<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR240060_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemming- en handhavings-verordening WWB, IOAW en IOAZ 2012 en volgende jaren</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-05-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Berkelland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Berkelbericht, 8 januari 2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemming- en handhavings-verordening WWB, IOAW en IOAZ 2012 en volgende jaren</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand, artt. 8 lid 1, onderdelen b en h, 9a lid 12 en 18 lid 1,2 en 3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artt. 20 en 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandingen, artt. 20 en 35.</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-11</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>16.</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>AFSTEMMING- EN HANDHAVINGSVERORDENING WWB, IOAW EN IOAZ 2012 EN VOLGENDE
                JAREN</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Raadsvergadering : 11 december 2012</al><al>Agendanummer : 16.</al><al>De raad van de gemeente Berkelland;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 23 oktober 2012</al><al>gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur de Sociale Dienst Oost
                        Achterhoek van 4 oktober 2012</al><al>gelet op artikel 8 lid 1 onderdelen b en h,artikel 8b, artikel 9a lid 12 en
                        artikel 18 lid 1,2 en 3 van de Wet werk en bijstand; de artikelen 20 en 35
                        van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        werkloze werknemers en de artikelen 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening
                        oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;</al><al>overwegende dat het noodzakelijk is uitkeringen af te stemmen wegens het
                        betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                        voorziening in het bestaan en het niet nakomen van verplichtingen die aan
                        het verlenen van de bijstand zijn verbonden bij verordening te regelen;</al><al> b e s l u i t :</al><al>vast te stellen de:</al><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>Op grond van artikel 8b van de Wet werk en bijstand, artikel 40 van de
                            Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsgehandicapte
                            werkloze werknemer en artikel 40 van de Wet inkomensvoorziening oudere
                            en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandige, treedt het
                            dagelijks bestuur van de Sociale Dienst Oost Achterhoek op basis van een
                            gemeenschappelijke regeling in de plaats van de betrokken colleges van
                            burgemeester en wethouders </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2 Begrippenomschrijvingen</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Wet werk en bijstand (WWB); de Wet inkomensvoorziening oudere en
                                    gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW); de
                                    Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke
                                    arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), de Algemene wet
                                    bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>bijstand: de bijstandsnorm als bedoeld in hoofdstuk 3
                                            paragraaf 2 en 3 en de bijzondere bijstand als bedoeld
                                            in de artikelen 12 en 35 van de WWB of, voor zover
                                            sprake is van een IOAW- of IOAZ- uitkering, de grondslag
                                            van de uitkering als bedoeld in artikel 5 IOAW
                                            respectievelijk artikel 5 IOAZ;</al></li><li nr="b."><al>Uitkering: de uitkering op grond van de WWB, alsmede een
                                            uitkering op grond van de IOAW en de IOAZ.</al></li><li nr="c."><al>Afstemmen: het verlagen dan wel tijdelijk geheel of
                                            gedeeltelijk weigeren van de bijstand/uitkering op grond
                                            van artikel 18 tweede lid van de WWB; artikel 20 en 35
                                            van de IOAW en IOAZ;</al></li><li nr="d."><al>voorziening: een arbeidsinschakelingsinstrument binnen
                                            een re-integratietraject of een voorwaardenscheppend
                                            instrument als bedoeld in artikel 7 WWB en artikel 35
                                            IOAW en IOAZ.</al></li><li nr="e."><al>sociale activering: het verrichten van onbeloonde
                                            maatschappelijk zinvolle activiteiten gericht op
                                            arbeidsinschakeling of, als arbeidsinschakeling nog niet
                                            mogelijk is, op zelfstandige maatschappelijke
                                            participatie;</al></li><li nr="f."><al>adequate zorgverzekering: onder adequate zorgverzekering
                                            verstaat de gemeente:</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>de collectieve zorgverzekering voor minima;</al></li><li nr="2."><al>een zorgverzekering bestaande uit de verplichte
                                    basisverzekering, een aanvullende verzekering en een aanvullende
                                    tandartsverzekering waarvoor belanghebbende een premie moet
                                    betalen die tenminste gelijk is aan de premie die belanghebbende
                                    verschuldigd zou zijn bij deelname aan de collectieve
                                    zorgverzekering voor minima. Belanghebbenden met een volledige
                                    boven- en onderprothese hoeven geen tandartsverzekering af te
                                    sluiten om adequaat verzekerd te zijn tegen ziektekosten;</al><lijst><li nr="g."><al>benadelingsbedrag: het bedrag waarvoor de sociale dienst
                                            is benadeeld bestaande uit de teveel/ten onrechte
                                            verstrekte algemene en/of bijzondere bijstand en,de
                                            daarover verschuldigde loonheffing en de berekende
                                            bijdrage Zorgverzekeringswet.</al></li><li nr="h."><al>tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                            voorziening van het bestaan: het verrichten van
                                            handelingen door belanghebbende dan wel het nalaten
                                            daarvan waardoor een onnodig en/of eerder beroep op de
                                            bijstand wordt gedaan;</al></li><li nr="i."><al>belanghebbende is de belanghebbende in de zin van
                                            artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht.</al></li><li nr="j."><al>het college: het college van burgemeester en
                                            wethouders.</al></li><li nr="k."><al>dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de Sociale
                                            Dienst Oost Achterhoek;</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3 Het opleggen van een verlaging</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college legt overeenkomstig deze verordening een maatregel
                                    op als de belanghebbende naar het oordeel van het college :</al><lijst><li nr="a."><al>tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont
                                            voor de voorziening in het bestaan;</al></li><li nr="b."><al>de verplichtingen die de WWB, IOAW, IOAZ en de Wet SUWI
                                            aan de bijstand verbindt niet of onvoldoende
                                            nakomt;</al></li><li nr="c."><al>zich jegens het college misdraagt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de
                                    mate waarin de</al></li></lijst><al>belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden
                            waarin hij verkeert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4 Berekeningsgrondslag</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm (inclusief de
                                    toeslag en vakantiegeld).</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging ook worden
                                    toegepast op de</al></li></lijst><al>bijzondere bijstand als:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                    toepassing van artikel 12 van de WWB; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn
                                    recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5 Het besluit tot het opleggen van een verlaging</nr></kop><al>In het besluit tot het opleggen van een verlaging worden in ieder geval
                            vermeld: </al><lijst><li nr="a."><al>de reden van de verlaging;</al></li><li nr="b."><al>de periode waarover de verlaging wordt opgelegd,</al></li><li nr="c."><al>het percentage waarmee de bijstand wordt verlaagd;</al></li><li nr="d."><al>het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd,</al></li></lijst><al>e indien van toepassing,de reden om af te wijken van een
                            standaardmaatregel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6 Horen van een belanghebbende</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een verlaging wordt toegepast, wordt de belanghebbende
                                    in de gelegenheid gesteld hierover, mondeling of schriftelijk,
                                    zijn zienswijze naar voren te brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    als:</al><lijst><li nr="a."><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld
                                            zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien
                                            geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben
                                            voorgedaan;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van
                                            het college of van een derde aan wie het college met
                                            toepassing van artikel 7 van de WWB en artikel 35 van de
                                            IOAW en IOAZ werkzaamheden in het kader van de wet heeft
                                            uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen
                                            te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de WWB en
                                            artikel 44 van de IOAW en IOAZ;</al></li><li nr="d."><al>het college het horen niet nodig acht voor het
