<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR239359_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening Lingewaard 2004(inclusief 6e wijziging)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-02-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Lingewaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening Lingewaard 2004(inclusief 6e wijziging)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>openbare orde en veiligheid</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-11-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-04-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-04-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-02-13</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>..../2012</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Bouwverordening Lingewaard 2004 (inclusief 6e wijziging)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label/><nr>1</nr><titel>Inleidende bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="-"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet,
                                        artikel 1, eerste lid, onderdeel e , dan wel, bij het
                                        ontbreken van een bestuursorgaan als</al><al> bedoeld in dit artikellid, burgemeester en wethouders;</al></li><li nr="-"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld
                                        in artikel 2 van de Woningwet;</al></li><li nr="-"><al>bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid,
                                        van de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet
                                        algemene</al></li></lijst></li></lijst><al> bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en woningtoezicht;</al><lijst><li nr="-"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal
                                of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                                hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te
                                functioneren;</al></li><li nr="-"><al>gebruiksoppervlakte: de gebruiksoppervlakte als bedoeld in het
                                Bouwbesluit;</al></li><li nr="-"><al>hoogte van de weg: de hoogte van de weg zoals die door of namens
                                burgemeester en wethouders is vastgesteld;</al></li><li nr="-"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                uitgegeven norm;</al></li><li nr="-"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                uitgegeven voornorm;</al></li><li nr="-"><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van
                                de</al><al> Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="-"><al>straatpeil:</al><lijst><li nr="a."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg
                                        grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die</al><al> hoofdtoegang; </al></li><li nr="b."><al>voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan
                                        de weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van
                                        die</al></li></lijst></li></lijst><al> hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;</al><lijst><li nr="-"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen
                                of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en</al><al> duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten,
                                alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide </al><al> parkeerterreinen.</al><lijst><li nr="2."><al>In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al></li></lijst></li></lijst><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk gebouw: een gedeelte van een
                        gebouw</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 1.2 Termijnen</label></kop><al>(vervallen)</al><al>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente</al><lijst><li nr="1."><al>Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                                gemeente:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebied binnen de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>het gebied buiten de bebouwde kom.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij
                                deze verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al></li></lijst><al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning</label></kop><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens</al><al> (vervallen)</al><al>Artikel 2.1.3 Bij de aanvraag in te dienen bescheiden</al><al> (vervallen)</al><al>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                        vergunningaanvragen</al><al>(vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.1.5 Bodemonderzoek</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in artikel
                                8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al><lijst><li nr="a."><al>de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
                                        verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming
                                        met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.</al></li><li nr="b."><al>(vervallen).</al></li><li nr="c."><al>Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                        veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen
                                        asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is,
                                        vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in
                                        NEN 5707, uitgave 2003.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in
                                artikel 2.4, onder d van de Regeling omgevingsrecht geldt niet
                                indien het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en
                                omvang gelijk is aan een bouwwerk als genoemd in het Besluit
                                omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II . Deze verwijzing
                                geldt niet voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht,
                                artikelen 2 en 3 van bijlage II .</al></li><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de
                                plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport bedoeld in artikel
                                2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht toe, indien voor
                                toepassing van artikel 2.4.1 bij het bevoegd gezag reeds bruibare
                                recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot
                                het indienen van een onderzoeksrapport als bedoeld in artikel 2.5,
                                onder d van de Regeling omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk
                                met een beperkte instandhoudingstermijn, als bedoeld in artikel 2.23
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
                                Besluit omgevingsrecht , indien uit het in NEN 5725, uitgave 2009,
                                bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en naar de
                                bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht is dan wel de
                                gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740,
                                uitgave 2009 niet rechtvaardigen.</al></li></lijst><al>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de aanvraag om
                        bouwvergunning</al><al> (vervallen)</al><al>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie</al><al> (vervallen)</al><al>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om bouwvergunning
                        woonwagens en standplaatsen</al><al>(vervallen)</al><al>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning</al><al>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening</al><al> (vervallen)</al><al>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen</al><al> (vervallen)</al><al>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering bouwvergunningverlening</al><al> (vervallen)</al><al>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek</al><al> (vervallen)</al><al>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning</al><al>(vervallen).</al><al>Paragraaf 3 Welstandstoetsing</al><al>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem</label></kop><al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                        verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd
                        voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al><lijst><li nr="a."><al>waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven;</al></li><li nr="b."><al>voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                                vereist; en</al></li></lijst><al>c. 1. dat de grond raakt, of</al><al>2.waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
                        gehandhaafd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen</label></kop><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het bepaalde
                        in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht , kan het bevoegd
                        gezag voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in
                        het geval zij op grond van het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde
                        onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel
                        op grond van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                        bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39, eerste
                        lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het
                        beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan
                        worden gemaakt.</al><al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                        bereikbaarheidseisen</al><al>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                        stedenbouwkundige bepalingen</al><al>vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling</label></kop><al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen in
                        aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de verlening van een
                        omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander bouwwerk in aanmerking
                        worden genomen.</al><al>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                        Brandblusvoorzieningen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.5.3A Brandweeringang</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>De voorgevelrooilijn is:</al><al>a.langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van
                        de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van</al><al> de weg gelegen lijn, welke, zoveel mogelijk aansluitend aan de ligging van
                        de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig </al><al> beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al><al>b.langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig
                        is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste</al><al> 10 meter, de lijn gelegen op 15 meter uit de as van de weg; bij een
                        wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10 meter uit de as van
                        de weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een bouwwerk,
                        voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><al>a.onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat
                        zouden moeten</al><al> worden als het aanbrengen van veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel
                        7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al><al>b.andere onderdelen van een bouwwerk voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet
                        vallen onder</al><al> de werking van de veranderingen bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van
                        bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de
                                weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de voorgevelrooilijn</label></kop><al>1.In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het</al><al> bouwen verlenen voor: </al><lijst><li nr="a."><al>ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan
                                het straatpeil;</al></li><li nr="b."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht,
                                die naar hun</al><al> aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn gelegen erf
                                toelaatbaar zijn; </al></li><li nr="c."><al>laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                overschrijden;</al></li><li nr="d."><al>erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen,
                                die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                overschrijden;</al></li><li nr="e."><al>trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken,
                                uitspringende</al><al> schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor
                                reclames dan bedoeld zijn in;</al></li><li nr="f."><al>overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                bouwwerken;</al></li><li nr="g."><al>bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet
                                1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening</al><al> voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het oog op de in
                                historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij het karakter
