<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR24110_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening op de ambtelijke bijstand en de fractieondersteuning 2007</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zwartewaterland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zwartewaterland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening ambtelijke bijstand raad</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-06-28</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2007-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2011-10-19</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule> Verordening op de ambtelijke bijstand en de fractieondersteuning
            2007</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><paragraaf><kop><titel><onderstreept>Paragraaf 1: Ambtelijke bijstand</onderstreept></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 1</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een raadslid of commissielid wendt zich tot de griffier of een
                                    ambtenaar met een verzoek om:</al></li><li nr="a."><al>feitelijke informatie van geringe omvang;</al></li><li nr="b."><al>inzage in of afschrift van documenten die openbaar zijn.</al></li><li nr="2."><al>Indien een ambtenaar twijfelt of het verzoek betrekking heeft op
                                    informatie als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b,
                                    stelt hij de secretaris daarvan in kennis. De secretaris
                                    beslist.</al></li><li nr="3."><al>Een raadslid wendt zich tot de griffier met een verzoek om
                                    bijstand bij het opstellen van voorstellen, amendementen en
                                    moties of andere bijstand.</al></li><li nr="4."><al>De bijstand, bedoeld in het derde lid wordt verleend door de
                                    griffier of een medewerker van de griffie. Indien de gevraagde
                                    bijstand niet door de griffier of een medewerker van de griffie
                                    kan worden verleend kan de griffier de secretaris verzoeken, één
                                    of meer ambtenaren aan te wijzen, die de gevraagde bijstand zo
                                    spoedig mogelijk verlenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 2</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Een ambtenaar verleent op verzoek van de griffier of de
                                    secretaris ambtelijke bijstand tenzij:</al></li><li nr="a."><al>het raadslid niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bijstand
                                    betrekking heeft op de werkzaamheden van de raad;</al></li><li nr="b."><al>dit het belang van de gemeente kan schaden;</al></li><li nr="2."><al>De secretaris beoordeelt of ambtelijke bijstand op grond van het
                                    eerste lid geweigerd wordt.</al></li><li nr="3."><al>Indien de bijstand op grond van het eerste lid wordt geweigerd,
                                    deelt de secretaris dit met redenen omkleed mee aan de griffier
                                    en aan het raadslid dat het verzoek heeft ingediend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 3</titel></kop><al>Indien het verzoek om bijstand van een ambtenaar door de secretaris
                            wordt geweigerd kan de griffier of het betrokken raadslid het verzoek
                            voorleggen aan de burgemeester. De burgemeester beslist zo spoedig
                            mogelijk over het verzoek.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 4</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een raadslid niet tevreden is over door een ambtenaar
                                    verleende bijstand, doet hij of de griffier hiervan mededeling
                                    aan de secretaris.</al></li><li nr="2."><al>Indien overleg met de secretaris niet leidt tot een voor beide
                                    partijen bevredigende oplossing, leggen zij de zaak voor aan de
                                    burgemeester. De burgemeester beslist zo spoedig mogelijk over
                                    de zaak.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 5</titel></kop><al>De secretaris houdt een register bij van de verleende ambtelijke
                            bijstand als bedoeld in artikel 1, lid 3 , waarin per verzoek om
