<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR24262_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening gemeente Zwartewaterland</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zwartewaterland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zwartewaterland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2007-01-25</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-01-17</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening Gemeente Zwartewaterland </intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><tekst><al><vet>Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingenArtikel 1.1
                            Begripsomschrijvingen</vet> In deze verordening wordt verstaan onder:
                        asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter a, van het
                        Asbestverwijderingsbesluit; Besluit indieningsvereisten: het Besluit
                        indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning als bedoeld in artikel 40a,
                        eerste lid en 57, tweede en derde lid van de Woningwet (Stb. 2002, 409);
                        Besluit bouwwerken: het Besluit bouwvergunningsvrije en
                        licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken als bedoeld in artikel 43, eerste
                        lid onder c en artikel 44, tweede lid van de Woningwet (Stb. 2002, 410);
                        bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 van
                        de Woningwet; bouwtoezicht: degenen, die ingevolge artikel 100 van de
                        Woningwet belast zijn met het bouw- en woningtoezicht; bouwwerk: elke
                        constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die
                        op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond
                        verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
                        bedoeld om ter plaatse te functioneren; deskundig bedrijf als bedoeld in
                        hoofdstuk 8: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, letter c, van
                        het Asbestverwijderingsbesluit; gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte
                        als bedoeld in het Bouwbesluit; hechtgebonden asbest: hetgeen daaronder
                        wordt verstaan in artikel 1, letter e, van het Asbestverwijderingsbesluit;
                        hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens
                        burgemeester en wethouders is vastgesteld; NEN: een door de Stichting
                        Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven norm; NVN: een door de
                        Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut uitgegeven voornorm; straatpeil: </al><lijst><li nr=""><al>a.voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg
                                grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; </al></li><li nr=""><al>b.voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg
                                grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang
                                bij voltooiing van de bouw; </al></li></lijst><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden
                        daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of
                        paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de wegen liggende en als
                        zodanig aangeduide parkeerterreinen. </al><al>1.In deze verordening wordt mede verstaan onder: bouwwerk: een gedeelte van
                        een bouwwerk; gebouw: een gedeelte van een gebouw. </al><al><vet>Artikel 1.2 Termijnen </vet> (vervallen) </al><al><vet>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</vet> Voor de
                        toepassing van deze verordening geldt als indeling van de gemeente: </al><lijst><li nr=""><al>a.het gebied binnen de bebouwde kom; </al></li><li nr=""><al>b.het gebied buiten de bebouwde kom. </al></li></lijst><al>1.Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij deze
                        verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven. </al><al><vet>Hoofdstuk2 De aanvraag bouwvergunningParagraaf 1 Gegevens en bescheiden
                            Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen)Artikel 2.1.2 In de
                            aanvraag op te nemen gegevens (vervallen)Artikel 2.1.3 Aanvraag
                            bouwvergunning (vervallen)Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het
                            coördineren van vergunningaanvragen</vet> (vervallen) <vet>Artikel 2.1.5
                            Bodemonderzoek </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel
                                8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr=""><al>a.de resultaten van een recent verkennend onderzoek verricht
                                        volgens NEN 5740, bijlage B, uitgave 1999, waarbij voor een
                                        terrein dat als verdacht geldt het onderzoeksrapport
                                        daarnaast nog bestaat uit de resultaten van een onderzoek
                                        volgens het gecombineerde protocol Bodemonderzoek
                                        milieuvergunningen en BSB (SDU, uitgave oktober 1993);</al></li><li nr=""><al>b.de resultaten van het nader onderzoek, verricht volgens
                                        het Protocol Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1994) of
                                        de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1 (SDU, uitgave 1995), in
                                        het geval dat de resultaten van het verkennend onderzoek
                                        uitwijzen dat sprake is van bodemverontreiniging en voor de
                                        beoordeling van de ernst van deze verontreiniging een nader
                                        onderzoek, als bedoeld in het Protocol Nader Onderzoek deel
                                        1 (SDU, uitgave 1994) of de Richtlijn Nader Onderzoek deel 1
                                        (SDU, uitgave 1995), onontkoombaar is.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                artikel 1.2.6, onderdeel e, van de Bijlage bij het Besluit
                                indieningsvereisten geldt niet indien het bouwen betrekking heeft op
                                een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een bouwwerk als
                                genoemd in het Besluit bouwwerken.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders verlenen geheel of gedeeltelijk
                                ontheffing van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport
                                als bedoeld in artikel 1.2.6, onderdeel e van de Bijlage bij het
                                Besluit indieningsvereisten, indien voor de toepassing van artikel
                                2.4.1 bij de gemeente reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten
                                beschikbaar zijn.</al></li><li nr="4."><al>Burgemeester en wethouders kunnen gedeeltelijk ontheffing verlenen
                                van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld
                                in artikel 1.2.6, onderdeel e van de Bijlage van het Besluit
                                indieningsvereisten voor een bouwwerk met een beperkte
                                instandhoudingstermijn als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de
                                Woningwet, indien uit het in NVN 5725, uitgave 1999, bedoelde
                                vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
                                bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
                                gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                                uitgave 1999 niet rechtvaardigen. </al></li></lijst><al>5.Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn
                        gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en
                        voordat met de bouw wordt begonnen.</al><al><vet>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag
                            om bouwvergunning (vervallen) Artikel 2.1.7 Bouwregistratie (vervallen)
                            Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                            bouwvergunning woonwagens en standplaatsen (vervallen)Paragraaf 2
                            Behandeling van de aanvraag om bouwvergunningArtikel 2.2.1 Ontvangst van
                            de aanvraag (vervallen) Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling
                            ruimtelijke ordening (vervallen)Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen
                            (vervallen)Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                            bouwvergunningverlening (vervallen)Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en
                            bodemonderzoek (vervallen)Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege
                            verleende bouwvergunning</vet> In de schriftelijke kennisgeving over de
                        van rechtswege verleende bouwvergunning als bedoeld in artikel 58 van de
                        Woningwet wordt aangegeven: </al><al>a.de naam van de aanvrager; </al><al>b.de plaats, de aard en het beoogde gebruik van het bouwwerk; </al><al>c.de kadastrale aanduiding van het terrein, waarop gebouwd wordt; </al><al>d.de wijze waarop bezwaar kan worden gemaakt ingevolge de Algemene wet
                        bestuursrecht. </al><al><vet>Paragraaf 3 WelstandstoetsingArtikel 2.3.1 Welstandscriteria
                            (vervallen)Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem
                            Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</vet> Op een
                        bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten
                        voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voorzover dat
                        bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: </al><al>a.waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven; </al><al>b.voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning is vereist; en </al><al>1.dat de grond raakt, of </al><al>2.waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
                        gehandhaafd. </al><al>b. <vet>Artikel 2.4.2 Voorwaarden bouwvergunning </vet> In afwijking van het
                        bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde in artikel 4 van het
                        Besluit indieningsvereisten en letter e van artikel 1.2.6 van de bij dit
                        besluit behorende bijlage, kunnen burgemeester en wethouders voorwaarden
                        verbinden aan de bouwvergunning, in het geval zij op grond van het in het
                        Besluit indieningsvereisten bedoelde onderzoeksrapport en/of andere bij hen
                        bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond van het overeenkomstig het
                        tweede lid van artikel 39 van de Wet bodembescherming goedgekeurde
                        saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste lid, van die Wet van oordeel
                        zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het
                        stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. <vet>Paragraaf 5
                            Voorschriften van stedenbouwkundige aardArtikel 2.5.1 Richtlijnen voor
                            de verlening van ontheffing van de stedenbouwkundige bepalingen</vet>
                        vervallen <vet>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</vet> Terrein dat voor
                        het verlenen van een bouwvergunning in aanmerking moet worden genomen mag
                        niet nog eens bij de verlening van een bouwvergunning voor een ander
                        bouwwerk in aanmerking worden genomen. <vet>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van
                            bouwwerken voor wegverkeer. Brandblusvoorzieningen</vet></al><al>1.Indien de toegang tot een bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is
                        bestemd, meer dan 10 meter is verwijderd van een openbare weg, moet een
                        verbindingsweg tussen die toegang en het openbare wegennet aanwezig zijn die
                        geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's, ziekenauto's, brandweerauto's
                        en het overige te verwachten verkeer. </al><al>2.Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de
                        gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een
                        verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld: </al><al>a.een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten minste
                        3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                        ten minste 4,2 m; </al><al>b.zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een
                        massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken;
                        en </al><al>c.op doeltreffende wijze kunnen afwateren. </al><al>3.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw,
                        als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken, voorzover dit
                        bijgebouw niet tot bewoning bestemd is, maar wel tot een hoofdgebouw behoort
                        dat op hetzelfde terrein is gelegen. </al><al>4.Nabij ieder bouwwerk dat voor het verblijf van mensen is bestemd, moeten
                        zodanige opstelplaatsen voor blusvoertuigen en redvoertuigen aanwezig zijn,
                        dat een doeltreffende verbinding tussen die auto's en de
                        bluswatervoorziening kan worden gelegd en redding van personen mogelijk
                        wordt.</al><al>5.Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet
                        worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                        bluswatervoorziening. </al><al>6.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste en het vierde lid, indien de aard, de ligging en het gebruik van
                        het bouwwerk zich daarvoor lenen. </al><al><vet>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet>
                        Tussen de toegang van enerzijds:</al><al>a.een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                        Bouwbesluit;</al><al>b.een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector,
                        als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare
                        weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                        aanwezig zijn. </al><al>1.Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al><al>a.ten minste 1,10 m breed moeten zijn;</al><al>b.geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al>c.ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit
                        plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in
                        de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al><al>1. <vet>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</vet> De
                        voorgevelrooilijn is:</al><al>a.langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van
                        de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg
                        gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van de
                        voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig
                        beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft; </al><al>b.langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig
                        is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10
                        meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een wegbreedte
                        geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van de weg. </al><al>b. <vet>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            voorgevelrooilijn</vet> Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is
                        het verboden een bouwvergunningplichtig bouwwerk te bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn. <vet>Artikel 2.5.7 Toegelaten
                            overschrijding van de voorgevelrooilijn</vet> Het verbod tot bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet van toepassing op:</al><al>a.onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                        afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                        veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste
                        lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al><al>b.andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                        afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, eerste
                        lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te weten:</al><al>1.ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                        rioolputten;</al><al>2.stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de weg met
                        niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al><al>b. <vet>Artikel 2.5.8 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                            voorgevelrooilijn</vet></al><al>1.Burgemeester en wethouders kunnen - met inachtneming van het bepaalde in
                        het tweede lid - ontheffing verlenen van het verbod tot het bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn voor:</al><al>a.ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen,
                        mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan het straatpeil;</al><al>b.bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste
                        lid, onder i, en derde lid, van het Besluit bouwwerken, die naar hun aard en
                        bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf toelaatbaar
                        zijn;</al><al>c.laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                        overschrijden;</al><al>d.erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen, die de
                        voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m overschrijden;</al><al>e.trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                        stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende
                        schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor reclames dan
                        bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al><al>f.overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee bouwwerken.</al><al>g.bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                        dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor
                        zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in historisch-esthetisch
                        opzicht gewenste aansluiting bij het karakter van de bestaande
                        omgeving.</al><al>2.Voor het bouwen boven een weg kan alleen vrijstelling worden verleend,
                        indien niet lager gebouwd wordt dan: 4,20 m boven de hoogte van de rijweg,
                        met inbegrip van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden van die
                        rijweg; 2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; en dan nog
                        voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg niet in gevaar komt. </al><al><vet>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</vet> Burgemeester en wethouders kunnen
                        ontheffing verlenen van het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn voor het bouwen op de weg van:</al><al>a.gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het
                        wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder i, van het
                        Besluit bouwwerken;</al><al>b.bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                        waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer,
                        alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid, onder
                        a, b en e, van het Besluit bouwwerken;</al><al>c.vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al><al>d.reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al><al>e.andere bouwvergunningplichtige bouwwerken, die naar hun aard en bestemming
                        op de weg toelaatbaar zijn.</al><al><vet>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                            voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</vet> Een naar de weg
                        gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de voorgevelrooilijn zijn
                        geplaatst.</al><al>1.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><al>a.de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de ontheffing
                        genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend;</al><al>b.in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de ontheffing
                        genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het bouwwerk geheel achter
                        de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al><al>c.in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al><al>2.Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik maakt van
                        90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende voorgevelrooilijnen zich
                        in beide wegen of zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van
                        minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een
                        hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil -
                        worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd
                        blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn. </al><al>3.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid voor:</al><al>a.gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al><al>b.gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al><al>c.vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>d.bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onder b, van het Besluit
                        bouwwerken bedoelde gebouwen;</al><al>e.gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                        begrepen, en de daarbijbehorende woningen;</al><al>f.gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al><al>g.gevallen, waarin de welstand bij het verlenen van de ontheffing is
                        gebaat.</al><al>3. <vet>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</vet></al><al>1.De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en bevindt
                        zich:</al><al>a.in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig, vierhoekig of
                        regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de voorgevelrooilijn
                        gelijk aan de helft van de straal van de ingeschreven cirkel binnen de
                        voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn
                        dan 15 meter. Indien meer dan Eén ingeschreven cirkel binnen de
                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de grootste;</al><al>b.in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een andere dan
                        onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de voorgevelrooilijn, bepaald
                        op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van de vorm van het bouwblok
                        tot een of meer der onder a genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of
                        gezamenlijk in de vorm van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen
                        grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>c.in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig
                        bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van de voorgevelrooilijn
                        gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de beide
                        zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het
                        bouwblok, doch op geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15
                        meter;</al><al>d.in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of te
                        bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een afstand van de
                        voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                        voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde
                        of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al><al>e.in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand die
                        wordt bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn neergelegd in a
                        tot en met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van de
                        voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al><al>2.Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende achtergevelrooilijnen een
                        scherpe hoek vormen moeten de achterzijden van die bebouwing - in het belang
                        van de toetreding van daglicht - over een afstand van ten minste 5 meter ter
                        weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte
                        van beide achtergevelrooilijnen.</al><al>3.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het gebruik van de
                        gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten. </al><al><vet>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                            achtergevelrooilijn</vet> Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is
                        het verboden bouwvergunningplichtige bouwwerken te bouwen met overschrijding
                        van de achtergevelrooilijn. <vet>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding
                            van de achtergevelrooilijn</vet> Het verbod tot bouwen met
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet van toepassing op:</al><al>a.buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                        begrepen;</al><al>b.buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                        doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen,
                        indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter
                        bedraagt;</al><al>c.onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                        afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als een aan- of
                        uitbouw, als bedoeld in artikel 2, onder a, van het Besluit bouwwerken;</al><al>d.onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                        afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                        veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in de artikel 3, eerste
                        lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al><al>e.andere onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                        afzonderlijk realiseren niet vallen onder de werking van artikel 3, eerste
                        lid, onder k, van het Besluit bouwwerken, te weten:</al><al>1.ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen, rioolleidingen en
                        rioolputten;</al><al>2.terrassen, bordessen en bordestreden;</al><al>f.antennes, anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder e en f, van
                        het Besluit bouwwerken.</al><al><vet>Artikel 2.5.14 Ontheffing voor overschrijdingen van de
                            achtergevelrooilijn</vet> Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing
                        verlenen van het verbod tot bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn voor: </al><al>a.buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                        doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder begrepen,
                        waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter
                        bedraagt;</al><al>b.binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al><al>c.vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al><al>d.gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende zijden
                        grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een weg en een
                        spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één van
                        die zijden mag worden bebouwd; </al><al>e.gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als bedoeld
                        in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al><al>f.bijgebouwen, anders dan de gebouwen, bedoeld in artikel 2, onder b, van
                        het Besluit bouwwerken;</al><al>g.gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend handels- of
                        industrieterrein omvattend;</al><al>h.bouwvergunningplichtige bouwwerken, geen gebouw zijnde;</al><al>i.ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en kelderingangen,
                        mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan de hoogte van het
                        terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw;</al><al>j.erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen, bedoeld in artikel
                        2, onder a, van het Besluit bouwwerken;</al><al>k.trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                        stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken,
                        dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan
                        bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al><al>l.bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                        dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor
                        zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                        omgeving.</al><al><vet>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</vet> Bij een woning of
                        woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten minste een strook grond omvat
                        die:</al><al>a.over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel, en</al><al>b.voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is begrepen tussen
                        het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van ten minste 5
                        meter.</al><al>1.De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                        achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel van het
                        gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel
                        2.5.13, en de balkons en veranda's buiten beschouwing blijven. </al><al>2.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde
                        in:</al><al>a.het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de
                        gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;</al><al>b.het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt
                        voldaan:</al><al>1.een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al><al>2.het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar
                        liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan
                        een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen, mits dat terrein
                        slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd en tevens een erf van
                        redelijke afmetingen tot stand wordt gebracht;</al><al>3.bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te bouwen
                        woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt de bestaande
                        toestand verbeterd.</al><al>b. <vet>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</vet> Achter een gebouw,
                        waarvan geen deel tot woning, anders dan als dienstwoning is bestemd, moet
                        een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2
                        meter achter het verst achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de
                        volle breedte daarvan.</al><al>1.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid:</al><al>a.indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel
                        vormen;</al><al>b.indien, voor zover nodig, ontheffing is verleend van het verbod tot
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>1.<vet>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</vet> De zijdelingse
                        begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de zijdelingse grens van
                        het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het
                        aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die:</al><al>a.vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter
                        breed zijn;</al><al>b.niet toegankelijk zijn.</al><al>1.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en
                        onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al><al><vet>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</vet> Erf- en
                        terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2, onder e, van het
                        Besluit bouwwerken, zijn niet toegelaten.</al><al>1.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid in het belang van het af te scheiden erf of terrein.</al><al><vet>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en
                            ondergrondse hoofdtransportleidingen </vet> Binnen een strook van 6
                        meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van
                        bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen delen bevinden van andere
                        bouwvergunningplichtige bouwwerken dan die welke deel uitmaken van de
                        hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden
                        gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder
                        hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale
                        elektrische spanning van 1.000 volt of meer.</al><al>1.Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                        hoofdtransportleiding mogen geen bouwvergunningplichtige bouwwerken worden
                        gebouwd.</al><al>2.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van:</al><al>a.het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6 meter,
                        indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn daarvoor geen
                        bezwaar oplevert;</al><al>b.het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6 meter,
                        indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde ligging van de
                        leiding geen bezwaar bestaat. </al><al>2. <vet>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</vet>
                        Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van
                        een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door de voorgevelrooilijn 1
                        meter, vermeerderd met:</al><al>a.in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen langs
                        de desbetreffende weg;</al><al>b.buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen
                        langs de desbetreffende weg.</al><al>1.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op hoekbebouwing aan
                        wegen, waarvan de afstand tussen de voorgevelrooilijnen onderling verschilt,
                        in welk geval aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de
                        brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af
                        gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                        over geen grotere lengte dan 15 meter.</al><al>2.De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                        desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het
                        bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al><al>3.Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt geldt
                        ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het eerste lid,
                        de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn. Indien de
                        tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van
                        die onderbreking de verst verwijderde van de beide ter weerszijden van de
                        onderbreking voorkomende rooilijnen. </al><al><vet>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</vet>
                        Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte van
                        een bouwvergunningplichtig bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn
                        1 meter, vermeerderd met:</al><al>a.in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;</al><al>b.buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al>1.De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                        achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien de te beschouwen
                        achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter breedte
                        van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde afstand
                        tussen de achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                        achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde
                        tegenover de achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn. </al><al>2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte van
                        een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen dan
                        de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al>3.Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil
                        ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een
                        maat, gelijk aan het verschil tussen het straatpeil en het peil van het
                        onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de
                        bouw. </al><al><vet>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                            achtergevelrooilijn </vet></al><al>1.Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing, gelegen
                        aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de andere
                        weg en bovendien in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan bedraagt -
                        onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale hoogte van de
                        zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten
                        hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die
                        bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze worden
                        bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor de bepaling
                        van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen. </al><al>2.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de voorgevel. </al><al><vet>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                            achtergevelrooilijnen</vet></al><al>1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwvergunningplichtig
                        bouwwerk tussen de voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot
                        de vlakken die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                        achtergevelrooilijn snijden op de - krachtens de artikelen 2.5.20 en 2.5.21
                        - maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een hoek vormen
                        van:</al><al>a.45 graden in de bebouwde kom;</al><al>b.37 graden buiten de bebouwde kom.</al><al>2.Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel heeft die
                        gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit
                        bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het verticale vlak
                        door die zijgevel snijdt ter hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 -
                        maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                        graden. </al><al><vet>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</vet></al><al>1.De hoogte van een bouwvergunningplichtig bouwwerk mag niet meer bedragen
                        dan 15 meter.</al><al>2.Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                        verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de laagst
                        gelegen weg. </al><al><vet>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende
                            terreinen</vet></al><al>1.De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel
                        2.5.14 verleende ontheffing wordt opgericht op een niet aan een weg grenzend
                        terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande dat -
                        uitgaande van een goothoogte van genoemde maat - daarboven een zadeldak met
                        hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.</al><al>2.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid, indien de aard en de ligging van de omringende bebouwing
                        hiervoor geen beletsel vormen.</al><al><vet>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</vet></al><al>1.De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander buitenvlak
                        van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van straatpeil. </al><al>2.De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet worden
                        bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte. Plaatselijke
                        verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en artikel 2.5.28,
                        onder h, i, j en k, moeten - voor zover zij de maximale hoogte overschrijden
                        - buiten beschouwing worden gelaten. </al><al><vet>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet> Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel
                        2.5.21, eerste en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en
                        artikel 2.5.24 is niet van toepassing op:</al><al>a.onderdelen van een bouwvergunningplichtig bouwwerk die bij het
                        afzonderlijk realiseren opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van
                        veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, eerste
                        lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al><al>b.het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan het
                        aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in
                        artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit bouwwerken;</al><al>c.topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de
                        achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de
                        geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is
                        dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte ter
                        plaatse;</al><al>d.plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.</al><al><vet>Artikel 2.5.28 Ontheffing voor overschrijdingen van de toegelaten
                            bouwhoogte</vet> Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen
                        van het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en
                        derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 ten
                        behoeve van:</al><al>a.gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                        gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en vergaderingen;</al><al>b.gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                        welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat;</al><al>c.gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels- en
                        industrieterrein;</al><al>d.agrarische bedrijfsgebouwen;</al><al>e.het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
                        anders dan bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder k, van het Besluit
                        bouwwerken, en indien:</al><al>1.de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte overschrijden en
                        de welstand bij het verlenen van de ontheffing is gebaat;</al><al>2.bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen andere
                        hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;</al><al>f.bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                        waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer,
                        anders dan bedoeld in artikel 3, derde lid, van het Besluit bouwwerken;</al><al>g.topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                        aard;</al><al>h.plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60 meter;</al><al>i.dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75 meter,
                        de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet minder dan 3
                        meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt.
