden</titel></kop><structuurtekst><al>Artikel 8. Vormen van hulp bij het huishouden</al><al>De te verstrekken voorziening voor het voeren van een huishouden
                                    kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>hulp bij het huishouden in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget.</al></li></lijst><al>Artikel 9. Gebruikelijke zorg</al><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                    onderdeel 4<sup>o</sup>, 5<sup>o</sup> en 6<sup>o</sup>, van de
                                    wet komt niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden voor
                                    zover een of meer huisgenoten ouder dan zestien jaar in staat
                                    zijn het huishoudelijk werk te verrichten.</al><al>Artikel 10. Omvang van de hulp bij het huishouden</al><al>De omvang van de hulp bij het huishouden wordt uitgedrukt in
                                    klassen, waarbij de volgende klassen met de daarbij behorende
                                    uren kunnen worden toegekend:</al><lijst><li nr="-"><al>klasse 1: 0 tot en met 1,9 uur per week;</al></li><li nr="-"><al>klasse 2: 2 tot en met 3,9 uur per week;</al></li><li nr="-"><al>klasse 3: 4 tot en met 6,9 uur per week;</al></li><li nr="-"><al>klasse 4: 7 tot en met 9,9 uur per week;</al></li><li nr="-"><al>klasse 5: 10 tot en met 12,9 uur per week;</al></li><li nr="-"><al>klasse 6: 13 tot en met 15,9 uur per week.</al></li></lijst><al>Artikel 11. Omvang van het persoonsgebonden budget</al><al>De bedragen die per klasse in de vorm van een persoonsgebonden
                                    budget worden verstrekt, worden jaarlijks door het College
                                    vastgesteld.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Woonvoorzieningen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Uitsluitingen</titel></kop><al>Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het treffen van
                                    voorzieningen aan hotels/pensions, trekkers-woonwagens,
                                    kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen,
                                    kamerverhuur en specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte
                                    woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in
                                    gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij nieuwbouw of
                                    renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen
                                    worden.</al><al>Artikel 13. Vormen van woonvoorzieningen</al><al>De te verstrekken woonvoorziening voor het normale gebruik van
                                    de woning en het zich verplaatsen in de woning, kan bestaan
                                    uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een woonvoorziening in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een
                                            woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een financiële tegemoetkoming in de kosten van een
                                            woonvoorziening.</al></li></lijst><al>Artikel 14. Soorten individuele woonvoorzieningen</al><al>De in artikel 13 genoemde voorzieningen kunnen betrekking hebben
                                    op:</al><lijst><li nr="a."><al>een tegemoetkoming in de verhuis- en
                                            herinrichtingskosten;</al></li><li nr="b."><al>een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening;</al></li><li nr="c."><al>een niet-bouwkundige of niet-woontechnische
                                            woonvoorziening;</al></li><li nr="d."><al>een uitraasruimte;</al></li><li nr="e."><al>onderhoud, keuring en reparatie;</al></li><li nr="f."><al>tijdelijke huisvesting;</al></li><li nr="g."><al>huurderving;</al></li><li nr="h."><al>het verwijderen van voorzieningen.</al></li></lijst><al>Artikel 15. Primaat van de verhuizing</al><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
                                            g, onderdeel 5<sup>o</sup> en 6<sup>o</sup>, van de wet
                                            kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 14,
                                            onder a, in aanmerking worden gebracht wanneer
                                            aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek
                                            het normale gebruik van de woning belemmeren.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
                                            g, onderdeel 5<sup>o</sup> en 6<sup>o</sup>, van de wet
                                            kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 14,
                                            onder b en c, in aanmerking worden gebracht wanneer de
                                            in het eerste lid genoemde voorziening niet mogelijk of
                                            niet de goedkoopste adequate voorziening is.</al></li><li nr="3."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder
                                            g, onderdeel 5<sup>o</sup> en 6<sup>o</sup>, van de wet
                                            kan voor een voorziening als bedoeld in artikel 14,
                                            onder d, in aanmerking worden gebracht wanneer sprake is
                                            van een op basis van aantoonbare beperkingen op grond
                                            van ziekte of gebrek aanwezige gedragsstoornis met
                                            ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het
                                            zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie
                                            waarin deze persoon tot rust komt.</al></li></lijst><al>Artikel 16. Primaat van de losse woonunit</al><al>Het College kan een herplaatsbare losse woonunit verstrekken,
                                    mits daartegen geen bezwaren van overwegende aard bestaan,
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>een bouwkundige woonvoorziening bestaat uit een aanbouw
                                            aan of een aanzienlijke verbouwing van een woning,
                                            en</al></li><li nr="b."><al>deze woning niet het eigendom is van de aanvrager en de
                                            verhuurder niet bereid is de aangepaste woning blijvend
                                            ter beschikking te stellen van personen die op basis van
                                            aantoonbare beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek
                                            behoefte hebben aan een dergelijke woning.</al></li></lijst><al>Artikel 17. Hoofdverblijf</al><lijst><li nr="1."><al>Een woonvoorziening wordt slechts verstrekt, indien de
                                            aanvrager zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de
                                            woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan een woonvoorziening
                                            worden verstrekt voor het bezoekbaar maken van één
                                            woonruimte, indien de aanvrager zijn hoofdverblijf heeft
                                            in een AWBZ-instelling.</al></li><li nr="3."><al>Een voorziening als bedoeld in het tweede lid wordt
                                            alleen verstrekt, indien de aan te passen woning in de
                                            gemeente Uden staat.</al></li><li nr="4."><al>Onder bezoekbaar maken wordt uitsluitend verstaan dat de
                                            aanvrager de woonruimte kan bereiken en de woonkamer en
                                            een toilet kan gebruiken.</al></li></lijst><al>Artikel 18. Weigeringsgronden</al><al>Een woonvoorziening wordt geweigerd, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de
                                            beperking en één of meer bouwkundige of woontechnische
                                            kenmerken van de woning;</al></li><li nr="b."><al>de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het
                                            gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van
                                            belemmeringen bij het normale gebruik van de woning ten
                                            gevolg van ziekte of gebrek geen aanleiding bestond,
                                            terwijl er geen andere belangrijke reden aanwezig was om
                                            te verhuizen;</al></li><li nr="c."><al>de aanvrager niet is verhuisd naar de voor zijn
                                            beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte
                                            woning, tenzij daarvoor tevoren schriftelijk toestemming
                                            is verleend door het College;</al></li><li nr="d."><al>deze betrekking heeft op voorzieningen in
                                            gemeenschappelijke ruimten anders dan automatische
                                            deuropeners, hellingbanen en extra trapleuningen;</al></li><li nr="e."><al>de woonvoorziening aangevraagd wordt op een moment dat
                                            op basis van leeftijd, gezinssituatie of woonsituatie te
                                            voorzien was dat deze voorziening noodzakelijk zou zijn
                                            en er geen sprake is van een onverwacht opgetreden
                                            noodzaak;</al></li><li nr="f."><al>de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen,
                                            verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet
                                            geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden,
                                            verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere
                                            instelling gericht op het verstrekken van zorg, of er in
                                            de verlaten woonruimte geen problemen met het normale
                                            gebruik van de woning zijn ondervonden.</al></li></lijst><al>Artikel 19. Kosten in verband met tijdelijke huisvesting</al><lijst><li nr="1."><al>Een financiële tegemoetkoming in de kosten van
                                            tijdelijke huisvesting wordt verstrekt voor de kosten
                                            die de aanvrager moet maken in verband met het aanpassen
                                            van:</al></li><li nr="a."><al>zijn huidige woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>de door hem te betrekken woonruimte.</al></li><li nr="2."><al>De financiële tegemoetkoming als bedoeld onder a wordt
                                            uitsluitend verstrekt voor de periode dat de aan te
                                            passen woonruimte ten gevolge van het verrichten van de
                                            woningaanpassing niet bewoond kan worden en de aanvrager
                                            als gevolg daarvan dubbele woonlasten heeft.</al></li><li nr="3."><al>Een tegemoetkoming in de kosten in verband met
                                            tijdelijke huisvesting wordt alleen verstrekt als de
                                            aanvrager redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen dat
                                            hij deze dubbele woonlasten zou hebben.</al></li><li nr="4."><al>De maximale termijn waarvoor een tegemoetkoming in de
                                            kosten van tijdelijke huisvesting als bedoeld in het
                                            eerste lid wordt verstrekt, bedraagt 6 maanden.</al></li><li nr="5."><al>In de in het eerste lid bedoelde gevallen kan alleen een
                                            tegemoetkoming in de kosten worden verstrekt als deze
                                            kosten gemaakt worden in verband met het:</al></li><li nr="a."><al>tijdelijk betrekken van een zelfstandige
                                            woonruimte;</al></li><li nr="b."><al>tijdelijk betrekken van een niet-zelfstandige
                                            woonruimte, of</al></li><li nr="c."><al>langer moeten aanhouden van de te verlaten
                                            woonruimte.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Woonvoorzieningen bij woonwagens</titel></kop><al>Een woonvoorziening in de vorm van een aanpassing van een woonwagen is
                            slechts mogelijk, indien:</al><al>a.de technische levensduur van de woonwagen nog minimaal 5 jaar is;</al><al>b.de standplaats niet binnen 5 jaar voor opheffing in aanmerking
                            komt;</al><al>c.de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een
                            woonvoorziening bij de gemeente op de standplaats stond, en</al><al>d.de hoofdbewoner van de woonwagen in het bezit is van een
                            bewoningsvergunning als bedoeld in de Woningwet.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>d.Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel</titel></kop><structuurtekst><al>d.Artikel 21. Vormen van vervoersvoorzieningen</al><al>d.De te verstrekken voorziening voor het zich lokaal verplaatsen kan
                            bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een collectieve vervoersvoorziening;</al></li><li nr="b."><al>een vervoersvoorziening in natura;</al></li><li nr="c."><al>een persoonsgebonden budget.</al></li></lijst><al>d.Artikel 22. Het primaat van het collectief vervoer</al><al>d.Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel
                            5<sup>o</sup> en 6<sup>o</sup>, van de wet kan voor de in artikel 21,
                            onder b en c, vermelde voorziening in aanmerking worden gebracht,
                            indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek het
                                    gebruik van een collectieve vervoersvoorziening onmogelijk
                                    maken;</al></li><li nr="b."><al>een collectieve vervoersvoorziening niet aanwezig is.</al></li></lijst><al>d.Artikel 23. Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</al><al>d.Indien het inkomen van een ongehuwd persoon of het gezamenlijk inkomen
                            van gehuwde personen meer bedraagt dan 1,5 maal het geldende
                            norminkomen, wordt het bezit van een personenauto algemeen gebruikelijk
                            geacht, zodat de gebruikskosten van een auto of een met een auto
                            vergelijkbare voorziening en de daarmee samenhangende onderhoudskosten
                            niet in aanmerking komen voor verstrekking of vergoeding.</al><al>d.Artikel 24. Omvang in gebied en in kilometers</al><lijst><li nr="1."><al>Bij het verstrekken van een vervoersvoorziening wordt ten
                                    aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke
                                    participatie uitsluitend rekening gehouden met verplaatsingen in
                                    de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van
                                    alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij
                                    het gaat om een bovenregionaal contact dat uitsluitend door de
                                    aanvrager zelf bezocht kan worden, terwijl het bezoek voor de
                                    aanvrager noodzakelijk is om dreigende vereenzaming te
                                    voorkomen.</al></li><li nr="2."><al>De te verstrekken vervoersvoorziening is erop gericht
                                    maatschappelijke participatie door middel van lokale
                                    verplaatsingen met een omvang per jaar van ten minste 1.500
                                    kilometer en ten hoogste 2.000 kilometer mogelijk te maken.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>d.Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Zich verplaatsen in en om de woning</titel></kop><structuurtekst><al>d.Artikel 25. Vormen van rolstoelvoorzieningen</al><al>d.De te verstrekken voorziening voor het zich verplaatsen in en om de
                            woning dan wel voor sportbeoefening kan bestaan uit:</al><lijst><li nr="a."><al>een rolstoelvoorziening in natura;</al></li><li nr="b."><al>een persoonsgebonden budget te besteden aan een rolstoel;</al></li><li nr="c."><al>een forfaitaire vergoeding voor een sportrolstoel.</al></li></lijst><al>d.Artikel 26. Dagelijks rolstoelgebruik en sportrolstoel</al><lijst><li nr="1."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                    onderdeel 5<sup>o</sup> en 6<sup>o</sup>, van de wet kan voor de
                                    in artikel 25, onder a en b, vermelde voorziening in aanmerking
                                    worden gebracht, indien aantoonbare beperkingen op grond van
                                    ziekte of gebrek dagelijks zittend verplaatsen in en om de
                                    woning noodzakelijk maken en hulpmiddelen die verstrekt worden
                                    op grond van de AWBZ of een andere wettelijke regeling geen
                                    adequate oplossing bieden.</al></li><li nr="2."><al>Een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g,
                                    onderdeel 5<sup>o</sup> en 6<sup>o</sup>, van de wet kan voor de