                                            vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van
                                            verwijtbaarheid.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7 Afzien van het opleggen van een verlaging</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Het college ziet af van het opleggen van een verlaging als:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan <vet>een jaar </vet>voor
                                            constatering van de gedraging door het college heeft
                                            plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de
                                            inlichtingenplicht inhoudt dat als gevolg van die
                                            gedraging ten onrechte een uitkering is verleend. Een
                                            maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht
                                            wordt niet opgelegd na verloop van <vet>vijf jaren</vet>
                                            nadat de betreffende gedraging heeft
                                            plaatsgevonden.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan afzien van het opleggen van een verlaging als
                                    het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.</al></li><li nr="3."><al>Als het college afziet van het opleggen van een verlaging op
                                    grond van dringende redenen ontvangt de belanghebbende hiervan
                                    een schriftelijk besluit.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8 Ingangsdatum verlaging</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende
                                    kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het
                                    opleggen van de verlaging aan de belanghebbende is
                                    bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand
                                    geldende bijstandsnorm of de hoogte van de bijzondere
                                    bijstand.</al></li><li nr="2."><al>In afwijking van het eerste lid wordt de verlaging met
                                    terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                                    uitkering, opgelegd als:</al><lijst><li nr="a."><al>de bijstand nog niet betaalbaar is gesteld;</al></li><li nr="b."><al>de belanghebbende geen bijstand meer ontvangt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Een verlaging die voor een periode van meer dan 3 maanden wordt
                                    opgelegd, wordt uiterlijk na 3 maanden nadat deze ten uitvoer is
                                    gelegd heroverwogen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Als er gedurende eenzelfde periode sprake is van meerdere
                            afstemmingswaardige gedragingen wordt voor het bepalen van de hoogte en
                            duur van de verlaging uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste
                            verlaging is opgelegd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10 Herhaling en verwijtbaar gedrag / Recidive</nr></kop><al>De duur en/of de hoogte van een verlaging, als bedoeld in de
                            hoofdstukken 2, 3 en 4 van deze verordening, worden verdubbeld als de
                            belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een
                            besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan
                            een afstemmingswaardige gedraging van dezelfde of hogere categorie.</al><al>Dit geldt ook als het eerste besluit een besluit is waar is afgezien van
                            een maatregel vanwege een dringende reden, bedoeld in artikel 7,tweede
                            lid van deze verordening.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Arbeidsverplichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11 Categorieën maatregelen</nr></kop><al>Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van
                            artikel 9 WWB, artikel 9a WWB, artikel 55 WWB respectievelijk artikel 37
                            IOAW, artikel 38 IOAW, artikel 37 IOAZ niet of onvoldoende wordt
                            nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende
                                            op werk.nl of het niet tijdig laten verlengen van de
                                            registratie;</al></li><li nr="b."><al>het niet, niet tijdig of onvolledig voldoen aan de
                                            administratieve verplichtingen in verband met het recht
                                            op bijstand en daaraan verbonden plicht tot
                                            arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="c."><al>het niet melden van het verrichten van
                                            vrijwilligerswerk.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het in de periode voorafgaand aan de bijstandsverlening
                                            en/of de periode gedurende de bijstandsverlening niet
                                            naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid of
                                            deelname aan een participatietraject te verkrijgen of te
                                            aanvaarden;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling
                                            of een traject tot participatie;</al></li><li nr="c."><al>het zonder toestemming op vakantie gaan dan wel later
                                            terugkeren van vakantie terwijl men niet is vrijgesteld
                                            van de arbeidsverplichtingen of deelname aan een
                                            participatietraject.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich gedragen en/of kleden op een wijze die de
                                            inschakeling in arbeid of deelname aan een
                                            participatietraject belemmert;</al></li><li nr="b."><al>het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een
                                            door het college aangeboden voorziening gericht op
                                            arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste
                                            lid, sub b en artikel 10, eerste lid van de wet.
                                            Waaronder begrepen sociale activering en scholing
                                            gericht op arbeidsinschakeling.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde
                                            arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="c."><al>het door eigen toedoen of schuld ervoor zorgen dat een
                                            traject op basis van een trajectplan wordt
                                            beëindigd;</al></li><li nr="d."><al>het niet deelnemen aan direct-werk-activiteiten door een
                                            daartoe geïndiceerde uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12 De hoogte en duur van de maatregel</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging wordt bepaald op</al><lijst><li nr="a."><al>5% van de betreffende bijstand(norm) gedurende 1 maand
                                            bij gedragingen van de eerste categorie;</al></li><li nr="b."><al>20% van de betreffende bijstand(norm) gedurende 1 maand
                                            bij gedragingen van de tweede categorie;</al></li><li nr="c."><al>50% van de betreffende bijstand(norm) gedurende 1 maand
                                            bij gedragingen van de derde categorie;</al></li><li nr="d."><al>100% van de betreffende bijstand(norm) gedurende 1 maand
                                            bij gedragingen van de vierde categorie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Het college kan afwijken van de hoogte en duur van de verlaging
                                    op grond van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Inlichtingenplicht (onverwijld verstrekken van gegevens) en
                            bestuurlijke boete.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13 Onjuiste en/of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de
                                bijstand</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>1.Als het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht, als bedoeld in artikel 17 WWB, artikel 13
                                    IOAW en artikel 13 van de IOAZ, niet heeft geleid tot het ten
                                    onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering wordt
                                    een waarschuwing gegeven. Hieronder valt tevens het niet tijdig
                                    verstrekken van gegevens die van belang zijn voor de verlening
                                    van bijstand.</al></li><li nr="2."><al>Bij toepassing van artikel 17, eerste lid van de WWB. artikel 44
                                    lid 1 van de IOAW en 44 lid 1 IOAZ dient als onverwijld te
                                    worden verstaan: bij het mutatieformulier, indien dit niet van
                                    toepassing is, vóór de eerste van de maand volgend op de maand
                                    waarin het feit dan wel de omstandigheid zich heeft
                                    voorgedaan.</al></li><li nr="3."><al>Wanneer binnen 2 jaar vanaf datum van de eerdere waarschuwing
                                    recidive plaatsvindt moet een bestuurlijke boete worden opgelegd
                                    van € 150,--</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14 Onjuiste en/of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de
                                bijstand</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>1.Als het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                                    inlichtingenplicht, als bedoeld in artikel 17 WWB, artikel 13
                                    van de IOAW en artikel 13 van de IOAZ heeft geleid tot het ten
                                    onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt
                                    een bestuurlijke boete opgelegd gelijk aan het
                                    benadelingsbedrag. De bestuurlijke boete wordt zo mogelijk eerst
                                    verrekend met de uitkeringen van de eerstvolgende maanden.</al></li><li nr="2."><al>Het college kan afwijken van de hoogte van de bestuurlijke boete
                                    op grond van dringende redenen of verminderde
                                    verwijtbaarheid.;</al></li><li nr="3."><al>Als het benadelingsbedrag boven de aangiftegrens van het
                                    Openbaar Ministerie (€ 50.000,-- op 1-1-2013) ligt, wordt
                                    aangifte gedaan en wordt de strafmaat aan Justitie overgelaten.
