<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR24318_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Moerdijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2010-02-10</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Moerdijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Moerdijkse Bode d.d. 9 februari 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen gemeente Moerdijk</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Artikel 147 en artikel 149 Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-01-21</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-02-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2021-10-08</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>217895</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Moerdijk, In zijn vergadering van 21 januari
                        2010;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 1 december
                        2009;</al><al>gelet op de artikelen 147 en 149 van de Gemeentewet ;</al><al>BESLUIT:</al><al>vast te stellen de volgende verordening:</al><al>VERORDENING KWALITEITSREGELS PEUTERSPEELZALEN GEMEENTE MOERDIJK</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>peuterspeelzaalwerk: het bieden van speelgelegenheid aan kinderen van
                            twee tot vier jaar gedurende een of meer dagdelen per week van maximaal 3,5 uur met als
                            doel de ontwikkeling van deze kinderen te bevorderen en hen samen te
                            laten spelen;</al></li><li nr="b."><al>peuterspeelzaal: een voorziening waar peuterspeelzaalwerk
                                    plaatsvindt;</al></li><li nr="c."><al>houder: degene die een peuterspeelzaal exploiteert;</al></li><li nr="d."><al>beroepskracht: degene die in een peuterspeelzaal werkzaamheden
                                    verricht die zijn opgenomen in de voor het peuterspeelzaalwerk
                                    geldende CAO en die beschikt over een voor deze werkzaamheden
                                    passende beroepskwalificatie;</al></li><li nr="e."><al>begeleider: degene die anders dan als beroepskracht is belast
                                    met de begeleiding van kinderen bij een peuterspeelzaal. </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>MELDINGSPLICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen
                            binnen de gemeente doet daarvan melding aan het college.</al></li><li nr="2."><al>De melding kan plaatsvinden met behulp van een door het college
                            vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk</titel></kop><al>De houder geeft in de melding aan het college aan voor welk
                            ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk hij kiest, waarbij de volgende
                            ambitieniveaus worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>ambitieniveau 0: ´spelen en ontmoeten´;</al></li><li nr="b."><al>ambitieniveau 1: ´spelen, ontmoeten, ontwikkelen en
                                    signaleren´;</al></li><li nr="c."><al>ambitieniveau 2: ´spelen, ontmoeten, ontwikkelen, signaleren en
                                    ondersteunen´.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Termijn van in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen binnen acht
                            weken na het tijdstip van de melding.</al></li><li nr="2."><al>Indien uit het onderzoek van de toezichthouder, bedoeld in
                                    artikel 17, eerste lid, eerder is gebleken dat de exploitatie
                                    redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de
                                    bepalingen in hoofdstuk 3 van deze verordening, kan de
                                    exploitatie vanaf dat moment plaatsvinden.</al></li><li nr="3."><al>Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve
                                    fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van
                                    toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verbod op het in exploitatie nemen van een
                            peuterspeelzaal</titel></kop><al>Het is verboden een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen indien uit
                            het onderzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel 17, eerste lid,
                            blijkt dat niet aan de eisen van de verordening wordt voldaan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Register</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college houdt een register bij van gemelde peuterspeelzalen. In
                            dit register worden na een melding onmiddellijk de gegevens opgenomen die ingevolge artikel 2,
                            tweede lid, en artikel 3 zijn verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>Het college deelt de houder schriftelijk mee dat opneming van de
                                    peuterspeelzaal in het register heeft plaatsgevonden.</al></li><li nr="3."><al>Het register ligt op het gemeentehuis kosteloos voor een ieder
                                    ter inzage.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Wijzigingen van gegevens</titel></kop><al>De houder doet van wijzigingen in de gegevens die bij de melding zijn
                            verstrekt, onmiddellijk mededeling aan het college.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>DE KWALITEITSEISEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Algemene kwaliteitseisen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De houder van een peuterspeelzaal biedt peuterspeelzaalwerk aan dat
                            bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving. </al></li><li nr="2."><al>De houder organiseert het peuterspeelzaalwerk op zodanige wijze,
                            voorziet de peuterspeelzaal zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel,
                            draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling en voert
                            een zodanig pedagogisch beleid, dat een en ander leidt of moet leiden
                            tot verantwoord peuterspeelzaalwerk.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid</titel></kop><al>De houder voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de