                            bijstand aan de reguliere ambtelijke organisatie wordt opgenomen:</al><lijst><li nr="a."><al>welk raadslid om bijstand heeft verzocht;</al></li><li nr="b."><al>over welk onderwerp om bijstand is verzocht;</al></li><li nr="c."><al>welke ambtenaar bijstand heeft verleend;</al></li><li nr="d."><al>hoeveel tijd het verlenen van de bijstand heeft gekost;</al></li><li nr="e."><al>de reden waarom een verzoek is geweigerd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 6</titel></kop><al>De secretaris verstrekt de desbetreffende portefeuillehouder in het
                            college desgewenst een afschrift van het verzoek uit het register.</al></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 7</titel></kop><al>Indien het college of leden van het college informatie wensen over een
                            verzoek om ambtelijke bijstand of de inhoud van het gegeven advies,
                            wenden zij zich daartoe rechtstreeks tot het betrokken raadslid.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><onderstreept>Paragraaf 2:
                            Fractieondersteuning</onderstreept></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 8</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De fracties, zoals bedoeld in artikel 5 van het Reglement van
                                    orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de
                                    gemeenteraad, ontvangen jaarlijks een financiële bijdrage als
                                    tegemoetkoming in de kosten voor het functioneren van de
                                    fractie.</al></li><li nr="2."><al>Deze bijdrage bestaat uit een vast deel van € 1.000,- voor elke
                                    fractie. Daarnaast ontvangt elke fractie een bedrag van € 100,-
                                    per raadszetel.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 9</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Fracties besteden de bijdrage om hun volksvertegenwoordigende,
                                    kaderstellende en controlerende rol te versterken.</al></li><li nr="2."><al>De bijdrage mag niet gebruikt worden ter bekostiging van:</al></li><li nr="a."><al>uitgaven die in strijd zijn met wettelijke bepalingen en overige
                                    regelingen;</al></li><li nr="b."><al>betalingen aan politieke partijen, met politieke partijen
                                    verbonden instellingen of natuurlijke personen anders dan ter
                                    vergoeding van prestaties (diensten of goederen) geleverd ten
                                    behoeve van de fractie op basis van een gespecificeerde, reële
                                    declaratie;</al></li><li nr="c."><al>giften;</al></li><li nr="d."><al>uitgaven welke dienen bestreden te worden uit vergoedingen die
                                    de leden ingevolge het rechtspositiebesluit raads- en
                                    commissieleden toekomen;</al></li><li nr="e."><al>opleidingen voor raads- en commissieleden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 10</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bijdrage voor fractieondersteuning wordt, voor 31 januari van
                                    een kalenderjaar, als voorschot op dat kalenderjaar
                                    verstrekt.</al></li><li nr="2."><al>In een jaar waarin verkiezingen plaatsvinden wordt het voorschot
                                    verstrekt voor de maanden tot en met de maand waarin de
                                    verkiezingen plaatsvinden. In de eerste maand na de maand waarin
                                    de eerste vergadering van de nieuw gekozen raad plaatsvindt
                                    wordt het voorschot verstrekt voor de overige maanden van dat
                                    jaar.</al></li><li nr="3."><al>Het voorschot wordt verrekend met teveel ontvangen voorschotten
                                    in jaren waarvoor de raad de bedragen heeft vastgesteld als
                                    bedoeld in artikel 13, tweede lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 11</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien het zeteltal van een fractie ten gevolge van verkiezingen
                                    verandert, wijzigt de bijdrage</al></li><li nr="a."><al>bij vermindering van het zeteltal: op de eerste dag van de maand
                                    na de maand waarin de eerste vergadering van de nieuw gekozen
                                    raad plaatsvindt.</al></li><li nr="b."><al>bij vermeerdering van het zeteltal: op de eerste dag van de