                        Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot
                        verschillende gebouwen behoren;</al><al>j.draagconstructies voor een reclame;</al><al>k.vrijstaande schoorstenen;</al><al>l.bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988 dan wel
                        in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening - voor zover zulks
                        niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht gewenste
                        aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande omgeving.</al><al><vet>Artikel 2.5.29 ` Ontheffing voor overschrijding van de rooilijnen en
                            van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw
                            ruimtelijk beleid</vet></al><al>1.In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28
                        kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de verboden tot
                        bouwen met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van
                        het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale bouwhoogte. </al><al>2.De in het eerste lid bedoelde ontheffing kan door burgemeester en
                        wethouders worden verleend indien:</al><al>a.de desbetreffende bouwactiviteit voorkomt in artikel 20 Bro;</al><al>b.de desbetreffende bouwactiviteit valt onder het beleid van de provincie
                        inzake artikel 19, lid 2 WRO;</al><al>c.het desbetreffende bouwplan in overeenstemming is met in voorbereiding
                        zijnd toekomstig ruimtelijk beleid.</al><al>3.Op de voorbereiding van het besluit omtrent een ontheffing, als bedoeld in
                        het eerste lid, is de in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht
                        geregelde procedure van toepassing, met dien verstande dat:</al><al>a.gedurende de termijn van terinzagelegging eenieder schriftelijk zijn
                        zienswijze omtrent de aanvraag kan inbrengen;</al><al>b.indien er zienswijzen zijn ingebracht burgemeester en wethouders de
                        beslissing over de aanvraag om reguliere bouwvergunning met ten hoogste zes
                        weken kunnen verdagen.'</al><al><vet>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of
                            in gebouwen</vet> Indien de omvang of de bestemming van een gebouw
                        daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van
                        auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw,
                        dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze
                        ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van
                        het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele
                        bereikbaarheid per openbaar vervoer.</al><al>1.De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet
                        afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze
                        eis wordt geacht te zijn voldaan: </al><al>a.indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m bij
                        5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;</al><al>b.indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een
                        gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan een
                        trottoir grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.</al><al>2.Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten
                        behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze
                        behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan
                        wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.</al><al>3.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste en het derde lid:</al><al>a.indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op
                        overwegende bezwaren stuit; of</al><al>b.voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan
                        wel laad- of losruimte wordt voorzien.</al><al><vet>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingenArtikel 2.6.1 Beginsel inzake
                            brandmeldinstallaties</vet></al><al>1.Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de ontdekking en
                        melding van brand, dat een brand zo snel mogelijk kan worden ontdekt en
                        gemeld.</al><al>2.Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze
                        verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie
                        aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die
                        voorschriften.</al><al>3.Het College van Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen
                        t.a.v.artikel 2.6.1 sub 2.</al><al><vet>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</vet></al><al>1.Een gebruiksfunctie waarvan:</al><al>a.de totale gebruiksoppervlakte meer bedraagt dan de in tabel 2.6.1 van
                        bijlage 10 van deze verordening aangegeven grenswaarde; </al><al>b.het aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers meer bedraagt dan de in
                        tabel 2.6.1 van bijlage 10 van deze verordening aangegeven grenswaarde; </al><al>1.is voorzien van een brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN 2535, uitgave
                        1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002.</al><al>2.In een gebruiksfunctie waarin de beide vluchtroutes vanaf de toegang van
                        een verblijfsruimte gedeeltelijk samenvallen, zijn de verkeersruimten waarin
                        bedoelde vluchtroutes samenvallen, alsmede de ruimten van waaruit die
                        vluchtroutes bij brand zouden kunnen worden geblokkeerd, voorzien van een
                        brandmeldinstallatie met ruimtebewaking.</al><al><vet>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door
                        brandmeldinstallaties</vet></al><al>1.De omvang van de bewaking van de brandmeldinstallatie als bedoeld in NEN
                        2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1, uitgave 2002, is uitgevoerd als:</al><al>a.volledige bewaking; zoals aangegeven in tabel 2.6.1 van bijlage 10 van
                        deze verordening, of </al><al>b.ruimte bewaking voor gedeeltelijk samenvallende vluchtroutes en
                        risicoruimten.</al><al>2.Een op grond van artikel 2.6.2, lid 1, a in een bouwwerk aanwezige
                        brandmeldinstallatie meldt rechtstreeks door naar de alarmcentrale van de
                        brandweer.</al><al><vet>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</vet></al><al>1.Een op grond van artikel 2.6.2 in een bouwwerk aanwezige
                        brandmeldinstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2535, uitgave 1996, en
                        NEN 2535/A1 uitgave 2002.</al><al>2.Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                        brandmeldinstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig een door of
                        namens burgemeester en wethouders aanvaard programma van eisen als bedoeld
                        in de NEN 2535, uitgave 1996, en NEN 2535/A1 uitgave 2002.</al><al>3.Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                        brandmeldinstallatie is voorzien van een geldig certificaat als bedoeld in
                        de Regeling Brandmeldinstallaties 2002 waarvan een door burgemeester en
                        wethouders erkende, ter zake kundige, onafhankelijke inspectie instelling in
                        een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat dit certificaat ten minste
                        gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld in de vorengenoemde
                        Regeling Brandmeldinstallaties 2002.</al><al>4.Een op grond van artikel 2.6.2, in een bouwwerk aanwezige
                        brandmeldinstallatie is voorzien van een adresseerbaar en intelligent
                        systeem.</al><al><vet>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties</vet> Een
                        te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor alarmering dat
                        gebruikers bij brand binnen redelijke tijd uit het bouwwerk kunnen
                        vluchten.</al><al>1.Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.5 van bijlage 11 van deze
                        verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie
                        aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die
                        voorschriften.</al><al><vet>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties</vet> Een
                        gebruiksfunctie:</al><al>a.die op grond van artikel 2.6.2 is voorzien van een
                        brandmeldinstallatie;</al><al>b.waarvan de totale gebruiksoppervlakte meer bedraagt dan de in tabel 2.6.5
                        van bijlage 11 van deze verordening aangegeven grenswaarde;</al><al>c.waarvan de totale gebruiksoppervlakte minder of gelijk is dan de onder b
                        van dit lid bedoelde grenswaarde en die is gelegen in een bouwwerk dat
                        bestaat uit twee of meer bouwlagen; is voorzien van een
                        ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575, uitgave 2000. </al><al>1.In een gebruiksfunctie waarin de beide vluchtroutes vanaf de toegang van
                        een verblijfsruimte gedeeltelijk samenvallen, is onverminderd het bepaalde
                        in artikel 2.6.2, tweede lid, voor de verblijfsruimten die zijn aangewezen
                        op de verkeersruimten waarin bedoelde vluchtroutes samenvallen, voorzien in
                        een automatische ontruimingsalarminstallatie als bedoeld in NEN 2575,
                        uitgave 2000.</al><al><vet>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</vet></al><al>1.Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                        ontruimingsalarminstallatie voldoet aan het gestelde in NEN 2575, uitgave
                        2000.</al><al>2.Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                        ontruimingsalarminstallatie is ontworpen en aangelegd overeenkomstig een
                        door of namens burgemeester en wethouders aanvaard programma van eisen, als
                        bedoeld in NEN 2575, uitgave 2000.</al><al>3.Een op grond van artikel 2.6.6, in een bouwwerk aanwezige
                        ontruimingsalarminstallatie is voorzien van een geldig certificaat als
                        bedoeld in de Regeling Brandmeldinstallaties 2002 waarvan een door
                        burgemeester en wethouders erkende, ter zake kundige, onafhankelijke
                        inspectie instelling in een schriftelijke verklaring heeft aangetoond dat
                        dit certificaat ten minste gelijkwaardig is aan een certificaat als bedoeld
                        in de vorengenoemde Regeling Brandmeldinstallaties 2002.</al><al><vet>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>1.Een te bouwen bouwwerk heeft zodanige voorzieningen voor de herkenning van
                        vluchtroutes dat gebruikers op veilige wijze uit het bouwwerk kunnen
                        vluchten.</al><al>2.Voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van deze
                        verordening voorschriften zijn aangewezen, wordt voor die gebruiksfunctie
                        aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die
                        voorschriften.</al><al><vet>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>1.Een gebruiksfunctie, genoemd in tabel 2.6.8 van bijlage 12 van deze
                        verordening, is voorzien van vluchtrouteaanduidingen, als bedoeld in NEN
                        6088, uitgave 2002.</al><al>2.Indien een gebruiksfunctie op grond van enig wettelijk voorschrift een
                        voorziening voor noodstroom heeft, is de in het eerste lid bedoelde
                        vluchtrouteaanduiding voorzien van verlichting en op de
                        noodstroomvoorziening aangesloten, waarbij voor de zichtbaarheidsaspecten
                        met betrekking tot die verlichting wordt voldaan het gestelde in de
                        paragrafen 5.2 tot en met 5.6 van NEN- EN 1838, uitgave 1999. </al><al><vet>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</vet></al><al>1.Een op grond van artikel 2.6.9 in een bouwwerk aanwezige
                        vluchtrouteaanduiding voldoet aan het gestelde in NEN 6088, uitgave
                        2002.</al><al>2.Een vluchtrouteaanduiding is goed zichtbaar en voldoende herkenbaar
                        aangebracht.</al><al><vet>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</vet></al><al>1.Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als
                        gelijkwaardige oplossing een brandmeldinstallatie wordt toegepast, is
                        artikel 2.6.4 van overeenkomstige toepassing.</al><al>2.Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als
                        gelijkwaardige oplossing een ontruimingsalarminstallatie wordt toegepast, is
                        artikel 2.6.7 van overeenkomstige toepassing.</al><al>3.Voor bouwwerken waarin op grond van artikel 1.5 van het Bouwbesluit als
                        gelijkwaardige oplossing vluchtrouteaanduiding aanwezig is, zijn de
                        artikelen 2.6.9, tweede lid, en 2.6.10 van overeenkomstige toepassing.</al><al><vet>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningenArtikel 2.7.1 Eis tot
                            aansluiting aan de waterleiding</vet> De in artikel 3.119 van het
                        Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen voorzieningen voor
                        drinkwater moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare
                        waterleiding:</al><al>a.indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van het distributienet is gelegen; of</al><al>b.indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij
                        zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 50 m.</al><al><vet>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet> De in
                        artikel 2.46 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te brengen
                        elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                        distributienet voor elektriciteit:</al><al>a.indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b.indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 100 m.</al><al><vet>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet></al><al>1.De in artikel 2.68 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet
                        voor aardgas:</al><al>a.indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b.indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting
                        voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40
                        m. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid op woningen voor
                        bejaarden.</al><al>2.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid:</al><al>a.voor woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al><al>b.voor woningen die niet bestemd zijn om te worden verhuurd;</al><al>c.voor woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al><al>2.<vet>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare
                        riolering</vet></al><al>1.De in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en fecaliën alsmede de
                        in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater moeten zijn aangesloten
                        aan een openbaar riool. Niet van toepassing is het bepaalde in dit lid: </al><al>a.in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is;</al><al>b.voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd.</al><al>2.Op aanwijzing van het bouwtoezicht wordt bepaald:</al><al>a.op welke plaats en op welke hoogte de voor het maken van de aansluiting
                        noodzakelijke leiding de gevel van het gebouw, dan wel de grens van het erf
                        of terrein moet kruisen;</al><al>b.of er al dan niet voorzieningen in die aansluitleiding moeten worden
                        tussengeschakeld ter voorkoming van het terugvloeien van afvalwater,
                        faecaliën en hemelwater, ingeval de leiding te laag gelegen is om op
                        natuurlijke wijze op het openbaar riool te lozen.</al><al>3.Op aanwijzing van het bevoegd gezag krachtens de Wet milieubeheer moet
                        worden bepaald of er al dan niet voorzieningen in de bedoelde
                        aansluitleiding moeten worden tussengeschakeld ter verzekering van de goede
                        werking of de goede staat van het openbaar riool, dan wel ter voorkoming van
                        hinder voor andere aangeslotenen aan het openbaar riool, ingeval de
                        hoeveelheid of de aard van de af te voeren stoffen daartoe aanleiding
                        geeft.</al><al>4.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid, indien afvoer op een andere wijze zonder verontreiniging van
                        water, bodem of lucht mogelijk is:</al><al>a.voor bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool
                        zijn gelegen;</al><al>b.voor agrarische bedrijven.</al><al>4. <vet>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare
                        riolering</vet></al><al>1.Indien de in artikel 3.31 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aan
                        te brengen voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en fecaliën alsmede
                        de in artikel 3.41 van het Bouwbesluit bedoelde, aan of in bouwwerken aan te
                        brengen voorzieningen voor de afvoer van hemelwater niet aan een openbaar
                        riool worden aangesloten, gelden de volgende bepalingen:</al><al>a.leidingen voor fecaliën afkomstig uit toiletten met waterspoeling, moeten
                        lozen op een rottingput met overstort;</al><al>b.leidingen voor fecaliën afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling,
                        moeten lozen op een beerput zonder overstort, een gierput of een rottingput
                        met overstort;</al><al>c.leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                        zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen
                        dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;</al><al>d.leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                        zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al><al>2.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in
                        het eerste lid, onder a en b, indien afvoer op andere wijze zonder
                        verontreiniging van water, bodem en lucht mogelijk is. </al><al><vet>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen</vet></al><al>1.Ondergrondse doorvoeringen van leidingen door uitwendige
                        scheidingsconstructies van bouwwerken moeten zoveel mogelijk haaks
                        plaatsvinden. De doorvoeringen moeten waterdicht zijn aangewerkt.</al><al>2.De aansluiting van de in het eerste lid bedoelde leidingen aan leidingen
                        van de buitenriolering moet zodanig zijn dat de dichtheid van de aansluiting
                        gehandhaafd blijft bij enige zetting van het bouwwerk of de
                        buitenriolering.</al><al>3.In leidingen, gelegen tussen de gevel van een gebouw en de aansluiting aan
                        een openbaar riool, mogen geen beerputten of rottingputten voorkomen.</al><al>4.Leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen mogen geen
                        vernauwingen in de stroomrichting bevatten en moeten een vloeiend beloop
                        hebben, alsmede een voldoende lucht- en waterdichtheid en een voldoende
                        binnenwerkse middellijn. Aan beide laatstgenoemde eisen wordt geacht te zijn
                        voldaan, indien wordt voldaan aan het bepaalde in NEN 3215, uitgave 1997. </al><al>5.Onverminderd het bepaalde in het vierde lid, moet een leiding voor de
                        afvoer van afvalwater, faecaliën en hemelwater ter plaatse waar zij de grens
                        van de weg kruist, een binnenwerkse middellijn hebben van ten minste 125
                        mm.</al><al>6.Het materiaal, de sterkte en de vorm van buizen en hulpstukken van
                        leidingen van de buitenriolering op erven en terreinen moeten doeltreffend
                        zijn. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan, indien wordt voldaan aan
                        het bepaalde in de NEN-normen die zijn opgenomen in bijlage 7. </al><al><vet>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de nutsvoorzieningen</vet> De in de artikelen 2.7.1,
                        2.7.2, 2.7.3 en 2.7.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste
                        lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het
                        deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het
                        distributienet bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één
                        erf of terrein bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. <vet>Hoofdstuk3
                            De meldingArtikel 3.1 De wijze van meldenArtikel 3.2
                            WelstandscriteriaHoofdstuk 4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de
                            bouw en bij ingebruikneming van een bouwwerkArtikel 4.1 Intrekking
                            bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse staking van
                            bouwwerkzaamheden</vet> Burgemeester en wethouders kunnen op grond van
                        het gestelde in artikel 59 van de Woningwet de bouwvergunning geheel of
                        gedeeltelijk intrekken, indien:</al><al>a.binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de bouwvergunning geen
                        begin met de bouwwerkzaamheden is gemaakt;</al><al>b.tussen het begin en het einde van de bouwwerkzaamheden deze werkzaamheden
                        langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.</al><al><vet>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</vet> Op
                        het bouwterrein moeten, voor zover van toepassing op het bouwwerk, aanwezig
                        zijn en op verzoek aan het bouwtoezicht ter inzage worden gegeven:</al><al>a.de bouwvergunning;</al><al>b.andere vergunningen en ontheffingen;</al><al>c.het bouwveiligheidsplan;</al><al>d.de aanschrijving ingevolge de Woningwet.</al><al><vet>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen)Artikel
                            4.4 Het uitzetten van de bouw</vet> Met het bouwen van een bouwwerk
                        waarvoor bouwvergunning is verleend mag - onverminderd het in de voorwaarden
                        van de bouwvergunning bepaalde - niet worden begonnen alvorens door of
                        namens burgemeester en wethouders voor zover nodig:</al><al>a.het straatpeil is aangegeven;</al><al>b.de rooilijnen en/of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn
                        uitgezet.</al><al><vet>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                            van) de bouwwerkzaamheden</vet></al><al>1.Het bouwtoezicht dient - voor zover het betreft bouwwerken waarvoor
                        bouwvergunning is verleend en onverminderd het bepaalde in de voorwaarden
                        van de bouwvergunning - ten minste twee dagen voor de aanvang van elk der
                        hierna te noemen onderdelen van het bouwproces in kennis te worden
                        gesteld:</al><al>a.de aanvang der werkzaamheden, ontgravingwerkzaamheden daaronder
                        begrepen;</al><al>b.de aanvang van het inbrengen van de funderingspalen, het slaan van
                        proefpalen daaronder begrepen;</al><al>c.de aanvang van de grondverbeteringwerkzaamheden.</al><al>2.Het bouwtoezicht dient ten minste één dag van tevoren in kennis te worden
                        gesteld van het storten van beton.</al><al>3.De in het eerste en tweede lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                        bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al><al><vet>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en
                            onderzoekingen</vet> Zolang de bouwwerkzaamheden niet zijn voltooid
                        moeten alle opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoeken worden
                        verricht, welke het bouwtoezicht in het kader van de controle op de naleving
                        van deze verordening en van het Bouw-besluit nodig acht. <vet>Artikel 4.7
                            Bemalen van bouwputten</vet> Bij het bemalen van bouwputten,
                        leidingsleuven en andere tijdelijke ontgravingen ten behoeve van
                        bouwwerkzaamheden mag niet op een zodanige wijze water aan de bodem worden
                        onttrokken, dat een verlaging van de grondwaterstand in de omgeving
                        plaatsvindt, waardoor funderingen van naburige bouwwerken kunnen worden
                        aangetast op een wijze die de veiligheid van die bouwwerken schaadt.
                            <vet>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</vet></al><al>1.Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat, moet
                        geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
                        veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de weg
                        gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige bouwwerken,
                        open erven en terreinen en hun gebruikers.</al><al>2.Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd moeten,
                        wanneer er niet wordt gewerkt - rustpauzen tijdens de dagelijkse werktijd
                        niet inbegrepen:</al><al>a.de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering van
                        het bouw- en grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn uitgeschakeld,
                        dat het weer in gebruik stellen van de installaties door anderen dan daartoe
                        bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;</al><al>b.machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand, dat
                        deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan de
                        daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld;</al><al>3.Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een elektrische
                        verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch aangedreven
                        bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de voeding niet wordt
                        onderbroken en de veiligheid voldoende is gewaarborgd.</al><al>4.Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te nemen of
                        andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit veiligheidsoogpunt
                        nodig zijn.</al><al><vet>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</vet></al><al>1.Het terrein waarop wordt gebouwd, grond wordt ontgraven of dergelijke
                        werkzaamheden worden verricht, moet door een doeltreffende afscheiding van
                        de weg en van het aangrenzende open erf of terrein zijn afgescheiden indien
                        gevaar of hinder te duchten is. </al><al>2.De in het eerste lid bedoelde afscheiding moet zodanig zijn geplaatst en
                        ingericht, dat het verkeer zo min mogelijk hinder ervan ondervindt en de
                        toegang tot brandkranen en andere openbare voorzieningen, zoals leidingen,
                        er niet door wordt belemmerd.</al><al>3.Een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd en dat niet
                        van de weg en van het aangrenzende open erf of terrein is afgescheiden,
                        moet, wanneer er niet wordt gewerkt, worden bewaakt, tenzij het bouwtoezicht
                        dit niet nodig acht.</al><al><vet>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van
                            hinder</vet></al><al>1.Afscheidingen, steigers, ladders, heistellingen, transportinrichtingen en
                        ander hulpmateriaal moeten, wat kwaliteit en samenstelling betreft, voldoen
                        aan de eis van goed en veilig werk en in goede staat van onderhoud
                        verkeren.</al><al>2.Het is verboden bij de uitvoering van een bouw- of grondwerk een werktuig
                        of een stof te gebruiken, indien daardoor gevaar voor de omgeving
                        optreedt.</al><al>3.Burgemeester en wethouders kunnen het gebruik van een werktuig, dat schade
                        of ernstige hinder voor de omgeving veroorzaakt of kan veroorzaken,
                        verbieden.</al><al>4.Burgemeester en wethouders kunnen voorschrijven, dat voor een op een werk
                        te gebruiken krachtwerktuig:</al><al>a.uitsluitend een bepaalde brandstof wordt gebezigd, en/of</al><al>b.de aandrijving elektrisch geschiedt, en/of</al><al>c.het werktuig gedurende bepaalde delen van een etmaal niet mag worden
                        gebruikt.</al><al>5.Het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid is niet van toepassing
                        indien en voor zover het betreft nadelige gevolgen voor het milieu waarop de
                        Wet milieubeheer of enige in deze wet genoemde milieuwet van toepassing
                        is.</al><al><vet>Artikel 4.11 Bouwafval</vet></al><al>1.Het bouwafval moet op de bouwplaats ten minste worden gescheiden in de
                        volgende fracties:</al><al>a.de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                        Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst
                        (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al><al>b.steenwol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al><al>c.glaswol, mits dit meer dan 1 m3 per bouwproject bedraagt;</al><al>d.overig afval.</al><al>2.Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder d, en de fracties,
                        bedoeld in het voorgaande lid onder a, b en c, moeten op de bouwplaats
                        gescheiden worden gehouden.</al><al>3.Indien de totale hoeveelheid bouwafval die vrijkomt bij een bouwproject
                        minder bedraagt dan de inhoud van één container van 10 m3, mag degene die
                        bedrijfsmatig bouwwerkzaamheden verricht dit bouwafval meenemen naar zijn
                        bedrijf voor tijdelijke opslag.</al><al><vet>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de
                            bouwwerkzaamheden</vet></al><al>1.Van het gereedkomen van putten en van grond- en huisaansluitleidingen van
                        de riolering, en van leidingdoorvoeren en mantelbuizen door wanden en
                        vloeren beneden straatpeil moet het bouwtoezicht onmiddellijk na die
                        voltooiing in kennis worden gesteld. </al><al>2.Onderdelen van het bouwwerk, waarop het eerste lid betrekking heeft, mogen
                        niet zonder toestemming van het bouwtoezicht aan het oog worden onttrokken
                        gedurende twee dagen na het tijdstip van kennisgeving. </al><al>3.Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op die
                        onderdelen van het bouwwerk, waarvoor in de aan de bouwvergunning verbonden
                        voorwaarden een plicht tot kennisgeving van voltooiing is bepaald. </al><al>4.Uiterlijk op de dag van beëindiging van de werkzaamheden, waarop de
                        bouwvergunning betrekking heeft, wordt het einde van die werkzaamheden bij
                        het bouwtoezicht gemeld.</al><al>5.De in dit artikel bedoelde kennisgevingen moeten, indien het bouwtoezicht
                        dit verlangt, schriftelijk geschieden.</al><al><vet>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</vet></al><al>1.Indien bij temperaturen beneden 2 graden Celsius beton-, metsel- of
                        buitenpleisterwerk wordt uitgevoerd, moet het bouwtoezicht ten minste twee
                        dagen vóór het begin van het desbetreffende werk in kennis worden gesteld
                        van de te treffen maatregelen ten behoeve van:</al><al>a.het niet verwerken van bevroren materialen;</al><al>b.het verkrijgen van een goede binding en verharding;</al><al>c.de bescherming van het desbetreffende werk na de voltooiing tegen
                        vorstschade, zolang het nog onvoldoende is verhard of de temperatuur nog
                        beneden 2 graden Celsius is.</al><al>2.De in het eerste lid bedoelde kennisgevingen moeten, indien het
                        bouwtoezicht dit verlangt, schriftelijk plaatsvinden.</al><al><vet>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</vet> Na de bouw van een
                        bouwwerk, waarvoor bouwvergunning is verleend, is het verboden dit bouwwerk
                        in gebruik te geven of te nemen indien één van de volgende omstandigheden
                        zich voordoet:</al><al>a.het bouwwerk is niet gereed gemeld bij het bouwtoezicht;</al><al>b.er is niet gebouwd overeenkomstig de bouwvergunning.</al><al><vet>Hoofdstuk5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheids-
                            installaties, aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van
                            schadelijk en hinderlijk gedierteParagraaf 1 Staat van open erven en
                            terreinenArtikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en
                            terreinen</vet></al><al>1.Open erven en terreinen moeten zich in een, in verband met hun bestemming,
                        voldoende staat van onderhoud bevinden.</al><al>2.Open erven en terreinen mogen geen gevaar kunnen opleveren voor de
                        veiligheid, noch nadeel voor de gezondheid van of hinder voor de gebruikers
                        of anderen, ten gevolge van:</al><al>a.drassigheid;</al><al>b.stank;</al><al>c.verontreiniging;</al><al>d.aanwezigheid van schadelijk of hinderlijk gedierte;</al><al>e.aanwezigheid van begroeiing.</al><al>2. <vet>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                            Brandblusvoorzieningen</vet></al><al>1.Indien de toegang van een gebouw meer dan 10 meter is verwijderd van een
                        openbare weg, moet een verbindingsweg tussen die toegang en het openbare
                        wegennet aanwezig zijn die geschikt is voor verhuisauto's, vuilnisauto's,
                        ziekenauto's, brandweerauto's en het overige te verwachten verkeer, tenzij
                        de aard, de ligging en het gebruik van het gebouw zulks niet vereisen.</al><al>2.Een geschikte verbindingsweg in de zin van het eerste lid moet, tenzij de
                        gemeenteraad voor de desbetreffende weg in een bestemmingsplan of in een
                        verordening of anderszins voorschriften heeft vastgesteld:</al><al>a.een breedte hebben van ten minste 4,5 m, over een breedte van ten minste
                        3,25 m zijn verhard en een vrije hoogte boven de kruin van de weg hebben van
                        ten minste 4,2 m; </al><al>b.zijn verhard op een wijze die geschikt is voor motorvoertuigen met een
                        massa van ten minste 14.600 kg en zijn voorzien van de nodige kunstwerken;
                        en</al><al>c.op doeltreffende wijze kunnen afwateren.</al><al>3.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op een bijgebouw,
                        als bedoeld in artikel 2, onder b, van het Besluit bouwwerken bedoelde
                        gebouwen, voorzover dit niet voor bewoning is bestemd, maar wel tot een
                        hoofdgebouw behoort dat op hetzelfde terrein is gelegen.</al><al>4.Nabij ieder gebouw moeten zodanige opstelplaatsen voor blusvoertuigen en
                        redvoertuigen aanwezig zijn, dat een doeltreffende verbinding tussen die
                        auto's en de bluswatervoorziening kan worden gelegd en redding van personen
                        mogelijk wordt.</al><al>5.Bij afwezigheid van een toereikende openbare bluswatervoorziening moet
                        worden zorg gedragen voor een doeltreffende niet-openbare
                        bluswatervoorziening.</al><al><vet>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</vet></al><al>1.Tussen de toegang van enerzijds:</al><al>a.een woning of een woongebouw, als bedoeld in artikel 4.3 van het
                        Bouwbesluit; </al><al>b.een gebouw met een al dan niet gemeenschappelijke toegankelijkheidssector,
                        als bedoeld in artikel 4.3 van het Bouwbesluit; en anderzijds de openbare
                        weg moet een mede voor gehandicapten begaanbare weg of begaanbaar pad
                        aanwezig zijn. </al><al>2.Voor de in het eerste lid bedoelde wegen en paden geldt dat zij:</al><al>a.ten minste 1,10 m breed moeten zijn; en</al><al>b.geen kleinere vrije doorgang mogen hebben dan 0,85 m; en</al><al>c.ten hoogste een hoogteverschil mogen overbruggen van 0,02 m, tenzij dit
                        plaatsvindt door middel van een hellingbaan die voldoet aan het bepaalde in
                        de artikelen 2.39 en 2.40 van het Bouwbesluit.</al><al>2. <vet>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                            vluchtrouteaanduidingenArtikel 5.2.1 Voorschriften inzake
                            brandveiligheids-installaties en vluchtrouteaanduidingen</vet> Voor
                        bestaande bouwwerken zijn de artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.10 van
                        overeenkomstige toepassing. <vet>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van
                            brandveiligheids-installaties in gebouwen, niet zijnde woningen,
                            woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of kantoorgebouwen
                            (vervallen)Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties
                            in woongebouwen van bijzondere aard (vervallen)Artikel 5.2.4
                            Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in logiesverblijven en
                            logiesgebouwen (vervallen)Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van
                            brandveiligheid-installaties in kantoorgebouwen (vervallen)Paragraaf 3
                            Aansluiting op de nutsvoorzieningenArtikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan
                            de waterleiding</vet> De in de artikelen 3.123 en 3.124 van het
                        Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige voorzieningen voor drinkwater
                        moeten zijn aangesloten aan het distributienet van de openbare
                        waterleiding:</al><al>a.indien het bouwwerk op ten hoogste 50 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van het distributienet is gelegen; of</al><al>b.indien het bouwwerk op een grotere afstand dan 50 m van de dichtst bij
                        zijnde leiding van het distributienet is gelegen, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 50 m. </al><al><vet>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</vet> De in
                        artikel 2.52 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        elektriciteitsvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare
                        distributienet voor elektriciteit:</al><al>a.indien het bouwwerk op ten hoogste 100 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b.indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        elektriciteitsdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van
                        aansluiting voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een
                        afstand van 100 m.</al><al><vet>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</vet> De in
                        artikel 2.72 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        gasvoorziening moet zijn aangesloten aan het openbare distributienet voor
                        aardgas:</al><al>a.indien het bouwwerk op ten hoogste 40 m afstand van de dichtst bij zijnde
                        leiding van dat distributienet is gelegen; of</al><al>b.indien het bouwwerk op grotere afstand is gelegen van de leiding van het
                        aardgasdistributienet dan onder a bedoeld, maar de kosten van aansluiting
                        voor het desbetreffende bouwwerk niet hoger zijn dan bij een afstand van 40
                        m.</al><al>Niet van toepassing is voorgaande eis op:</al><al>a.woningen voor bejaarden;</al><al>b.woningen met een gebruiksoppervlakte van meer dan 500 m2;</al><al>c.woningen die niet worden verhuurd;</al><al>d.woningen met een aansluiting op het stadsverwarmingnet.</al><al><vet>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</vet></al><al>1.De in artikel 3.36 van het Bouwbesluit bedoelde, in bouwwerken aanwezige
                        voorzieningen voor de afvoer van afvalwater en fecaliën alsmede de eventueel
                        in of aan bouwwerken aanwezige voorzieningen voor de afvoer van hemelwater
                        moeten, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.6, op een doeltreffende
                        wijze zijn aangesloten aan een openbaar riool.</al><al>2.Niet van toepassing is het gestelde in het eerste lid:</al><al>a.in delen van de gemeente waarin geen openbare riolering aanwezig is;</al><al>b.op bouwwerken die op een grotere afstand dan 40 m van een openbaar riool
                        zijn gelegen;</al><al>c.voor zover uitsluitend hemelwater wordt geloosd;</al><al>d.op agrarische bedrijven waarin de fecaliën voor bedrijfsdoeleinden worden
                        gebruikt en een daartoe voldoende ruime gier- of beerput aanwezig is.</al><al>2. <vet>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</vet>
                        Indien het gestelde in artikel 5.3.4, tweede lid, van toepassing is, gelden
                        de volgende bepalingen:</al><al>a.voor de opvang van fecaliën afkomstig uit toiletten met waterspoeling,
                        moet een doeltreffende rottingput met een doeltreffende aansluitleiding naar
                        die toiletten aanwezig zijn, tenzij de faecaliën voor agrarische
                        bedrijfsdoeleinden worden gebruikt;</al><al>b.voor de opvang van fecaliën afkomstig uit toiletten zonder waterspoeling,
                        moeten een doeltreffende beerput zonder overstort, een doeltreffende gierput
                        of een doeltreffende rottingput met overstort aanwezig zijn, alsmede een
                        doeltreffende aansluitleiding tussen die toiletten en de genoemde put,
                        tenzij op andere zodanige wijze wordt geloosd dat geen verontreiniging van
                        water, bodem of lucht kan optreden;</al><al>c.leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                        zonder faecaliën, alsmede overstorten van rottingputten moeten zodanig lozen
                        dat geen verontreiniging van water, bodem of lucht kan optreden;</al><al>d.leidingen voor de afvoer van hemelwater en voor de afvoer van afvalwater
                        zonder faecaliën mogen niet lozen op een rottingput.</al><al><vet>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                            erven en terreinen</vet> Artikel 2.7.6 en de bijbehorende bijlage 7 zijn
                        van overeenkomstige toepassing. </al><al><vet>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                            openbare net van de</vet></al><al><vet> nutsvoorzieningen</vet> De in de artikelen 5.3.1, 5.3.2, 5.3.3 en
                        5.3.4 bedoelde afstand moet worden gemeten langs de kortste lijn waarlangs
                        een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt en tot het deel van het
                        bouwwerk dat zich het dichtst bij een leiding van het distributienet
                        bevindt. Hierbij moeten bouwwerken die zich tezamen op één erf of terrein
                        bevinden, als één bouwwerk worden beschouwd. <vet>Paragraaf 4 Het weren van
                            schadelijk of hinderlijk gedierte en reinheid. Artikel 5.4.1
                            Preventie</vet> Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te
                        geschieden dat het bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt. <vet>Hoofdstuk
                            6 Brandveilig gebruik Paragraaf 1 GebruiksvergunningArtikel 6.1.1
                            Vergunning gebruik bouwwerk</vet></al><al>1.Het is verboden zonder of in afwijking van een gebruiksvergunning van
                        burgemeester en wethouders een bouwwerk in gebruik te hebben of te houden,
                        waarin:</al><al>a.meer dan vijftig personen tegelijk aanwezig zullen zijn, anders dan in een
                        één- of meergezinshuis;</al><al>b.bedrijfsmatig de stoffen zullen worden opgeslagen die in de Regeling
                        Bouwbesluit 2003 zijn omschreven als brandbaar, brandbevorderend en bij
                        brand gevaar opleverend;</al><al>c.aan meer dan vijf personen bedrijfsmatig of in het kader van verzorging
                        nachtverblijf zal worden verschaft;</al><al>d.aan meer dan vijf kinderen jonger dan twaalf jaar, of aan meer dan acht
                        lichamelijk en/of geestelijk gehandicapten dagverblijf zal worden
                        verschaft.</al><al>e.In de vorm van kamerverhuur aan 5 of meer personen huisvesting wordt
                        verschaft;</al><al>f. bij het bouwen en/of verbouwen gebruik is gemaakt van hoofdstuk 1 § 3
                        artikel 1.5 van het Bouwbesluit 2003, of van de artikelen 21, 88,119, 158,
                        193, 307, 374 en 395 van het Bouwbesluit 1992, indien hierbij sprake is van
                        gelijkwaardigheid op grond van het brandveilig gebruik, met uitzondering van
                        woningen.</al><al>g.een seksinrichting (als bedoeld in artikel 3.1.1 APV) wordt
                        geëxploiteerd.</al><al>2.Burgemeester en wethouders kunnen aan de gebruiksvergunning slechts
                        voorwaarden verbinden in het belang van het voorkomen, beperken en
                        bestrijden van brand, het beperken van brandgevaar en het voorkomen en
                        beperken van ongevallen bij brand. Hieronder worden begrepen voorwaarden met
                        betrekking tot: stoffering en versiering; uitgangen en vluchtwegen;
                        installaties; standbouw, podia, kramen e.d.; verbrandingsmotoren; verbod
                        voor open vuur en vuurwerk; bewaking en controle; ventilatie en
                        werkzaamheden; brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende
                        stoffen; opstellingsplannen; afval; doorlopend toezicht;
                        brandveiligheidsinstructie en ontruimingsplan uitgaande van de bestaande
                        interne organisatie; het maximaal toelaatbare aantal personen in een ruimte
                        van een gebouw, bereikbaarheidskaarten / aanvalsplannen of in een gebouw met
                        het oog op de brandveiligheid; de plaats van, alsmede het aantal en het type
                        draagbare blustoestellen en/of minihaspels. </al><al>3.Indien het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond
                        van een verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden
                        gelegen buiten het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de vergunning,
                        kunnen burgemeester en wethouders aan de vergunning nieuwe voorwaarden
                        verbinden en gestelde voorwaarden wijzigen of intrekken.</al><al>4.De geldigheidsduur van de gebruiksvergunning is gesteld op 5 jaar. Na 5
                        jaar zal er voor het brandveilig gebruiken van een gebouw een nieuwe
                        vergunning aangevraagd moeten worden.</al><al>5.Indien geconstateerd wordt dat een gebouw niet voldoet aan het beleid
                        bestaande bouw, vastgesteld door de gemeenteraad d.d 12 juni 2003, het van
                        rechtens verkregen niveau en/of het bouwbesluit 2003 kan een beperking in
                        het gebruik opgenomen worden in de vergunning.</al><al>6.Indien niet voldaan kan worden aan de in lid 5 genoemde regelgeving kan
                        een vergunning verleend worden met een daarbij behorend gesloten convenant,
                        ondertekend door alle belanghebbende partijen. Beperking in het gebruik kan
                        altijd onderdeel blijven van de vergunning.</al><al><vet>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</vet></al><al>1.Bij de aanvraag moeten de gegevens en bescheiden worden overgelegd als
                        genoemd in bijlage 2 van deze verordening.</al><al>2.Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruik maken van de
                        door of namens burgemeester en wethouders vastgestelde formulieren. De bij
                        deze aanvraag behorende gegevens en bescheiden moeten voldoen aan de eisen
                        van de in het tweede lid genoemde bijlage.</al><al>3.De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in 4voud worden
                        ingediend.</al><al>4.De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het Nederlands
                        zijn gesteld.</al><al>5.De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij betrekking
                        heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende
                        terreinen.</al><al>6.De bij de aanvraag om gebruiksvergunning behorende bescheiden moeten door
                        de aanvrager of diens gemachtigde worden ondertekend dan wel worden
                        gewaarmerkt.</al><al>7.Indien de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een bestaande
                        situatie, moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden de
                        bestaande en de nieuwe toestand duidelijk blijken.</al><al>8.De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs
                        van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is
                        vermeld.</al><al><vet>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</vet> Bij het niet voldoen aan de
                        bij of krachtens artikel 6.1.2 gestelde eisen, alsmede aan de eisen die
                        gelden ingevolge de artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht
                        stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid om binnen
                        vier weken de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.
