<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR239558_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening warenmarkten gemeente Stichtse Vecht 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Stichtse Vecht</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Stichtse Vecht</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Nieuwsblad voor Vecht-, Amstel- en Rijnstreek, 20-12-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Marktverordening Stichtse Vecht 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel147/geldigheidsdatum_20-12-2012">Gemeentewet, art. 147 lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0005416/TitelIII/HoofdstukIX/Artikel149/geldigheidsdatum_20-12-2012">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-18</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>SV106</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>financiën en economie</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Marktreglement Stichtse Vecht 2013 (bevoegdheid college)</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze verordening vervangt de volgende verordeningen:</al><al>Marktverordening gemeente Breukelen 2006 vastgesteld op 28 februari 2006</al><al>Marktverordening Maarssen 2005 vastgesteld op 23 mei 2005</al><al>(voormalige gemeente Loenen had geen markt, dus ook geen marktverordening).</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening warenmarkten gemeente Stichtse Vecht 2013 </intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Stichtse Vecht,</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 13 november
                        2012;</al><al/><al>gehoord de werksessie van 4 december 2012;</al><al/><al>overwegende dat het wenselijk is om regels te stellen voor een ordelijk
                        verloop van de markten,;</al><al/><al>besluit</al><al/><al>vast te stellen de </al><al><vet>Verordening warenmarkten gemeente Stichtse Vecht 2013</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>markt: de door het college ingestelde warenmarkt;</al></li><li nr="b."><al>standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt is
                                    aangewezen voor het uitoefenen van de markthandel;</al></li><li nr="c."><al>vaste standplaats: de standplaats die voor onbepaalde tijd ter
                                    beschikking is gesteld aan een vergunninghouder;</al></li><li nr="d."><al>dagplaats: de standplaats die per marktdag ter beschikking wordt
                                    gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste
                                    standplaats is toegewezen dan wel ingenomen; </al></li><li nr="e."><al>standwerken: de activiteit waarbij de vergunninghouder publiek
                                    om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende
                                    uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een
                                    artikel;</al></li><li nr="f."><al>standwerkersplaats: de standplaats die per marktdag ter
                                    beschikking wordt gesteld om te standwerken;</al></li><li nr="g."><al>vergunninghouder: degene aan wie door het college vergunning is
                                    verleend voor het innemen van een standplaats;</al></li><li nr="h."><al>marktmeester: de persoon die als zodanig is aangewezen door het
                                    college;</al></li><li nr="i."><al><cursief>anciënniteitlijst: de lijst van vergunninghouders van
                                        een vaste standplaats.</cursief></al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inrichting van de markt; branche-indeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt ten aanzien van de markt:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal standplaatsen;</al></li><li nr="b."><al>de afmetingen van de standplaatsen;</al></li><li nr="c."><al>de opstelling en indeling van de markt;</al></li><li nr="d."><al>welke standplaatsen worden toegewezen als vaste standplaats
                                        en als standwerkersplaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan voor de markt vaststellen:</al><lijst><li nr="a."><al>een lijst met artikelengroepen of branches;</al></li><li nr="b."><al>een maximumaantal standplaatsen per branche.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het bepaalde
                            in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een
                                krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing, ter
                                bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning of
                                ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                voorschriften en beperkingen in acht te nemen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>BEPALINGEN OVER VERGUNNINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Standplaatsvergunning</titel></kop><al>Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder
                            vergunning van het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Vereisten</titel></kop><al>Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in aanmerking een
                            handelingsbekwaam natuurlijk persoon die de leeftijd van 18 jaar heeft
                            bereikt en een aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het
                            college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Intrekking vaste standplaatsvergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college trekt een vaste standplaatsvergunning in:</al><lijst><li nr="a."><al>op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;</al></li><li nr="b."><al>bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op grond van
                                        artikel 7 van het marktreglement van de gemeente Stichtse
                                        Vecht de vergunning wordt overgeschreven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een vaste standplaatsvergunning intrekken:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                        gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in
                                        artikel 6 genoemde vereisten.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel 7 van het
                                marktreglement van de gemeente Stichtse Vecht is overgeschreven,
                                reeds vergunning heeft voor een andere vaste standplaats op dezelfde
                                markt, wordt laatstgenoemde vergunning ingetrokken.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 7 kan het college een vergunning
                            voor een vaste standplaats, al dan niet voorwaardelijk, intrekken dan
                            wel telkens voor ten hoogste vier achtereenvolgende marktdagen schorsen,
                            indien de vergunninghouder of een persoon die hem bijstaat:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de