                                    in artikel 25, onder c, vermelde voorziening in aanmerking
                                    worden gebracht, indien aantoonbare beperkingen op grond van
                                    ziekte of gebrek sportbeoefening zonder sportrolstoel onmogelijk
                                    maken.</al></li></lijst><al>d.Artikel 27. Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners</al><al>d.In afwijking van artikel 26, eerste lid, komt een persoon die
                            verblijft in een op grond van artikel 5 van de Wet toelating
                            zorginstellingen erkende instelling uitsluitend voor een rolstoel in
                            aanmerking, indien hij geen recht heeft op een rolstoel op grond van de
                            AWBZ.</al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>d.Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Voorbereiding en motivering van besluiten</titel></kop><structuurtekst><al>d.Artikel 28. Relatie met de AWBZ</al><al>d.Een aanvraag dient schriftelijk te worden ingediend bij het WMO-loket
                            in de gemeente, waar zowel aanvragen voor voorzieningen inzake de wet
                            als aanvragen van zorg op grond van de AWBZ kunnen worden
                            ingediend.</al><al>d.Artikel 29. Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking</al><lijst><li nr="1."><al>Het College is bevoegd, voor zover dit van belang kan zijn voor
                                    de beoordeling van het recht op een voorziening, de
                                    aanvrager:</al></li><li nr="a."><al>op te roepen om in persoon te verschijnen op een door het
                                    College te bepalen plaats en tijdstip ten einde hem te
                                    ondervragen;</al></li><li nr="b."><al>op een door het College te bepalen plaats en tijdstip door een
                                    of meer door het College aangewezen deskundigen te doen
                                    ondervragen en onderzoeken.</al></li><li nr="2."><al>Het College vraagt zonodig aan een deskundige advies over de
                                    aanvraag.</al></li><li nr="3."><al>Bij het uitbrengen van het advies maakt de adviseur gebruik van
                                    de systematiek zoals neergelegd in de International
                                    Classification of Functions, Disabilities and Impairments
                                    (ICF-classificatie).</al></li><li nr="4."><al>Een aanvrager is verplicht aan het College of de door het
                                    College aangewezen deskundige de gegevens te verschaffen of te
                                    doen verschaffen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van
                                    de aanvraag.</al></li><li nr="5."><al>De beschikking op de aanvraag vermeldt op welke wijze zij
                                    bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de zelfredzaamheid
                                    en de maatschappelijke participatie van de aanvrager.</al></li></lijst><al>d.Artikel 30. Samenhangende afstemming</al><lijst><li nr="1."><al>Het College stelt een onderzoek in naar de persoonlijke situatie
                                    van de aanvrager om de verstrekking van individuele
                                    voorzieningen samenhangend daarop af te stemmen</al></li><li nr="2."><al>Het onderzoek besteedt, indien van toepassing, aandacht
                                    aan:</al></li><li nr="a."><al>de algemene gezondheidstoestand van de aanvrager;</al></li><li nr="b."><al>de beperkingen in de zin van artikel 1, onder e, die de
                                    aanvrager in zijn functioneren ondervindt; </al></li><li nr="c."><al>de woning en de woonomgeving van de aanvrager;</al></li><li nr="d."><al>het psychisch en sociaal functioneren van de aanvrager;</al></li><li nr="e."><al>de sociale omstandigheden van de aanvrager.</al></li><li nr="3."><al>Het College betrekt de bevindingen van het onderzoek bij de
                                    beschikking op de aanvraag.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>d.Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Wijziging, intrekking en terugvordering</titel></kop><structuurtekst><al>d.Artikel 31. Wijzigingen in de situatie</al><lijst><li nr="1."><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een voorziening is
                                    verstrekt, is verplicht aan het College mededeling te doen van
                                    feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet
                                    zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een
                                    voorziening, daaronder mede begrepen de voortzetting van een
                                    verstrekte voorziening.</al></li><li nr="2."><al>Bij de bekendmaking van een beschikking tot verstrekking van een
                                    voorziening wordt melding gemaakt van de in het eerste lid
                                    bedoelde verplichting.</al></li></lijst><al>d.Artikel 32. Intrekking en wijziging (1)</al><lijst><li nr="1."><al>Het College kan een beschikking waarbij een voorziening is
                                    verstrekt geheel of gedeeltelijk intrekken dan wel ten nadele
                                    van de ontvanger wijzigen, indien:</al></li><li nr="a."><al>niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze
                                    verordening;</al></li><li nr="b."><al>niet is voldaan aan de voorschriften verbonden aan de
                                    verstrekking;</al></li><li nr="c."><al>beschikt is op grond van gegevens waarvan blijkt dat deze
                                    zodanig onjuist waren dat, waren de juiste gegevens bekend
                                    geweest, een andere beslissing zou zijn genomen.</al></li><li nr="2."><al>Bij de bekendmaking van een beschikking tot verstrekking van een
                                    voorziening wordt melding gemaakt van de in het eerste lid
                                    bedoelde bevoegdheid.</al></li></lijst><al>d.Artikel 33. Intrekking en wijziging (2)</al><lijst><li nr="1."><al>Het College kan een beschikking waarbij een voorziening is
                                    verstrekt intrekken of ten nadele van de ontvanger wijzigen,
                                    indien de verstrekte voorziening dan wel de met behulp daarvan
                                    verworven voorziening niet of onvoldoende is of wordt benut voor
                                    het doel waarvoor zij is verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>Bij de intrekking of wijziging wordt rekening gehouden met de
                                    resterende afschrijvingstermijn, indien van toepassing, en de
                                    mate waarin de voorziening daadwerkelijk is benut.</al></li><li nr="3."><al>Intrekking of wijziging vindt niet plaats, indien:</al></li><li nr="a."><al>de afschrijvingsduur van de voorziening, indien van toepassing,
                                    is verstreken;</al></li><li nr="b."><al>na de dag waarop de voorziening is verstrekt meer dan tien jaren
                                    zijn verstreken.</al></li><li nr="4."><al>Artikel 32, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst><al>d.Artikel 34. Terugvordering</al><lijst><li nr="1."><al>Ingeval een beschikking tot het verstrekken van een voorziening
                                    geheel of gedeeltelijk is ingetrokken dan wel ten nadele van de
                                    ontvanger is gewijzigd, wordt de verstrekte voorziening dan wel
                                    het daarvoor in aanmerking komend deel van de reeds betaalde
                                    bedragen of voorschotten teruggevorderd.</al></li><li nr="2."><al>Artikel 32, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>d.Hoofdstuk</label><nr>9.</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><structuurtekst><al>d.Artikel 35. Nadere regels en beleidsregels</al><lijst><li nr="1."><al>Het College kan voor de uitvoering van deze verordening nadere
                                    regels en beleidsregels vaststellen.</al></li><li nr="2."><al>Het College stelt in elk geval regels met betrekking tot:</al></li><li nr="a."><al>de gevallen waarin de bij wet verplichte keuze tussen een
                                    voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt
                                    geboden;</al></li><li nr="b."><al>de gevallen waarin de bij wet verplichte keuze tussen een
                                    voorziening in natura en een persoonsgebonden budget niet wordt
                                    geboden;</al></li><li nr="c."><al>de wijze waarop het persoonsgebonden budget wordt
                                    vastgesteld;</al></li><li nr="d."><al>de eisen waaraan de verantwoording van het persoonsgebonden
                                    budget moet voldoen;</al></li><li nr="e."><al>de omvang van de eigen bijdrage en het eigen aandeel;</al></li><li nr="f."><al>de hoogte van de instandhoudingskosten als bedoeld in artikel 6,
                                    eerste lid, onder b;</al></li><li nr="g."><al>het maximumbedrag dat verstrekt wordt voor het bezoekbaar maken
                                    van woonruimte als bedoeld in artikel 17, tweede lid;</al></li><li nr="h."><al>de inkomensgrens voor forfaitaire en gemaximeerde
                                    vergoedingen;</al></li><li nr="i."><al>de jaarlijkse indexering van geldbedragen.</al></li></lijst><al>d.Artikel 36. Hardheidsclausule</al><al>d.Het College kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager
                            afwijken van deze verordening, indien de toepassing ervan tot
                            onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al><al>d.Artikel 37. Compensatie persoonsgebonden budget voor hulp bij het
                            huishouden 1</al><al>d.<cursief>Lid 1 </cursief></al><al>d.De terugval in Pgb voor Pgb-houders met Hbh 1 wordt voor de duur van
                            de indicatie als volgt gecompenseerd:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende de periode 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2008 met
                                    100% van de terugval;</al></li><li nr="b."><al>gedurende de periode 1 april 2008 tot en met 30 juni 2008 met
                                    75% van de terugval;</al></li><li nr="c."><al>gedurende de periode 1 juli 2008 tot en met 30 september 2008
                                    met 50% van de terugval;</al></li><li nr="d."><al>gedurende de periode 1 oktober tot en met 31 december 2008 met
                                    25% van de terugval;</al></li><li nr="e."><al>ingaande 1 januari 2009 met nihil.</al></li></lijst><al>d.<cursief>Lid 2</cursief></al><al>d.De compensatie geldt voor:</al><lijst><li nr="-"><al>degenen die al vóór 1 januari 2008 een Wmo-indicatie hadden voor
                                    Pgb Hbh 1;</al></li><li nr="-"><al>degenen die als gevolg van de operatie herindicatie met ingang
                                    van 1 januari 2008 een Wmo-indicatie hebben gekregen voor Hbh
                                    1;</al></li><li nr="-"><al>degenen voor wie de Wmo-indicatie voor Hbh 1 in de loop van 2008
                                    afloopt en aansluitend of binnen 3 maanden opnieuw een Pgb voor
                                    Hbh 1 gaan ontvangen.</al></li></lijst><al>d.<cursief>Lid 3</cursief></al><al>d.Deze bepaling werkt terug tot 1 januari 2008 en geldt tot en met 31
                            december 2008.</al><al>d.Artikel 38. Evaluatie</al><al>d.De uitvoering van deze verordening en de daarop gebaseerde regels
                            wordt elke twee jaar geëvalueerd. Het College zendt hiertoe aan de Raad
                            een verslag aan de hand waarvan de doeltreffendheid en effectiviteit van
                            het gevoerde beleid kan worden vastgesteld.</al><al>d.Artikel 39. Slotbepaling</al><al>1.Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening voorzieningen
                            maatschappelijke ondersteuning 2008.</al><al>2.Zij treedt in werking op 1 januari 2008.</al><al>3.De verordening voorzieningen gehandicapten 2005 wordt
                            ingetrokken.</al></structuurtekst></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare vergadering van 27 september 2007.</ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd</ondertekening><ondertekening>de griffier de burgemeester</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Inhoudsopgave</vet><onderstreept>Bladzijde</onderstreept></al><al>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen 1</al><al>Artikel 1. Begripsbepaling 1</al><al>Artikel 2. Beperkingen 3</al><al>Hoofdstuk 2. Vorm van individuele voorzieningen 3</al><al>Artikel 3. Keuzevrijheid 3</al><al>Artikel 4. Voorziening in natura 3</al><al>Artikel 5. Vervallen 3</al><al>Artikel 6. Persoonsgebonden budget 4</al><al>Artikel 7. Eigen bijdragen en eigen aandeel 4</al><al>Hoofdstuk 3. Hulp bij het huishouden 4</al><al>Artikel 8. Vormen van hulp bij het huishouden 4</al><al>Artikel 9. Gebruikelijke zorg 5</al><al>Artikel 10. Omvang van de hulp bij het huishouden 5</al><al>Artikel 11. Omvang van het persoonsgebonden budget 5</al><al>Hoofdstuk 4. Woonvoorzieningen 5</al><al>Artikel 12. Uitsluitingen 5</al><al>Artikel 13. Vormen van woonvoorzieningen 5</al><al>Artikel 14. Soorten individuele woonvoorzieningen 5</al><al>Artikel 15. Primaat van de verhuizing 6</al><al>Artikel 16. Primaat van de losse woonunit 6</al><al>Artikel 17. Hoofdverblijf 6</al><al>Artikel 18. Weigeringsgronden 6</al><al>Artikel 19. Kosten in verband met tijdelijke huisvesting 7</al><al>Artikel 20. Woonvoorzieningen bij woonwagens 7</al><al>Hoofdstuk 5. Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel 7</al><al>Artikel 21. Vormen van vervoersvoorzieningen 7</al><al>Artikel 22. Het primaat van het collectief vervoer 7</al><al>Artikel 23. Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen 8</al><al>Artikel 24. Omvang in gebied en in kilometers 8</al><al>Hoofdstuk 6. Zich verplaatsen in en om de woning 8</al><al>Artikel 25. Vormen van rolstoelvoorzieningen 8</al><al>Artikel 26. Dagelijks rolstoelgebruik en sportrolstoel 8</al><al>Artikel 27. Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners 8</al><al>Hoofdstuk 7. Voorbereiding en motivering van besluiten 9</al><al>Artikel 28. Relatie met de AWBZ 9</al><al>Artikel 29. Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking 9</al><al>Artikel 30. Samenhangende afstemming 9</al><al>Hoofdstuk 8. Wijziging, intrekking en terugvordering 9</al><al>Artikel 31. Wijzigingen in de situatie 9</al><al>Artikel 32. Intrekking en wijziging (1) 10</al><al>Artikel 33. Intrekking en wijziging (2) 10</al><al>Artikel 34. Terugvordering 10</al><al>Hoofdstuk 9. Overige bepalingen 10</al><al>Artikel 35. Nadere regels en beleidsregels 10</al><al>Artikel 36. Hardheidsclausule 11</al><al>Artikel 37. Compensatie persoonsgebonden budget voor hulp bij het
                            huishouden 1 11</al><al>Artikel 38. Evaluatie 11</al><al>Artikel 39. Slotbepaling 11</al><al>Toelichting op de Verordening voorzieningen maatschappelijke
                            ondersteuning 2008 1</al><al>Inleiding 1</al><al>Algemeen 1</al><al>Artikelsgewijze toelichting 3</al><al>Artikel 1. Begripsbepaling 3</al><al>Artikel 2. Beperkingen 6</al><al>Hoofdstuk 2. Vorm van individuele voorzieningen 9</al><al>Artikel 3. Keuzevrijheid 9</al><al>Artikel 4. Voorziening in natura 10</al><al>Artikel 5. Vervallen 10</al><al>Artikel 6. Persoonsgebonden budget 10</al><al>Artikel 7. Eigen bijdragen en eigen aandeel 11</al><al>Hoofdstuk 3. Hulp bij het huishouden 12</al><al>Artikel 8. Vormen van hulp bij het huishouden 12</al><al>Artikel 9. Gebruikelijke zorg 12</al><al>Artikel 10. Omvang van de hulp bij het huishouden 12</al><al>Artikel 11. Omvang van het persoonsgebonden budget 12</al><al>Hoofdstuk 4. Woonvoorzieningen 13</al><al>Artikel 12. Uitsluitingen 13</al><al>Artikel 13. Vormen van woonvoorzieningen 13</al><al>Artikel 14. Soorten woonvoorzieningen 13</al><al>Artikel 15. Primaat van de verhuizing 14</al><al>Artikel 16. Primaat van de losse woonunit 14</al><al>Artikel 17. Hoofdverblijf 14</al><al>Artikel 18. Weigeringsgronden 15</al><al>Artikel 19. Kosten in verband met tijdelijke huisvesting 16</al><al>Artikel 20. Woonvoorzieningen bij woonwagens 16</al><al>Hoofdstuk 5. Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel. 17</al><al>Artikel 21. Vormen van te verstrekken voorzieningen 17</al><al>Artikel 22. Het primaat van het collectief vervoer 17</al><al>Artikel 23. Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen 17</al><al>Artikel 24. Omvang in gebied en in kilometers 17</al><al>Hoofdstuk 6. Zich verplaatsen in en om de woning 18</al><al>Artikel 25. Vormen van rolstoelvoorzieningen 18</al><al>Artikel 26. Dagelijks rolstoelgebruik en sportrolstoel 18</al><al>Artikel 27. Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor AWBZ-bewoners
                            19</al><al>Hoofdstuk 7. Voorbereiding en motivering van besluiten 19</al><al>Artikel 28. Relatie met de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten 19</al><al>Artikel 29. Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking 20</al><al>Artikel 30. Samenhangende afstemming 21</al><al>Hoofdstuk 8. Wijziging, intrekking en terugvordering 21</al><al>Artikel31. Wijzigingen in de situatie 21</al><al>Artikelen 32. en 33. Intrekking en wijziging 21</al><al>Artikel 34. Terugvordering 22</al><al>Hoofdstuk 9. Overige bepalingen 22</al><al>Artikel 35. Nadere regels en beleidsregels 22</al><al>Artikel 36. Hardheidsclausule 22</al><al>Artikel 37. Vervallen. 22</al><al>Artikel 38. Evaluatie 23</al><al>Artikel 39 23</al><al/><al/><tussenkop>Toelichting op de Verordening voorzieningen maatschappelijke
