<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR238768_5</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening Valkenburg aan de Geul 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Valkenburg aan de Geul</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-12-28</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Valkenburg aan de Geul</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Digitaal gemeenteblad, 21 december 2015</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening Valkenburg aan de Geul 2013.</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">artikel 149 van de Gemeentewe</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2015-12-14</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2016-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Algemene plaatselijke verordening gemeente Valkenburg aan de Geul 2013, vierde wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene plaatselijke verordening Valkenburg aan de Geul 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>Raadsvergadering: 17 december 2012</al><al>Raadsvoorstel: </al><al>DE RAAD VAN DE GEMEENTE VALKENBURG AAN DE GEUL; </al><al>Gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d. ………… 2012; </al><al>Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; </al><al>besluit: </al><al>vast te stellen de Algemene plaatselijke verordening Valkenburg aan de Geul
                        2013. </al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>ALGEMENE BEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare
                                    manifestaties daaronder wordt verstaan;</al></li><li nr="b."><al>Weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van
                                    de Wegenverkeerswet 1994; </al></li><li nr="c."><al>Openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op
                                    andere wijze toegankelijk zijn;</al></li><li nr="d."><al>Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen weergegeven op de kaart
                                    in bijlage 1 bij deze verordening;</al></li><li nr="e."><al>Rechthebbende: degene die over enige zaak enige zeggenschap
                                    heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;</al></li><li nr="f."><al>Bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de
                                    bouwverordening</al></li><li nr="g."><al>Gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c,
                                    van de Woningwet;</al></li><li nr="h."><al>Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of
                                    diensten en of activiteiten, waarmee kennelijk beoogd wordt een
                                    commercieel belang te dienen;</al></li><li nr="i."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste
                                    lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een
                                vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst
                                van de aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken
                                verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste en het tweede lid geldt niet voor de
                                beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel
                                3:4.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een
                                aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, lid 2,
                                artikel 2:12 of artikel 4:11. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:3</nr><titel>Indiening aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt
                                ingediend minder dan zes weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager
                                de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegde
                                bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen
                                vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde
                                termijn worden verlengd tot ten hoogste zesentwintig weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen
                                worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts
                                strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband
                                waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is
                                verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te
                                komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:5</nr><titel>Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens
                            deze verordening anders is bepaald .</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:6</nr><titel>Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige
                                    gegevens zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of
                                    ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging
                                    wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming
                                    waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden
                                    voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt
                                    gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het
                                    ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke
                                    termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de
                            vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning
                            of ontheffing zich daartegen verzet.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1:8</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden
                            geweigerd in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>de openbare veiligheid;</al></li><li nr="c."><al>de volksgezondheid;</al></li><li nr="d."><al>de bescherming van het milieu.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>OPENBARE ORDE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1:</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:1</nr><titel>Samenscholing en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een
                                    samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
                                    aanleiding te geven tot ongeregeldheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hij die op een openbare plaats aanwezig is bij een voorval
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij
                                    een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis
                                    waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan
                                    wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is
                                    verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te
                                    vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op openbare
                                    plaatsen die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van
                                    de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden
                                    zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen,
                                    vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke
                                    samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2:</nr><titel>Betoging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:2</nr><titel>Optochten (Vervallen. Is opgenomen in artikel 2:24)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:3</nr><titel>Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging
                                    te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten
                                    minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk
                                    kennis aan de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De kennisgeving bevat:</al><lijst><li nr="a."><al>de naam en het adres van degene die de betoging
                                            houdt;</al></li><li nr="b."><al>het doel van de betoging</al></li><li nr="c."><al>de datum waarop de betoging wordt gehouden en het
                                            tijdstip van aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>de plaats en, voor zover van toepassing, de routen en
                                            plaats van beëindiging</al></li><li nr="e."><al>voor zover van toepassing, de wijze van
                                            samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>de maatregelen die degene die de betoging houdt zal
                                            treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin
                                    het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op
                                    een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een
                                    algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan
                                    uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip
                                    voorafgaande werkdag.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het
                                    eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge
                                    kennisgeving in behandeling nemen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:4</nr><titel>Afwijking termijn (Vervallen, opgenomen in artikel
                                    2:3)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:5</nr><titel>Te verstrekken gegevens (Vervallen, opgenomen in artikel
                                    2:3)</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3:</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:6</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                                    te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde
                                    dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het
                                    aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                                    afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4:</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:7</nr><titel>Feest, muziek en wedstrijd e.d. (Vervallen. Opgenomen in
                                    artikel 2:24)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:8</nr><titel>Dienstverlening (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9</nr><titel>Straatartiest e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest,
                                    straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op
                                    door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen
                                    openbare plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot
                                    bepaalde dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9a</nr><titel>Maskeerverbod op de weg</titel></kop><al>Het is verboden zich anders dan in het kader van de plaatselijke
                                carnavalsviering zonder vergunning van de burgemeester op een weg of
                                op een voor het publiek toegankelijke plaats te bevinden met het
                                gezicht door een masker geheel of gedeeltelijk bedekt, of op enige
                                andere wijze vermomd of onherkenbaar gemaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:9b</nr><titel>Speelgelegenheid op de weg (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5:</nr><titel>bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10</nr><titel>Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg in strijd
                                    met de publieke functie van de weg.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college in strijd met
                                    de publieke functie van de weg voorwerpen te plaatsen op, aan of
                                    boven de weg of een weggedeelte.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid, dient bij gebruik van de weg
                                    zoals bepaald in artikel 2.2, eerste lid onder j of k van de Wet
                                    algemene bepalingen omgevingsrecht, door het bevoegd gezag een
                                    omgevingsvergunning te worden verleend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet:</al><lijst><li nr="a."><al>indien sprake is van een evenement als bedoeld in
                                            artikel 2.24;</al></li><li nr="b."><al>indien sprake is van een standplaats als bedoeld in
                                            artikel 5:17;</al></li><li nr="c."><al>indien sprake is van een terras als bedoeld in artikel
                                            2:28;</al></li><li nr="d."><al>voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                            voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de
                                            Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet
                                            milieubeheer, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, of het
                                            Provinciaal wegenreglement.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan categorieën van voorwerpen aanwijzen waarvoor
                                    het verbod genoemd in het eerste lid niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste en tweede lid kan
                                    worden geweigerd, indien</al><lijst><li nr="a."><al>het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar
                                            oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het
                                            doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een
                                            belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                                            onderhoud van de weg. </al></li><li nr="b."><al>het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in
                                            verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen
                                            van welstand.</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                            overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen
                                            onroerende zaak.</al></li></lijst><al>d. Indien er strijdigheid bestaat met het vigerende
                                    uitstallingenbeleid.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:10a</nr><titel>Vlaggen, banieren en wimpels</titel></kop><al/><al>1.Het is in door het college aangewezen gebieden verboden om
                                vlaggen, banieren en wimpels aan te brengen.</al><al>2.Het in het eerste lid bedoelde verbod geldt niet op Nederlandse
                                feestdagen en door het college aangewezen dagen. Op deze dagen is
                                het toegestaan om maximaal 1 vlag, 1 banier of 1 wimpel per pand
                                aanwezig te hebben. Vlaggen, banieren en wimpels zijn dan
                                uitsluitend toegestaan in de zone tussen de bovenzijde van de
                                openingen op de begane grond en de onderzijde van de openingen op de
                                eerste verdieping. De uitval van vlaggen, banieren of wimpels mag
                                maximaal 1,0 meter bedragen.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:11</nr><titel>Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg</titel></kop><al>1.Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg
                                aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te
                                graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te
                                veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van
                                aanleg van een weg.</al><al>2.De vergunning wordt verleend:</al><al>a.als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de
                                activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;
                                of</al><al>b.door het college in de overige gevallen.</al><al>3.Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien in
                                opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken
                                worden verricht.</al><al>4.Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer
                                Rijkswaterstaatswerken, het provinciaal wegenreglement, de
                                Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde
                                Telecommunicatieverordening.</al><al>5.Op de vergunning als bedoeld in het eerste lid is paragraaf
                                4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:12</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om zonder omgevingsvergunning van het bevoegde
                                    gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen
                                    in een bestaande uitweg naar de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning
                                    slechts geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>Ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de uitweg ten koste gaat van een openbare
                                    parkeerplaats;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>indien door de uitweg het openbaar groen op onvaardbare wijze
                                    wordt aangetast; of</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door
                                    een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede
                                    uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het
                                    openbaar groen.</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken,
                                    Waterschapskeur of het provinciaal wegenreglement.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6:</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:13</nr><titel>Veroorzaken van gladheid (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:14</nr><titel>Winkelwagentjes</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>De rechthebbende op een bedrijf die ten behoeve van het
                                    winkelend publiek winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede
                                    ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is
                                    verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van
                                    een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf
                                    door het publiek op of langs de weg achtergelaten