                            gezondheid van de op te vangen kinderen in elk door hem geëxploiteerde
                            peuterspeelzaal zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder legt, voor
                            zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en
                            regelgeving, in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke
                            risico’s de opvang van kinderen met zich meebrengt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Oppervlakte speelruimte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voor ieder kind is minimaal 3,5 m2 bruto-oppervlakte aan
                                    binnenspeelruimte beschikbaar.</al></li><li nr="2."><al>Voor ieder kind is buitenspeelruimte beschikbaar, waarvan de
                                    bruto-oppervlakte minimaal 4 m2 per kind bedraagt en die voor
                                    kinderen bereikbaar is. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Groepen en groepsgrootte</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De opvang van kinderen vindt plaats in vaste groepen in passend
                            ingerichte vaste afzonderlijke ruimtes.</al></li><li nr="2."><al>In een groep zijn ten hoogste negentien kinderen gelijktijdig
                            aanwezig. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het aantal beroepskrachten of begeleiders per groep is
                                    afhankelijk van het door de houder gekozen ambitieniveau.</al></li><li nr="2."><al>Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 0: ´spelen en
                                    ontmoeten´ zijn er in elke groep ten minste twee begeleiders
                                    aanwezig en er is één beroepskracht voor ten minste 50% van de
                                    openingsuren aanwezig in de peuterspeelzaal.</al></li><li nr="3."><al>Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 1: ´spelen,
                                    ontmoeten, ontwikkelen en signaleren´ zijn er in elke groep ten
                                    minste één beroepskracht en één begeleider aanwezig.</al></li><li nr="4."><al>Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 2: ´spelen,
                                    ontmoeten, ontwikkelen, signaleren en ondersteunen´ zijn er in
                                    elke groep ten minste twee beroepskrachten aanwezig. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Informatieplicht aan de ouders</titel></kop><al>De houder van een peuterspeelzaal informeert de ouder voorafgaand aan
                            het aangaan van een overeenkomst in ieder geval over:</al><lijst><li nr="a."><al>de plaatsingsprocedure en leveringsvoorwaarden;</al></li><li nr="b."><al>het gekozen ambitieniveau als bedoeld in artikel 3;</al></li><li nr="c."><al>het te voeren beleid, waaronder het beleid inzake veiligheid en
                                    gezondheid, alsmede het pedagogisch beleid waarin vanuit de
                                    visie op de ontwikkeling van kinderen de visie op de omgang met
                                    kinderen is beschreven;</al></li><li nr="d."><al>de wijze en frequentie van informatie-uitwisseling na plaatsing
                                    van het kind bij de peuterspeelzaal.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Verklaring omtrent het gedrag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Personen die als beroepskracht of begeleider werkzaam zijn bij een
                            peuterspeelzaal zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet
                            justitiële gegevens.</al></li><li nr="2."><al>Deze verklaring wordt aan de houder overlegt voordat een persoon
                                    zijn werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment dat
                                    zij wordt overlegd niet ouder dan twee maanden.</al></li><li nr="3."><al>Indien de houder of de toezichthouder redelijkerwijs vermoedt
                                    dat een persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het
                                    afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de
                                    houder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag
                                    overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende
                                    persoon overlegt de verklaring binnen een door de houder vast te
                                    stellen termijn.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>HET GEMEENTELIJK TOEZICHT</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Aanwijzing van toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de personen benoemd als Buitengewoon
                            Opsporingsambtenaren van de gemeente Moerdijk, en de bij besluit van het
                            college aangewezen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Onderzoek door de toezichthouder</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De toezichthouder onderzoekt na een melding als bedoeld in artikel 2,
                            eerste lid, binnen &lt;acht weken&gt; of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in
                            overeenstemming met de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze
                            verordening. </al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder
                                    tweejaarlijks of de exploitatie van elke peuterspeelzaal
                                    plaatsvindt in overeenstemming met de voorschriften in hoofdstuk
                                    3 van deze verordening.</al></li><li nr="3."><al>Naast het onderzoek bedoeld in het eerste en tweede lid kan de
                                    toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving
                                    door een houder van de voorschriften in hoofdstuk 3 van deze
                                    verordening. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Het inspectierapport</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De toezichthouder legt zijn oordeel naar aanleiding van een
                                    onderzoek bij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport.