                    ondersteuning 2008</tussenkop><tussenkop>Inleiding</tussenkop><al>Het op 27 mei 2005 ingediende wetsvoorstel 30131 “Nieuwe regels betreffende
                    maatschappelijke ondersteuning” , de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo),
                    is op 14 februari 2006 in de Tweede Kamer met alleen de stemmen van de
                    Socialistische Partij tegen aangenomen. Aan deze bijna unanieme stemming is een
                    behandeling voorafgegaan die de wet een ander aanzicht heeft gegeven. De
                    consequenties hiervan zijn niet direct te overzien: ook de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning is een wet die verdere invulling behoeft en uiteindelijk door
                    jurisprudentie een duidelijke vorm zal krijgen. Bij de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning is dan bovendien nog sprake van het gegeven dat het kernbegrip van
                    de wet, het zogenaamde compensatiebeginsel, bij amendement aan de wet is
                    toegevoegd, waardoor een begripsomschrijving van dit cruciale begrip ontbreekt,
                    met het gevolg dat de toelichting op het amendement uitgangspunt is voor de
                    vormgeving van dit compensatiebeginsel.</al><al>De verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning geeft invulling aan
                    de in de Wet maatschappelijke ondersteuning gegeven opdracht regels te stellen
                    bij verordening. In deze verordening is vormgegeven aan het
                    compensatiebeginsel zonder de regels van de Wet voorzieningen gehandicapten
                    (Wvg) en de regels rond de functie huishoudelijke verzorging uit de Algemene Wet
                    Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geheel los te laten. Dit is van belang om niet
                    een vacuüm te laten ontstaan, te meer daar het overgangsrecht zoals geregeld in
                    de Wmo bestaande cliënten maximaal één jaar het behoud van de oude rechten op
                    grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de Wvg biedt.</al><al>In de verordening is met name uitwerking gegeven aan de artikelen 4, 5, 6, 15,
                    19 en 26 Wmo.</al><al>In de Wmo komen voorzieningen uit de Welzijnswet en voorzieningen uit de AWBZ en
                    de Wvg bij elkaar. Voorzieningen die tot 1 januari 2007 onder de Welzijnswet
                    vielen en na die datum onder de Wmo, worden als voorliggende voorzieningen
                    aangeboden en worden daarom niet in deze verordening opgenomen. </al><al>Alle bedragen en bijbehorende regelgeving worden opgenomen in het Financieel
                    besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning 2008.</al><al>In relatie tot het vierjaarlijkse Wmo-beleidsplan wordt er met nadruk op gewezen
                    dat deze verordening niet als eindproduct moet worden gezien, maar dat deze
                    meegroeit met de visie zoals die voor de Wmo breed gaat gelden. Op die manier
                    kan zoveel mogelijk recht worden gedaan aan de intentie van de Wmo en kan de
                    uitwerking zo effectief en zo efficiënt mogelijk worden vormgegeven.</al><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De kern van de Wet maatschappelijke ondersteuning wordt gevormd door het begrip
                    “compensatiebeginsel“. Dit begrip is bij amendement 65 in de Wmo opgenomen.</al><al>Het begrip compensatiebeginsel is afkomstig van de Raad voor de Volksgezondheid
                    en Zorg. In zijn briefadvies over de Wmo staat het volgende:</al><al>“Het verdient volgens de Raad aanbeveling om de wettelijke aanspraak op
                    maatschappelijke ondersteuning te relateren aan aard en ernst van de
                    beperking(en) van burgers, door gemeenten te verplichten zorg te dragen voor
                    compensatie van deze beperking(en). En wel zodanig dat de burger met een
                    beperking in een gelijkwaardige uitgangspositie wordt gebracht ten opzichte van
                    de burger zonder beperking(en). De gemeente heeft hierin een
                    resultaatsverplichting. Dit brengt met zich mee dat de gemeente zelf mag bepalen
                    welke voorzieningen zij aanbiedt om het wettelijk vastgestelde doel/resultaat te
                    bereiken. Teneinde tevens recht te doen aan het uitgangspunt dat daar waar
                    mogelijk beroep gedaan wordt op de eigen verantwoordelijkheid van burgers moet
                    het mogelijk zijn om aan de aanspraak op ondersteuning een inkomenstoets te
                    koppelen. Omdat het om maatschappelijke participatie gaat, is dit te
                    rechtvaardigen. Daartoe dienen op centraal niveau regels gesteld te worden.</al><al>In het licht van de voorgestelde ‘compensatieplicht’ heeft het de voorkeur van
                    de Raad om alleen individuele voorzieningen over te hevelen naar de WMO, zodat
                    de wet een eenduidig karakter kan krijgen. In deze visie blijft naast de WMO een
                    Welzijnswet bestaan, waarin de collectieve (gemeenschapsgerichte) voorzieningen
                    worden ondergebracht. Deze voorzieningen zijn immers algemeen van aard en
                    bedoeld voor iedere ingezetene van de gemeente, ongeacht diens eventuele
                    beperkingen. Voor deze voorzieningen acht de Raad het niet gewenst een
                    wettelijke aanspraak in het leven te roepen. Deze aanbeveling heeft betrekking
                    op het niveau van de aanspraak (c.q. voorziening), niet op het niveau van de
                    uitvoering. Op het tweede niveau kan immers, ook bij een individuele aanspraak
                    (bijvoorbeeld vervoer) een ‘collectieve’ voorziening worden aangewend
                    (bijvoorbeeld openbaar vervoer).</al><al>Door de aanspraak op ondersteuning niet te verankeren in een verplichting om
                    bepaalde met name te noemen voorzieningen te verstrekken (zorgplicht), maar te
                    omschrijven in termen van het te bereiken resultaat (compensatieplicht), kan
                    onzekerheid ontstaan over wat nu precies als recht geldt. Om die reden is het
                    volgens de Raad noodzakelijk om in de wet zelf op te nemen wanneer sprake is van
                    een gelijkwaardige uitgangspositie van burgers. Dat is immers het resultaat
                    waarop de gemeente, ook in rechte, kan worden aangesproken. Dit betekent dat
                    geoperationaliseerd moet worden wat de termen ‘zelfredzaamheid’ en
                    ‘maatschappelijke participatie’ betekenen: welke activiteiten moet iemand
                    daarvoor tenminste kunnen uitvoeren?</al><al>Door het te bereiken resultaat (de compensatie) als aangrijpingspunt te nemen is
                    het volgens de Raad niet noodzakelijk in de wet zelf criteria op te nemen voor
                    de indicatiestelling.”</al><al>Dit begrip is “vertaald” bij amendement en in de wet opgenomen. Het is met name
                    de toelichting op het amendement die informatie geeft over de bedoeling van de
                    wetgever met het begrip compensatieplicht. De toelichting stelt:</al><al>“Ter vervanging van de verplichting gedurende drie jaar om te voorzien in met
                    name genoemde producten en diensten strekt het nieuw geformuleerde artikel ertoe
                    de algemene verplichting aan gemeenten op te leggen om beperkingen in de
                    zelfredzaamheid op het gebied van het voeren van een huishouden, het zich
                    verplaatsen in en om de woning en om zich lokaal per vervoermiddel te
                    verplaatsen, weg te nemen. Onder zelfredzaamheid wordt in dit verband verstaan
                    het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf
                    voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer
                    mogelijk maken. Onder normale deelname aan het maatschappelijke verkeer wordt in
                    ieder geval verstaan het kunnen voeren van een huishouden; het normale gebruik
                    van een woning; het zich in en om de woning kunnen verplaatsen; het zich zodanig
                    kunnen verplaatsen dat aansluiting kan worden gevonden bij regionale,
                    bovenregionale en landelijke vervoerssystemen; het kunnen ontmoeten van andere
                    mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier te
                    kunnen deelnemen aan het lokale sociaal-maatschappelijk leven. Voor de
                    gemeentelijke uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of
                    Functions, Disabilities and Impairments (ICF-classificatie) een uniform
                    begrippenkader dat als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in
                    individuele gevallen vast te stellen.</al><al>De opdracht om compenserende voorzieningen te treffen wordt met dit artikel bij
                    wet gegeven. De normering ervan wordt overeenkomstig de bestuurlijke structuur
                    van de wet op het lokale niveau bepaald met inachtneming van alle bepalingen
                    over de totstandkoming van het lokale beleid en de betrokkenheid van burgers en
                    cliënten daarbij.”</al><al>Omdat er geen begripsomschrijving van het begrip compensatiebeginsel in het
                    amendement is opgenomen, is in de verordening een begripsomschrijving opgenomen,
                    in artikel 1.1. aanhef en onder c.</al><al>Het compensatiebeginsel geldt, zo geeft de tekst van artikel 4, lid 1 van de wet
                    aan, voor de onderdelen:</al><lijst><li nr="a."><al>een huishouden te voeren,</al></li><li nr="b."><al>zich te verplaatsen in en om de woning,</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel en</al></li><li nr="d."><al>medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te
                            gaan.</al></li></lijst><al>Uitgaande van een overgang van de drie Wvg-terreinen woonvoorzieningen,
                    vervoersvoorzieningen en rolstoelen plus de functie huishoudelijke verzorging
                    uit de AWBZ naar de Wmo worden de onderdelen uit artikel 4 van de wet in deze
                    verordening als volgt uitgewerkt:</al><lijst><li nr="a."><al>onder het voeren van een huishouden wordt verstaan: zowel het wonen, met
                            name de woonvoorzieningen, als de eerdere functie huishoudelijke
                            verzorging, in deze verordening hulp bij het huishouden genoemd;</al></li><li nr="b."><al>zich verplaatsen in en om de woning: de rolstoel inclusief (uitsluitend)
                            de sportrolstoel;</al></li><li nr="c."><al>zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel: de vervoersvoorzieningen uit
                            de Wvg;</al></li><li nr="d."><al>het ontmoeten van medemensen en het daaruit volgende aangaan van sociale
                            verbanden wordt beschouwd als doelstelling voor de eerste drie
                            verstrekkingenterreinen.</al></li></lijst><al>Deze indeling is in deze verordening terug te vinden in de
                    hoofdstukindeling.</al><al>In artikel 4 van de wet wordt de gemeente opgedragen ten behoeve van de
                    compensatie "voorzieningen te treffen". De wet stelt dus niet dat het steeds om
                    individuele voorzieningen moet gaan.</al><al>De verschillende verstrekkingenterreinen worden in de volgende hoofdstukken
                    behandeld. De laatste hoofdstukken zijn gereserveerd voor procedurele
                    aspecten.</al><tussenkop>Artikelsgewijze toelichting</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begripsbepaling</tussenkop><tussenkop>Ad a en b</tussenkop><al>Deze bepalingen spreken voor zich; zie ook de in artikel 43 van de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning opgenomen citeertitel van de wet.</al><tussenkop>Ad c</tussenkop><al>De compensatieplicht is via het amendement-Miltenburg c.s. (30 131, nr. 65) aan
                    het wetsvoorstel toegevoegd. In het amendement is geen begripsomschrijving van
                    dit begrip opgenomen. Gevolg hiervan is dat er in de wet een begripsomschrijving
                    van het cruciale begrip compensatieplicht ontbreekt. Daarom staat de
                    begripsomschrijving van het compensatieplicht in de verordening. Het begrip
                    keert terug in artikel 2, dat de algemene grondslag vormt voor de verstrekking
                    van voorzieningen als in de verordening omschreven.</al><al>Voor de begripsomschrijving is gebruik gemaakt van het briefadvies van de Raad
                    voor de Volksgezondheid en de Zorg, de ‘uitvinder’ van het compensatiebeginsel.
                    Voor wat betreft de gelijkwaardige uitgangspositie is gebruik gemaakt van de
                    toelichting op het amendement, evenals voor wat betreft de termen
                    zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Het onderdeel “aantoonbare
                    beperkingen op grond van ziekte of gebrek” is afkomstig uit artikel 1, lid 1,
                    onder a. van de Wvg.</al><al>Uitgangspunt is dat beperkingen van personen in aanvaardbare mate gecompenseerd
                    moeten worden. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij verschillende
                    Wvg-uitspraken van de Centrale raad van Beroep, waarbij aangegeven wordt dat
                    belanghebbende zich enige beperkingen dient te getroosten (zie bijvoorbeeld CRvB
                    19-02-1999 nr. 97/10900 Wvg, CRvB 20-02-2002 nr. 01/1115 Wvg, CRvB 02-08-2005
                    nr. 00/969 Wvg, CRvB 01-02-2006 nr. 03/2988 Wvg)</al><tussenkop>Ad d</tussenkop><al>Aangegeven wordt dat met het “College” specifiek het College van burgemeester en
                    wethouders wordt bedoeld.</al><tussenkop>Ad e</tussenkop><al>De begripsomschrijving van het begrip “persoon met beperkingen” is afgeleid van
                    de verschillende terreinen waarvoor op grond van de wet voorzieningen kunnen
                    worden verstrekt. Daarnaast is vanuit de Wvg het onderdeel “aantoonbare
                    beperkingen ten gevolge van ziekte of gebrek”toegevoegd.
                    Mede in verband met de begrenzing van de doelgroep zal immers een objectief
                    criterium nodig zijn. Hierdoor blijft jurisprudentie op grond van de Wvg ten
                    aanzien van dit onderdeel op dit begrip van toepassing. Ook dit begrip keert
                    terug in artikel 2.</al><al>Aan deze formulering is de nieuwe doelgroep “personen met een chronisch
                    psychisch of psychosociaal probleem” toegevoegd. Deze doelgroep is afkomstig uit
                    de AWBZ-regelgeving (Besluit zorgaanspraken).</al><al>Het element “beperkingen”is ontleend aan de ICF, de
                    International Classification of Functioning, Disability, and Health, opgesteld
                    door de Wereld Gezondheidsorganisatie (World Health Organisation, onderdeel van
                    de Verenigde Naties). Het onder de toelichting op onderdeel c van dit artikel
                    genoemde amendement-Miltenburg stelt over de ICF: “Voor de gemeentelijke
                    uitvoeringspraktijk biedt de International Classification of Functions,
                    Disabilities and Impairments (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat
                    als grondslag kan dienen om de behoefte aan voorzieningen in individuele
                    gevallen vast te stellen.”</al><tussenkop>Ad f</tussenkop><al>Deze begripsomschrijving komt uit de toelichting op eerder reeds genoemde
                    amendement-Miltenburg c.s., dat het compensatieplicht aan de wet heeft
                    toegevoegd.</al><tussenkop>Ad g</tussenkop><al>Ook deze begripsomschrijving is, evenals de onder f genoemde, ontleend aan de
                    toelichting op het amendement-Miltenburg c.s., dat de compensatieplicht aan de
                    wet heeft toegevoegd.</al><tussenkop>Ad h</tussenkop><al>Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met een
                    minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een
                    scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: collectief
                    vervoer, scootermobielpools, algemene woonvoorzieningen als klussendiensten en
                    voorzieningendepots, rolstoelpools en vrijwilligersdiensten. De
                    verstrekkingsprocedure is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een
                    beperkte toegangsbeoordeling, geen formele beslissing (beschikking) en geen
                    eigen bijdragen. In de regel gaat het om eenvoudige en veel voorkomende
                    voorzieningen die bedoeld zijn voor incidenteel of kortdurend gebruik. Kenmerk
                    van algemene voorzieningen is tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt
                    worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Op
                    verzoek zal aan de aanvrager wel een beschikking kunnen worden afgegeven, zodat
                    rechtsbescherming gewaarborgd is.</al><tussenkop>Ad i</tussenkop><al>Algemene voorzieningen hebben in het kader van deze verordening voorrang op
                    individuele voorzieningen. Waar mogelijk zal eerst een algemene voorziening
                    worden aangeboden, waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt.