                                    Derhalve geen bestuurlijke boete.</al></li><li nr="4."><al>Bij recidive binnen 5 jaar na een eerdere bestuurlijke boete
                                    dient een bestuurlijke boete te worden opgelegd van 150% van het
                                    benadelingsbedrag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15 Opleggen bestuurlijke boete</nr></kop><al>Van het opleggen van een bestuurlijke boete zijn de bepalingen van
                            artikel 18a van de Wet werk en bijstand van toepassing.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Andere verwijtbare gedragingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Als een belanghebbende een tekortschietend besef van
                                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft
                                    betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, WWB wordt een
                                    verlaging opgelegd.</al></li><li nr="2."><al>Onder tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede
                                    lid, van de WWB wordt in ieder geval verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het op verzoek niet tijdig ter inzage verstrekken van
                                            een geldig legitimatiebewijs (art. 17, lid 4 WWB);</al></li><li nr="b."><al>het niet meewerken aan het verrichten van noodzakelijke
                                            betalingen uit de toegekende bijstand (budgettering art.
                                            57, sub a WWB);</al></li><li nr="c."><al>het niet meewerken aan een schuldsanering (art. 55
                                            WWB);</al></li><li nr="d."><al>het niet meewerken aan een noodzakelijke behandeling van
                                            medische aard (art. 55 WWB);</al></li><li nr="e."><al>niet alles in het werk stellen om een boedelscheiding
                                            tot stand te brengen (art. 55 WWB);</al></li><li nr="f."><al>verkoop woning beneden de waarde (art. 55 WWB);</al></li><li nr="g."><al>te snelle intering van vermogen (art. 55 WWB);</al></li><li nr="h."><al>onderbedeling bij echtscheiding (art. 55 WWB) of
                                            beëindiging geregistreerd partnerschap;</al></li><li nr="i."><al>te late of geen aanvaarding voorliggende voorziening
                                            (art. 55 WWB);</al></li><li nr="j."><al>het niet aangifte doen door de belanghebbende zonder
                                            adres van een briefadres (art. 40 lid 2 WWB);</al></li><li nr="k."><al>het niet meewerken aan de verplichting tot het vestigen
                                            van een lening ter verkrijging van zekerheid voor de
                                            nakoming van de aan de bijstand verbonden rente- en
                                            aflossingsverplichtingen (art. 48 lid 3 WWB);</al></li><li nr="l."><al>het niet afsluiten van een zorgverzekering of het niet
                                            afsluiten van een adequatezorgverzekering (artikel 1 sub
                                            f), voor zover dit leidt tot een beroep op
                                            bijstand.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Van onverantwoord snelle intering van vermogen is sprake indien,
                                    vanaf het moment waarop de belanghebbende redelijkerwijs kan
                                    weten dat hij op bijstand raakt aangewezen, het vermogen afneemt
                                    tot onder de grens van het vrij te laten vermogen (artikel 34,
                                    lid 2, onder d, en lid 3, WWB) als gevolg van spendering van
                                    middelen met meer dan anderhalf maal de voor de belanghebbende
                                    van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief
                                    vakantietoeslag.</al></li><li nr=""><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt de bijstandsnorm
                                    verhoogd met de voor eigen rekening blijvende premie van een
                                    particuliere ziektekostenverzekering, alsmede met het verschil
                                    van de huurtoeslag die de belanghebbende werkelijk ontvangt en
                                    de huurtoeslag die hij zou hebben ontvangen bij een inkomen ter
                                    hoogte van de voor hem geldende bijstandsnorm.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17 Hoogte en duur van de maatregel</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>De verlaging wordt bepaald op 50% van de betreffende
                                    bijstand(norm) gedurende 1 maand.</al></li><li nr="2."><al>Als er sprake is van een te snelle intering van vermogen, kan
                                    een verlaging worden opgelegd in die zin dat de bijstand wordt
                                    verstrekt in de vorm van een geldlening. Als hiervan gebruik
                                    wordt gemaakt is lid 1 van dit artikel niet van toepassing voor
                                    de duur van de maatregel.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan afwijken van de hoogte en duur van de verlaging
                                    op grond van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18 Misdragingen</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Als een belanghebbende zich heeft misdragen tegenover het
                                    college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die
                                    rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de WWB,IOAW of
                                    IOAZ, wordt een verlaging opgelegd van 50% gedurende 1
                                    maand.</al></li><li nr="2."><al>Onder misdraging tegenover het bestuur of zijn ambtenaren onder
                                    omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering
                                    van WWB,IOAW en IOAZ, wordt onder anderen verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>verbaal geweld;</al></li><li nr="b."><al>discriminatie;</al></li><li nr="c."><al>ernstige intimidatie (uitoefenen van psychische
                                            druk);</al></li><li nr="d."><al>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al></li><li nr="e."><al>mensgericht fysiek geweld;</al></li><li nr="f."><al>overige/combinatie van agressievormen.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De duur van de verlaging wordt verdubbeld, als de belanghebbende
                                    zich binnen een periode van twee jaar na bekendmaking van een
                                    besluit waarbij een verlaging wordt opgelegd opnieuw schuldig
                                    maakt aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging als
                                    bedoeld in het eerste lid. Met een besluit waarmee een maatregel
                                    is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te
                                    zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 7,
                                    tweede lid.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan afwijken van de hoogte en duur van de verlaging
                                    op grond van dringende redenen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Het handhavingsbeleid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Het handhavingsbeleid</titel></kop><al>Het college biedt tweejaarlijks een handhavingsplan aan de gemeenteraden
                            aan met daarin het te voeren beleid op het gebied van handhaving,
                            bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Wet werk en
                            bijstand, Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                            arbeidsongeschikte werkloze werknemer, Wet inkomensvoorziening oudere en
                            gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen en de te
                            verwachten resultaten.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Bijzondere bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20 Personen van 65 jaar en ouder</nr></kop><al>In afwijking van de vorige artikelen is op belanghebbenden die op grond
                            van die op grond van een mandaatregeling van de Sociale verzekeringsbank
                            (SVB) een uitkering ingevolge de WWB ontvangen, het maatregelenbeleid
                            van de SVB (zoals gepubliceerd in de Staatscourant 2006, 121 en 2008, 98
                            en eventueel daarna vastgestelde wijzigingen ) van toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21 Volgen van een studie</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien een opleiding wordt gevolgd waarvoor door het college
                                    geen toestemming is verleend, wordt de bijstand voor de duur van