                                    winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen
                                    verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te
                                    bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als
                                    bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf gelegen is in
                                    een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat
                                    winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of
                                    winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte,
                                    grenzende aan dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens een aan
                                    die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg,
                                    onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een daartoe
                                    aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:15</nr><titel>Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</titel></kop><al>Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te
                                hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht
                                wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar
                                oplevert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:16</nr><titel>Openen straatkolken e.d.</titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:17</nr><titel>Kelderingangen, koekoeken e.d.</titel></kop><al><cursief>(Vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:18</nr><titel>Rookverbod in bossen en natuurterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te roken in bossen, op heidegronden of binnen
                                    een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door het
                                    college aangewezen periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in bossen, op heidegronden of binnen een afstand
                                    van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft,
                                    brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen
                                    of te laten liggen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor
                                    zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door
                                    artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                    zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende
                                    erven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19</nr><titel>Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of
                                        (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze
                                        prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe
                                        voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2
                                        meter boven dat gedeelte van de weg.</al></li><li nr="2."><al>Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad,
                                        puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere
                                        afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van
                                        de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn
                                        aangebracht.</al></li><li nr="3."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het
                                        daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van
                                        de Wegenverkeerswet 1994.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:19a</nr><titel>Gevaarlijke voorwerpen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:20</nr><titel>Vallende voorwerpen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat
                                    op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten
                                    behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de
                                    Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:21a</nr><titel>Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichting
                                    (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:22</nr><titel>Objecten onder hoogspanningslijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden
                                    van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse
                                    hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere
                                    objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan
                                    twee meter te plaatsen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de
                                    bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten
                                    die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23</nr><titel>Veiligheid op het ijs</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te
                                    verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige
                                    andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid
                                    geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg
                                    te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik
                                    daarvan te verijdelen of te belemmeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de
                                    Provinciale vaarwegenverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:23a</nr><titel>Benzinepompen op of nabij de weg</titel></kop><al><cursief>(Vervallen)</cursief></al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7.</nr><titel>Evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:24</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor
                                    publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering
                                    van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>bioscoopvoorstellingen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de
                                    Gemeentewet en artikel 5:21 van deze verordening;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet
                                    gelegenheid geven tot dansen;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet
                                    openbare manifestaties;</al></lid><lid><lidnr>f.</lidnr><al>activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze
                                    verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder evenement wordt mede verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een herdenkingsplechtigheid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een braderie;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3
                                    van deze verordening, op de weg;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de
                                    weg;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein
                                    evenement);</al></lid><lid><lidnr>f </lidnr><al>een wielertocht vanaf 101 deelnemers.</al></lid><lid><lidnr>g</lidnr><al>het tussen 22.30 uur en 8.00 uur afsteken van professioneel
                                    vuurwerk conform het Vuurwerkbesluit, meer dan 200 kilogram
                                    consumentenvuurwerk en/of meer dan 20 kilogram theatervuurwerk
                                    met uitzondering van oudejaarsavond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25</nr><titel>Evenement</titel></kop><al>1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                evenement te organiseren.</al><al>2. De vergunning kan worden geweigerd: </al><al> a. in het belang van de openbare orde;</al><al> b. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al><al> c. in het belang van de verkeersveiligheid of de veiligheid van
                                personen of </al><al> goederen;</al><al> d. in het belang van de zedelijkheid of gezondheid;</al><al> e. indien er strijdigheid bestaat met het evenementenbeleid;</al><al> f. indien er strijdigheid bestaat met het vigerende
                                wielerbeleid.</al><al>3. De burgemeester kan categorieën van evenementen aanwijzen
                                waarvoor – in verband met de relatief geringe omvang of anderszins
                                weinig hinder opleverende aard – het verbod in het eerste lid niet
                                geldt, mits de door de burgemeester te stellen algemene regels
                                worden nageleefd.</al><al>4. De organisator van het evenement bedoeld in het derde lid, stelt
                                de burgemeester tenminste zes weken voorafgaand aan het evenement
                                hiervan in kennis door middel van een door de burgemeester
                                vastgesteld meldingsformulier.</al><al>5. De burgemeester kan binnen twee weken na ontvangst van de melding
                                besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het derde
                                lid te verbieden vanuit een oogpunt van openbare orde, het voorkomen
                                of beperken van overlast, verkeersveiligheid of veiligheid van
                                personen of goederen, de zedelijkheid of gezondheid, ongewenste
                                cumulatie van evenementen.</al><al>6. Het verbod van het eerste lid geldt niet indien het een
                                wielertoertocht betreft van 101</al><al> tot en met 250 deelnemers. Voor deze wielertoertochten geldt een
                                meldingsplicht met </al><al> een indieningstermijn van zes weken voor het plaatsvinden van de
                                wielertoertocht.</al><al>7. De burgemeester kan besluiten een wielertoertocht als bedoeld in
                                lid 6 te verbieden indien de </al><al> aanvraag in strijd is met het vigerende wielerbeleid.</al><al>8. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:25A</nr><titel>Evenementen in gebouwen</titel></kop><al>. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester in een
                                gebouw of mergelgroeve een voor publiek toegankelijk evenement te
                                houden of te laten houden. </al><al>2. Het verbod geldt niet voor: </al><al>a. manifestaties in de zin van de Wet openbare manifestaties; </al><al>b. bioscoop-, theater- of muziekvoorstellingen, voor zover deze
                                worden gehouden in gebouwen die daarvoor zijn bestemd of overwegend
                                worden gebruikt; </al><al>c. sportwedstrijden, met uitzondering van vechtsportwedstrijden of
                                –gala’s; </al><al>d. activiteiten in (horeca)bedrijven die in de uitoefening van het
                                bedrijf gebruikelijk zijn. </al><al>3. De organisator van een evenement waarvoor krachtens het tweede
                                lid, onder c, een vergunning is vereist, is niet van slecht
                                levensgedrag. </al><al>4. De burgemeester weigert de vergunning: </al><al>a. als de organisator van een evenement als bedoeld in het derde lid
                                van slecht levensgedrag is; </al><al>b. het evenement gevaar oplevert voor de openbare orde, de
                                gezondheid, de veiligheid, de brandveiligheid of voor het ontstaan
                                van wanordelijkheden; </al><al>c. een onevenredig groot aantal bezoekers te verwachten is; </al><al>d. het evenement zich niet verdraagt met het karakter of de
                                bestemming van de plaats op waar het wordt gehouden. </al><al>5. De burgemeester kan andere categorieën van voor het publiek
                                toegankelijke evenementen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid
                                genoemde verbod niet geldt. </al><al>6. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                beslissen) niet van toepassing.</al><al>7. Bij de aanvraag voor een vergunning krachtens het tweede lid
                                onder c dienen de volgende stukken worden overlegd:</al><al>a. een lijst met deelnemer(s) aan het evenement</al><al>b. een lijst met sponsoren voor het evenement alsmede het
                                sponsorbedrag;</al><al>c. een Kvk-uittreksel van het beveiligingsbedrijf dat het evenement
                                beveiligt.</al><al>e. een kopie van het bewijs van lidmaatschap van de
                                brancheorganisatie.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:26</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8.</nr><titel>toezicht op horecabedrijven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:27</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Onder horecabedrijf wordt in deze afdeling verstaan: </al><lijst><li nr="a."><al>de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte
                                            waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                            bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken
                                            worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe
                                            consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een
                                            horecabedrijf worden in ieder geval verstaan: een hotel,
                                            restaurant, pension, bed &amp; breakfast, café,
                                            cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of
                                            clubhuis.</al></li><li nr="b."><al>alle al dan niet tegen betaling voor het publiek
                                            toegankelijke lokaliteiten, open plaatsen, tuinen of
                                            gedeelten daarvan en de daarmee gemeenschap hebbende
                                            vertrekken die niet uitsluitend als woning of winkel als
                                            bedoeld in de Winkeltijdenwet (met uitzondering van
                                            afhaalcentra) worden gebruikt, voor zover daar bij wijze
                                            van hoofdfunctie of overwegende nevenfunctie logies
                                            wordt verstrekt dan wel gelegenheid wordt gegeven om al
                                            dan niet tegen betaling enigerlei eetwaren en/of
                                            alcoholvrije drank te verkrijgen en/of te
                                            verbruiken.</al></li><li nr="c."><al>afhaalcentra, zijnde winkels waar voor gebruik elders
                                            dan ter plaatse uitsluitend eetwaren en/of alcoholvrije
                                            drank plegen te worden verstrekt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                    verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere
                                    aanhorigheden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een terras in de zin van deze afdeling is een buiten de besloten
                                    ruimte van de inrichting liggend deel van het horecabedrijf waar
                                    zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding
                                    dranken kunnen worden geschonken en/of spijzen voor directe
                                    consumptie kunnen worden bereid en/of verstrekt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onder houder wordt in deze afdeling verstaan: degene die een
                                    horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in artikel
                                    2:28.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Leidinggevende: degene die de feitelijke leiding geeft aan de
                                    exploitatie van een horecabedrijf.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Deze afdeling verstaat niet onder bezoekers:</al><lijst><li nr="a."><al>de gezinsleden van de houder, alsmede zijn elders
                                            wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn
                                            onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;</al></li><li nr="b."><al>de personen die voorkomen in het register als bedoeld in
                                            artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede
                                            personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het
                                            Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="c."><al>de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                            dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28</nr><titel>Exploitatievergunning horecabedrijf</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder
                                    vergunning van de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning indien de vestiging of
                                    exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend
                                    bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning
                                    geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet
                                    worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving
                                    van het horecabedrijf of openbare orde op ontoelaatbare wijze
                                    nadelig wordt beïnvloed. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde
                                    weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:</al><al>a. het karakter van de straat en de wijk, waarin het
                                    horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen;</al><al>b. de aard van het horecabedrijf;</al><al>c. de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds
                                    blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie;</al><al>d. de wijze van bedrijfsvoering door de expoitant of de
                                    leidinggevende;</al><al>e. het levensgedrag van de expoitant of de leidinggevende.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk
                                    weigeren indien de vestiging of exploitatie van het
                                    horecabedrijf en/of het bijbehorende terras in strijd is met het
                                    terrassenbeleid dan wel het Besluit Eisen Zedelijk Gedrag Drank-
                                    en Horecawet 1999.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de
                                    burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die ook