                                van de bestaande</al><al> omgeving.</al><lijst><li nr="2."><al>Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                        toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al><lijst><li nr="-"><al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip
                                                van een strook van 0,50 m breedte ter weerszijden
                                                van die rijweg;</al></li><li nr="-"><al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de
                                                weg;</al><al> en dan nog voor zover de veiligheid van de
                                                gebruikers van de weg niet in gevaar komt.</al></li></lijst></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor:</al><al>a.gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                        nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer of het
                        wegverkeer,</al><al> anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub a van bijlage II bij het
                        Besluit omgevingsrecht ;</al><al>b.bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                        waterhuishouding, de energievoorziening of het telecommunicatieverkeer,
                        alsmede</al><al> straatmeubilair, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en
                        d, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al><lijst><li nr="c."><al>vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al></li><li nr="d."><al>reclametoestellen en draagconstructies voor reclame;</al></li><li nr="e."><al>andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                                is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar
                                zijn.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al></li><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al><lijst><li nr="a."><al>de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is
                                        verleend;</al></li><li nr="b."><al>in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                        afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover
                                        het bouwwerk geheel achter</al><al> de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al></li><li nr="c."><al>in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich</al></li></lijst><al> in beide wegen of zich vóór en na de knik op onderlinge tussenafstanden van
                        minder dan 3 meter bevinden, moet de bebouwing op de hoeken - over een </al><al> hoogte op een dergelijke hoek van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil
                        - worden afgerond of afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor </al><al> onbebouwd blijvende oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn.</al><lijst><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of
                                        artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit
                                        omgevingsrecht bedoelde gebouwen;</al></li><li nr="e."><al>gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt,
                                        pluimveeteelt daaronder begrepen, en de daarbijbehorende
                                        woningen;</al></li><li nr="f."><al>gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al></li><li nr="g."><al>gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de
                                        afwijking is gebaat.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                bevindt zich:</al><lijst><li nr="a."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                        vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn</al><al> gelijk aan de helft van de straal van de ingeschreven
                                        cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen grotere
                                        afstand van de voorgevelrooilijn dan </al><al> 15 meter. Indien meer dan één ingeschreven cirkel binnen de
                                        voorgevelrooilijnen kan worden beschreven, geldt de
                                        grootste;</al></li><li nr="b."><al>in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van
                                        een andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van
                                        de voorgevelrooilijn,</al><al> bepaald op de wijze als onder a bepaald, na herleiding van
                                        de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a
                                        genoemde vormen, voor zover zij </al><al> op zich zelf of gezamenlijk de vorm van het bouwblok het
                                        meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="c."><al>in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen
                                        rechthoekig bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand
                                        van de voorgevelrooilijn gelijk</al><al> aan 1/4 van de afstand tussen de voorgevelrooilijnen van de
                                        beide zich tegenover elkaar bevindende bebouwde of te
                                        bebouwen zijden van het </al><al> bouwblok, doch op geen grotere afstand van de
                                        voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="d."><al>in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden
                                        bebouwd of te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee
                                        zijden op een afstand van</al><al> de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen
                                        de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                        bevindende bebouwde of te </al><al> bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen grotere
                                        afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al></li><li nr="e."><al>in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een
                                        afstand die wordt bepaald met inachtneming van de
                                        beginselen, welke zijn neergelegd in a</al><al> tot en met d van dit lid, doch op geen grotere afstand van
                                        de voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van die bebouwing - in het</al></li></lijst><al> belang van de toetreding van daglicht - over een afstand van ten minste 5
                        meter ter weerszijden van bedoeld snijpunt ten minste 2 meter terugliggen
                        ten </al><al> opzichte van beide achtergevelrooilijnen.</al><al>3.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling en het</al><al> gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn</label></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden bouwwerken, voor
                        het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, te bouwen met
                        overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al><al>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de achtergevelrooilijn</al><al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn is niet
                        van toepassing op:</al><al>a.buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde,
                        voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt</al><al> daaronder begrepen;</al><al>b.buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                        doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                        begrepen,</al><al> indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten minste 20 meter
                        bedraagt;</al><al>c.onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat
                        zouden moeten</al><al> worden als een aan- of uitbouw, voor het bouwen waarvan op grond van
                        artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1 van bijlage II bij het
                        Besluit </al><al> omgevingsrecht geen vergunning is vereist;</al><al>d.onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat
                        zouden moeten</al><al> worden als het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3,
                        onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al><al>e.andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren niet
                        vallen</al><al> onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit
                        omgevingsrecht, te weten:</al><lijst><li nr="1."><al>ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                rioolleidingen en rioolputten;</al></li><li nr="2."><al>terrassen, bordessen en bordestreden;</al><lijst><li nr="f."><al>antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en
                                        17 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn</label></kop><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het
                        bouwen verlenen voor:</al><al>a.buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                        doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                        begrepen,</al><al> waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf minder dan 20 meter
                        bedraagt;</al><lijst><li nr="b."><al>binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al></li><li nr="c."><al>vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al></li><li nr="d."><al>gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een</al></li></lijst><al> spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein slechts aan één
                        van die zijden mag worden bebouwd;</al><lijst><li nr="e."><al>gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4 , is verzekerd;</al></li><li nr="f."><al>bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                omgevingsrecht ;</al></li><li nr="g."><al>gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al></li><li nr="h."><al>bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist;</al></li><li nr="i."><al>ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het</al></li></lijst><al> terrein ter plaatse bij voltooiing van de bouw;</al><al>j.erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen onder
                        artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II bij het
                        Besluit</al><al> omgevingsrecht ;</al><al>k.trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                        stortbuizen, balkons en veranda's, alsmede andere luifels, afdaken,
                        dakoverstekken,</al><al> uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en bordessen dan bedoeld zijn in
                        artikel 2.5.13;</al><al>l.bouwwerken aan of bij een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                        dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening –</al><al> voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                        omgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                minste een strook grond omvat die:</al><lijst><li nr="a."><al>over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de
                                        achtergevel, en</al></li><li nr="b."><al>voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                        begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte
                                        heeft van ten minste 5 meter.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw.</al></li></lijst><al> Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld in artikel 2.5.13, en
                        de balkons en veranda's buiten beschouwing blijven.</al><lijst><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in:</al><lijst><li nr="a."><al>het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft,
                                        indien de gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning
                                        bestemd is;</al></li><li nr="b."><al>het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden
                                        wordt voldaan:</al></li></lijst></li><li nr="1."><al>een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al></li><li nr="2."><al>het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover
                                elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                openbaar</al><al> water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen,
                                mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd
                                en </al><al> tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand wordt
                                gebracht;</al></li><li nr="3."><al>bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor te
                                bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet, wordt
                                de</al></li></lijst><al> bestaande toestand verbeterd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen</label></kop><al>1.Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                        dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf aanwezig zijn
                        ter</al><al> diepte van ten minste 2 meter achter het verst achterwaarts gelegen deel
                        van het gebouw en over de volle breedte daarvan.</al><lijst><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen
                                        beletsel vormen;</al></li><li nr="b."><al>indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het
                                        verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken</label></kop><al>1.De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van de