                                    drie maanden geheel geweigerd;</al></li><li nr="2."><al>Indien de gedraging niet wordt opgeheven, wordt de verlaging van
                                    100% telkens voor de duur van 3 maanden verlengd.</al></li><li nr="3."><al>Indien de gedraging wordt opgeheven binnen de in dit lid en het
                                    vorige lid genoemde termijn van drie maanden, wordt de verlaging
                                    beëindigd per de eerste van de daarop volgende maand.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22 Citeertitel</nr></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als “Afstemming- en
                            handhavings-verordening WWB,IOAW en IOAZ 2012 en volgende jaren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23 De inwerkingtreding</nr></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2013 en werkt
                                    terug tot en met 1 januari 2012.</al></li><li nr="2."><al>De Maatregelen- en handhavingverordening Wet werk en bijstand
                                    Sociale Dienst Oost Achterhoek 2011, welke op 1 oktober 2011 in
                                    werking is getreden komt hiermee te vervallen.</al></li><li nr="3."><al>Het op 26 januari 2012 vastgestelde Raadsbesluit “ tijdelijke
                                    regels aanscherping Wet werk en bijstand” komt hiermee te
                                    vervallen.</al></li><li nr="4."><al>De Maatregelen- en handhavingsverordening Ioaw en Ioaz Sociale
                                    Dienst Oost Achterhoek 2012 komt hiermee te vervallen.</al></li></lijst><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van </ondertekening><ondertekening>11 december 2012</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter, </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><al><vet>Artikelsgewijs toelichting Afstemming- en handhavingverordening WWB, IOAW
                        en IOAZ 2012 en volgende jaren</vet></al><al><vet><cursief>Achtergrond en doelstelling verordening: De klant die een
                            uitkering ontvangt (belanghebbende)moet de wettelijke verplichtingen
                            naleven. Als de klant deze verplichtingen niet of onvoldoende naleeft,
                            kan de gemeente de bijstand verlagen. De wet (WWB, IOAW en IOAZ) spreekt
                            van afstemming.</cursief></vet></al><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr></kop><al>De gemeenten Berkelland, Oost Gelre en Winterwijk hebben op grond van een
                        gemeenschappelijk regeling de uitvoering van de Wet werk en bijstand (WWB),
                        de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte
                        werkloze werkenmers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en
                        gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) opgedragen aan
                        de Sociale Dienst Oost Achterhoek. In artikel 8b van de WWB, artikel 40 van
                        de IOAW en artikel 40 van de IOAZ is geregeld dat indien bij een
                        gemeenschappelijke regeling de uitvoering van deze wet volledig is
                        overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel
                        8 van die wet, dat bestuur voor de toepassing van deze wet, met uitzondering
                        van de paragrafen 7.1 en 7.3 in de plaats treden van de betrokken colleges
                        van burgemeester en wethouders.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende
                        betekenis als de omschrijving in de WWB,IOAW en IOAZ. In de verordening
                        wordt het begrip 'belanghebbende' gebruikt. Dit begrip wordt in artikel 1:2
                        van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als 'degene wiens belang
                        rechtstreeks bij een besluit is betrokken'.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Het opleggen van een verlaging</titel></kop><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>De WWB,IOAW en IOAZ verbinden aan het recht op een bijstandsuitkering de
                        volgende verplichtingen:</al><al><vet>1. </vet>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                        voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid WWB).</al><al><vet>2. </vet>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB en artikel 37
                        IOAW/IOAZ)). Deze plicht bestaat uit twee soorten verplichtingen:</al><al><vet>- </vet>de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                        verkrijgen en deze te aanvaarden; en</al><al><vet>- </vet>de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                        voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. </al><al>Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke
                        verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de
                        bijstandsgerechtigde.</al><al>De re-integratieverordening die elke gemeente moet opstellen, vormt de
                        juridische</al><al>basis voor opleggen van deze specifieke verplichtingen. Deze verplichtingen
                        zullen in</al><al>het besluit tot het verlenen van bijstand moeten worden neergelegd.</al><al><vet>3. </vet>De informatieplicht (artikel 17, eerste lid WWB; artikel 13
                        lid 1 IOAW/IOAZ). Op een uitkeringsgerechtigde rust de verplichting aan het
                        college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van
                        alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn
                        dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op
                        bijstand. Hieronder wordt verstaan dat belanghebbende de bedoelde
                        inlichtingen in ieder geval vermeldt op het eerstvolgende maandelijkse
                        inkomstenformulier of mutatieformulier.</al><al><vet>4. </vet>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid WWB: artikel 13
                        lid 2 IOAW/IOAZ)). Dit is de plicht van uitkeringsgerechtigden om
                        desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig
                        is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei
                        concrete verplichtingen bestaan, zoals:</al><al><vet>- </vet>het toestaan van huisbezoek;</al><al><vet>- </vet>het meewerken aan een psychologisch onderzoek.</al><al>Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een schending
                        van de medewerkingsplicht inhoudt: 'het zich jegens het bestuur zeer ernstig
                        misdragen'. De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan
                        uitkeringsgerechtigden. Het betreft de verplichting om alle gevraagde
                        gegevens en bewijsstukken aan de Centrale organisatie werk en inkomen te
                        verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het college (artikel 30
                        c, tweede en derde lid Wet SUWI) en de verplichting om op verzoek of
                        onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan
                        de Centrale organisatie werk en inkomen, waarvan hem redelijkerwijs
                        duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op
                        bijstand, het geldend maken van het recht bijstand of de hoogte of de duur
                        van de bijstand.</al><al><vet><cursief>Tweede lid</cursief></vet></al><al>In de Afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                        schending van een verplichting betekenen, standaardafstemmingen vastgesteld
                        in de vorm van een vaste (percentuele) verlaging van de bijstandsnorm. In
                        het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te
                        leggen verlaging af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                        belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich
                        mee dat het college bij elke op te leggen afstemming zal moeten nagaan of
                        gelet op de individuele omstandigheden van de betrokken
                        uitkeringsgerechtigde afwijking van de hoogte en de duur van de
                        voorgeschreven standaardafstemming geboden is. Afwijking van de
                        standaardafstemming kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen. Dit
                        betekent dat het college bij het beoordelen of een afstemming moet worden
                        opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                        doorlopen:</al><al>Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. </al><al>Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid. </al><al>Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.</al><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage
                        waarmee de bijstand wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate
                        van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 7.