                                    betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende
                                    terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de
                                    ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Onverminderd het gestelde in het derde en vierde lid kan de
                                    burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van
                                    die weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf
                                    horende terrassen weigeren:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg
                                            dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg
                                            of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;</al></li><li nr="b."><al>indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het
                                            doelmatig beheer en onderhoud van de weg.</al></li><li nr="c."><al>Indien het gebruik in strijd is met het
                                            terrassenbeleid.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatwerken of de Wegenverordening provincie Limburg
                                    van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28a</nr><titel>Opheffing vergunningplicht (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:28b</nr><titel>Intrekkingsgronden exploitatievergunning</titel></kop><al>De burgemeester trekt de vergunning in, indien:</al><lijst><li nr="1."><al>ter verkrijging van de vergunning gegevens zijn verstrekt
                                        die zodanig onjuist of anders blijken te zijn, dat op de
                                        aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen als bij de
                                        beoordeling daarvan de juiste omstandigheden volledig bekend
                                        waren geweest;</al></li><li nr="2."><al>door de wijze van exploitatie het woon- en leefklimaat in de
                                        naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt
                                        aangetast of dreigt te worden aangetast;</al></li><li nr="3."><al>zich in het betrokken horecabedrijf feiten of omstandigheden
                                        hebben voorgedaan die de ernstige vrees wettigen dat het van
                                        kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de
                                        openbare orde;</al></li><li nr="4."><al>binnen een termijn van zes maanden na de dagtekening van de
                                        vergunning geen gebruik is gemaakt van de vergunning, anders
                                        dan wegens overmacht;</al></li><li nr="5."><al>de exploitatie van het horecabedrijf voor een periode langer
                                        dan een jaar is of wordt onderbroken, anders dan wegens
                                        overmacht;</al></li><li nr="6."><al>de vergunninghouders c.q. –houders hierom verzoekt c.q.
                                        verzoeken;</al></li><li nr="7."><al>er aanwijzingen zijn, dat in het horecabedrijf personen
                                        werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of
                                        krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet
                                        2000 bepaalde.</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:29</nr><titel>Sluitingstijd</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend
                                    te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na
                                    sluitingstijd.</al><lijst><li nr="a."><al>in de maanden juli en augustus op maandag tot en met
                                            donderdag tussen 02.00 en 06.00 uur en op vrijdag tot en
                                            met zondag tussen 03.00 en 06.00 uur;</al></li><li nr="b."><al>in de overige maanden op maandag tot en met vrijdag
                                            tussen 02.00 en 06.00 uur en op zaterdag en zondag
                                            tussen 03.00 en 06.00 uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van de
                                    sluitingstijd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet
                                    milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:30</nr><titel>Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde,
                                    veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van
                                    bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen
                                    tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende
                                    sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van
                                    de Opiumwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:31</nr><titel>Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:32</nr><titel>Handel in horecabedrijven</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als
                                    bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op
                                    grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van
                                    Strafrecht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De exploitant van een horecabedrijf laat niet toe dat een
                                    handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig
                                    voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze
                                    overdraagt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:33</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Het is verboden in een openbare inrichting de orde te
                                verstoren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34</nr><titel>Het college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Indien een openbare inrichting geen inrichting is in de zin van
                                artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd
                                bestuursorgaan voor de toepassing van artikel 2:29 tot en met
                                2:32</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34a</nr><titel>Toegang opsporingsambtenaren</titel></kop><al>De leidinggevende van een inrichting is verplicht ervoor te zorgen
                                dat opsporingsambtenaren, als bedoeld in artikel 141 en 142 van het
                                Wetboek van Strafvordering alsmede de ambtenaren die door het
                                college of de burgemeester met de zorg voor de naleving van deze
                                verordening zijn belast, vanaf de weg onmiddellijk en onbelemmerd
                                toegang hebben tot zijn bedrijf gedurende de tijd dat de inrichting
                                voor bezoekers geopend is dan wel gedurende de tijd dat de
                                inrichting gesloten dient te zijn en indien die ambtenaren hun
                                vermoeden uiten dat daarin of aldaar bezoekers aanwezig zijn.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34b</nr><titel>Maskeerverbod in inrichtingen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34c</nr><titel>Glas op de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de houder van een inrichting welke is gelegen aan een
                                    door de burgemeester bij openbare kennisgeving aangewezen weg,
                                    verboden drank in glas te verstrekken, gedurende een door de
                                    burgemeester in die openbare kennisgeving aangegeven
                                    periode.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                    lid genoemde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een
                                    ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Een ontheffing
                                    kan al dan niet tijdelijk worden ingetrokken of gewijzigd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:34d</nr><titel>Voorkomen glas op straat</titel></kop><al>1.Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een
                                door het college aangewezen gebied, drinkglazen of aangebroken
                                glazen flessen of flesjes, met alcoholhoudende of alcoholvrije drank
                                bij zich te hebben.</al><al>2.Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al><al>a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in
                                artikel 1 van de Drank- en Horecawet;</al><al>b. de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a,
                                waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en
                                Horecawet.</al><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                                nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de
                                        uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de
                                        mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen
                                        wordt verschaft;</al></li><li nr="2."><al>houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel daarin
                                        de feitelijke leiding heeft </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:36</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het
                                houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen
                                daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de
                                burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:37</nr><titel>Nachtregister (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:38</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is
                                verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die
                                inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van
                                aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10:</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:39</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het
                                    publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een
                                    omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden
                                    enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare
                                    voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het
                                    verbod is niet van toepassing op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste
                                    lid, onder b, van de Wet op de Kansspelen vergunning is
                                    verleend;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>speelgelegenheden waarvoor de minister van Veiligheid en
                                    Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te
                                    verlenen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het
                                    kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de
                                    kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als
                                    bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de
                                    handeling als bedoeld in artikel 1, onder a, van de Wet op de
                                    kansspelen te verrichten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en
                                    leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de
                                    openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed
                                    door de exploitatie van de speelgelegenheid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met
                                    een geldend bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40</nr><titel>Kansspelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In dit artikel wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>Wet: de Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="b."><al>kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30,
                                            onder c. van de Wet;</al></li><li nr="c."><al>hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder d, van de Wet;</al></li><li nr="d."><al>laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in
                                            artikel 30, onder e, van de Wet . </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal twee
                                    kansspelautomaten toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet
                                    toegestaan. </al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>11:</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:40a</nr><titel>Kraken van gebouwen</titel></kop><al><cursief>(Vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:41</nr><titel>Betreden gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet
                                    gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet
                                    gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal,
                                    een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het
                                    publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                    betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze verboden gelden niet voor personen van wie aanwezigheid in
                                    de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid
                                    bedoelde verboden ontheffing te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:42</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in mergelsteen te krassen en of deze anderszins
                                    te beschadigen.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen
                                    of te bekladden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een
                                    onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding
                                    aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te
                                    brengen of te doen aanbrengen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding,
                                    letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen
                                    aanbrengen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te
                                    gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van
                                    meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:43</nr><titel>Vervoer plakgereedschap e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij
                                    zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer,
                                    kleur of verfstof of verfgereedschap.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen
                                    of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor
                                    handelingen als verboden in artikel 2:42.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:44</nr><titel>Vervoer inbrekerswerktuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te
                                    vervoeren of bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Dit verbod is niet van toepassing indien de bedoelde werktuigen
                                    niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de
                                    toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig
                                    sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van
                                    braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te
                                    voorkomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:45</nr><titel>Betreden van plantsoenen e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zonder
                                    ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de
                                    gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen,
                                    plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin
                                    gelegen wegen of paden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:46</nr><titel>Rijden over bermen e.d. (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47</nr><titel>Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een
                                    beeld, monument, overkapping, constructie, openbare
                                    toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting,
                                    verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan
                                    gebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig
                                    overlast of hinder kan worden veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 WvSr of
                                    artikel 5 van de WvW 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:47a</nr><titel>Verplichte route (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:48</nr><titel>Verboden drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben
                                    bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van
                                    een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te
                                    gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met
                                    alcoholhoudende drank bij zich te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in
                                    artikel 1 van de Drank- en Horecawet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a,
                                    waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank
                                    en Horecawet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:49</nr><titel>Verboden gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                    houden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een
                                    drempel van een gebouw te zitten of te liggen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                    appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                    gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich
                                    zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk
                                    gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:50</nr><titel>Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                    ruimten</titel></kop><al>Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen
                                hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek
                                toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar
                                vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere
                                soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te
                                verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de
                                desbetreffende ruimte is bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:51</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de
                                        gebruiker van dat gebouw of portiek;</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:52</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets op markt e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen
                                uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een
                                door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een
                                markt, evenement, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden
                                wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers
                                van het terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:53</nr><titel>Bespieden van personen</titel></kop><al><cursief>(Vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:54</nr><titel>Bewakingsapparatuur</titel></kop><al><cursief>(Vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:55</nr><titel>Nodeloos alarmeren</titel></kop><al><cursief>(Vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:56</nr><titel>Alarminstallaties</titel></kop><al><cursief>(Vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:57</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                    laten verblijven of te laten lopen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is
                                    aangelijnd;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats
                                    indien de hond niet is aangelijnd;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig
                                    ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een
                                    andere door het college aangewezen plaats;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>op de weg indien de hond niet is voorzien van een halsband of
                                    een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk
                                    doet kennen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid aanhef onder a is niet van
                                    toepassing op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De verboden genoemd in het eerste lid aanhef en onder a tot en
                                    met c zijn niet van toepassing op de eigenaar of houder van een
                                    hond:</al><lijst><li nr="a."><al>die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of
                                            sociale hulphond laat begeleiden of,</al></li><li nr="b."><al>die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot
                                            geleidehond of sociale hulphond.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:58</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen
                                    dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>binnen de bebouwde kom;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>buiten de bebouwde kom op verharde weggedeelten alsmede op door
                                    het college aangewezen plaatsen</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>op begraafplaatsen, sportterreinen en voor het publiek
                                    toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte speelplaatsen
                                    en speeltuinen;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>op een andere door het college aangewezen plaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door
                                    het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                    gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van
                                    de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk
                                    worden verwijderd. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid is niet van
                                    toepassing op visueel gehandicapten, die geleid worden door een
                                    geleidehond of de houder van een hond welke is opgeleid door de
                                    Stichting Sociale Honden voor Gehandicapten Nederland of door de
                                    Stichting Servicehonden voor Auditief of Motorisch Gehandicapten
                                    en aan de houder ter beschikking is gesteld in verband met een
                                    motorisch gebrek.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:59</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag
                                    gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van
                                    die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod
                                    opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare
                                    plaats of op het terrein van een ander;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is
                                    de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte,
                                    gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht
                                    is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:</al><lijst><li nr="a."><al>vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of
                                            van beide stoffen;</al></li><li nr="b."><al>door middel van een stevige leren riem die zodanig rond
                                            de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen
                                            van de mens niet mogelijk is; en</al></li><li nr="c."><al>zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de
                                            afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van
                                            de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf
                                            aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid aanhef en
                                    onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien
                                    te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt
                                    uniek identificatienummer door middel van een microchip die met
                                    een chipreader afleesbaar is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:60</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing
                                    van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen
                                    plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben, of</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
                                            door het college gestelde regels;</al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                            aanwijzing is aangegeven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                    plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel
                                    aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het
                                    college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een
                                    groter aantal dan door het college is aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen
                                    binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de
                                    gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde
                                    verbod. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:61</nr><titel>Wilde dieren</titel></kop><al><cursief>(Vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:62</nr><titel>Loslopend vee</titel></kop><al>De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend
                                weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een
                                deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige
                                maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan
                                bereiken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:63</nr><titel>Duiven</titel></kop><al><cursief>(Vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:64</nr><titel>Bijen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden bijen te houden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere
                                    gebouwen waar overdag mensen verblijven;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>binnen een afstand van dertig meter van de weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een
                                    afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een
                                    afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger
                                    als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen
                                    te voorkomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt
                                    niet voor zover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen
                                    of gebouwen als bedoeld in dat lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt
                                    niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien
                                    door het Provinciaal wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:65</nr><titel>Sluiting voor het publiek toegankelijke plaats /verbieden
                                    sportwedstrijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een voor het publiek toegankelijke plaats kan door de
                                    burgemeester voor ten hoogste drie maanden worden gesloten,
                                    indien er zich feiten hebben voorgedaan die de gegronde vrees
                                    wettigen, dat het geopend blijven van deze plaats gevaar
                                    oplevert voor de openbare orde.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De burgemeester kan het spelen of het doen spelen van een
                                    sportwedstrijd verbieden uit vrees voor het ontstaan van
                                    verstoringen van de openbare orde.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde
                                    voorschriften geven met betrekking tot een sportwedstrijd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is de beheerder van een voor het publiek toegankelijke
                                    plaats verboden gedurende de tijd, door de burgemeester op grond
                                    van het eerste lid bepaalt,</al><al> daarop of daarin publiek aanwezig te hebben, te houden of toe
                                    te laten.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden een voor het publiek toegankelijke plaats te
                                    bezoeken, of daarin aanwezig te zijn, nadat de sluiting daarvan
                                    overeenkomstig het bepaalde in</al><al> het eerste lid is bevolen en bij openbare kennisgeving is
                                    bekend gemaakt.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>12:</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:66</nr><titel>Begripsbepaling (Vervallen)</titel></kop><al><vet>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het
                                    verkoopregister (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van
                                    het Wetboek van Strafrecht (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
                                    (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven</vet></al><al><vet>(Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 Toezicht op
                                    horecabedrijven artikel 2:32).</vet></al><al><vet>Artikel 2:70a Vervoer van gevaarlijke stoffen (Vervallen)</vet></al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>13.</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:71</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:
                                Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al><al><vet>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk
                                    tijdens de verkoopdagen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                        nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen
                                        dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden,
                                        zonder een vergunning van het college.</al></li><li nr="2."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    jaarwisseling</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door
                                        het college in het belang van de voorkoming van gevaar,
                                        schade of overlast aangewezen plaats.</al></li><li nr="2."><al>Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats
                                        te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan
                                        veroorzaken.</al></li><li nr="3."><al>De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet
                                        van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door
                                        artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van
                                        Strafrecht.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>14.</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2:74</nr><titel>Drugshandel op straat</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan
                                de weg of andere openbare plaats post te vatten of zich daar heen en
                                weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te
                                bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het
                                kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de
                                Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af
                                te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te
                                zijn of daarin te bemiddelen.</al><al>Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, Veiligheidsrisicogebieden en
                                cameratoezicht op openbare plaatsen</al><al><vet>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</vet></al><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                                besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                                groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                                personen het bepaalde in de artikelen 2:1, 2:10, 2:16, 2:19, 2:47,
                                2:48, 2:49, 2:50, 2:73, 5:34 van deze verordening groepsgewijs niet
                                naleven.</al><al><vet>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</vet></al><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet
                                bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens,
                                dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied,
                                met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als
                                veiligheidsrisicogebied.</al><al><vet>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen</vet></al><al>De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet
                                besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur
                                ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.</al><al><vet>Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het
                                        voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of
                                        beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de
                                        veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de
                                        zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of
                                        openbare orde verstorende handelingen verrichten een bevel
                                        geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in een of meer
                                        bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te
                                        houden.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de
                                        burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een
                                        bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw
                                        strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen
                                        verricht] een bevel geven zich gedurende ten hoogste 12
                                        weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op
                                        een openbare plaats op te houden.</al></li><li nr="3."><al>Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden
                                        gegeven als het strafbare feit of de openbare orde
                                        verstorende handeling binnen 12 maanden na het geven van een
                                        eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid,
                                        plaatsvindt.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid
                                        gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke
                                        omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De
                                        burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen
                                        van een bevel.</al></li></lijst></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1:</nr><titel>begripsbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten
                                        van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="b."><al>prostitué(e): degene die zich beschikbaar stelt tot het
                                        verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen
                                        vergoeding;</al></li><li nr="c."><al>seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of
                                        vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden.