                    Hoe de keuze zal worden gemaakt tussen beide categorieën voorzieningen hangt
                    uiteraard helemaal af van de individuele situatie van de aanvrager. Door het
                    College vast te stellen (beleids)regels zullen afwegingscriteria geven, verder
                    zal een op de individuele situatie afgestemd medisch advies vaak van groot
                    belang zijn. De algemene voorzieningen, nu nog genoemd in de vorm van een
                    primaat, kunnen uitgroeien tot voorliggende voorzieningen en op den duur uit
                    deze verordening verdwijnen, wanneer zij zodanig functioneren dat zij gerekend
                    kunnen worden tot de groep voorliggende voorzieningen als maaltijdvoorzieningen
                    en personenalarmering.</al><tussenkop>Ad j</tussenkop><al>De bevoegdheid voor het vragen van een eigen bijdrage of eigen aandeel in de
                    kosten van een voorziening vloeit voort uit artikel 15 eerste lid van de wet.
                    Deze kan op het inkomen worden afgestemd, zij het dat daarvoor op basis van
                    artikel 15 derde lid van de wet bij algemene maatregel van bestuur nadere regels
                    kunnen worden gesteld. Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt door middel van
                    het vaststellen van het Besluit maatschappelijke ondersteuning. In dit besluit
                    wordt bepaald wat de ruimte is die gemeenten hebben voor het vaststellen van
                    eigen bijdragen.</al><tussenkop>Ad k</tussenkop><al>Naturavoorzieningen zijn voorzieningen die niet in de vorm van enigerlei
                    financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Daarbij kan worden gedacht aan
                    verstrekking in huur, in bruikleen, in eigendom of in de vorm van persoonlijke
                    dienstverlening.</al><tussenkop>Ad l</tussenkop><al>Persoonsgebonden budget: een geldbedrag dat de aanvrager onder door het College
                    bepaalde voorwaarden mag besteden aan een compenserende voorziening naar zijn
                    keuze. Nadere uitwerking omtrent de relatie tussen diverse compenserende
                    voorzieningen en daarbij behorende persoonsgebonden budgetten vindt plaats in
                    het financieel besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.</al><tussenkop>Ad m</tussenkop><al>Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat is bedoeld om een bepaalde
                    voorziening te verwerven. Het is niet per se een kostendekkende vergoeding, maar
                    een bedrag, bedoeld als tegemoetkoming in de kosten. </al><tussenkop>Ad n</tussenkop><al>Evenals onder de Wvg het geval was, is het ook onder de Wet maatschappelijke
                    ondersteuning niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen
                    verstrekt, waarover de aanvrager, gezien zijn individuele situatie, ook zonder
                    zijn beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen
                    gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk
                    te beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het
                    moment van de aanvraag. Het begrip “algemeen gebruikelijk” is geconcretiseerd in
                    de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Het begrip heeft vaak voor
                    verwarring gezorgd, omdat algemeen gebruikelijke voorzieningen soms wel
                    specifiek voor een handicap worden aangeschaft, maar vanwege hun algemeen
                    gebruikelijke karakter toch niet vergoed worden. Om duidelijk te maken wat in de
                    wet verstaan wordt onder dit begrip is de begripsomschrijving vanuit de
                    jurisprudentie in de verordening opgenomen. Het gaat daarbij om
                    voorzieningen:</al><lijst><li nr="-"><al>die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn;</al></li><li nr="-"><al>die niet speciaal bedoeld zijn voor mensen met een beperking;</al></li><li nr="-"><al>die niet aanzienlijk duurder zijn dan vergelijkbare producten met
                            hetzelfde doel.</al></li></lijst><al>Het begrip “algemeen gebruikelijk” moet overigens niet worden verward met
                    “gebruikelijke zorg”, zoals dat onder de Algemene wet bijzondere ziektekosten is
                    geformuleerd in beleidsregels. Het begrip “gebruikelijke zorg” komt onder de Wet
                    maatschappelijke ondersteuning terug, zie hieronder, onder r.</al><tussenkop>Ad o</tussenkop><al>Het begrip “meerkosten” hangt nauw samen met het begrip “algemeen gebruikelijk”;
                    deze twee begrippen zijn elkaars tegenhangers. De meerkosten zijn de kosten, die
                    in een direct oorzakelijk verband staan met het compenseren van de ondervonden
                    beperking of het psychosociaal probleem, zoals die zijn genoemd in artikel
                    1,eerste lid onder g, achtste volzin van de wet. Een met de persoon als de
                    aanvrager vergelijkbaar persoon zonder die beperking of dat psychosociale
                    probleem heeft deze meerkosten per definitie niet, omdat daarvoor in diens
                    situatie geen noodzaak is. Mede op de bestrijding van deze meerkosten, dus de
                    kosten die voor een persoon als de aanvrager niet algemeen gebruikelijk zijn, is
                    de wet gericht.</al><al>Wanneer een voorziening wordt verstrekt waarvan een algemeen gebruikelijk deel
                    onderdeel uitmaakt (er wordt een driewielfiets verstrekt, de fiets is algemeen
                    gebruikelijk en maakt daar onderdeel van uit: men hoeft zelf geen fiets meer te
                    kopen) zou sprake kunnen zijn van besparing: er hoeft immers geen algemeen
                    gebruikelijke voorziening meer aangeschaft te worden. Aangezien verstrekking
                    binnen de wet zich beperkt tot de meerkosten, kan in die situatie het bedrag dat
                    bespaard wordt in mindering worden gebracht op de te verstrekken voorziening.
                    Dit is geen vorm van eigen bijdrage of eigen aandeel, zodat de regels
                    daaromtrent niet van toepassing zijn.</al><tussenkop>Ad p</tussenkop><al>De basis van deze begripsomschrijving ligt in het Protocol Gebruikelijke zorg,
                    zoals tot aan de invoering van de wet door het Centrum Indicatiestelling Zorg
                    werd toegepast als verzameling beleidsregels voor de AWBZ-indicatiestelling voor
                    huishoudelijke zorg. De begripsomschrijving is op enkele punten aangepast om te
                    voorkomen dat problemen die in de AWBZ met dit begrip speelden ook naar de wet
                    overgaan. Zo is de formulering ‘een gemeenschappelijke huishouding voeren’
                    vervangen door de tekst ‘gemeenschappelijk een woning bewonen’.</al><tussenkop>Ad q</tussenkop><al>Het norminkomen is gerelateerd aan de normen zoals opgenomen in de Wet werk en
                    bijstand (Wwb).</al><tussenkop>Ad r</tussenkop><al>Onder inkomen wordt verstaan het inkomen van de persoon met beperkingen, dan wel
                    het gezamenlijk inkomen van zijn ouders of pleegouders, dan wel het inkomen van
                    de persoon met beperkingen en zijn echtgenoot. Wat wordt verstaan onder
                    “echtgenoot” is bepaald in onder u.</al><tussenkop>Ad s</tussenkop><al>Een forfaitaire vergoeding is een bedrag ineens en wordt verstrekt los van het
                    inkomen en los van de werkelijk gemaakte kosten. Deze kunnen derhalve niet op
                    basis van declaraties worden afgerekend.</al><tussenkop>Ad t</tussenkop><al>Een gemaximeerde vergoeding is een bedrag ineens dat tot een bepaald maximum
                    wordt verstrekt op basis van de werkelijk gemaakte kosten. Deze kosten worden,
                    in tegenstelling tot de forfaitaire vergoedingen, wel afgerekend op
                    declaratiebasis.</al><tussenkop>Ad u</tussenkop><al>De begrippen “echtgenoot”, “gehuwd” en “ongehuwd” worden omschreven in artikel 1
                    tweede lid t/m 7 van de Wmo. De leden 2 en 3 van dit artikel gelden voor de
                    toepassing van de en (lid 2) de daarop berustende bepalingen respectievelijk
                    (lid 3) de tot haar uitvoering genomen besluiten. De leden 4 t/m 7 bevatten een
                    nadere uitwerking. Om zeker te stellen dat voor de toepassing van de verordening
                    hetzelfde begrippenkader wordt aangehouden is onderdeel u opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 2. Beperkingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2, eerste lid</tussenkop><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>Deze definitie is in zijn kern ontleend aan de Modelverordening Wet
                    voorzieningen gehandicapten en aan de wet aangepast. Wat langdurig noodzakelijk
                    is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan, in tijd uitgedrukt, gaan
                    om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium
                    verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking
                    bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerk is in beide genoemde
                    situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap
                    op het moment van de aanvraag, onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen
                    verbetering te verwachten in de situatie van de aanvrager. In dit kader zal de
                    prognose van groot belang zijn. Zegt de prognose dat de betrokkene na enige tijd
                    zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen zal kunnen functioneren, dan
                    mag men van kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij
                    verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan
                    worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt bij het antwoord
                    op de vraagof er al dan niet sprake is van een langdurige
                    noodzaak voor de betreffende voorziening een belangrijke rol. Voor langere tijd
                    betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door
                    een ongeluk, terwijl vast staat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet
                    voor een voorziening in het kader van deze verordening in aanmerking komt.
                    Betrokkene kan een beroep doen op de hulpmiddelendepots van de
                    Thuiszorgorganisaties die opgezet zijn in het kader van de AWBZ. </al><al>Uit deze depots kan men twee maal drie maanden een hulpmiddel gratis lenen,
                    welke periode kan worden verlengd, zij het dat dan huur is verschuldigd. Waar
                    precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig ligt zal van situatie tot
                    situatie verschillen. </al><al>Een uitzondering op de regel dat de aangevraagde voorziening langdurig
                    noodzakelijk moet zijn, wordt gevormd door situaties waarin voor een afzienbare
                    periode hulp bij het huishouden nodig is, bijvoorbeeld bij ontslag uit het
                    ziekenhuis na een opname of bij een ontregeld huishouden. </al><tussenkop>Ad b</tussenkop><al>Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar
                    objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening
                    te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld
                    wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Hoewel datgene wat de
                    aanvrager als adequaat beschouwt mee zal moeten wegen in de beoordeling van het
                    adequaat zijn van de voorziening, zal ook het criterium van het goedkoop zijn,
                    de kosten van de voorziening, een rol spelen bij de uiteindelijke beoordeling
                    van het al dan niet adequaat zijn van een voorziening. Eigenschappen die
                    kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen
                    in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging
                    zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en
                    functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat
                    duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk
                    goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan
                        worden,moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord
                    niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een adequate
                    voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate
                    voorziening, mits de aanvrager bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te
                    betalen. Het begrip “goedkoopste adequate voorziening” geeft het College
                    mogelijkheden tot sturen binnen het beleid. </al><tussenkop>Ad c</tussenkop><al>Het probleem van het individu dient op grond van de wet te worden gecompenseerd.
                    Dat individueleprobleem staat dan ook centraal bij de
                    beoordeling van de aanvraag voor een voorziening op grond van de
                        wet.</al><tussenkop>Artikel 2, tweede lid</tussenkop><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>Algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn
                    voorzieningenwaarover een met de aanvrager vergelijkbare
                    persoon, ook los van de beperking, zou kunnen beschikken. Deze
                        voorzieningenhoeven niet te worden verstrekt. Dit
                    beginsel wordt al tientallen jaren gehanteerd in de sociale wetgeving (AAW/WAO,
                    voormalige Wet-Rea, Wvg) en heeft tot een omvangrijke jurisprudentie geleid, die
                    is vastgelegd in de definitie van dit begrip, zoals die is opgenomen in artikel
                    1, onder n, van deze verordening. Wat in een concreet geval algemeen
                    gebruikelijk is, hangt dus in beginsel af van de aard van de gevraagde
                    voorziening. Daarnaast speelt de -financiële- situatie van de aanvrager een rol,
                    bezien in relatie tot de maatschappelijke normen op het moment van de aanvraag.