                        Matiging van de opgelegde afstemming wegens persoonlijke omstandigheden kan
                        bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:</al><al><vet>- </vet>bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende,
                        zoals bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van
                        bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;</al><al><vet>- </vet>sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen
                        bijvoorbeeld;</al><al><vet>- </vet>bij een opeenstapeling van afstemmingen: de zwaarte van het
                        geheel van afstemmingen is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en
                        de mate van verwijtbaarheid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een afstemming wordt opgelegd
                        over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke
                        norm of grondslag, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en inclusief
                        vakantietoeslag.</al><al><vet><cursief>Tweede lid</cursief></vet></al><al>Onderdeel a: de 18 tot 21-jarigen ontvangen een lage jongerennorm, die
                        indien noodzakelijk wordt aangevuld door middel van aanvullende bijzondere
                        bijstand in de kosten van levensonderhoud. Indien de afstemming alleen op de
                        lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten
                        opzichte van de 21-jarigen. </al><al>Onderdeel b: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in incidentele
                        gevallen een afstemming oplegt over de bijzondere bijstand.</al><al>Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een
                        belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Het besluit tot opleggen van een afstemming</titel></kop><al>Het verlagen van de bijstand omdat een afstemming wordt opgelegd, vindt
                        plaats door middel van een besluit. Wanneer de afstemming bij een lopende
                        uitkering wordt opgelegd, wordt een besluit tot vaststelling van de algemene
                        bijstand op grond van artikel 45 WWB, artikel 20 IOAW/IOAZ, genomen. Wordt
                        een afstemming met terugwerkende kracht opgelegd, dan moet een besluit tot
                        herziening van de bijstand worden genomen (artikel 54, derde lid WWB,
                        artikel 14 tweede lid IOAW/IOAZ). Tegen beide besluiten kan door de
                        belanghebbende bezwaar en beroep worden aangetekend. In dit artikel wordt
                        aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen
                        vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan
                        met het motiverings-beginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in
                        dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering wordt
                        voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><al>Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen
                        van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze
                        hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die
                        betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12). In dit artikel
                        wordt het horen van de belanghebbende voordat een afstemming wordt opgelegd
                        in beginsel voorgeschreven. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen
                        op deze hoorplicht. De onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11
                        van de Algemene wet bestuursrecht.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Afzien van het opleggen van een maatregel</titel></kop><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>Het afzien van het opleggen van een afstemming 'indien elke vorm van
                        verwijtbaarheid' ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, Wwb,
                        artikel 20 derde lid IOAW/IOAZ. Een andere reden om af te zien van het
                        opleggen van een maatregel is dat de gedraging te lang geleden heeft
                        plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit ('lik op stuk') is
                        het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad,
                        wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen
                        maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben
                        plaatsgevonden.</al><al> Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden en als
                        gevolg waarvan ten onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan
                        bijstand is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf
                        jaar. Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de
                        gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de sociale dienst vaak tijd
                        nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te
                        stellen.</al><al><vet><cursief>Tweede lid</cursief></vet></al><al>Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een
                        afstemming indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat
                        dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus
                        niet op voorhand worden vastgelegd.</al><al><vet><cursief>Derde lid</cursief></vet></al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                        opleggen van een afstemming wegens dringende redenen is van belang in
                        verband met eventuele recidive.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Ingangsdatum afstemming</titel></kop><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>Het opleggen van een afstemming vindt plaats door het verlagen van de
                        uitkering. Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren:</al><al><vet>1. </vet>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van
                        de uitkering; of</al><al><vet>2. </vet>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de
                        eerstvolgende maand(en).</al><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag met ingang van de
                        eerstvolgende</al><al>kalendermaand nadat het besluit kenbaar is gemaakt.</al><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is
                        de gemakkelijkste manier. Omdat dan niet hoeft te worden overgegaan tot
                        herziening van de bijstand en het terugvorderen van het te veel aan bijstand
                        betaalde bedrag. Om deze reden is in het eerste lid vastgelegd dat de
                        afstemming wordt opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand,
                        die volgt op de kalendermaand waarin het besluit is bekend gemaakt. Voor de
                        berekening van de hoogte van de afstemming moet worden uitgegaan van de voor
                        die maand geldende bijstandsnorm.</al><al><vet><cursief>Tweede lid</cursief></vet></al><al>Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de bijstandsgerechtigde
                        is uitbetaald, kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering te
                        verrekenen met het bedrag dat nog moet worden uitbetaald.</al><al>In afwijking van het eerste lid wordt de maatregel met terugwerkende kracht
                        opgelegd indien de bijstand is beëindigd en de gedraging betrekking heeft op
                        een periode waarin bijstand is verstrekt. Het opleggen van een afstemming
                        met terugwerkende kracht is slechts mogelijk, als er sprake is van het niet
                        nakomen van de inlichtingenplicht en is vastgesteld, dat er ten onrechte of
                        tot een te hoog bedrag aan bijstand is verleend. Het te veel betaalde bedrag
                        aan bijstand moet van de uitkeringsgerechtigde worden teruggevorderd. De
                        bijstand moet dan wel eerst worden herzien. Niet alleen voor wat betreft de
                        ten onrechte verstrekte uitkering, maar ook voor wat betreft de met
                        terugwerkende kracht toe te passen maatregel.</al><al><vet><cursief>Derde lid</cursief></vet></al><al>Dit lid regelt dat een afstemming voor bepaalde tijd kan worden opgelegd.