                                        Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een
                                        seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub
                                        of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
                                        erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met
                                        elkaar;</al></li><li nr="d."><al>escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of
                                        rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij
                                        bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere
                                        plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="e."><al>sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten
                                        ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van
                                        erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te
                                        worden verkocht of verhuurd;</al></li><li nr="f."><al>exploitant: de natuurlijke persoon of personen of
                                        rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of
                                        escortbedrijf exploiteert, dan wel exploiteren en de tot
                                        vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen
                                        bevoegde natuurlijke persoon of personen;</al></li><li nr="g."><al>beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de
                                        onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent, dan wel
                                        uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;</al></li><li nr="h."><al>bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met
                                        uitzondering van:</al></li><li nr="1."><al>de exploitant;</al></li><li nr="2."><al>de beheerder;</al></li><li nr="3."><al>de prostituee;</al></li><li nr="4."><al>het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;</al></li><li nr="5."><al>toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2
                                        van deze verordening;</al></li><li nr="6."><al>andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting
                                        wegens dringende redenen noodzakelijk is.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het
                                college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande
                                gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van
                                de Gemeentewet, de burgemeester.</al><al><vet>Artikel 3:3 Nadere regels</vet></al><al>Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college
                                over de uitoefening van de bevoegdheden zoals genoemd in dit
                                hoofdstuk nadere regels vaststellen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2:</nr><titel>seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                                dergelijke</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te
                                        exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                        bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in
                                        ieder geval vermeld:</al></li><li nr="a."><al>de persoonsgegevens van de exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de persoonsgegevens van de beheerder; en</al></li><li nr="c."><al>de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;</al></li><li nr="d."><al>de locatie van de inrichting.</al></li><li nr="3."><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet
                                        tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De exploitant en de beheerder:</al></li><li nr="a."><al>staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de
                                        ouderlijke macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en</al></li><li nr="c."><al>hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.</al></li><li nr="2."><al>Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant
                                        en de beheerder niet:</al></li><li nr="a."><al>met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht
                                        in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing
                                        van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter
                                        beschikking gesteld;</al></li><li nr="b."><al>binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot
                                        een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer
                                        door de rechter in Nederland inclusief de 3 openbare
                                        lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curacao en
                                        St. Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een
                                        misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot
                                        voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van
                                        het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;</al></li><li nr="c."><al>binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                        uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een
                                        onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een
                                        andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                        onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede
                                        wegens overtreding van:</al></li><li nr="·"><al>bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet,
                                        de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                        vreemdelingen;</al></li><li nr="·"><al>de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met
                                        249, 252, 250a (oud), 273f, 300 tot en met 303, 416, 417,
                                        417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                        Strafrecht;</al></li><li nr="·"><al>de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto
                                        artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet
                                        1994;</al></li><li nr="·"><al>de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de
                                        Wet op de kansspelen;</al></li><li nr="·"><al>de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;</al></li><li nr="·"><al>de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.</al></li><li nr="3."><al>Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt
                                        gelijk gesteld:</al></li><li nr="a."><al>vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel
                                        74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of
                                        artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake
                                        rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro
                                        bedraagt;</al></li><li nr="b."><al>een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                        straf.</al></li><li nr="4."><al>De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid,
                                        wordt:</al></li><li nr="a."><al>bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                        datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;</al></li><li nr="b."><al>bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                        datum van de intrekking van deze vergunning.</al></li><li nr="5."><al>De exploitant of de beheerder zijn binnen de laatste vijf
                                        jaar geen exploitant of beheerder geweest van een
                                        seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een
                                        maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of
                                        waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is
                                        ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen
                                        verwijt treft.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:6 Sluitingstijden</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                        hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten
                                        verblijven:</al><lijst><li nr="a."><al>op maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 8.00
                                                uur;</al></li><li nr="b."><al>op zaterdag en zondag tussen 0.00. en 12.00
                                                uur.</al></li></lijst></li><li nr="2"><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een
                                        voorschrift als bedoeld in artikel 1.4 voor een
                                        afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden
                                        vaststellen.</al></li><li nr="3"><al>Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin
                                        te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting
                                        krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens
                                        artikel 3:7 eerste lid, gesloten dient te zijn.</al></li><li nr="4"><al>Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet
                                        voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien
                                        door de op de Wet milieubeheer gebaseerde
                                        voorschriften.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                    sluiting</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde
                                        belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in
                                        dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:</al></li><li nr="a."><al>tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of
                                        tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk
                                        de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.</al></li><li nr="2."><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene
                                        wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in
                                        het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend
                                        overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:7a Intrekking van de vergunning</vet></al><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan het bevoegde
                                bestuursorgaan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid
                                genoemde belangen of in geval van handelen of nalaten in strijd met
                                de bepalingen in dit hoofdstuk, de aan de vergunning verbonden
                                voorschriften, of de nadere regels als bedoeld in artikel 3:3, de
                                vergunning intrekken.</al><al><vet>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                                    beheerder</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te
                                        hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning
                                        vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting
                                        aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al>De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat
                                        in de seksinrichting:</al></li><li nr="a."><al>geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval
                                        de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de
                                        zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid),
                                        XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het
                                        Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet
                                        en in de Wet wapens en munitie; en</al></li><li nr="b."><al>geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd
                                        met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                        Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:9 Straatprostitutie</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of
                                        op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit
                                        te nodigen dan wel aan te lokken:</al></li><li nr="a."><al>op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of
                                        gebieden;</al></li><li nr="b."><al>gedurende andere dan door het college vastgestelde
                                        tijden.</al></li><li nr="2."><al>Met het oog op de naleving van het in het eerste lid
                                        gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden
                                        gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te
                                        verwijderen.</al></li><li nr="3."><al>Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde
                                        belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich
                                        bevinden op de wegen en gedurende de tijden bedoeld in het
                                        eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in
                                        een bepaalde richting te verwijderen.</al></li><li nr="4."><al>De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13,
                                        tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste
                                        eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid
                                        bij besluit verbieden zich gedurende een bepaalde termijn,
                                        anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden
                                        op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste
                                        lid.</al></li><li nr="5."><al>De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde
                                        verbod indien dat in verband met de persoonlijke
                                        omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.</al></li><li nr="6."><al>Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de
                                        burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde
                                        lid.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:10 Sekswinkels</vet></al><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een
                                sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de
                                openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of
                                delen van de gemeente.</al><al><vet>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en
                                    dergelijke</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden
                                        daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen,
                                        gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van
                                        erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen,
                                        aan te bieden of aan te brengen:</al></li><li nr="a."><al>indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft
                                        bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of
                                        aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en
                                        leefomgeving in gevaar brengt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan
                                        in het belang van de openbare orde of de woon- en
                                        leefomgeving gestelde regels.</al></li><li nr="2."><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                        op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen,
                                        opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken
                                        dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van
                                        gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid,
                                        van de Grondwet.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Beslissingstermijn; weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:12</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag
                                        om vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen
                                        twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.</al></li><li nr="2."><al>Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste
                                        twaalf weken verdagen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</vet></al><lijst><li nr="1."><al>De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt
                                        geweigerd indien:</al></li><li nr="a."><al>de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel
                                        3:5 gestelde eisen;</al></li><li nr="b."><al>de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                        escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan,
                                        beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit,
                                        stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;</al></li><li nr="c."><al>er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                        escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                        strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of
                                        met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                        Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li><li nr="2."><al>Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde
                                        escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel
                                        1:8, de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid,
                                        worden geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling
                                        bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, achterwege gelaten, in
                                        het belang van:</al></li><li nr="a."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en
                                        leefklimaat;</al></li><li nr="c."><al>de veiligheid van personen of goederen;</al></li><li nr="d."><al>de verkeersvrijheid of – veiligheid;</al></li><li nr="e."><al>de gezondheid of zedelijkheid;</al></li><li nr="f."><al>de arbeidsomstandigheden van de prostituee.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3:14</nr><titel>Beëindiging exploitatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de
                                        vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                        seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                        beëindigd.</al></li><li nr="2."><al>Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de
                                        exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis
                                        aan het bevoegd bestuursorgaan.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 3:15 Wijziging beheer</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:1, onder g,
                                        het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf
                                        feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan
                                        binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer
                                        schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.</al></li><li nr="2."><al>Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder,
                                        indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de
                                        exploitant heeft besloten de verleende vergunning
                                        overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het
                                        bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is
                                        van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="3."><al>In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan
                                        het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder
                                        zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede
                                        lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is
                                        besloten.</al></li></lijst></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET
                            UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1:</nr><titel>Geluidhinder en verlichting</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting: inrichting type A of type B als bedoeld in het
                                        Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder van een inrichting: degene die als eigenaar,
                                        bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan
                                        één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;</al></li><li nr="e."><al>incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die
                                        gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;</al></li><li nr="f."><al>woning: gebouw dat voor bewoning gebruikt wordt of daartoe
                                        bestemd is;</al></li><li nr="g."><al>geluidgevoelige ruimte: ruimte binnen een woning voor zover
                                        die kennelijk als slaap-, woon-, of eetkamer wordt gebruikt
                                        of voor een zodanig gebruik is bestemd, alsmede een keuken
                                        van ten minste 11 m2;</al></li><li nr="h."><al>geluidgevoelige gebouwen: gebouwen die op grond van artikel
                                        1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als
                                        geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen
                                        behorende bij de betreffende inrichting;</al></li><li nr="i."><al>verblijfsruimten: ruimten als bedoeld in artikel 1.1, sub e
                                        Besluit geluidhinder binnen geluidgevoelige gebouwen.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten</vet></al><lijst><li nr="1"><al>De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en
                                        2.20 van het Besluit gelden niet voor maximaal drie door het
                                        college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve
                                        festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of
                                        dagdelen.</al></li><li nr="2"><al>In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid,
                                        kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in
                                        een of meer delen van de gemeente Valkenburg aan de
                                        Geul.</al></li><li nr="3"><al>Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor
                                        het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.</al></li><li nr="4"><al>Het college kan wanneer een collectieve festiviteit
                                        redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit
                                        terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het
                                        eerste lid aanwijzen.</al></li><li nr="5"><al>Het geluidniveau, veroorzaakt door de inrichting mag in
                                        geluidgevoelige ruimten van woningen van derden en
                                        verblijfsruimten geen overmatige geluidoverlast
                                        veroorzaken.</al></li><li nr="6"><al>Burgemeester en wethouders kunnen voorwaarden verbinden aan
                                        collectieve </al><al> festiviteiten ter voorkoming of beperking van
                                        geluidhinder.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</vet></al><lijst><li nr="1"><al>Het is een inrichting toegestaan maximaal negen incidentele
                                        festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                        geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20
                                        van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van
                                        de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de
                                        festiviteit het college daarvan (schriftelijk) in kennis
                                        heeft gesteld.</al></li><li nr="2"><al>Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal zes
                                        incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting
                                        langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten
                                        waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van
                                        toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste
                                        tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het
                                        college daarvan (schriftelijk) in kennis heeft gesteld.