                                    maand waarin de eerste vergadering van de nieuw gekozen raad
                                    plaatsvindt.</al></li><li nr="2."><al>Bij splitsing van een fractie wordt de op grond van artikel 8,
                                    tweede lid, vastgestelde bijdrage voor de oorspronkelijke
                                    fractie verdeeld over de betrokken fracties naar evenredigheid
                                    van het aantal bij de splitsing betrokken leden.</al></li><li nr="3."><al>Bij splitsing van een fractie wordt het aan de oorspronkelijke
                                    fractie verstrekte voorschot verrekend overeenkomstig de
                                    verdeling die volgt uit het tweede lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 12</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De raad reserveert het in enig jaar niet gebruikte gedeelte van
                                    de bijdrage toekomend aan een fractie ter besteding door die
                                    fractie in volgende jaren.</al></li><li nr="2."><al>De reserve is niet groter dan 30% van de bijdrage die de fractie
                                    in het voorgaande kalenderjaar toekwam ingevolge artikel 8.</al></li><li nr="3."><al>Het beroep in enig jaar op de opgebouwde reserve, komt tot
                                    uitdrukking in de afrekening als bedoeld in artikel 13 over dat
                                    jaar. Bevoorschotting vindt desgevraagd plaats.</al></li><li nr="4."><al>De reserve blijft na verkiezingen beschikbaar voor de fractie
                                    die onder dezelfde naam terugkeert, dan wel voor de fractie die
                                    naar het oordeel van de raad als rechtsopvolger daarvan kan
                                    worden beschouwd.</al></li><li nr="5."><al>Als bij zetelverlies de reserve voor een fractie hoger zou
                                    worden dan aangegeven in het tweede lid, vervalt het recht op
                                    dat meerdere.</al></li><li nr="6."><al>Bij splitsing van een fractie, wordt de reserve verdeeld over de
                                    betrokken fracties naar evenredigheid van het aantal bij de
                                    splitsing betrokken leden, voor zover deze reserve niet meer
                                    bedraagt dan 30% van de bijdrage die de oorspronkelijke fractie
                                    in het voorgaande kalenderjaar ontving.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><titel>Artikel 13</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Elke fractie legt, binnen drie maanden na het einde van een
                                    kalenderjaar, aan de raad verantwoording af over de besteding
                                    van de bijdrage voor fractieondersteuning onder overlegging van
                                    een verslag.</al></li><li nr="2."><al>De raad stelt na ontvangst van de verslagen de bedragen vast
                                    van:</al></li><li nr="a."><al>de uitgaven van een fractie die in het vorige kalenderjaar uit
                                    de bijdrage bekostigd zijn;</al></li><li nr="b."><al>de wijziging van de reserve;</al></li><li nr="c."><al>de resterende reserve;</al></li><li nr="d."><al>de verrekening tussen de in onderdeel a. genoemde uitgaven en
                                    het ontvangen voorschot en, voor zover nodig, de hoogte van de
                                    terugvordering van ontvangen voorschotten.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><titel><onderstreept>Paragraaf 3 Overgangs- en
                            slotbepalingen</onderstreept></titel></kop><artikel><kop><titel>Artikel 14</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de dag na de datum van
                                    bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2007.</al></li><li nr="2."><al>De Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning 2003,
                                    vastgesteld op 19 september 2002 wordt ingetrokken.</al></li><li nr="3."><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                    verordening een verzoek om ambtelijke bijstand als bedoeld in
                                    artikel 1, lid 1 of 3 is ingediend en voor het tijdstip van
                                    inwerkingtreding van deze verordening nog niet is afgehandeld,
                                    wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige
                                    verordening toegepast.</al></li><li nr="4."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Verordening op de
                                    ambtelijke bijstand en de fractieondersteuning 2007.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente
                        Zwartewaterland van 28 juni 2007.</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>A.J. Kastelein – Renkema A.C. Hofland</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Toelichting</vet></al><al>Algemeen</al><al>Deze verordening geeft uitvoering aan artikel 33 van de Gemeentewet. Dit artikel
                    legt expliciet vast dat de raad en individuele raadsleden een recht op
                    ambtelijke bijstand hebben. Voor politieke groeperingen bestaat daarnaast een
                    recht op fractieondersteuning. De uitwerking van deze rechten moet bij
                    verordening worden geregeld. </al><al>Het meest opvallend is de centrale rol van de griffier. Dit instituut, dat bij
                    uitstek bedoeld is voor het verlenen van hulp aan raadsleden, is het eerste
                    aanspreekpunt als het gaat om ambtelijke bijstand. De griffier vervult ook de
                    rol van schakel tussen de raadsleden en de reguliere ambtelijke
                    organisatie.</al><al>De burgemeester vervult ook een rol in het proces. Indien er een
                    conflictsituatie ontstaat of dreigt te ontstaan, zal de burgemeester een
                    bemiddelende en uiteindelijk beslissende rol kunnen spelen. De positie van de
                    burgemeester maakt hem bij uitstek geschikt voor deze taak als bruggenbouwer en
                    als degene die uiteindelijk het laatste woord heeft. De Staatscommissie dualisme
                    en lokale democratie had ook al geadviseerd tot een dergelijke rol van de
                    burgemeester.</al><al>Gezien de dualistische verhoudingen ligt het voor de hand dat er ook op het punt
                    van de ambtelijke bijstand duidelijkere scheidslijnen worden getrokken tussen
                    werkzaamheden voor de raad en voor het college. De ambtenaar mag niet onder druk
                    komen te staan doordat hij werkzaamheden voor de raad verricht. Daarom zal een
                    collegelid dat informatie wenst over het verzoek om ambtelijke bijstand, zich
                    moeten wenden tot het betrokken raadslid en niet tot de behandelend
                    ambtenaar.</al><al>De verordening behandelt gedetailleerd de ambtelijke bijstand. Aangezien het de
                    verhouding betreft tussen de raadsleden en de reguliere ambtelijke organisatie,
                    is behoefte aan duidelijke regels. Deze ambtenaren werken doorgaans namelijk
                    voor het college. Artikel 103 van de Gemeentewet laat dit scherp zien. Voor de
                    invoering van de Wet dualisering gemeentebestuur bepaalde dit artikel dat de
                    secretaris (en daarmee de onder hem ressorterende ambtelijke organisatie) de
                    raad en het college terzijde stond. In dualistische verhoudingen staat de
                    secretaris het college terzijde en wordt de raad bijgestaan door de
                    griffier.</al><al>Dat de raad nu beschikt over een griffier met griffie betekent niet dat er geen
                    behoefte meer zou zijn aan ambtelijke bijstand door de reguliere ambtelijke
                    organisatie. De griffie zal, in vergelijking met de reguliere organisatie
                    beperkt in omvang zijn. Voor specialistische hulp op het gebied van het maken
                    van amendementen, moties en regelingen zal een beroep op deze organisatie dan
                    ook nodig blijven. Dit geldt ook voor specifieke informatie die alleen bij de
                    reguliere ambtelijke organisatie beschikbaar is. De wetgever heeft dat onderkend
                    en het recht op deze vorm van ambtelijke ondersteuning expliciet vastgelegd.
                    Deze verordening vormt de uitwerking van dit recht.</al><al>De formulering van artikel 33 van de Gemeentewet laat buiten twijfel dat
                    individuele raadsleden, dus ook die behorend tot een minderheid in de raad,
                    recht hebben op ambtelijke bijstand. Op deze verordening kan dus door alle
                    raadsleden een beroep worden gedaan.</al><al>In de verordening is geen bepaling opgenomen voor die gevallen waarin de tot het
                    verlenen van hulp aangewezen ambtenaar op grond van gewetensbezwaren daartoe
                    niet bereid is. In een dergelijk geval is er sprake van een rechtspositioneel
