<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.92--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR24232_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Monumentenverordening Best 2004</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Best</dcterms:creator><dcterms:modified>2004-07-27</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Best</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Monumentenverordening Best 2004</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Monumentenwet 1988, artikel 15 en Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-07-19</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-07-27</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2023-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Bouwen, wonen en grondzaken</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Monumentenverordening Best 2004</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>- Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><al><vet>a. Monument</vet></al><al>onroerende zaak, die van algemeen belang is vanwege haar schoonheid,
                            betekenis voor de wetenschap en/of cultuurhistorische waarde;</al><al>terrein, dat van algemeen belang is vanwege een aanwezige zaak,
                            bijvoorbeeld archeologische waarden, als bedoeld onder 1.</al><al><vet>b. Rijksmonument</vet></al><al>Onroerende zaak, die is ingeschreven in het ingevolge de Monumentenwet
                            1988 vastgestelde monumentenregister.</al><al><vet>c. Gemeentelijk monument</vet></al><al>Onroerende zaak, die overeenkomstig de bepalingen van deze verordening
                            als beschermd gemeentelijk monument is aangewezen en is geregistreerd
                            als bedoeld in artikel 6 van deze verordening.</al><al><vet>d. Gemeentelijke monumentenlijst</vet></al><al>De lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening
                            als beschermd gemeentelijk monument aangewezen onroerende zaken en
                            terreinen.</al><al><vet>e. Rijks beschermd stads- of dorpsgezicht</vet></al><al>Van rijkswege ingevolge artikel 35 van de Monumentenwet 1988 aangewezen
                            beschermd stads- of dorpsgezicht.</al><al><vet>f. Gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht</vet></al><al>Groep van onroerende zaken, die van algemeen belang zijn wegens hun
                            schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke- of structurele samenhang dan wel
                            hun wetenschappelijke- en/of cultuurhistorische waarde en die
                            overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd
                            gemeentelijk stads- of dorpsgezicht is aangewezen en geregistreerd.</al><al><vet>g. Gemeentelijke lijst beschermde stads- of dorpsgezichten</vet></al><al>De lijst waarop zijn vermeld de overeenkomstig deze verordening
                            geregistreerde beschermde gemeentelijke stads- of dorpsgezichten.</al><al><vet>h. Archeologisch monument</vet></al><al>Monument zoals bedoeld in lid a, onder 2 van dit artikel.</al><al><vet>i. Gemeentelijk beschermd archeologisch monument</vet></al><al>Een gebied dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening is
                            aangewezen en geregistreerd als gemeentelijk monument.</al><al><vet>j. Archeologische meldingsgebieden</vet></al><al>Zaken en terreinen waarvan het algemeen belang wegens hun betekenis voor
                            de archeologische monumentenzorg vaststaat of vermoed wordt op basis van
                            historische gegevens en/of door archeologische vondsten en onderzoek. </al><al><vet>k. Gemeentelijke archeologische gebiedenkaart</vet></al><al>Kaart waarop de overeenkomstig deze verordening aangewezen gemeentelijke
                            archeologische meldingsgebieden zijn geregistreerd.</al><al><vet>l. Beschermd beeldbepalend object</vet></al><al>Aan de openbare weg gelegen (deel van een) onroerend beeldbepalende
                            zaak, die qua schoonheid van algemeen belang is vanwege het
                            stedenbouwkundig-, architectonisch- en/of landschappelijk beeld, maar
                            niet overeenkomstig artikel 1 lid c van deze verordening als een
                            beschermd gemeentelijk monument is geregistreerd.</al><al><vet>m. Gemeentelijke lijst beeldbepalende objecten</vet></al><al>De lijst waarop de overeenkomstig deze verordening als aangewezen
                            beschermde gemeentelijke objecten zijn geregistreerd als bedoeld in
                            artikel 30.</al><al><vet>n. Kerkelijk monument</vet></al><al>Onroerende zaak, die eigendom is van een parochie, een kerkgenootschap,
                            een kerkelijke gemeente, of van een kerkelijke instelling en dat
                            uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor de
                            uitoefening van de eredienst.</al><al><vet>o. Monumentencommissie</vet></al><al>De door het college van B en W ingestelde commissie of aangewezen
                            instantie, die als taak heeft burgemeester en wethouders op verzoek of
                            uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet
                            1988, over de werking van de gemeentelijke monumentenverordening en over
                            het gemeentelijk monumentenbeleid.</al><al><vet>p. Bouwhistorisch onderzoek</vet></al><al>Onderzoek, in een schriftelijke rapportage vastgelegd, naar de
                            bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit van een monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>- Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>- BESCHERMDE GEMEENTELIJKE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>- De aanwijzing tot beschermd gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen, al dan niet op aanvraag van een
                                belanghebbende, een monument aanwijzen als beschermd gemeentelijk
                                monument. Een besluit tot aanwijzing dient gebaseerd te zijn op een
                                redengevende monumentbeschrijving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>a. Voordat burgemeester en wethouders over de aanwijzing een besluit
                                nemen, vragen zij advies aan de gemeentelijke monumentencommissie.
                                In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege
                                blijven.</al><lijst><li nr="b."><al>Degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en
                                        beperkt gerechtigde staan vermeld, de hypothecaire
                                        schuldeisers en - als om de aanwijzing is verzocht - de
                                        verzoeker worden in de ge-legenheid gesteld te worden
                                        gehoord.</al></li><li nr="c."><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument
                                        de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als
                                        beschermd gemeentelijk monument ontvangt tot het moment dat
                                        de registratie als bedoeld in artikel 6 lid 1 plaatsheeft of
                                        vaststaat dat het monument niet wordt aangewezen, zijn de
                                        artikelen 9 tot en met 13 van overeenkomstige
                                        toepassing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen bepalen, dat ten behoeve van de
                                aanwijzing van een monument als beschermd gemeentelijk monument een
                                bouwhistorisch- en/of non-destructief archeologisch onderzoek wordt
                                verricht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voordat burgemeester en wethouders een monument aanwijzen, voeren
                                zij overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument kan geen object
                                betreffen dat onherroepelijk is aangewezen op grond van artikel 3
                                van de Monumentenwet 1988, of dat onherroepelijk is aangewezen op
                                grond van de Monumentenverordening van de Provincie
                                Noord-Brabant.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>- Termijn advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De Monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na
                            ontvangst van het verzoek van burgemeester en wethouders.</al><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen 12 weken na ontvangst van
                            het advies van de Monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20
                            weken na de adviesaanvraag.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>- Mededeling</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, lid 1 wordt medegedeeld aan
                            degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en beperkt
                            gerechtigde staan vermeld, aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers
                            en, indien om aanwijzing is verzocht, aan de verzoeker.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>- Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><al>1.Burgemeester en wethouders registreren het beschermde gemeentelijke
                            monument op de gemeentelijke monumentenlijst.</al><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat:</al><al>- de plaatselijke aanduiding;</al><al>- de datum van de aanwijzing;</al><al>- de kadastrale aanduiding;</al><al>- de tenaamstelling en </al><al>- een beschrijving van het beschermde gemeentelijke monument.</al><al>Indien een deel van een onroerende zaak beschermingswaardig is, beperkt
                            de bescherming en registratie zich tot dat specifieke deel. De
                            gemeentelijke monumentenlijst als bedoeld in lid 2 bevat de beschrijving
                            van dat specifieke onderdeel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>- Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing ambtshalve of op
                                aanvraag van een belanghebbende wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, lid 2a, b, c, lid 3 en lid 4, alsmede artikel 4 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op de wijziging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                                van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing
                                van artikel 3, lid 2a, b, c, lid 3 en lid 4, alsmede artikel 4
                                achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en datum van wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De wijziging van de aanwijzing wordt medegedeeld aan degenen die in
                                de kadastrale registratie als eigenaar en beperkt gerechtigde staan
                                vermeld en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers en overige
                                belanghebbenden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>- Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing intrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, lid 2a, b, c, lid 3 en artikel 4 zijn van toepassing op
                                de intrekking.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing wordt ingetrokken als onherroepelijk is beslist tot
                                aanwijzing krachtens artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of de
                                Monumentenverordening van de Provincie Noord-Brabant.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                aangetekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De wijziging van de aanwijzing wordt medegedeeld aan degenen die in