                            <vet>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>1.Burgemeester en wethouders beslissen op een aanvraag voor een
                        gebruiksvergunning binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag.</al><al>2.Burgemeester en wethouders kunnen hun beslissing voor ten hoogste zes
                        weken verdagen.</al><al>3.In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid houden
                        burgemeester en wethouders de beslissing aan indien:</al><al>a.voor hetzelfde bouwwerk een bouwvergunning is vereist en zij over die
                        vergunning nog niet hebben beslist;</al><al>b.voor hetzelfde bouwwerk een aanschrijving is vereist wegens strijd met de
                        voorschriften van het Bouwbesluit, als bedoeld in een der artikelen 14, 17,
                        of 18 van de Woningwet, en deze binnen de in het eerste lid vermelde termijn
                        is verzonden, doch aan die aanschrijving nog niet is voldaan.</al><al>4.De in het derde lid bedoelde aanhouding eindigt zes weken nadat is beslist
                        op een aanvraag om bouwvergunning als bedoeld onder letter a van het derde
                        lid, dan wel nadat is voldaan aan de aanschrijving als bedoeld onder letter
                        b van het derde lid en burgemeester en wethouders hiervan in kennis zijn
                        gesteld.</al><al><vet>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</vet> Een gebruiksvergunning
                        moet worden geweigerd indien een van de volgende omstandigheden zich
                        voordoet:</al><al>a.de in de aanvraag vermelde wijze van gebruik van het bouwwerk kan in
                        relatie tot de beoogde gebruiksfunctie niet geacht worden een brandveilig
                        gebruik te zijn en door het stellen van voorwaarden kan geen voldoende
                        brandveilig gebruik worden bereikt;</al><al>b.de bouwvergunning is geweigerd.</al><al><vet>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</vet></al><al>1.Burgemeester en wethouders kunnen een gebruiksvergunning intrekken
                        indien:</al><al>a.blijkt, dat zij de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige
                        gegevens hebben verleend;</al><al>b.blijkt dat de houder van de vergunning niet heeft voldaan aan een
                        voorwaarde van de vergunning;</al><al>c.van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen 26 weken na het
                        onherroepelijk worden van de vergunning;</al><al>d.van de vergunning gedurende een periode van 26 weken of langer geen
                        gebruik is gemaakt;</al><al>e.het belang waarvoor de vergunning is verleend dit vereist op grond van een
                        verandering van de inzichten en/of verandering van de omstandigheden gelegen
                        buiten het bouwwerk, opgetreden na het verlenen van de vergunning, en het
                        niet mogelijk blijkt door het stellen of wijzigen van voorwaarden dat belang
                        voldoende te beschermen.</al><al>2.Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan nadat zij de
                        houder van de vergunning hebben gehoord.</al><al><vet>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden </vet> In het bouwwerk
                        waar de activiteiten plaatsvinden waarop de gebruiksvergunning betrekking
                        heeft moet deze vergunning aanwezig zijn, en moet op verzoek van degene die
                        is belast met de zorg voor de naleving van dit hoofdstuk, ter inzage worden
                        gegeven. </al><al><vet>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                            brandgevaar</vet></al><al><vet>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen voor bouwwerken</vet></al><al>1.Het is verboden een bouwwerk te gebruiken in strijd met de gebruikseisen
                        zoals per onderwerp vermeld in bijlage 3 bij deze verordening.</al><al>2.Onverminderd het gestelde in het eerste lid, is het verboden een bouwwerk
                        niet zijnde een woonwagen, woning of woongebouw, uitgezonderd een woonwagen,
                        woning of woongebouw waarin sprake is van verminderde zelfredzaamheid van
                        bewoners, in combinatie met permanente aanwezigheid van personeel en
                        begeleiding van bewoners, te gebruiken in strijd met de gebruikseisen zoals
                        per onderwerp vermeld in bijlage 4 bij deze verordening.</al><al>3.Burgemeester en wethouders kunnen het vijfde en zesde lid van artikel 3
                        van bijlage 3, niet van toepassing verklaren.</al><al><vet>Artikel 6.2.2 Verbod stoffen aanwezig te hebben</vet></al><al>1.Het is verboden de stoffen die in de Regeling Bouwbesluit 2003 zijn
                        omschreven als brandbaar, brandbevorderend en bij brand gevaar opleverend,
                        aanwezig te hebben in, op of nabij een bouwwerk.</al><al>2.Het in het voorgaande lid gestelde verbod geldt niet voor:</al><al>a.het voorhanden hebben voor huishoudelijk en alle ander niet-bedrijfsmatig
                        gebruik van de in het eerste lid bedoelde stoffen, indien dit de in bijlage
                        5 aangegeven maximumhoeveelheden niet overschrijdt;</al><al>b.het voorhanden hebben van de in het eerste lid bedoelde stoffen in een
                        bouwwerk waarvoor een vergunning overeenkomstig artikel 6.1.1 is verleend; </al><al>c.de brandstof die niet in grotere hoeveelheden en niet op andere wijze is
                        opgeslagen dan is voorgeschreven in bijlage 6, artikel 3.4; </al><al>d.de brandstof in het reservoir bij een verbrandingsmotor;</al><al>e.de brandstof in een verlichtings-, een verwarmings- of een ander
                        warmteontwikkelend toestel.</al><al>3.Bij het bepalen van de hoeveelheden als bedoeld in het tweede lid, onder
                        a, worden volledig meegerekend de inhoudsmaten van vaatwerk dat gedeeltelijk
                        is gevuld met een vloeistof als bedoeld in dat lid.</al><al><vet>Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</vet> Stoffen als bedoeld in
                        de Regeling Bouwbesluit 2003 moeten worden opgeslagen volgens de in bijlage
                        6 aangegeven wijze. <vet>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het
                            voorkomen van ongevallen bij brandArtikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden
                            bluswaterwinplaatsen</vet> De rechthebbende op een bouwwerk, ten behoeve
                        waarvan een bluswaterwinplaats aanwezig is, is verplicht deze zodanig te
                        onderhouden, dat daaruit te allen tijde over voldoende bluswater kan worden
                        beschikt. <vet>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</vet> Het is
                        verboden voorwerpen of stoffen op zodanige wijze te plaatsen of te hebben
                        dat daardoor het onmiddellijk gebruik of de zichtbaarheid ervan wordt
                        belemmerd van:</al><al>a.middelen en voorzieningen tot melding van alarmering bij en bestrijding
                        van brand;</al><al>b.middelen en voorzieningen tot ontvluchting en redding van personen en
                        dieren bij brand.</al><al><vet>Hoofdstuk7 Overige gebruiksbepalingenParagraaf 1 Overbevolking Artikel
                            7.1.1 Overbevolking van woningen</vet> Het is verboden een woning te
                        bewonen met of toe te staan dat een woning wordt bewoond door meer dan één
                        persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte. <vet>Artikel 7.1.2 Overbevolking van
                            woonwagens en woonketen</vet> Het is verboden een woonwagen,
                        respectievelijk een woonkeet te bewonen met of toe te staan dat een
                        woonwagen, respectievelijk een woonkeet wordt bewoond door meer dan één
                        persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte. <vet>Paragraaf 2 Staken van het
                            gebruikArtikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</vet> Het is
                        verboden een bouwwerk, een standplaats, een open erf of terrein te gebruiken
                        of te doen gebruiken, indien door of namens burgemeester en wethouders is
                        medegedeeld, dat zulks gevaarlijk is in verband met:</al><al>a.bouwvalligheid van het bouwwerk;</al><al>b.bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk.</al><al><vet>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek
                            aan hygiëne</vet> Indien tengevolge van het niet functioneren -
                        hieronder begrepen het afgesloten zijn - van de ingevolge het Bouwbesluit
                        verplicht aanwezige voorzieningen tot het kunnen afvoeren van faecaliën, het
                        kunnen beschikken over drinkwater, het kunnen beschikken over gedistribueerd
                        gas en het kunnen beschikken over gedistribueerde elektriciteit een
                        onvoldoende veiligheid of een onvoldoende hygiëne aanwezig is, kunnen
                        burgemeester en wethouders gelasten het gebruik van het bouwwerk te staken.
                            <vet>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</vet> Indien
                        in een aanschrijving op grond van artikel 17 van de Woningwet is bepaald dat
                        het gebruik van een gebouw op of behorende bij een standplaats moet worden
                        gestaakt en dientengevolge essentiële voorzieningen ten dienste van het
                        bewonen van een woonwagen buiten gebruik zijn gesteld, kunnen burgemeester
                        en wethouders gelasten het gebruik van de woonwagen te staken gedurende de
                        periode dat bedoelde voorzieningen niet functioneren. <vet>Paragraaf 3
                            Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinenArtikel 7.3.1
                            (vervallen)Artikel 7.3.2 Hinder</vet> Het is verboden in, op, of aan een
                        bouwwerk, of op een open erf of terrein, voorwerpen of stoffen te plaatsen,
                        te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten, of
                        werktuigen te gebruiken, waardoor:</al><al>a.overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het
                        bouwwerk, het open erf of terrein;</al><al>b.op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, rook, roet,
                        walm, stof of vocht wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door:
                        geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door
                        schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het
                        bouwwerk, open erf of terrein;</al><al>c.brand- of ander gevaar wordt veroorzaakt;</al><al>d.het gebruik van vluchtmogelijkheden wordt belemmerd.</al><al>Niet van toepassing is het vorenstaande indien en voor zover het betreft
                        nadelige gevolgen voor het milieu waarop de Wet milieubeheer of enige in
                        deze wet genoemde milieuwet van toepassing is. </al><al><vet>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                            ReinheidArtikel 7.4.1 Preventie</vet></al><al>1.Het normale onderhoud van een bouwwerk dient zodanig te geschieden dat het
                        bouwwerk zich in zindelijke staat bevindt.</al><al>2.Voorraden en afval dienen op zodanige wijze en plaats te worden bewaard
                        dat schadelijk of hinderlijk gedierte hierdoor niet wordt aangetrokken.</al><al><vet>Paragraaf 5 WatergebruikArtikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</vet>
                        Het is verboden drink- en werkwater, waarvan door burgemeester en wethouders
                        schriftelijk is medegedeeld dat het ondeugdelijk wordt geacht, te gebruiken.
                            <vet>Paragraaf 6 InstallatiesArtikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van
                            installaties</vet> Installaties in of nabij een bouwwerk, waarvan het
                        Bouwbesluit en/of de Bouwverordening de aanwezigheid verplicht stelt, moeten
                        in een goede staat verkeren, zodat daarvan een onbelemmerd gebruik kan
                        worden gemaakt. <vet>Hoofdstuk 8 Slopen Paragraaf 1 SloopvergunningArtikel
                            8.1.1 Sloopvergunning</vet></al><al>1.Het is verboden bouwwerken, standplaatsen en woonwagens daaronder
                        begrepen, te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van
                        burgemeester en wethouders (sloopvergunning).</al><al>2.De in het eerste lid bedoelde vergunning is niet vereist indien naar
                        redelijke schatting de hoeveelheid sloopafval niet meer zal bedragen dan 10
                        m3, tenzij het slopen mede betreft het verwijderen van asbest. Voorts is
                        geen vergunning vereist voor het slopen ingevolge een aanschrijving op grond
                        van de Woningwet. Burgemeester en wethouders kunnen aan deze aanschrijving
                        voorwaarden verbinden als bedoeld in het derde lid.</al><al>3.Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning slechts
                        voorschriften over:</al><al>a.de veiligheid tijdens het slopen;</al><al>b.de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;</al><al>c.het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het
                        sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een
                        fractie gevaarlijk afval en een fractie overig afval;</al><al>d.het voor de aanvang van de sloopwerkzaamheden overleggen van de gegevens
                        als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid, letter c, voor zover deze gegevens
                        niet reeds zijn overgelegd.</al><al>4.De voorschriften over het sloopafval, als bedoeld in het derde lid, onder
                        letter c, kunnen eisen bevatten omtrent het selectief slopen, de fracties
                        waarin wordt gescheiden, de tijdelijke opslag op het sloopterrein en het in
                        fracties gescheiden verpakken van het sloopafval op het sloopterrein.
                        Burgemeester en wethouders verbinden aan de sloopvergunning met betrekking
                        tot asbest voorschriften over het afzonderlijk gereed maken daarvan voor de
                        afvoer van het sloopterrein en over de termijn waarbinnen dit moet
                        plaatsvinden.</al><al><vet>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</vet></al><al>1.Bij het indienen van de aanvraag moet de aanvrager gebruikmaken van een
                        door of vanwege burgemeester en wethouders vastgesteld formulier.</al><al>2.De aanvraag moet inhouden:</al><al>a.correspondentieadres van de aanvrager in Nederland;</al><al>b.indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en adres;</al><al>c.naam en adres van degene, die met het slopen zal worden belast;</al><al>d.de kadastrale aanduiding van het perceel, waarop zich het te slopen
                        bouwwerk bevindt en het huisnummer van het bouwwerk;</al><al>e.een exacte aanduiding van het gedeelte van een bouwwerk waarop de
                        sloopwerkzaamheden betrekking hebben, indien niet het gehele bouwwerk wordt
                        gesloopt;</al><al>f.het doel, waarvoor het bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het
                        bouwwerk laatstelijk is gebezigd;</al><al>g.mededeling of een bouwvergunning is of zal worden aangevraagd voor een op
                        het perceel van het te slopen bouwwerk c.q. het te slopen gedeelte van het
                        bouwwerk op te richten of te veranderen of uit te breiden bouwwerk;</al><al>h.een beschrijving van de wijze waarop het slopen zal plaatsvinden; en
                        voorts, indien van toepassing: </al><al>i.het sloopveiligheidsplan.</al><al>3.In de aanvraag wordt gemotiveerd aangegeven of het te slopen bouwwerk
                        asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te zijn indien bij de
                        aanvraag een van de volgende gegevens wordt overgelegd:</al><al>a.een rapport van een onderzoek, uitgevoerd door een deskundig
                        asbestonderzoeksbedrijf, waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te
                        slopen bouwwerk bevindt;</al><al>b.een asbestonderzoeksrapport opgesteld vóór ... (= datum van verwerking in
                        de gemeentelijke bouwverordening van de vierde serie wijzigingen van de
                        Model-bouwverordening d.d. 1 juli 1997) dat voldoet aan de eisen in BRL
                        5052, uitgave 1996, waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen
                        bouwwerk bevindt; indien het bedoelde asbestonderzoeksrapport is opgesteld
                        vóór 1 juli 1993, dient tevens een schriftelijke verklaring van de aanvrager
                        te worden overgelegd dat er geen veranderingen van het te slopen bouwwerk
                        hebben plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn
                        toegepast;</al><al>c.een schriftelijk bewijsstuk dat het te slopen bouwwerk is gebouwd na 1
                        juli 1993;</al><al>d.bij woningen of naar bouwconstructie of materiaaltoepassing vergelijkbare,
                        niet tot bewoning bestemde bouwwerken en bijgebouwen: een schriftelijke
                        verklaring van de bouwer van het te slopen bouwwerk dat hij hierin geen
                        asbest heeft toegepast, alsmede een schriftelijke verklaring van de
                        aanvrager dat er sinds het tijdstip van de bouw geen veranderingen hebben
                        plaatsgevonden, waarbij asbesthoudende materialen zijn toegepast;</al><al>e.bij sloop van bepaalde materialen: een schriftelijke verklaring van de
                        fabrikant of de leverancier dat het te slopen materiaal geen asbest bevat,
                        alsmede een schriftelijke verklaring van de aanvrager dat het materiaal van
                        deze fabrikant of leverancier afkomstig is;</al><al>f.bij sloop van bepaalde materialen uit een of meer woningen of naar
                        bouwconstructie of materiaaltoepassing vergelijkbare, niet tot bewoning
                        bestemde bouwwerken, of bijgebouwen; of van één woning, of een naar
                        bouwconstructie of materiaaltoepassing vergelijkbaar, niet tot bewoning
                        bestemd bouwwerk, of een bijgebouw: een schriftelijke verklaring dat een
                        visuele inspectie op basis van de checklist uit bijlage 8 van deze
                        verordening geen asbestverdachte materialen oplevert; indien toch
                        asbestverdachte materialen zijn aangetroffen, een materiaalanalyse door een
                        geaccrediteerd laboratorium of de Inspectie Gezondheidsbescherming waaruit
                        blijkt dat de verdachte materialen geen asbest bevatten. Indien geen van
                        bovenvermelde gegevens bij de aanvraag wordt overgelegd, wordt vermoed dat
                        het bouwwerk asbest bevat, tenzij de aanvrager in vergelijkbare situaties
                        andere gegevens verstrekt die dit vermoeden naar het oordeel van
                        burgemeester en wethouders voldoende weerleggen.</al><al>4.Indien vermoed wordt dat het bouwwerk asbest bevat, wordt met een
                        onderzoeksrapport van een deskundig bedrijf aangetoond of dit vermoeden
                        juist is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt. In plaats van een
                        onderzoeksrapport van een deskundig bedrijf mag bij de aanvraag een van de
                        volgende gegevens worden overgelegd, mits daaruit blijkt of asbest aanwezig
                        is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt:</al><al>a.een asbestonderzoeksrapport als bedoeld in lid 3, onder b, zo nodig met
                        bijbehorende verklaring;</al><al>b.in gevallen als genoemd in lid 3, onder f, een schriftelijke verklaring op
                        grond van een visuele inspectie op basis van de checklist uit bijlage 8 van
                        deze verordening; asbestverdachte materialen worden hierbij geacht asbest te
                        bevatten, tenzij via een materiaalanalyse door een geaccrediteerd
                        laboratorium of door de Inspectie Gezondheidsbescherming wordt aangetoond
                        dat zij asbestvrij zijn;</al><al>c.een verklaring dat uitsluitend of hoofdzakelijk asbest-houdend materiaal
                        wordt gesloopt; In vergelijkbare situaties mogen, ter beoordeling van
                        burgemeester en wethouders, andere gegevens worden verstrekt waaruit blijkt
                        of asbest aanwezig is, en zo ja, waar dit asbest zich bevindt.</al><al>5.Indien op grond van het historisch gebruik te verwachten valt dat een te
                        slopen bouwwerk c.q. een te slopen gedeelte van een bouwwerk is
                        verontreinigd met de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17
                        van de Afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese
                        afvalstoffenlijst (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 159, blz. 9), dient
                        een onderzoek te worden ingesteld naar de vermoedelijke verontreiniging en
                        moet het rapport met de uitslag van dit onderzoek bij de aanvraag om
                        sloopvergunning worden gevoegd.</al><al>6.De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in ..voud worden
                        ingediend.</al><al>7.De aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden moeten in het Nederlands
                        zijn gesteld.</al><al>8.De aanvraag mag meer dan één bouwwerk betreffen, indien zij betrekking
                        heeft op bouwwerken op hetzelfde terrein of op met elkaar samenhangende
                        terreinen.</al><al>9.De bij de aanvraag om sloopvergunning behorende bescheiden moeten door de
                        aanvrager of diens gemachtigde ondertekend dan wel gewaarmerkt worden.</al><al>10.Indien de aanvraag het gedeeltelijk slopen van een bouwwerk betreft,
                        moeten uit de aanvraag en de daarbijbehorende bescheiden de bestaande en de
                        nieuwe toestand duidelijk blijken.</al><al>11.De aanvrager krijgt door of namens burgemeester en wethouders een bewijs
                        van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de datum van ontvangst is
                        vermeld. </al><al>12.Een aanvraag om sloopvergunning geldt tevens als melding van het
                        voornemen tot slopen voor zover dit slopen betrekking heeft op asbest.</al><al>13.Een aanvraag om sloopvergunning voor werkzaamheden waarvoor geen
                        sloopvergunning is vereist wordt, voor zover dit slopen betrekking heeft op
                        asbest, aangemerkt als melding als bedoeld in artikel 8.2.1.</al><al><vet>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</vet></al><al>1.Indien de aanvraag om sloopvergunning niet voldoet aan de bij of krachtens
                        artikel 8.1.2 gestelde eisen, alsmede de eisen die gelden ingevolge de
                        artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht stellen burgemeester
                        en wethouders de aanvrager in de gelegenheid binnen vier weken, nadat hem
                        dit is medegedeeld, de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te
                        leggen. Zij doen dit eveneens indien de aanvraag geen gegevens bevat over
                        het verwijderen van asbest en uit gegevens waarover de gemeente beschikt
                        blijkt dat redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zich in het te slopen
                        bouwwerk asbest bevindt. </al><al>2.Het gestelde in het eerste lid geldt niet voor de gegevens als bedoeld in
                        artikel 8.1.2, tweede lid, letter c.</al><al><vet>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</vet></al><al>1.Burgemeester en wethouders beslissen over een aanvraag om sloopvergunning
                        binnen twaalf weken na ontvangst van de aanvraag. Zij kunnen hun beslissing
                        eenmaal voor ten hoogste zes weken verdagen. Een afschrift van hun besluit
                        tot verdaging zenden zij zo spoedig mogelijk aan de aanvrager.</al><al>2.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid houden burgemeester en
                        wethouders de beslissing aan indien een vergunning krachtens artikel 11 of
                        artikel 37 van de Monumentenwet 1988, een provinciale of een gemeentelijke
                        monumentenverordening, een leefmilieuverordening op grond van de Wet op de
                        stads- en dorpsvernieuwing, of een aanlegvergunning voor het slopen is
                        vereist en omtrent die vergunning(en) nog niet is beslist. De aanhouding
                        eindigt zes weken na bedoelde beslissing. Bij samenloop van vergunningen
                        wordt uitgegaan van de datum van de laatst genomen beslissing.</al><al><vet>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</vet></al><al>1.Indien de aanvraag betrekking heeft op sloopwerkzaamheden in het kader van
                        het vernieuwen, het veranderen of het vergroten van een bouwwerk waarvoor
                        tevens een bouwvergunning is aangevraagd, kan bij de aanvraag om
                        sloopvergunning - voor zover voor beide aanvragen dezelfde bescheiden en
                        gegevens worden verlangd - worden verwezen naar die bescheiden en gegevens
                        die zijn ingediend bij de aanvraag om bouwvergunning en behoeven dezelfde
                        bescheiden niet nogmaals te worden ingediend.</al><al>2.In afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.4 volgt de beslissing op de
                        aanvraag om sloopvergunning de procedure van de beslissing op de aanvraag om
                        bouwvergunning in het geval dat beide aanvragen gelijktijdig zijn
                        ingediend.</al><al><vet>Artikel 8.1.6 Weigeren sloopvergunning</vet> Een sloopvergunning moet
                        worden geweigerd indien:</al><al>a.de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en ook door
                        het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden
                        gewaarborgd;</al><al>b.de bescherming van nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen
                        onvoldoende is gewaarborgd en ook door het stellen van voorschriften niet op
                        een voldoende peil kan worden gewaarborgd;</al><al>c.een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een
                        gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is
                        verleend;</al><al>d.een vergunning ingevolge een leefmilieuverordening op grond van de Wet op
                        de stads- en dorpsvernieuwing is vereist en deze niet is verleend;</al><al>e.een aanlegvergunning op grond van het bestemmingsplan of op grond van een
                        voorbereidingsbesluit is vereist en deze niet is verleend.</al><al><vet>Artikel 8.1.7 Intrekking sloopvergunning</vet></al><al>1.Burgemeester en wethouders kunnen een sloopvergunning intrekken indien: </al><al>a.de vergunning is verleend tengevolge van onjuiste of onvolledige opgave
                        van gegevens;</al><al>b.binnen 26 weken na het onherroepelijk worden van de sloopvergunning geen
                        begin met de werkzaamheden is gemaakt;</al><al>c.tussen het begin en het einde van de sloopwerkzaamheden deze werkzaamheden
                        langer dan een aaneengesloten periode van 26 weken stilliggen.</al><al>2.Burgemeester en wethouders gaan niet over tot intrekking dan nadat zij de
                        houder van de vergunning hebben gehoord.</al><al><vet>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van sloopvergunningArtikel
                            8.2.1 Sloopmelding</vet></al><al>1.In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is geen sloopvergunning
                        vereist voor het door of vanwege de bewoner/gebruiker van een woning,
                        woonkeet, woonwagen of logiesverblijf en de op het erf van dat bouwwerk
                        staande bouwwerken slopen van:</al><al>a.gelijmde asbest bevattende vloerbedekking;</al><al>b.gelijmde asbest bevattende vloertegels;</al><al>c.geschroefde hechtgebonden asbest bevattende bouwmaterialen, met dien
                        verstande dat voor het verwijderen van deze bouwmaterialen, voor zover deze
                        aan de buitenzijde van een bouwwerk zijn toegepast en bestaan uit platen,
                        een maximum geldt van 35 m2 plaatoppervlakte, mits het voornemen tot dit
                        slopen is gemeld bij burgemeester en wethouders en door burgemeester en
                        wethouders binnen acht dagen na de dag waarop dit is gemeld is medegedeeld
                        dat geen sloopvergunning is vereist. </al><al>2.Het voornemen tot slopen als bedoeld in het eerste lid moet worden gemeld
                        met gebruikmaking van een door of namens burgemeester en wethouders
                        vastgesteld formulier.</al><al>3.De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in ..voud worden
                        ingediend.</al><al>4.De melding en de daarbij behorende bescheiden moeten in het Nederlands
                        zijn gesteld.</al><al>5.In de melding moeten zijn opgenomen de plaats, het adres, de aard en het
                        gebruik van het bouwwerk.</al><al>6.Degene, die de melding heeft gedaan, krijgt door of namens burgemeester en
                        wethouders een bewijs van ontvangst toegezonden of uitgereikt, waarin de
                        datum van ontvangst is vermeld.</al><al>7.Indien burgemeester en wethouders de in het eerste lid bedoelde mededeling
                        niet binnen de aldaar gestelde termijn hebben gedaan, is de mededeling van
                        rechtswege gedaan.</al><al>8.Burgemeester en wethouders kunnen aan een mededeling als bedoeld in het
                        eerste lid voorschriften verbinden met betrekking tot de verwijdering,
                        opslag en afvoer van asbest binnen een bij die mededeling te stellen
                        termijn.</al><al>9.De houder van een mededeling als bedoeld in het eerste of het zevende lid
                        is verplicht het gestelde in een door de minister van volkshuisvesting,
                        ruimtelijke ordening en milieubeheer uitgegeven publicatie ter zake van het
                        slopen van asbest bevattende vloerbedekking in acht te nemen. Voorts is de
                        houder verplicht ter zake van de afvoer van asbest bevattende vloerbedekking
                        alsmede van andere afvalstoffen waarop de mededeling betrekking heeft de in
                        de gemeente geldende voorschriften in acht te nemen.</al><al>10.Het bewerken van het asbest ter plaatse waar dit asbest door sloop
                        vrijkomt is niet toegestaan.</al><al>11.Bij het niet voldoen aan de bij of krachtens de in het eerste tot en met
                        het vijfde lid van dit artikel gestelde eisen, stellen burgemeester en
                        wethouders degene die de melding heeft gedaan in de gelegenheid om binnen
                        één week de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.</al><al><vet>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van
                            sloopvergunning </vet> In afwijking van artikel 8.1.1, eerste lid, is
                        voorts geen sloopvergunning vereist, indien het slopen, voor zover dat
                        betrekking heeft op asbest, uitsluitend bestaat uit het in het kader van de
                        uitoefening van een beroep of bedrijf:</al><al>a.als één geheel verwijderen van:</al><al>1.verwarmingstoestellen waarin zich asbest bevindt;</al><al>2.asbest bevattende warmteblokken van verwarmingstoestellen die een nominale
                        belasting, kleiner dan of gelijk aan een bovenwaarde van 130 kilowatt,
                        hebben; of</al><al>3.onder verwarmingstoestellen geklemde, asbest bevattende platen waarin de
                        asbestvezels hechtgebonden zijn;</al><al>b.geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbest bevattende pakkingen, met
                        uitzondering van het:</al><al>1.geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbest bevattende pakkingen uit
                        verwarmingstoestellen die een nominale belasting, groter dan een bovenwaarde
                        van 2250 kilowatt, hebben; of</al><al>2.in het kader van het verwijderen van verwarmingstoestellen geheel of
                        gedeeltelijk verwijderen van asbest bevattende pakkingen die zich tussen
                        ketelleden bevinden; of</al><al>c.geheel of gedeeltelijk verwijderen van asbest bevattende rem- en
                        frictiematerialen.</al><al><vet>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopenArtikel 8.3.1 Veiligheid
                            op sloopterrein</vet> Het bepaalde in de artikelen 4.8 tot en met 4.10
                        is van overeenkomstige toepassing op het slopen en het sloopterrein.