                                </al></li><li nr="2."><al>Indien de toezichthouder oordeelt dat door de houder de
                                    voorschriften van deze verordening niet zijn of zullen worden
                                    nageleefd, vermeldt hij dat in het rapport. </al></li><li nr="3."><al>Alvorens het rapport vast te stellen, stelt het college de
                                    houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen
                                    en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De toezichthouder
                                    vermeldt de zienswijze van de houder in een bijlage bij het
                                    rapport. </al></li><li nr="4."><al>De toezichthouder zendt het inspectierapport onverwijld aan de
                                    houder, die een afschrift daarvan zo spoedig mogelijk ter inzage
                                    legt op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats. </al></li><li nr="5."><al>De toezichthouder maakt het inspectierapport uiterlijk drie
                                    weken na de vaststelling daarvan openbaar. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Aanwijzing en bevel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college kan de houder een schriftelijke aanwijzing geven
                                    indien op basis van het inspectierapport blijkt dat deze de
                                    voorschriften in deze verordening niet of in onvoldoende mate
                                    naleeft. </al></li><li nr="2."><al>In de aanwijzing geef het college met redenen omkleed aan op
                                    welke punten de voorschriften niet of in onvoldoende mate worden
                                    nageleefd, alsmede de in verband daarmee te nemen maatregelen.
                                </al></li><li nr="3."><al>Indien de toezichthouder oordeelt dat de kwaliteit van de opvang
                                    bij een peuterspeelzaal zodanig tekortschiet dat het nemen van
                                    maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de
                                    toezichthouder een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een
                                    geldigheidsduur van zeven dagen, die door het college kan worden
                                    verlengd.</al></li><li nr="4."><al>De houder neemt de maatregelen binnen de bij de aanwijzing
                                    onderscheidenlijk het bevel gestelde termijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van de artikelen 2, eerste lid, en de artikelen in hoofdstuk
                            3 van deze verordeningen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste
                            drie maanden of een geldboete van de tweede categorie. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Beroepskrachten en begeleiders die op het tijdstip van inwerkingtreding
                            van deze verordening werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal, leggen aan
                            de houder binnen twee maanden na de inwerkingtreding een verklaring
                            omtrent het gedrag over. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Afwijken van bepalingen; hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de houder afwijken
                            van bepalingen in deze verordening, als toepassing van de verordening
                            tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De verordening treedt in werking met ingang van de dag na
                                    publicatie.</al></li><li nr="2."><al>De verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen gemeente
                                    Moerdijk, vastgesteld op d.d. 27 januari 2005, wordt
                                    ingetrokken.</al></li><li nr="3."><al>De verordening wordt met inachtneming van de bepalingen in de
                                    Gemeentewet bekendgemaakt in huis aan huis blad de Moerdijkse
                                    Bode.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>De verordening wordt aangehaald als: Verordening kwaliteitsregels
                            peuterspeelzalen gemeente Moerdijk.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de vergadering van de raad d.d. 21 januari 2010.</ondertekening><ondertekening>De griffier,De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.A.M. HereijgersDrs. W.M.J. Denie</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>Algemenetoelichting</al><al>Gemeenten zijn niet verplicht kwaliteitsregels te stellen voor het
                            peuterspeelzaalwerk. Het peuterspeelzaalwerk valt niet onder de Wet
                            kinderopvang (artikel 1, tweede lid, onderdeel b).</al><al>Dit betekent dat de grondslag voor deze verordening de autonome
                            verordende bevoegdheid van de gemeenten vormt die is neergelegd in
                            artikel 149 van de Gemeentewet. Dit is ook in de aanhef van de
                            modelverordening aangegeven.</al><al>De modelverordening sluit zoveel mogelijk aan bij de Wet Collectieve
                            Preventie Volksgezondheid (WCPV) en de kwaliteitseisen die de Wet
                            kinderopvang (Wk) stelt ten aanzien van kinderopvang. Voor dit laatste
                            zijn twee redenen: allereerst is het peuterspeelzaalwerk ook een vorm
                            van kinderopvang in een daarvoor geschikte ruimtelijke voorziening. Het
                            ligt dan voor de hand om zoveel mogelijk dezelfde kwaliteitseisen te
                            stellen, uiteraard voorzover die eisen aansluiten bij het specifieke
                            doel van het peuterspeelzaalwerk. Dit hangt samen met de tweede reden:
                            het toezicht op de instellingen voor kinderopvang en op peuterspeelzalen
                            zal door dezelfde toezichthouders worden gedaan. Het uitoefenen van
                            toezicht wordt vergemakkelijkt als de toezichthouders zoveel mogelijk
                            met dezelfde regels te maken hebben. </al><al>Evenals in de Wk is in de modelverordening gekozen voor algemene
                            kwaliteitsregels die voor alle peuterspeelzalen in de gemeente gelden,
                            gekoppeld aan een stelsel van melding en registratie. </al><al>Artikelsgewijze toelichting</al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>De beroepskracht in opleiding (stagiaire) is niet apart gedefinieerd.