                                de kadastrale registratie als eigenaar en beperkt gerechtigde staan
                                vermeld, aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers en overige
                                belanghebbenden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>- Verbodsbepalingen gemeentelijke monumenten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een beschermd gemeentelijk monument te beschadigen
                                of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders of
                                in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:</al><al>a. een beschermd gemeentelijk monument af te breken, te verstoren,
                                te verplaatsen, in enig opzicht te wijzigen of grondverzet uit te
                                voeren of, indien het om een archeologische vondst gaat, te
                                vervreemden. </al><al>b. een beschermd gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken
                                of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd
                                of in gevaar wordt gebracht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>- De aanvraag om monumentenvergunning</titel></kop><al>De aanvraag om vergunning moet worden ingediend bij burgemeester en
                            wethouders. Uit de aanvraag om een vergunning moet overduidelijk blijken
                            wat de bestaande en de door de aanvrager gewenste situatie is. Naast de
                            informatie als bedoeld in artikel 4:2 vande Algemene wet bestuursrecht
                            dient de aanvrager - in drievoud - de volgende gegeves te overleggen: </al><lijst><li nr="1."><al>tekeningen en foto's van de bestaande situatie, te weten:</al><lijst><li nr="a."><al>een situering van het pand t.o.v. de omgeving incl. de
                                            wijze van ontsluiting van het pand;</al></li><li nr="b."><al>gevelaanzichten van het pand;</al></li><li nr="c."><al>doorsneden en plattegronden;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>tekeningen van de beoogde situatie te weten:</al><lijst><li nr="a."><al>de situering van het pand in de nieuwe situatie;</al></li><li nr="b."><al>gevelaanzichten van het pand;</al></li><li nr="c."><al>doorsneden en plattegronden;</al></li><li nr="d."><al>principedetails van de wijzigingen (schaal 1:1, 1:2, 1:5
                                            of 1:10, schaal in overleg);</al></li><li nr="e."><al>een werkomschrijving of bestek.</al></li></lijst></li></lijst><al>Burgemeester en wethouders kunnen ter beoordeling van de aanvraag nadere
                            richtlijnen geven over toe te passen materialen, de kleurstelling en de
                            wijze waarop werkzaamheden worden uitgevoerd. Ook kunnen zij nadere
                            gegevens van de aanvrager verlangen, waaronder de resultaten van een
                            bouwhistorisch en/of archeologisch onderzoek of een
                            werkomschrijving/bestek van de werkzaamheden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>- Ter inzage legging, termijnen advies en
                                vergunningverlening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de aanvraag in behandeling wordt genomen, leggen burgemeester
                                en wethouders de aanvraag op het gemeentehuis voor eenieder
                                gedurende 2 weken ter inzage. De kennisgeving van de
                                terinzagelegging wordt bekendgemaakt op de in de gemeente
                                gebruikelijke wijze, waarbij de mogelijkheid vermeld wordt om binnen
                                een termijn van 2 weken zienswijzen naar voren te brengen bij
                                burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Na de terinzagelegging wordt de vergunningaanvraag aan de
                                Monumentencommissie gezonden, vergezeld van de ingekomen
                                zienswijzen. De Monumentencommissie brengt binnen 8 weken na de
                                adviesaanvraag schriftelijk advies uit aan burgemeester en
                                wethouders en betrekt de beschrijving van het monument als bedoeld
                                in artikel 6 bij haar advies. Eveneens zal waar nodig worden
                                geraadpleegd: </al><al>- het vigerende bestemmingsplan;</al><al>- het (eventueel) van toepassing zijnde beeldkwaliteitsplan;</al><al>- de (eventueel) van toepassing zijnde welstandscriteria;</al><al>- de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie
                                Noord-Brabant;</al><al>- ander noodzakelijk materiaal dat van belang is voor een adequate
                                advisering.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een bouwhistorisch en/of archeologisch onderzoek noodzakelijk
                                wordt geacht, kan de termijn van advisering door de
                                Monumentencommissie met ten hoogste zes weken worden verlengd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij overschrijding van de in lid 2 en lid 3 genoemde termijnen wordt
                                de Monumentencommissie geacht zich van advies te hebben
                                onthouden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen 8 weken na ontvangst van
                                het advies van de Monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 16
                                weken na ontvangst van de aanvraag van de vergunning.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de in lid 5 genoemde termijn van
                                16 weken met ten hoogste 10 weken verlengen, mits zij de aanvrager
                                daarvan kennis geven binnen de in lid 5 genoemde termijn van 16
                                weken.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het bepaalde in
                                lid 5 of lid 6 van dit artikel wordt de vergunning geacht te zijn
                                geweigerd.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning voorschriften
                                verbinden in het belang van de monumentenzorg.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Een vergunning ingevolge deze verordening blijft buiten werking
                                gedurende 6 weken na de datum waarop zij is verleend of van
                                rechtswege is verleend. Indien gedurende deze termijn bezwaar wordt
                                gemaakt op grond van de Algemene wet bestuursrecht, blijft de
                                vergunning buiten werking totdat op het bezwaar is beslist.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zenden een afschrift van de
                                monumentenvergunning aan de Monumentencommissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>- Kerkelijk monument</titel></kop><al>Burgemeester en wethouders geven voor een kerkelijk monument geen
                            vergunning af ingevolge de bepalingen van artikel 9, lid 2 dan nadat
                            overeenstemming met de eigenaar is bereikt, indien en voorzover het een
                            beschikking betreft, waarbij wezenlijke belangen van het belijden van de
                            godsdienst of de levensovertuiging in het beschermde gemeentelijk
                            monument in het geding zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>- Intrekken van de vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning kan door burgemeester en wethouders worden ingetrokken
                                als: </al><al>- blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                onvolledige opgave is verleend;</al><al>- blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in
                                artikel 9 lid 2 niet naleeft;</al><al>- de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig
                                hebben gewijzigd, dat het belang van het beschermde gemeentelijk
                                monument zwaarder dient te wegen;</al><al>- niet binnen 52 weken van de vergunning gebruik is gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Van de beschikking tot intrekking wordt een kopie aan de
                                Monumentencommissie gezonden.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>- BESCHERMDE RIJKSMONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>- Vergunning voor beschermd rijksmonument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders leggen, na ontvangst van de
                                vergunningaanvraag tot wijziging, afbraak of verwijdering van een
                                rijksmonument, het verzoek onmiddellijk ter advisering voor aan de
                                directeur van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg en, indien het
                                beschermde monument ligt buiten de krachtens de Wegenverkeerswet
                                1994 vastgestelde bebouwde kom, aan Gedeputeerde Staten van de
                                provincie Noord-Brabant. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders leggen de aanvraag voor vergunning die in
                                behandeling is genomen op het gemeentehuis voor eenieder ter inzage.
                                Burgemeester en wethouders doen kennisgeving van de terinzagelegging
                                op de gebruikelijke wijze en vermeldt daarbij de mogelijkheid om
                                binnen een termijn van 2 weken zienswijzen naar voren te brengen bij
                                burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zenden een afschrift van de aanvraag om
                                vergunning voor een rijks-monument met de eventuele ingediende
                                zienswijzen aan de Monumentencommissie na afloop van de termijn van
                                2 weken genoemd in artikel 12, lid 2 van de Monumentenwet 1988.
                            </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De Monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag om
                                vergunning binnen 8 weken na de datum van verzending van het
                                afschrift, zoals bedoeld in lid 3 van dit artikel.</al><al>Deze termijn kan met ten hoogste 6 weken worden verlengd ingeval van
                                nader bouwhistorisch en/of archeologisch onderzoek of uitstel van de
                                vergadering van de Monumentencommissie, mits dit de maximale
                                behandelingstermijn niet in gevaar brengt. </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Bij overschrijding van de in lid 4 genoemde termijnen wordt de
                                Monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen, zoals bepaald in artikel 16
                                lid 2 van de Monumentenwet, binnen 3 maanden na de datum van
                                ontvangst van het laatste van de adviezen, doch in ieder geval
                                binnen 6 maanden na de datum van de indiening van de aanvraag. Bij
                                archeologische monumenten beslist de minister op de
                                vergunningaanvraag.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Indien burgemeester en wethouders niet voldoen aan het 6<sup>e</sup>
                                lid, wordt de vergunning geacht te zijn verleend.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4</nr><titel>- BESCHERMDE GEMEENTELIJKE STADS- OF DORPSGEZICHTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>- Aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen een dorpsgezicht aanwijzen als
                                beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat burgemeester en wethouders over de aanwijzing een besluit
                                nemen, vragen zij advies aan de gemeentelijke Monumentencommissie.