                                    voorschriften van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; of</al></li><li nr="c."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat
                                    wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker</titel></kop><al>Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een
                            standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een
                            standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen, indien
                            deze:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c."><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                    standwerkersplaats;</al></li><li nr="d."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat
                                    wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Onmiddellijke verwijdering</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het
                            college een vergunninghouder gelasten zich onmiddellijk van de markt te
                            verwijderen indien hij:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de
                                    voorschriften van de vergunning overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c."><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                    standwerkersplaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening wordt
                            gestraft met een geldboete van de tweede categorie of hechtenis van ten
                            hoogste drie maanden en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking
                            van de rechterlijke uitspraak.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze
                            verordening zijn belast de marktmeester en de bij besluit van het
                            college aangewezen personen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Intrekking oude regelingen</titel></kop><al>De Marktverordening gemeente Breukelen, vastgesteld op 28 februari 2006
                            en de Marktverordening Maarssen, vastgesteld op 23 mei 2005, worden
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Besluiten van het college die genomen zijn krachtens Verordening
                                marktverordening gemeente Breukelen 2006 of de Marktverordening
                                Maarssen 2005 gelden als besluiten genomen krachtens deze
                                verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening
                                een aanvraag om vergunning op grond van de marktverordening gemeente
                                Breukelen 2006 of de Marktverordening Maarssen 2005 is ingediend en
                                voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening niet
                                definitief op de aanvraag is beslist, wordt daarop deze verordening
                                toegepast.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Marktverordening gemeente
                            Stichtse Vecht 2013.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>18 december 2012</ondertekening><ondertekening>Griffier Voorzitter </ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>ALGEMENE TOELICHTING</titel></kop><al><vet>Verordening warenmarkten gemeente Stichtse Vecht 2013</vet></al><al>Deze verordening is gebaseerd op de modelverordening van de VNG van
                            2008. </al><divisie><kop><titel>Grondslag en belang verordening</titel></kop><al>In artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat
                            gemeentelijke verordeningen door de raad worden vastgesteld voor zover
                            de bevoegdheid daartoe niet bij de wet of door de raad krachtens de wet
                            aan het college of de burgemeester is toegekend. Ingevolge artikel 149
                            van de Gemeentewet maakt de raad de verordeningen die hij in het belang
                            van de gemeente nodig acht.</al><al>De marktverordening beoogt de gemeentelijke belangen te beschermen. Het
                            gaat hier om belangen van openbare orde, zedelijkheid en gezondheid,
                            beperking van overlast, regulering van het woon- en leefklimaat en de
                            (verkeers)veiligheid binnen de gemeente.</al></divisie><divisie><kop><titel>Inhoud</titel></kop><al>Hoofdstuk 1 van de marktverordening bevat een aantal algemene bepalingen
                            die betrekking hebben op de markt in zijn geheel. Hoofdstuk 2 bevat een
                            aantal bepalingen die van belang is voor de vergunningaanvraag en de
                            vergunningverlening aan een rechtspersoon (een organisatie) die is
                            belast met de organisatie van de markt. Hoofdstuk 3 bevat de straf-,
                            overgangs- en slotbepalingen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Overige regelgeving ambulante handel</titel></kop><al>De regulering van andere ambulante handel is te vinden in Algemene
                            plaatselijke verordening (artikel 5:18 APV). </al></divisie><divisie><kop><titel>Samenloop met de algemene plaatselijke verordening (APV)</titel></kop><al>In de marktverordening wordt een regeling gegeven voor de plaatselijke
                            warenmarkt. Het is van belang dat in andere verordeningen wordt
                            opgenomen dat geen vergunning wordt verleend indien op grond van de
                            marktverordening vergunning is vereist. Hiermee kan worden voorkomen dat
                            ‘een met de marktverordening conflicterende’ vergunning dient te worden
                            verleend op grond van een andere verordening, zoals de APV. Deze
                            samenloop kan bijvoorbeeld spelen bij de (losse)stand-plaatsvergunning
                            (artikel 5:18) </al></divisie><divisie><kop><titel>Vrijhouden van het marktterrein</titel></kop><al>Wanneer een gemeente een Wegsleepverordening heeft vastgesteld en het
                            marktterrein heeft aangewezen als weg waar voertuigen kunnen worden
                            weggesleept, dan kunnen ten onrechte geparkeerde auto's op basis van de
                            Wegenverkeerswetgeving én de Wegsleepverordening worden weggesleept (lex
                            specialis).</al></divisie><divisie><kop><titel>Jurisprudentie</titel></kop><al>Kantongerecht Maastricht van 1 november 1995, PG (1996) 4450, inzake
                            schadevergoeding in verband met de zorgplicht van de gemeente met
                            betrekking tot het autovrij maken van het marktterrein.</al></divisie><divisie><kop><titel>Toepassing</titel></kop><al>In het geval een gemeente over meer dan één markt beschikt, is deze
                            verordening op elk van deze markten afzonderlijk van toepassing.