                    probleem dat binnen de ambtelijke organisatie tot een oplossing dient te worden
                    gebracht.</al><al> Artikelgewijze toelichting</al><al>Artikel 1</al><al>De verordening is niet bedoeld om formele barrières op te werpen die het
                    verlenen van bijstand aan raadsleden juist bemoeilijkt. Indien het gaat om het
                    verzoek om informatie van feitelijke aard, dan wel inzage in of afschrift van
                    openbare documenten, kan een raadslid contact opnemen met de griffier, of
                    rechtstreeks bij een ambtenaar uit de reguliere ambtelijke organisatie. </al><al>Het begrip document wordt hier overigens gebruikt in de betekenis die het in de
                    Wet openbaarheid bestuur heeft. Met openbaar wordt bedoeld openbaar in de zin
                    van de Wet openbaarheid van bestuur. Voor niet openbare documenten wordt een
                    regeling gegeven in de artikel 25, 55 en 86 van de Gemeentewet. Deze rechten
                    zijn veelal uitgewerkt in het reglement van orde voor de raad, het reglement van
                    orde voor het college en de verordening op de raadscommissies. </al><al>Er is voor gekozen de griffier te noemen als centrale functionaris. Het bestaan
                    van het instituut griffie en de ontvlechting van de posities van de raad en het
                    college, die bij de dualisering zijn beslag heeft gekregen, leidt ertoe dat de
                    ambtelijke organisatie parallel ontvlochten wordt. Omdat de griffier geen
                    zeggenschap heeft over de reguliere ambtelijke organisatie zal de secretaris de
                    ambtenaar die de bijstand verleent moeten aanwijzen. De ontvlechting van
                    posities leidt in dit geval dus noodzakelijk tot een verdergaande formalisering
                    van de regeling omtrent ambtelijke bijstand. </al><al>De bijstand wordt zo spoedig mogelijk verleend. Het is niet mogelijk in de
                    verordening hiervoor vaste termijnen op te nemen in verband met de verschillen
                    in aard en omvang van de werkzaamheden voor een verzoek. De griffier ziet er op
                    toe dat er voortgang blijft in het proces.</al><al>In de gehele verordening is er voor gekozen een onderscheid aan te brengen
                    tussen ambtenaren en medewerkers van de griffie. Als er over ambtenaren
                    gesproken wordt, worden ambtenaren van de reguliere ambtelijke organisatie
                    bedoeld die onder gezag van het college staan en worden dus niet
                    griffiemedewerkers bedoeld. Dit neemt niet weg dat ook medewerkers van de
                    griffie ambtenaren in de zin van de Ambtenarenwet zijn.</al><al>Op grond van het tweede lid is er bij twijfel een rol voor de secretaris
                    weggelegd. Deze zal moeten beslissen of het een verzoek als bedoeld in het
                    eerste lid, onderdeel a en b betreft. </al><al>Artikelen 2 en 3 </al><al>Beoordeling of één van de in artikel 3 genoemde weigeringsgronden zich voordoet
                    vindt in eerste instantie plaats door de gemeentesecretaris als hoofd van de
                    reguliere ambtelijke organisatie. In artikel 4 is aangegeven dat de
                    uiteindelijke beslissing over het niet verlenen van ambtelijke bijstand is
                    voorbehouden aan de burgemeester. Het ligt in de rede dat hij hierover overleg
                    voert met de secretaris en de griffier (en indien nodig ook het betrokken
                    raadslid). Uiteraard kan de raad via de gebruikelijke weg hierover de
                    burgemeester verzoeken verantwoording af te leggen (artikel 180
                    Gemeentewet).</al><al>Artikel 4</al><al>Ook indien – naar de mening van het raadslid – op onvoldoende wijze aan zijn of
                    haar verzoek om hulp gehoor wordt gegeven kan de zaak aan een hogere instantie
                    worden voorgelegd: de burgemeester is daar gezien zijn eigenstandige positie in
                    het gemeentelijke bestuur de meest aangewezen instantie voor.</al><al>Wel dient het betrokken raadslid of de griffier hierover eerst overleg te voeren
                    met de secretaris.</al><al>Artikel 5 </al><al>Het register dat door de secretaris kan worden bijgehouden maakt het mogelijk na
                    te gaan hoe vaak er al een beroep is gedaan op de ambtelijke organisatie en kan
                    een belangrijke rol spelen bij het in kaart brengen van de behoefte van deze