                            </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen dorpsgezicht betreffen dat is aangewezen op
                                grond van artikel 35 van de Monumentenwet 1988, of dat is aangewezen
                                op grond van de Monumentenverordening van de provincie
                                Noord-Brabant.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>- Termijn advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na
                                ontvangst van het verzoek van burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij overschrijding van de in lid 1 genoemde termijn wordt de
                                Monumentencommissie geacht te hebben geadviseerd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen 12 weken na ontvangst
                                van het advies van de Monumentencommissie, maar in ieder geval
                                binnen 20 weken na de adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>- Bescherming in relatie tot de Wet op de Ruimtelijke Ordening
                                (WRO)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De gemeenteraad stelt ter bescherming van een beschermd gemeentelijk
                                stads- of dorpsgezicht een bestemmingsplan vast (eventueel aangevuld
                                met een daarop van toepassing zijnde Beeldkwaliteitplan) als bedoeld
                                in de Wet op de Ruimtelijke Ordening dat de aanwezige
                                cultuurhistorische waarden beschermt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien voor een gebied een of meerdere bestemmingsplannen vigeren
                                neemt de gemeenteraad een besluit waarin wordt bepaald in hoeverre
                                deze bestemmingsplannen als beschermend plan in de zin van lid 1
                                kunnen worden aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>- Registratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders registreren het beschermde gemeentelijke
                                dorpsgezicht op de lijst gemeentelijke beschermde stads- of
                                dorpsgezichten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De lijst van gemeentelijke beschermde stads- of dorpsgezichten
                                bevat:</al><al>- de plaatselijke aanduiding;</al><al>- de datum van aanwijzing;</al><al>- de gebiedsaanwijzing van het beschermde dorpsgezicht;</al><al>- een beschrijving van de daarin aanwezige cultuurhistorische
                                waarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>- Vervallen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De aanwijzing als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht vervalt als
                                onherroepelijk is beslist tot aanwijzing op grond van artikel 35 van
                                de Monumentenwet 1988, of de Monumentenverordening van de provincie
                                Noord-Brabant.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De intrekking wordt aangetekend op de lijst van beschermde
                                gemeentelijke stads- of dorpsgezichten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>- Verbodsbepalingen gemeentelijke stads- of
                                dorpsgezichten</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in een beschermd gemeentelijk stads- of
                                    dorpsgezicht, zonder schriftelijke vergunning van burgemeester
                                    en wethouders of in strijd met de bij zodanige vergunning
                                    gestelde voorschriften:</al><lijst><li nr="a."><al>bouwwerken geheel of gedeeltelijk af te breken, te
                                            verplaatsen of grondverzet uit te voeren.</al></li><li nr="b."><al>onroerende zaken, geen bouwwerk zijnde, hieronder
                                            begrepen verhardingen, walkanten en erfafscheidingen op
                                            te richten of te wijzigen.</al></li><li nr="c."><al>onroerende zaken, geen bouwwerk zijnde, waaronder
                                            begrepen straten, pleinen, stoepen en aan de gevel
                                            gerelateerde delen te wijzigen, af te breken, te
                                            verplaatsen of grondverzet uit te voeren.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Geen sloopvergunning op grond van de bouwverordening is vereist
                                    voor het afbreken ingevolge een aanschrijving van burgemeester
                                    en wethouders.</al></li><li nr="3."><al>Op het verlenen van een vergunning als bedoeld in lid 1 zijn,
                                    totdat een beschermend bestemmingsplan onherroepelijk is
                                    geworden, de artikelen 10 tot en met 13 van deze verordening van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5</nr><titel>- GEMEENTELIJKE ARCHEOLOGISCHE MONUMENTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>- Aanwijzing en registratie van archeologische monumenten</titel></kop><al>De artikelen 3 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>- Verbodsbepalingen en vergunningen m.b.t. archeologische
                                monumenten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ter plaatse van een gemeentelijk archeologisch
                                monument door middel van ingrepen de bestemming van de grond te
                                veranderen, waardoor het grondwaterpeil verandert of graafwerk moet
                                worden verricht op een diepte van meer dan 0,25 m onder het
                                maaiveld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Nadat advies is ingewonnen bij de opgravingsbevoegde instantie,
                                kunnen burgemeester en wethouders vergunning verlenen voor graafwerk
                                onder 0,25 m, indien het toezicht en de bescherming van het
                                gemeentelijk archeologisch monument is geregeld door:</al><al>a.de mogelijkheid van toegang van door burgemeester en wethouders
                                aan te wijzen personen op het terrein;</al><al>b. de mogelijkheid van de onder a) genoemde personen om - in overleg
                                en in samenspraak met burgemeester en wethouders - graafwerk en/of
                                documentatiewerkzaamheden te (laten) verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op het aanvragen en verlenen van een vergunning als bedoeld in het
                                2<sup>e</sup> lid van dit artikel is het bepaalde in de artikelen 9
                                tot en met 13 van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6</nr><titel>- ARCHEOLOGISCHE MELDINGSGEBIEDEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>- Aanwijzing en registratie van archeologische
                                meldingsgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen terreinen, waarvan het algemeen
                                belang wegens hun betekenis voor de archeologische monumentenzorg
                                vaststaat of vermoed wordt op grond van historische ge-gevens en/of
                                door archeologische vondsten en onderzoek, aanwijzen als
                                archeologisch meldingsgebied.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat burgemeester en wethouders over de aanwijzing een besluit
                                nemen, leggen zij het concept aanwijzingsbesluit vier weken ter
                                visie en vragen zij, met de ingebrachte zienswijzen, advies aan de
                                Monumentencommissie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>- Termijn advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De Monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na
                                ontvangst van het verzoek van burgemeester en wethouders.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders beslissen binnen 8 weken na ontvangst van
                                het advies van de Monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 16
                                weken na de adviesaanvraag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de in lid 2 genoemde termijn van
                                16 weken met ten hoogste 10 weken verlengen, mits zij de aanvrager
                                daarvan kennis geven binnen de in lid 2 genoemde termijn van 16
                                weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>- Registratie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders registreren de archeologische
                                meldingsgebieden op de gemeentelijke archeologische
                                meldingskaart.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De archeologische meldingskaart bevat gegevens, waarop de
                                overeenkomstig deze verordening aangewezen gemeentelijke
                                archeologische meldingsgebieden zijn geregistreerd. </al><al>Per archeologisch meldingsgebied wordt geregistreerd:</al><al>- de plaatselijke aanduiding;</al><al>- de datum van aanwijzing;</al><al>- de gebiedsaanwijzing van het archeologische meldingsgebied;</al><al>- een beschrijving van de daar aanwezige cultuurhistorische
                                (verwachtings) waarden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>- Wijziging van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing ambtshalve of op
                                aanvraag van een belanghebbende wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, lid 2a , b , c, lid 3 en lid 4 alsmede artikel 4 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op de wijziging.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van burgemeester en wethouders
                                van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing
                                van artikel 3, lid 2a, b, c, lid 3 en lid 4, alsmede artikel 4
                                achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en datum van wijziging worden op de archeologische
                                meldingskaart aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>- Intrekking van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen de aanwijzing intrekken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, lid 2a , b , c, lid 3 en artikel 4 zijn van toepassing op
                                de intrekking.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>- Verbodsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ter plaatse van een archeologisch meldingsgebied
                                graafwerk te verrichten op een diepte van meer dan 0,25 m onder het
                                maaiveld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen vergunning verlenen voor graafwerk
                                onder de 0,25 m, overeenkomstig de artikelen 9 t/m 13 van deze
                                verordening, indien het toezicht en de bescherming van het
                                archeologisch meldingsgebied is geregeld door:</al><al>a. de mogelijkheid van toegang van door burgemeester en wethouders
                                aan te wijzen personen op het terrein; </al><al>b. de mogelijkheid van de onder a. genoemde personen om - in overleg
                                en in samenspraak met burgemeester en wethoduers -
                                onderzoekswerkzaamheden te verrichten. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>- Ruimtelijke planontwikkeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Alvorens burgemeester en wethouders een beslissing nemen om
                                toepassing te geven aan artikel 19 en 19a van de Wet op de
                                Ruimtelijke Ordening vragen zij de Monumentencommissie advies over
                                de archeologische waarden die aan de orde zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders zenden een verzoek om toepassing te geven
                                aan een procedure als bedoeld in lid 1 onmiddellijk na ontvangst om
                                advies aan de Monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De Monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na
                                ontvangst van het verzoek van burgemeester en wethouders. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij overschrijding van de in lid 3 genoemde termijn wordt de
                                Monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>7</nr><titel>- BEELDBEPALENDE OBJECTEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>- Aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen, al dan niet op verzoek van
                                belanghebbenden, besluiten zaken aan te wijzen als beschermde
                                beeldbepalende objecten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>a. Voordat burgemeester en wethouders over de aanwijzing een besluit