                            Uiteraard dient dan de tekst van de verordening hierop te worden
                            aangepast.</al></divisie><divisie><kop><titel>Dienstenrichtlijn</titel></kop><al>[Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12
                            december 2006 betreffende diensten op de interne markt, PB L376/36, 27
                            december 2006]</al><al>De Europese Dienstenrichtlijn is op 28 december 2006 in werking getreden
                            met als doel de nog bestaande belemmeringen van het vrije verkeer van
                            diensten op te heffen. Zo is over de vrijheid van vestiging (hoofdstuk
                            3) bepaald dat lidstaten de toegang tot of de uitoefening van een
                            dienstenactiviteit in beginsel niet afhankelijk mag stellen van een
                            vergunningstelsel (artikel 9).</al><al>Ook voor gemeenten zal dit gevolgen hebben: zij moeten binnen 3 jaar
                            door middel van een screening nagaan of hun regelgeving in
                            overeenstemming is met de bepaling van de richtlijn en deze zonodig
                            aanpassen. Voor de voorliggende Marktverordening heeft de VNG de
                            screening gedaan.</al><al>Allereerst is gekeken of de verordening een dienst regelt, die onder de
                            reikwijdte van de Dienstenrichtlijn valt. Het begrip ‘dienst’ moet
                            worden uitgelegd als ‘dienstverrichting welke gewoonlijk tegen
                            vergoeding geschiedt’ en sluit hiermee aan bij artikel 50 EG en de
                            interpretatie van het EG Hof van Jusititie. De modelmarktverordening
                            2008 (individuele vergunning) regelt de warenmarkt; het gaat dus om de
                            verkoop van goederen. Derhalve bevat dit model geen bepalingen omtrent
                            de toegang tot of de uitoefening van een dienst. Daarmee valt dit model
                            buiten de werkingsfeer van de Dienstenrichtlijn en hoeft er niet verder
                            te worden gescreend.</al></divisie><divisie><kop><titel>Verificatieplicht Vreemdelingenwet 2000</titel></kop><al>In het kader van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient bij de
                            aanvraag om een vergunning een verblijfsrechtelijke toets plaats te
                            vinden alvorens tot vergunningeverlening wordt overgegaan. Artikel 9,
                            tweede lid, van de Vw 2000 schept een verplichting om desgevraagd bij
                            een aanvraag voor een beschikking anders dan op grond van de Vw 2000,
                            een document te overleggen waaruit het rechtmatige verblijf blijkt. Bij
                            de vergunningverlening met betrekking tot de markt dient een gemeente
                            hier rekening mee te houden.</al></divisie><divisie><kop><titel>ARTIKELGEWIJZE TOELICHTING</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Verordening warenmarkten gemeente Stichtse Vecht 2013</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen dat in de verordening wordt
                            gehanteerd, gedefinieerd.</al><al>Onder c is het begrip vaste standplaats opgenomen. Door gebruik van het
                            woord ‘persoon’ in plaats van het begrip ‘ambtenaar’ bij de
                            begripsomschrijving van marktmeester onder h kan een niet-ambtenaar ook
                            tot marktmeester worden aangewezen. Bij aanwijzing (= mandaat) van een
                            niet-ondergeschikte dient deze (en zijn werkgever) in te stemmen met de
                            mandaatverlening overeenkomstig artikel 10:4 van de Awb.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inrichting van de markt; branche-indeling</titel></kop><al>De in dit artikel opgenomen bevoegdheden zijn niet uitgewerkt, maar als
                            aandachtspunten in het modelbesluit opgenomen, zodat iedere gemeente de
                            gewenste uitwerking kan geven aan de bepalingen. Hierbij verdient het
                            aanbeveling dat gemeenten hiertoe de Handreiking veiligheid markten als
                            basis hanteren. Deze handreiking is een uitgave die tot stand is gekomen
                            met behulp van de HBD, CVAH en de VNG, en opgesteld door het onderzoeks-
                            en adviesbureau SGBO in 2008. De handreiking geeft richtlijnen voor
                            maatregelen voor zowel gemeenten als ondernemers.</al><al>Op grond van het eerste lid, onder a, stelt het college het aantal
                            standplaatsen op de markt vast met onder meer als doel het aantrekkelijk
                            maken van de markt voor de consumenten. Het aantal branches is in
                            principe onbeperkt, tenzij het gaat om een gespecialiseerde markt.</al><al>Bij de opstelling en indeling van de markt als bedoeld in het eerste
                            lid, onder c, wordt rekening gehouden met de verschillende branches.
                            Voor de orde op de markt is het van belang te bepalen welke materialen
                            (kraam of ook andere verkoopmaterialen) worden toegelaten en waar deze
                            kunnen worden opgesteld. Naast de traditionele (huur)kraam onderscheidt
                            de Centrale vereniging voor de ambulante handel (CVAH) bijvoorbeeld de
                            instantkraam, de verrijdbare kraam en de verkoopwagens. De onder b
                            genoemde afmetingen van de standplaatsen kunnen overigens ook een
                            beperking geven voor bepaalde materialen.</al><al>Het tweede lid is facultatief bedoeld. Het schept de mogelijkheid een
                            beperkt aantal kooplieden per branche toe te laten. Hierdoor wordt
                            bereikt dat op de markt een zo groot mogelijke verscheidenheid aan
                            branches aanwezig is en wordt voorkomen dat te veel kooplieden van één
                            branche op de markt optreden. Hierdoor wordt de markt aantrekkelijker
                            voor de consument.</al><al><onderstreept>Jurisprudentie</onderstreept></al><al>• ABRS 4 december 2002, nr. 200200350/1/H3, JG 03.00 , m.nt. M.