                        Wordt een afstemming voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan
                        zal het college de afstemming aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit
                        is geregeld in artikel 18 lid 3 WWB. Het is ter beoordeling aan het college
                        wanneer die herbeoordeling plaatsvindt, als dat maar gebeurt binnen drie
                        maanden nadat het besluit is genomen. Bij zo'n herbeoordeling hoeven niet
                        opnieuw alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen het licht te
                        worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat:</al><al>het college moet beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde afstemming
                        wordt gecontinueerd. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gekeken naar de
                        omstandigheden waarin betrokkene verkeert, maar ook of de betreffende
                        persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                        verschillende gedragingen van een bijstandsgerechtigde die (min of meer)
                        gelijktijdig plaatsvinden.</al><al> De regeling geldt ook voor een bepaalde gedraging die verschillende
                        schendingen van verplichtingen met zich meebrengt. </al><al>Als hier sprake van is dan dient voor het toepassen van de afstemming te
                        worden uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is
                        opgelegd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Herhaling van verwijtbaar gedrag/Recidive</titel></kop><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom
                        sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                        verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van
                        de afstemming. Met de eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging
                        bedoeld die aanleiding is geweest tot een afstemming, ook indien wegens
                        dringende redenen is afgezien van het opleggen van een afstemming. Voor het
                        bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip
                        waarop het besluit waarmee de afstemming is opgelegd bekendgemaakt is. Op
                        basis van deze bepaling kan een recidiveafstemming slechts een keer worden
                        toegepast. Indien de belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging
                        wederom verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de
                        afstemming individueel moeten worden vastgesteld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Categorieën maatregelen</titel></kop><al>De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                        verlenen aan voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, sociale
                        activering of het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid,
                        worden in vier categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de
                        gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht
                        naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of
                        behouden van betaalde arbeid. Dit is volledig in lijn met het gedachtegoed
                        achter de WWB, IOAW en IOAZ; een klant dient zelf alles in het werk te
                        stellen om aan het werk te komen dan wel te blijven.</al><al>De gedragingen die in dit artikel worden genoemd zijn minder concreet
                        omschreven. De reden hiervoor is dat de WWB. IOAW en IOAZ volstaan met een
                        algemene omschrijving van de plicht tot arbeidsinschakeling.</al><al>De concrete invulling van de verplichtingen dient zoveel mogelijk te worden
                        afgestemd op de mogelijkheden van de individuele bijstandsgerechtigde.</al><al>De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich
                        als werkzoekende in te schrijven op werk.nl en ingeschreven te doen
                        blijven.</al><al>In de tweede en derde categorie gaat het om de verplichting tot een actieve
                        opstelling op de arbeidsmarkt waaronder de eigen verantwoordelijkheid van
                        belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren. Ook gaat het om de
                        verplichting tot een actieve opstelling om een participatietraject te
                        verkrijgen. De tweede categorie betreft voornamelijk het zoeken naar
                        mogelijkheden van arbeid en trajecten voor deelname aan de arbeidsmarkt en
                        participatie.</al><al>De derde categorie betreft het weigeren van een aangeboden voorziening die
                        kan leiden naar werk dan wel participatie dan wel zich zo gedraagt /kleedt
                        dat deelname aan een voorziening dan wel werk wordt belemmerd. Bij
                        toekenning van de bijstand of in een later stadium kan aan de
                        belanghebbende, die niet in staat is om op eigen kracht weer in zijn
                        levensonderhoud te voorzien, de verplichting worden opgelegd om:</al><al>• mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden en de benodigde
                        voorzieningen zoals vastgelegd in de re-integratieverordening Wet werk en
                        bijstand;</al><al>• mee te werken aan de opstelling en uitvoering van het
                        arbeidsinpassingsplan en plan van aanpak dat uiteindelijk moet leiden tot
                        uitstroom of maatschappelijke participatie.</al><al>De arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de belanghebbende deze
                        verplichting niet of onvoldoende nakomt. Dat kan gevolgen hebben voor de
                        duur van de aanspraak op bijstand. Het niet of onvoldoende verlenen van
                        medewerking zal immers de ontwikkeling van belanghebbende belemmeren. </al><al>Met vakantie bedoeld in lid 2 sub c wordt bedoeld: het zich per kalenderjaar
                        langer dan vier weken verblijf houden buiten Nederland dan wel een
                        aaneengesloten periode van langer dan vier weken verblijf houden buiten
                        Nederland (artikel 13, lid 1e WWB).</al><al>De gedragingen bedoeld in de subcategorieën hebben echter niet tot gevolg
                        dat het arbeidsinpassingsplan of plan van aanpak geen doorgang vindt of moet
                        worden beëindigd <vet>(zonder dat er sprake is van voortijdige
                            beëindiging).</vet></al><al>Van onvoldoende medewerking is in ieder geval sprake als de belanghebbende
                        niet op afspraken bij een re-integratiebedrijf en / of sociale dienst
                        verschijnt, opdrachten in het kader van een scholing niet naar behoren
                        uitvoert of zich niet coöperatief opstelt ten aanzien van een diagnostisch
                        onderzoek.</al><al>In de vierde categorie gaat het om het niet aanvaarden van algemeen
                        geaccepteerde arbeid.</al><al>Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan: gesubsidieerd of regulier,
                        fulltime of parttime, tijdelijk of voor onbepaalde duur.</al><al>Het gaat om het door eigen toedoen (verwijtbaar) voorafgaand aan de aanvraag
                        algemeen geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel tijdens de bijstand
                        deeltijdarbeid niet behouden. Hieronder wordt ook verstaan het niet correct
                        uitoefenen van het beroep als zelfstandige.</al><al>Bij de vierde categorie gaat het om dezelfde soort gedragingen als bedoeld
                        in de tweede en derde categorie, echter met dit belangrijke verschil dat de
                        gedraging heeft geleid tot het (definitief) geen doorgang vinden of
                        beëindigen van het arbeidsinpassingsplan.</al><al>In de praktijk zal beëindiging van het arbeidsinpassingsplan veelal pas
                        plaatsvinden nadat de belanghebbende door zijn gedrag herhaaldelijk heeft
                        laten blijken niet mee te willen werken aan voorzieningen gericht op een zo
                        spoedig mogelijke inschakeling in het arbeidsproces. Ook kan een zeer
                        ernstige gedraging, bijvoorbeeld diefstal tijdens een proefplaatsing, tot
                        beëindiging van het traject leiden. In alle gevallen betreft het gedragingen
                        die de kans op uitstroom voor langere tijd vrijwel onmogelijk maken. Zonder
                        een persoonlijk arbeidsinpassingsplan is inschakeling in de arbeid voor de
                        desbetreffende belanghebbende immers niet mogelijk.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>De hoogte en duur van de afstemming</titel></kop><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>Deze bepaling bevat de standaardafstemmingen voor de vier categorieën van
                        gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking
                        verlenen aan voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, sociale
                        activering of het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. </al><al>Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom hetzelfde
                        verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de afstemming
                        individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden
                        naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                        individuele omstandigheden van de betrokkene. Het ligt hierbij voor de hand
                        dat de mate van verwijtbaarheid zwaarder ingeschat wordt na twee eerdere
                        maatregelen.</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Niet nakomen van de inlichtingenplicht</titel></kop><al>In dit hoofdstuk worden twee vormen van het niet nakomen van de
                        informatieplicht onderscheiden:</al><al><vet>1. </vet>Artikel 13: het verstrekken van onjuiste of onvolledige
                        inlichtingen aan de sociale dienst zonder gevolgen voor de bijstand en het
                        niet tijdig verstrekken van inlichtingen aan de sociale dienst. </al><lijst><li nr="3."><al>Artikel 14: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen
                                aan de sociale dienst, waardoor er ten onrechte een uitkering is
                                verstrekt of een te hoog bedrag aan bijstand is verstrekt.</al></li><li nr="4."><al> In deze situatie heeft de uitkeringsgerechtigde niet voldaan aan de
                                inlichtingenplicht van artikel 17 Wwb; artikel 13 IOAW en artikel 13