                            <vet>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige
                            bescheiden</vet> Op het sloopterrein moet de sloopvergunning of de
                        aanschrijving tot het slopen aanwezig zijn en op verzoek aan het
                        bouwtoezicht ter inzage worden gegeven. <vet>Artikel 8.3.3 Plichten van de
                            houder van de sloopvergunning</vet></al><al>1.De houder van de sloopvergunning moet het slopen, voor zover dat
                        betrekking heeft op asbest, opdragen aan een deskundig bedrijf.</al><al>2.De houder van de sloopvergunning moet een afschrift van de vergunning ter
                        hand stellen aan het deskundig bedrijf dat het slopen krachtens aanneming
                        van werk zal uitvoeren.</al><al>3.De houder van de sloopvergunning moet een exemplaar van het rapport als
                        bedoeld in artikel 8.1.2, vierde lid, indien aanwezig, dan wel andere
                        informatie als bedoeld in artikel 8.1.2, derde en vierde lid, die bij de
                        aanvraag om vergunning is verstrekt, ter hand stellen aan het deskundig
                        bedrijf dat het slopen krachtens aanneming van werk zal uitvoeren.</al><al>4.De houder van de sloopvergunning moet, indien het slopen van asbest waarop
                        de vergunning betrekking heeft krachtens aanneming van werk zal worden
                        uitgevoerd, de aanvang van het slopen van asbest voordat met de
                        werkzaamheden wordt begonnen schriftelijk melden aan het districtshoofd van
                        de Arbeidsinspectie binnen wiens district de werkzaamheden worden
                        uitgevoerd. Hij moet daarbij tevens meedelen welk bedrijf de werkzaamheden
                        uitvoert en het tijdstip waarop met de werkzaamheden wordt begonnen.</al><al><vet>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</vet></al><al>1.Indien wordt gesloopt zonder dat een sloopvergunning is verleend voor het
                        slopen van asbest en tijdens het slopen asbest wordt ontdekt, is degene die
                        sloopt verplicht hiervan terstond melding te doen aan het bouw- en
                        woningtoezicht. </al><al>2.Aan het bouwtoezicht dienen ten minste twee dagen van tevoren de aanvang
                        van de sloopwerkzaamheden te worden gemeld en uiterlijk op de dag van de
                        beëindiging van de sloopwerkzaamheden het einde van die werkzaamheden.
                        Indien het bouwtoezicht dit verlangt, moeten genoemde meldingen schriftelijk
                        geschieden. </al><al><vet>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van
                        asbest</vet></al><al>1.Voor zover redelijkerwijs uitvoerbaar moet eerst het in een bouwwerk
                        aanwezige asbest worden verwijderd, voordat het bouwwerk wordt
                        gesloopt.</al><al>2.Bij de verwijdering van het asbest moeten de beste bestaande technieken
                        worden toegepast om verontreiniging van het milieu met asbest te
                        voorkomen.</al><al>3.Het gestelde in het tweede lid is niet van toepassing, indien een
                        mededeling, als bedoeld in 8.2.1, eerste en tweede lid, is gedaan of in een
                        geval, als bedoeld in artikel 8.2.2. Ingeval werkzaamheden, als bedoeld in
                        artikel 8.2.2, worden verricht, moeten de werkzaamheden zodanig worden
                        verricht, dat verontreiniging van het milieu met asbest wordt
                        voorkomen.</al><al>4.Asbest dat vrijkomt bij het slopen moet onmiddellijk worden verzameld en
                        in afgesloten niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal worden
                        opgeslagen.</al><al>5.Het niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal waarin asbest als bedoeld in
                        het vierde lid is opgeslagen, moet worden opgeslagen in een afgesloten
                        container of afgesloten opslagplaats.</al><al>6.Indien asbest als bedoeld in het vierde lid door vorm of formaat niet in
                        niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal kan worden opgeslagen, moet het
                        asbest in een afgesloten container worden opgeslagen.</al><al>7.Niet-luchtdoorlatend verpakkingsmateriaal of containers, waarin asbest is
                        opgeslagen als bedoeld in het vierde, vijfde of zesde lid moeten:</al><al>a.op duidelijke wijze worden voorzien van de aanduidingen die zijn
                        voorgeschreven op grond van het Etiketteringsbesluit asbest bevattende
                        artikelen (Warenwet) en</al><al>b.zodanig worden gereed gemaakt voor de afvoer van het sloopterrein, dat
                        verontreiniging van het milieu met asbest wordt voorkomen.</al><al>7. <vet>Artikel 8.3.6Plichten ten aanzien van de sloop van
                            tuinbouwkassen</vet> In afwijking van artikel 8.3.3 gelden voor het in
                        het kader van beroep of bedrijf slopen van een tuinbouwkas, voorzover dat
                        slopen betrekking heeft op het verwijderen van asbestbevattende voegkit, de
                        navolgende voorschriften:</al><al>a.De bij ministeriële regeling gegeven voorschriften worden toegepast.</al><al>b.De houder van de sloopvergunning stelt een afschrift van die vergunning
                        ter hand aan degene die het slopen van een tuinbouwkas uitvoert.</al><al>c.De houder van de sloopvergunning, indien een rapport als bedoeld in
                        artikel 2, onder h, van het Asbestverwijderingsbesluit is opgesteld, stelt
                        een afschrift van dat rapport dan wel van het schriftelijk stuk waarmee naar
                        het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is aangetoond
                        waar zich asbest in de tuinbouwkas bevindt, ter hand aan degene die het
                        slopen van die kas uitvoert.</al><al>d.De houder van de sloopvergunning draagt zorg voor de afvoer van het
                        verwijderde, met asbestbevattende voegkit verontreinigd sloopmateriaal
                        binnen een door burgemeester en wethouders in de sloopvergunning gestelde
                        termijn.</al><al><vet>Paragraaf 4 Vrij slopenArtikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</vet></al><al>1.Afval dat ontstaat door sloopwerkzaamheden waarvoor geen vergunning
                        krachtens artikel 8.1.1, noch een melding krachtens artikel 8.2.1 is
                        vereist, dient ten minste te worden gescheiden in de navolgende
                        fracties:</al><al>a.de als gevaarlijk aangeduide afvalstoffen van hoofdstuk 17 de
                        afvalstoffenlijst behorende bij de Regeling Europese afvalstoffenlijst
                        (EURAL; Stcr. 17 augustus 2001, nr. 158, blz. 9);</al><al>b.steenachtig sloopafval, zonder inbegrip van gips;</al><al>c.bitumineuze en teerhoudende dakbedekking;</al><al>d.met PAKS verontreinigde materialen;</al><al>e.asfalt;</al><al>f.dakgrind;</al><al>g.overig afval.</al><al>2.Overig afval, zoals bedoeld in het voorgaande lid onder g, en de fracties,
                        bedoeld in het voorgaande lid onder a tot en met f, moeten op het
                        sloopterrein gescheiden worden gehouden.</al><al><vet>Hoofdstuk 9 WelstandArtikel 9.1 De advisering door de
                            welstandscommissie</vet></al><al>1.De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan “Het
                        Oversticht” die uit haar midden personen voordraagt als lid van de
                        welstandscommissie, hierna gezamenlijk te noemen: de welstandscommissie. </al><al>2.De welstandscommissie adviseert over de welstandsaspecten van aanvragen
                        voor regulier vergunningplichtige en licht-vergunningplichtige bouwwerken
                        als bedoeld in artikel 44, eerste lid onder d respectievelijk artikel 44,
                        derde lid juncto eerste lid onder d van de Woningwet.</al><al>3.De welstandscommissie baseert haar advies op de in de welstandsnota
                        genoemde welstandscriteria..</al><al><vet>Artikel 9.2 Samenstelling van de welstandscommissie</vet></al><al>1.De welstandscommissie bestaat ten minste uit vijf leden, waaronder een
                        voorzitter en een secretaris, waarvan ten minste drie leden deskundig zijn
                        op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel
                        cultuurhistorie.</al><al>2.Voor de leden worden plaatsvervangers aangewezen.</al><al>3.De welstandscommissie kan slechts adviezen uitbrengen indien ten minste
                        drie leden aanwezig zijn en waarvan ten minste twee leden beschikken over
                        deskundigheid op het gebied van welstand.</al><al>4.De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het gemeentebestuur.</al><al>5.In de welstandscommissie kan een ingezetene van de gemeente anders als
                        bedoeld in het eerste lid zitting hebben.</al><al><vet>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur</vet></al><al>1.De voorzitter, de secretaris en de overige leden van de welstandscommissie
                        en hun plaatsvervangers worden op voorstel van de burgemeester en wethouders
                        benoemd en ontslagen door de gemeenteraad.</al><al>2.De leden van de welstandscommissie kunnen ten hoogste voor een termijn van
                        drie jaar worden benoemd. Zij kunnen eenmaal worden herbenoemd voor een
                        periode van ten hoogste drie jaar.</al><al>3.Het reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij
                        deze verordening is vastgesteld, bevat, binnen het gestelde in de voorgaande
                        leden, nadere benoemingsprocedures.</al><al><vet>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording</vet> De welstandscommissie stelt
                        jaarlijks een verslag op van haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin
                        ten minste aan de orde komt: </al><lijst><li nr="¨"><al>op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                                welstandsnota; </al></li><li nr="¨"><al>de werkwijze van de welstandscommissie; </al></li><li nr="¨"><al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                                vergaderen;</al></li><li nr="¨"><al>de aard van de beoordeelde plannen;</al></li><li nr="¨"><al>de bijzondere projecten De welstandscommissie kan in haar
                                jaarverslag aanbevelingen doen ten aanzien van het gemeentelijk
                                ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en de aanpassing van de
                                gemeentelijke welstandsnota in het bijzonder. <vet>Artikel 9.5
                                    Termijn van advisering</vet></al></li></lijst><al>1.De welstandscommissie brengt het advies over een aanvraag om een lichte
                        bouwvergunning uit binnen drie weken nadat door of namens burgemeester en
                        wethouders daarom is verzocht.</al><al>2.De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een reguliere
                        bouwvergunning uit binnen zes weken nadat door of namens burgemeester en
                        wethouders daarom is verzocht.</al><al>3.De welstandscommissie brengt het advies over de aanvraag om een reguliere
                        bouwvergunning eerste fase uit binnen drie weken nadat door of namens
                        burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al><al>4.Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                        welstandscommissie een langere termijn dan genoemd in de bovengenoemde leden
                        van dit artikel geven voor het uitbrengen van het welstandsadvies. Een
                        langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de
                        termijn van afdoening van de aanvraag om</al><al>a.een lichte bouwvergunning langer is dan de in artikel 46, eerste lid, sub
                        a van de Woningwet bedoelde termijn van zes weken;</al><al>b.een reguliere bouwvergunning langer is dan de in artikel 46, eerste lid,
                        sub van de Woningwet bedoelde termijn van twaalf weken;</al><al>c.een bouwvergunning eerste fase langer is dan de in artikel 46, eerste lid,
                        sub c van de Woningwet bedoelde termijn van zes weken.</al><al>4. <vet>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge
                            toelichting</vet></al><al>1.De behandeling van bouwplannen door de welstandscommissie is openbaar. De
                        agenda voor de vergadering van de welstandscommissie wordt tijdig
                        bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws-
                        of huis-aan-huisblad, dan wel op een andere geschikte wijze. Indien
                        burgemeester en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een
                        verzoek doen tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en
                        wethouders daaraan klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet
                        openbaarheid van bestuur ten grondslag te leggen. De openbaarheid geldt
                        zowel voor de beraadslagingen, de beoordeling als de adviezen.</al><al>2.Indien de aanvrager van de bouwvergunning hierom bij het indienen van de
                        aanvraag om bouwvergunning heeft verzocht, wordt deze door of namens de
                        welstandscommissie in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het
                        bouwplan.</al><al>3.In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt
                        behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan, dient
                        de aanvrager van de bouwvergunning een uitnodiging te ontvangen voor de
                        vergadering van de commissie, waarin de aanvraag wordt behandeld.</al><al>4.Alternatief 1: Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het
                        reglement van orde van de welstandscommissie dat als bijlage 9 bij deze
                        verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet, waarbij er
                        een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase en de
                        beraadslagingen. Alternatief 2: Belanghebbenden hebben geen spreekrecht. </al><al><vet>Artikel 9.7 Afdoening bij mandaat</vet></al><al>1.De welstandscommissie kan de advisering over een aanvraag om advies
                        mandateren aan een of meerdere daartoe aangewezen leden. De aangewezen leden
                        (voorzitter en/of secretaris) adviseren over bouwplannen waarvan volgens hen
                        het oordeel van de welstandscommissie als bekend mag worden
                        verondersteld.</al><al>2.In elk geval van twijfel legt de gemandateerde het bouwplan alsnog voor
                        aan de welstandscommissie.</al><al>3.Behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. Indien burgemeester
                        en wethouders - al dan niet op verzoek van de aanvrager - een verzoek doen
                        tot niet-openbare behandeling, dan dienen burgemeester en wethouders daaraan
                        klemmende redenen op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                        bestuur ten grondslag te leggen.</al><al><vet>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht</vet></al><al>1.De welstandscommissie adviseert en motiveert haar advies
                        schriftelijk.</al><al>2.Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens burgemeester
                        en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een bouwvergunning.</al><al><vet>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken of
                            standplaatsen</vet></al><al>1.Indien de raad op grond van artikel 12 van de Woningwet het voornemen
                        heeft een gebied van de gemeente of een categorie bouwwerken of
                        standplaatsen uit te sluiten van welstandstoezicht, neemt de raad het
                        daartoe strekkende besluit niet dan nadat:</al><al>a.op het voornemen inspraak is verleend;</al><al>b.het advies van de welstandscommissie is ingewonnen.</al><al>2.De inspraak als bedoeld in het eerste lid vindt plaats op de wijze
                        voorzien in de krachtens artikel 150 Gemeentewet vastgestelde
                        verordening.</al><al><vet>Hoofdstuk 10 Overige administratieve bepalingenArtikel 10.1 De aanvraag
                            om woonvergunning</vet> Bij de aanvraag om woonvergunning als bedoeld in
                        artikel 60 van de Woningwet moeten worden vermeld de plaats en de aard van
                        het gebouw en het doel waarvoor het laatstelijk is gebruikt. <vet>Artikel
                            10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                            onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</vet> Bij de aanvraag om de
                        in artikel 61 van de Woningwet bedoelde vergunning moet worden aangegeven
                        voor welk doel de onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen zal worden
                        gebruikt. <vet>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</vet> Door of namens
                        burgemeester en wethouders wordt de bouwvergunning, de woonvergunning als
                        bedoeld in artikel 60 van de Woningwet, de vergunning als bedoeld in artikel
                        61 van de Woningwet, de splitsingsvergunning als bedoeld in artikel 124 van
                        de Woningwet, de gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 dan wel de
                        sloopvergunning als bedoeld in artikel 8.1.1 op aanvraag van degene op wiens
                        naam de vergunning is gesteld of op aanvraag van zijn rechtverkrijgende
                        overgeschreven op naam van een ander dan degene op wiens naam de vergunning
                        is gesteld. <vet>Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen)Artikel 10.5
                            Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en woonwagens alsmede
                            onbruikbaar verklaarde standplaatsen</vet></al><al>1.Het kenteken met de woorden 'onbewoonbaar verklaard', bedoeld in artikel
                        31 van de Woningwet, bestaat uit een bord van ten minste 120 mm lang en 70
                        mm hoog, waarop de tekst met duidelijke letters, van ten minste 15 mm hoog,
                        is aangegeven.</al><al>2.Het kenteken wordt van gemeentewege aan de toegangsdeur van de
                        onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen bevestigd.</al><al>3.Voor zover het in het tweede lid bedoelde kenteken niet tevens vanaf de
                        weg zichtbaar is, dient er een tweede kenteken met daarop de aanduiding van
                        de woning of woonwagen bevestigd dan wel geplaatst te worden op een van de
                        weg af in het oog vallende plaats.</al><al>4.Het bepaalde in het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige
                        toepassing op de onbruikbaar verklaarde standplaats.</al><al><vet>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere
                            voorschriften</vet> Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om rekening
                        te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen,
                        praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening -
                        of in de bij deze verordening behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de
                        bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                        voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft
                        gepubliceerd. <vet>Hoofdstuk 11 HandhavingArtikel 11.1 Stilleggen van de
                            bouw</vet> Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de bouw stil te
                        leggen indien er wordt gebouwd:</al><al>a.zonder bouwvergunning;</al><al>b.in afwijking van de bouwvergunning;</al><al>c.op grond van het bepaalde bij of krachtens artikel 43 of 44, tweede lid
                        van de Woningwet en er niettemin wordt geconstateerd dat er wordt gebouwd in
                        afwijking van het Bouwbesluit;</al><al>d.in afwijking van de voorschriften van de bouwverordening.</al><al><vet>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</vet>
                        Indien het bouwtoezicht constateert, dat in afwijking van het bepaalde in
                        artikel 4.14 het bouwwerk in gebruik is genomen, kunnen burgemeester en
                        wethouders de eigenaar of degene, die het in zijn macht heeft aan de
                        verboden toestand een einde te maken, aanschrijven tot het staken van het
                        gebruik of tot het alsnog voldoen aan alle voorwaarden van de
                        bouwvergunning. <vet>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</vet>
                        Burgemeester en wethouders zijn bevoegd sloopwerkzaamheden stil te leggen,
                        indien er wordt gesloopt:</al><al>a.zonder sloopvergunning, als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste lid, van deze
                        verordening;</al><al>b.in afwijking van een sloopvergunning, als bedoeld in artikel 8.1.1, eerste
                        lid, van deze verordening;</al><al>c.zonder melding van het sloopvoornemen, als bedoeld in artikel 8.2.1,
                        eerste lid, van deze verordening;</al><al>d.in afwijking van de voorschriften die zijn gegeven in de mededeling, als
                        bedoeld in artikel 8.2.1, eerste lid, van deze verordening;</al><al>e.in afwijking van de voorschriften inzake de plichten bij het slopen,
                        opgenomen in de artikelen 8.3.1 tot en met 8.3.5 van deze verordening;</al><al>f.in afwijking van de voorschriften van het Asbestverwijderingsbesluit,
                        zoals laatstelijk gewijzigd, zijnde de Algemene Maatregel van Bestuur,
                        bedoeld in de artikelen 24, 35, vierde lid, en 39, derde lid, van de Wet
                        milieugevaarlijke stoffen, alsmede in de artikelen 8, achtste lid, juncto 8,
                        tweede lid, onderdelen d en h, en 110, eerste lid, van de Woningwet; of</al><al>g.in afwijking van artikel 8.4.1 van deze verordening, indien en voor zover
                        het vergunningsvrij slopen betreft.</al><al><vet>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (vervallen)Hoofdstuk12 Straf-,
                            overgangs- en slotbepalingenArtikel 12.1 Strafbare feiten</vet>
                        Overtreding van de voorschriften genoemd in de artikelen 4.2, 4.5, 4.7, 4.8,
                        4.9, 4.10, eerste tot en met vierde lid, 4.11, 4.12, 4.13, 4.14, 5.2.1,
                        5.4.1, 6.1.1, eerste lid, 6.1.7, 6.2.1, eerste en tweede lid, 6.2.2, eerste
                        lid, 6.2.3, 6.3.1, 6.3.2, 7.1.1, 7.1.2, 7.2.1, 7.2.2, 7.2.3, 7.3.2, 7.4.1,
                        7.5.1, 7.6.1, 8.1.1, eerste lid, 8.2.1, negende en tiende lid, 8.3.1, 8.3.2,
                        8.3.3, 8.3.4, 8.3.5, 8.4.1, geldt als strafbaar feit en wordt gestraft met
                        hechtenis van ten hoogste vier maanden of geldboete van de derde categorie.