                                nemen vragen zij advies aan:</al><al>- de Monumentencommissie;</al><al>- degenen die in de kadastrale registratie als eigenaar en beperkt
                                gerechtigde staan vermeld;</al><al>- de hypothecaire schuldeisers;</al><al>- indien om de aanwijzing is verzocht, de verzoeker. </al><al>b. Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een beeldbepalend
                                object de kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als
                                beschermde beeldbepalend object ontvangt tot het moment dat de
                                registratie plaatsvindt is artikel 31 van overeenkomstige
                                toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Alvorens burgemeester en wethouders een kerkelijk beeldbepalend
                                object aanwijzen, horen zij de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Beschermde beeldbepalende zaken, die zijn ingeschreven in het
                                register als bedoeld in artikel 6 van de Monumentenwet of die zijn
                                geregistreerd op een lijst van monumenten, op grond van een
                                Monumentenverordening van de Provincie Noord-Brabant worden door
                                burgemeester en wethouders niet op de in dit artikel bedoelde lijst
                                geplaatst.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>– Aanwijzings- en registratieprocedure</titel></kop><al>Artikel 4 tot en met 8 zijn van overeenkomstige toepassing met dien
                            verstande dat voor het beschermd(e) gemeentelijk(e) monument moet worden
                            gelezen "het beschermde beeldbepalende object"en voor de
                            gemeentelijke monumentenlijst moet worden gelezen "de gemeentelijke
                            lijst beeldbepalende objecten".</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>- Verbodsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een beschermd beeldbepalend object te beschadigen of
                                te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders of
                                in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften:</al><al>a.een beschermd beeldbepalend object af te breken, te verstoren, te
                                verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen of, indien het om een
                                archeologische vondst gaat, te vervreemden.</al><al>b. een beschermd beeldbepalend object te herstellen, te gebruiken of
                                te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of
                                in gevaar wordt gebracht of in strijd wordt gehandeld met de
                                bepalingen van het eventueel daarop van toepassing zijnde
                                Beeldkwaliteitplan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>- Vergunningaanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders vragen de Monumentencommissie advies als
                                een vergunning wordt gevraagd voor een vervangend bouwplan of voor
                                de wijziging van een op "de gemeentelijke lijst beeldbepalende
                                objecten" geregistreerde onroerende zaak.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij hun beraadslagingen betrekt de Monumentencommissie ten aanzien
                                van de in lid 1 bedoelde aanvrage tevens de beschrijving die hoort
                                bij het beeldbepalende objectzaak (zie artikel 30).</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>8</nr><titel>- SCHADEVERGOEDING</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>- Schadevergoeding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien en voorzover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van burgemeester en wethouders een
                                            vergunning tot wijziging, afbraak of verwijdering van
                                            een gemeentelijk monument te verlenen als bedoeld in de
                                            artikelen 9, 20, 22 en 27 van deze verordening;</al><lijst><li nr=""><al>of </al></li></lijst></li><li nr="b."><al>voorschriften door burgemeester en wethouders verbonden
                                            aan een vergunning tot wijziging, afbraak of
                                            verwijdering van een gemeentelijk monument;</al><al/><al>schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of
                                            niet geheel te zijnen last behoort te blijven, kennen
                                            burgemeester en wethouders hem op zijn aanvraag een naar
                                            billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Voor de behandeling van de verzoeken om schadevergoeding zijn de
                                    bepalingen van de verordening ter regeling van de procedure bij
                                    toepassing van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening
                                    van overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>9</nr><titel>– SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>- Strafbepaling</titel></kop><al>Hij, die handelt in strijd met de artikelen 9 en 23 van deze
                            verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>- Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de door burgemeester en wethouders aangewezen
                            personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>- Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften, die strekken tot handhaving van de openbare orde,
                            veiligheid, bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden van een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voorzover deze verordening betrekking heeft op de beschermde
                                gemeentelijke monumenten, gemeentelijke beschermde stads- of
                                dorpsgezichten, gemeentelijke archeologische monumenten en
                                archeologische meldingsgebieden treedt zij in werking op de eerste
                                dag na het verstrijken van een termijn van zes weken na
                                bekendmaking.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De eerdere monumentenverordening van de gemeente Best, vastgesteld
                                bij besluit van de gemeenteraad van 27 mei 1991, vervalt op
                                &lt;datum&gt;. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voorzover deze verordening betrekking heeft op beschermde
                                rijksmonumenten, treedt zij in werking overeenkomstig het bepaalde
                                in artikel 15 lid 2 van de Monumentenwet 1988.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De eerdere monumentenverordening van de gemeente Best, vastgesteld
                                bij besluit van de gemeenteraad van 27 mei 1991, vervalt - voorzover
                                het betreft bepalingen over beschermde rijksmonumenten - op de datum
                                waarop lid 3 van toepassing vindt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening, worden afgehandeld overeenkomstig de
                                "Monumentenverordening Best 2004".</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>- Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als "Monumentenverordening Best
                            2004"</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Best, </al><al>de gemeenteraad</al></slotformulering><ondertekening>de griffier de voorzitter</ondertekening><ondertekening>M.J.H.J. Baijens mevr. A.M. Demmers-van der Geest</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting op de "Monumentenverordening Best 2004"</titel></kop><al/><al><vet>Algemeen</vet></al><al>Bij het opstellen van deze Monumentenverordening zijn de "Aanwijzingen voor de
                    decentrale regelgeving" van het Ministerie van Justitie en van de VNG-publicatie
                    "Gemeente en regelgeving" in aanmerking ge-nomen. De bepalingen van de
                    model-monumentenverordening van de VNG, de Monumentenwet 1988 en de daarin
                    gekozen systematiek vormen een belangrijke basis voor de bepalingen van de
                    "Monumentenverordening Best 2004". Voor wat betreft het onderdeel archeologie is
                    de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) geraadpleegd.</al><al>Zes hoofdpunten zijn in deze Monumentenverordening geregeld, te weten:</al><al>1.De aanwijzing van zaken tot gemeentelijk beschermd monument door het college
                    van burgemeester en wethouders. Dit betreft ook archeologische monumenten</al><al>Het vergunningenstelsel voor de gemeentelijke beschermde monumenten.</al><al>De verwijzing naar het vergunningenstelsel voor beschermde rijksmonumenten in de
                    Monumentenwet 1988.</al><al>De aanwijzing van gebieden tot beschermd gemeentelijk stads- of
                    dorpsgezicht.</al><al>De aanwijzing van archeologische meldingsgebieden.</al><al>Beeldbepalende panden en objecten.</al><al>De uitvoerende taken berusten, inhakend op de onlangs geactualiseerde
                    Gemeentewet, de Monumentenwet 1988, de Woningwet, de Algemene wet bestuursrecht
                    (Awb) en de Wet Dualisering Gemeentebestuur, bij het dagelijks bestuur: het
                    college van burgemeester en wethouders.</al><al> Toelichting per artikel</al><al/><al><vet>Artikel 1</vet></al><al>Sub a</al><al>Bij de omschrijving van het begrip "monument" is aansluiting gezocht bij de
                    omschrijving in de “Monumentenwet 1988”. Cultuurhistorische waarde is volgens de
                    Memorie van Toelichting op de Monumentenwet 1988: de aan een bouwwerk of gebied
                    toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan en het gebruik dat
                    de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft
                    gemaakt. Het begrip cultuurhistorische waarde is dermate ruim dat het ook
                    betrekking kan hebben op zaken en gebieden met een geschiedkundige waarde.</al><al>Onder "een zaak" kan ook worden verstaan: een (gedeelte van een) gevelwand of
                    ensemble van gebouwen, mits deze zaak van algemeen belang is vanwege zijn
                    schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.</al><al>De onder 2 bedoelde terreinen kunnen bijvoorbeeld parken, tuinen, een perceel
                    met één of meer bomen zijn of een (aandachts)gebied waar kan worden verwacht,
                    dat zich zaken in de bodem bevinden, die vanuit archeologisch oogpunt van belang
                    zijn.</al><al>Het is niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig monument voorkomt
                    teneinde over een <vet>mon</vet><vet>u</vet><vet>ment </vet>te kunnen spreken.
                    Een "zaak" is immers een veel ruimer begrip. De vijftig-jaargrens, die voor
                    rijksmonumenten geldt, is niet voor gemeentelijke monumenten overgenomen.
                    Daardoor biedt de verordening ook de mogelijkheid om monumenten die (nog) niet
                    op de rijkslijst kunnen komen omdat ze te jong zijn, reeds op de gemeentelijke
                    monumentenlijst te plaatsen.</al><al/><al>Sub b</al><al>Het is nodig om een begripsomschrijving van een "rijksmonument" in de
                    gemeentelijke monumentenverordening op te nemen. Deze verordening is namelijk
                    een voorwaarde voor het verkrijgen door burgemeester en wethouders van de
                    bevoegdheid om vergunningen voor de wijziging en sloop van beschermde
                    rijks-monumenten te verlenen! Op de vergunningverlening voor beschermde
                    rijksmonumenten zijn met name artikel 11 tot en met 21 van de Monumentenwet 1988
                    van toepassing.</al><al>Sub b, c, d, f, l en n </al><al>Sub b, c, d, f, l en n wordt gesproken van "onroerendezaken". Roerende
                    monumenten worden derhalve niet beschermd. Reden hiervoor is dat het effectueren
                    van de bescherming een probleem vormt. Roerende monumenten kunnen meestal
                    eenvoudig worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de gemeentegrens en
                    daarmee buiten de werking van de verordening worden gebracht. Roerende zaken
                    zijn bijvoorbeeld schepen, voertuigen, schilderijen, kerkschatten en
                    gebruiksvoorwerpen. Zaken die naar hun aard onroerend zijn, zoals een kerkorgel,
                    kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van de
                    redengevendeomschrijving.</al><al/><al>Sub c</al><al>De gemeente is vrij om al dan niet gemeentelijke monumenten aan te wijzen. De