                    Met name die financiële situatie van de aanvrager kan leiden tot een
                    uitzondering op het beginsel dat geen algemeen gebruikelijke voorzieningen
                    worden verstrekt. Uit de bovengenoemde jurisprudentie blijkt immers dat een
                    dergelijke uitzondering zich voordoet als het inkomen van de aanvrager – mede
                    ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn beperking, onder het in
                    diens situatie geldende bijstandsniveau dreigt te geraken. Een andere
                    uitzondering is het ten gevolge van een plotseling optredende handicap moeten
                    vervangen van zaken die nog niet zijn afgeschreven; dat zou zonder die handicap
                    immers ook niet gebeuren.</al><tussenkop>Ad b</tussenkop><al>Hoewel artikel 11 van de wet spreekt over ingezetenen, is in de wet, in
                    tegenstelling tot de situatie bij de Wvg, geen specifieke bepaling opgenomen
                    waaruit blijkt dat de compensatieplicht zich beperkt tot in de gemeente
                    woonachtige personen, Dit artikel moet opgenomen worden om te voorkomen dat er
                    aanvragen binnenkomen bij gemeenten waar de aanvrager niet woonachtig is.</al><tussenkop>Ad c</tussenkop><al>Met dit artikel wordt geregeld dat indien de aanvrager voor de gevraagde
                    voorziening gebruik kan maken van een andere regeling/verbintenis (een
                    zogenaamde “voorliggende voorziening”) er geen voorziening in het kader van de
                    Wmo wordt verstrekt.</al><tussenkop>Ad d</tussenkop><al>Het gaat hier om direct of uit voorraad beschikbare voorzieningen, die met een
                    minimum aan bureaucratie kunnen worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan een
                    scala van reeds bestaande of nog te ontwikkelen voorzieningen: collectief
                    vervoer, scootermobielpools, algemene woonvoorzieningen als klussendiensten en
                    voorzieningendepots, rolstoelpools en vrijwilligersdiensten. De
                    verstrekkingsprocedure is eenvoudiger dan bij individuele voorzieningen: een
                    beperkte toegangsbeoordeling, geen formele beslissing (beschikking) en geen
                    eigen bijdragen. In de regel gaat het om eenvoudige en veel voorkomende
                    voorzieningen die bedoeld zijn voor incidenteel of kortdurend gebruik. Kenmerk
                    van algemene voorzieningen is tenslotte dat zij altijd in natura verstrekt
                    worden en nooit als financiële tegemoetkoming of persoonsgebonden budget. Op
                    verzoek zal er aan de aanvrager wel een beschikking kunnen worden afgegeven,
                    zodat rechtsbescherming gewaarborgd is.</al><tussenkop>Ad e</tussenkop><al>Deze afwijzingsgrond is afkomstig uit de Modelverordening Wet voorzieningen
                    gehandicapten, en is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor
                    problemen zorgen.</al><tussenkop>Ad f</tussenkop><al>Het uitrustingsniveau van sociale woningbouw is vastgesteld in het Bouwbesluit
                    2003. Woonvoorzieningen die op dat uitrustingsniveau worden verstrekt, zijn in
                    beginsel van voldoende kwaliteit; duurdere of andere voorzieningen hoeven niet
                    te worden verstrekt. Een duidelijke begrenzing derhalve. Garages bijvoorbeeld
                    vallen daarom niet beneden dit niveau.Alleen in die
                    gevallen dat bijvoorbeeld vanuit welstandstoezicht hogere eisen worden gesteld,
                    kan het College hierop een uitzondering maken. Over de hiermee gepaard gaande
                    kosten moeten in een concrete situatie afspraken gemaakt worden. Ook bij hulp
                    bij het huishouden speelt deze bepaling een rol. Indien bijvoorbeeld aanzienlijk
                    meer hulp wordt gevraagd vanwege het feit dat men in een veel grotere
                        ofmeer luxe woning woont, geeft deze bepaling een
                    duidelijke grens aan.</al><tussenkop>Ad g</tussenkop><al>In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij na het
                    optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kunnen leiden
                    tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich
                    meebrengt. Daarvoor is deze onder g genoemde bepaling bedoeld.</al><tussenkop>Ad h en i</tussenkop><al>In artikel 2 tweede lid, onder h en i, geeft de verordening een tweetal gronden
                    voor weigering aan. Onder h wordt gedoeld op de situatie dat de aanvrager een
                    voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de aanvrager gerealiseerd of
                    aangekocht is. Omdat het College dan geen mogelijkheden meer heeft de
                    voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins
                    invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de
                    voorziening worden geweigerd. Bijvoorbeeld nadat het College een beslissing over
                    de aanvraag voor een woningaanpassing heeft genomen mag een aanvang worden
                    gemaakt met de werkzaamheden. Pas op dat moment heeft het College alle op de
                    aanvraag betrekking hebbende gegevens beoordeeld en op grond hiervan een besluit
                    genomen over de te treffen voorziening.</al><al>Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is
                    begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het College als goedkoopst
                    adequate voorziening beschouwt. Het College kan bijvoorbeeld ook factoren mee
                    laten wegen die buiten de woonruimte van de aanvrager gelegen zijn, zoals een
                    beschikbare aangepaste of goedkoop aan te passen woning elders, of een losse
                    woonunit, waardoor een woningaanpassing wellicht niet noodzakelijk is.</al><al>Pas nadat het College een positieve beschikking voor een verhuiskostenvergoeding
                    heeft gegeven, komt een aanvrager hiervoor in aanmerking. Pas nadat advies is
                    verkregen en de gemeente een afweging heeft gemaakt welke oplossing het meest
                    adequaat is kan de aanvragertot verhuizen overgaan. Met
                    deze voorwaarde wordt tevens voorkomen dat de gemeente achteraf, nadat de
                        aanvragerreeds is verhuisd, met een claim voor een
                    verhuiskostenvergoeding geconfronteerd wordt. In bepaalde gevallen kan het
                    echter nodig zijn dat de aanvrager snel moet beslissen omdat de woning anders
                    aan een andere woningzoekende wordt toegewezen. In deze of andere urgente
                    gevallen is het verkrijgen van toestemming van het College ook voldoende. Maar
                    in alle gevallen dient de aanvrager voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk
                    toestemming van de gemeente te hebben verkregen. Het hoeft hier uiteraard niet
                    te gaan om de feitelijke verhuizing, maar om een situatie waarin men bepaalde
                    onomkeerbare stappen heeft gezet die in de regel voorafgaan aan een verhuizing,
                    zoals het sluiten van een koop- huur- of erfpachtovereenkomst inzake de te
                    betrekken woning.</al><al>Onder i wordt in dit artikel aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als
                    het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad,
                    terwijl het de aanvrager verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan,
                    bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien
                    de aanvrager geen schuld treft. Indien een ander aansprakelijk is voor het
                    verloren gaan, dient bekeken te worden of het mogelijk is deze derde door de
                    aanvrager hiervoor aansprakelijk te doen stellen om zodoende de kosten te kunnen
                    verhalen. Indien in een woning een verstelbare keuken of een andere dure
                    voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van
                    de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien
                    bijvoorbeeld bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op
                    dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.</al><tussenkop>Artikel 2, derde lid</tussenkop><al>Hiermee wordt aangegeven dat van een aanvrager een zekere mate van eigen
                    verantwoordelijkheid mag worden verwacht. Wanneer een aanvrager een voorziening
                    vraagt waarvan redelijkerwijs te voorzien was dat hij deze nodig zou hebben en
                    hij heeft nagelaten de juiste acties te ondernemen om aanvraag van een
                    dergelijke voorziening te voorkomen, kan het College daarmee rekening houden bij
                    het beoordelen van de aanvraag.</al><tussenkop>Hoofdstuk 2. Vorm van individuele voorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 3. Keuzevrijheid</tussenkop><al>De in artikel 6 van de wet genoemde verplichting om bij een aanspraak op een
                    individuele voorziening de keuze te bieden tussen een persoonsgebonden budget en
                    een naturaverstrekking, is niet absoluut. Er kunnen overwegende bezwaren bestaan
                    om niet over te gaan tot verstrekking van een persoonsgebonden budget. Het
                    College kan regels stellen om af te wegen in welke gevallen er sprake is van
                    bezwaren van overwegende aard, die reden zijn om geen persoonsgebonden budget te
                    verstrekken.</al><al>Naast deze keuzevrijheid bestaat er in de wet nog een tweede vorm van
                    keuzevrijheid: namelijk de vrijheid om bij voorzieningen in natura te kiezen uit
                    meerdere aanbieders. Deze keuzevrijheid wordt niet in deze verordening, maar in
                    het Wmo-beleidsplan uitgewerkt.</al><tussenkop>Artikel 4. Voorziening in natura</tussenkop><al>Het doel van deze bepaling is het vastleggen van de rechten en plichten van het
                    College en de aanvrager. Deze bepaling ziet op de situatie waarin het College
                    een derde inschakelt voor verstrekking van naturavoorzieningen en deze derde
                    eigenaar blijft van de te verstrekken voorziening of wanneer het College een
                    derde inschakelt voor het verlenen van zorg.</al><al>Als een voorziening in eigendom wordt verstrekt is een dergelijke overeenkomst
                    uiteraard niet nodig.</al><tussenkop>Artikel 5. Vervallen</tussenkop><tussenkop>Artikel 6. Persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Het persoonsgebonden budget dient gezien te worden als een manier waarop een
                    toegekende voorziening wordt verstrekt. De onder lid 1, onder a, van dit artikel
                    genoemde bepaling spreekt dan ook voor zich en sluit aan op de bepaling in
                    artikel 6 van de wet. Hierin is vastgelegd dat alleen bij toekenning van
                    individuele voorzieningen in beginsel de keuze vooreen
                    persoonsgebonden budget moet worden geboden. Algemene voorzieningen vallen niet
                    onder deze eis.</al><al>Onder b. is bepaald dat de hoogte van het persoonsgebonden budget is gekoppeld
                    aan de tegenwaarde van de te verstrekken goedkoopste adequate voorziening. Er
                    moet immers een referentiebedrag zijn, waarop het persoonsgebonden budget kan
                    worden gebaseerd. “Goedkoopst adequaat” is een objectief vaststelbaar
                    referentiepunt. Voorts kan een aanvullend bedrag worden vastgesteld voor de
                    instandhoudingskosten van de voorziening. Voor de diverse soorten voorzieningen
                    zal een nadere regeling moeten worden gegeven in (beleids)regels die het College
                    moet vaststellen.</al><al>Het College bepaalt de omvang van een persoonsgebonden budget. Het zal immers
                    gaan om een veelheid van verschillende persoonsgebonden budgetten voor
                    verschillende voorzieningen. Daarbij zullen, ter bevordering van de
                    rechtsgelijkheid, eenduidige richtlijnen noodzakelijk zijn. Invulling van deze
                    richtlijnen vindt plaats in (beleids)regels van het College.</al><al>Het tweede lid bepaalt dat in elk geval de belangrijkste aspecten van het
                    persoonsgebonden budget in de toekenningsbeschikking worden vastgelegd. Het gaat
                    om de omvang ervan (de hoogte van het budget), maar het kan ook gaan om de
                    periode waarover het wordt toegekend. Het spreekt voor zich dat dergelijke
                    beschikkingen uiterst zorgvuldig worden geformuleerd.</al><al>In het derde lid wordt het kader van een PGB te besteden aan hulp bij het
                    huishouden aangegeven. De maximale hoogte van het PGB bij HBH is gebaseerd op de
                    oude Awbz-regel. Deze bepaalt dat een PGB maximaal 75% van de kosten van zorg in
                    natura bedraagt. De tegenwaarde van de zorg in natura wordt bepaald door het
                    hoogste tarief van de gecontracteerde aanbieders.</al><al>In het vierde lid is neergelegd dat er eisen worden geformuleerd waaraan de met
                    het persoonsgebonden budget te verwerven voorziening moet voldoen. Als niet aan
                    de gestelde eisen wordt voldaan, kan dat gevolgen hebben voor de afrekening van
                    het toegekende budget.</al><al>Het vijfde lid geeft aan dat het College bewijsstukken kan opvragen bij degene
                    aan wie het persoonsgebonden budget is verstrekt. Afhankelijk van de vraag
                    waarvoor het persoonsgebonden budget is bedoeld en de wijze waarop de
                    noodzakelijke voorziening is verkregen, wordt van deze bevoegdheid
                    (steekproefsgewijs) gebruik gemaakt.</al><al>De onder a bedoelde nota’s/facturen zijn nodig in situaties waarin voorzieningen
                    zijn aangeschaft bij een leverancier, bijvoorbeeld een rolstoel of een
                    scootermobiel. Onder b zijn betalingsbewijzen genoemd, wat van belang kan zijn
                    in situaties waarin er geen nota of factuur is, bijvoorbeeld bij een tweedehands
                    aankoop van een particulier of uitbetaling aan een dienstverlener, bijvoorbeeld
                    iemand die hulp bij het huishouden heeft verleend. Onder c is genoemd een
                    overzicht van de salarisadministratie; die kan noodzakelijk zijn in situaties
                    waarin men iemand in dienst heeft genomen voor het verrichten van hulp bij het
                    huishouden.</al><al>Het zesde lid geeft aan dat in bepaalde situaties geen PGB wordt verstrekt.</al><al>a.Niet in alle situaties is het mogelijk een persoonsgebonden budget te
                    ontvangen.</al><al>Overleg over een aan de Wmo verwante zaak, het bovenregionale vervoer Valys,
                    heeft de Tweede Kamer op 29 maart 2006 uitgesproken dat de mogelijkheid om de
                    klant te laten kiezen voor een persoonsgebonden budget niet bedoeld is om goed
                    draaiende systemen, zoals bijvoorbeeld collectief vervoerssystemen, in gevaar te
                    brengen. Als bijvoorbeeld in plaats van collectief vervoer (een voorziening in
                    natura) een persoonsgebonden budget zou moeten worden verstrekt, zou de
                    mogelijkheid bestaan dat door een leegloop van het collectief vervoer de basis
                    onder dit vervoer uit zou vallen. Voor diegenen die afhankelijk zijn van
                    collectief vervoer zou zo een naturavoorziening wegvallen.</al><lijst><li nr="b."><al>Niet in alle situaties wordt het verzoek tot het verstrekken van de
                            voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget gehonoreerd. Per
                            individuele situatie zal, naar aanleiding van de aanvraag om een
                            individuele voorziening, een onderzoek plaatsvinden waarbij tevens wordt
                            beoordeeld of de aanvrager om kan gaan met de verantwoordelijkheid van
                            het besteden van het persoonsgebonden budget aan een voorziening
                            waarvoor een indicatie is afgegeven. Tevens wordt beoordeeld of de
                            aanvrager in staat is om verantwoording af te leggen over de besteding
                            van het persoonsgebonden budget volgens de regels die hiervoor zijn
                            vastgesteld.</al></li><li nr="c."><al>In situaties waarbij aanvrager bij eerdere toekenning van een
                            persoonsgebonden budget wist of in alle redelijkheid had kunnen weten