                            <vet>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</vet> Indien ten
                        behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk in enig ander
                        verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief bodemonderzoek is
                        verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het in artikel 1.2.6
                        onder e van de bijlage behorende bij het Besluit indieningsvereisten
                        bedoelde verkennende bodem-onderzoek, tenzij burgemeester en wethouders van
                        mening zijn dat het indicatieve bodemonderzoek niet meer als een recent
                        onderzoek kan worden gezien. <vet>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met
                            betrekking tot de staat van open erven en terreinen</vet> Het bepaalde
                        in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van gebouwen is niet
                        van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt op basis van een
                        bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Woningwet van
                        12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op grond van artikel 40 van
                        de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van dat gebouw zijn gesteld.
                            <vet>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om)
                            gebruiksvergunning</vet></al><al>1.Een aanvraag om gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 26 van de
                        brandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 2 januari
                        2001, alsmede enig beroep, ingesteld tegen een beslissing omtrent een
                        dergelijke aanvraag, wordt afgedaan op grond van genoemde
                        brandbeveiligingsverordening en alle daarin aangebrachte wijzigingen.</al><al>2.Een gebruiksvergunning als bedoeld in artikel .. van de
                        brandbeveiligingsverordening vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 2 januari
                        2001 geldt als gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1.</al><al>3.Een ontheffing, aanschrijving, toestemming, voorschrift of beperking - hoe
                        ook genaamd - verleend krachtens de brandbeveiligingsverordening,
                        vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 2 januari 2001, blijft van kracht totdat
                        de termijn waarvoor zij is verleend, is verstreken of totdat zij is
                        ingetrokken.</al><al>4.Een bevel tot sluiting als bedoeld in artikel 29 van de
                        brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 2 januari
                        2001 blijft van kracht totdat het besluit tot opheffing van dit bevel
                        krachtens artikel 32 van de genoemde brandbeveiligingsverordening
                        onherroepelijk is.</al><al><vet>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</vet> Vervallen
                            <vet>Artikel 12.6 Slotbepaling</vet></al><al>1.Deze verordening treedt in werking op de 1e. dag na die waarop zij is
                        afgekondigd.</al><al>2.Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen:</al><al>a.de bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 19 december 2002 en
                        alle daarin aangebrachte wijzigingen;</al><al>b.de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 2
                        januari 2001 en alle daarin aangebrachte wijzigingen, voor zover deze
                        brandbeveiligingsverordening eisen aan het brandveilig gebruik van
                        bouwwerken stelt.</al><al>3.Deze verordening kan worden aangehaald als 'bouwverordening 2004 Gemeente
                        Zwartewaterland’</al></tekst></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld door de raad van de gemeente Zwartewateland op 27 mei 2004.</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><bijlage><al><vet><onderstreept> Bijlage 1</onderstreept>Gegevens en bescheiden aanvraag
                        gebruiksvergunning Bijlage behorende bij artikel 6.1.2 De aanvraag voor een
                        gebruiksvergunning als bedoeld in artikel 6.1.1 moet de volgende gegevens
                        bevatten.Artikel 1</vet></al><al>a.de naam en het correspondentie-adres in Nederland van de aanvrager;</al><al>b.indien een gemachtigde is aangewezen, diens naam en correspondentie-adres in
                    Nederland, en een door de aanvrager ondertekende machtiging;</al><al>c.een duidelijke omschrijving van de plaats en de bestemming van het bouwwerk of
                    de bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;</al><al>d.de wijze van verwarming van het bouwwerk, onder vermelding van de
                    energiebron;</al><al>e.voor de in artikel 6.1.1, bedoelde bouwwerken bovendien het maximum aantal
                    personen, dat gelijktijdig in het bouwwerk zal verblijven.</al><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>De aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 6.1.1, moet zijn voorzien van de
                    volgende tekeningen en overige bescheiden:</al><al>a.een situatietekening, vermeldende de kadastrale aanduiding en zo mogelijk de
                    straatnaam en het huisnummer van het bouwwerk c.q. de bouwwerken, op een schaal
                    van 1:1000;</al><al>b.een bouwkundige plattegrondtekening van het bouwwerk c.q. de bouwwerken op een
                    schaal van ten minste 1:100, aangevende de indeling, de bestemming van de
                    verschillende ruimten en de aan te brengen brandveiligheidsvoorzieningen, waarop
                    voor de in artikel 6.1.1, eerste lid, onder c en d, bedoelde bouwwerken tevens
                    de opstelling van de bedden moet zijn aangegeven;</al><al>c.voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a,
                    daarenboven: een plattegrond op een schaal van tenminste 1:100, aangevende de
                    vrij te houden gang- en looppaden en de overige voor het publiek beschikbare
                    vrije vloeroppervlakte;</al><al>d.voor een bouwwerk, als bedoeld in artikel 6.1.1, eerste lid, onder a, voor
                    zover daarin ten behoeve van de gebruikers zitplaatsen in rijen worden
                    opgesteld, daarenboven: een plattegrondtekening op een schaal van tenminste
                    1:100, aangevende de opstelling van de zitplaatsen, de vrij te houden gang- en
                    looppaden en de overige voor het publiek beschikbare vrije
                    vloeroppervlakte.</al><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>De tekeningen moeten duidelijk en zaakkundig zijn uitgevoerd, een en ander
                    overeenkomstig het gestelde in artikel 2.2 van de bijlage bij Besluit
                    indieningsvereisten. </al><al><vet> Bijlage 2Gebruikseisen voor bouwwerken Bijlage behorende bij artikel 6.2.1
                        , eerste lid</vet></al><al><vet>Artikel 1 Vrijhouden van terreingedeelten</vet></al><al>1.De bij het bouwwerk behorende brandkranen en andere bluswaterwinplaatsen
                    moeten worden vrijgehouden voor blusvoertuigen, en wel zodanig dat hiervan
                    onbelemmerd gebruik kan worden gemaakt.</al><al>2.Op het bij het bouwwerk behorende terrein moeten de beplanting, de
                    parkeerplaatsen, de laad- en losplaatsen en de plaatsen waar goederen en
                    afvallen worden opgeslagen of gedeponeerd, zodanig zijn gesitueerd dat bij brand
                    het oprijden en opstellen van de voertuigen en andere hulpmiddelen van de
                    brandweer niet worden bemoeilijkt of belemmerd.</al><al>3.De verbindingsweg, bedoeld in de artikelen 2.5.3, eerste en tweede lid, en
                    5.1.2, eerste en tweede lid, moet ten behoeve van het verkeer van de
                    hulpverlenende diensten over de volle breedte en hoogte worden vrijgehouden.
                    Hekwerken die deze verbindingsweg afsluiten, moeten snel en gemakkelijk kunnen
                    worden geopend.</al><al><vet>Artikel 2 Verlichting/elektrische installatie</vet></al><al>1.Het is verboden een verlichtingsinstallatie of een verlichtingstoestel op
                    zodanige wijze te gebruiken, dat het gebruik: door de eigenschappen van die
                    installatie of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand door
                    de wijze waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht,
                    gevaar oplevert voor het ontstaan van brand. </al><al>2.Geacht wordt te zijn voldaan aan de eisen uit het eerste lid, indien de
                    eigenschappen van de verlichtingsinstallatie in overeenstemming zijn met het
                    bepaalde in de Regeling Bouwbesluit 2003, zoals laatstelijk herzien.</al><al><vet>Artikel 3 Installaties voor verwarming en kookdoeleinden</vet></al><al>1.In de stookruimte mogen geen brandbare goederen worden opgeslagen/opgesteld.
                    Stooktoestellen die buiten een stookruimte zijn opgesteld, dienen vrij te worden
                    gehouden van brandbare goederen.</al><al>2.Een opening ten behoeve van ventilatie, op grond van enige regeling geëist,
                    mag niet worden afgesloten.</al><al>3.Het is verboden een verwarmingsinstallatie of verwarmingstoestel op zodanige
                    wijze te gebruiken, dat het gebruik: door de eigenschappen van die installatie
                    of dat toestel zelf gevaar oplevert voor het ontstaan van brand door de wijze
                    waarop die installatie of dat toestel is opgesteld of aangebracht gevaar
                    oplevert voor het ontstaan van brand. </al><al>4.Het in het 3.3 bedoelde gevaar als gevolg van de eigenschappen wordt niet
                    geacht aanwezig te zijn bij het gebruik van: centraleverwarmingsinstallaties die
                    voldoen aan de veiligheidseisen voor centraleverwarmingsinstallaties, opgenomen
                    in NEN 3028, uitgave 1986, en NEN 3028/C1, uitgave 1986;
                    centraleverwarmingsinstallaties voor het stoken van gas dat wordt gedistribueerd
                    door middel van pijpleidingen welke installaties bovendien voldoen aan de
                    gasinstallatievoorschriften, opgenomen in NEN 1078, uitgave 1999; niet op de
                    centrale distributienetten aangesloten installaties voor het stoken met
                    vloeibaar gas die voldoen aan de eisen in NEN 1078, uitgave 1999. </al><al>5.Het is verboden een verwarmingstoestel met afvoergelegenheid voor het stoken
                    van vaste of vloeibare brandstof te gebruiken indien de verbrandingsgassen
                    daarvan niet worden afgevoerd door middel van een doeltreffende voorziening voor
                    de afvoer van rook.</al><al>6.Het is verboden een verwarmingstoestel voor het stoken met gas te gebruiken
                    indien de verbrandingsgassen daarvan niet worden afgevoerd door middel van een
                    doeltreffend rookkanaal of gasafvoerkanaal.</al><al><vet>Artikel 4 Voorzieningen voor de afvoer van rook</vet></al><al>1.Het is verboden een rookkanaal te gebruiken dat niet doeltreffend is
                    gereinigd.</al><al>2.Het is verboden een rookkanaal uit te branden.</al><al>3.Het is verboden een rookkanaal of gasafvoerkanaal te gebruiken, indien dit
                    gebruik door de toestand waarin dat rookkanaal of dat gasafvoerkanaal zich
                    bevindt dreigend gevaar oplevert voor de veiligheid van personen.</al><al>4.Het is verboden een rookkanaal waarin brand heeft gewoed te gebruiken voordat
                    het is gereinigd en zonodig hersteld.</al><al>5.Het is verboden een rookkanaal te gebruiken als dit zonder een inrichting tot
                    het opvangen van vonken dreigend gevaar oplevert voor het ontstaan van
                    brand.</al><al><vet>Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur</vet></al><al>1.Het is verboden te roken of vuur te hebben in een ruimte in gebruik als
                    opslagplaats van een of meer der stoffen genoemd in de Regeling bouwbesluit
                    2003; bij het verrichten van werkzaamheden die het uitstromen van brandbare
                    vloeistoffen en/of gassen kunnen veroorzaken; bij het vullen van een
                    brandstofreservoir met een brandbare vloeistof of een brandbaar gas. </al><al>2.Niemand mag roken of vuur bij zich hebben op plaatsen waar een zodanig verbod,
                    ter voldoening aan hetgeen bij of krachtens wettelijk voorschrift is gesteld, op
                    een voor een ieder kenbare wijze is aangegeven.</al><al>3.Op het moment dat open vuur onvermijdelijk is dient dit via een intern
                    vergunningsysteem uitgevoerd te worden.</al><al><vet>Artikel 6 Droge blusleiding</vet></al><al>1.Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en
                    goede werking van droge blusleidingen.</al><al>2.De droge blusleiding moet, na geheel met water te zijn gevuld, worden
                    onderworpen aan een druk van 1600 kPa gemeten op de hoogte van het maaiveld.
                    Deze druk moet zich zonder bijpompen gedurende 5 minuten handhaven. Boven de 75
                    meter moet voor elke 10 meter de druk met 100 kPa worden verhoogd.</al><al>3.Bij oplevering van de installatie en daarna eenmaal per vijf jaar moet de
                    droge blusleiding worden getest, zoals in het tweede lid is weergegeven.
                    Resultaten van deze test moeten, in de vorm van een testrapport aan de
                    commandant van de brandweer worden gezonden. </al><al>4.De pompinstallatie voor de droge blusleiding moet voldoen aan het gestelde in
                    de publicatie 'Brandbeveiligingsinstallaties', eerste druk (2002), verkrijgbaar
                    bij NVBR (zie voor adres de toelichting op artikel 2.6.10).</al><al>5.De pompinstallatie voor de droge blusleiding moet ten minste eenmaal per maand
                    worden gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.</al><al>6.Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede werking
                    van de pompinstallatie voor de droge blusleiding.</al><al><vet>Artikel 7 Brandweerlift</vet></al><al>1.De brandweerlift moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd op een
                    goede werking en zo nodig worden gerepareerd.</al><al>2.Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid,
                    veiligheid en goede werking van brandweerliften;</al><al><vet>Artikel 8 Brandmeldinstallatie</vet></al><al>De brandmeldinstallatie moet doeltreffend beheerd, gecontroleerd en onderhouden
                    worden. Aan deze eisen wordt geacht te zijn voldaan, indien is voldaan aan het
                    gestelde in NEN 2654-1, uitgave 2002. </al><al><vet>Artikel 9 Ontruimingsalarminstallatie</vet></al><al>1.De ontruimingsalarminstallatie moet te allen tijde voor onmiddellijk gebruik
                    beschikbaar zijn. De ontruimingsalarminstallatie moet in een goede staat
                    verkeren en voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    'Brandbeveiligingsinstallaties', eerste druk (2002), verkrijgbaar bij NVBR (zie
                    voor adres de toelichting op artikel 2.6.10).</al><al>2.De ontruimingsalarminstallatie moet eenmaal per maand worden gecontroleerd op
                    een goede werking en zonodig gerepareerd.</al><al>3.Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en
                    goede werking van ontruimingsalarminstallaties.</al><al>4.De rechthebbende op het bouwwerk waarin een ontruimingsalarminstallatie is
                    geëist, moet een ontruimingsplan opstellen ten behoeve van de in het bouwwerk
                    aanwezige personen.</al><al>5.Ten minste eenmaal per jaar dient een oefening van het ontruimingsplan plaats
                    te vinden. Bij deze oefening dient ten minste een gedeelte van het bouwwerk
                    ontruimd te worden.</al><al>6.Door of namens burgemeester en wethouders kunnen tijdstippen worden bepaald
                    waarop de ontruimingsoefeningen moeten plaatsvinden.</al><al><vet>Artikel 10 Brandblusinstallatie</vet></al><al>Met betrekking tot het gebruik van de automatische brandblusinstallatie moet te
                    allen tijde een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat is verleend
                    door een door burgemeester en wethouders aanvaarde instelling. Toelichting bij
                    Artikel 10 </al><al>Er dienen certificaten van een instelling, die is erkend door de Stichting Raad
                    voor de Certificatie (RvC) te Driebergen, te worden overhandigd. Het
                    non-discriminatie beginsel uit het EEG-verdrag brengt met zich mee dat
                    certificaten van instellingen uit andere landen van de Europese Unie niet mogen
                    worden geweigerd, mits zulke certificaten gelijkwaardig zijn aan die welke door
                    de 'bonafide' instituten in Nederland worden afgegeven. De onderhavige eis in de
                    bouwverordening geldt uitsluitend voor een certificaat(gedeelte) inzake het
                    gebruik van de automatische brandblusinstallaties, dat wil zeggen een - niet
                    verlopen - kwaliteitsverklaring betreffende de periodieke goedkeuring van de
                    staat van onderhoud, het gebruiksgereed zijn en de goede werking. Certificaten
                    van het NCP omvatten meer aspecten en hebben momenteel slechts gedeeltelijk
                    betrekking op laatstgenoemde periodieke keuringen. De overige aspecten van deze
                    certificaten hebben betrekking op de kwaliteit en de wijze van aanleg van
                    automatische brandblusinstallaties. Dit zijn aspecten die niet zijn geregeld in
                    de bouwverordening, maar verband houden met de voorschriften van het
                    Bouwbesluit. In de zin van dat besluit vormt de aanwezigheid van een goede
                    automatische brandblusinstallatie namelijk een oplossing die gelijkwaardig kan
                    zijn aan de normaliter voorgeschreven brand- en rookcompartimentering van een
                    gebouw. </al><al><vet>Artikel 11 Pompinstallaties t.b.v. brandslanghaspels (hydrofoor)</vet></al><al>1.De pompinstallaties moeten ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd
                    op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.</al><al>2.Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en
                    goede werking van pompinstallaties.</al><al><vet>Artikel 12 Automatisch werkende vluchtdeuren</vet></al><al>1.De automatisch werkende schuifdeuren moeten gedurende de tijd dat personen in
                    het bouwwerk aanwezig zijn in de stand automatisch, bij een spanningsval in de
                    elektriciteitsvoorziening automatisch openen en in geopende stand blijven
                    staan.</al><al>2.Bij aanwezigheid van een sluisconstructie dienen voorzieningen te zijn
                    getroffen dat in geval van brand de sluiswerking teniet wordt gedaan
                    overeenkomstig het gestelde in de publicatie 'Brandbeveiligingsinstallaties',
                    eerste druk (2002), verkrijgbaar bij NVBR (zie voor adres de toelichting op
                    artikel 2.6.10).</al><al><vet>Artikel 12 A Vluchtdeuren van overdruktrappenhuizen</vet></al><al>De deuren die op de verdiepingen van gebouwen leiden naar een
                    overdruktrappenhuis, als bedoeld in NEN 6092, moeten op ooghoogte zijn voorzien
                    van een opschrift, luidende: 'Bij brandalarm HARD DUWEN'. </al><al><vet>Artikel 13 Kwaliteit van transparanten</vet></al><al>1.De transparanten moeten ten minste eenmaal per jaar worden gecontroleerd op
                    een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.</al><al>2.De transparantverlichting, welke aanwezig is of op grond van enig wettelijk
                    voorschrift is geëist, dient altijd goed zichtbaar te zijn en moet branden
                    tijdens aanwezigheid van personen.</al><al>Toelichting bij Artikel 13 In het Bouwbesluit 1992 was het voorschrift opgenomen
                    dat een vluchtrouteaanduiding van een gebruiksfunctie, indien die
                    gebruiksfunctie op grond van enig wettelijk voorschrift een voorziening voor
                    noodstroom moet hebben, de genoemde vluchtrouteaanduiding moet zijn voorzien van
                    verlichting en op de noodstroomvoorziening moet zijn aangesloten. In verband met
                    de komst van het Bouwbesluit 2003 is het onderhavige voorschrift thans opgenomen
                    in het najaar 2002 aan de Model-bouwverordening 1992 toegevoegde artikel 2.6.9,
                    tweede lid. Voor de staat van vluchtrouteaanduidingen in bestaande bouwwerken en
                    als aanschrijvingsgrondslag wordt het hiervoor bedoelde voorschrift in artikel
                    2.6.9, eerste lid van overeenkomstige toepassing verklaard in artikel 5.2.1 van
                    de bouwverordening. </al><al><vet>Artikel 14 Flessengasinstallatie</vet></al><al>1.Een flessengasinstallatie moet blijvend voldoen aan de eisen in NEN 1078,
                    uitgave 1999. </al><al>2.De gasflessen moeten geplaatst worden, zoals op de bij de gebruiksvergunning
                    behorende tekeningen is aangegeven.</al><al>3.Bij inpandig gebruik van gasflessen, geen losse gasflessen maar alleen
                    gekoppeld aan een installatie, mag de nominale inhoud van de gevulde en lege
                    flessen gezamenlijk niet meer bedragen dan 110 liter.</al><al>4.Een gasfles moet zijn voorzien van een door de Dienst voor het Stoomwezen
                    erkend geldig keurmerk.</al><al>5.De afsluiter van een gasfles moet van een door de Dienst voor het Stoomwezen
                    goedgekeurd type zijn.</al><al>6.Tussen gasfles en verbruikstoestel moet een buigzame verbinding voldoen aan de
                    richtlijnen, vermeld in NPR 3378-0, uitgave 1999.</al><al>7.De afstand tussen gasflessenopslag en een gebouw moet ten minste 5 meter
                    bedragen, tenzij tussen de opslag en dit gebouw en de omgeving hiervan een
                    weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van ten minste 30 minuten
                    bestaat.</al><al>8.De opslag van gasflessen inpandig is niet toegestaan. De opslag van gasflessen
                    dient conform de CPR-regels te geschieden.</al><al><vet>Artikel 15 Rook- en warmteafvoerinstallatie</vet></al><al>1.De rook- en warmteafvoerinstallatie moet voldoen aan het gestelde in de
                    publicatie 'Brandbeveiligingsinstallaties', eerste druk (2002), verkrijgbaar bij
                    NVBR (zie voor adres de toelichting op artikel 2.6.10). De rook- en
                    warmteafvoerinstallatie moet conform de NEN 6093 aangebracht zijn.</al><al>2.De rook- en warmteafvoerinstallatie moet ten minste eenmaal per maand worden
                    gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.</al><al>3.Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede werking
                    van de rook- en warmteafvoerinstallatie.</al><al>4.De inspectielijst van de jaarlijkse controle dient aan de brandweercommandant
                    overhandigd te worden.</al><al>5.Met betrekking tot het gebruik van de rook-, en warmteafvoerinstallatie dient
                    een geldig certificaat kunnen worden overgelegd, dat is verleend door een door
                    burgemeester en wethouders aanvaarde instelling. </al><al><vet>Artikel 16 Overdrukinstallatie</vet></al><al>1.De overdrukinstallatie moet voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    'Brandbeveiligingsinstallaties', eerste druk (2002), verkrijgbaar bij NVBR (zie
                    voor adres de toelichting op artikel 2.6.10).</al><al>2.De overdrukinstallatie moet ten minste eenmaal per maand worden gecontroleerd
                    op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.</al><al>3.Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede werking
                    van de overdrukinstallatie.</al><al><vet>Artikel 17 Luchtbehandelinginstallatie</vet></al><al>1.De luchtbehandelinginstallatie moet voldoen aan het gestelde in de publicatie
                    'Brandbeveiligingsinstallaties', eerste druk (2002), verkrijgbaar bij NVBR (zie
                    voor adres de toelichting op artikel 2.6.10).</al><al>2.De luchtbehandelinginstallatie moet ten minste eenmaal per maand worden
                    gecontroleerd op een goede werking en zo nodig worden gerepareerd.</al><al>3.Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de goede werking
                    van de luchtbehandelinginstallatie.</al><al><vet>Artikel 18 Brandweeringang</vet></al><al>Een brandweeringang moet door de brandweer te openen zijn met behulp van het bij
                    de brandweer in gebruik zijnde sleutel- c.q. sleutelkluissysteem dan wel
                    automatisch bij een brandmelding. </al><al><vet>Artikel 19 Register</vet></al><lijst><li nr="a."><al>Alle werkzaamheden aan de bovenvermelde installaties moeten in een
                            register worden vermeld. Dit register moet in het bouwwerk ter inzage
                            liggen.</al></li><li nr="b."><al>Indien een sprinklerinstalatie, rook/warmte afvoer systeem of een
                            brandmeldinstallatie buiten werking worden gesteld dient de
                            brandweercommandant hiervan op de hoogte gesteld te worden. Eventueel
                            kunnen er extra gebruikseisen tijdens deze periode worden gesteld. </al></li></lijst><al><vet>Artikel 20 Werkzaamheden, niet behorend tot de normale
                        bedrijfsuitoefening</vet></al><al>1.Bij het verrichten of doen verrichten van onderhouds-, herstellings-,
                    wijzigings- of sloopwerkzaamheden, waarbij stoffen als bedoeld in de Regeling
                    bouwbesluit 2003, of gereedschappen worden gebruikt, waarvan het gebruik
                    aanleiding kan geven tot het ontstaan van brand, moeten voldoende maatregelen
                    zijn getroffen tegen het ontstaan van brand.</al><al>2.Voordat de in het voorgaande lid genoemde werkzaamheden verricht worden in, op
                    of aan een bouwwerk of installatie van een bouwwerk dat vanwege zijn
                    kunstwaarde, wetenschappelijk of maatschappelijk belang bijzondere bescherming
                    behoeft tegen brandgevaar, dient dit door de rechthebbende van dat bouwwerk aan
                    burgemeester en wethouders te worden gemeld.</al><al><vet><onderstreept>Bijlage 3</onderstreept>Gebruikseisen voor bouwwerken, niet
                        zijnde een- en meergezinshuizen en woonwagens, behalve voor een- en
                        meergezinshuizen en woonwagens waarin sprake is van een verminderde
                        zelfredzaamheid van bewoners in combinatie met permanent toezicht op en
                        begeleiding van bewoners. Bijlage behorende bij artikel 6.2.1, tweede
                        lid</vet></al><al><vet>Artikel 1 Uitgangen en vluchtwegen</vet></al><al>1.De ingangen, doorgangen, uitgangen, nooduitgangen, gangpaden, galerijen,
                    trappen, hellingbanen en vluchtwegen moeten te allen tijde over de minimaal
                    vereiste breedte zijn vrijgehouden van obstakels en steeds voldoende stroef
                    zijn. Dit geldt eveneens voor het als verlengstuk van de vluchtwegen aan te
                    merken gedeelte van het aansluitend terrein. </al><al>2.Een (nood)uitgangsdeur mag bij aanwezigheid van personen in het bouwwerk
                    uitsluitend zodanig zijn gesloten, dat de uitgangsdeur van binnen uit
                    ogenblikkelijk over de minimaal vereiste breedte kan worden geopend zonder dat
                    hiertoe gebruik moet worden gemaakt van een sleutel of een ander los
                    voorwerp.</al><al>3.Deuren en luiken die een brandwerende en/of rookwerende functie hebben, mogen
                    niet langer in geopende stand worden gehouden dan voor het verkeer van personen
                    of het vervoer van goederen noodzakelijk is, tenzij door middel van automatische
                    inrichtingen die de deuren, resp. luiken, loslaten zodra een toestand intreedt
                    waarin deze als brandwering en/of rookwering moeten dienen. Deze automatische
                    inrichtingen behoeven de goedkeuring van burgemeester en wethouders.</al><al>4.Buitentrappen en hellingbanen van bouwwerken bestemd voor het verblijf van
                    mensen moeten worden vrijgehouden van sneeuw en ijs.</al><al>5.Deuren, hekken en andere afsluitingen in vluchtwegen moeten, indien deze niet
                    draaien in de vluchtrichting, gedurende de tijd dat in het gebouw personen
                    aanwezig zijn, in geheel geopende stand worden gehouden en zodanig zijn
                    vastgezet dat deze niet door onbevoegden kunnen worden gesloten (dit geldt niet
                    voor brandwerende deuren).</al><al>6.Gordijnen in of voor een ingang, doorgang, uitgang en nooduitgang e.d. moeten
                    zodanig zijn aangebracht, dat deze met de deuren meedraaien en in generlei
                    opzicht het openen van de deuren belemmeren en/of verhinderen.</al><al>7.Kabels en snoeren moeten in geval deze over de vloer moeten lopen met goede
                    plakstrips worden vastgeplakt en wel zodanig dat struikelen en/of vallen wordt
                    voorkomen.</al><al>8.Rookvorming, veroorzaakt door bij voorbeeld een rookapparaat of koudijs of op