                    bevoegdheid daartoe is gelegen bij het college van burgemeester en
                    wethouders.</al><al/><al>Sub d</al><al>Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de verordening
                    aangewezen monumenten registreert.</al><al/><al>Sub f</al><al>Beschermde gemeentelijke stads- of dorpsgezichten dienen groepen van onroerende
                    zaken te betreffen, die van algemeen belang zijn wegens hun schoonheid, hun
                    onderlinge ruimtelijke- of structurele samenhang, en/of hun wetenschappelijke-
                    of cultuurhistorische waarde en in welke groepen zich een of meer monumenten
                    en/of beeldbepalende zaken bevinden, die geregistreerd zijn op de rijks- of
                    gemeentelijke monumentenlijst of de gemeentelijke lijst beeldbepalende
                    zaken.</al><al>Met het beschermen van stads- of dorpsgezichten wordt beoogd die structuren in
                    stand te houden die in hun samenhang ondersteund door een of meerder monumenten
                    van algemeen belang zijn. Een van de daartoe benodigde maatregelen is het
                    voorkomen van ongewenste sloop van gebouwen. Artikel 21 lid 2 van de Wet op de
                    stads- en dorpsvernieuwing biedt de mogelijkheid hiertoe. Op grond van dit
                    artikel moet een sloopvergunning worden geweigerd als een vergunning ingevolge
                    de "Monumentenverordening Best 2004" niet is verleend.</al><al>De gemeente is vrij om al dan niet beschermde gemeentelijke stads- of
                    dorpsgezichten aan te wijzen.</al><al/><al>Sub g</al><al>De gemeentelijke lijst beschermde stads- of dorpsgezichten is de lijst waarop
                    zijn vermeld de overeenkomstig deze verordening geregistreerde beschermde
                    gemeentelijke stads- of dorpsgezichten.</al><al/><al>Sub i</al><al>De term "gemeentelijk beschermd archeologisch monument" wordt apart gedefinieerd
                    in verband met de enigszins afwijkende positie die een archeologisch monument
                    inneemt ten aanzien van de vergunning- verlening. </al><al>Ten eerste is er verschil in behandeling tussen een rijks- of een gemeentelijk
                    beschermd archeologisch monument bij een vergunningaanvraag. De
                    vergunningverlening voor het verstoren of in enig opzicht wijzigen van een
                    beschermd gemeentelijk monument is een bevoegdheid van burgemeester en
                    wethouders. Als echter sprake is van een beschermd archeologisch rijksmonument
                    beslist de Minister van OCW op de vergunningaanvraag. </al><al>Ten tweede regelt de Monumentenwet 1988 dat het doen van een opgraving alleen
                    plaats mag vinden met vergunning van de minister. Deze verplichting geldt in
                    zijn algemeenheid voor alle archeologische monumenten. Het maakt dus niet uit of
                    sprake is van rijks- of gemeentelijke bescherming, het doen van opgravingen is
                    vergunningplichtig. Deze vergunning tot het doen van opgravingen kan onder
                    bepaalde voorwaarden alleen worden toegekend aan een rijksdienst, een instelling
                    voor wetenschappelijk onderwijs of een gemeente. Vanwege deze twee aspecten
                    wordt in deze verordening een onderscheid gemaakt tussen een "normaal" en een
                    "archeologisch" monument.</al><al>De gemeente is vrij om al dan niet gemeentelijke archeologische monumenten aan
                    te wijzen. De bevoegdheid daartoe is gelegen bij het college van burgemeester en
                    wethouders.</al><al>In het geval van een opgraving regelt de Monumentenwet 1988 (artikel 42 tot en
                    met 49) het eigendom van roerende monumenten die men daarbij aantreft. Deze
                    regels gelden in alle gevallen dat opgravingen worden gedaan of dat men bij
                    toeval op een vondst stuit waarvan men kan vermoeden dat het om een monument
                    gaat. Er wordt geen onderscheid gehanteerd tussen rijks- en gemeentelijke
                    monumenten.</al><al>Binnenkort is nadere wetgeving te verwachten in verband met de implementatie van
                    het "Verdrag van Malta". Zodra hierover meer bekend is zullen, zo nodig,
                    wijzigingen worden aangebracht.</al><al/><al>Sub j en k</al><al>Onder andere gegevens ontleend aan de provinciale Cultuurhistorische
                    Waardenkaart en de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek zijn hiervoor
                    te gebruiken.</al><al>De gemeente is vrij om al dan niet archeologische meldingsgebieden aan te
                    wijzen. De bevoegdheid daartoe is gelegen bij het college van burgemeester en
                    wethouders.</al><al/><al>Sub l</al><al>Objecten, die op grond van de criteria genoemd in artikel 1a van deze
                    Monumentenverordening niet kunnen worden aangewezen als (gemeentelijk of
                    rijks)monument vanwege het ontbreken van voldoende waarden ten aanzien van
                    schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarden, maar
                    voor het stedenbouwkundig en architectonisch beeld van een ensemble, een
                    straatwand of een structuur van belang zijn, kunnen blijvend een bijdrage
                    leveren aan het beeld van een straatwand of ensemble als de voor- en zijgevels
                    en de van de straatzijde zichtbare kap beschermd worden. </al><al/><al>Sub m</al><al>Dit betreft de lijst, waarop de gemeente overeenkomstig de verordening
                    aangewezen beschermde beeldbepalende objecten registreert.</al><al/><al>Sub n</al><al>Ingeval van aanwijzing van een kerkelijk monument tot beschermd gemeentelijk
                    monument <vet>hoort</vet> de gemeente de eigenaar (zie artikel 3 lid 4). Is er
                    sprake van een vergunning voor een gemeentelijk kerkelijk monument, dan is
                        <vet>overeenstemming tussen eigenaar en vergunningverlener nodig</vet> (zie
                    artikel 12). Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de
                    uitoefening van de eredienst in het kerkelijke monument. Voor bijvoorbeeld een
                    pastorie, een catecheseruimte of verblijven van kloosterlingen geldt deze
                    verbijzondering voor kerkelijke monumenten dan ook niet. Zij vallen onder de
                    voorschriften die voor de andere beschermde gemeentelijke monumenten gelden.
                    Indien een kerkelijk monument de wezenlijke belangen van de uitoefening van de
                    eredienst verliest, wordt het geacht automatisch te zijn aangewezen als
                    beschermd gemeentelijk monument en geregistreerd te zijn op de gemeentelijke
                    monumentenlijst en gelden de bepalingen zoals bedoeld onder artikel 1 lid b voor
                    een beschermd gemeentelijk monument.</al><al/><al>Sub o</al><al>In het duale stelsel stelt het bevoegde orgaan zelf zijn commissies in. De
                    Monumentencommissie is een commissie, die adviseert aan het college van
                    burgemeester en wethouders. Het is dan ook het college die deze commissie
                    instelt op grond van artikel 84 van de Gemeentewet. De samenstelling en de
                    werkwijze van de Monumentencommissie dient het college van burgemeester en
                    wethouders nader uit te werken. Dit dient te geschieden door middel van een
                    apart collegebesluit.</al><al>Op grond van artikel 84 lid 2 van de Gemeentewet, in samenhang met artikel 83
                    lid 2 van voornoemde wet, mogen raadsleden geen deel uitmaken van
                    collegecommissies.</al><al>De taken van de Monumentencommissie strekken zich onder meer uit over:</al><lijst><li nr="1."><al>de "Monumentenverordening Best 2004";</al></li><li nr="2."><al>de "Monumentenwet 1988" en de </al></li><li nr="3."><al>de "Subsidieverordening monumentenzorg Best 2004".</al></li></lijst><al/><al>Sub p</al><al>Beoogd is het bouwhistorisch onderzoek een nadrukkelijke rol te laten spelen bij
                    de bepaling van het gemeentelijk monumentenbeleid, zowel bij een aanwijzing als
                    bij een wijziging van een gemeentelijk- of rijksmonument. De kennis die met
                    bouwhistorisch onderzoek wordt verkregen, kan bij uitstek worden ingezet voor
                    een verantwoorde omgang met monumenten al dan niet in samenhang met
                    veranderingen en het beheer hiervan. Het onderzoek levert informatie over de
                    bouwmassa, de toegepaste constructies, materialen en interieurafwerking. De
                    uitkomst van een onderzoek is van belang voor een op te stellen restauratieplan
                    en kan tevens worden gebruikt bij het analyseren en vaststellen van
                    constructieve gebreken.</al><al> In bouwhistorisch onderzoek kunnen vier fasen worden onderscheiden:</al><al>1.De bouwhistorische inventarisatie vindt in het algemeen plaats om de omgeving
                    en het pand in beeld te brengen. In deze fase is literatuur en bronnenonderzoek
                    van belang.</al><al>De bouwhistorische verkenning is een beperkt onderzoek met verwerking van de
                    gegevens uit het bronnenonderzoek, de literatuur en de bouwdossiers.</al><al>De bouwhistorische opname is een uitgebreidere opname dan een verkenning en
                    onderzoekt de zichtbare en in het zicht gebrachte delen van een gebouw.</al><al>De bouwhistorische ontleding is het meest diepgaand onderzoek. Hierin worden
                    alle tevoren verkregen informatie en een ontleding van het gehele gebouw
                    verwerkt. Deze ontleding heeft meestal plaats tijdens een verbouwing of
                    restauratie.</al><al>Direct na ontvangst van een aanvraag om vergunning dient in het kader van de
                    ontvankelijkheidtoets te worden vastgesteld of voor de behandeling van de
                    aanvraag een bouwhistorisch onderzoek noodzakelijk is en met welke diepgang.
                    Indien een eigenaar bouwhistorisch onderzoek laat uitvoeren voorafgaand aan een
                    restauratieplan, kunnen deze kosten bij de bepaling van de subsidiabele kosten
                    worden betrokken.</al><al/><al><vet>Artikel 2</vet></al><al>Het betreft hier niet zozeer de publiekrechtelijke, planologische bestemming,
                    maar de gebruiksmogelijkheid die de eigenaar/gebruiker daaraan toekent. Een en
                    ander mede gelet op de constructie en ligging van het pand. Dit artikel is van
                    belang als een motiveringsplicht bij de aanwijzing van monumenten en bij de
                    vergunningverlening.</al><al/><al><vet>Artikel 3</vet></al><al>Lid 1</al><al>In navolging op de VNG-modelverordening zijn de aanwijzing tot beschermd
                    gemeentelijk monument en het registreren op de monumentenlijst uit elkaar
                    getrokken. De aanwijzing heeft rechtsgevolg; het daarna registreren op de
                    gemeentelijke monumentenlijst is slechts een administratieve handeling. Het is
                    inzichtelijker om de aanwijzing én de registratie op de lijst uit elkaar te
                    trekken.</al><al>Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van burgemeester en
                    wethouders. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden
                    besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de
                    te beschermen cultuurhistorische waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het
                    besluit naar voren komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op
                    schadevergoeding. De aanwijzing verandert immers niets aan het gebruik van het
                    monument.</al><al>Lid 2</al><al>Burgemeester en wethouders moeten:</al><al>het advies inwinnen van de Monumentencommissie;</al><al>degenen horen die in de kadastrale registratie als eigenaar en beperkt
                    gerechtigde staan vermeld, alsook de hypothecaire schuldeisers en, indien om de
                    aanwijzing is verzocht, de verzoeker. </al><al>De verordening bindt het advies niet aan bepaalde voorschriften over vorm en
                    inhoud. In een collegebesluit die de taak, de samenstelling en de werkwijze van
                    de Monumentencommissie regelt is dit nader te bepalen.</al><al>Deze gemeentelijke monumentenverordening regelt ook de "voorbescherming van het
                    monument" gedurende de tijd dat de het voornemen tot het aanwijzen aan de
                    eigenaar schriftelijk kenbaar is gemaakt. Hierbij is de methodiek van de
                    Monumentenwet 1988 gevolgd. De spoedprocedure kan in situaties die ernstige
                    gevolgen voor het (in de toekomst) aan te wijzen monument, bewerkstelligen dat
                    binnen korte tijd de verbodsbepalingen van de verordening van toepassing worden.