                            dat hij het budget niet of slechts ten dele niet heeft besteed aan de
                            voorziening waarvoor dit budget was toegekend wordt niet meer opnieuw
                            een persoonsgebonden budget toegekend. Ditzelfde geldt als hij zich niet
                            heeft gehouden aan de regels ter verantwoording van een persoonsgebonden
                            budget. In het geval dat een aanvrager in het verleden een
                            persoonsgebonden budget heeft gehad voor een individuele voorziening op
                            grond van de verordening Wmo of op grond van de AWBZ waarbij is gebleken
                            dat hij zich niet heeft gehouden aan de regels van besteding van het
                            persoonsgebonden budget of de verantwoording daarvan, wordt een
                            persoonsgebonden budget geweigerd.</al></li></lijst><al>d In situaties dat het ziektebeeld dat de aanvrager heeft dermate progressief is
                    dat bij verstrekking van de voorziening al duidelijk is dat binnen korte tijd
                    deze voorziening weer vervangen zal moeten worden door een (meer) aangepaste
                    voorziening kan ook besloten worden geen persoonsgebonden budget toe te passen,
                    omdat snelle opvolging van voorzieningen een persoonsgebonden budget onwerkbaar
                    maakt.</al><tussenkop>Artikel 7. Eigen bijdragen en eigen aandeel</tussenkop><al>Artikel 15 van de wet biedt de mogelijkheid bij verstrekking van voorzieningen
                    in natura of een persoonsgebonden budget eigen bijdragen te vragen. Artikel 19
                    van de wet biedt de mogelijkheid de hoogte van financiële tegemoetkomingen af te
                    stemmen op het inkomen van degene aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt
                    verleend: het zogeheten eigen aandeel. In dit artikel wordt van deze
                    mogelijkheden gebruik gemaakt, zoals opgedragen in artikel 15 eerste lid van de
                    wet. De omvang van de eigen bijdrage en het eigen aandeel wordt in nadere regels
                    of beleidsregels van het College nader uitgewerkt. Verwezen wordt naar artikel
                    35.</al><tussenkop>Hoofdstuk 3. Hulp bij het huishouden</tussenkop><tussenkop>Artikel 8. Vormen van hulp bij het huishouden </tussenkop><al>In artikel 4 eerste lid van de wet wordt het College opgedragen om voorzieningen
                    aan te bieden ter ondersteuning van het voeren van een huishouden. In deze
                    verordening wordt dit onderdeel opgesplitst in twee onderdelen. In hoofdstuk 3
                    van deze verordening gaat het om de voorziening “hulp bij het huishouden”, in
                    hoofdstuk 4 om “woonvoorzieningen” . Bij het interpreteren van het begrip
                    “voeren van een huishouden” is er van uitgegaan dat een persoon pas behoefte kan
                    hebben aan hulp bij het huishouden indien dat huishouden in een voor hem
                    geschikte woning is gesitueerd. Vandaar dat de onder de Wvg bestaande
                    woonvoorzieningen onder dit begrip zijn gebracht.</al><al>Onder de AWBZ werd gesproken van de functie huishoudelijke verzorging. Om aan te
                    geven dat onder de Wmo sprake is van een ander begrip wordt in deze verordening
                    het begrip ‘hulp bij het huishouden’ geïntroduceerd.</al><al>Hulp bij het huishouden kan in twee vormen als voorziening worden
                    aangeboden.</al><al>Onder a wordt genoemd de hulp bij het huishouden in natura. Onder
                        bis genoemd het persoonsgebonden budget (PGB) voor hulp
                    bij het huishouden. Met dit PGB moet de aanvrager zelf hulp inhuren.</al><tussenkop>Artikel 9. Gebruikelijke zorg</tussenkop><al>Bij het vaststellen van de aanspraak op hulp bij het huishouden wordt allereerst
                    bezien of en in hoeverre eventueel andere personen binnen de leefeenheid zelf de
                    problemen kunnen oplossen. Deze ontwikkeling is onder de AWBZ-indicatiestelling
                    in gang gezet vanaf het midden van de jaren ’90 van de vorige eeuw. Voor zover
                    de ondervonden problemen door middel van dergelijke gebruikelijke zorg kunnen
                    worden opgelost, is er geen aanspraak op hulp bij het huishouden. In de door het
                    College vast te stellen regels kan worden bepaald hoe rekening wordt gehouden
                    met gebruikelijke zorg bij het vaststellen van een aanspraak op een voorziening
                    voor hulp bij het huishouden.</al><tussenkop>Artikel 10. Omvang van de hulp bij het huishouden</tussenkop><al>In de AWBZ werd tot de invoering van de wet geïndiceerd in klassen. Klassen zijn
                    te vergelijken met standaardporties. Elke klasse is gekoppeld aan minimaal en
                    een maximaal aantal uren per week binnen een vaste bandbreedte. Indien men
                    bijvoorbeeld een indicatie heeft voor 1,5 uur hulp, wordt men ingedeeld in
                    klasse 1. Mocht de behoefte aan hulp van de aanvrager enigszins stijgen of dalen
                    binnen de bandbreedte van de toegekende klasse, dan hoeft daarvoor niet opnieuw
                    geïndiceerd en beschikt te worden. Voor de gemeente is dat een administratief
                    voordeel, voor aanvragers ook. Materieel kan het voor aanvragers binnen de
                    speelruimte van de klasse echter enigszins negatief of positief uitpakken,
                    afhankelijk van de daadwerkelijk noodzakelijke uren zorg. Als die zorgbehoefte,
                    uitgedrukt in uren, zich onderaan de bandbreedte bevindt, is men voordelig uit;
                    is de behoefte aan uren gelegen vlak onder het plafond van de klasse, is het
                    voordeel minder. Zolang de objectief vastgestelde behoefte echter binnen de
                    bandbreedte blijft, is er sprake van een toereikende voorziening. Voor zover
                    hulp bij het huishouden nodig is die klasse 6 overstijgt, is het mogelijk
                    additionele uren aan deze hoogste klasse toe te voegen. In het financieel
                    besluit maatschappelijke ondersteuning wordt door het College jaarlijks het
                    daarbij passende uurbedrag vastgelegd.</al><tussenkop>Artikel 11. Omvang van het persoonsgebonden budget</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich en sluit nauw aan op artikel 10. Jaarlijkse
                    vastlegging houdt verband met een mogelijke prijsindexering, zoals genoemd in
                    artikel 35.</al><tussenkop>Hoofdstuk 4. Woonvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Artikel 12. Uitsluitingen</tussenkop><al>Een persoonsgebonden budget of een financiële tegemoetkoming voor het treffen
                    van voorzieningen wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als
                    zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als
                    zodanig aangemerkt worden. Eenuitzondering zijn
                    aanpassingen aan woonschepen en binnenschepen; deze komen weinig voor en worden
                    apart geregeld in het verstrekkingenbeleid. Verder worden geen woonvoorzieningen
                    verstrekt in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen voor ouderen of
                    gehandicapten of voorzieningen die in dergelijke gebouwen, ook in de
                    wooneenheden, bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten
                    kunnen worden meegenomen. </al><tussenkop>Artikel 13. Vormen van woonvoorzieningen</tussenkop><al>De woonvoorziening kan worden verstrekt in vier hoofdvormen:</al><al>ad a: een woonvoorziening in natura. Dergelijke woonvoorzieningen worden niet in
                    de vorm van een financiële tegemoetkomingverstrekt,
                    bijvoorbeeld de losse tillift, een complexe douchestoel of een traplift;</al><al>ad b:het persoonsgebonden budget, bijvoorbeeld voor een
                    bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan de woonruimte in het geval de
                    aanvrager zelf eigenaar is van de woning;</al><al>ad c:de financiële tegemoetkoming voor woningeigenaren die
                    niet zelf huren en soms ook rechtspersoon zijn. Deze financiële tegemoetkoming
                    wordt genoemd in artikel 7 tweede lid van de wet. Een tegemoetkoming voor
                    verhuis- en inrichtingskosten wordt in de vorm van een financiële tegemoetkoming
                    verstrekt. De gemeente heeft ervoor gekozen niet alle kosten van verhuizen en
                    inrichten te vergoeden. Het beleid zoals dat bestond in het kader van de Wvg
                    wordt hiermee voorgezet.</al><tussenkop>Artikel 14. Soorten woonvoorzieningen</tussenkop><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>Het College kan besluiten om een tegemoetkoming te verstrekken in de verhuis- en
                    inrichtingskosten, indien verhuisd wordt naar een aangepaste of een goedkoper
                    aan te passen woning dan de reeds bewoonde woning . Het College maakt de
                    afweging tussen verstrekking van een tegemoetkoming in de verhuiskosten en een
                    woningaanpassing. Een woonvoorziening, en dus ook een verhuiskostenvergoeding
                    is, volgens de Wvg-jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, alleen
                    bedoeld voor situaties waarin de ondervonden problemen in direct oorzakelijk
                    verband staan met bouwkundige of woontechnische aspecten van de te verlaten
                    woning zelf. Omgevingsfactoren als lawaai, stank, onveiligheidsgevoelens,
                    overlast etcetera zijn dus niet van belang. Uitgangspunt van het gemeentelijk
                    beleid is dat zo goed mogelijk gebruik wordt gemaakt van de voorraad aangepaste
                    woningen in de gemeente.</al><tussenkop>Ad b en c</tussenkop><al>Een bouwkundige of woontechnische woningaanpassing is een aanpassing van de
                    woning zelf, ter compensatie van de problemen die in de woning spelen ten
                    aanzien van de bewoner met een beperking. Onder een woonvoorziening waarbij geen
                    sprake is van een ingreep van bouw- of woontechnische aard zal in de praktijk
                    met name een persoonsgebonden budget voor woningsanering i.v.m. CARA verstaan
                    worden. Ook kan onder deze categorie worden begrepen hulpmiddelen voor baden,
                    wassen en douchenwelke niet nagelvast aan de woning zijn bevestigd,
                    alsmede mobiele patiëntenliften. Deze laatste twee categorieën roerende
                    woonvoorzieningen kunnen ook in de vorm van een voorziening in natura worden
                    verstrekt, bijvoorbeeld in bruikleen of huur, zodat hergebruik mogelijk is.</al><tussenkop>Ad d</tussenkop><al>Omdat met de Wet maatschappelijke ondersteuning niet wordt beoogd om het
                    inhoudelijke beleidsterrein ten opzichte van de vervallen Wet voorzieningen te
                    verbreden, noch om dat te versmallen, is de uitraasruimte als woonvoorziening
                    opgenomen. Een uitraasruimte is een ruimte die op basis van het vervallen
                    artikel 1, eerste lid, onder e van de Wvg kan worden gedefinieerd als een
                    verblijfsruimte, waarin een persoon die tengevolge vaneen
                    beperking in de vorm van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag
                    vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen. Een zeer specifieke
                    voorziening derhalve, die alleen op basis van een specifieke noodzaak en op
                    basis van een specifieke beperking kan worden verstrekt. Het zal in de regel
                    gaan om een kleine, veilige en prikkelarme ruimte.</al><tussenkop>Ad e, f, g en h</tussenkop><al>Het betreft hier facultatieve woonvoorzieningen. Kosten voor onderhoud, keuring
                    en reparatie (e), tijdelijke huisvesting (f), huurderving (g) en verwijderen van
                    voorzieningen (g) zijn facultatief in de verordening opgenomen. Hier gaat de
                    gemeente verder dan de wettelijke compensatieplicht. De punten f en g hebben
                    vooral een functie naar verhuurders van woningen om hun medewerking te
                    verkrijgen.</al><tussenkop>Artikel 15. Primaat van de verhuizing</tussenkop><al>Al onder de Wvg gold de regel dat bij een aanvraag voor een woningaanpassing
                    eerst werd bezien of verhuizing naar een andere woning een oplossing kon bieden.
                    Dit is het zogenaamde primaat van de verhuizing. In feite gaat het om een
                    uitwerking van de regel dat in beginsel wordt gekozen voor de goedkoopst
                    adequate voorziening. De mogelijkheid tot het hanteren van het primaat van de
                    verhuizing is onder de Wvg in de jurisprudentie erkend, zij het dat wel enkele
                    duidelijke voorwaarden zijn gesteld. In de eerste plaats moeten de financiële
                    gevolgen van de verhuizing voor de woonlasten binnen aanvaardbare financiële
                    grenzen vallen, een eis die ook onder de wet gesteld kan worden. Verder moet
                    duidelijk zijn dat de oplossing in de vorm van een verhuizing kan worden
                    gerealiseerd binnen een uit het advies blijkende medisch verantwoorde termijn.
                    Dat houdt dus in dat het Collegezicht moet hebben op de
                    woningvoorraad om een indicatie te kunnen geven van de mogelijkheden om binnen
                    die medisch verantwoorde termijn te kunnen verhuizen naar een geschikte
                    aangepaste of goedkoper aan te passen woning. Ook diverse andere relevante
                    aspecten, nader uit te werken in de gemeentelijke beleidsregels, kunnen,
                    afhankelijk van de situatie een rol spelen bij de afweging omtrent het toepassen
                    van het primaat van de verhuizing in een concreet geval. De financiële grens die
                    uitgangspunt is bij de toepassing van het primaat van de verhuizing is opgenomen
                    in het financieel besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning.</al><tussenkop>Artikel 16. Primaat van de losse woonunit</tussenkop><al>Onder de Wvgkonden gemeenten woningaanpassingen duurder dan
                    € 20.420,00 onder bepaalde voorwaarden declareren bij het Ministerie van
                    Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Onder de Wet maatschappelijke ondersteuning
                    vervalt deze mogelijkheid en zullen de kosten voor rekening van de gemeenten
                    komen. Als het gaat om grote aanpassingen aan huurwoningen die opnieuw kunnen
                    worden verhuurd voor de huisvesting van mensen met beperkingen, kan de
                    investering over een langere periode afgeschreven worden. In gevallen waarin dat
                    niet speelt, wordt in principe uitgegaan van het primaat van losse woonunits. In
                    situaties waarin de mogelijkheid in de concrete situaties bestaat, wordt aan
                        gebruikvan een dergelijke unit voorrang gegeven middels
                    deze bepaling<cursief>. </cursief></al><tussenkop>Artikel 17. Hoofdverblijf</tussenkop><al>In tegenstelling tot de Wvg wordt in de wet niet expliciet vermeld dat de
                    gemeentelijke compensatieplicht alleen geldt voor de inwoners van de gemeente.
                    Artikel 11 van de wet geeft echter wel een aanwijzing in die richting door
                    vermelding van “ingezetenen”, mede gezien het feit dat er met de wet geen
                    inhoudelijke uitbreiding van de werking van de Wvg is beoogd.</al><al>In eerste instantie geeft de gemeentelijke basisadministratie uitsluitsel. Voor
                    bepaalde gezondheidszorginstellingen geldt dat de bewoners een briefadres elders
                    kunnen aanhouden. De gemeente waar de aanvrager van de voorziening daadwerkelijk
                    verblijft heeft de verplichting tot compensatie van beperkingen. In het geval
                    van AWBZ-bewoners heeft deze verplichting geen betrekking op de
                    woonvoorzieningen. Het is noodzakelijk de zinsnede 'of
                    zalhebben' op te nemen voor situaties waarin de aanvrager
                    naar een andere gemeente wil verhuizen en in die gemeente een woning wil laten
                    bouwen of aanpassen voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken, zie ook artikel
                    18, onder b.</al><al>Onder de Wvg waren AWBZ-bewoners uitgesloten van het recht op woonvoorzieningen.