                            Geertsema. Het besluit van het college tot toevoeging van een
                            artikelgroep of branche op de markt is een algemeen verbindend
                            voorschrift (a.v.v.). Het betreft hier de wijziging van een
                            gemeentelijke, bindende regeling, met externe werking en een algemeen
                            karakter, zodat het bepaalde in artikel 8:2, aanhef en onder a, van de
                            Awb aan bezwaar en beroep in de weg staat.</al><al>• Rechtbank Rotterdam, sector bestuursrecht - Bloemenmarkt Amsterdam -
                            14 augustus 2001, JG 02.0013 m.nt. H. Borburgh. De Mededingingswet is
                            niet van toepassing op overheidshandelen dat (primair) strekt tot het
                            behartigen van een algemeen (publiek) belang van niet-economische aard
                            en dat kan worden herleid tot of gerelateerd aan (andere) taken en
                            bevoegdheden van het betrokken overheidsorgaan. De gemeente is op dit
                            terrein geen ondernemer.</al><al>• Vz. Rb. Maastricht, 14 november 2003, LJN: AN8555, AWB03/1497.
                            Branchebesluit is in beginsel niet appelabel. Het kan echter wel in het
                            kader van een beroep tegen een concreet, verzoekster rechtsreeks in haar
                            belang betreffend besluit beoordeeld worden. Branchering is niet
                            ongebruikelijk, zodat de gevolgen in beginsel tot het normale
                            bedrijfsrisico behoren.</al><al>• ABRS 28 februari 2000, JG 00.0130 m.nt. M. Geertsema, GS 7118, 4 m.nt.
                            H.H., JB 2000, 114 m.nt. J.M.E.D.) Een besluit tot vaststelling van het
                            aantal standplaatsen op de markt, opstelling, indeling en afmetingen is
                            als algemeen verbindend voorschrift niet vatbaar voor bezwaar en beroep.
                            Het betreft hier niet een besluit waarin nader naar tijd, plaats of
                            object de toepasselijkheid van in de verordening reeds besloten liggende
                            normen worden bepaald, maar de vaststelling van zelfstandige
                            normen.</al><al>• ABRS 18 mei 1995, JG 95,0363 m.nt. R. Timmermans, inzake de wijziging
                            van het aantal standplaatsen per branche). De regels ten behoeve van een
                            brancheverdeling lenen zich voor herhaalde toepassing. De
                            brancheverdeling is daarmee aan te merken als een algemeen verbindend
                            voorschrift. Op grond van de Awb is bezwaar en beroep hiertegen
                            uitgesloten.</al><al>• Rechtbank Dordrecht, 30 mei 1997, JG 97.0205 m.nt. M. de Jong, inzake
                            het weren van een markavan;</al><al>• ABRS 16 januari 1997, JG 97.0208, inzake de indeling van de markt.
                            Teneinde de orde op de markt te waarborgen, dient de mogelijkheid te
                            worden gecreëerd dat voor het handeldrijven met verkoopwagens
                            afzonderlijke gedeelten van het marktterrein kunnen worden
                            aangewezen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>De marktverordening 2003 bevatte een vrij uitgebreide regeling van de
                            markt. Uiteraard is het ook mogelijk dat de raad een marktverordening op
                            hoofdlijnen vaststelt en daarbij meerdere zaken door het college laat
                            regelen. Het college kan er ook voor kiezen beleidsregels in plaats van
                            nadere regels vast te stellen.</al><al>Met de herziening van het model in 2008 is er voor gekozen om de
                            modelverordening in te korten en een gedeelte van de bepalingen over te
                            hevelen naar een marktreglement. Op grond artikel 3 is het college
                            bevoegd deze nadere regels te stellen.</al></divisie><divisie><kop><titel>Beleidsregels versus nadere regels</titel></kop><al>Aangezien vaak onduidelijkheid bestaat over het verschil tussen beide
                            soorten regels volgt hieronder een korte uiteenzetting van beleidsregels
                            en nadere regels. Het college kan beleidsregels opstellen ten aanzien
                            van de gekregen bevoegdheden. Verder kan het college nadere regels
                            stellen op grond van art. 3 van de marktverordening. Voor alle
                            duidelijkheid: beleidsregels zijn algemene regels omtrent de toepassing
                            van bevoegdheden (zie de definitie in art. 1:3, vierde lid, van de
                            Algemene wet bestuursrecht). Nadere regels zijn algemene regels die te
                            karakteriseren zijn als algemeen verbindende voorschriften.