                    Er moeten dan gegronde redenen aanwezig zijn om de spoedprocedure te kunnen
                    gebruiken.</al><al>Lid 3</al><al>Het bouwhistorisch onderzoek van een zaak geeft meer inzicht in de historische
                    geschiedenis van een zaak (gebouw). In de Monumentenwet 1988 is geen bepaling
                    over bouwhistorisch onderzoek opgenomen. Het laten verrichten van bouwhistorisch
                    onderzoek behoort daarmee tot de beleidsvrijheid van de gemeente. </al><al>Er is een drietal momenten te onderscheiden wanneer een gemeente bouwhistorisch
                    onderzoek kan vragen:</al><al>1.Ten eerste bij een (aanvraag tot) aanwijzing als beschermd gemeentelijk
                    monument. De informatie over de bouwhistorische waarde van een zaak (gebouw) kan
                    van invloed zijn op de beslissing van burgemeester en wethouders om het zaak
                    (gebouw) al dan niet als beschermd gemeentelijk monument aan te wijzen en op de
                    wijze waarop de zaak (gebouw) in de registers wordt ingeschreven.</al><al>Ten tweede bij aanvragen voor vergunning tot wijziging van een beschermd
                    gemeentelijk monument. De bouwhistorische waarde, die door een verbouwing of
                    andere wijziging aangetast wordt, is van invloed op de beslissing van
                    burgemeester en wethouders.</al><al>Ten derde bij aanvragen voor vergunning tot sloop van een beschermd gemeentelijk
                    monument. De bouwhistorische waarde, die door sloop onherroepelijk aangetast
                    wordt, heeft invloed op de uiteindelijke beslissing van burgemeester en
                    wethouders om al dan niet een sloopvergunning te verstrekken voor een
                    gemeentelijk monument of onderdeel, behorend bij een gemeentelijk monument en
                    opgenomen in de redengevende omschrijving van het desbetreffende gemeentelijk
                    monument.</al><al/><al><vet>Lid 4</vet></al><al>Dit lid was ondanks het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat
                    belanghebbenden zienswijzen naar voren kunnen brengen (artikel 4:8)
                    oorspronkelijk slechts ingevoerd voor kerken vanwege de bijzondere positie die
                    kerken innemen in het cultuurhistorisch erfgoed. Uiteindelijk hebben wij
                    besloten om nadrukkelijk op te nemen dat met iedere eigenaar vooraf overleg
                    wordt gevoerd.</al><al/><al><vet>Lid 5</vet></al><al>Monumenten die op een rijkslijst of een provinciale lijst staan, komen niet voor
                    aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking. In Noord-Brabant bestaat
                    (nog) geen provinciale monumentenlijst respectievelijk Provinciale
                    Monumentenverordening.</al><al/><al><vet>Artikel 4</vet></al><al>In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de Monumentencommissie
                    moet adviseren (lid 1) en burgemeester en wethouders een beslissing moeten nemen
                    (lid 2). Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit,
                    omdat de Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><al/><al><vet>Artikel 5</vet></al><al>De mededeling van burgemeester en wethouders is voor de eigenaar en de
                    anderszins zakelijk gerechtigden van essentieel belang. Het is dan ook zaak dat
                    de mededeling door de geadresseerde wordt ontvangen. In de regel zal de
                    mededeling bij aangetekend schrijven uitgaan. In latere instantie kan hij zich
                    er dan niet op beroepen van niets te weten.</al><al>Dit artikel regelt niet dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en
                    de aanvrager, omdat de Awb zulks bepaalt (afdeling 3.6). Is artikel 4:8
                    toegepast (het horen van geadresseerde en van derde belanghebbenden) en is van
                    de daar geboden mogelijkheid gebruikgemaakt, dan dienen de betrokkenen op grond
                    van het bepaalde in artikel 3:43 Awb een mededeling te ontvangen.</al><al/><al><vet>Artikel 6</vet></al><al>Door aanwijzing als gemeentelijk monument is het gehele pand, inclusief het
                    interieur, onder de werking van de verordening geplaatst. Andere zaken die zich
                    op het (kadastraal) perceel van het beschermde monument bevinden, zoals
                    bijgebouwen, tuininrichting en bomen moeten expliciet worden beschreven, willen
                    zij onder de werking van de verordening vallen.</al><al>Voor elke wijziging van het beschermde monument is dus een vergunning nodig.
                    Voor de duidelijkheid, bijvoorbeeld in verband met kadastrale vernummering, kan
                    ook een plattegrond worden aangehecht.</al><al>Is slechts een onderdeel van een onroerende zaak beschermenswaardig dan kan een
                    "bescherming vanwege" plaatshebben. In de omschrijving (het registerblad) dient
                    dat onderdeel beschreven te zijn. Bij een onderdeel "vanwege" kan gedacht worden
                    aan een winkelpui, een deel van een gebouw, bijvoorbeeld een woonhuis van een
                    boerderij zonder de stal.</al><al/><al><vet>Artikel 7</vet></al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke beschermde
                    monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure
                    (advies van Monumentencommissie) als voor de aanwijzing (lid 2), tenzij de
                    wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de aanwijzing
                    worden aangetekend op de gemeentelijke monumentenlijst (lid 4).</al><al/><al><vet>Artikel 8</vet></al><al>Via dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke beschermde
                    monumenten in te trekken (lid 1). Ook hiervoor geldt dat het advies van de
                    Monumentencommissie nodig is, tenzij het gaat om spoedeisende gevallen (lid 2).
                    Monumenten op de gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is
                    ingetrokken (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan),
                    worden door burgemeester en wethouders van de monumentenlijst gehaald. Lid 3
                    regelt dat monumenten, die na aanwijzing als beschermd gemeentelijk monument
                    worden geregistreerd als beschermd rijksmonument, vanaf dat tijdstip geacht
                    worden niet meer te zijn aangewezen.</al><al>Voor de situatie waarin een provinciale monumentenlijst bestaat, en dat is in
                    Noord-Brabant (nog) niet het geval, is een vergelijkbare regeling opgenomen. Het
                    kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot intrekking van de
                    aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te eisen.</al><al>Enerzijds kan deze voor een goede afweging van de aanvraag dienen, anderzijds
                    wordt het gebouw voorafgaand aan de sloop voor de lokale geschiedenis
                    gedocumenteerd.</al><al/><al><vet>Artikel 9</vet></al><al>De opbouw en inhoud van dit artikel vertoont gelijkenis met artikel 11 van de
                    Monumentenwet 1988. De verordening legt de vergunningverlening ten aanzien van
                    rijksmonumenten op basis van de Monumentenwet 1988 in handen van burgemeester en
                    wethouders. De Monumentenwet 1988 regelt de vergunningverlening voor de
                    wijziging van rijksmonumenten door burgemeester en wethouders in de artikelen 11
                    tot en met 21 van de Monumentenwet 1988 juncto artikel 14 van de
                    "Monumentenverordening Best 2004". In dit artikel gaat het derhalve alleen over
                    beschermde gemeentelijke monumenten.</al><al>Indien tijdens een archeologisch onderzoek, een opgraving of ingeval van
                    grondverzet vondsten worden gedaan, waarvan mag worden aangenomen dat deze
                    cultuurhistorische waarde hebben en waarvan de waarde nog niet is vastgesteld,
                    mogen deze niet zonder vergunning worden vervreemd (verkocht).</al><al/><al><vet>Artikel 10</vet></al><al>Het artikel dat de vergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten betreft, is
                    zeer kort gehouden omdat het verlangen van gegevens en ontbrekende gegevens is
                    geregeld in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In een
                    aanvraagformulier voor de vergunning kan de gemeente aangeven welke gegevens
                    zijn vereist. Voor wat de eventueel benodigde gegevens voor bouwhistorisch
                    onderzoek betreft, wordt verwezen naar de toelichting van artikel 3, lid 3.
                    Tevens dient na ontvangst van de aanvraag deze zo mogelijk te worden getoetst op
                    de wenselijkheid van een bouwhistorisch onderzoek (artikel 11, lid 3). Indien
                    dat niet mogelijk is kan dat in een later stadium alsnog gevraagd worden,
                    bijvoorbeeld als de Monumentencommissie nadere gegevens vraagt.</al><al/><al><vet>Artikel 11</vet></al><al>Als burgemeester en wethouders de aanvraag in behandeling nemen, moet door hen
                    op grond van de verordening advies gevraagd worden aan de Monumentencommissie.