                    Een bovenwettelijke uitzondering hierop werd door gemeenten gemaakt voor het
                    zogenaamde bezoekbaar maken van een woonruimte voor bezoek aan ouders of andere
                    familieleden. Deze uitzondering was gebaseerd op de verordening. Omdat met de
                    wet niet wordt beoogd om de omvang van de onder de Wvg geregelde zorgplicht in
                    te krimpen of uit te breiden, is de optie van het bezoekbaar maken ook weer in
                    de verordening opgenomen in artikel 17 vierde lid. Verdere verplichtingen dan
                    hier genoemd in de verordening heeft de gemeente derhalve niet. “Bezoekbaar
                    maken” wordt in de verordening daarom gelimiteerd tot het bereikbaar maken van
                    de woonruimte zelf en enkele essentiële ruimten daarin, en kan bovendien in
                    financiële zin worden gemaximeerd.</al><tussenkop>Artikel 18. Weigeringsgronden</tussenkop><al>Om in aanmerking te komen voor woonvoorzieningen moet ereen
                    duidelijke samenhang zijn tussen de ondervonden woonproblemen en de beperking
                    die men heeft. Aanvragen voor woonvoorzieningen die hun oorzaak vinden in andere
                    factoren dan die beperking, kunnen worden geweigerd op grond van artikel
                    18.</al><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>De weigeringsgrond onder a is bijvoorbeeld van toepassing in de situatie dat de
                    aanvrager vraagt om isolatie van zijn woning waarbij er geen rechtstreeks
                    oorzakelijk verband bestaat tussen de beperking en de bouwkundige of
                    woontechnische kenmerken van de woning.</al><tussenkop>Ad b</tussenkop><al>Onder b wordt de verhuizing naar een inadequate woning genoemd als
                    weigeringsgrond voor woonvoorzieningen. Niet de ondervonden beperking, maar de
                    verhuizing naar een niet geschikte woningis dan de
                    voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft
                    voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke
                    reden, maar gewoon omdat men daar zin in heeft. Uitzondering in deze bepaling is
                    de zogeheten “belangrijke reden”. Daarbij moet gedacht worden aan een verhuizing
                    vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders.</al><tussenkop>Ad c</tussenkop><al>Als een persoon met beperkingen verhuist, zal deze, in relatie tot die
                    beperkingen, moeten zoeken naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de
                    bedoeling dat men zo maar een ongeschikte woning kiest en vervolgens de rekening
                    voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt hier overigens
                    niet alleen gedoeld op de feitelijke verhuizing, maar ook op alle onomkeerbare
                    handelingen die normaal gesproken voorafgaan aan een verhuizing, zoals het
                    tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract, zie ook artikel 17, eerste
                    lid, waarin wordt bepaald dat het gaat om een situatie waarin men in de
                    betreffende woning “zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben”.</al><al>Voor de toepassing van deze weigeringsgrond geldt dat ook de gemeente ervoor zal
                    moeten zorgen zicht te hebben op de aangepaste of makkelijk aan te passen
                    woningvoorraad, niet alleen sociale huurwoningen, maar ook in de vrije sector en
                    zonodig het koopwoningenbestand. Daarnaast zal de gemeente haar burgers goed
                    moeten informeren over de gang van zaken bij dit soort verhuizingen. Alleen dan
                    kan worden gemotiveerd dat iemand al dan niet is verhuisd naar de voor zijn
                    situatie meest geschikte woning.</al><tussenkop>Ad d</tussenkop><al>Op basis van het feit dat voorzieningen op grond van de wet in
                        hoofdzaakzijn gericht op het individu, worden in
                    beginsel geen voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van wooncomplexen
                    verstrekt. Evenals onder de Wvg gold, zijn er uitzonderingen gemaakt voor de in
                    de verordening genoemde voorzieningen in gemeenschappelijk ruimten. De opsomming
                    is limitatief, dat wil zeggen dat er niet meer hoeft te worden verstrekt dan er
                    in de verordening is genoemd.</al><tussenkop>Ad e</tussenkop><al>Onder e wordt met name gedoeld op verhuiskostenvergoedingen; veel verhuizingen
                    zijn als algemeen gebruikelijk te beschouwen, ook los van de beperking die men
                    heeft. Te denken valt aan verhuizingen van het ouderlijk huis naar een
                    zelfstandige woonruimte, verhuizing van senioren naar een kleinere woning, omdat
                    de eengezinswoning te bewerkelijk is geworden en kinderen reeds zelfstandig
                    wonen.</al><tussenkop>Ad f</tussenkop><al>Verhuizingen naar AWBZ- en andere zorginstellingen leiden ertoe dat de aanvrager
                    buiten de doelgroep van de wet valt; deze mensen kunnen immers niet meer
                    zelfstandig participeren en hebben dus geen aanspraak op woonvoorzieningen, ook
                    al omdat ze die onder de Wvg ook al niet hadden. Als er in de te verlaten woning
                    geen problemen bij het normale gebruik van de woning werden ervaren, is de
                    verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men
                    verhuisd naar een inadequate woning. In dergelijke situaties is er, evenals
                    onder de Wvg geen aanspraak op woonvoorzieningen, hetgeen al meermaals door de
                    Centrale Raad van Beroep is bevestigd.</al><tussenkop>Artikel 19. Kosten in verband met tijdelijke huisvesting</tussenkop><al>In die gevallen waarin de gehandicapte tijdens het aanbrengen van de
                    voorzieningen niet in de woonruimte kan blijven wonen en om deze reden tijdelijk
                    naar een andere woonruimte moet uitwijken, kan voor de periode dat dit
                    noodzakelijk is een vergoeding in de dubbele woonlasten worden verstrekt.</al><al>Alleen in die gevallen dat het redelijkerwijs buiten de mogelijkheden van de
                    gehandicapte ligt om te voorkomen dat er dubbele woonlasten opgebracht moeten
                    worden, kan tot vergoeding van extra woonlasten in verband met tijdelijke
                    huisvesting worden overgegaan.</al><al>De maximale hoogte van vergoedingen welke in verband met tijdelijke huisvesting
                    worden verstrekt is vastgelegd het financieel besluit voorzieningen
                    maatschappelijke ondersteuning.</al><tussenkop>Artikel 20. Woonvoorzieningen bij woonwagens</tussenkop><al>De uitgangspunten en de gevallen waarin een woonvoorziening aan een woonwagen
                    kan worden verstrekt zijn in principe gelijk aan die bij woningen.</al><al>Daarnaast wordt de technische levensduur van de woonwagen getoetst, wordt
                    nagegaan of de standplaats binnen een periode van 5 jaar voor opheffing in
                    aanmerking komt, of de woonwagen ten tijde van het indienen van de aanvraag in
                    de gemeente op een standplaats stond en of de hoofdbewoner in het bezit is van
                    een bewonersvergunning als bedoeld in de Woningwet.</al><tussenkop>Hoofdstuk 5. Het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel.</tussenkop><tussenkop>Artikel 21. Vormen van te verstrekken voorzieningen</tussenkop><tussenkop>Ad a</tussenkop><al>De collectieve vervoersvoorziening is al bekend in de vorm van het collectief
                    vraagafhankelijk vervoer, zoals dat zich vanaf 1994 onder de Wvg heeft
                    ontwikkeld.</al><tussenkop>Ad b</tussenkop><al>Individuele voorzieningen in natura kunnen bestaan uit een diversiteit van
                    vervoermiddelen, evenals onder de Wvg. In de beleidsregels c.q. het
                    verstrekkingenbeleid wordt uitgewerkt onder welke voorwaarden men voor een
                    bepaald soort voorziening in aanmerking komt.</al><tussenkop>Ad c</tussenkop><al>Belangrijkste aanvulling ten opzichte van de Wvg is het persoonsgebonden budget.
                    De vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget door het College
                    wordt in het financieel besluit maatschappelijke ondersteuning uitgewerkt.</al><tussenkop>Artikel 22. Het primaat van het collectief vervoer</tussenkop><al>Artikel 22 geeft het primaat van het collectief vervoer aan boven de individuele
                    verstrekkingen zoals genoemd onder b en c van artikel 21. Men kan voor
                    individuele verstrekkingen in aanmerking komen: </al><lijst><li nr="a."><al>indien men door de aard van de beperking geen gebruik kan maken van een
                                collectievevervoersvoorziening, of</al></li><li nr="b."><al>indien er geen collectief vervoer aanwezig is.</al></li></lijst><al>Individuele voorzieningen kunnen echter ook in aanvulling op het gebruik van een
                    collectief systeem verstrekt kunnen worden. Dit is het geval wanneer het
                    collectief systeem de vervoersbehoefte van de aanvrager die een aanspraak heeft
                    niet volledig dekt. Dit is volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van
                    Beroep onder de Wvg van bijzonder belang bij mensen die slechts zeer beperkt
                    mobiel zijn (mensen met een loopafstand van maximaal circa 100 meter). Alleen
                    collectief vervoer is voor deze categorie mensen geen adequate voorziening.</al><tussenkop>Artikel 23. Algemeen gebruikelijke vervoersvoorzieningen</tussenkop><al>Onder de Wvg is in de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep bepaald dat
                    het stellen van een inkomensgrens voor een forfaitaire tegemoetkoming in
                    vervoerskosten bij een inkomen van 1,5 x het voor de aanvrager geldende
                    norminkomen niet in strijd was met de geldende zorgplicht. Iemand met een
                        dergelijkinkomen wordt geacht de kosten van het lokaal
                    vervoer of bezit en gebruik van een auto zelf te kunnen dragen. Er is een
                    duidelijke relatie met het begrip “algemeen gebruikelijk”; indirect worden de
                    kosten van vervoer in relatie tot het inkomen algemeen gebruikelijk geacht. </al><al>Dit artikel stelt de hoogte van het inkomen vast waarbij een auto en de daarmee
                    samenhangende kosten als algemeen gebruikelijk kunnen worden beschouwd.</al><tussenkop>Artikel 24. Omvang in gebied en in kilometers</tussenkop><al>Onder de Wvg is de zorgplicht voor vervoer beperkt tot verplaatsingen in het
                    kader van het leven van alledag in de directe woon- of leefomgeving; de wet
                    spreekt nu in artikel 4 eerste lid, onder c, over “het zich lokaal verplaatsen
                    per vervoermiddel”. Dit lijkt beperkter te zijn dan de zorgplicht onder de Wvg,
                    maar aangezien met de Wet maatschappelijke
                    ondersteuningniet is beoogd de reikwijdte van de Wvg te
                    beperken of uit te breiden, is er geen reden om aan te nemen dat alleen de
                    letterlijk lokale verplaatsingen onder de wet zullen vallen. Vandaar dat in
                    artikel 24, conform de onder de Wvg gevormde jurisprudentie, wordt uitgegaan van
                    de eigen woon- of leefomgeving, met als uitzondering de bovenregionale
                    zorgplicht, zoals die ook in de Wvg-jurisprudentie is omschreven.</al><al>Sinds maart 2002 houdt de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep
                    onder de Wvg in dat een vervoersvoorziening of een combinatie van voorzieningen
                    de mogelijkheid moet bieden om op jaarbasis minimaal 1.500-2.000 kilometer af te
                    leggen. Deze jurisprudentie wordt hier vastgelegd, aangezien met de wet niet
                    wordt beoogd de werkingssfeer van de Wvg uit te breiden. In het financieel
                    besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning is de hoogte van de
                    vervoersvergoedingen vastgelegd, Bij het bepalen van de hoogte van de
                    vergoedingen is er rekening mee gehouden dat alleen de meerkosten ten opzichte
                    van de kosten van het openbaar vervoer in aanmerking komen voor vergoeding.</al><tussenkop>Hoofdstuk 6. Zich verplaatsen in en om de woning</tussenkop><tussenkop>Artikel 25. Vormen van rolstoelvoorzieningen</tussenkop><al>Onder de Wvg waren rolstoelen in de wet zelf als aparte categorie voorzieningen
                    opgenomen. In de Wet maatschappelijke ondersteuning is dat niet het geval, maar
                    aangezien met deze wet niet wordt beoogd het beleidsterrein ten opzichte van de
                    voorafgaande Wvg te verbreden of te versmallen, wordt de rolstoel gehandhaafd
                    als de enige voorziening waarmee beperkingen bij het verplaatsen in en rond de
                    woning in het kader van de wet gecompenseerd kunnen worden. Een definitie van
                    een rolstoel is niet te geven, daarom wordt hier onder het begrip “rolstoel” een
                    rolstoel begrepen te worden de rolstoel zoals iedereen die kent. Deze rolstoel
                    kan zowel handbewogen als elektrisch aangedreven zijn. Een
                    (elektrische)trippelstoel wordt niet als rolstoel beschouwd en wordt niet op
                    grond van de wet verstrekt. De trippelstoel valt onder de door de Regeling
                    Zorgverzekering te verstrekken voorzieningen. Een rolstoel kan zowel worden
                    gebruikt als een verplaatsingsmiddel voor binnen als voor buiten. Primair doel
                    van de rolstoel is het zittend verplaatsen, omdat lopend verplaatsen, ook met op
                    grond van andere regelingen te verstrekken voorzieningen als looprekken,
                    rollators, wandelstokken en krukken niet of onvoldoende mogelijk is. Kosten van
                    onderhoud en reparatie van de rolstoel vallen eveneens onder de wet.</al><al>Voorzieningen die geen verband houden met het genoemde primaire
                    verstrekkingsdoel, het verplaatsen. Bij accessoires gaat het uiteraard alleen om
                    medisch noodzakelijke en niet-algemeen gebruikelijke zaken.</al><al>De sportrolstoel valt in het kader van deze verordening onder het begrip
                    rolstoel. Onder de Wvg was de sportrolstoel, meestal verstrekt in de vorm van
                    een forfaitaire financiële tegemoetkoming, een bovenwettelijke voorziening die
                    alleen op basis van de verordening werd verstrekt.</al><al>Onder a en b betreft het de individuele rolstoel voor dagelijks zittend gebruik,
                    terwijl onder c de sportrolstoel wordt genoemd.</al><tussenkop>Artikel 26. Dagelijks rolstoelgebruik en sportrolstoel</tussenkop><al>Een rolstoel in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget zal worden
                    verstrekt als de rolstoel voor het dagelijks zittend verplaatsen in en om de
                    woning langdurig medisch noodzakelijk is. Geen rolstoel wordt verstrekt als
                    hulpmiddelen als krukken, een rollator, of andere hulpmiddelen een voldoende
                    oplossing bieden voor het verplaatsingsprobleem. Wel kan, als dit noodzakelijk
                    is, een rolstoel verstrekt worden in aanvulling op dergelijke voorzieningen,
                    mits het gebruik dagelijks noodzakelijk is. De nadere verstrekkingscriteria
                    worden vastgelegd in de beleidsregels.</al><al>Een sportrolstoel, in principe altijd te verstrekken als een persoonsgebonden
                    budget, zal verstrekt worden als zonder de sportrolstoel sportbeoefening niet
                    mogelijk is of zal zijn. Daarbij dient onder het begrip sportrolstoel
                    uitsluitend een sportrolstoel verstaan te worden. Andere sportvoorzieningen
                    worden niet verstrekt, evenmin als hulpmiddelen aan een sportrolstoel zoals een
                    handbike, die alleen voor sportbeoefening, en niet voor het lokaal verplaatsen
                    nodig is.</al><tussenkop>Artikel 27. Aanspraak op rolstoelvoorzieningen voor
                    AWBZ-bewoners</tussenkop><al>Recht op een op grond van de AWBZ verstrekte rolstoel aan AWBZ-bewoners bestaat
                    alleen indien de AWBZ-bewoner zowel de AWBZ-functie “verblijf”, als de functie
                    “behandeling” geniet in één en dezelfde erkende AWBZ-instelling. Als een
                    AWBZ-bewoner niet aan deze voorwaarde voldoet, is er ook geen recht op een
                    AWBZ-rolstoel, en zal er door de gemeente een rolstoel moeten worden verstrekt
                    op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. </al><al>Onduidelijkheid kan ontstaan, wanneer een instelling met alleen erkenning voor
                    de AWBZ-functie “verblijf” (bijvoorbeeld een verzorgingshuis) de AWBZ-functie
                    “behandeling”als het ware inkoopt bij een voor die functie wél erkende
                    instelling. Het “verzorgingshuis met verpleegafdeling” is een veelvoorkomende
                    situatie, waarin in de instelling wél beide AWBZ-functies kunnen worden
                    “genoten”, maar de instelling zelf geen erkenning heeft voor beide
                    AWBZ-functies, maar alleen voor de functie “verblijf”. Het gevolg is dat er geen
                    recht op een AWBZ-rolstoel bestaat in een dergelijke situatie, juist omdat beide
                    functies op die verpleegafdeling niet door één en dezelfde erkende
                    AWBZ-instelling worden verzorgd, maar door twee verschillende AWBZ-instellingen,
                    waarbij de ene instelling gebruik maakt van de erkenning van de andere
                    instelling.</al><tussenkop>Hoofdstuk 7. Voorbereiding en motivering van besluiten</tussenkop><tussenkop>Artikel 28. Relatie met de Algemene Wet Bijzondere
                    Ziektekosten</tussenkop><al>In artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald dat een aanvraag tot
                    het geven van een beschikking schriftelijk wordt ingediend, tenzij bij wettelijk
                    voorschrift anders is bepaald. Dat betekent dat er altijd een eerste handeling
                    van de kant van de aanvrager noodzakelijk is: er moet eerst een aanvraag worden
                    ingediend. Een persoon uit de doelgroep van deze wet kan dus niet verwachten dat
                    vanuit de gemeente op eigen initiatief iets in zijn of haar richting wordt
                    ondernomen. Het College kan het gebruik van een aanvraagformulier
                    voorschrijven.</al><al>Op basis van het amendement-Mosterd c.s. (kamerstuk nr. 30 131-54 ) is in
                    artikel 5, tweede lid, onder a, van de wet opgenomen dat de gemeenteraad bij
                    verordening regels moet vaststellen omtrent de wijze waarop de toegang tot
                    individuele voorzieningen in samenhang met voorzieningen op het gebied van wonen
                    en zorg als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is geregeld.</al><al>Gezien de toelichting op dit amendement, waarbij is vermeld dat het tweede lid,
                    onder a, ertoe strekt dat “de gemeente bepaalt hoe achter één loket de samenhang
                    van toegang tot voorzieningen krachtens deze wet met toegang tot
                    zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ of toegang tot voorzieningen op het gebied
                    van wonen is geregeld”, wordt gedoeld op de zogenaamde één-loketgedachte.