                            Hiermee vallen beroepskrachten in opleiding automatisch onder de
                            begripsomschrijving van een begeleider, te weten: ´degene die anders dan
                            als beroepskracht is belast met de begeleiding van kinderen bij een
                            peuterspeelzaal´ (onderdeel e).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal</titel></kop><al>Dit artikel regelt de meldingsplicht voor degenen die een
                            peuterspeelzaal willen gaan exploiteren. De melding moet plaatsvinden
                            met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld
                            formulier. </al><al>Het stelsel van melding en registratie maakt aan iedereen duidelijk
                            welke instellingen actief zijn op het terrein van het
                            peuterspeelzaalwerk. De melding biedt aan de gemeente de mogelijkheid om
                            voorafgaande aan de start van de exploitatie te toetsen of een nieuw
                            initiatief aan de kwaliteitseisen voldoet. De gemeente moet een gemelde
                            peuterspeelzaal opnemen in een register dat voor een ieder toegankelijk
                            is. Opneming in het register geeft ouders de zekerheid dat het
                            peuterspeelzaalwerk bij de aanvang van de exploitatie van voldoende
                            kwaliteit is en dat er van gemeenteweg zal worden toegezien dat de
                            kwaliteit van voldoende niveau blijft. </al><al>Tussen een vergunningenstelsel en een meldingsstelsel zijn een aantal
                            verschillen. Zo kunnen in een vergunning nadere eisen worden opgenomen
                            die specifiek gelden voor de instelling die de vergunning krijgt. Bij
                            een meldingsstelsel kunnen geen specifieke voorschriften worden gesteld,
                            maar moet worden volstaan met algemene, voor alle instellingen geldende
                            regels. Ook wat betreft het toepassen van sancties is er een verschil.
                            In een vergunningenstelsel vormt het intrekken van een vergunning een
                            sanctie. Deze sanctie is er niet in een meldingsstelsel. Wanneer de
                            gemeente wil dat de exploitatie van een peuterspeelzaal wordt stopgezet,
                            zal ze er voor moeten zorgen dat betreffende inrichting wordt
                            gesloten.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk</titel></kop><al>Dit artikel bepaalt dat de houder in de melding aan het college aangeeft
                            voor welk ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk hij kiest. Het
                            gekozen ambitieniveau bepaalt de kwalificatie-eisen die aan de
                            leidinggevenden worden gesteld (zie artikel 12). Het ambitieniveau 0
                            (´spelen en ontmoeten´) is het minimumkwaliteitsniveau. Aan dit
                            kwaliteitsniveau dienen alle peuterspeelzalen in ieder geval te
                            voldoen.</al><al>Door de melding en registratie worden de ouders op de hoogte gesteld van
                            het ambitieniveau. De toezichthouder kan controleren of een
                            peuterspeelzaal zich houdt aan het gestelde ambitieniveau.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Termijn van in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal</titel></kop><al>Dit artikel bevat de termijn die de gemeente (i.c. de toezichthouder)
                            nodig heeft om te beoordelen of een nieuwe peuterspeelzaal zal voldoen
                            aan de eisen van de verordening. Elke gemeente zal in overleg met de
                            toezichthouder moeten bepalen welke termijn haalbaar is. Het moet gaan
                            om een termijn die enerzijds de toezichthouder de mogelijkheid biedt een
                            deugdelijk onderzoek te doen naar de wijze waarop de nieuwe
                            peuterspeelzaal zal worden geëxploiteerd en die anderzijds degene die
                            voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen niet onnodig
                            lang laat wachten op het moment dat met de exploitatie kan worden
                            gestart. </al><al>Het tweede lid biedt de mogelijkheid voor de houder om vóór het
                            verstrijken van de termijn in het eerste lid met de exploitatie van de
                            peuterspeelzaal te beginnen.</al><al>Het derde lid sluit de lex silencio positivo (positieve fictieve
                            beschikking bij niet tijdig beslissen) uit. Gezien de belangen van jonge
                            kinderen en hun ouders die in het geding zijn, is er reden om af te zien
                            van een lex silencio positivo. Er zijn dwingende redenen van algemeen