                    voorzieningen.</al><al>Artikel 6</al><al>In dit artikel is aangegeven dat het van belang is dat de betrokken
                    portefeuillehouder op de hoogte is van het feit dat bijstand is verleend door
                    onder zijn verantwoordelijkheid functionerende ambtenaren. Gezien de vergroting
                    van de afstand tussen raad en college die met de dualisering is gecreëerd, is
                    het logisch dat desgewenst melding wordt gemaakt van het verschaffen van
                    ambtelijke bijstand. Het college en de secretaris kunnen afspreken in welke
                    gevallen hiervan melding wordt gemaakt.</al><al>Artikel 7</al><al>Dit artikel is in 2007 gewijzigd. Voorheen bevatte het artikel ook de bepaling
                    “Een raadslid kan aangeven dat een verzoek om ambtelijke bijstand of de inhoud
                    van het gegeven advies geheim wordt gehouden.” Voor deze bepaling bleek bij
                    nader inzien geen wettelijke basis te zijn. Aanleiding voor deze aanpassing is
                    de uitkomst van een discussie over het wel of niet aanwezig zijn van een
                    wettelijke basis voor het vragen van geheimhouding.</al><al>Het ministerie van BZK, de VNG en het IPO hebben daarop overleg gevoerd over de
                    kwestie. Op basis van deze gesprekken zijn alle betrokkenen tot het inzicht
                    gekomen dat de betreffende geheimhoudingsbepaling in de verordening niet
                    houdbaar is. Vooral het argument dat het opleggen van een geheimhoudingsplicht
                    een zeer zware juridische bevoegdheid betreft, heeft betrokkenen ervan overtuigd
                    dat daarvoor een afzonderlijke wettelijke bepaling vereist is.</al><al>Indien een raadslid om ambtelijke bijstand verzoekt, moet hij ervan uit kunnen
                    gaan dat de ambtenaar bij het verrichten van die werkzaamheden onafhankelijk
                    opereert van het college. Dit is een gevolg van de door de dualisering tot stand
                    gebrachte ontvlechting van posities. </al><al>Om te verzekeren dat een ambtenaar niet door collegeleden onder druk wordt gezet
                    om inlichtingen te verschaffen over het verzoek van een raadslid is bepaald dat
                    collegeleden zich voor informatie direct tot het betrokken raadslid wenden en
                    niet tot de behandelend ambtenaar. Dit biedt bovendien een extra waarborg voor
                    de onafhankelijke behandeling van een verzoek om ambtelijke bijstand.</al><al>De ambtenaar die ambtelijke bijstand verleent blijft echter wel onderdeel van de
                    reguliere ambtelijke organisatie. Het verlenen van ambtelijke bijstand hoort tot
                    de normale uitoefening van zijn taak. Indien hij dit gedeelte van zijn taak niet
                    goed uitoefent behoudt het college dus de mogelijkheid om de ambtenaar hierop
                    aan te spreken.</al><al>Artikel 8</al><al>Fractieondersteuning vindt zijn vorm in een financiële ondersteuning. De hoogte
                    van het budget voor fractieondersteuning zal in de gemeentebegroting moeten
                    worden opgenomen en dus door de raad worden vastgesteld. De fractieondersteuning
                    bestaat uit een vast en een variabel deel. Het vaste deel garandeert dat elke
                    fractie de kans krijgt zich op gelijkwaardig niveau te laten ondersteunen. Omdat
                    grote fracties meer lasten zullen hebben op facilitair gebied is het logisch dat
                    zij voor dergelijke kosten een hogere vergoeding krijgen. </al><al>Artikel 9</al><al>De fracties wordt grotendeels de vrijheid gelaten wat betreft de inhoudelijke
                    besteding van de fractieondersteuning. Minimumvoorwaarde is wel dat de bijdrage
                    besteed wordt aan raadswerkzaamheden. Verder is een aantal doelen genoemd
                    waarvoor de bijdrage niet gebruikt mag worden. Daarmee wordt onder andere
                    voorkomen dat met de bijdrage verkiezingscampagnes worden gefinancierd en dat
                    raadsleden hun eigen vergoeding voor het raadswerk (vastgelegd in het
                    rechtspositiebesluit raads- en commissieleden, dat zijn grondslag vindt in de
                    artikelen 95 en 96 van de Gemeentewet) aanvullen met de bijdrage voor
                    fractieondersteuning. Opleidingen voor raads- en commissieleden dienen bekostigd
                    te worden uit het daarvoor beschikbare individuele budget en dientengevolge ook