                            Beleidsregels kennen een inherente afwijkingsbevoegdheid in
                            tegenstelling tot nadere regels. Op grond van artikel 4:84 van de Awb
                            dient een bestuursorgaan een uitzondering op een beleidsregel te maken
                            indien bijzondere omstandigheden daartoe nopen. Dit wordt de inherente
                            afwijkingsbevoegdheid van de beleidsregel genoemd. Hierdoor zijn
                            beleidsregels flexibeler dan nadere regels (algemeen verbindende
                            voorschriften). Immers, van nadere regels is geen afwijking
                            mogelijk.</al></divisie><divisie><kop><titel>Jurisprudentie</titel></kop><al>Nadere regels worden opgevat als algemeen verbindende voorschriften. Zie
                            bijvoorbeeld ABRS 4 juli 1994, JG 95.0133, m.nt. A.B. Engberts, AB
                            (1994) 698 m.nt. R.M. van Male.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><al>Door aan een vergunning of ontheffing voorschriften en beperkingen te
                            verbinden, kan een verfijning in de gewenste rechtstoestand worden
                            aangebracht. De in het eerste lid genoemde belangen in verband waarmee
                            de vergunning of ontheffing is vereist, zijn de gemeentelijke belangen
                            van openbare orde, zedelijkheid en gezondheid, beperking van overlast,
                            regulering van het woon- en leefklimaat en de veiligheid binnen de
                            gemeente. Zie ook de inleiding bij deze toelichting onder Grondslag en
                            belang verordening.</al><al>Niet-nakoming van voorschriften die aan een vergunning/ontheffing
                            verbonden zijn, kan grond opleveren voor intrekking van de
                            vergunning/ontheffing of voor toepassing van andere bestuursrechtelijke
                            sancties. De strafbepaling van artikel 11 is eveneens van
                            toepassing.</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2</nr><titel>BEPALINGEN OVER VERGUNNINGEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Standplaatsvergunning</titel></kop><al>De vergunning geeft het recht om een standplaats op de markt in te
                            nemen. De vergunninghouder moet voldoen aan de voorschriften en
                            beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden (artikel 4). De
                            vergunning is persoonlijk en niet overdraagbaar.</al><al>De verkoop van waren op een markt dient uitsluitend te geschieden door
                            degenen aan wie door het college vergunning daarvoor is verleend. Iedere
                            andere wijze van verkopen op markten is verboden. Een uitzondering op
                            deze regel kan worden gemaakt voor degenen, die de kooplieden van
                            koffie, soepen en dergelijke voorzien.</al><al><onderstreept>Jurisprudentie</onderstreept></al><al>Met de verplichting de standplaats persoonlijk in te nemen strookt niet
                            de gebruikmaking van een ontheffing om rond te gaan met koffie en
                            dergelijke op het marktterrein. (ABRS 20 januari 1998, jbMarkten
                            bladzijde 9)</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Vereisten</titel></kop><al>Vanuit het oogpunt van lastenverlichting was het wenselijk de
                            indieningvereisten uit de modelmarktverordening 2003 eens nader onder de
                            loep te nemen. In dat kader zijn de voorheen geldende verplichtingen tot
                            het overleggen van de inschrijving in het handelsregister en de
                            CRK-kaart (registratiekaart van het Centraal Registratiekantoor (CRK)
                            bij het Hoofdbedrijfschap Detailhandel (HBD) komen te vervallen. Deze
                            vereisten veroorzaakten onnodig veel administratieve lasten voor de
                            aanvrager, terwijl het niet in verhouding stond tot het te dienen doel.