                        zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk
                        en de</al><al> op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan
                        die: </al><lijst><li nr="a."><al>vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1
                                meter breed zijn;</al></li><li nr="b."><al>niet toegankelijk zijn.</al></li></lijst><al> Bebouwing van ondergeschikte aard op het erf of op het aangrenzende erf
                        wordt hierbij buiten beschouwing gelaten.</al><al>2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is</al><al> voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.</al><al>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen</al><lijst><li nr="1."><al>Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 12 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht .</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te
                                scheiden erf of</al></li></lijst><al> terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoofdtransportleidingen</label></kop><al>1.Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor stroomgeleiding
                        bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen mogen zich geen</al><al> delen bevinden van andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, dan die welke deel uitmaken van de </al><al> hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand moet rekening worden
                        gehouden met het uitzwaaien van de draden ten gevolge van de wind. Onder </al><al> hoogspanningslijn wordt in dit artikel verstaan een lijn met een nominale
                        elektrische spanning van 1.000 volt of meer.</al><al>2.Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                        hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan
                        een</al><al> omgevingsvergunning is vereist, worden gebouwd.</al><lijst><li nr="3."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien de elektrische spanning van de
                                        hoogspanningslijn daarvoor geen bezwaar</al><al> oplevert;</al></li><li nr="b."><al>het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand
                                        van 6 meter, indien daartegen met het oog op de veilige en
                                        ongestoorde ligging van de</al><al> leiding geen bezwaar bestaat.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn</label></kop><al>1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte
                        van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is</al><al> vereist in het vlak door de voorgevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: </al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de voorgevelrooilijnen
                                langs de desbetreffende weg;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al><lijst><li nr="2."><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                        hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                        voorgevelrooilijnen onderling verschilt,</al></li></lijst></li></lijst><al> in welk geval aan de zijde van de smalle weg tot de hoogte welke aan de
                        brede weg is toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af </al><al> gelijk aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                        over geen grotere lengte dan 15 meter.</al><al>3.De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                        desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van het
                        bouwwerk of de</al><al> projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al><al>4.Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt geldt
                        ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het eerste lid,
                        de</al><al> dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn. Indien de tegenoverliggende
                        rooilijn plaatselijk is onderbroken geldt ter plaatse van die onderbreking
                        de </al><al> verst verwijderde van de beide ter weerszijden van de onderbreking
                        voorkomende rooilijnen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn</label></kop><al>1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale hoogte
                        van een bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is</al><al> vereist in het vlak door de achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met: </al><lijst><li nr="a."><al>in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende
                                achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;</al></li><li nr="b."><al>buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de tegenoverliggende
                                achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><lijst><li nr="2."><al>De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op
                                        de achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk. Indien
                                        de te beschouwen</al></li></lijst></li></lijst><al> achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen, wordt voor elke 5 meter
                        breedte van de achterzijde van het bouwwerk uitgegaan van de gemiddelde
                        afstand </al><al> tussen de achtergevelrooilijnen. Indien een tegenoverliggende
                        achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt gemeten tot de dichtstbijzijnde
                        tegenover de </al><al> achtergevelrooilijn gelegen voorgevelrooilijn.</al><al>3.In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale hoogte van
                        een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet meer bedragen</al><al> dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van een aanliggende
                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al><al>4.Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan straatpeil
                        ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden verminderd met een
                        maat,</al><al> gelijk aan het verschil tussen het straatpeil en het peil van het
                        onderhavige terrein ter plaatse van de achtertoegang bij voltooiing van de
                        bouw.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een achtergevelrooilijn</label></kop><al>1.Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing, gelegen
                        aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de voorgevelrooilijn van de</al><al> andere weg en bovendien in die achtergevels ramen aanwezig zijn, dan
                        bedraagt - onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 - de maximale hoogte
                        van </al><al> de zijgevel van het eerste bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek
                        ten hoogste 1,5 maal de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn </al><al> die bij de eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze
                        worden bepaald als beschreven is in , tweede lid, voor de bepaling van de </al><al> afstand tussen twee achtergevelrooilijnen.</al><al>2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is dan de</al><al> voorgevel.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en achtergevelrooilijnen</label></kop><al>1.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor het
                        bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, tussen de voor- en
                        de</al><al> achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken die de verticale
                        vlakken door de voorgevelrooilijn en door de achtergevelrooilijn snijden op
                        de - </al><al> krachtens de artikel 2.5.20 en 2.5.21 - maximale bouwhoogte en die met het
                        horizontale vlak een hoek vormen van: </al><lijst><li nr="a."><al>45 graden in de bebouwde kom;</al></li><li nr="b."><al>37 graden buiten de bebouwde kom.</al><lijst><li nr="2."><al>Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een
                                        zijgevel heeft die gelegen is tegenover een
                                        achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok, mag dit</al></li></lijst></li></lijst><al> bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het vlak dat het verticale
                        vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van de - krachtens artikel 2.5.22 – </al><al> maximale bouwhoogte en dat met het horizontale vlak een hoek vormt van 56
                        graden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, mag niet meer bedragen dan 15
                                meter.</al></li><li nr="2."><al>Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagst gelegen</al></li></lijst><al> weg.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg grenzende terreinen</label></kop><al>1.De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of artikel
                        2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan een weg</al><al> grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met dien verstande
                        dat - uitgaande van een goothoogte van genoemde maat - daarboven een </al><al> zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden toegelaten is.</al><al>2.Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van het
                        bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van de</al><al> omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken</label></kop><lijst><li nr="1."><al>De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                straatpeil.</al></li><li nr="2."><al>De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                                worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke</al></li></lijst><al> verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en 2.5.28, onder h, i,
                        j en k, moeten - voor zover zij de maximale hoogte overschrijden - buiten </al><al> beschouwing worden gelaten.</al><al>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten bouwhoogte</al><al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste en derde
                        lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel 2.5.24 is niet
                        van toepassing op:</al><al>a.onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                        omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren opgevat
                        zouden moeten</al><al> worden als het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3,
                        onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al><al>b.het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders dan het
                        aanbrengen van veranderingen van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in</al><al> artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht ;</al><al>c.topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn of de
                        achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en mits de</al><al> geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten, niet groter is
                        dan het product van de breedte van de topgevel en de maximale bouwhoogte </al><al> ter plaatse;</al><al>d.plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60 meter.</al><al>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot
                        overschrijding van de toegelaten bouwhoogte</al><al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                        toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste lid,
                        2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en 2.5.24 kan het
                        bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al><lijst><li nr="a."><al>gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en andere
                                gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al></li><li nr="b."><al>gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien de
                                welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al></li><li nr="c."><al>gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een handels-
                                en industrieterrein;</al></li><li nr="d."><al>agrarische bedrijfsgebouwen;</al></li><li nr="e."><al>het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een bouwwerk,
                                anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                Besluit</al></li></lijst><al> omgevingsrecht, en indien: </al><lijst><li nr="1."><al>de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                overschrijden en de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                gebaat;</al></li><li nr="2."><al>bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen
                                andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;</al><lijst><li nr="f."><al>bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het
                                        verkeer, de waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                        telecommunicatieverkeer, anders</al></li></lijst></li></lijst><al> dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit
                        omgevingsrecht ;</al><lijst><li nr="g."><al>topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                                aard;</al></li><li nr="h."><al>plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                meter;</al></li><li nr="i."><al>dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan 1,75
                                meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand niet
                                minder dan 3</al></li></lijst><al> meter en de afstand tot de erfscheiding niet minder dan 1,5 meter bedraagt.