                    andere wijze gemaakt mag nooit een snelle ontruiming verhinderen.</al><al><vet>Artikel 2 Stoffering en versiering</vet></al><al>1.Stoffering en versiering moeten vrijgehouden worden van spots en andere warm
                    wordende apparatuur, waarvan de oppervlaktetemperatuur meer dan 80 0C
                    bedraagt.</al><al>2.Vloer- en trapbedekkingen in vluchtwegen en in ruimten waarin meer dan 50
                    personen gelijktijdig kunnen verblijven moeten zodanig zijn aangebracht dat zij
                    niet kunnen verschuiven, omkrullen of oprollen en mogen in generlei opzicht
                    gevaar voor uitglijden, struikelen of vallen kunnen veroorzaken.</al><al>3.Gordijnen en andere verticale stofferingen in ruimten waarin meer dan 50
                    personen gelijktijdig kunnen verblijven moeten 0,10 meter vrij van de vloer
                    worden gehouden.</al><al>4.Tussen het vloeroppervlak van een ruimte en de aangebrachte versiering moet
                    een vrije ruimte van minimaal 2,50 meter overblijven. Deze versiering mag niet
                    gemakkelijk ontvlambaar zijn, in geval van brand mag geen druppelvorming
                    plaatsvinden.</al><al>5.Met brandbaar gas gevulde ballonnen mogen niet aanwezig zijn.</al><al>6.De toe te passen, verticaal op te hangen textielproducten moeten in
                    vluchtwegen en in ruimten waarin meer dan 50 personen gelijktijdig kunnen
                    verblijven, een navlamduur hebben van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur
                    van ten hoogste 60 seconden, bepaald volgens de normen NEN-EN-ISO 6940 en 6941,
                    uitgaven 1995. </al><al>7.De toegepaste bekledingsmaterialen moeten voldoen aan: NEN 1775, uitgave 1991,
                    en NEN 1775/A1, uitgave 1997, klasse T1 ten aanzien van vloeren; NEN 6065,
                    uitgave 1991, en NEN 6065/A1, uitgave 1997, klasse 2 ten aanzien van de overige
                    aankleding en versiering; de eis ten aanzien van gordijnen van een navlamduur
                    van ten hoogste 15 seconden en een nagloeiduur van ten hoogste 60 seconden,
                    bepaald volgens NEN- EN-ISO 6940 en 6941, uitgaven 1995; NEN 6066, uitgave 1991,
                    en NEN 6066/A1, uitgave 1997, optische rookdichtheid ] 2,2 m-1, waarbij
                    laatstgenoemde eis niet geldt voor vloeren en tredenvlakken. </al><al><vet>Artikel 3 Installaties</vet></al><al>1.De elektrische verlichting moet aan de volgende eisen voldoen:</al><al>a.Indien voor het gebruik door personen bestemde ruimten van een gebouw overdag
                    onvoldoende daglicht ontvangen of dergelijke ruimten na zonsondergang worden
                    gebruikt, moet met het oog op het veilig kunnen verlaten van het gebouw in die
                    ruimten tijdens het gebruik daarvan een zodanige elektrische verlichting in
                    werking zijn, dat de verlichtingssterkte op vloerniveau ten minste 10 lux
                    bedraagt.</al><al>b.Indien voor het gebruik door personen bestemde gedeelten van een bouwwerk,
                    geen gebouw zijnde, overdag onvoldoende daglicht ontvangen of dergelijke
                    gedeelten na zonsondergang worden gebruikt, moet met het oog op het veilig
                    kunnen verlaten van het bouwwerk op die gedeelten tijdens het gebruik daarvan
                    een zodanige elektrische verlichting in werking zijn, dat de verlichtingssterkte
                    op vloerniveau ten minste 10 lux bedraagt.</al><al>c.Wanneer aan de buitenzijde van de uitgangen van het bouwwerk onvoldoende
                    daglicht aanwezig is, moeten daar lampen van de elektrische buitenverlichting
                    branden (minimaal 10 lux op de vloer).</al><al>d.Treden in ruimten die tijdens de aanwezigheid van personen zijn verduisterd,
                    moeten zodanig zijn verlicht dat deze duidelijk zichtbaar zijn.</al><al>e.Indien een ruimte de mogelijkheid met zich meebrengt dat deze tijdens de
                    aanwezigheid van personen wordt verduisterd, moet in die ruimte, indien er meer
                    dan 50 personen gelijktijdig verblijven, lampen branden van zodanige sterkte dat
                    een redelijke oriëntering mogelijk is.</al><al>f.Het gebruik van andere dan elektrische verlichting is verboden.</al><al>2.Installaties voor verwarming en kookdoeleinden</al><al>a.In het bouwwerk mogen geen losse verwarmingstoestellen aanwezig zijn.</al><al>b.Tijdelijke gasinstallaties mogen maximaal 10 meter vanaf een niet vast
                    opgesteld verbruikstoestel worden geplaatst. Indien de verbinding door middel
                    van een slang plaatsvindt, dan moet dit een GASTEC goedgekeurde slang zijn. De
                    slang moet met deugdelijke slangklemmen op de slangpilaren bevestigd zijn.</al><al>c.De opstelling van een kooktoestel moet brandveilig zijn.</al><al>2.<vet>Artikel 4 Blusmiddelen</vet></al><al>2.Bij inbouw moet het blusmiddel door middel van een door burgemeester en
                    wethouders goedgekeurd pictogram of door middel van een aanduiding worden
                    aangegeven. </al><al>2.<vet>Artikel 5 Verbod voor roken en open vuur</vet></al><al>1.Het rookverbod c.q. openvuurverbod moet op opvallende plaatsen duidelijk
                    zichtbaar staan aangegeven door middel van het opschrift 'VERBODEN TE ROKEN' of
                    'VERBODEN VOOR OPEN VUUR'; of door een gestandaardiseerd symbool overeenkomstig
                    het gestelde in de norm NEN-3011, uitgave 1986.</al><al>2.Kaarsen moeten op stabiele en degelijke, niet gemakkelijk ontvlambare,
                    standaards zijn vastgezet.</al><al>3.Op het moment dat open vuur onvermijdelijk is dient dit via een intern
                    vergunningsysteem uitgevoerd te worden.</al><al><vet>Artikel 6 Opstellingsplannen</vet></al><al>1.Bij in rijen opgestelde zitplaatsen moet tussen de rijen een vrije ruimte
                    aanwezig zijn van ten minste 0,40 meter, gemeten tussen de loodlijnen door de
                    elkaar dichtst naderende gedeelten van de rijen. Indien in een rij tussen
                    zitplaatsen tafeltjes zijn geplaatst, moet de genoemde vrije ruimte ter plaatse
                    van de tafeltjes doorlopen. </al><al>2.Bij in rijen opgestelde zitplaatsen moeten, indien een rij meer dan 4 stoelen
                    bevat en 4 of meer rijen achter elkaar zijn geplaatst, deze zo zijn gekoppeld
                    dan wel aan de vloer zijn bevestigd dat deze ten gevolge van gedrang niet kunnen
                    verschuiven of omvallen. De stoelkoppeling moet ten genoegen van burgemeester en
                    wethouders zijn uitgevoerd. </al><al>3.Een rij zitplaatsen, die slechts aan één einde op een gangpad of uitgang
                    uitkomt, mag niet meer dan 8 zitplaatsen bevatten.</al><al>4.Een rij zitplaatsen die aan beide einden op een gangpad of een uitgang
                    uitkomt, mag ten hoogste bevatten: 16 zitplaatsen, indien de vrije ruimte tussen
                    de rijen kleiner is dan 0,45 meter; 32 zitplaatsen, indien de vrije ruimte
                    tussen de rijen groter is dan 0,45 meter; 50 zitplaatsen, indien de vrije ruimte
                    tussen de rijen groter is dan 0,45 meter en er bovendien aan beide einden van de
                    rijen per 4 rijen een uitgang met een breedte van ten minste 1,10 meter aanwezig
                    is. </al><al>5.Meubelen en voor aankleding of versiering dienende voorwerpen op en op minder
                    dan 2,50 meter hoogte boven de vloer van een ruimte waarin personen verblijven
                    mogen -voor meubelen gemeten bij gebruik daarvan - in loodrechte projectie op de
                    vloer van de ruimte slechts een zodanige ruimte beslaan dat ten minste: 0,25 m2
                    vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor geen zitplaats
                    aanwezig is; 0,30 m2 vloeroppervlakte beschikbaar blijft voor iedere persoon
                    waarvoor een zitplaats aanwezig is die zodanig is of is aangebracht dat deze ten
                    gevolge van gedrang niet kan verschuiven of omvallen; 0,50 m2 vloeroppervlakte
                    beschikbaar blijft voor iedere persoon waarvoor een zitplaats aanwezig is die
                    niet zodanig is of is aangebracht dat deze ten gevolge van gedrang niet kan
                    verschuiven of omvallen. </al><al>6.Meubelen en voor aankleding of versiering dienende voorwerpen in een ruimte
                    waarin personen verblijven, moeten indien de vrije vloeroppervlakte minder dan
                    0,50 m2 per persoon bedraagt, zodanig zijn aangebracht dat zij ten gevolge van
                    gedrang niet kunnen verschuiven of omvallen.</al><al>7.Van ruimten waarin meer dan 50 personen gelijktijdig kunnen verblijven dient
                    ten genoegen van burgemeester en wethouders een opstellingsplan aanwezig te
                    zijn.</al><al><vet>Artikel 7 Afval</vet></al><al>1.Afval moet dagelijks worden verzameld in veilig opgestelde goed af te sluiten
                    containers van moeilijk brandbaar materiaal, voorzover de containers binnen het
                    bouwwerk zijn opgesteld.</al><al>2.Asbakken moeten regelmatig, maar ten minste dagelijks, worden geleegd in
                    afsluitbare asverzamelaars van onbrandbaar materiaal. De inhoud van deze
                    asverzamelaars mag slechts in onbrandbare vaten, die van een deksel zijn
                    voorzien, worden gedeponeerd. </al><al>3.De aanwezige asbakken en/of papierbakken moeten van onbrandbaar materiaal zijn
                    vervaardigd.</al><al><vet>Artikel 8 Periodieke controle</vet></al><al>1.Ten minste eenmaal per jaar moet door een ter zake kundige het nodige
                    onderhoud worden verricht en een controle worden gehouden op de reinheid en de
                    goede werking van en zo nodig gerepareerd, voor zover van toepassing,
                    onderstaande voorzieningen: brandhaspels; handbrandblusapparaten;
                    telefooninstallaties; sluiting mechanisme van de brandwerende rolluiken;
                    doorvoeringen en sluitingsmechanismen van afsluitingen in brandwerende
                    scheidingen. </al><al>2.De registratie van de controlewerkzaamheden dient te worden bijgehouden in een
                    speciaal daarvoor bestemd register.</al><al>3.De met controle belaste functionarissen van de brandweer kunnen tijdstippen
                    bepalen en de wijze aangeven waarop een en ander wordt beproefd.</al><al>4.Van de in de in het 1<sup>ste</sup> lid genoemde controles dient ieder jaar
                    een certificaat / attest / inspectierapport te worden overhandigd aan de
                    brandweercommandant.</al><al><vet><onderstreept> Bijlage 4</onderstreept>Toegestane hoeveelheid
                        brandgevaarlijke stoffenBijlage behorend bij artikel 6.2.2</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="38*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="62*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>[Maximum toegestane hoeveelheid stoffen voor huishoudelijk
                                        en alle ander niet-bedrijfsmatig gebruik]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ Stoffen genoemd onder: ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[Vloeistoffen]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ groep F1 a t/m d ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[Conform de Richtlijn betreffende het opslaan voor
                                        huishoudelijk gebruik van brandbare vloeistoffen (opgenomen
                                        als bijlage 6, paragraaf 3)]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ groep F2 e t/m j ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[Conform de hiervoor bij F1 genoemde Richtlijnen ]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[groep F3 k ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[1 tot maximaal 225 liter: conform de hiervoor bij F1
                                        genoemde Richtlijnen;]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[]</al></entry><entry colname="col2"><al>[ 2 van 225 liter t/m 400 liter: ]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[]</al></entry><entry colname="col2"><al>[2.1 bovengronds: uitsluitend op de plaatsen, genoemd in de
                                        gevallen 3.4.1.a t/m 3.4.1.d van de bij groep F1 genoemde
                                        richtlijnen: in goed gesloten metalen vaatwerk bestemd tot
                                        berging van maximaal 200 liter vloeistof;]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[]</al></entry><entry colname="col2"><al>[ 2.2 ondergronds: overeenkomstig bijlage 6, paragraaf 1
                                        ]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[]</al></entry><entry colname="col2"><al>[3 meer dan 400 liter: ]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[]</al></entry><entry colname="col2"><al>[3.1 bovengronds: overeenkomstig bijlage 6, paragraaf 2
                                        ]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[]</al></entry><entry colname="col2"><al>[3.2 ondergronds: overeenkomstig bijlage 6, paragraaf
                                        1]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ groep F3 l]</al></entry><entry colname="col2"><al>[ niet van toepassing]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ groep F4 m t/m p ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[niet van toepassing]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ groep Fu q ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[niet van toepassing]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ groep X r ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[niet van toepassing]</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Maximum toegestane hoeveelheid stoffen voor huishoudelijk en alle ander
                    niet-bedrijfsmatig gebruik </al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="19*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="81*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>[Stoffen genoemd onder:]</al></entry><entry colname="col2"><al>[ Vaste stoffen]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ groep F1a t/m d ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[In totaal 1 kilogram, met uitzondering van bij
                                        kamertemperatuur aan zelfontbranding onderhevige
                                        stoffen]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ groep F2 e t/m j ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[in totaal 4 kilogram]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ groep F3 k ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[niet van toepassing]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ groep F3 l ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[niet van toepassing]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ groep F4 m t/m p ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[niet van toepassing]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ groep Fu q ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[niet van toepassing]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ groep X r ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[niet van toepassing]</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al> Maximum toegestane hoeveelheid stoffen voor huishoudelijk en alle ander
                    niet-bedrijfsmatig gebruik</al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="17*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="83*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>[Stoffen genoemd onder: ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[Gassen]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ groep F1 a t/m d ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[Samengeperst of tot vloeistof verdicht:]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[]</al></entry><entry colname="col2"><al>[ 1 ten behoeve van het gebruik in een installatie: in
                                        flessen van maximaal 45 liter tot een totaal van maximum
                                        twee flessen; ]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[]</al></entry><entry colname="col2"><al>[2 in losse flessen van maximaal 10 liter tot een totaal van
                                        maximum 20 liter.]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ groep F2 e t/m j ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[Samengeperst of tot vloeistof verdicht tot een maximum van
                                        15 liter.]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ groep F3 k ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[niet van toepassing]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ groep F3 I ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[niet van toepassing]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[groep F4 m t/m p ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[niet van toepassing]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ groep Fu q ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[niet van toepassing]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[groep X r ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[niet van toepassing]</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet><onderstreept>Bijlage 5</onderstreept>Opslag brandgevaarlijke
                        stoffenBijlage behorend bij artikel 6.2.3Paragraaf 1 Opslag van vloeistoffen
                        met een vlampunt (bij een druk van 100 kpa) hoger dan 55 0C in ondergrondse
                        tanksArtikel 1.1 Constructievoorschriften</vet></al><al>1.De tank moet een cilindrische vorm hebben en voldoen aan de 'Voorschriften
                    voor stalen tanks voor ondergrondse opslag van vloeibare brandstof' (K
                    3-producten) volgens NEN 3350, uitgave 1991. Indien in de tank verwarmde olie
                    wordt opgeslagen moet bovendien voldaan worden aan de voorschriften volgens NEN
                    3350, uitgave 1991. Het bewijs waarin vermeld is dat de tank aan bovenstaande
                    bepalingen voldoet, afgegeven door het Keuringsinstituut voor
                    Waterleidingartikelen (KIWA) moet aan burgemeester en wethouders vóór het in
                    gebruik nemen van de tank worden overgelegd.</al><al>2.De tank moet tegen corrosie zijn beschermd door een bekleding als omschreven
                    in NEN 3350, uitgave 1991.</al><al>3.De waterafvoeropening en de ontluchtingsleiding moeten elk op een ander einde
                    van de tank zijn aangebracht.</al><al><vet>Artikel 1.2 Installatievoorschriften</vet></al><al>1.De bekleding moet ter plaatse waar de tank wordt ingegraven worden
                    gecontroleerd door afvonken en eventuele beschadigingen moeten worden
                    bijgewerkt. Het onderzoek op dichtheid van de tank en de daarop aangesloten
                    leidingen moet opnieuw geschieden nadat de tank is geplaatst door beproeving met
                    lucht bij een inwendige overdruk van 30 kPa met behulp van een U-vormige open
                    pijp en een waterkolom, of met water bij een inwendige overdruk van 200 kPa. Bij
                    beproeving met lucht mag eventueel product in de tank aanwezig zijn. Bij deze
                    beproeving moet de druk gedurende ten minste 15 minuten constant blijven. Een
                    bewijs hiervan, afgegeven door het KIWA of een door een instituut erkende
                    deskundige, moet vóór het in gebruik nemen van de tank aan burgemeester en
                    wethouders worden overgelegd.</al><al>2.De tank moet zover worden ingegraven, dat de dekking boven het mangatdeksel
                    ten minste 300 mm bedraagt. Onder de tank moet een laag ingewaterd zand zijn
                    aangebracht, ten minste 300 mm dik. De ruimte rondom de tank moet zijn opgevuld
                    met een laag schoon zand, welke ten minste 300 mm dik is en waaruit stenen,
                    sintels, grind en andere harde voorwerpen zorgvuldig zijn verwijderd. Het mangat
                    of de mangaten moeten gemakkelijk bereikbaar zijn. De sleuven van ondergrondse
                    pijpleidingen moeten eveneens met schoon zand worden aangevuld. Indien zeker
                    gesteld is, dat de uitgegraven grond geen harde voorwerpen bevat, mag voor het
                    opvullen deze grond in plaats van zand worden gebruikt.</al><al>3.De tank moet enigszins hellend zijn opgesteld en van een opening zijn voorzien
                    zodat eventueel in de tank aanwezig water op een eenvoudige wijze kan worden
                    verwijderd. Desgewenst kan de peilopening voor dit doel worden gebruikt. De
                    ontluchtingsleiding moet zich aan het hoogst gelegen einde bevinden.</al><al>4.De tank moet zo nodig tegen opdrijven en verzakken zijn beschermd. De tank mag
                    niet zijn ingegraven op een plaats waar zwaar verkeer plaatsheeft, tenzij
                    bijzondere voorzieningen zijn getroffen tot het tegengaan van gevaar van
                    beschadiging van de tank of de leidingen.</al><al>5.De tank, de appendages en de leidingen moeten vloeistofdicht zijn.</al><al>6.Tenzij op grond van een rapport van het Keuringsinstituut voor
                    Waterleidingartikelen (KIWA) kan worden aangetoond, dat de specifieke weerstand
                    van de grond op de plaats waar de tank komt te liggen meer dan 500 kOhm/m
                    bedraagt, moet de tank met de daarop aansluitende ondergrondse leiding uitwendig
                    tegen corrosie zijn beschermd door middel van een kathodische bescherming, welke
                    jaarlijks op haar goede werking moet worden gecontroleerd door het KIWA (indien
                    gewenst kan de controle op aanvraag ook door het VEG-Gasinstituut of het
                    Metaalinstituut TNO worden uitgevoerd) en welke aan het gehele te beschermen
                    oppervlak te allen tijde een potentiaal geeft van 850 mV of een meer negatieve
                    waarde gemeten t.o.v. een Cu-CuSO4 referentiecel. Ten behoeve van de kathodische
                    bescherming moeten bovengrondse delen van de installatie elektrisch zijn
                    geïsoleerd van de tank en de ondergrondse leidingen. Deze isolatiestukken moeten
                    tegen beschadiging zijn beschermd. De meting van de weerstand van de grond mag
                    niet geschieden onder extreme omstandigheden van droogte en moet worden bepaald
                    op het diepste punt van de te maken uitgraving.</al><al>7.De tank moet zijn voorzien van een ontluchtingsleiding met een inwendige
                    middellijn van ten minste 38 mm. Indien meer dan één vulleiding wordt toegepast
                    moet deze maat ten minste 50 mm bedragen. Deze ontluchtingsleiding moet
                    bovengronds stevig zijn bevestigd. De uitmonding van de leiding moet zich boven
                    de begane grond bevinden en op een zodanige plaats, dat het uit deze leiding
                    ontwijkende gasmengsel zich niet kan verzamelen in een besloten ruimte, noch
                    uitstromen nabij schoorstenen, ramen of andere openingen van gebouwen. Het
                    boveneinde moet zodanig zijn omgeven of T-vormig zijn uitgevoerd of door een kap
                    zijn afgedekt, dat inregenen wordt voorkomen. De ontluchtingsleiding moet op
                    afschot naar de tank zijn gelegd. De ontluchtingsleiding moet te allen tijde een
                    open verbinding van de tank met de buitenlucht verzekeren.</al><al>8.De tank mag geen andere inrichtingen voor de toevoer van buitenlucht hebben
                    dan de ontluchtingsleiding.</al><al>9.De leidingen moeten van metaal zijn en op afschot naar de tank zijn gelegd.
                    Indien in de zuigleiding een terugslagklep is aangebracht, moet deze
                    onmiddellijk vóór de pomp zijn gemonteerd (in heuvelachtig terrein waar de tank
                    hoger is gelegen dan de pomp, moet in de zuigleiding een inrichting aanwezig
                    zijn, welke ongewenste hevelwerking voorkomt; in dit laatste geval moet tevens
                    een afsluiter in de leiding worden geplaatst).</al><al>10.De uitvoering van de constructie voor het sluiten van de peilopening van de
                    vulleiding en dergelijke moet zodanig zijn dat vastroesten wordt voorkomen.</al><al>11.Alle leidingen en appendages moeten voldoende sterk zijn en waar nodig
                    doeltreffend tegen beschadiging zijn beveiligd. Alle los neembare
                    pijpaansluitingen aan de tank moeten zijn aangebracht boven het horizontale vlak
                    door de bovenzijde van de mangatstompen gelegd. Pakking- en elektrisch
                    isolatiemateriaal moeten bestand zijn tegen olieproducten en tegen invloed van
                    de bodem. Koperen leidingen moeten steeds elektrisch worden geesoleerd van de
                    tank.</al><al>12.Het vulpunt (de aansluitkoppeling van de vulleiding) mag zich niet bevinden
                    binnen een gebouw, noch op minder dan 2 meter afstand van de horizontale
                    projectie van een tank. Bij het vulpunt moet duidelijk zijn aangegeven de netto
                    inhoud van de tank alsmede voor welk product de tank bestemd is.</al><al>13.De peilopening moet zodanig in uitvoering en afmeting verschillen van de
                    vulleiding dat het niet mogelijk is de losslang van de tankauto rechtstreeks aan
                    de peilopening te koppelen.</al><al><vet>Paragraaf 2 Opslag van vloeistoffen met een vlampunt (bij een druk van 100
                        kPa) hoger dan 55 0C in bovengrondse tanksArtikel 2.1
                        Constructievoorschriften</vet></al><al>1.De opslag mag geschieden in tanks, zoals verticaal geplaatste cilindrische
                    tanks of tanks met een rechthoekige doorsnede, opgesteld buiten een gebouw.</al><al>2.De stijfheid en de sterkte van de tank moeten voldoende zijn om schadelijke
                    vervorming gedurende het vervoer of als gevolg van overdruk bij vulling of
                    overvulling te voorkomen, terwijl de dichtheid onder alle omstandigheden moet
                    zijn verzekerd.</al><al>3.De ondersteunende constructie van een tank moet uit onbrandbaar materiaal
                    bestaan. Op plaatsen waar kans op verzakking bestaat dient een doelmatige
                    fundering te worden aangebracht.</al><al>4.Een tank moet van een goede en veilige constructie zijn; bij een verticaal
                    geplaatste tank mag in geval van een explosie in de dampruimte slechts het dak
                    kunnen wijken; horizontaal geplaatste cilindrische tanks dienen te voldoen aan
                    de constructie-eisen gesteld in NEN 3350, uitgave 1991.</al><al>5.Het uitwendige van tanks en bij verticale tanks het inwendige, voor zover dit
                    niet met olieproducten in aanraking komt, moeten deugdelijk tegen corrosie zijn
                    beschermd, bij voorbeeld door doelmatige oppervlaktebehandeling en het direct
                    daarna aanbrengen van een doelmatige verf. Speciale aandacht moet worden besteed
                    aan de aanrakingsvlakken van de tank met de ondersteuningen resp.
                    fundering.</al><al>6.Een tank moet van doelmatige afsluitbare openingen zijn voorzien waardoor het
                    inwendige wandoppervlak in voldoende mate kan worden onderzocht. Zijn de
                    afmetingen van de tank zodanig dat dit onderzoek alleen uitvoerbaar is door het
                    inwendige van de tanks te betreden, dan moet de tank zijn voorzien van een
                    mangat. Voor horizontaal geplaatste cilindrische tanks gelden de eisen gesteld
                    in NEN 3350, uitgave 1991; bij een verticaal geplaatste tank moet ten minste één
                    mangat in het dak en indien de inwendige hoogte meer bedraagt dan 2,50 meter ten
                    minste één mangat in de romp zijn aangebracht.</al><al>7.Een tank moet zijn voorzien van een doelmatige inrichting waardoor over- of
                    onderdruk, die ontstaat als gevolg van vullen, ledigen of
                    temperatuurveranderingen, wordt opgeheven.</al><al>8.De zich direct tegen de buitenzijde van een tank bevindende
                    verbindingsstukken, afsluiters en appendages beneden het hoogste vloeistofniveau
                    moeten geheel van staal zijn vervaardigd.</al><al><vet>Artikel 2.2 Installatievoorschriften</vet></al><al>1.De tank moet zijn geplaatst op ten minst 1 m afstand van de gevel van een
                    gebouw of van een erfscheiding, tenzij de inhoud meer bedraagt dan 100 m3; in
                    welk geval deze afstand ten minste 3 m moet bedragen. Indien echter deze gevel
                    horizontaal en verticaal gemeten tot op ten minste 1 m afstand van de tank van
                    onbrandbaar materiaal is vervaardigd, de inhoud van de tank niet groter is dan 2
                    m3 en de tank voor controle en onderhoud gemakkelijk kan worden verwijderd, mag
                    van deze afstand van 1 m worden afgeweken.</al><al>2.Bij een totale opslag van niet meer dan 100 m3 moet de afstand tussen 2 tanks
                    ten minste 1 m bedragen. Bij opslag groter dan 100 m3 dient deze afstand ten
                    minste 3 m te bedragen.</al><al>3.Indien uit een tank wegstromende of gemorste olieproducten schade aan derden
                    kunnen toebrengen, moet de tank door een oliedichte omwalling worden omgeven.