                                IOAZ Het opzettelijk verzwijgen van relevante informatie tegenover
                                de sociale dienst met het oogmerk een (hogere) uitkering te krijgen
                                (fraude) vormt een schending van de informatieplicht van artikel 17
                                WWB; artikel 13 IOAW/IOAZ.</al></li></lijst><al>Het kan ook voorkomen dat bepaalde gevraagde gegevens niet aan de sociale
                        dienst worden verstrekt. In dat geval kan het college de rechtmatigheid van
                        de uitkering niet vaststellen. De bijstand moet dan worden geweigerd (in de
                        situatie dat een uitkering wordt aangevraagd) of het besluit tot toekenning
                        van de bijstand moet worden ingetrokken (bij een lopende uitkering). Het
                        opleggen van een afstemming is dus bij het niet-verstrekken van gegevens die
                        noodzakelijk zijn voor het vaststellen van de rechtmatigheid van de
                        uitkering niet aan de orde.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen
                            voor de bijstand</titel></kop><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>In dit artikel wordt de zogeheten 'nulfraude' geregeld: het verstrekken van
                        onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen
                        heeft voor de hoogte van de bijstand. Voorbeelden van nulfraude zijn het
                        niet opgeven van een vermogens-bestanddeel onder de vermogensgrens of het
                        niet melden van vrijwilligerswerk.</al><al>Indien een cliënt de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde
                        gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het college
                        het recht op bijstand opschorten (artikel 54, eerste lid, Wwb;artikel 17 lid
                        1 IOAW/IOAZ)). Het college geeft de cliënt vervolgens een termijn waarbinnen
                        hij zijn verzuim kan herstellen (de hersteltermijn). Wordt de gevraagde
                        informatie niet binnen de gestelde termijn aan de sociale dienst verstrekt,
                        dan kan het college bijstand stopzetten (het intrekken van het besluit tot
                        toekenning van de bijstand). Worden de gevraagde gegevens wél binnen de
                        hersteltermijn verstrekt, wordt de bijstand voortgezet, maar wordt tevens
                        een waarschuwing gegeven.</al><al><vet><cursief>Tweede lid</cursief></vet></al><al>In artikel 17, eerste lid, WWB; artikel 13 IOAW/IOAZ is bepaald dat
                        belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet
                        van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet
                        zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het
                        recht op bijstand. Het college zal moeten vaststellen wat het onder
                        'onverwijld' verstaat. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                        hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is veel al het door de sociale dienst
                        te veel betaalde bedrag aan bruto bijstand (artikel 54 en 58 van de WWB en
                        artikel 25 IOAW/IOAZ)).</al><al>Bij het vaststellen van deze verordening verstaat het college onder
                        'onverwijld uit eigen beweging', dat belanghebbende de bedoelde inlichtingen
                        in ieder geval vermeldt op het eerst volgende maandelijkse statusformulier
                        gerekend vanaf het moment waarop het te melden feit:</al><al>* zich heeft voorgedaan, dan wel;</al><al>* kenbaar werd voor belanghebbende.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen
                            voor de bijstand</titel></kop><al><vet><cursief>Eerste lid</cursief></vet></al><al>De afstemming wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
                        inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de Wwb,artikel 13 IOAW/IOAZ
                        wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het bedrag aan bijstand dat als
                        gevolg van de schending van die verplichting ten onrechte of te veel aan de
                        belanghebbende is betaald. Op grond van artikel 18a van de Wwb moet er bij
                        schending van de inlichtingenplicht en bestuurlijke boete worden opgelegd,
                        dat gelijk is aan het benadelingsbedrag. </al><al>Wanneer belanghebbende hierdoor niet kan voorzien in zijn noodzakelijke
                        bestaanskosten, kan het college hem helpen middels “hulp bij
                        broodnood”,</al><al><vet><cursief>Derde en vierde lid</cursief></vet></al><al>Bij een benadelingsbedrag van € 50.000,-- of meer, moet de schending van de
                        inlichtingenplicht strafrechtelijk worden afgedaan. De regering heeft
                        gekozen voor een lik-op-stuk-beleid en voor bestuurlijke handhaving.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Opleggen bestuurlijke boete</titel></kop><al>Vanaf 1 januari 2013 is een artikel 18a in de Wwb ingevoegd. In dit artikel
                        wordt het opleggen van een bestuurlijke boete geregeld. Deze spelregels
                        dienen bij de uitvoering van de artikelen 13 en 14 van deze verordening
                        worden toegepast.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><al>De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen voor de
                        voorziening in het bestaan, geldt ook voordat een bijstandsuitkering wordt
                        aangevraagd. Dit betekent wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de
                        bijstandaanvraag een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                        getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten
                        van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering
                        aanvraagt, de sociale dienst bij de toekenning van de bijstand hiermee
                        rekening kan houden door het opleggen van een afstemming.</al><al>Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
                        gedragingen blijken, zoals:</al><al><vet>- </vet>een onverantwoorde besteding van vermogen: hierbij wordt de
                        verlaging gekoppeld aan de periode gedurende welke eerder een beroep gedaan
                        moet worden op bijstand dan had mogen verwacht;</al><al><vet>- </vet>geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende
                        voorziening;</al><al><vet>- </vet>het opgelegd krijgen van een afstemming voor een voorliggende
                        voorziening;</al><al><vet>- </vet>het niet nakomen van de verplichting tot instellen
                        alimentatievordering;</al><lijst><li nr="-"><al>schenkingen doen waardoor men zelf op bijstand raakt
                                aangewezen;</al></li><li nr="-"><al>zich bewust niet verzekeren.</al></li></lijst><al>In de artikelen 55, 56 en 57 WWB is de mogelijkheid opgenomen om naast de in
                        hoofdstuk 2 van de wet genoemde verplichtingen nog nadere verplichtingen op
                        te leggen die strekken tot arbeidsinschakeling of vermindering/beëindiging
                        van de bijstand. Hieronder kunnen vallen noodzakelijke behandelingen van
                        medische aard, zo staat in de wet. Ook valt te denken aan het niet nakomen
                        van een verhuisverplichting bij een woonkostentoeslag in relatie tot een te
                        hoge huur. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Hoogte en duur van de afstemming</titel></kop><al>Ook bij ernstige misdragingen moet rekening worden gehouden met recidive.
                        Net als bij de andere verwijtbare gedragingen worden de afstemming dan
                        hoger.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Misdragingen</titel></kop><al>Onder de term ‘misdragingen' kunnen diverse vormen van agressie worden
                        verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag
                        dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan
                        worden beschouwd.</al><al>Sociale diensten kunnen alleen een afstemming opleggen indien er een verband
                        bestaat tussen de misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de sociale
                        dienst bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in
                        dit artikel wordt bepaald dat de misdragingen moeten hebben plaatsgevonden
                        onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van
                        WWB IOAW of IOAZ.</al><al>In artikel 18, tweede lid WWB, artikel 20 tweede lid IOAW/IOAZ wordt
                        gesproken over 'het zich jegens het college misdragen'.</al><al>Dit betekent dat alleen agressief gedrag tegenover leden van het college en
                        hun ambtenaren aanleiding zijn voor het opleggen van een afstemming. </al><al>Er kan dus geen afstemming worden opgelegd als een klant zich agressief
                        heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die
                        belast is met de uitvoering van de WWB, IOAW of IOAZ (bijvoorbeeld een
                        re-integratiebedrijf). Het is in dat geval wellicht wel mogelijk om een
                        afstemming op te leggen wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een
                        voorziening gericht op arbeidsinschakeling (artikel 11, derde lid, van deze
                        verordening).</al><al>Bij het vaststellen van de afstemming in de situatie dat een
                        uitkeringsgerechtigde zich heeft misdragen, zal gekeken moeten worden naar
                        de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke
                        omstandigheden van de betrokkene. Wat betreft het vaststellen van de ernst
                        van de gedraging, kunnen de volgende vormen van agressief gedrag in een
                        oplopende reeks (steeds ernstiger) worden onderscheiden:</al><al><vet>a. </vet>verbaal geweld (schelden);</al><al><vet>b. </vet>discriminatie;</al><al><vet>c. </vet>intimidatie (uitoefenen van psychische druk);</al><al><vet>d. </vet>zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);</al><al><vet>e. </vet>mensgericht fysiek geweld;</al><al><vet>f. </vet>combinatie van agressievormen.</al><al>Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten
                        worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad. In
                        dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
                            <cursief>instrumenteel geweld </cursief>en <cursief>frustratiegeweld.