                        Deze laatste voorwaarde geldt niet voor gekoppelde dakvensters, die tot </al><al> verschillende gebouwen behoren;</al><lijst><li nr="j."><al>draagconstructies voor een reclame;</al></li><li nr="k."><al>vrijstaande schoorstenen;</al></li><li nr="l."><al>bouwwerken op een monument - als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening -
                                voor</al></li></lijst><al> zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch opzicht
                        gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de bestaande
                        omgeving.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk beleid</label></kop><al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en 2.5.28, kan
                        het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen met overschrijding van
                        de voor- en van de achtergevelrooilijn, en van het verbod tot bouwen met
                        overschrijding van de maximale bouwhoogte, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li><li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3 van de
                                Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing is;</al></li><li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding zijnd
                                toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li><li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening,
                                en</al></li><li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing
                                bevat.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij of in gebouwen</label></kop><al>1.Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft,
                        moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende</al><al> mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of
                        onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag
                        niet </al><al> overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw,
                        waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per </al><al> openbaar vervoer.</al><al>2.De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto's moet
                        afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare personenauto's. Aan deze
                        eis</al><al> wordt geacht te zijn voldaan: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m
                                bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;</al></li><li nr="b."><al>indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een
                                gehandicapte - voorzover die ruimte niet in de lengterichting aan
                                een trottoir</al><al> grenst - ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.</al><lijst><li nr="3."><al>Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een
                                        te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen
                                        van goederen, moet in deze</al></li></lijst></li></lijst><al> behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan
                        wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.</al><lijst><li nr="4."><al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste en het derde lid:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                        omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al></li><li nr="b."><al>voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                        stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt
                                        voorzien.</al></li></lijst></li></lijst><al>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimingsalarminstallaties</al><al>(vervallen) </al><al>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties</al><al>(vervallen) </al><al>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties</al><al>(vervallen)</al><al>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteraanduidingen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke hulpverleningsdiensten</al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen</al><al>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor
                        verwarming</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                        terreinen</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                        openbare net van de nutsvoorzieningen </al><al>(Vervallen).</al><al>3 De melding</al><al>Artikel 3.1 De wijze van melden</al><al>(Vervallen) </al><al>Artikel 3.2 Welstandscriteria</al><al>(Vervallen) </al><al>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van
                        een bouwwerk</al><al>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of tussentijdse
                        staking van bouwwerkzaamheden</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie.</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen van)
                        de bouwwerkzaamheden</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder </al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 4.11 Bouwafval</al><al>(Vervallen). </al><al>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming</al><al>(Vervallen).</al><al>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen</al><al>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                        Brandblusvoorzieningen</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten</al><al>(Vervallen).</al><al>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</al><al>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                        vluchtrouteaanduidingen</al><al>(Vervallen) </al><al>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in gebouwen, niet
                        zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven, logiesgebouwen of
                        kantoorgebouwen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in woongebouwen
                        van bijzondere aard</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                        logiesverblijven en logiesgebouwen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                        kantoorgebouwen</al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen</al><al>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op erven en
                        terreinen</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van het
                        openbare net van de nutsvoorzieningen</al><al>(Vervallen).</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>Artikel 5.4.1 Preventie</al><al>(Vervallen).</al><al>6 Brandveilig gebruik</al><al>Paragraaf 1 Gebruiksvergunning</al><al>Artikel 6.1.1 Vergunning gebruik bouwwerk</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6.1.2 Aanvraag gebruiksvergunning</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6.1.3 In behandeling nemen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6.1.4 Termijn van beslissing</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6.1.5 Weigeren gebruiksvergunning</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6.1.6 Intrekken gebruiksvergunning</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6.1.7 Verplicht aanwezige bescheiden</al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 2 Het voorkomen van brand en het beperken van brand en
                        brandgevaar</al><al>Artikel 6.2.1 Gebruikseisen van bouwwerken</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6.2.2 Opslag brandgevaarlijke stoffen</al><al>(Vervallen)</al><al> Artikel 6.2.3 Opslag en verwerking stoffen</al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 3 Het bestrijden van brand en het voorkomen van ongevallen bij
                        brand</al><al>Artikel 6.3.1 Gebruiksgereed houden van bluswaterwinplaatsen</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 6.3.2 Gebruik middelen en voorzieningen</al><al>(Vervallen)</al><al>Paragraaf 4 Hinder in verband met brandveiligheid</al><al>Artikel 6.4.1 Hinder in verband met de brandveiligheid</al><al>(Vervallen)</al><al>7 Overige gebruiksbepalingen</al><al>Paragraaf 1 Overbevolking</al><al>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen</al><al>(Vervallen). </al><al>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens</al><al>(Vervallen).</al><al>Paragraaf 2 Staken van het gebruik</al><al>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en gebrek aan
                        hygiëne</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen</al><al>(Vervallen).</al><al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen</al><al>Artikel 7.3.1 Vergunningsplicht nachtverblijf</al><al>Bepaling aantal personen nachtverblijf</al><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het Besluit
                        omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op 4.</al><al>Artikel 7.3.2 Hinder</al><al>(Vervallen).</al><al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid</al><al>Artikel 7.4.1 Preventie</al><al>(Vervallen).</al><al>Paragraaf 5 Watergebruik</al><al>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water</al><al>(Vervallen).</al><al>Paragraaf 6 Installaties</al><al>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties</al><al>(Vervallen).</al><al>8 Slopen</al><al>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning</al><al>(vervallen).</al><al>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>(Vervallen).</al><al>Paragraaf 2 Uitzonderingen op het vereiste van een omgevingsvergunning voor