                    (Toelichting: Verontreiniging van openbaar water, zoals sloten, kanalen en
                    dergelijke en uitstroming in riolen kunnen worden beschouwd als schade aan
                    derden en moeten worden vermeden; indien door verontreiniging gevaar voor de
                    drinkwatervoorziening zou kunnen ontstaan, mag ook de bodem van de omwalde
                    ruimten geen olieproducten doorlaten en moet derhalve een oliedichte bak worden
                    gemaakt, bijvoorbeeld bestaande uit een betonplaat met opstaande rand.) </al><al>4.Indien zich binnen de omwalde ruimte slechts één tank bevindt, moet de
                    opnamecapaciteit ten minste gelijk zijn aan de tankinhoud; zijn in een ruimte
                    twee of meer tanks opgesteld, dan moet de opnamecapaciteit ten minste gelijk
                    zijn aan de inhoud van de grootste tank, vermeerderd met 10% van de gezamenlijke
                    inhoud van de overige tanks.</al><al>5.De omwalling moet voldoende sterk zijn om weerstand te kunnen bieden aan de
                    vloeistofdruk, die bij het leeglopen van de grootste tank kan ontstaan.</al><al>6.De tank moet zijn gevrijwaard tegen mechanische beschadiging. (Toelichting:
                    Bij intensief (vracht)autoverkeer nabij de tank wordt in het algemeen aan
                    vorenstaande eis voldaan indien een omwalling op ten minste 1 m afstand van de
                    tank is aangebracht; bovendien kan een bescherming worden aangebracht, bijv.
                    bestaande uit in de grond gedreven stalen buizen, een vangrail of iets
                    dergelijks.) </al><al>7.In een leiding voor het afvoeren van hemelwater uit de tankput moet zo dicht
                    mogelijk bij en buiten de omwalling een afsluiter zijn aangebracht; deze
                    afsluiter moet normaliter gesloten zijn. Er mag geen olie naar openbaar water of
                    op gemeentelijke riolering worden afgevoerd. Ten einde te voorkomen dat met
                    water olie wordt afgevoerd, moet in de hemelwaterafvoer van een tankput en in de
                    afvoeren van gebouwen of terreingedeelten waar olie kan weglekken of worden
                    gemorst een doeltreffende olieafscheider worden geplaatst van zodanige
                    capaciteit, dat de gehele hoeveelheid aangevoerd water kan worden verwerkt en
                    die ten minste twee oliekeerschotten bevat. Het minimaal noodzakelijke
                    waterniveau in de olieafscheider moet te allen tijde worden gehandhaafd.</al><al>8.Tanks moeten zijn geaard door middel van aardelektroden, waarvan de
                    verspreidingsweerstand niet meer dan 5 Ohm mag bedragen. Er kan van een centraal
                    aardingssysteem gebruik worden gemaakt. Tanks met een middellijn groter dan 6 m
                    moeten zijn voorzien van meer dan één aardingspunt, die regelmatig verdeeld
                    langs de omtrek op een maximum onderlinge afstand van 20 m moeten zijn
                    aangebracht. De aarding moet overigens voldoen aan het bepaalde in NEN 1014,
                    uitgave 1992, en NEN 1014/C2, uitgave 2000, en moet jaarlijks op deugdelijkheid
                    worden beproefd.</al><al>9.In elke leiding die op de tank is aangesloten beneden het hoogste
                    vloeistofniveau, moet zo dicht mogelijk bij de tankwand een afsluiter zijn
                    geplaatst; de zich direct tegen de buitenwand van de tank bevindende
                    verbindingsstukken en de appendages beneden het hoogste vloeistofniveau moeten
                    geheel van staal zijn vervaardigd. Een vulleiding moet zodanig zijn aangelegd of
                    ingericht dat terugstromen van olie uit de tank onmogelijk is.</al><al>10.De doorvoering van pijpleidingen door een tankomwalling of door een andere
                    constructie, bestemd om olieproducten binnen een bepaalde ruimte te houden, moet
                    vloeistofdicht zijn geconstrueerd.</al><al>11.Alle afsluiters die aan een tank zijn aangebracht, moeten zodanig zijn
                    uitgevoerd dat duidelijk is te zien of de afsluiter geopend dan wel gesloten is.
                    Een aftapkraan of afsluiter mag niet door onbevoegden kunnen worden
                    geopend.</al><al>12.Indien de naaste omgeving meer dan normaal brandgevaar oplevert, moet de tank
                    zijn voorzien van een sproei-installatie waardoor de tank gelijkmatig kan worden
                    gekoeld met een hoeveelheid water van ten minste 1 m3 per uur per strekkende
                    meter van de tankomtrek bij een verticaal geplaatste tank en van ten minste 0,5
                    m3 per uur per m3 van het geprojecteerde oppervlak van de tank bij een
                    horizontaal geplaatste tank.</al><al>13.Leidingen en de daarbij behorende appendages moeten van staal en van
                    voldoende sterkte zijn om de hoogste te verwachten werkdruk (pompdruk) te kunnen
                    weerstaan. Beproeving vóór het in gebruik nemen moet plaats vinden op 1,5 maal
                    deze werkdruk met een minimum van 1 MPa.</al><al>14.Boven- en ondergrondse pijpleidingen moeten zoveel mogelijk zodanig zijn
                    gelegd, dat zij te allen tijde gemakkelijk bereikbaar zijn.</al><al>15.Pijpleidingen moeten afdoende zijn beschermd tegen corrosie.</al><al>16.Alle afsluiters en hulpstukken in ondergrondse leidingen moeten van staal
                    zijn. Het gebruik van cilindrische schroefdraad is verboden.</al><al>17.Doelmatige toegangsmiddelen tot het tankdak moeten aanwezig zijn.</al><al>18.Bij peilplaatsen of andere appendages op het tankdak, welke regelmatig
                    controle vereisen, moeten doelmatige standplaatsen zijn ingericht ten einde
                    bedrijfs- en onderhoudspersoneel voldoende veiligheid te bieden bij de
                    arbeid.</al><al>19.Vóór het in gebruik nemen van de tank moet deze op dichtheid worden beproefd
                    overeenkomstig het gestelde in NEN 3350, uitgave 1991, de overige tanks door
                    vullen met water.</al><al>20.Aanvullende voorwaarden voor voorraadtanks bovengronds, buiten een gebouw,
                    voor verwarmde stookolie: Alle verbindingen van de verwarmingsleidingen in de
                    tank moeten zijn gelast, dan wel zijn gevormd door flenzen met metallieke
                    pakking. Het materiaal van de verwarmingsinrichting dat in rechtstreekse
                    aanraking komt met olie, moet staal, monelmetaal of een dergelijk metaal zijn
                    dat niet door olie wordt aangetast. Bij een elektrische verwarming moet de
                    installatie van een automatische uitschakelinrichting zijn voorzien, die
                    waarborgt dat de temperatuur van de olie in de tank niet hoger oploopt dan 20 0C
                    beneden het vlampunt. Bij een elektrische verwarming moet de zuigleiding zodanig
                    zijn uitgevoerd, dat het verwarmingselement te allen tijde in de olie
                    ondergedompeld blijft. </al><al><vet>Paragraaf 3 Richtlijnen betreffende het opslaan - voor huishoudelijk
                        gebruik - van brandbare vloeistoffen. </vet> (Voor een belangrijk deel
                    ontleend aan de bijlage bij de circulaire d.d. 1 december 1958 van de minister
                    van binnenlandse zaken, directie OOV, Afdeling brandweer, nr. 11092, met
                    verwerking van de sedertdien op een aantal punten gewijzigde inzichten.)
                        <vet>Artikel 3.1 Algemeen</vet> De in deze richtlijnen bedoelde brandbare
                    vloeistoffen worden onderscheiden in:</al><al>1.Brandbare vloeistoffen waarvan het ontvlammingspunt, bepaald met het toestel
                    van Abel-Pensky, bij een druk van 100 kPa lager is dan 21 0C (bij voorbeeld
                    benzine).</al><al>2.Brandbare vloeistoffen waarvan het ontvlammingspunt, bepaald met het toestel
                    van Abel-Pensky, bij een druk van 100 kPa, 21 0C of hoger is (bij voorbeeld
                    petroleum en huisbrandolie).</al><al><vet>Artikel 3.2 Maximum toelaatbare hoeveelheid brandbare vloeistof per woning
                        met aanhorigheden</vet> Hieronder is een aantal mogelijkheden voor de opslag
                    genoemd. De hoeveelheden die opgeslagen mogen zijn, zijn afhankelijk van de
                    situatie per woning met aanhorigheden. In het gunstigste geval mag in totaal
                    maximaal 225 liter van de in artikel 1 van deze paragraaf bedoelde vloeistoffen
                    in voorraad worden gehouden, waarvan maximaal 25 liter van de vloeistoffen onder
                    sub 1 van genoemd artikel. De onder sub 1 en 2 van dat artikel bedoelde
                    vloeistoffen kunnen gezamenlijk in dezelfde ruimte worden opgeslagen.
                        <vet>Artikel 3.3 Opslag van brandbare vloeistoffen waarvan het
                        ontvlammingspunt lager dan 21 0C is</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="57*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="43*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>[Plaats van berging ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[Maximum toelaatbare hoeveelheid en toegestane wijze van
                                        berging]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ 1 Buiten een woning]</al></entry><entry colname="col2"><al>[]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[a buiten een woning, op niet nader aan te geven
                                        plaats]</al></entry><entry colname="col2"><al>[ 25 liter, in goed gesloten deugdelijk vaatwerk bestemd tot
                                        berging van ten hoogste 20 liter vloeistof]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ 2 In een woning]</al></entry><entry colname="col2"><al>[]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[a In een bergruimte waarvan de vloer, de wanden, de ramen,
                                        deuren en de afdekking een brandwerendheid hebben van ten
                                        minste 30 minuten ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[25 liter, in goed gesloten deugdelijk vaatwerk bestemd tot
                                        berging van ten hoogste 20 liter vloeistof]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ b Anders dan op de hiervoor omschreven wijze ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[5 liter, in goed gesloten deugdelijk vaatwerk]</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Artikel 3.4 Opslag van brandbare vloeistoffen waarvan het ontvlammingspunt
                        21 0C of hoger is</vet></al><table><tgroup cols="2"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="62*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="38*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>[Plaats van berging ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[Maximum toelaatbare hoeveelheid en toegestane wijze van
                                        berging ]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[1 Buiten een woning]</al></entry><entry colname="col2"><al>[]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ a Op een open erf, binnenplaats of in een tuin op ten
                                        minste 2 meter afstand van een woning of een ander gebouw
                                        ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[200 liter, in goed gesloten deugdelijk vaatwerk bestemd tot
                                        berging van ten hoogste 200 liter vloeistof]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ b Op een open erf, binnenplaats of in een tuin binnen een
                                        afstand van 2 meter van een woning of een ander gebouw, mits
                                        de buitenwand daarvan ter plaatse van het vaatwerk uit
                                        onbrandbaar materiaal bestaat en een brandwerendheid van ten
                                        minste 30 minuten heeft ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[idem]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ c In een schuur die op ten minste 2 meter afstand van een
                                        woning of een ander gebouw is gelegen ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[idem ]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[d In een schuur die op minder dan 2 meter afstand van een
                                        woning of een ander gebouw is gelegen, dan wel daar is
                                        aangebouwd, mits de aan deze gebouwen grenzende wanden van
                                        de schuur uit onbrandbaar materiaal bestaan en deze, alsmede
                                        de daarin aanwezige ramen en deuren, een brandwerendheid
                                        bezitten van ten minste 30 minuten ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[idem]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ e In een zogenaamde box, deel uitmakend van een woonbouw,
                                        waarvan de wanden - met inbegrip van de daarin aanwezige
                                        deur - een brandwerendheid bezitten van tenminste 30 minuten
                                        en de vloer tussen de box en de daarboven gelegen ruimte een
                                        brandwerendheid bezit van ten minste 60 minuten volledig en
                                        90 minuten op bezwijken ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[idem]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ f Op een plat of balkon van onbrandbaar materiaal en met
                                        idem een brandwerendheid van ten minste 30 minuten (voor het
                                        balkon alleen voor de vloer) op ten minste 2 meter afstand
                                        van een woning of een ander gebouw ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[idem]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ g Op een plat of balkon van onbrandbaar materiaal en met
                                        idem een brandwerendheid van ten minste 30 minuten (voor het
                                        balkon alleen voor de vloer) binnen een afstand van 2 meter
                                        van een woning of een ander gebouw, mits de buitenwand
                                        daarvan ter plaatse van het vaatwerk, uit onbrandbaar
                                        materiaal bestaat en een brandwerendheid heeft van ten
                                        minste 30 minuten ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[idem]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ h Anders dan op een hiervoor omschreven wijze ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[100 liter, in goed gesloten deugdelijk vaatwerk bestemd tot
                                        berging van ten hoogste 20 liter vloeistof ]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[2 In een woning]</al></entry><entry colname="col2"><al>[]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ a In een bergruimte waarvan de vloer, de wanden, de ramen,
                                        de deuren en de afdekking een brandwerendheid hebben van ten
                                        minste 20 minuten ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[200 liter, in goed gesloten deugdelijk vaatwerk bestemd tot
                                        berging van ten hoogste 200 liter vloeistof]</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>[ b Anders dan op de hiervoor omschreven wijze ]</al></entry><entry colname="col2"><al>[60 liter, in goed gesloten deugdelijk vaatwerk bestemd tot
                                        berging van ten hoogste 20 liter vloeistof ]</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al><vet>Artikel 3.5 Algemene voorwaarden</vet></al><al>1.Van elk van de in artikel 1 van deze paragraaf genoemde soorten vloeistoffen
                    mag ten hoogste 5 liter worden geborgen in goed gesloten flessen, bestemd tot
                    berging van ten hoogste 1 liter vloeistof.</al><al>2.Vaatwerk waarin vloeistoffen als bedoeld in artikel 1 van deze paragraaf zijn
                    geborgen, mag niet op elkaar worden geplaatst en moet zodanig worden opgesteld
                    dat het niet kan rollen of vallen.</al><al>3.Bij opslag van de in artikel 1 van deze paragraaf bedoelde vloeistoffen in
                    vaatwerk, bestemd tot berging van meer dan 20 liter vloeistof, anders dan op een
                    open erf of plaats of in een tuin, moeten maatregelen worden getroffen dat geen
                    vloeistof naar een aangrenzende ruimte of naar een lager gelegen verdieping kan
                    vloeien.</al><al>4.Het openen van vaatwerk waarin vloeistof als bedoeld in artikel 1 van deze
                    paragraaf aanwezig is of is geweest en het overtappen van een zodanige vloeistof
                    mag slechts geschieden in de buitenlucht en in ruimten die in ruime mate op de
                    buitenlucht zijn geventileerd. Daarbij mag niet worden gerookt en geen open vuur
                    of open kunstlicht aanwezig zijn.</al><al><vet>Paragraaf 4 Aan opslag van stoffen te stellen eisen </vet> stoffen als
                    bedoeld in artikel 6.2.3 </al><al>1.De eis geldt niet voor bij extreem lage temperaturen vloeibaar gemaakte
                    gassen.</al><al>2.Geldt alleen voor metaalpoeders.</al><al>3.Afhankelijk van plaatselijke omstandigheden</al><al>Opmerking: Afhankelijk van de specifieke eigenschappen van een tot een bepaalde
                    groep behorende stof kunnen nadere eisen worden gesteld die voor de groep in
                    haar geheel niet gelden. </al><al><vet><onderstreept>Bijlage 6</onderstreept>Kwaliteitseisen voor buizen en
                        hulpstukken van de buitenriolering op erven en terreinenBijlage als bedoeld
                        in artikel 2.7.6</vet>De NEN-normen, bedoeld in artikel 2.7.6, zesde lid,
                    zijn de volgende:</al><al>a.NEN 7002, uitgave 1968, 'Centrifugaal gegoten gietijzeren afvoerbuizen' (met
                    correctieblad d.d. december 1979);</al><al>b.NEN 7003, uitgave 1968, 'Hulpstukken voor gietijzeren afvoerbuizen' (met
                    correctieblad d.d. december 1979);</al><al>c.NEN 7013, uitgave 1980, 'Expansiestukken van PVC en ABS voor binnen- en
                    buitenrioleringen';</al><al>d.NEN-EN 1401-1, uitgave 1998, 'Kunststofleidingsystemen voor vrij verval
                    buitenriolering - Ongeplasticeerd PVC (PVC-U) - Deel 1. Eisen voor buizen,
                    hulpstukken en het systeem' (Engelstalig; met correctieblad NEN-EN 1401-1/C1,
                    uitgave 1998, Nederlandstalig);</al><al>e.NEN-EN 295-1, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van de
                    aanvullingsbladen A1, uitgegeven 1996, A2, uitgegeven 1997, en A3, uitgegeven
                    1999 - Deel 1. Eisen' (Engelstalig);</al><al>f.NEN-EN 295-2, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval, met inbegrip van
                    aanvullingsblad A1, uitgegeven 1999 - Deel 2. Kwaliteitscontrole en monstername'
                    (Engelstalig);</al><al>g.NEN-EN 295-3, uitgave 1992, 'Keramische buizen en hulpstukken, alsmede
                    buisverbindingen voor riolering onder vrij verval - Deel 3. Beproevingsmethoden'
                    (Engelstalig).</al><al><vet><onderstreept>Bijlage 7</onderstreept>Checklist voor de visuele inspectie
                        van woningen en daarmee vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van
                        asbestBijlage behorende bij artikel 8.1.2</vet> Asbestcementproducten en
                    overige producten waarin asbest in hechtgebonden vorm voorkomt (N.B. De
                    aanduiding 'hechtgebonden' geldt voor het nieuwe product. Door slijtage kan de
                    hechtgebondenheid van deze producten in de loop der tijd afnemen.) Producten
                    waarin asbest in een niet-hechtgebonden vorm voorkomt. Toelichting
                    tabelHerkennen van asbestAlleen in een laboratorium kan met 100 procent
                    zekerheid worden vastgesteld of een materiaal of een product asbest bevat. Wel
                    kunt u materialen herkennen waarin mogelijk asbest zit. Het bovenstaande
                    overzicht helpt daarbij. Dit overzicht is niet volledig. Voor de herkenning van
                    vinylvloertegels en vinylvloerbedekking (in de volksmond zeil) waarin mogelijk
                    asbest zit, kan de volgende informatie worden gegeven: Asbesthoudende
                    vinylvloertegelsTot omstreeks 1985 waren vinylvloertegels te koop, die
                    verstevigd zijn met asbest. Meestal zijn deze kunststoftegels al tijdens de bouw
                    gelegd. Vinylvloertegels zijn veelal toegepast in vochtige ruimten, zoals
                    toiletten en keukens. Vinylvloertegels zijn hard en een beetje glanzend, vaak
                    met een wit 'gevlamde' decoratie. Asbesthoudende
                    vinylvloerbedekkingVinylvloerbedekking met asbest was tussen 1968 en 1983 te
                    koop. Het is veel gebruikt in keukens en op trappen. De toplaag is van PVC en in
                    de onderlaag zit asbest. Deze viltachtige onderlaag lijkt op karton en is
                    lichtgrijs tot lichtbeige en soms lichtgroen. Asbest zit bijna nooit in de
                    volgende soorten vloerbedekking: vloerbedekking van textiel (tapijt);
                    ondertapijt van vilt; breekbaar, dun zeil met een doffe, zwarte of wijnrode
                    onderkant; stijve, zeilachtige vloerbedekkingen met een harde, ruwe onderzijde
                    met daarin een grofmazig juteweefsel, zoals linoleum; buigzaam zeil met een
                    dikke, bruine, harige onderzijde; soepel zeil met een onderkant van kunststof
                    (plastic) of foam (schuim). Ten slotte is het van belang het volgende te weten:
                    Toepassing en verkoop van asbest is sinds 1 juli 1993 nagenoeg verboden. Na 1983
                    is vrijwel geen losgebonden asbest meer toegepast. Sinds enkele jaren zijn ook
                    asbestvrije cementplaten (bijvoorbeeld golfplaten) op de markt. De in Nederland
                    gefabriceerde asbestvrije cementplaten zijn te herkennen aan de opdruk NT aan de
                    onderzijde van de plaat. </al><al><vet><onderstreept>Bijlage 8</onderstreept>Reglement van orde van de
                        welstandscommissieDe tekst van het reglement van orde dient vanuit de
                        specifiek lokale situatie te worden opgesteld.</vet></al><al>In de praktijk blijken er grote verschillen in werkwijze tussen de (provinciale)
                    welstandsorganisaties, waardoor het vrijwel onmogelijk is om een universeel
                    toepasbare tekst voor een reglement van orde op te nemen in de
                    modelbouwverordening. De verschillen hebben onder meer betrekking op het al dan
                    niet werken met rayonarchitecten, het al niet gebruik van subcommissies en het
                    al dan niet samenwerken met een monumentencommissie. Een reglement van orde,
                    afgestemd op de eigen werkwijze, stellen gemeenten in het algemeen op in
                    samenwerking met de provinciale welstandsorganisaties waarbij zij zijn
                    aangesloten. </al><al><vet>Bijlage 9 Overeenkomst Welstands- en Monumentenadvisering </vet></al><al><vet>1. Onafhankelijkheid</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De welstandscommissie is een door de gemeenteraad benoemde commissie die
                            aan burgemeester en wethouders advies uitbrengt over de vraag of het
                            uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag om een
                            bouwvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van
                            welstand.</al></li><li nr="2."><al>De welstandscommissie voert haar taak uit in onafhankelijkheid.</al></li><li nr="3."><al>De welstandscommissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk
                            welstandsbeleid en baseert haar advies uitsluitend op de in de
                            welstandsnota genoemde welstandscriteria.</al></li></lijst><al><vet>2. Benoeming en samenstelling van de commissie</vet></al><al><vet>2.1. Benoemingsprocedure</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeenteraad wijst op voordracht van burgemeester en wethouders de
                            vereniging 'Het Oversticht' aan als deskundig orgaan voor de
                            welstandsadvisering (welstandscommissie).</al></li><li nr="2."><al>Het Oversticht legt de gemeente een lijst voor met de beoogde
                            commissieleden. Indien gewenst vindt hierover overleg plaats tussen de
                            gemeente en Het Oversticht.</al></li><li nr="3."><al>Voor de lokale leden en hun plaatsvervangers geldt een afwijkende
                            procedure. Alvorens deze leden worden benoemd, overleggen burgemeester
                            en wethouders met Het Oversticht over het profiel van deze lokale leden.
                            Er mogen maximaal twee lokale leden in de commissie worden benoemd.
                            Lokale leden ontvangen via de gemeente een onkostenvergoeding.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter, de gewone leden en de rayonarchitecten en hun
                            plaatsvervangers worden benoemd voor een periode van drie jaar, met de
                            mogelijkheid van verlenging met nog eens drie jaar.</al></li><li nr="5."><al>Bij afwezigheid van de voorzitter, de gewone leden en de lokale leden
                            van de commissie treden plaatsvervangers op in de
                            commissievergadering.</al></li><li nr="6."><al>De rayonarchitect kan zich door een collega rayonarchitect laten
                            vervangen.</al></li><li nr="7."><al>De voorzitter, de gewone leden, de lokale leden en de rayonarchitect en
                            hun plaatsvervangers zijn onafhankelijk ten opzichte van het
                            gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen
                            bindingen of relaties op basis waarvan het advies over de
                            welstandsaspecten wordt beïnvloed.</al></li></lijst><al><vet>2.2. Samenstelling van de commissie.: integrale welstands- en
                        monumentencommissie </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gemeente wijst Het Oversticht aan om naast het adviseren over de
                            welstandsaspecten van bouwplannen ook adviezen uit te brengen over
                            wijzigingsplannen voor monumenten. Dit vindt plaats door een integrale
                            welstands- en monumentencommissie.</al></li><li nr="2."><al>De commissie bestaat uit een voorzitter, twee gewone leden, de
                            rayonarchitect van Het Oversticht en tenminste één monumentendeskundige.
                            De rayonarchitect en de gewone leden zijn deskundig op het terrein van
                            architectuur, stedenbouw en aanverwante vakgebieden. De commissie kan
                            zich naar eigen inzicht laten bijstaan door externe deskundigen van het
                            bureau van Het Oversticht of daarbuiten. Dit betreft disciplines als
                            architectuurhistorie, bouwhistorie en landschapsarchitectuur.
                            Afhankelijk van het type plan dat moet worden beoordeeld nemen de extra
                            deskundigen deel aan de vergadering. Zij hebben geen stemrecht, tenzij
                            ze als commissielid zijn benoemd door de gemeente.</al></li><li nr="a."><al>. in de integrale welstands- en monumentencommissie heeft één lokaal lid
                            zitting</al></li><li nr="3."><al>De integrale commissie brengt bij wijzigingsplannen voor monumenten een
                            advies uit, waarin zowel de aspecten op grond van de Woningwet 2002
                            (welstandsbeleid), als aspecten op grond van de Monumentenwet 1988 en de
                            gemeentelijke en provinciale monumentenverordeningen worden betrokken.
                            In het geïntegreerde advies komt duidelijk naar voren welke aspecten
                            betrekking hebben op de welstand en welke op de aanvraag om een
                            monumentenvergunning. De commissie formuleert één gezamenlijke
                            conclusie.</al></li><li nr="4."><al>De integrale commissie kan slechts adviezen uitbrengen indien tenminste
                            drie leden aanwezig zijn (waaronder de rayonarchitect of zijn
                            plaatsvervanger) en waarvan twee leden deskundig zijn op het gebied van
                            welstand. Voor de behandeling van monumentenplannen is daarnaast altijd
                            de aanwezigheid van de monumentendeskundige of zijn plaatsvervanger
                            vereist.</al></li></lijst><al><vet>3. Taakomschrijving</vet></al><al><vet>3.1. Taken van de commissie </vet></al><al>De commissie is belast met zowel wettelijk verplichte als niet wettelijk
                    verplichte taken. De wettelijk verplichte taken worden uitgevoerd op grond van
                    de Woningwet.</al><al>De wettelijk verplichte taken van (de integrale) welstands- en
                    monumentencommissie worden uitgevoerd op grond van de Woningwet 2002, de
                    Monumentenwet 1988 en de gemeentelijke en provinciale
                    monumentenverordeningen.</al><al>De commissie is beleidsmatig gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid,
                    zoals dat is vastgelegd in de gemeentelijke welstandsnota. </al><al><vet>3.1.1 Wettelijke taken</vet></al><al>1.<onderstreept>Toetsing van vergunningplichtige bouwwerken</onderstreept></al><al>De commissie is bevoegd om burgemeester en wethouders te adviseren over de
                    welstandsaspecten van reguliere en gefaseerde aanvragen om bouwvergunning als
                    bedoeld in artikel 44, lid 1 van de Woningwet 2002.</al><al>2.<onderstreept>Toetsing van licht-vergunningplichtige
                    bouwwerken</onderstreept></al><al>De commissie is bevoegd om burgemeester en wethouders te adviseren over de
                    welstandsaspecten van aanvragen om een lichte bouwvergunning als bedoeld in
                    artikel 44, lid 2 van de Woningwet 2002. </al><lijst><li nr="q"><al> de gemeente legt licht-vergunningplichtige adviesaanvragen voor aan de
                            gemandateerde rayonarchitect</al><lijst><li nr=""><al>3. <onderstreept>Jaarverslag commissie</onderstreept></al></li><li nr=""><al>De commissie legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een verslag
                                    voor van de door haar verrichte werkzaamheden. In het verslag
                                    zet de commissie tenminste uiteen op welke wijze zij toepassing
                                    heeft gegeven aan de welstandscriteria.</al></li><li nr=""><al>Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve van het
                                    jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een
                                    vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de commissie.</al></li><li nr=""><al>4. <onderstreept>Toetsing van monumentenaanvragen door de
                                        welstands- en monumentencommissie</onderstreept></al></li><li nr=""><al>De commissie adviseert inzake wijzigingsplannen voor monumenten
                                    en de directe omgeving. (zie verder onder: 2.2. Samenstelling
                                    van de commissie, mogelijkheid 2, punt 3).</al></li><li nr=""><al><vet>3.1.2 Niet wettelijk verplichte taken</vet></al></li><li nr=""><al>De commissie krijgt de opdracht om naast de wettelijke, ook niet
                                    wettelijk verplichte taken uit te voeren. Het betreft hier
                                    bijvoorbeeld:</al></li></lijst></li><li nr="q"><al>de beoordeling van aanvragen voor reclames;</al></li><li nr="q"><al>onder de regie van de gemeente, en op verzoek van de commissie, de
                            gemeente of de aanvrager, noodzakelijk geacht overleg voeren met
                            betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen;</al></li><li nr="q"><al>desgevraagd adviezen uitbrengen aan burgemeester en wethouders over de
                            welstands-, monumenten- en landschapsaspecten van in voorbereiding
                            zijnde structuurplannen, bestemmingsplannen, beeldkwaliteitplannen,
                            stedenbouwkundige plannen en andere relevante beleidsstukken;</al></li><li nr="q"><al>desgevraagd adviseren over stedenbouwkundige en architectonische
                            ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in de
                            gemeente </al></li><li nr="q"><al>desgevraagd adviseren in het geval van excessen; buitensporigheden in
                            het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen evident
                            zijn</al></li><li nr="q"><al>voorlichting geven inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad,
                            burgemeester en wethouders en burgers. </al></li></lijst><al><vet>3.2 Taakomschrijving commissieleden</vet></al><al><vet>3.2.1.Taken voorzitter</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter is verantwoordelijk voor het functioneren van de commissie
                            en de kwaliteit van de advisering. De voorzitter waakt er voor dat de
                            commissie adviseert binnen de kaders van het gemeentelijke
                            welstandsbeleid. Tijdens de openbare vergadering treedt de voorzitter op
                            als gastheer voor alle aanwezigen. Hij legt in het kort de
                            vergaderprocedure uit en informeert wie van de aanwezigen bij een
                            bepaald plan wil inspreken. Indien een plan in vooroverleg is besproken,
                            geeft de voorzitter (of de rayonarchitect) een korte samenvatting van
                            hetgeen in dat stadium van het planproces is besproken.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter geeft leiding aan de vergadering en bewaakt de voortgang
                            van de agenda. In de discussies draagt hij er zorg voor dat alle
                            commissieleden hun mening voldoende naar voren kunnen brengen. Hij geeft
                            na de inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag voor alle
                            aanwezigen een korte en heldere samenvatting.</al></li><li nr="3."><al>Bij het overleg met de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met de
                            pers treedt de voorzitter namens de commissie naar buiten.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter organiseert met de commissie een jaarlijkse, inhoudelijke
                            evaluatie van de werkzaamheden. De resultaten worden opgenomen in het
                            jaarlijkse verslag van de commissie aan de gemeenteraad.</al></li></lijst><al><vet>3.2.2. Taken van de gewone leden van de commissie </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De gewone leden geven op basis van hun deskundigheid een onafhankelijke
                            visie op de adviesaanvragen.</al></li><li nr="2."><al>Wanneer een gewoon lid een zakelijke binding heeft met een plan waarvoor
                            advies wordt gevraagd, treedt hij voor de duur van de behandeling van de
                            aanvraag terug uit de commissie, dan wel wordt hij voor de betreffende
                            vergadering vervangen.</al></li><li nr="3."><al>De gewone leden overleggen ter vergadering met aanvragers, architecten
                            en andere ontwerpers.</al></li></lijst><al><vet>3.2.3. Taken van de rayonarchitect</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De rayonarchitect van Het Oversticht onderhoudt de contacten met de
                            relevante gemeentelijke diensten, neemt de adviesaanvragen in, verzamelt
                            relevante informatie en bereidt de behandeling in de commissie
                            voor.</al></li><li nr="2."><al>Indien de adviesaanvragen niet zijn voorzien van de in artikel 4.1.