                            Daarnaast dienden deze inschrijvingen ook niet het doel, waarmee wordt
                            beoogd markten te houden. De inschrijvingen zien op economische aspecten
                            en dit valt buiten de huishouding van een gemeente.</al><al>In plaats daarvan is nu slechts het vereiste van een handelingsbekwaam
                            natuurlijk persoon opgenomen, die de leeftijd van 18 jaren heeft
                            bereikt. Hiermee is dwingend vastgelegd dat alleen natuurlijke personen
                            tot de markt worden toegelaten en wordt voorkomen dat rechtspersonen een
                            overheersende positie op de markt kunnen innemen. Door de koppeling van
                            de vergunning aan een natuurlijk persoon wordt een zo eerlijk mogelijke
                            verdeling van alle marktstandplaatsen in Nederland bereikt. Uiteraard
                            kan het wel zo zijn dat de natuurlijke persoon een onderneming drijft in
                            de vorm van een rechtspersoon. Ook dan wordt de natuurlijke persoon (de
                            bedrijfsleider) aangemerkt als vergunninghouder. Het is echter niet
                            mogelijk de vergunning op naam van de rechtspersoon te stellen.</al><al><onderstreept>Jurisprudentie</onderstreept></al><al>ABRS 18 april 1995, JG (1995) 91, inzake onderscheid natuurlijk
                            persoon/rechtspersoon.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Intrekking vaste standplaatsvergunning</titel></kop><al>Als de in het eerste lid genoemde gronden zich voor doen, wordt altijd
                            tot intrekking van de vaste standplaatsvergunning overgegaan. In het
                            tweede lid worden intrekkingsbevoegdheden (‘kan’ betekent: is bevoegd,
                            dat wil zeggen is niet verplicht) genoemd ten aanzien van de
                            vergunning.</al><al>Bij dag- en standwerkersplaatsen ligt intrekking van de vergunning
                            minder voor de hand. Daarom is deze bepaling beperkt tot de vaste
                            standplaatsvergunning. Ten aanzien van dagplaatsen en
                            standwerkersplaatsen zal echter eerder worden overgegaan tot
                            bestuursdwang of onmiddellijke verwijdering op grond van artikel
                            10.</al><al><onderstreept>Jurisprudentie</onderstreept></al><al>Hoewel wettelijke grondslag ontbreekt voor intrekking van
                            standplaatsvergunning, mag het college deze vergunning intrekken wegens
                            een administratieve fout, mits hierbij algemene beginselen van
                            behoorlijk bestuur in acht worden genomen. In casu was de intrekking
                            niet in strijd met deze beginselen. (ABRS 12 december 2001, JB 2002, 27
                            m.nt. C.L.G.F.H.)</al></divisie><divisie><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Intrekking en schorsing vaste standplaatsvergunning</titel></kop><al>In artikel 8 worden de gronden genoemd op basis waarvan een vergunning
                            voor een vaste standplaats kan worden ingetrokken of geschorst. De
                            zinsnede ‘Onverminderd het bepaalde in artikel 7’ geeft aan dat ook de
                            intrekking op grond van artikel 7 een punitieve sanctie is. Het verdient
                            aanbeveling een sanctiebeleid vast te stellen waarin wordt aangegeven in
                            welke gevallen de vergunning wordt geschorst dan wel ingetrokken.</al><al>Het artikel heeft een facultatief karakter. Het hangt van de
                            omstandigheden af of tot intrekking of schorsing wordt overgegaan.</al><al>In onderdeel c wordt ervan uitgegaan dat het niet betalen van marktgeld
                            een grond kan zijn voor intrekking of schorsing van een
                            standplaatsvergunning voor de markt. De uitspraak van de Afdeling
                            bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 juli 1999 (JG 99.0184
                            m.nt. M. Geertsema) inzake het hoger beroep van S. Gonesh tegen de
                            uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 6 november 1998, vormt naar ons
                            inzicht voldoende basis om deze intrekkings- of schorsingsgrond in het
                            model op te nemen. De Afdeling overwoog in deze zaak dat ingevolge de
                            Verordening op de straathandel van de gemeente Amsterdam een vergunning
                            voor een vaste standplaats kan worden ingetrokken ‘wegens het niet
                            voldoen aan verplichtingen die voor de vergunninghouder voortvloeien uit
                            de voor die markt geldende heffingsverordening’. Het stond tussen
                            partijen vast dat Gonesh ten tijde van het nemen van de beslissing op
                            bezwaar reeds gedurende langere tijd niet aan zijn uit de geldende
                            heffingsverordening voortvloeiende betalingsverplichtingen had voldaan.
                            Het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuidoost van de gemeente
                            Amsterdam kon de aan Gonesh verleende vergunning derhalve
                            intrekken.</al><al>Het moge duidelijk zijn dat deze intrekkings- of schorsingsgrond niet
                            lichtvaardig mag worden gebruikt. Het kan wel een oplossing bieden voor
                            (notoire) ‘wanbetalers’. Voor alle duidelijkheid wijzen wij erop dat
                            deze uitspraak zich naar ons inzicht alleen uitstrekt tot
                            betalingsverplichtingen op basis van publiekrechtelijke regelingen. De
                            vraag of intrekking of schorsing ook mogelijk is bij het niet nakomen
                            van privaatrechtelijke betalingsverplichtingen (huur of pacht) blijft in
                            deze uitspraak onbeantwoord.</al><al><onderstreept>Jurisprudentie</onderstreept></al><al>• ABRS 15 augustus 2001, JU 021011. Terechte voorwaardelijke tijdelijke
                            schorsing van marktstandplaats wegens overtreding van Reglement
                            warenmarkten Den Haag. Standplaatshouder is tevoren diverse malen
                            gewaarschuwd. Opgelegde sanctie is niet onevenredig zwaar.