                    Wetsbepaling en toelichting lopen echter enigszins uit elkaar, omdat in de
                    wetsbepaling “voorzieningen op het gebied van wonen en zorg als bedoeld in de
                    Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten” gebundeld (als vallend onder de AWBZ)
                    worden genoemd, terwijl in de toelichting op het amendement waarop de
                    wetsbepaling is gebaseerd onderscheid wordt gemaakt tussen toegang tot
                    zorgvoorzieningen krachtens de AWBZ en toegang tot voorzieningen op het gebied
                    van het wonen. Verder wordt er, zoals hierboven al geciteerd, in de toelichting
                    geen onderscheid meer gemaakt tussen raad en College, slechts “de gemeente”
                    wordt genoemd. Praktisch gezien zal de concrete uitvoering van activiteiten in
                    het zorgloket en de werking ervan een typische uitvoeringsactiviteit zijn, dus
                    naar zijn aard vallen onder de verantwoordelijkheid van het College. De door de
                    Raad vast te stellen verordening beperkt zich daarom tot het aanwijzen van een
                    loket,waarbij de nadere uitwerking daarvan via het College geregeld moeten
                    worden.</al><tussenkop>Artikel 29. Inlichtingen, onderzoek, advies en beschikking</tussenkop><al>Het eerste lid onder a en b van dit artikel bepaalt dat het College bevoegd is
                    de aanvrager op te roepen in persoon te verschijnen om hem te ondervragen op een
                    door het College te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of
                    ondervragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de
                    beperking dat dit in het belang moet zijn voor de beoordeling van de
                    aanvraag.</al><al>Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een vijftal artikelen
                    enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 eerste lid
                    Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur
                    verstaan wordt: een persoon of College, bij of krachtens wettelijk voorschrift
                    belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en
                    niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.</al><al>In tegenstelling tot hetgeen er was bepaald in de Wvg is in de wet niet geregeld
                    dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de
                    uitvoering van de wet echter onontbeerlijk zijn. De gemeente dient één of meer
                    adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen. In de
                    verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer
                    adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, hetgeen een
                    eenduidige vermelding onmogelijk maakt.</al><al>Het College vraagt een aangewezen deskundige in voorkomende gevallen om
                    advies.</al><al>Door deze bepaling is het te allen tijde mogelijk om advies te vragen. Het is
                    verstandig hierbij te (kunnen) motiveren waarom advies gevraagd wordt, met het
                    oog op een eventuele beroepsprocedure, waarin dit een rol zou kunnen
                    spelen.</al><al>Een afwijzing om medische redenen kan uiteraard alleen maar op basis van een
                    medisch advies. </al><al>Met name wanneer de aard van de aandoening niet echt duidelijk is, is advies
                    onontbeerlijk; soms kan een op het oog eenvoudige aanvraag leiden tot een stroom
                    van verdere aanvragen, zonder dat duidelijk is wat iemand mankeert. Dat kan bij
                    verstrekking van voorzieningen zelfs tot invaliderende effecten voor de
                    aanvrager en onnodige kosten voor de gemeente leiden. Dit probleem speelt in het
                    bijzonder bij een aantal zogeheten (medisch) moeilijk objectiveerbare
                    aandoeningen: (m)moa’s.</al><al>Het derde lid geeft aan dat bij de advisering gebruik gemaakt moet worden van de
                    zogenaamde ICF-classificatie van de Wereld
                        Gezondheidsorganisatie.Deze bepaling is in de
                    verordening opgenomen naar aanleiding van de toelichting op amendement 65,
                    waarin staat“Voor de gemeentelijke uitvoeringspraktijk
                    biedt de International Classification of Functions, Disabilities and Impairments
                    (ICF classificatie) een uniform begrippenkader dat als grondslag kan dienen om
                    de behoefte aan voorzieningen in individuele gevallen vast te stellen.”</al><al>Mede omdatbij de indicatiestelling van de diverse functies
                    in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten eveneens van deze classificatie
                    gebruik wordt gemaakt kan het gebruik van de ICF-classificatie afstemming tussen
                    de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en deze wet vergemakkelijken.</al><al>De bepaling in het vierde lid spreekt voor zich; het is duidelijk dat gegevens
                    inzake de medische toestand, het inkomen, de woonsituatie en allerlei andere
                    gegevens noodzakelijk kunnen zijn om eenaanvraag te kunnen
                    beoordelen. </al><al>Uiteraard moet er niet meer worden opgevraagd dan noodzakelijk is voor het nemen
                    van een besluit op de aanvraag, zie hieromtrent ook artikel 4:3 Algemene wet
                    bestuursrecht. Weigert de aanvrager echter de voor het nemen van het besluit
                    noodzakelijke gegevens te verstrekken, dan rest het College niets anders dan de
                    aanvraag volgens de procedure van artikel4:5 Algemene wet
                    bestuursrecht buiten behandeling te laten.</al><al>Ten aanzien van het omgaan met de – vaak privacygevoelige – gegevens moet de
                    gemeente rekening houden met de verplichtingen die voortvloeien uit de Wet
                    bescherming persoonsgegevens (Wbp).</al><al>Het vijfde lid vertaalt de opdracht van artikel 26 eerste lid van de wet naar de
                    verordening en bepaalt dat de beschikking dient te vermelden op welke wijze de
                    genomen beschikking bijdraagt aan het behouden en bevorderen van de
                    zelfredzaamheid en de normale maatschappelijke participatie van de
                    aanvrager.</al><tussenkop>Artikel 30. Samenhangende afstemming</tussenkop><al>In artikel 5, tweede lid, onder b, van de wet is vastgelegd dat de raad in de
                    verordening bepaalt op welke wijze de verkrijging van individuele voorzieningen
                    samenhangend afgestemd wordt op de situatie van de aanvrager. Deze bepaling is
                    bedoeld om, naast de toepassing van algemene bestuursrechtelijke
                    zorgvuldigheidseisen, de inhoud van de voorzieningen zelf, vanuit
                    cliëntperspectief, in samenhang te bezien.</al><al>Bij deze eisen is aangesloten bij de eisen die het Zorgindicatiebesluit stelt
                    ten aanzien van het onderzoek inzake de AWBZ. Hierdoor is enerzijds de samenhang
                    met de AWBZ gewaarborgd, maar wordt anderzijds ook een ruime hoeveelheid
                    informatie vergaard waarmee het College een zorgvuldig, op de individuele
                    situatie af te stemmen besluit kan nemen.</al><tussenkop>Hoofdstuk 8. Wijziging, intrekking en terugvordering</tussenkop><tussenkop>Artikel 31. Wijzigingen in de situatie</tussenkop><al>In dit artikel wordt een actieve informatieplicht opgelegd aan de ontvangen van
                    een voorziening. Daarbij gaat het om wijzigingen in zijn situatie die van
                    invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening of de (ongewijzigde)
                    voortzetting ervan. In het tweede lid is aangegeven dat de ontvanger van een
                    voorziening bij de bekendmaking van de beschikking tot verstrekking van de
                    voorziening in kennis moet worden gesteld van de voor hem geldende
                    informatieplicht. Het verdient aanbeveling die mededeling in de beschikking op
                    te nemen.</al><tussenkop>Artikelen 32. en 33. Intrekking en wijziging</tussenkop><al>Deze bepalingen kennen aan het College de bevoegdheid toe een beschikking
                    waarbij een voorziening is verstrekt in te trekken of in het nadeel van de
                    ontvanger te wijzigen. Deze bevoegdheid vormt de publiekrechtelijke grondslag
                    voor het geheel of gedeeltelijk terugvorderen van een voorziening wegens
                    onverschuldigde betaling.</al><al>Het ligt voor de hand dat van de bevoegdheid tot intrekking c.q. wijziging in
                    ieder geval gebruik te maken, indien er aan de zijde van de
                        aanvragersprake is van verwijtbaarheid. Zoals wanneer
                    de aanvrager bewust verkeerde gegevens heeft verstrekt, bijvoorbeeld over zijn
                    inkomen. Ook kan terugvordering van een voorziening in natura aan de orde zijn
                    wanneer de aanvragerin gebreke blijft zijn eigen bijdrage
                    binnen de gestelde termijn en na aanmaning te voldoen.</al><al>Daarnaast is getracht een verantwoorde inzet gebruik van gemeenschapsgelden te
                    waarborgen door te bepalen dat een voorziening gebruikt dient te worden voor het
                    doel waarvoor zij verstrekt is.</al><al>Een voorziening dient binnen een redelijke termijn te worden aangewend om te
                    kunnen vaststellen dat deze (voldoende) wordt benut. Als een vergoeding of
                    tegemoetkoming niet binnen een redelijke termijn wordt besteed of een met behulp
                    daarvan aangeschafte voorziening niet of onvoldoende wordt gebruikt voor het
                    beoogde doel, kan de beschikking waarbij de voorziening is verstrekt, worden
                    ingetrokken of ten nadele van de ontvanger worden gewijzigd, gevolgd door
                    terugvordering. Met het oog op deze consequenties is bepaald dat van de
                    bevoegdheid tot intrekking en wijziging melding moet worden gemaakt tegelijk met
                    de bekendmaking van de beschikking tot het verstrekken van een voorziening.</al><tussenkop>Artikel 34. Terugvordering</tussenkop><al>De wet bevat geen bepalingen omtrent terugvordering van voorzieningen.
                    Terugvordering is het logisch vervolg op de intrekking of wijziging (in termen
                    van een verlaging van een tegemoetkoming of vergoeding) ten nadele van de
                    ontvanger van een verstrekking, wanneer die al is geëffectueerd.</al><al>Een dergelijke intrekking of wijziging vormt geen executoriale titel voor
                    terugvordering noch doet het besluit tot terugvordering dat, zoals wel het geval
                    is bij de Wet werk en bijstand. Er is wel sprake van een civielrechtelijke
                    vordering op grond van onverschuldigde betaling, waarvoor het Burgerlijk
                    Wetboek, boek 6 artikel 203 e.v., de wettelijke basis biedt. Immers is de
                    publiekrechtelijke grondslag geheel of gedeeltelijk aan de betaling ontvallen
                    door de terugwerking van het intrekkings- of wijzigingsbesluit. </al><al>Aan de gerechtelijke procedure zijn kosten verbonden, met name in gevallen
                    waarin de vordering hoger is dan € 5.000,00 en dus een procedure met
                    procureurstelling bij de rechtbank noodzakelijk is. Bij lagere bedragen kan een
                    eenvoudige dagvaardingsprocedure bij de kantonrechter gevolgd worden, zonder
                    verplichte procureurstelling.</al><al>Voor zover de ontvanger niet bereid of in staat is de met behulp van een
                    toegekende vergoeding of tegemoetkoming aangeschafte voorziening in volle en
                    vrije eigendom en in goede staat aan de gemeente af te staan, behoudt zij een
                    vordering tot gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de verstrekte bijdrage.
                    Bij een beoordeling van de staat van de over te dragen voorziening wordt
                    uitgegaan van normale slijtage, rekening houdende met de beperkingen van de
                    gebruiker.</al><al>Ook hier wordt een beroep op onbekendheid met de bevoegdheid tot terugvordering
                    – daargelaten of dit beroep zou kunnen slagen (‘ieder wordt geacht de wet te
                    kennen’) – afgeweerd door mededeling van de terugvorderingsbevoegdheid bij de
                    bekendmaking van de beschikking waarbij de voorziening is verstrekt. </al><tussenkop>Hoofdstuk 9. Overige bepalingen</tussenkop><tussenkop>Artikel 35. Nadere regels en beleidsregels</tussenkop><al>In dit artikel is aangegeven dat het College nadere regels en beleidsregels kan
                    vaststellen voor de uitvoering van de verordening. De bevoegdheid tot het
                    vaststellen van beleidsregels vloeit mede voort uit de Algemene wet
                    bestuursrecht (artikel 4:81).</al><al>In het tweede lid zijn de onderwerpen vermeld die het College in elk geval in
                    regels dient uit te werken.</al><tussenkop>Artikel 36. Hardheidsclausule</tussenkop><al>Artikel 36 bepaalt dat het College in bijzondere gevallen ten gunste van de
                    aanvrager kan afwijken van de bepalingen van deze verordening, en dus niet van
                    de in de wet zelf genoemde bepalingen. Zonodig wordt hierbij advies ingewonnen.
                    Dit afwijken kan alleen maar ten gunste en nooit ten nadele van de betrokken
                    persoon met beperkingen of de eigenaar van de woonruimte. Bij de woningeigenaar,
                    bijvoorbeeld een corporatie kan gedacht worden aan een situatie waar het van
                    belang is dat een woonruimte ook langer dan zes maanden leeg staat, omdat
                    bijvoorbeeld bekend is dat een persoon met beperkingen voor wie de aangepaste
                    woning uitermate geschikt is, op het punt staat om uit een revalidatiecentrum te
                    worden ontslagen. In die gevallen kan het doelmatiger zijn om een langere
                    periode een tegemoetkoming in de huurderving te verstrekken. Verder is met
                    nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de
                    hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een
                    regel. Het College moet in verband met precedentwerking dan ook duidelijk
                    aangeven waarom in een bepaalde situatie van de verordening wordt
                    afgeweken.</al><tussenkop>Artikel 37. Vervallen.</tussenkop><tussenkop>Artikel 38. Evaluatie</tussenkop><al>Op grond van dit artikel dient de uitvoering van de verordening en de daarop
                    gebaseerde regels tweejaarlijks geëvalueerd te worden. Indien de evaluatie
                    daartoe aanleiding geeft, bijvoorbeeld omdat</al><al>het voorzieningenniveau te hoog of te laag blijkt te zijn, dient de evaluatie te
                    leiden tot</al><al>aanpassing van de verordening of van de (beleids)regels.</al><tussenkop>Artikel 39</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich en wordt niet nader toegelicht.</al><al>A.Toepassingsregister</al><table><tgroup cols="5"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="12*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="33*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="19*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="24*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Jaartal-</al><al><vet>Volgnr.</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Onderwerp</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet><onderstreept>V</onderstreept></vet><vet>aststelling</vet></al><al><vet><onderstreept>B</onderstreept></vet><vet>ekendm</vet><vet>a</vet><vet>king</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Inwerkingtreding </vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>Voorbe-reidings-afdeling</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>2008-32</al></entry><entry colname="col2"><al>Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning
                                        2008</al></entry><entry colname="col3"><al><onderstreept>V</onderstreept> 03-04-2008</al><al><onderstreept>B</onderstreept> 04-06-2008</al></entry><entry colname="col4"><al>13-06-2008</al></entry><entry colname="col5"><al>PZWI</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>B.Supplementenregister</al><table><tgroup cols="6"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="11*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="24*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="15*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="11*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="25*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="13*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al><vet>Jaartal-Volgnr.</vet></al></entry><entry colname="col2"><al><vet>Onderwerp </vet><vet> besluit B(&amp;W)</vet></al></entry><entry colname="col3"><al><vet><onderstreept>V</onderstreept></vet><vet>aststelling
                                                </vet><vet><onderstreept>B</onderstreept></vet><vet>ekendm</vet><vet>a</vet><vet>king</vet></al></entry><entry colname="col4"><al><vet>Inwe</vet><vet>r</vet><vet>king-treding</vet></al></entry><entry colname="col5"><al><vet>Wijziging en/of
                                        aanvu</vet><vet>l</vet><vet>ling:</vet></al></entry><entry colname="col6"><al><vet>Aangeduid met:</vet></al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>-Nieuw!</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al><onderstreept>V</onderstreept></al><al><onderstreept>B</onderstreept></al></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Versie 1. 20 juli 2005</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>