                            genoemde bescheiden, neemt de rayonarchitect de adviesaanvraag niet voor
                            behandeling in de commissie aan.</al></li><li nr="3."><al>De rayonarchitect stelt namens de voorzitter de agenda voor de
                            commissievergaderingen op en geeft die door aan de ambtelijk secretaris.
                            Tijdens de commissievergadering introduceert de rayonarchitect de
                            plannen.</al></li><li nr="4."><al>De rayonarchitect legt de beraadslaging en conclusie over een bouwplan
                            vast in een schriftelijk advies.</al><al> De directeur van Het Oversticht is verantwoordelijk voor de inhoud van
                            het uitgebrachte advies.</al></li><li nr="5."><al> De rayonarchitect voorziet de plannen, waarvoor hij een mandaat heeft,
                            van een advies.</al></li><li nr="6."><al>De rayonarchitect voert als gemandateerd lid van de commissie het
                            vooroverleg en het overleg naar aanleiding van een schriftelijk advies,
                            met de gemeente, de planindieners, de ontwerpers en andere
                            belanghebbenden.</al></li><li nr="7."><al>De rayonarchitect is verantwoordelijk voor het spreekuur dat daarvoor in
                            de gemeente bestaat en legt van elk gevoerd gesprek puntsgewijs de
                            gemaakte afspraken vast.</al></li></lijst><al><vet>3.2.4. Taken lokale leden </vet></al><al>De in de commissie zitting hebbende lokale leden geven op basis van hun ervaring
                    met en inzicht in de ruimtelijke kwaliteit van de lokale samenleving een
                    onafhankelijke visie op de adviesaanvragen. Wanneer een lokaal lid een zakelijke
                    binding heeft met een plan waarvoor advies wordt gevraagd, dan laat hij zich
                    voor de betreffende commissievergadering vervangen. </al><al><vet>3.2.5. Taken externe deskundigen</vet></al><al>De in de commissie zitting hebbende externe deskundigen geven vanuit hun
                    ervaring en inzicht in het vakgebied een onafhankelijke visie op de
                    adviesaanvragen. Wanneer een extern deskundige een zakelijke binding heeft met
                    een plan waarvoor advies wordt gevraagd, dan laat hij zich voor de betreffende
                    commissievergadering vervangen. Bij langlopende projecten waarbij de inbreng van
                    de commissie wordt verwacht en waarbij de extern deskundige een zakelijke
                    binding heeft, treedt deze in overleg met de commissie en Het Oversticht
                    tijdelijk terug. </al><al><vet>3.2.6. Taken ambtelijk secretaris</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtelijk secretaris voorziet de commissie van de benodigde
                            bescheiden. Relevante informatie voor het beoordelen van plannen is /
                            zijn;</al></li><li nr="·"><al>de gemeentelijke welstandsnota</al></li><li nr="·"><al>de bestemmingsplanbepalingen</al></li><li nr="·"><al>de beeldkwaliteitplannen</al></li><li nr="·"><al>luchtfoto’s (indien mogelijk)</al></li><li nr="·"><al>het stedenbouwkundig advies of advies ruimtelijke ontwikkeling</al></li><li nr="·"><al>vergelijkbare aanvragen die door de commissie zijn beoordeeld.</al></li><li nr="2."><al>De ambtelijk secretaris is verantwoordelijk voor het openbaar maken van
                            de agenda van de vergaderingen van de commissie.</al></li></lijst><al><vet>4. Werkwijze 'bouw- en woningtoezicht'</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De ambtenaar van BWT draagt er zorg voor dat alleen bouwplannen waarvan
                            de planologische aanvaardbaarheid vaststaat, voor advies aan de
                            commissie worden voorgelegd.</al></li><li nr="2."><al>De ambtenaar van BWT controleert of plannen (inclusief plannen die
                            worden aangeboden voor vooroverleg) voldoen aan de
                            indieningvereistenals genoemd in de AmvB 'indieningsvereisten
                            aanvraag bouwvergunning en openbaar bouwregister'. Onder “Gegevens en
                            bescheiden ten behoeve van toetsing aan welstandscriteria” zijn hier als
                            vereiste bescheiden aangegeven:</al></li><li nr="·"><al>Tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van de
                            belendende bebouwing</al></li><li nr="·"><al>Detailtekeningen van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk</al></li><li nr="·"><al>Foto’s van de bestaande situatie en omliggende bebouwing</al></li><li nr="·"><al>Opgave materiaal- en kleurgebruik van toe te passen bouwmaterialen
                            (uitwendige scheidingsconstructie).</al><al>Andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling zijn:</al></li><li nr="·"><al>bouwkundige tekeningen met adequate informatie over plattegronden en
                            doorsnedes.</al></li><li nr="·"><al>een situatietekening waarop aangegeven de locatie, de rooilijnen, de
                            belendingen en de inrichting van het bouwterrein.</al></li><li nr="·"><al>een volledig ingevuld adviesaanvraagformulier van Het Oversticht
                            (inclusief de bouwsom)</al></li><li nr="·"><al>een volledig ingevulde kleur- en/of materiaalstaat van Het
                            Oversticht</al><lijst><li nr=""><al><vet>5. Werkwijze van de commissie</vet></al></li><li nr=""><al><vet>5.1. Vooroverleg </vet></al></li><li nr=""><al>1. De gemeente kan een nog niet formeel ingediende aanvraag om
                                    een bouwvergunning ter advisering voorleggen aan de
                                    commissie.</al></li><li nr=""><al>2. Van het vooroverleg wordt altijd een verslag gemaakt, dat met
                                    de besproken bescheiden wordt opgenomen in een projectdossier.
                                    Dit verslag wordt openbaar als het plan formeel aan de commissie
                                    wordt voorgelegd.</al></li><li nr=""><al>3. Het vooroverleg vindt in principe in beslotenheid plaats.
                                    Hiervan kan worden afgeweken na overleg tussen de gemeente, de
                                    aanvrager en de commissie, c.q. diens gemandateerde.</al></li><li nr=""><al><vet>5.2 Gemandateerde behandeling</vet></al></li><li nr=""><al>1. De rayonarchitect behandelt in de regel om de twee weken op
                                    locatie de adviesaanvragen. Hij heeft een mandaat van de
                                    commissie om zelfstandig adviesaanvragen af te handelen. Het
                                    uitgangspunt voor de mandaatverlening is dat de rayonarchitect
                                    alleen die aanvragen beoordeelt van een relatief geringe
                                    ruimtelijke betekenis, of van aanvragen waar gelet op meerdere
                                    vergelijkbare gevallen, de mening van de commissie als bekend
                                    mag worden verondersteld. In geval van twijfel legt de
                                    gemandateerde de aanvraag alsnog voor aan de welstandscommissie.
                                </al></li><li nr=""><al>2. De rayonarchitect heeft voor vergunningplichtige plannen
                                    alleen het mandaat om positieve adviezen uit te brengen. Bij
                                    licht-vergunningplichtige plannen mag de rayonarchitect ook
                                    negatief adviseren.</al></li><li nr=""><al>3. De directeur van Het Oversticht is eindverantwoordelijk voor
                                    het onder mandaat uitgebrachte welstandsadvies. Tenminste één
                                    maal per jaar vindt overleg plaats tussen de directeur, de
                                    rayonarchitect en de welstandscommissie over het mandaat. </al></li><li nr=""><al>4. De behandeling van adviesaanvragen onder mandaat is niet
                                    openbaar.</al></li><li nr=""><al><vet>5.2.1. Mandaat kleine commissie</vet></al></li><li nr=""><al>De gemandateerde rayonarchitect kan -op verzoek van de
                                    welstandscommissie, de gemeente of op eigen verzoek- worden
                                    bijgestaan door een ander commissielid. Deze 'kleine commissie'
                                    beschikt over hetzelfde mandaat als de rayonarchitect.</al></li><li nr=""><al><vet>5.2.2. Het mandaatadvies</vet></al></li><li nr=""><al>De rayonarchitect brengt welstandsadviezen uit aan burgemeester
                                    en wethouders over de vraag of 'het uiterlijk en de plaatsing
                                    van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in
                                    verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling
                                    daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand'
                                    (artikel 12, lid 1, Woningwet 2002). Dit wordt beoordeeld aan de
                                    hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota.</al></li><li nr=""><al>Een positief mandaat-welstandsadvies wordt uitgebracht door een
                                    stempel 'akkoord' op het adviesformulier te plaatsen. Een
                                    negatief mandaat-welstandsadvies (alleen bij
                                    licht-vergunningplichtige plannen) wordt schriftelijk
                                    gemotiveerd met een verwijzing naar de relevante criteria uit de
                                    welstandsnota.</al></li><li nr=""><al><vet>5.2.3. Toelichting opdrachtgever / ontwerper</vet></al></li><li nr=""><al>Alleen de aanvrager of diens gemachtigde wordt altijd in de
                                    gelegenheid gesteld om de gemandateerde behandeling van hun plan
                                    bij te wonen en toe te lichten. Indien zij bij de behandeling
                                    aanwezig willen zijn, vermelden zij dit op het daartoe bestemde
                                    formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht. De
                                    gemeente zorgt voor de uitnodigingen.</al></li><li nr=""><al><vet>5.2.4. Spreekrecht</vet></al></li></lijst></li><li nr="q"><al><onderstreept>mogelijkheid 1.</onderstreept> Tijdens de gemandateerde
                            behandeling wordt de aanvrager of diens gemachtigde de mogelijkheid tot
                            spreekrecht geboden</al></li><li nr="q"><al><onderstreept>mogelijkheid 2.</onderstreept> Tijdens de gemandateerde
                            behandeling wordt de aanvrager of diens gemachtigde niet de mogelijkheid
                            tot spreekrecht geboden.</al></li></lijst><al><vet>5.3 Openbare vergadering van de commissie </vet></al><al><vet>5.3.1. Locatie, jaarrooster en agenda</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie vergadert in de regel eenmaal per twee weken op een vaste
                            locatie, een vaste dag en een vast tijdstip, volgens een tevoren, per
                            kalenderjaar vast te stellen rooster.</al><al> De rayonarchitect behandelt in de tussenliggende periode de kleinere
                            adviesaanvragen ( zie punt 5.2.1.)</al></li><li nr="2."><al>De data en tijdstippen van de vergaderingen worden opgenomen in het
                            jaarrooster. Deze data en tijdstippen en de locatie van iedere
                            vergadering worden tijdig vóór de vergadering openbaar gemaakt in een
                            van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-
                            aan-huisblad dan wel op een andere, naar het oordeel van het college van
                            burgemeester en wethouders, geschikte wijze.</al></li><li nr="3."><al>De agenda van de vergadering van de commissie wordt tijdig vóór die
                            vergadering bekend gemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of
                            een dag-, nieuws- of huis-aan- huisblad dan wel op een andere, naar het
                            oordeel van het college van burgemeester en wethouders, geschikte
                            wijze.</al></li><li nr="4."><al>De behandeling van plannen door de commissie is openbaar, tenzij de
                            voorzitter, burgemeester en wethouders, of de belanghebbende van oordeel
                            is dat er op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur
                            klemmende redenen aanwezig zijn voor geheimhouding. De openbaarheid
                            geldt zowel voor de beraadslagingen als voor het formuleren van de
                            conclusie, c.q. het advies.</al></li></lijst><al><vet>5.3.2. Toelichting opdrachtgever / ontwerper</vet></al><al>De aanvrager of diens gemachtigde kan (al dan niet op verzoek van de commissie)
                    in de vergadering van de commissie waarin het betreffende plan wordt behandeld,
                    dit plan nader toelichten. Zij kunnen dit vermelden op het daarvoor bestemde
                    formulier of rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de
                    uitnodigingen.</al><al><vet>5.3.3. Spreekrecht </vet></al><al>Alleen de aanvrager of diens gemachtigde heeft tijdens de openbare vergadering
                    van de commissie waarin het betreffende plan wordt behandeld spreekrecht.</al><al><vet>5.4 Het advies</vet></al><al><vet>5.4.1. Welstandsadvies </vet></al><lijst><li nr="1."><al>De commissie toetst het plan aan het gemeentelijk welstandsbeleid
                            (welstandsnota).</al><al> Indien de commissie van oordeel is dat bijzondere omstandigheden nopen
                            tot afwijking van dit beleid, geeft zij bij het uitbrengen van het
                            advies aan burgemeester en wethouders gemotiveerd en schriftelijk aan op
                            grond waarvan een afwijking is gerechtvaardigd.</al></li><li nr="2."><al>De commissie formuleert het uit te brengen in heldere en duidelijk
                            toetsbare bewoordingen. Het gebruik van abstracte taal en jargon wordt
                            vermeden.</al></li><li nr="3."><al>Een welstandsadvies kan de volgende uitkomsten hebben:</al><al><vet> akkoord </vet>: </al><al> De commissie adviseert positief aan burgemeester en wethouders omdat
                            het plan niet strijdig is met redelijke eisen van welstand.</al><al> Desgewenst motiveert de commissie haar advies schriftelijk. Bij het
                            gunstige advies kan de commissie aanbevelingen doen voor aanpassingen
                            van het plan.</al><al><vet> niet akkoord, tenzij</vet>: </al><al> De commissie is van mening dat het plan op onderdelen niet voldoet aan
                            de toetsingscriteria uit de welstandsnota, tenzij aan de in het advies
                            nauwkeurig nader omschreven voorwaarden (verwijzend naar de
                            welstandscriteria) wordt voldaan.</al><al> De commissie geeft nauwkeurig aan welke onderdelen van het plan
                            gewijzigd moeten worden.</al><al> De aanvrager krijgt vervolgens de gelegenheid zijn plan aan te passen,
                            voor zover de gemeente van oordeel is dat dit nog binnen de resterende
                            vergunningtermijn kan worden gerealiseerd.</al><al> Burgemeester en wethouders kunnen ook besluiten om de voorwaarden van
                            het welstandsadvies op te nemen in de bouwvergunning.</al><al><vet> niet akkoord</vet>: </al><al> De commissie is van oordeel dat het plan strijdig is met redelijke
                            eisen van welstand. Een negatief welstandsadvies betekent dat een
                            bouwplan ingrijpend gewijzigd moet worden. Adviseert de commissie
                            negatief, dan geeft ze een nauwkeurige schriftelijke motivering. Deze
                            bevat een korte omschrijving van het ingediende plan, een verwijzing
                            naar de van toepassing zijnde welstandscriteria en een samenvatting van
                            de beoordeling van het plan op die punten.</al><al><vet> aanhouden</vet>:</al><al> De commissie kan het advies aanhouden wanneer meer informatie of een
                            toelichting van de ontwerper noodzakelijk is. Bouw- en Woningtoezicht
                            geeft daarbij aan of en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende
                            vergunningtermijn.</al></li></lijst><al><vet>5.4.2. monumentenadvies </vet></al><al>De commissie beoordeelt naast de welstandsaspecten de gevolgen voor de
                    monumentale</al><al>waarden en adviseert het college van burgemeester en wethouders gemotiveerd over
                    het al dan niet verlenen van de monumentenvergunning.</al><al><vet>6. Afwijking van het advies / second opinion </vet></al><lijst><li nr="1."><al>Burgemeester en wethouders kunnen bij het besluit tot verlening van een
                            bouwvergunning afwijken van het advies van de commissie, indien zij van
                            mening zijn dat de commissie de van toepassing zijnde criteria niet
                            juist heeft geïnterpreteerd of toegepast. De redenen voor de afwijking
                            worden bij de bekendmaking van het besluit vermeld. Alvorens definitief
                            te besluiten, bieden burgemeester en wethouders de commissie de
                            mogelijkheid tot heroverweging van het eerder uitgebrachte advies.</al></li><li nr="2."><al>Burgemeester en wethouders hebben op grond van artikel 44, lid 1 van de
                            Woningwet de mogelijkheid om bij strijdigheid van een bouwplan met de
                            redelijke eisen van welstand toch een bouwvergunning te verlenen, indien
                            zij van oordeel zijn dat daarvoor gewichtige redenen zijn. De afwijking
                            wordt in de beslissing op de aanvraag van de bouwvergunning
                            gemotiveerd.</al></li><li nr="3."><al>Burgemeester en wethouders kunnen eventueel op advies van de commissie
                            gemotiveerd afwijken van de in de gemeentelijke welstandsnota
                            vastgelegde welstandscriteria. Dat kan in het geval dat een bouwplan
                            niet voldoet aan de welstandscriteria, maar wel aan redelijke eisen van
                            welstand. In die gevallen moet worden verwezen naar algemene
                            beoordelingscriteria die in de welstandsnota zijn opgenomen.</al></li><li nr="4."><al>Indien Burgemeester en wethouders zich niet kunnen verenigen met het
                            advies van de commissie, kunnen zij een 'second opinion' inwinnen bij
                            een andere commissie. Alvorens daartoe over te gaan, stellen
                            burgemeester en wethouders de commissie en de Federatie Welstand daarvan
                            op de hoogte.</al></li></lijst><al><vet>7. Evaluatie en aanpassing van de welstandsnota</vet>1. Burgemeester en
                    wethouders brengen aan de gemeenteraad jaarlijks verslag uit over de uitvoering
                    van het welstandsbeleid. Voor de aspecten die in dit verslag tenminste aan de
                    orde moeten komen, wordt verwezen naar artikel I, onderdeel F, lid 12c van de
                    Woningwet. (zie bijlage)</al><al>2.Tenminste eenmaal per jaar vindt een evaluatiegesprek plaats tussen een
                    vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de commissie.</al><al>3.De gemeenteraad beslist op grond van de jaarverslagen en evaluaties over
                    eventuele aanvullingen en/of aanpassingen van de gemeentelijke
                    welstandsnota.</al><al><vet>8. Excessenregeling</vet></al><al>Burgemeester en wethouders kunnen de commissie op grond van artikel 19 van de
                    Woningwet vragen te adviseren over vergunningvrije bouwwerken die in ernstige
                    mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Dat is het geval wanneer
                    het gaat om buitensporigheden in het uiterlijk van een bouwwerk die ook voor
                    niet-deskundigen evident zijn. Hiervoor zijn in de welstandsnota algemene
                    criteria opgenomen. </al><al><vet>9. Tarieven advisering</vet></al><al>De tarieven voor de advisering worden jaarlijks door de <vet>Algemene
                        Ledenvergadering </vet>van Het Overstichtvastgesteld.</al><al><vet><onderstreept>Bijlage 9</onderstreept></vet></al><al><vet>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties) </vet></al><table><tgroup cols="9"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="36*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="8*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="8*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="8*"/><colspec colname="col5" colnum="5" colwidth="8*"/><colspec colname="col6" colnum="6" colwidth="8*"/><colspec colname="col7" colnum="7" colwidth="8*"/><colspec colname="col8" colnum="8" colwidth="8*"/><colspec colname="col9" colnum="9" colwidth="8*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col2" nameend="col4" namest="col2"><al>Leden van toepassing</al></entry><entry colname="col5" nameend="col6" namest="col5"><al>Grenswaarden</al></entry><entry colname="col7" nameend="col9" namest="col7"><al>Omvang van de bewaking</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col3"><al>Omvang van de bewaking</al></entry><entry colname="col4"><al>Kwaliteit</al></entry><entry colname="col5"><al>Gebruiksoppervlakte (m2)</al></entry><entry colname="col6"><al>Aantal verblijfsruimten bestemd voor bezoekers</al></entry><entry colname="col7"><al>Niet automatisch</al></entry><entry colname="col8"><al>Gedeeltelijk</al></entry><entry colname="col9"><al>Volledig</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col2"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col4"><al>2.6.4</al></entry><entry colname="col5"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col6"><al>2.6.2</al></entry><entry colname="col7"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col8"><al>2.6.3</al></entry><entry colname="col9"><al>2.6.3</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al>1a</al></entry><entry colname="col6"><al>1b</al></entry><entry colname="col7"><al>1a</al></entry><entry colname="col8"><al>1b</al></entry><entry colname="col9"><al>1c</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1 Woonfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>woonfunctie niet gelegen in een woongebouw en niet van een
                                        woonwagen</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>500</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>woonfunctie gelegen in een woongebouw bestemd voor minder
                                        zelfredzame personen in combinatie met permanent
                                        toezicht</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>woonfunctie gelegen in een woongebouw bestemd voor minder
                                        zelfredzame personen zonder permanent toezicht</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2 Bijeenkomstfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>bijeenkomstfunctie niet zijnde de bijeenkomstfunctie voor
                                        het aanschouwen van sport</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>500</al></entry><entry colname="col6"><al>1</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3 Celfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4 Gezondheidszorgfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>gezondheidszorgfunctie voor aan bed gebonden patiënten en
                                        een andere gezondheidszorgfunctie voor minder zelfredzame
                                        personen</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>-</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5 Industriefunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>industriefunctie niet zijnde een lichte
                                        industriefunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>500</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6 Kantoorfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>500</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7 Logiesfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>100</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8 Onderwijsfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>500</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9 Sportfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>500</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10 Winkelfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>500</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11 Overige gebruiksfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry><entry colname="col5"><al/></entry><entry colname="col6"><al/></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>overige (besloten) gebruiksfunctie voor het stallen van
                                        motorvoertuigen</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>500</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>12 Bouwwerk geen gebouw zijnde</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>500</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>13 Meervoudige gebruiksfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>500</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>14 Bedrijfsverzamelgebouw</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>*</al></entry><entry colname="col5"><al>500</al></entry><entry colname="col6"><al>-</al></entry><entry colname="col7"><al/></entry><entry colname="col8"><al/></entry><entry colname="col9"><al>*</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bijlage 10 </al><al><vet>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsintallatie) </vet></al><table><tgroup cols="4"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="49*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="11*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="21*"/><colspec colname="col4" colnum="4" colwidth="18*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>Artikelen van toepassing</al></entry><entry colname="col4"><al>Grenswaarde</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col3"><al>Kwaliteit</al></entry><entry colname="col4"><al>Gebruiksoppervlakte (m2)</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col2"><al>2.6.6</al></entry><entry colname="col3"><al>6.6.7</al></entry><entry colname="col4"><al>2.6.2</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al>1b</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1 Woonfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>woonfunctie niet gelegen in een woongebouw en niet van een
                                        woonwagen</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>500</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>woonfunctie gelegen in een woongebouw bestemd voor minder
                                        zelfredzame personen in combinatie met permanent
                                        toezicht</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>woonfunctie gelegen in een woongebouw bestemd voor minder
                                        zelfredzame personen zonder permanent toezicht</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2 Bijeenkomstfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>bijeenkomstfunctie niet zijnde de bijeenkomstfunctie voor
                                        het aanschouwen van sport</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>500</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3 Celfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4 Gezondheidszorgfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>gezondheidszorgfunctie voor aan bed gebonden patiënten en
                                        een andere gezondheidszorgfunctie voor minder zelfredzame
                                        personen</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>-</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5 Industriefunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>industriefunctie niet zijnde een lichte
                                        industriefunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>500</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6 Kantoorfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>500</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7 Logiesfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>100</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8 Onderwijsfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>500</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9 Sportfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>500</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10 Winkelfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>500</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11 Overige gebruiksfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry><entry colname="col4"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>overige (besloten) gebruiksfunctie voor het stallen van
                                        motorvoertuigen</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>500</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>12 Bouwwerk geen gebouw zijnde</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>500</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>13 Meervoudige gebruiksfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>500</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>14 Bedrijfsverzamelgebouw</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry><entry colname="col4"><al>500</al></entry></row></tbody></tgroup></table><al>Bijlage 11 </al><al><vet>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding) </vet></al><table><tgroup cols="3"><colspec colname="col1" colnum="1" colwidth="69*"/><colspec colname="col2" colnum="2" colwidth="11*"/><colspec colname="col3" colnum="3" colwidth="20*"/><tbody><row><entry colname="col1"><al>Gebruiksfunctie</al></entry><entry colname="col2" nameend="col3" namest="col2"><al>Artikelen van toepassing</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al/></entry><entry colname="col2"><al>Aanwezigheid</al></entry><entry colname="col3"><al>Kwaliteit</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Artikel</al></entry><entry colname="col2"><al>2.6.9</al></entry><entry colname="col3"><al>2.6.10</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al>Lid</al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>1 Woonfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>woongebouw</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>2 Bijeenkomstfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>bijeenkomstfunctie niet zijnde de bijeenkomstfunctie voor
                                        het aanschouwen van sport</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>3 Celfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>4 Gezondheidszorgfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>gezondheidszorgfunctie voor aan bed gebonden patiënten en
                                        een andere gezondheidszorgfunctie voor minder zelfredzame
                                        personen</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>5 Industriefunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al>industriefunctie niet zijnde een lichte
                                        industriefunctie</al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>6 Kantoorfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>7 Logiesfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>8 Onderwijsfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>9 Sportfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>10 Winkelfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>11 Overige gebruiksfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>12 Bouwwerk geen gebouw zijnde</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>13 Meervoudige gebruiksfunctie</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>14 Bedrijfsverzamelgebouw</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>15 Tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor
                                        verkeer</vet></al></entry><entry colname="col2"><al>*</al></entry><entry colname="col3"><al>*</al></entry></row><row><entry colname="col1"><al><vet>16 Ander bouwwerk geen gebouw zijnde</vet></al></entry><entry colname="col2"><al/></entry><entry colname="col3"><al/></entry></row></tbody></tgroup></table></bijlage></regeling></body></cvdr>