                            Schorsingsregime is niet onverbindend wegens strijd met art. 156
                            Gemeentewet.</al><al>• Vz. Rb.‘s-Gravenhage 28 maart 2007, LJN: BA2568, AWB07/2195. Schorsing
                            van de marktvergunning in verband met vermeende bedreiging van een
                            medewerker van de Dienst Stadsbeheer. Van in een telefoongesprek
                            gebruikte bedreiging kan niet worden gezegd dat het belang van de
                            openbare orde van de markt in het geding was. In casu staat de schorsing
                            niet in redelijke verhouding tot de gedane uitlatingen.</al><al>• ABRS 30 maart 2001, AB 2001, 189 m.nt. L.D. De intrekking van een
                            standplaatsvergunning op de Albert Cuypmarkt in Amsterdam voor een week
                            is een maatregel met een punitief karakter die door de rechter op zijn
                            evenredigheid dient te worden getoetst, doch de enkele omstandigheid dat
                            de strafrechter betrokkene een taakstraf heeft opgelegd, leidt niet tot
                            het oordeel dat het bestuursorgaan reeds daarom niet tot het opleggen
                            van een maatregel mocht overgaan. De opgelegde maatregel moet
                            zelfstandig op evenredigheid worden beoordeeld. De Afdeling neemt voor
                            dat oordeel mede in aanmerking dat het bestuursorgaan een eigen taak
                            heeft bij het handhaven van de rust en orde op de markt. Niet kan worden
                            gezegd dat deze maatregel niet in een redelijke verhouding staat tot het
                            wangedrag. Het geven van slechts een waarschuwing staat niet alleen niet
                            in verhouding tot de ernst van de overtreding, maar maakt ook de
                            handhaving van de verordening illusoir.</al><al>• Indien het bestuursorgaan overweegt om de vergunning in te trekken of
                            te schorsen, dient het daarbij te letten op het bepaalde in artikel 4:8
                            van de Algemene wet bestuursrecht. Zie Rechtbank Amsterdam 17 februari
                            1994, JB (1994) 58, inzake intrekken zonder horen ex artikel 4:8
                            Awb.</al><al>• Rb. Middelburg 1 september 2005, LJN: AU5267, AWB 04/932. Schorsing
                            kan als een punitieve sanctie worden aangemerkt. Dit brengt met zich mee
                            dat ten aanzien van de relevante feiten die aan de waarschuwingen ten
                            grondslag liggen hoge eisen worden gesteld, zoals een deugdelijk
                            sanctiebeleid.</al><al>• ABRS 8 september 2004 , LJN: AQ9962, rolnr: 200308336/1.
                            Waarschuwingen al dan niet mondeling, gebaseerd op een op schrift
                            gesteld en bekend gemaakt sanctiesysteem, worden aangemerkt als
                            besluiten in de zin van de Awb.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker</titel></kop><al>In artikel 8 is de intrekking of schorsing van een vergunning voor een
                            vaste standplaats geregeld. Intrekking of schorsing ligt uiteraard
                            minder voor de hand bij niet-vaste standplaatsen, maar in de praktijk is
                            het van belang gebleken om naast de bevoegdheid tot onmiddellijke
                            verwijdering (artikel 10) ook een vergunninghouder van een dagplaats of
                            standwerkersplaats langduriger van de markt te kunnen verwijderen. Dit
                            kan zich bijvoorbeeld voordoen indien een vergunninghouder voor een
                            vaste standplaats op de vuist gaat met een dagplaatshouder of
                            standwerker.</al><al>In dit artikel 9 is dan ook de mogelijkheid opgenomen om in de daarin
                            genoemde gevallen de vergunninghouder voor maximaal vier marktdagen uit
                            te sluiten van de toewijzing van een dagplaats of een
                            standwerkersplaats.. In de beschikking tot uitsluiting moet worden
                            aangegeven om hoeveel dagen het gaat (maximaal vier) en om welke
                            concrete dagen.</al><al>Het in onderdeel d genoemde kan worden opgenomen ter bestraffing van
                            niet-betalende dagplaatshouders of standwerkers. Zie verder de
                            toelichting onder artikel 8, onderdeel c.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Onmiddellijke verwijdering</titel></kop><al>In artikel 125 van de Gemeentewet is bepaald dat ter uitvoering van
                            wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale en gemeentelijke
                            verordeningen het gemeentebestuur de bevoegdheid heeft om bestuursdwang
                            toe te passen. Dit artikel bevat voor het college de
                            bevoegdheidsgrondslag om bestuursdwang toe te passen bij overtreding van
                            de marktverordening en de daarop gebaseerde voorschriften. In de
                            artikelen 5:21 tot en met 5:36 van de Awb worden regels over de
                            besluitvorming omtrent en de toepassing van bestuursdwang (en dwangsom)
                            gegeven. De in artikel 10 geregelde onmiddellijke verwijdering is een
                            vorm van bestuursdwang, waarbij de spoedeisendheid als bedoeld in
                            artikel 5:24, zesde lid, van de Awb wordt verondersteld. Achteraf dient
                            dan het besluit tot het toepassen van bestuursdwang op papier te worden
                            gesteld. Van deze bevoegdheid dient uiteraard alleen in zeer
                            spoedeisende gevallen gebruik te worden gemaakt. Overigens is in artikel
                            5:23 van de Awb geregeld dat de bepalingen over bestuursdwang niet van
                            toepassing zijn indien wordt opgetreden ter onmiddellijke handhaving van
                            de openbare orde.</al><al>Op grond van artikel 4:8 van de Awb dienen belanghebbenden bij