                            belang aan de orde, met name de volksgezondheid en de bescherming van
                            afnemers van diensten. Dat betekent in praktische zin dat het verlopen
                            van de periode van acht weken nadat de melding is gedaan, er niet aan in
                            de weg staat dat er alsnog een verbod kan volgen als bedoeld in artikel
                            5 van de verordening.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Verbod op het in exploitatie nemen van een
                                peuterspeelzaal</titel></kop><al>Dit artikel bevat het expliciete verbod om een peuterspeelzaal in
                            exploitatie te nemen, indien blijkt dat de initiatiefnemer niet aan de
                            eisen van de verordening voldoet. Op grond van deze verbodsbepaling kan
                            het college tot bestuursdwang (sluiting) overgaan of een dwangsom
                            opleggen, indien de peuterspeelzaal toch in gebruik wordt
                            genomen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Register</titel></kop><al>Dit artikel regelt het instellen van het register. Het derde lid bepaalt
                            dat het register openbaar is. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Wijzigingen van gegevens</titel></kop><al>Om het register actueel te houden, bepaalt het eerste lid dat de houder
                            onmiddellijk melding doet aan het college van wijzigingen van gegevens
                            die bij de melding zijn verstrekt. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Algemene kwaliteitseisen</titel></kop><al>Het eerste lid bevat een algemene kwaliteitsnorm die ontleend is aan
                            artikel 48 Wk. Het gaat om een globale norm waaraan de houders zelf, met
                            inachtneming dat de verordening, invulling moeten geven. </al><al>In deze bepaling wordt vastgelegd dat het welbevinden van de kinderen
                            richtsnoer moet zijn het uitvoeren van het peuterspeelzaalwerk.</al><al>Het tweede lid is ontleend aan artikel 50, eerste lid, Wk. Deze bepaling
                            geeft aan dat verantwoord peuterspeelzaalwerk mede het product is van de
                            wijze waarop de houder het peuterspeelzaalwerk organiseert en vormgeeft.
                            De wijze waarop de houder het peuterspeelzaalwerk organiseert en aan
                            welke aspecten daarbij aandacht moet worden besteed, wordt naast de
                            eigen verantwoordelijkheid mede bepaald door de voorschriften in deze
                            verordening. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid</titel></kop><al>Dit artikel is gelijk aan artikel 51 Wk. De houders van peuterspeelzalen
                            moeten een risico-inventarisatie uitvoeren ten aanzien van de domeinen
                            veiligheid en gezondheid. De risico-inventarisatie heeft tot doel het in
                            kaart brengen van veiligheid- en gezondheidsrisico´s die kinderen in
                            peuterspeelzalen lopen. Daarbij wordt uitgegaan van het gedrag van
                            kinderen. De risico-inventarisatie dient als basis om de omstandigheden
                            voor kinderen te verbeteren en om te stimuleren dat personeel en de
                            kinderen adequaat met risico´s omgaan.</al><al>Deze risico-inventarisatie vervangt niet de risico-inventarisaties die
                            op grond van andere wetgeving verplicht is (artikel 5
                            Arbeidsomstandighedenwet en artikel 7 Infectieziektewet). Ook vervangt
                            een risico-inventarisatie niet de veiligheidsnormen waaraan de
                            peuterspeelzalen op grond van andere wetgeving zijn gebonden, zoals de
                            brandveiligheidseisen in het Bouwbesluit en de bouwverordening. Ook laat
                            de risico-inventarisatie toepassing van de Wcpv onverlet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Oppervlakte speelruimte</titel></kop><al>Gekozen is voor minimum bruto-oppervlaktematen (in plaats van
                            netto-oppervlaktematen) omdat deze eenvoudiger door de toezichthouder
                            zijn vast te stellen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Groepen en groepsgrootte</titel></kop><al>Het tweede lid bepaalt dat de maximum groepsgrootte negentien kinderen
                            bedraagt. Dit maximum geldt voor alle drie ambitieniveaus.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep</titel></kop><al>Het gekozen ambitieniveau bepaalt het aantal beroepskrachten of
                            begeleiders dat in elke groep aanwezig moet zijn.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Informatieplicht aan de ouders</titel></kop><al>De houders van peuterspeelzalen zijn verplicht ouders voor dat ze een
                            contract tekenen te informeren over een aantal essentiële onderwerpen.