                        het slopen</al><al>Artikel 8.2.1 Sloopmelding</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                        omgevingsvergunning voor het slopen</al><al>(Vervallen)..</al><al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen</al><al>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor het
                        slopenllen).</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen</al><al>(Vervallen).</al><al>Paragraaf 4 Vrij slopen</al><al>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 9.1 De advisering door de welstandscommissie</al><al>Zie Bijlage 9</al><al>10 Overige administratieve bepalingen</al><al>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                        onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 10.4 Overdragen mededeling</al><al> (Vervallen)</al><al>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                        woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen</al><al>(Vervallen).</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften</label></kop><al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                        vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                        voorschriften waarnaar in deze verordening - of in de bij deze verordening
                        behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de
                        betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien
                        of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.</al><al>11 Handhaving</al><al>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek</al><al> (Vervallen)</al><al>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</al><al>Artikel 12.1 Strafbare feiten</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek</al><al>(Vervallen)</al><al>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van open erven en
                        terreinen</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 12.4</al><al>(Vervallen).</al><al>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding</al><al>(Vervallen)</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel 12.6 Slotbepaling</label></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op moment van inwerkingtreding
                                van het Bouwbesluit 2012.</al></li><li nr="2."><al>Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen:</al><lijst><li nr="a."><al>de bouwverordening, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 19
                                        september 2007 en alle daarin aangebrachte wijzigingen;</al></li><li nr="b."><al>de brandbeveiligingsverordening, vastgesteld bij
                                        raadsbesluit d.d. 15 november 2001 en alle daarin
                                        aangebrachte wijzigingen, voor zover deze</al><al> brandbeveiligingsverordening eisen aan het brandveilig
                                        gebruik van bouwwerken stelt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als 'bouwverordening
                                Lingewaard 2004'.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><bijlage><kop><label> Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning (vervallen)</label></kop><al>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als
                        bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen)</al><al>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en
                        bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening
                        (vervallen)</al><al>Artikel 3 Funderingsplan (vervallen)</al><al>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen)</al><al>Artikel 5 Bouwveiligheidsplan (vervallen)</al><al>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen (vervallen)</al><al>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen)</al><al>Bijlagen 2 t/m 6 (vervallen)</al><al>Bijlage 7 (Vervallen).</al><al>Bijlage als bedoeld in artikel 2.7.6 ( vervallen)</al><al>Bijlage 8 (vervallen)</al><al>Bijlage 9</al><al>Reglement welstandscommissie</al><al>Bijlagen 10, 11 en 12 (Vervallen) </al><al><vet>Bijlage 9</vet></al><al><vet>Reglement op de welstandscommissie en de commissie Welstand en
                            Monumenten in Lingewaard</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Benoeming en samenstelling van de welstandscommissie en de commissie
                                welstand en Monumenten</al></li><li nr="1."><al>1 Benoemingsprocedure</al></li><li nr="1."><al>2 Samenstelling van de commissies</al></li><li nr="2."><al>Taakomschrijving</al></li><li nr="2."><al>1 Taakomschrijving welstandscommissie en commissie welstand en
                                monumenten</al></li></lijst><al>2.1.1 Wettelijke taken</al><al>2.1.2 Niet wettelijk verplichte taken</al><al>2.2 Taakomschrijving commissieleden</al><al>2.2.1 Taken van de rayonarchitect</al><al>2.2.2 Taken van de voorzitter</al><al>2.2.3 Taken van externe deskundigen</al><lijst><li nr="3."><al>Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht</al></li><li nr="4."><al>Werkwijze van de welstandscommissie en commissie welstand en
                                monumenten</al></li><li nr="4."><al>1 Vooroverleg over bouwplannen</al></li><li nr="4."><al>2 Gemandateerde behandeling</al></li></lijst><al>4.2.1 Mandaat ‘kleine commissie’</al><al>4.2.2 Het mandaatadvies</al><al>4.2.3 Openbaarheid gemandateerde behandeling</al><al>4.2.4 Toelichting opdrachtgever/ontwerper</al><al>4.2.5 Spreekrecht</al><al>4.3 Openbare commissievergadering</al><al>4.3.1 Locatie vergadering</al><al>4.3.2 Publicatie agenda</al><al>4.3.3 Toelichting opdrachtgever/ontwerper</al><al>4.3.4 Spreekrecht</al><lijst><li nr="4."><al>4 Het advies</al></li><li nr="4."><al>5 Afwijken van het advies en/of welstandscriteria</al></li></lijst><al>4.5.1 Second opinion</al><lijst><li nr="5."><al>Evaluatie welstandstoezicht</al></li><li nr="5."><al>1 Jaarverslag B&amp;W</al></li><li nr="5."><al>2 Jaarverslag welstandscommissie</al></li></lijst><al><vet>1.</vet><vet> Benoeming en samenstelling van de welstandscommissie en
                            de commissie welstand en Monumenten</vet></al><al><vet>1.1</vet><vet> Benoemingsprocedure</vet></al><al>De gemeenteraadwijst op voordracht van het college van B&amp;W de
                        vereniging ‘<cursief>Het Gelders Genootschap’ </cursief>aan als de
                        welstandscommissie. Het Gelders Genootschap legt de gemeenteraadeen
                        lijst voor met de beoogde commissieleden. Dit betreft de voorzitter, de
                        rayonarchitect, de externe deskundigen en hun plaatsvervangers. Indien
                        gewenst, vindt overleg plaats tussen het Gelders Genootschap en de gemeente. </al><al>Voor de benoeming van burgerleden en hun plaatsvervangers geldt een
                        afwijkende procedure. De gemeente kan burgerleden voordragen ter benoeming.
                        Alvorens dit te doen, overleggen B&amp;W met het Gelders Genootschap over
                        het gewenste profiel van het burgerlid of de burgerleden. Er mogen maximaal
                        twee burgerleden in de welstandscommissie worden benoemd. Burgerleden
                        ontvangen via de gemeente een onkostenvergoeding.</al><al>Alle leden van de welstandscommissie en hun plaatsvervangers worden benoemd
                        voor een periode van drie jaar, met de mogelijkheid van verlenging met nog
                        eens drie jaar. Bij afwezigheid van de voorzitter of de leden van de
                        commissie, treden plaatsvervangers op in de commissievergadering. De
                        rayonarchitect kan zich door een collega-rayonarchitect laten vervangen. De
                        voorzitter, de rayonarchitect, de externe deskundigen en hun
                        plaatsvervangers zijn onafhankelijk ten opzichte van het gemeentebestuur en
                        de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen of relaties op basis
                        waarvan het advies wordt beïnvloed. De commissie is beleidsmatig gebonden
                        aan het gemeentelijk welstandsbeleid en monumentenbeleid. De commissie
                        streeft naar voortdurende afstemming met het beleid inzake de ruimtelijke
                        ontwikkeling van de gemeente.</al><al><vet>1.2</vet><vet> Samenstelling van de commissies</vet></al><al>De commissie bestaat uit een bestuurlijk voorzitter, de rayonarchitect van
                        het Gelders Genootschap en tenminste twee externe deskundigen van buiten het
                        bureau. De rayonarchitect fungeert tevens als secretaris-deskundige van de
                        commissie. Naast de rayonarchitect zijn tenminste twee commissieleden
                        deskundig op het terrein van architectuur, stedenbouw en aanverwante
                        vakgebieden. De commissie kan zich naar eigen inzicht laten bijstaan door
                        extra deskundigen van het bureau van het Gelders Genootschap of daarbuiten.