                            toepassing van artikel 10 in beginsel in de gelegenheid te worden
                            gesteld hun zienswijze (mondeling dan wel schriftelijk) kenbaar te
                            maken. Artikel 4:11 Awb bepaalt dat dit horen niet nodig is in
                            spoedeisende situaties.</al><al>Onderdeel c is gewijd aan de niet-actieve standwerker. Duidelijk kwam in
                            het COM de wens naar voren om dergelijke ‘verkapte stille kramers’ aan
                            te kunnen pakken.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Ten aanzien van de in artikel 11 opgenomen strafbepaling geldt dat van
                            overtreding alleen sprake kan zijn indien de verordening een ge- of
                            verbodsnorm (een verplichtende norm) inhoudt. Tegen overtredingen van de
                            in deze verordening opgenomen bepalingen, alsmede tegen handelingen die
                            de orde op de markt op enigerlei wijze kunnen verstoren, verdient voor
                            wat de organisatie betreft een administratieve afhandeling de
                            voorkeur.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><al>In artikel 5:11 van de Awb wordt aangegeven dat onder toezichthouder
                            wordt verstaan: een natuurlijk persoon, die bij of krachtens een
                            wettelijk voorschrift is belast met het houden van toezicht op de
                            naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
                            Een persoon die aangewezen is als toezichthouder beschikt in beginsel
                            over alle in afdeling 5.2 van de Awb opgenomen bevoegdheden. Op grond
                            van artikel 5:14 van de Awb kunnen deze bevoegdheden bij verordening of
                            bij besluit van het college worden beperkt. In dit verband is tevens
                            artikel 5:16a van de Awb van belang. Hierin staat beschreven dat een
                            toezichthouder bevoegd is van personen inzage te vorderen van een
                            identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
                            identificatieplicht.</al><al>Het ligt voor de hand de marktmeester als toezichthouder aan te wijzen.
                            Door toevoeging van de marktmeester is verzekerd dat deze na beëdiging
                            als opsporingsambtenaar kan fungeren.</al><al>Een bepaling over buitengewone opsporingsambtenaren is overbodig en in
                            strijd met Aanwijzing 92 van de Aanwijzingen voor de decentrale
                            regelgeving. Immers, in artikel 142, eerste lid, aanhef en onder c, van
                            het Wetboek van Strafvordering, is onder meer bepaald dat met de
                            opsporing van strafbare feiten als buitengewoon opsporingsambtenaar zijn
                            belast de personen die bij verordeningen zijn belast met het toezicht op
                            de naleving daarvan, een en ander voor zover het die feiten betreft en
                            de personen zijn beëdigd. Aangezien buitengewone opsporingsambtenaren
                            hun aanwijzing aan het Wetboek van Strafvordering ontlenen, is een
                            nadere regeling niet nodig. De aanwijzing als toezichthouder op grond
                            van artikel 26 is de grondslag voor de aanwijzing als buitengewoon
                            opsporingsambtenaar. De opsporingsbevoegdheid van de buitengewone
                            opsporingsambtenaren beperkt zich tot die zaken waarvoor zij
                            toezichthouder zijn. Zij dienen op grond van het Besluit buitengewoon
                            opsporingsambtenaar aan eisen van vakbekwaamheid en betrouwbaarheid te
                            voldoen en te zijn beëdigd door de procureur-generaal.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Intrekking oude regeling</titel></kop><al>De datum waarop de oude regeling vervalt, is de datum waarop de
                            verordening in werking treedt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><al>Een overgangsregeling als hier opgenomen, achten wij noodzakelijk voor
                            de rechtszekerheid van de betrokkenen. Het is van belang oude rechten te
                            eerbiedigen. Indien de gemeente bestaande wachtlijsten en
                            anciënniteitslijsten heeft, dient hiervoor apart overgangsrecht te
                            worden gecreëerd.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>De marktverordening is een besluit van het gemeentebestuur op
                            overtreding waarvan straf is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op
                            dezelfde wijze bekendgemaakt als alle overige besluiten van het
                            gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden (artikel
                            139 Gemeentewet). <vet>Wel is van belang dat de gemeente gehouden is dit
                                besluit mee te delen aan het parket van het arrondissement waarin de
                                gemeente is gelegen (artikel 143 Gemeentewet).</vet></al><al>In verband met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht is het uiteraard
                            niet mogelijk aan de bepalingen van een strafverordening terugwerkende
                            kracht te verlenen.</al><al>Het besluit van de raad tot vaststelling van de Marktverordening is
                            terecht aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift waartegen
                            ingevolge art. 8:2, aanhef en onder a, van de Awb geen beroep en daaraan
                            voorafgaand bezwaar openstaat. (ABRS 21 augustus 2000, AB 2001, 345
                            m.nt. L.D.)</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>In de citeertitel wordt een jaartal opgenomen om de betrokken regeling
                            te onderscheiden van de voorgaande regeling.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>