                    Nadat dit advies aan burgemeester en wethouders is uitgebracht, moeten zij ermee
                    rekening houden dat artikel 4:7 of artikel 4:8 Awb van toepassing kan zijn. Over
                    het voornemen de beschikking af te geven, dan wel geheel of gedeeltelijk af te
                    wijzen moeten de aanvrager en de belanghebbenden worden gehoord.</al><al>Deze kunnen naar keuze hun zienswijzen schriftelijk of mondeling naar voren
                    brengen op grond van artikel 4:9 Awb. De zienswijzen worden direct met de
                    adviesvraag aan de Monumentencommissie gezonden.</al><al>Met betrekking tot de termijn van terinzagelegging van de vergunningaanvraag
                    voor gemeentelijke monumenten (art. 11, lid 1) wordt een termijn aangehouden van
                    2 weken in plaats van de in artikel 3:11 van de Algemene wet bestuursrecht
                    genoemde termijn van 4 weken. Het niet volgen van de termijn van 4 weken in de
                    openbare voorbereidingsprocedure is mogelijk, mits dit door het desbetreffende
                    bestuursorgaan in specifieke regelgeving, zoals in de gemeentelijke
                    monumentenverordening, wordt opgenomen. Het afwijken van de gebruikelijke
                    termijn van 4 weken wordt gedaan, daar in artikel 12 van de Monumentenwet
                    eveneens een termijn van 2 weken is opgenomen voor de terinzagelegging van de
                    vergunningaanvraag voor rijksmonumenten. </al><al>Nota bene: Op 18 februari 2004 is een wetsvoorstel over de uniforme openbare
                    voorbereidingsprocedure Awb bij de Kamer ingediend. Deze Aanpassingswet u.o.v.,
                    zoals het stuk gemakshalve wordt genoemd, is bedoeld om alle daarvoor in
                    aanmerking komende wetten aan te passen aan een nieuwe afdeling 3:4 van de Awb.
                    Voor de Monumentenwet 1988 en de gemeentelijke monumentenverordening betekent
                    dit dat de vergunningprocedure gewijzigd wordt. Aan de werkzaamheden zelf
                    verandert er niets, maar wel aan de termijnen waarbinnen deze verricht moeten
                    worden. Na de wetswijziging dienen burgemeester en wethouders in plaats van de
                    aanvraag, een ontwerpbesluit ter inzage te leggen. Als gevolg van de
                    Aanpassingswet u.o.v. moeten zienswijzen binnen 6 weken worden ingediend op het
                    ontwerpbesluit, en niet meer op de aanvraag om vergunning. Het ontwerpbesluit
                    kan echter pas ter inzage worden gelegd na ontvangst van de adviezen van de
                    gemeentelijke Monumentencommissie en eventueel andere adviesorganen.</al><al>De Monumentencommissie adviseert burgemeester en wethouders binnen 8 weken na de
                    adviesaanvraag (lid 2). Vervolgens, dus na ontvangst van het advies, beslissen
                    burgemeester en wethouders binnen acht weken (lid 5).</al><al>De redactie van lid 4 heeft tot gevolg dat, wanneer de Monumentencommissie niet
                    tijdig adviseert, burgemeester en wethouders de volgende keuze kunnen maken:
                    zonder advies een beslissing nemen of besluiten om een eventueel te laat
                    uitgebrachte advies toch in hun overwegingen betrekken.</al><al>De totale termijn kan met maximaal 10 weken worden verlengd, mits de aanvrager
                    tijdig van het uitstel op de hoogte wordt gesteld (lid 6). Uitstel kan
                    noodzakelijk zijn indien een bouwhistorisch onderzoek nog moet worden verricht
                    als de aanvraag al is ingediend. </al><al>De totale termijn van 26 weken spoort niet met die voor de bouwvergunning. In
                    artikel 46 van de Woningwet wordt voor licht vergunningplichtige bouwwerken een
                    termijn van maximaal 6 weken voorgeschreven. Voor een reguliere bouwvergunning
                    wordt een termijn van maximaal 18 weken voorgeschreven en als een reguliere
                    bouwvergunning gefaseerd wordt verleend dan geldt er een termijn van 24 weken.
                    Om niet gedurende de lopende monumentenprocedure de bouwvergunning te moeten
                    weigeren (conform de weigeringsgrond van artikel 44 sub e van de Woningwet)
                    wordt geadviseerd om in overleg met de aanvrager van de monumenten- en
                    bouwvergunning de aanvraag voor de bouwvergunning pas later in te dienen dan wel
                    later in procedure te nemen. In de Woningwet is namelijk alleen een
                    aanhoudingsregeling voor vergunningen van rijksmonumenten op genomen (artikel 54
                    van de Woningwet). </al><al>Als burgemeester en wethouders niet tijdig beslissen, wordt de vergunning geacht
                    te zijn geweigerd (lid 7). Deze formulering geeft duidelijkheid naar de
                    aanvrager. Uiteraard is de intentie van het gemeentebestuur om tijdig te
                    beslissen. Bij niet cultuurhistorische waarden die op grond van het wettelijk
                    kader vergunningplichtig zijn, is het niet onredelijk dat is geregeld dat ten
                    gevolge van (te) lange procedures de aanvrager er vanuit mag gaan dat de
                    vergunning bij de genoemde termijnoverschrijding wordt geacht te zijn verleend.
                    Daarentegen hebben termijnoverschrijdingen bij de in deze verordening bedoelde
                    beschermde waarden vaak als oorzaak een te grote verdeeldheid omtrent de
                    vergunningverlening. Dientengevolge mag een vergunningaanvrager er bij de in
                    deze verordening bedoelde beschermde cultuurhistorische waarden vanuit gaan dat
                    de vergunning bij de genoemde termijnoverschrijding is geweigerd. Nadere
                    voorwaarden aan een vergunning zouden betrekking kunnen hebben op:</al><al>eisen ten aanzien van de uitvoering van gevelherstel, dan wel </al><al>nadere eisen ten aanzien van detailleringen van kozijn en/of raamhout, inpassing
                    van dubbelglas, kapconstructie e.d.</al><al>In de verordening is gekozen om conform het rijksbeleid de gemeentelijke
                    Monumentencommissie als deskundige aan te wijzen voor aspecten rond de
                    archeologie en de komende wijziging van de Monumentenwet 1988 als gevolg van de
                    implementatie van het Verdrag van Malta.</al><al/><al><vet>Artikel 12</vet></al><al>Zijn er geen wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het geding, dan
                    is overeenstemming niet vereist. Zie de toelichting op artikel 1 sub l.</al><al/><al><vet>Artikel 13</vet></al><al>Lid 1</al><al>Dit lid bevat de mogelijke intrekkingsgronden. De bepaling onder c heeft de
                    volgende achtergrond: als de omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien
                    van het monument wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een nieuwe
                    belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument behoren
                    voor te gaan. In dat geval moet de vergunningverlener (burgemeester en
                    wethouders) de mogelijkheden hebben om de vergunning in te trekken.</al><al>Lid 2</al><al>Gelet op de taak van de Monumentencommissie ligt het voor de hand dat een
                    afschrift van de intrekking aan die commissie wordt gezonden. </al><al>Er kunnen zich omstandigheden voordoen waarin het aanbeveling verdient om de
                    Monumentencommissie om advies te vragen. De commissie kan evenwel ook ongevraagd
                    adviseren. De in kennisstelling van de vergunninghouder en het met redenen
                    omkleed moeten zijn van het besluit zijn weggelaten, omdat artikel 3:41 Awb dit
                    regelt.</al><al/><al><vet>Artikel 14</vet></al><al>Lid 1</al><al>Dit artikel vloeit voort uit artikel 15 lid 1 van de Monumentenwet 1988. De
                    procedure voor de afgifte door burgemeester en wethouders van de vergunning voor
                    beschermde rijksmonumenten staat in artikel 11 tot en met 21 van de
                    Monumentenwet 1988.</al><al>Leden 2 en 3</al><al>De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de gemeenteraad een verordening
                    vaststelt waarin tenminste de inschakeling wordt geregeld van een
                    Monumentencommissie die adviseert bij de aanvragen om vergunning voor beschermde
                    rijksmonumenten.</al><al>Om te voorkomen dat dit wettelijke vereiste door het ontbreken van het advies
                    van deze commissie tot moeilijkheden leidt bij de afgifte van de vergunning, is
                    in lid 3 bepaald dat de Monumentencommissie geacht wordt te hebben geadviseerd
                    na het verstrijken van de in lid 2 gestelde adviestermijn. De wet regelt
                    uitsluitend dat een commissie op het gebied van de monumentenzorg wordt
                    ingeschakeld. Als in de samenstelling en de deskundigheid van de
                    Monumentencommissie in voldoende mate wordt voorzien, is aan dit wettelijk
                    criterium voldaan.</al><al/><al><vet>Artikel 15</vet></al><al>Op grond van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders beschermde stads- of
                    dorpsgezichten aanwijzen. Een aanwijzingsbesluit dient ter visie te worden
                    gelegd om de eigenaren en andere belanghebbenden in de gelegenheid te stellen
                    hun zienswijzen kenbaar te maken. Deze zienswijzen met het concept
                    aanwijzingsbesluit en omschrijving van het gebied dienen om advies aan de
                    Monumentencommissie te worden gezonden, die binnen een voorgeschreven termijn