                        Dit betreft disciplines als cultuur- en bouwhistorie, en
                        landschapsarchitectuur. Afhankelijk van het type plan dat moet worden
                        beoordeeld, nemen de extra deskundigen deel aan de vergadering. Zij hebben
                        geen stemrecht, tenzij ze als commissielid zijn benoemd door de gemeente. De
                        commissie kan slechts adviezen uitbrengen indien tenminste drie leden
                        aanwezig zijn (waaronder de rayonarchitect of zijn/haar vervanger) en
                        waarvan tenminste twee leden </al><al>deskundig zijn op het gebied van welstand. De commissie welstand en
                        monumenten kan alleen dan advies uitbrengen als ook het op basis van artikel
                        9.2 lid 1b van de Bouwverordening 2007 benoemde lid (of zijn
                        plaatsvervanger) aanwezig is.</al><al><vet>2.</vet><vet> Taakomschrijving </vet></al><al><vet>2.1</vet><vet> Taakomschrijving welstandscommissie en commissie
                            welstand en monumenten</vet></al><al>In paragraaf 9 van de Bouwverordening 2007 staan de taken van de
                        welstandcommissie en, in geval van een aanvraag met betrekking tot een
                        monument, de commissie welstand en monumenten. De commissies zijn belast met
                        zowel wettelijk verplichte als niet wettelijk verplichte taken. </al><al>De wettelijke taken van de commissies worden uitgevoerd op grond van de
                        Woningwet 2002, de gemeentelijke bouwverordening, de Monumentenwet 1988 en
                        de gemeentelijke monumentenverordening. De commissies zijn beleidsmatig
                        gebonden aan het gemeentelijk welstandsbeleid, zoals dat is vastgelegd in de
                        gemeentelijke welstandsnota en het gemeentelijk monumentenbeleid</al><al>2.1.1Wettelijke taken</al><al>In artikel 9.1 van de Bouwverordening 2007 staan de wettelijke taken van de
                        commisies welstand en de commissie welstand en monumenten omschreven..</al><al>1.Toetsing van vergunningplichtige bouwwerken.</al><al>De commissies adviseren B&amp;W over de welstandsaspecten van reguliere en
                        gefaseerde aanvragen om bouwvergunning als bedoeld in artikel 44, lid 1 van
                        de Woningwet 2002, waarbij de advisering over een dergelijke vergunning voor
                        een monument is voorbehouden aan de commissie welstand en monumenten. </al><al>Regulier vergunningplichtige bouwaanvragen worden in de regel binnen twee
                        weken na behandeling van een welstandsadvies voorzien.</al><lijst><li nr="2."><al>Toetsing van licht-vergunningplichtige bouwwerken.</al></li><li nr="3."><al>De commissies adviseren B&amp;W over de welstandsaspecten van
                                aanvragen om een lichte bouwvergunning als bedoeld in artikel 44,
                                lid 2 van de Woningwet 2002, waarbij de advisering over een
                                dergelijke vergunning voor een monument is voorbehouden aan de
                                commissie welstand en monumenten. </al></li></lijst><al>De licht-vergunningplichtige bouwaanvragen worden in de regel binnen één
                        week na behandeling van een welstandsadvies voorzien. </al><al>4.Aanvraag monumentenvergunning</al><al>De commissie welstand en monumenten adviseert B&amp;W over de historisch
                        bouwkundige aspecten van aanvragen om een monumentenvergunning als bedoeld
                        in artikel 11 Monumentenwet 1988 en de gemeentelijke monumentenverordening.
                        De aanvragen worden in de regel binnen twee weken na behandeling van een
                        advies voorzien. </al><al>5.Jaarverslag welstandscommissie.</al><al>De welstandscommissie en de commissie welstand en monumenten leggen de
                        gemeenteraad eenmaal per jaar een gezamenlijk verslag voor van de door hen
                        verrichte werkzaamheden. In het verslag zetten commissies tenminste uiteen
                        op welke wijze zij toepassing hebben gegeven aan de welstandscriteria en/of
                        cultuurhistorische aspecten. Tenminste eenmaal per jaar vindt, ten behoeve
                        van het jaarverslag, een evaluatiegesprek plaats tussen een
                        vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de commissies. </al><al><vet>2.1.2</vet><vet> Niet wettelijk verplichte taken</vet></al><al>De welstandscommissie krijgt de opdracht om naast de reguliere taken de
                        volgende (niet wettelijk verplichte) taken uit te voeren :</al><lijst><li nr="a."><al>Beoordeling van aanvragen voor reclames (inzake de gemeentelijke
                                APV).</al></li><li nr="b."><al>Onder de regie van de gemeente, en op verzoek van de commissie, de
                                gemeente of de</al></li></lijst><al>aanvrager, noodzakelijk geacht overleg voeren met betrokkenen bij de
                        voorbereiding van bouwplannen. </al><lijst><li nr="c."><al>Desgevraagd adviezen uitbrengen aan B&amp;W over de
                                welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde structuurplannen,
                                bestemmingsplannen, beeldkwaliteitplannen, stedenbouwkundige plannen
                                en andere relevante beleidsstukken.</al></li><li nr="d."><al>Desgevraagd adviseren over stedenbouwkundige en architectonische
                                ontwikkelingen die van belang zijn voor de ruimtelijke kwaliteit in
                                de gemeente.</al></li><li nr="e."><al>Desgevraagd adviseren in het geval van excessen: buitensporigheden
                                in het uiterlijk van bouwwerken die ook voor niet-deskundigen
                                evident zijn.</al></li><li nr="f."><al>Voorlichting inzake ruimtelijke kwaliteit aan de gemeenteraad,
                                B&amp;W en burgers.</al><al>2.2Taakomschrijving commissieleden</al></li></lijst><al><vet>2.2.1</vet><vet> Taken van de rayonarchitect</vet></al><al>De rayonarchitect van het Gelders Genootschap is secretaris-deskundige van
                        de commissies. Hij/zij voert als gemandateerd lid van de welstandscommissie
                        de eerste gesprekken – het vooroverleg - met de gemeente, planindieners,
                        ontwerpers en andere belanghebbenden, verzamelt relevante informatie en
                        bereidt de behandeling van bouwplannen in de welstandscommissie voor. De
                        plannen waarvoor de rayonarchitect een mandaat heeft, worden door hem/haar
                        van een advies voorzien (<cursief>Zie verder 4.2 Gemandateerde
                            behandeling).</cursief></al><al>De rayonarchitect stelt de agenda voor de commissievergadering op en geeft
                        die door aan de behandelend ambtenaar van Bouw- en Woningtoezicht. Hij
                        stuurt de secretaris van de commissie Monumenten en Cultuurhistorie stuurt
                        hij een afschrift van de agenda.</al><al>Tijdens de commissievergadering introduceert de rayonarchitect de
                        bouwplannen en/of aanvraag voor monumentenvergunning en verstrekt gegevens
                        over het relevante welstandsbeleid en/of monumentenbeleid voor het
                        betreffende plan en/of gebied. Onder de verantwoordelijkheid van de
                        rayonarchitect wordt de beraadslaging en conclusie over een bouwplan
                        uitgewerkt in een schriftelijk advies, dat in beginsel binnen twee weken na
                        de commissievergadering verzonden wordt.</al><al><vet>2.2.2</vet><vet> Taken voorzitter</vet></al><al>De voorzitter van de commissies is in principe gekozen uit de kring van
                        gemeentebestuurders. Hij/zij is verantwoordelijk voor het functioneren van
                        de commissie en de kwaliteit van de advisering. Hij/zij let erop dat de
                        commissies adviseren binnen de kaders van het gemeentelijk welstands- en/of
                        monumentenbeleid. Tijdens de openbare vergadering treedt de voorzitter op
                        als gastheer/-vrouw voor alle aanwezigen. Hij/zij legt in het kort de