                        </cursief>Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen van
                        geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het
                        verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht,
                        ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met
                        frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid
                        bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij
                        frustratiegeweld.</al><al>Het opleggen van een afstemming staat geheel los van het doen van aangifte
                        bij de politie. Het college legt een afstemming op, terwijl de functionaris
                        tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie. Het is
                        aan te bevelen dat een sociale dienst over een agressieprotocol beschikt
                        waarin is aangegeven hoe wordt omgegaan met lastige en agressieve klanten.
                        In zo'n agressieprotocol kan een relatie worden gelegd met het
                        afstemmingsbeleid ten aanzien van agressieve klanten, in de vorm van
                        beleidsregels. De sociale dienst kan bij de bescherming tegen agressie ook
                        zich baseren op de Arbeidsomstandighedenwet (ARBO). In de ARBO is expliciet
                        geregeld dat werkgevers hun medewerkers moeten beschermen tegen
                        agressie.</al><al>Als er sprake is van recidive zoals genoemd in het derde lid dan kan de
                        cliënt de</al><al>toegang tot het Werkplein en de loketten worden ontzegd door het
                        college.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Handhavingsbeleid</titel></kop><al>De artikel 8a WWB, artikel 35 lid 1 onderdeel c IOAW/IOAZ bepalen dat de
                        gemeenteraad in het kader van het financiële beheer bij verordening regels
                        stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand
                        alsmede van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.</al><al>In de toelichting op het amendement staat het volgende. “Op grond van
                        artikel 212 Gemeentewet moet de gemeenteraad een verordening vaststellen
                        voor de uitgangspunten voor het financieel beleid en -beheer. Daarmee dient
                        te worden gewaarborgd dat aan de eisen van rechtmatigheid wordt voldaan. In
                        dat kader kan ook aandacht besteed worden aan de bestrijding en oneigenlijk
                        gebruik van gemeentelijke regelingen. Een goed financieel beheer bij de
                        uitvoering van de WWB , IOAW en IOAZ brengt met zich dat daarbij ook
                        voortdurend aandacht bestaat voor de bestrijding van misbruik en oneigenlijk
                        gebruik. In de maatregelenverordening is hiervoor een afzonderlijke bepaling
                        opgenomen zodat een aparte Fraudeverordening niet meer vereist is. In het
                        kader van Hoogwaardig Handhaven is een handhavingsplan opgesteld. Op deze
                        wijze wordt het fraudebeleid zodanig geregeld, dat kan worden afgezien van
                        een aparte Fraude-verordening in het kader van de WWB, IOAW en IOAZ.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Personen van 65 jaar en ouder</titel></kop><al>Vanaf 1 januari 2010 voert de Sociale Verzekeringsbank (SVB) voor de Sociale
                        Dienst Oost Achterhoek de aanvullende bijstand 65+ uit. Dus voor mensen met
                        een onvolledige AOW-uitkering. De voordelen hiervan zijn: verbeteren
                        klantvriendelijkheid, efficiencyverbetering en terugdringen
                        niet-gebruik.</al><al>Hoewel het feitelijk nooit gebeurt dat aan iemand in de groep 65+ een
                        maatregel wordt opgelegd, moet het wel geregeld worden voor het geval dat.
                        Vandaar deze technische aanpassing. </al><al>Met het toevoegen van dit artikel 20 aan deze verordening, is het
                        maatregelenbeleid van de SVB van toepassing verklaard op deze groep. De
                        rechtszekerheid van ontvangers komt niet in het geding, nu het niet de
                        verwachting is dat maatregelen worden opgelegd en voorts dat het
                        maatregelenbeleid van de SVB, op de van belang zijnde punten, grotendeels
                        overeen komt met ons beleid.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Volgen van een studie</titel></kop><al>In de Algemene bijstandswet was vroeger opgenomen dat personen die een
                        universitaire</al><al>opleiding of HBO-opleiding volgen, ofwel gedurende meer dan de helft van de
                        normale</al><al>werktijd studeren, geen recht hebben op bijstand. Daarvan kon worden
                        afgeweken als er door het college van burgemeester en wethouders
                        uitdrukkelijk toestemming was verleend voor de studie.</al><al>In de WWB is deze bepaling niet meer opgenomen, omdat het aan gemeenten zelf
                        wordt</al><al>overgelaten in hoeverre studie tijdens de bijstandsperiode wordt toegestaan.
                        Als hier niets voor geregeld wordt, zou dat ertoe kunnen leiden dat
                        studenten – bijvoorbeeld na maximale WSF – hun studie voortzetten met een
                        bijstandsuitkering. Probleem is dat er geen wettelijke uitsluitingsgrond
                        meer bestaat voor studenten, en gemeenten niet de bevoegdheid hebben om zelf
                        een uitsluitingsgrond vast te stellen. Om die reden is in de verordening
                        opgenomen dat er een maatregel van 100% wordt toegepast als een studie wordt
                        gevolgd waarvoor geen toestemming wordt verleend.</al><al>In beleidsregels met betrekking tot de Re-integratieverordening is opgenomen
                        wanneer studie wel is toegestaan.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In dit artikel is de citeertitel van de verordening gemeld.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>De inwerkingtreding</titel></kop><al>De verordening afstemming- en handhavingsverordening WWB, IOAW en IOAZ 2012
                        en volgende jaren treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.</al><al>Als gevolg van de wijzigingen in de Wet werk en bijstand (WWB) en de
                        intrekking van de Wet investeren in jongeren (WIJ) per 1 januari 2012 en de
                        inwerkingtreding van de Wet afschaffing huishoudinkomenstoets dient deze
                        verordening terug te werken tot en met 1 januari 2012.</al><al>De thans geldende Maatregel- en handhavingsverordening Wet werk en bijstand
                        Sociale Dienst Oost Achterhoek 2011 komt hiermee te vervallen evenals de
                        Maatregel- en handhavingsverordening Ioaw en Ioaz Sociale Dienst Oost
                        Achterhoek 2012.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>