                    adviseert. Het ligt in de rede een ontwerp aanwijzingsbesluit ook desgewenst te
                    bespreken met eigenaren en belanghebbenden in het betreffende gebied.</al><al/><al><vet>Artikel 16</vet></al><al>Dit artikel regelt de termijn waarbinnen de Monumentencommissie dient te
                    adviseren en burgemeester en wethouders over een aanwijzing dienen te
                    besluiten.</al><al/><al><vet>Artikel 17</vet></al><al>Vanwege het feit dat een aanwijzing van een gebied slechts strekt tot een verbod
                    is het noodzakelijk aan te geven welke de ontwikkelingsmogelijkheden in het
                    gebied zijn.</al><al>Het geëigende middel daartoe is de opstelling van een bestemmingsplan, dat
                    uitgaat van de bescherming van de beschreven cultuurhistorische waarden.</al><al/><al><vet>Artikel 18</vet></al><al>Door de aanwijzing valt het gehele gebied onder de werking van de verordening
                    voor wat betreft het opstellen van een beschermend bestemmingsplan en het verbod
                    tot sloop van panden. De zaken die van cruciaal belang zijn in het gebied en
                    beslist niet mogen worden gesloopt en niet beschermd zijn middels de
                    Monumentenwet 1988 dan wel de provinciale of gemeentelijke
                    monumentenverordening, dienen beschreven te zijn.</al><al>Voor elke wijziging van het beschermde gebied - ook de sloop van panden - is dus
                    een vergunning op grond van de "Monumentenverordening Best 2004" nodig.</al><al/><al><vet>Artikel 19</vet></al><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al/><al><vet>Artikel 20</vet></al><al>Dit artikel is het verbodsmiddel om te voorkomen dat zonder nadrukkelijke
                    afweging van alle belangen een vergunning wordt afgegeven.</al><al>Dit betekent dat in een beschermd dorpsgezicht altijd een vergunning krachtens
                    de "Monumentenverordening Best 2004" noodzakelijk is. Er kunnen geen
                    vergunningsvrije en meldingsplichtige werkzaamheden meer worden uitgevoerd en
                    een sloopvergunning kan worden geweigerd.</al><al/><al><vet>Artikel 21 – 29</vet></al><al>Binnenkort is nadere wetgeving te verwachten in verband met de implementatie van
                    het "Verdrag van Malta". Dit kan mogelijk leiden tot aanpassingen van deze
                    verordening.</al><al/><al><vet>Artikel 24 en 29</vet></al><al>Omdat de Monumentencommissie als adviseur is aangewezen op het gebied van de
                    archeologie is het van belang om tijdig informatie te betrekken bij
                    planontwikkeling waar de belangen van het bodemarchief aan de orde zijn. In de
                    adviesprocedure mag de Monumentencommissie ook geen remmende factor zijn,
                    vandaar de strikte adviestermijn.</al><al/><al><vet>Artikel 30 t/m 33</vet></al><al>Naar analogie van de aanwijzing en registratie van panden en objecten op de
                    gemeentelijke monumentenlijst kunnen er op de lijst van beeldbepalende objecten
                    "zaken" worden geregistreerd volgens een zorgvuldige procedure.</al><al>Nadrukkelijk is gekozen om van <vet>beeldbepalende objecten</vet> te spreken,
                    die van algemeen belang zijn en aan de openbare weg zijn gelegen. Het object
                    dient qua schoonheid en vanwege het stedenbouwkundig-, architectonisch- en/of
                    landschappelijk beeld van algemeen belang te zijn<cursief>.</cursief></al><al>Vanwege het feit dat deze objecten onvoldoende schoonheid, betekenis voor de
                    wetenschap of cultuurhistorische waarden bezitten, zijn deze niet van algemeen
                    belang om overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument te worden
                    aangewezen. In de "Monumentenverordening Best 2004" is gekozen om de
                    Monumentencommissie als deskundige aan te wijzen waar het gaat om aanwijzing en
                    afbraak van gemeentelijke monumenten en beeldbepalende zaken. De
                    Monumentencommissie adviseert bij aanvragen om het wijzigen van rijks- en
                    gemeentelijke monumenten en beeldbepalende objecten.</al><al/><al><vet>Artikel 34</vet></al><al>Een schadevergoedingsartikel is niet verplicht. De afdeling rechtspraak van de
                    Raad van State heeft uitgemaakt dat een monumentenverordening zonder een
                    schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR 86.604). Een alternatief voor een
                    schadevergoedingsregeling is de civielrechtelijke jurisprudentie over
                    schadevergoeding bij rechtmatige overheidsdaad (Boek 6, artikel 126 BW). Het
                    aanwijzen, wijzigen of intrekken van de aanwijzing als gemeentelijk monument is
                    uit het schadevergoedingsartikel weggelaten. Dit heeft als reden dat eventuele
                    schade pas optreedt als voor bepaalde activiteiten geen of niet de gewenste
                    vergunning is verleend.</al><al/><al><vet>Artikel 35</vet></al><al>Artikel 154 lid 1 van de Gemeentewet laat aan de gemeentelijke wetgever de
                    keuzemogelijkheid om op overtreding van verordeningen een geldboete te stellen
                    van de tweede of de eerste categorie. In artikel 23 van het Wetboek van
                    Strafrecht zijn de geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor
                    strafbare feiten in de eerste categorie is maximaal € 225,00 (april 2004) en in
                    de tweede categorie maximaal € 2.250,00 (april 2004). Het is de gemeente niet
                    toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde categorieën.</al><al>In de Monumentenwet 1988 is handelen in strijd met artikel 11 (het verbod om een
                    beschermd monument zonder vergunning te wijzigen of af te breken) gekoppeld aan
                    een geldboete van de vijfde categorie, te weten € 45.000,00 (april 2004).</al><al>Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijp, de hoogte van de
                    strafmaat voor beschermde rijksmonumenten en de wens om enige preventieve
                    werking te bereiken, de keuze voor de geldboete van de tweede categorie voor de
                    hand liggend.</al><al/><al><vet>Artikel 36</vet></al><al>In hoofdstuk 5 van de Awb is in afdeling 5.2 een aparte regeling opgenomen over
                    het toezicht op de na-leving. De bevoegdheden die de toezichthouders hebben in
                    het kader van de uitoefening van hun taken (inzage van gegevens en bescheiden,
                    vorderen van inlichtingen, betreden van plaatsen anders dan woningen) zijn in
                    die afdeling opgenomen.</al><al>Het ligt voor de hand dat de handhaving van de verordening in hoofdzaak op
                    publiekrechtelijke wijze (bestuursdwang, dwangsom) plaatsvindt en de
                    strafrechtelijke vervolging als ultimum remedium geldt.</al><al/><al><vet>Artikel 37</vet></al><al>De bescherming van het huisrecht is in artikel 12 van de Grondwet geregeld. Voor
                    een inbreuk op dit grondwettelijk recht (het betreden van een woning tegen de
                    wil van de bewoner) is een grondslag nodig in een wet in formele zin. De
                    grondslag voor dit artikel in de onderhavige verordening wordt gevonden in
                    artikel 149a van de Gemeentewet en artikel 56 van de Monumentenwet 1988.</al><al>De op grond van de "Algemene wet op het binnentreden" vereiste machtiging wordt
                    afgegeven door het Openbaar Ministerie in het kader van de strafvordering.
                    Indien het binnentreden in een ander doel is gelegen dan in het kader van
                    strafverordening wordt de machtiging afgegeven door de burgemeester,
                    bijvoorbeeld voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van de
                    verordening door de daartoe aangewezen toezichthouders.</al><al>Voor het binnentreden van woningen tegen de wil van de bewoner in het kader van
                    de uitoefening van bestuursdwang is een aparte regeling opgenomen in artikel
                    5:27 van de Awb. De machtiging wordt in dat geval afgegeven door hetzelfde
                    bestuursorgaan dat de bestuursdwang toepast. Bij de onderhavige verordening is
                    dat het college van burgemeester en wethouders. De bevoegdheid tot het afgeven
                    van machtigingen kan niet worden gemandateerd.</al><al/><al><vet>Artikel 38</vet></al><al>Lid 1 is gebaseerd op artikel 139 van de Gemeentewet. Hierin wordt de
                    bekendmaking van verordeningen geregeld.</al><al>De datum van inwerkingtreding van de "Monumentenverordening Best 2004" is
                    allereerst geregeld voor gemeentelijke monumenten, gemeentelijke beschermde
                    stads- of dorpsgezichten, gemeentelijke archeologische monumenten en
                    archeologische meldingsgebieden (lid 1) en daarna voor beschermde
                    rijksmonumenten (lid 3). </al><al>Tenslotte is in lid 5 geregeld dat aanvragen om vergunning voor gemeentelijke
                    monumenten, die zijn ingediend vóór het van kracht worden van de
                    "Monumentenverordening Best 2004", worden afgehandeld op grond van deze nieuwe
                    verordening. </al><al/><al><vet>Artikel 39</vet></al><al>Dit artikel noemt de naam van de verordening.</al><al/><al>Best, 19 juli 2004</al><al>de gemeenteraad</al><al>de griffier de voorzitter</al><al>M.J.H.J. Baijens mevr. A.M. Demmers-van der Geest</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>