                    niet uit de bijdrage voor fractieondersteuning.</al><al>Omdat het bij uitstek om politieke ondersteuning gaan kan deze inhoudelijk niet
                    te zeer gedetailleerd geregeld worden. Fractieondersteuning in de vorm van het
                    beschikbaar stellen van gemeenteambtenaren voor de fracties wordt niet wenselijk
                    geacht, aangezien het vaak politiek getinte ondersteuning betreft. Fracties
                    moeten daarom vrij zijn in de keuze van de personen die de fracties eventueel
                    ondersteunen. </al><al>Artikel 10 </al><al>De bijdrage wordt als voorschot verstrekt. In een verkiezingsjaar wordt het
                    voorschot in twee gedeelten gesplitst. Het is logisch dat het aangepast wordt
                    aan de nieuwe verhoudingen in de raad. Indien blijkt dat het geld onrechtmatig
                    is besteed kan dit aan het eind van het jaar verrekend worden. </al><al>Artikel 11</al><al>Het spreekt vanzelf dat de bijdrage aangepast zal moeten worden aan veranderde
                    verhoudingen in de raad. De regeling heeft tot gevolg dat fracties die kleiner
                    worden (of geheel verdwijnen) nog over de gehele maand waarin de nieuwe raad
                    voor het eerst vergadert de bijdrage ontvangen. Voor fracties die groter worden
                    (of nieuwe fracties) gaat de bijdrage per diezelfde maand in. Dat betekent dat
                    de totale bijdrage voor fractieondersteuning in een verkiezingsjaar hoger
                    uitvalt dan in andere jaren. Dit is niet te vermijden.</al><al>Bij splitsing van een fractie zal het al eerder verstrekte voorschot direct
                    verrekend moeten worden. Als dat niet zou gebeuren zou een deel van de
                    oorspronkelijke fractie over een te groot voorschot beschikken en zou het andere
                    deel juist helemaal geen voorschot krijgen. Na het kalenderjaar zou dan alsnog
                    verrekend moeten worden. Het is billijker de verrekening in deze gevallen direct
                    te laten plaatsvinden.</al><al>Artikel 12</al><al>De reserve bestaat uit het overschot van voorgaande jaren. Dit bedrag zal niet
                    eindeloos mogen groeien. De reserve is dan ook aan een maximum gebonden. Ook met
                    betrekking tot de reserve is het van belang dat goed wordt omgegaan met de
                    splitsing van een fractie. De regeling in het zesde lid regelt dat de reserve
                    naar evenredigheid verdeeld wordt over de nieuw ontstane fracties. Indien een
                    splitsing kort na de verkiezingen plaatsvindt zou een conflict kunnen ontstaan
                    over de verdeling van de reserve. De regeling laat er echter geen twijfel over
                    dat ook in dat geval de reserve verdeeld moet worden. </al><al>Artikel 13</al><al>Nu de raad er voor kiest om fracties een eigen budget toe te kennen, is enige
                    vorm van controle op de doelmatigheid van de bestede gelden wenselijk. In de
                    verordening is daarom de verplichting opgenomen om jaarlijks, voor een vaste
                    datum na afloop van een begrotingsjaar, een schriftelijke verantwoording in te
                    dienen.</al><al>De controle van het verslag kan door de accountant meegenomen worden met de
                    controle op de jaarrekening. Uit het verslag en de accountantsverklaring kan
                    naar voren komen dat er een verrekening dient plaats te vinden met het
                    verstrekte voorschot. Indien niet verrekend kan worden, bijvoorbeeld omdat een
                    fractie uit de raad verdwijnt zal de raad het ten onrechte uitgekeerde voorschot
                    kunnen terugvorderen. </al><al>Aangezien het in de gemeente Zwartewaterland gaat om een beperkte bijdrage voor
                    fractieondersteuning, is accountantscontrole van het verslag van de fractie
                    achterwege gelaten. In plaats van controle door de accountant kan controle ook
                    in bijvoorbeeld de interne controle worden meegenomen door, al dan niet bij
                    wijze van steekproef jaarlijks het kostenoverzicht van een door loting te
                    bepalen fractie te (laten) controleren. </al><al>In de verordening kan een bepaling worden opgenomen die aangeeft dat als
                    onterechte uitgaven worden geconstateerd, deze kosten bij de betreffende fractie
                    worden gedeclareerd. </al><al>Artikel 14</al><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>