                        vergaderprocedure uit en informeert wie van de aanwezigen bij een bepaald
                        plan wil inspreken. Indien een plan in het vooroverleg is besproken, geeft
                        de voorzitter (of de rayonarchitect) een korte samenvatting van hetgeen in
                        dat stadium van het planproces besproken is. </al><al>De voorzitter leidt de discussie en biedt alle commissieleden de gelegenheid
                        om hun mening voldoende naar voren te brengen. Hij/zij zorgt ervoor dat na
                        een inhoudelijke discussie over een adviesaanvraag een voor alle aanwezigen
                        korte en heldere samenvatting wordt gegeven. De voorzitter bewaakt verder de
                        voortgang van de agenda.</al><al>Bij het overleg met de gemeente (bestuurders en ambtenaren) en met de pers
                        treedt de voorzitter namens de commissie naar buiten. De voorzitter
                        organiseert met de commissie een jaarlijkse inhoudelijke evaluatie van de
                        werkzaamheden. De resultaten van de evaluatie worden opgenomen in het
                        jaarlijks verslag.</al><al><vet>2.2.3</vet><vet> Taken externe deskundigen</vet></al><al>In de commissies hebben tenminste twee externe deskundigen op het gebied van
                        de architectuur en stedenbouw zitting. Zij geven vanuit hun ervaring en
                        inzicht in het vakgebied een onafhankelijke visie op de adviesaanvragen. Op
                        het moment dat een extern commissielid op de een of andere wijze een
                        zakelijke binding heeft met een bepaald bouwplan laat hij/zij zich voor de
                        betreffende commissievergadering vervangen. Bij langlopende projecten
                        waarbij de inbreng van de commissie verwacht wordt en waarbij de extern
                        deskundige een zakelijke binding heeft, treedt deze in overleg met de
                        commissie en het bureau tijdelijk terug.</al><al><vet>3.</vet><vet> Werkwijze Bouw- en Woningtoezicht</vet></al><al>De procedure begint met een selectie van bouwplannen bij de afdeling Bouw-
                        en Woningtoezicht in licht- en regulier-vergunningplichtige aanvragen. Bouw-
                        en Woningtoezicht toetst een bouwplan eerst op de vereisten in het
                        bestemmingsplan en de bouwverordening. </al><al>Ten behoeve van de welstandstoets, en in geval van een monument, de
                        historsch bouwkundige toets, beoordeelt de ambtenaar of het bouwplan danwel
                        de aanvraag voor een monumentenvergunning is voorzien van de benodigde
                        bescheiden om het te kunnen toetsen. Welke gegevens nodig zijn, is
                        vastgelegd in de AMvB ‘Indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning’, in de
                        gemeentelijke bouwverordening en de gemeentelijke monumentenverordening. </al><al><vet>4.</vet><vet> Werkwijze van de welstandscommissie en commissie welstand
                            en monumenten</vet></al><al><vet>4.1</vet><vet> Vooroverleg over bouwplannen</vet></al><al>De gemeente biedt de aanvrager de mogelijkheid, om een nog niet formeel
                        aangevraagd bouwplan of monumentenvergunning in een vooroverleg met de
                        commissie toe te lichten en te bespreken. De rayonarchitect maakt altijd een
                        verslag van het vooroverleg. Vooroverleg vindt in principe in het openbaar
                        plaats. Hiervan kan worden afgeweken na overleg tussen de gemeente, de
                        aanvrager en de commissie. </al><al>4.2 Gemandateerde behandeling</al><al>De rayonarchitect behandelt in de regel om de twee weken op locatie de
                        bouwplannen. Hij/zij heeft een mandaat van de commissie om zelfstandig
                        bouwplannen af te handelen. Het uitgangspunt voor de mandaatverlening is dat
                        de rayonarchitect alleen de plannen beoordeelt van een relatief geringe
                        ruimtelijke betekenis, of plannen waar gelet op meerdere vergelijkbare
                        gevallen, de mening van de commissie als bekend mag worden verondersteld.
                        Bij twijfel legt de rayonarchitect het bouwplan voor aan de
                        welstandscommissie. De rayonarchitect heeft voor regulier
                        vergunningplichtige plannen alleen het mandaat om positieve adviezen uit te
                        brengen. Bij licht-vergunningplichtige plannen mag de rayonarchitect ook
                        negatief adviseren. De commissie zelf is eindverantwoordelijk voor het
                        welstandsadvies. Tenminste één keer per jaar vindt overleg plaats tussen de
                        rayonarchitect en de welstandscommissie over het mandaat.</al><al>Op basis van artikel 9.7 van de Bouwverordening 2007 is van mandaat geen
                        sprake in geval van bouwplannen voor monumenten en/of aanvragen voor een
                        monumentenvergunning .</al><al>4.2.1 Mandaat ‘ kleine commissie’</al><al>De gemandateerde rayonarchitect wordt – op verzoek van de
                        welstandscommissie, de gemeente of op eigen verzoek - bijgestaan door een
                        ander commissielid. Deze ‘<cursief>kleine commissie’</cursief> beschikt over
                        hetzelfde mandaat als de rayonarchitect.</al><al>4.2.2 Het mandaatadvies</al><al>De rayonarchitect brengt welstandsadviezen uit aan B&amp;W over de vraag of
                        ‘het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of een standplaats, zowel op
                        zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling
                        daarvan, niet is strijd is met redelijke eisen van welstand’ (<cursief>art.
                            12 lid 1 </cursief><cursief>Ww</cursief><cursief> 2002</cursief>). Dit
                        wordt beoordeeld aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de
                        welstandsnota. Een positief mandaat-welstandsadvies wordt uitgebracht door
                        een stempel ‘geen bezwaar’ op het adviesformulier te plaatsen. Een negatief
                        mandaatadvies (alleen bij licht-vergunningplichtige plannen) wordt
                        schriftelijk gemotiveerd met een verwijzing naar de relevante criteria uit
                        de welstandsnota.</al><al>4.2.3 Openbaarheid gemandateerde behandeling</al><al>De behandeling van bouwplannen onder mandaat is openbaar. De agenda wordt
                        ter inzage gelegd in het gemeentehuis. Via het huis-aan-huis blad worden de
                        burgers op de hoogte gesteld van het tijdstip en plaats van de gemandateerde
                        behandeling. </al><al><vet>4.2.4</vet><vet> Toelichting opdrachtgever/ontwerper</vet></al><al>Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om de
                        gemandateerde behandeling van hun plan bij te wonen. Indien zij hun plan
                        willen toelichten, vermelden ze dit op het daarvoor bestemde formulier of
                        rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de
                        uitnodigingen.</al><al>4.2.5 Spreekrecht</al><al>Tijdens de gemandateerde behandeling wordt de mogelijkheid tot spreekrecht
                        geboden. Alleen opdrachtgevers/ontwerpers hebben spreekrecht.</al><al>4.3 Openbare commissievergadering</al><al>De commissie vergadert in de regel één keer per twee weken. De
                        rayonarchitect behandelt in de tussenliggende periode de kleinere
                        bouwplannen (zie 2.2.1 t/m 2.2.3 voor taken rayonarchitect, voorzitter en
                        externe deskundigen tijdens de commissievergadering). De openbaarheid geldt
                        voor de beraadslaging over bouwplannen en/of aanvragen voor
                        monumentenvergunning, de beoordeling daarvan en voor de adviezen. De
                        commissievergadering of een gedeelte daarvan is niet openbaar in gevallen
                        als bedoeld in art. 10, eerste lid, van de Wet Openbaarheid van Bestuur en
                        in gevallen waarin het belang van openbaarheid niet opweegt tegen de in art.