                            Deze informatie biedt ouders de mogelijkheid om zich een oordeel te
                            vormen over de kwaliteit van een peuterspeelzaal en eventueel op basis
                            van een onderlinge vergelijking een keuze voor een bepaalde
                            peuterspeelzaal te maken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Verklaring omtrent het gedrag</titel></kop><al>Dit artikel draagt de houder van een peuterspeelzaal op er voor te
                            zorgen dat alle beroepskrachten en begeleiders die zijn peuterspeelzaal
                            werkzaam zijn, op hun gedrag zijn getoetst. Dit gebeurt in de vorm van
                            een recente verklaring omtrent het gedrag die aan de houder moet worden
                            voorgelegd voordat een persoon zijn werkzaamheden aanvangt. </al><al>Omdat een verklaring omtrent het gedrag niet meer dan een momentopname
                            is, voorziet het derde lid in de eis dat een nieuwe verklaring omtrent
                            het gedrag aan de houder wordt overlegd, in het geval de houder of
                            toezichthouder redelijkerwijs het vermoeden heeft, bijvoorbeeld naar
                            aanleiding van klachten of tips, dat een persoon niet langer voldoet aan
                            de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Aanwijzing van toezichthouders</titel></kop><al>Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om toezichthouders aan te
                            wijzen. Afdeling 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat een
                            algemene regeling van de bevoegdheden van toezichthouders, zoals het
                            recht op het betreden van plaatsen, op het vorderen van inlichtingen en
                            het inzien van schriftelijke stukken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Onderzoek door de toezichthouder</titel></kop><al>In dit artikel worden drie soorten van onderzoek door de toezichthouders
                            onderscheiden:</al><lijst><li nr="-"><al>het eerste lid: het onderzoek naar aanleiding van een melding
                                    van het voornemen een peuterspeelzaal te gaan exploiteren;</al></li><li nr="-"><al>het tweede lid: het reguliere onderzoek bij bestaande
                                    peuterspeelzalen in de gemeente;</al></li><li nr="-"><al>het derde lid: het incidentele onderzoek bij een
                                    peuterspeelzaal, bijvoorbeeld naar aanleiding van klachten of
                                    tips.</al></li></lijst><al>Wat betreft de termijn in het eerste lid wordt verwezen naar de
                            opmerking bij artikel 4. </al><al>Het tweede lid bevat de opdracht aan het college om ervoor zorg te
                            dragen dat tenminste één keer per twee jaar een controle wordt
                            uitgevoerd. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Het inspectierapport</titel></kop><al>De resultaten van een onderzoek worden door de toezichthouder vastgelegd
                            in een inspectierapport. Het inspectierapport vormt de basis voor het
                            handhavend optreden door het college (zie artikel 19, eerste lid). Deze
                            werkwijze is identiek aan de manier waarop handhaving op grond van de Wk
                            gaat plaatsvinden.</al><al>Het derde lid bepaalt dat het college (en niet de toezichthouder) de
                            houder in de gelegenheid stelt van het ontwerprapport kennis te nemen en
                            daarover zijn zienswijze kenbaar te maken.</al><al>Het bieden van gelegenheid om een zienswijze kenbaar te maken is op te
                            vatten als het uitoefenen van een publiekrechtelijke bevoegdheid. Op
                            grond van de Awb (artikel 10:14) is delegatie van bevoegdheden aan
                            ambtenaren niet toegestaan. Het is wel mogelijk dat deze bevoegdheid in
                            mandaat wordt overgedragen. In dat geval handelt de toezichthouder
                            namens het college. De overige taken die in dit artikel worden genoemd
                            zijn van feitelijke aard. Deze kunnen wel aan een toezichthoudend
                            ambtenaar worden overgedragen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Aanwijzing en bevel</titel></kop><al>Indien de houder de aanwijzing of het bevel niet opvolgt, kan het
                            college overgaan tot het toepassen van bestuursdwang of het opleggen van
                            een dwangsom. Het gaat om algemene bevoegdheden van het college die zijn
                            neergelegd in de Gemeentewet en de Awb. Deze worden dan ook niet nader
                            in de verordening geregeld.</al><al>Bestuursdwang houdt een waarschuwing in dat wanneer niet binnen een
                            bepaalde termijn maatregelen worden getroffen, het college op deze
                            kosten van de houder kan laten uitvoeren. Is bestuursdwang niet goed
                            mogelijk, dan kan een dwangsom worden opgelegd. Zijn er zoveel
                            tekortkomingen, dan kan het college in de aanwijzing of bevel gelasten
                            de exploitatie van de peuterspeelzaal te staken. Geeft de exploitant
                            daaraan geen gehoor, dan gaat het college hiertoe over. Ook dit is een
                            vorm van bestuursdwang.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop><al>Deze bepalingen spreken voor zich.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>