                        10, tweede lid, van die wet genoemde belangen.</al><al>4.3.1 Locatie vergadering</al><al>De welstandscommissie vergadert op een vaste locatie in het rayon. Bij de
                        behandeling van belangrijke bouwplannen en/of aanvragen voor
                        monumentenvergunning kan – op verzoek van de gemeente - worden besloten om
                        in de eigen gemeente te vergaderen.</al><al><vet>4.3.2</vet><vet> Publicatie agenda</vet></al><al>De agenda wordt ter inzage gelegd in het gemeentehuis. Via het huis-aan-huis
                        blad worden de burgers op de hoogte gesteld van het tijdstip en plaats van
                        de vergadering. </al><al><vet>4.3.3</vet><vet> Toelichting opdrachtgever/ontwerper</vet></al><al>Opdrachtgevers en ontwerpers worden altijd in de gelegenheid gesteld om de
                        behandeling van hun plan/aanvraag bij te wonen. Indien zij hun plan willen
                        toelichten, vermelden ze dit op het daarvoor bestemde formulier of
                        rechtstreeks bij Bouw- en Woningtoezicht. De gemeente zorgt voor de
                        uitnodigingen.</al><al><vet>4.3.4</vet><vet> Spreekrecht</vet></al><al>Tijdens de openbare vergadering wordt de mogelijkheid tot spreekrecht
                        geboden. Zowel opdrachtgevers/ontwerpers als direct belanghebbenden hebben
                        spreekrecht. </al><al>4.4 Het advies</al><al>De commissie brengt heldere en goed beargumenteerde adviezen uit aan
                        B&amp;W. Het betreft advies over de vraag of ‘het uiterlijk en de plaatsing
                        van een bouwwerk of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de
                        omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met
                        redelijke eisen van welstand’ (art. 12 lid 1 Ww 2002). Dit wordt beoordeeld
                        aan de hand van de criteria zoals opgenomen in de welstandsnota. In geval
                        van een wijzigingsplan voor een monument wordt verder aangegeven op welke
                        wijze de cultuurhistorische aspecten zijn gewogen en hebben geleid tot het
                        advies</al><al>Een advies kan de volgende uitkomsten hebben:</al><al><cursief>Akkoord</cursief></al><al>De commissie is van oordeel dat het plan volgens de van toepassing zijnde
                        welstandscriteria niet in strijd is met redelijke eisen van welstand en niet
                        in strijd is met het monumentenbeleid. Desgewenst motiveert de commissie
                        haar advies schriftelijk. </al><al><cursief>Akkoord mits</cursief></al><al>De commissie adviseert aan B&amp;W het plan te laten aanpassen omdat het
                        volgens de van toepassing zijnde criteria op een aantal punten (nog) niet
                        voldoet aan redelijke eisen van welstand en/of het monumentenbeleid. Een
                        akkoord mits wordt gegeven als de commissie van mening is dat de aanvrager
                        kan volstaan met enkele aanpassingen en deze daarin heeft toegestemd c.q.
                        dit redelijkerwijze is te verwachten. De gemeente controleert of de
                        definitieve bouwtekening in overeenstemming is met de voorwaarden van de
                        commissie.</al><al><vet>Niet akkoord</vet></al><al>De commissie brengt een negatief advies uit aan B&amp;W omdat het plan
                        volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet voldoet aan
                        redelijke eisen van welstand en/of niet voldoet aan het monumentenbeleid.
                        Een negatief advies wordt gegeven als de commissie van mening is dat een
                        bouwplan en/of aanvraag voor een monumentenvergunning ingrijpend moet worden
                        aangepast. Adviseert de commissie negatief, dan geeft ze een nauwkeurige
                        schriftelijke motivering. Deze bevat een korte omschrijving van het
                        ingediende plan, een verwijzing naar de van toepassing zijnde
                        welstandscriteria en monumentencriteria en een samenvatting van de
                        beoordeling van het plan op die punten. De gemeente maakt een inschatting of
                        de gevraagde aanpassingen nog binnen de vereisten van het bestemmingsplan en
                        de resterende vergunningtermijn te realiseren zijn. Indien dat niet mogelijk
                        is, betekent het negatief advies dat de vergunning opnieuw moet worden
                        aangevraagd.</al><al><cursief>Aanhouden</cursief></al><al>De commissie kan het advies aanhouden – waarbij Bouw- en Woningtoezicht
                        aangeeft of en hoe lang dit mogelijk is binnen de resterende
                        vergunningtermijn - wanneer meer informatie of een toelichting van de
                        ontwerper noodzakelijk is. </al><al>4.5 Afwijken van het advies en/of welstandcriteria</al><al>B&amp;W hebben de wettelijke mogelijkheid om ook op andere dan
                        welstandsgronden, af te wijken van een advies. De redenen voor afwijking
                        moeten bij de bekendmaking van het besluit worden vermeld.</al><al>B&amp;W kunnen, eventueel op advies van de commissie, gemotiveerd (op
                        welstandsgronden monumentenbeleid) afwijken van de welstandscriteria zelf.
                        Dat kan bij plannen die niet voldoen aan de vastgelegde criteria maar wél
                        aan redelijke eisen van welstand. B&amp;W verwijzen in dat geval naar de
                        algemene criteria in de welstandsnota.</al><al>4.5.1 Second opinion</al><al>Alvorens een second opinion te vragen, bieden B&amp;W eerst de vaste
                        commissie de mogelijkheid tot heroverweging van het eerder uitgebrachte
                        advies. Indien alsnog een second opinion wordt gevraagd, wordt dit gemeld
                        aan de commissie. Bij een second opinion wordt de bouwaanvraag of aanvraag
                        voor monumentenvergunning voorgelegd aan een commissie buiten het Gelders
                        Genootschap. Hierover neemt de gemeente contact op met de Federatie
                        Welstand.</al><al>5.Evaluatie welstandstoezicht</al><al><vet>5.1</vet><vet> Jaarverslag B&amp;W</vet></al><al>B&amp;W leggen de gemeenteraad tenminste eenmaal per jaar een verslag voor
                        waarin zij uiteenzetten:</al><al>Op welke wijze zij zijn omgegaan met de adviezen van de
                        welstandscommissie;</al><al>In welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een lichte
                        bouwvergunning niet aan de commissie hebben voorgelegd en op welke wijze zij
                        in die gevallen zelf toepassing hebben gegeven aan de
                        welstandscriteria.</al><al>In welke categorieën van gevallen:</al><al>zij tot aanschrijving op grond van art. 19 Ww 2002 zijn overgegaan en
                        daarbij de keuze hebben gelaten tussen ofwel het uitvoeren van de
                        aanschrijving, ofwel het slopen van het bouwwerk of de standplaats binnen de
                        door hen te bepalen termijn, en</al><al>zij bij of na een aanschrijving op grond van artikel 19 Ww 2002 zijn
                        overgegaan tot toepassing van bestuursdwang op grond van artikel 26 Ww
                        2002.</al><al><vet>5.2</vet><vet> Jaarverslag welstandscommissie: </vet>Zie onder punt
                        2.1.1</al></bijlage></regeling></body></cvdr>