                                    </al></li><li nr="3"><al>Het college stelt een formulier vast voor het doen van een
                                        kennisgeving</al></li><li nr="4"><al>De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het
                                        formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is
                                        ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.</al></li><li nr="5"><al>De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer
                                        het college op verzoek van de houder van een inrichting een
                                        incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien
                                        was, terstond toestaat.</al></li><li nr="6"><al>Het geluidniveau, veroorzaakt door de inrichting mag in
                                        geluidgevoelige ruimten van woningen van derden en
                                        verblijfsruimten geen overmatige geluidsoverlast
                                        veroorzaken.</al></li><li nr="7"><al>Burgemeester en wethouders kunnen voorwaarden verbinden aan
                                        incidentele festiviteiten ter voorkoming van geluidhinder;
                                        zie artikel 2.21, lid 2 van het Besluit.</al></li></lijst><al><vet>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten
                                    (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4:5 Onversterkte muziek (Vervallen)</vet></al><al><vet>Artikel 4:6 Overige geluidhinder</vet></al><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                        milieubeheer of van het Besluit op een zodanige wijze
                                        toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of
                                        handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de
                                        omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.</al></li><li nr="2."><al>Bij de beoordeling of sprake is van geluidhinder gelden de
                                        geluidsnormen conform de artikelen 2.17, 2.19 en 2.20 van
                                        het Besluit. De beoordeling vindt verder plaats aan de hand
                                        van de Handleiding meten en rekenen Industrielawaai,
                                        1999.</al></li><li nr="3."><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></li><li nr="4."><al>Diegene die de zorg heeft voor een dier moet voorkomen dat
                                        dit voor omwonenden geluidshinder veroorzaakt. </al></li><li nr="5."><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                        onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de
                                        Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het
                                        Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening.</al></li><li nr="6."><al>Op de ontheffing als bedoeld in lid 3 is paragraaf 4.1.3.3
                                        van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                        beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van
                                        toepassing.</al></li></lijst></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:7</nr><titel>Straatvegen</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van de
                                werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.</al><al><vet>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen</vet></al><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.</al><al><vet>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet
                                    openbare riolen en putten buiten gebouwen</vet></al><al>Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten
                                gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar
                                oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder
                                voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:10</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Boom: een houtachtig overblijvend gewas met een diameter
                                            van de stam van minimaal 40 centimeter op 1.30 meter
                                            boven het maaiveld gerekend langs de stam indien het
                                            bomen betreft op particuliere percelen. Op openbaar
                                            terrein geldt een stamdiameter van 20 centimeter op 1.30
                                            meter boven maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt
                                            de diameter van de dikste stam</al></li><li nr="b."><al>Houtopstand; één of meer bomen, hakhout of een
                                            houtwal</al></li><li nr="c."><al>Monumentale boom; een boom die conform toetsing aan het
                                            Bomenbeleidsplan en de daarin vastgestelde methodiek
                                            voor het bepalen van de boomwaardering als monumentaal
                                            beoordeeld wordt</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met
                                    inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen
                                    die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van
                                    houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11</nr><titel>Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een
                                    boom, houtopstand of monumentale boom te vellen of te doen
                                    vellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergunning wordt onder verwijzing naar het Bomenbeleidsplan
                                    verleend of geweigerd op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>de natuurwaarde van de houtopstand;</al></li><li nr="b."><al>de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="c."><al>de waarde van de houtopstand voor stads- en
                                            dorpsschoon;</al></li><li nr="d."><al>de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="e."><al>de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="f."><al>de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning voor het vellen van een monumentale boom wordt
                                    slechts bij uitzondering verleend, indien;</al><lijst><li nr="a."><al>een zwaarwegend maatschappelijk belang opweegt tegen
                                            duurzaam behoud van de monumentale boom;</al></li><li nr="b."><al>alternatieven uitputtend zijn onderzocht;</al></li><li nr="c."><al>naar boomdeskundige maatstaven instandhouding niet
                                            langer verantwoord is ter voorkoming van letsel of
                                            schade.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te
                                    stellen voorschriften betreffende;</al><lijst><li nr="a."><al>de termijn waarbinnen herbeplanting plaats dient te
                                            vinden;</al></li><li nr="b."><al>de minimale termijn van duurzame instandhouding van de
                                            herbeplanting;</al></li><li nr="c."><al>de boomsoort en plantmaat;</al></li><li nr="d."><al>de locatie.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11a</nr><titel>Kapverbod</titel></kop><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs
                                        landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren
                                        of wilgen, tenzij deze zijn geknot;</al></li><li nr="b."><al>vruchtbomen (m.u.v. notebomen) en windschermen om
                                        boomgaarden;</al></li><li nr="c."><al>fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te
                                        dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het
                                        bijzonder bestemde terreinen;</al></li><li nr="d."><al>kweekgoed;</al></li><li nr="e."><al>houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld of
                                        als hakhout beheerd wordt:</al></li><li nr="f"><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de
                                        Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last van
                                        het college, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4:11
                                        lid 3.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:11b</nr><titel>Herplant en instandhoudingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het
                                    bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is
                                    gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de
                                    grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die
                                    uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is,
                                    de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door
                                    hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen
                                    termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd,
                                    dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de
                                    herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet
                                    worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig
                                    wordt bedreigd, kunnen burgemeester en wethouders aan de
                                    zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand
                                    bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het
                                    treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen
                                    om overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een
                                    door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor
                                    die bedreiging wordt weggenomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste,
                                    tweede of derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger,
                                    is verplicht daaraan te voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:12</nr><titel>Bescherming groenvoorzieningen</titel></kop><al>Het is in een voor publiek toegankelijk park, bos, plantsoen of in
                                bij de gemeente in onderhoud zijnde groenstroken, grasperken of
                                bloembakken verboden enige schade toe te brengen aan een boom of een
                                bloem-, gras- of heesterperk dan wel aldaar bloemen te plukken of
                                hout te sprokkelen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12a</nr><titel>Afstand erfgrenslijn</titel></kop><al>De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt
                                vastgesteld op 1 meter voor bomen en op nihil voor heggen en
                                heesters.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:13</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><lijst><li nr="1."><al>Het is verboden op door het college in het belang van
                                            het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
                                            opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan
                                            de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een
                                            inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de
                                            openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of
                                            stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te
                                            hebben:</al><lijst><li nr="1."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke
                                                  bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of
                                                  onderdelen daarvan;</al></li><li nr="2."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen
                                                  daarvan;</al></li><li nr="3."><al>kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:16 of
                                                  onderdelen daarvan, indien het plaatsen of
                                                  aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of
                                                  verhuur of anderszins voor een commercieel doel;
                                                  of</al></li><li nr="4."><al>mestopslag, gierkelders of andere
                                                  verzamelplaatsen van vuil, een verzameling
                                                  ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde
                                                  landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude
                                                  metalen.</al></li></lijst></li></lijst><al/><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt
                                    voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of
                                    krachtens de Provinciale Verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:14</nr><titel>Stankoverlast door gebruik van meststoffen
                                    (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:15</nr><titel>Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:16</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: Een onderkomen
                                of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de
                                zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene
                                bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is
                                dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief
                                nachtverblijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:17</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd
                                    of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld
                                    in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8. kan de ontheffing
                                    worden geweigerd in het belang van:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>de bescherming van natuur en landschap;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de bescherming van een stadsgezicht.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                    goederen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4:18</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 4:17, eerste lid is niet van toepassing
                                    op door het college aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van
                                    de gronden, genoemd in artikel 4:17, derde lid.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>5.</nr><titel>ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1:</nr><titel>parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al,
                                        van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens,
                                        kinderwagens en rolstoelen;</al></li><li nr="b."><al>parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van
                                        het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV
                                        1990).</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                    gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te
                                    slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd,
                                    op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25
                                    meter met als middelpunt een dezer voertuigen; dan wel</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                    verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen
                                    tegen betaling.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet
                                    gerekend:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden
                                    verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks
                                    gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze
                                    werkzaamheden;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het
                                    eerste lid genoemde persoon.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al><al/><al/></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:3</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college aangewezen weg een
                                    voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te
                                    bieden of te verhandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:4</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan
                                eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden,
                                langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te
                                parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:5</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende
                                    staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde
                                    toestand verkeert op de weg te parkeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde
                                    onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:6</nr><titel>Kampeermiddelen e.a.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een camper, woonwagen, caravan, keetwagen,
                                    aanhangwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie
                                    dan wel voor andere doeleinden dan vervoer wordt gebruikt of is
                                    bestemd langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen
                                    of te hebben op de openbare weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties
                                    waarin wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de
                                    Provinciale landschapsverordening.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:7</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding
                                    van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel
                                    om daarmee handelsreclame te maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:8</nr><titel>Parkeren van grote voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan
                                    2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats,
                                    waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                    aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                    een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door
                                    het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                    buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                    parkeerruimte.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen
                                    van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                    uur.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op
                                    campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover
                                    deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op
                                    de weg worden geplaatst of gehouden.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                    verboden ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:9</nr><titel>Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een
                                    lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                    meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander
                                    dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor
                                    het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op
                                    hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of
                                    overlast wordt aangedaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en
                                    gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de
                                    aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10</nr><titel>Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
                                    (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:10a</nr><titel>Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden,
                                    dan wel een voertuig, fiets of bromfiets te doen of te laten
                                    staan, door dan wel in een park of plantsoen of op een niet van
                                    de weg deel uitmakende, van gemeentewege aangelegde beplanting
                                    of groenstrook.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van
                                    toepassing:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op voertuigen die nodig zijn en gebruikt worden ter uitvoering
                                    van werkzaamheden door of vanwege de overheid;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>op voertuigen, waarmede standplaats wordt of is ingenomen op
                                    terreinen welke mede of uitsluitend voor dit doel zijn
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:11</nr><titel>Stationair draaiende motoren van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden motoren van voertuigen,
                                    airconditioningsinstallaties daarbij inbegrepen, langer dan 5
                                    minuten stationair te laten draaien, anders dan op de daartoe
                                    aangewezen plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                    ontheffing verlenen.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2.</nr><titel>Collecteren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:12</nr><titel>Inzameling van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                    inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                    intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan:
                                    het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend
                                    geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van
                                    diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te
                                    kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst
                                    geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is
                                    bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor een inzameling die in besloten kring
                                    gehouden wordt.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3.</nr><titel>Venten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:13</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de
                                    uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen
                                    of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een
                                    openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder venten wordt niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die
                                    dit doet ter exploitatie van zijn winkel als bedoeld in artikel
                                    1 van de Winkeltijdenwet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als
                                    bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet
                                    of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5:21;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan
                                    wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in
                                    artikel 5:16.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:14</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de
                                    openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar
                                    komt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden te venten op zaterdag, zondag en maandag t/m
                                    vrijdag tussen 18.00 uur en 08.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid geldt niet voor zover
                                    in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5
                                    van de Wegenverkeerswet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:15</nr><titel>Vrijheid van meningsuiting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het verbod als bedoeld in artikel 5:14, eerste lid geldt
                                        niet voor venten met gedrukte of geschreven stukken waarin
                                        gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in
                                        artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al></li><li nr="2."><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het
                                        venten van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten
                                        en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7,
                                        eerste lid van de Grondwet verboden: </al><al>a. op door het college aangewezen openbare plaatsen, of</al><al>b. op door het college aangewezen dagen en uren.</al><al/></li><li nr="3."><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als
                                        bedoeld in het tweede lid.</al></li><li nr="4."><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                        bestuursrecht</al></li></lijst><al> (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van
                                toepassing.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4.</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:16</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een
                                    vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats
                                    te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel
                                    diensten aan te bieden, gebruikmakend van fysieke middelen,
                                    zoals een kraam, een wagen of een tafel.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder standplaats wordt niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in
                                    artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
                                    Gemeentewet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel
                                    2:24.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:17</nr><titel>Standplaatsvergunning en weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college een
                                    standplaats in te nemen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend
                                    bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning
                                    worden geweigerd:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met
                                    de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente
                                    of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is
                                    dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats
                                    voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau
                                    voor de consument ter plaatse in gevaar komt.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>indien er strijdigheid bestaat met het vigerende
                                    standplaatsenbeleid.</al><al/></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:18</nr><titel>Toestemming rechthebbende</titel></kop><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat
                                daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is
                                ingenomen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:19</nr><titel>Afbakeningsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het verbod van artikel 5:17, eerste lid geldt niet voor zover in
                                    het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De weigeringsgrond van artikel 5:17, derde lid, onder a, geldt
                                    niet voor bouwwerken.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>5.</nr><titel>Snuffelmarkten e.d.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:20</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in
                                    een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk
                                    tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten
                                    worden aangeboden vanaf een standplaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid,
                                    aanhef en onder h, van de Gemeentewet;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>een evenement als bedoeld in artikel 2:24.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:21</nr><titel>Organiseren van een snuffelmarkt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    snuffelmarkt te organiseren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel
                                    nagenoeg geheel en voortdurend in gebruik zijn als winkel in de
                                    zin van de Winkeltijdenwet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester weigert de vergunning wegens strijd met een
                                    geldend bestemmingsplan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>6.</nr><titel>openbaar water</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:22</nr><titel>Voorwerpen op, in of boven openbaar water</titel></kop><al><cursief>(Vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:23</nr><titel>Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen</titel></kop><al><cursief>(Vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:24</nr><titel>Aanwijzingen ligplaats</titel></kop><al><cursief>(Vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:25</nr><titel>Verbod innemen ligplaats</titel></kop><al><cursief>(Vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:26</nr><titel>Beschadigen van waterstaatswerken</titel></kop><al><cursief>(Vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:27</nr><titel>Reddingsmiddelen</titel></kop><al><cursief>(Vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:28</nr><titel>Veiligheid op het water</titel></kop><al><cursief>(Vervallen)</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:29</nr><titel>Overlast aan vaartuigen</titel></kop><al><cursief>(Vervallen)</cursief></al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>7.</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                natuurgebieden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:30</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter
                                    voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te
                                    houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel
                                    een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel
                                    daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:</al><al/></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van
                                    de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het
                                    eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het
                                    publiek.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of
                                    het Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:31</nr><titel>Beperking verkeer in natuurgebieden</titel></kop><lid><lidnr>1</lidnr><al>Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke
                                    natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik
                                    beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement
                                    verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld
                                    in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en
                                    verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.</al></lid><lid><lidnr>2</lidnr><al>Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het
                                    college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij nadere
                                    regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>in het belang van het voorkomen van overlast;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>in het belang van de bescherming van natuur- of
                                    milieuwaarden;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>in het belang van de veiligheid van het publiek.</al></lid><lid><lidnr>3</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van
                                    motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van
                                    paarden:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige
                                    hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid,
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister
                                    van Verkeer en Waterstaat aangewezen
                                    hulpverleningsdiensten;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of
                                    exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>die worden gebruikt in verband met werken die krachtens
                                    wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;</al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen
                                    die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid
                                    bedoeld;</al></lid><lid><lidnr>e.</lidnr><al>voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van
                                    de onder d bedoelde personen.</al></lid><lid><lidnr>4</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de
                                    Wegenverkeerswet 1994;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening
                                    'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van
                                    motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn
                                    aangewezen als 'toestel'.</al></lid><lid><lidnr>5</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                    gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>6</lidnr><al> Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>8.</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:32</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de
                                    omgeving, is het verbod niet van toepassing op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen
                                    afvalstoffen worden verbrand;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>vuur voor koken, bakken en braden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing
                                    worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp
                                    wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Op de ontheffing bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3
                                    van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
                                    beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Straatnaamborden, huisnummers e.d.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:33</nr><titel>Gedoogplicht aanduidingen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:34</nr><titel>Verwijdering e.d. aanduidingen (Vervallen)</titel></kop><al/></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>10.</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:35</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing:
                                het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op
                                een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een
                                permanent daartoe bestemd terrein.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:36</nr><titel>Verboden plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Incidentele asverstrooiing is verboden op:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>verharde delen van de weg;</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde
                                    termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het
                                    eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
                                    voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing
                                    verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de
                                    gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet
                                    bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig
                                    beslissen) van toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5:37</nr><titel>Hinder of overlast</titel></kop><al>Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of
                                overlast wordt veroorzaakt voor derden.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>6.</nr><titel>STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:1</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Overtreding van bij of krachtens de in deze verordening bepaalde
                                artikelen en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven
                                voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten
                                hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan
                                bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke
                                uitspraak. </al><al/></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de
                                economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde
                                bij of krachtens de artikelen 2:11, tweede lid en 4:11, eerste
                                lid.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:2</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast:</al></lid><lid><lidnr>§</lidnr><al>de functionarissen van de Regionale Politie-eenheid Limburg;</al></lid><lid><lidnr>§</lidnr><al>milieu- en parkwachters;</al></lid><lid><lidnr>§</lidnr><al>de marktmeester;</al></lid><lid><lidnr>§</lidnr><al>algemeen toezichthouders, tot wiens taak het APV toezicht
                                behoort.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen, daaronder begrepen de al
                                dan niet in (onbezoldigde) dienst van de gemeente zijnde
                                personen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:3</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:4</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Algemene plaatselijke verordening gemeente Valkenburg aan de Geul
                            2010 wordt ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:5</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4,
                            eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze
                            verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent,
                            gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:6</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2013.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6:7</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            Valkenburg aan de Geul 2013.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de vergadering van 17 december 2012.</ondertekening><ondertekening>De raad van de gemeente Valkenburg aan de Geul,</ondertekening><ondertekening>De griffier, De burgemeester,</ondertekening></regeling-sluiting><bijlage><kop><titel>INHOUD APV GEMEENTE VALKENBURG AAN DE GEUL 2013 Pag.</titel></kop><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><al>Artikel 1:1 Begripsbepalingen 1</al><al>Artikel 1:2 Beslistermijn 1</al><al>Artikel 1:3 Indiening aanvraag 1</al><al>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen 2</al><al>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 2</al><al>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 2</al><al>Artikel 1:7 Termijnen 2</al><al>Artikel 1:8 Weigeringsgronden 2</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Openbare orde</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Bestrijding van ongeregeldheden</titel></kop><al>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden 3</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Betoging</titel></kop><al>Artikel 2:2 Optochten (vervallen, opgenomen in artikel 2:24) 3</al><al>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 3</al><al>Artikel 2:4 Afwijking termijn (vervallen, opgenomen in artikel 2:3) 3</al><al>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (vervallen opgenomen in artikel 2:3)
                        3</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Verspreiden van gedrukte stukken</titel></kop><al>Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of
                        afbeeldingen 4</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Vertoningen e.d. op de weg</titel></kop><al>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. (vervallen, opgenomen in artikel
                        2:24) 4</al><al>Artikel 2:8 Dienstverlening (vervallen) 4</al><al>Artikel 2:9 Straatartiest e.d. 4</al><al>Artikel 2:9a Maskeerverbod op de weg 4</al><al>Artikel 2:9b Speelgelegenheid op de weg (vervallen) 4</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Bruikbaarheid en aanzien van de weg</titel></kop><al>Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op, aan of boven de weg in strijd
                        met de publieke functie van de weg 4</al><al>Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg (vervallen)
                        5</al><al>Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg 5</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Veiligheid op de weg</titel></kop><al>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid (vervallen) 5</al><al>Artikel 2:14 Winkelwagentjes 5</al><al>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp 5</al><al>Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. 6</al><al>Artikel 2:17 Kelderingangen, koekoeken e.d. (vervallen) 6</al><al>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 6</al><al>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp 6</al><al>Artikel 2:19a Gevaarlijke voorwerpen (vervallen) 6</al><al>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen (vervallen) 6</al><al>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 6</al><al>Artikel 2:21a Verwijdering e.d. voorzieningen voor verkeer en verlichting
                        (vervallen) 6</al><al>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn 6</al><al>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs 7</al><al>Artikel 2:23a Benzinepompen op of nabij de weg (vervallen) 7</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Evenementen</titel></kop><al>Artikel 2:24 Begripsbepaling 7</al><al>Artikel 2:25 Evenement 7</al><al>Artikel 2:26 Ordeverstoring 7</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Toezicht op horecabedrijven</titel></kop><al>Artikel 2:27 Begripsbepalingen 8</al><al>Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf 8</al><al>Artikel 2:28a Opheffing vergunningplicht (vervallen) 9</al><al>Artikel 2:29 Sluitingstijd 9</al><al>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting 9</al><al>Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf (vervallen) 9</al><al>Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven 9</al><al>Artikel 2:33 Ordeverstoring 9</al><al>Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan 9</al><al>Artikel 2:34a Toegang ambtenaren van politie (vervallen) 9</al><al>Artikel 2:34b Maskeerverbod in inrichtingen (vervallen) 9</al><al>Artikel 2:34c Glas op de weg 10</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van
                            nachtverblijf</titel></kop><al>Artikel 2:35 Begripsbepaling 10</al><al>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie 10</al><al>Artikel 2:37 Nachtregister (vervallen) 10</al><al>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister 10</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Toezicht op speelgelegenheden</titel></kop><al>Artikel 2:39 Speelgelegenheden 10</al><al>Artikel 2:40 Kansspelautomaten 11</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>11</nr><titel>Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</titel></kop><al>Artikel 2:40a Kraken van gebouwen (vervallen) 11</al><al>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal 11</al><al>Artikel 2:42 Plakken en kladden 11</al><al>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. 11</al><al>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen 11</al><al>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen 12</al><al>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. (vervallen) 12</al><al>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 12</al><al>Artikel 2:47a Verplichte route (vervallen) 12</al><al>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik 12</al><al>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 12</al><al>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten
                        12</al><al>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. 12</al><al>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt e.d. 13</al><al>Artikel 2:53 Bespieden van personen (vervallen) 13</al><al>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur (vervallen) 13</al><al>Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren (vervallen) 13</al><al>Artikel 2:56 Alarminstallaties (vervallen) 13</al><al>Artikel 2:57 Loslopende honden 13</al><al>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden 13</al><al>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden 13</al><al>Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 14</al><al>Artikel 2:61 Wilde dieren (vervallen) 14</al><al>Artikel 2:62 Loslopend vee 14</al><al>Artikel 2:63 Duiven (vervallen) 14</al><al>Artikel 2:64 Bijen 14</al><al>Artikel 2:65 Sluiting voor het publiek toegankelijke plaats/verbieden
                        sportwedstrijden15</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>12</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><al>Artikel 2:66 Begripsbepaling (vervallen) 15</al><al>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
                        (vervallen) 15</al><al>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van
                        Strafrecht (vervallen) 15</al><al>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (vervallen)
                        15</al><al>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven (verplaatst) 15</al><al>Artikel 2:70a Vervoer van gevaarlijke stoffen (vervallen) 15</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>13</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><al>Artikel 2:71 Begripsbepalingen 15</al><al>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de </al><al>verkoopdagen 15</al><al>Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
                        15</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>14</nr><titel>Drugsoverlast</titel></kop><al>Artikel 2:74 Drugshandel op straat 16</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>15</nr><titel>Bestuurlijke ophouding, Veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht
                            openbare</titel></kop><al><cursief>plaatsen</cursief></al><al>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding 16</al><al>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden 16</al><al>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen 16</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Artikel 3:1 Begripsbepalingen 17</al><al>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan 17</al><al>Artikel 3:3 Nadere regels 17</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels en
                            dergelijke</titel></kop><al>Artikel 3:4 Seksinrichtingen 17</al><al>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder 18</al><al>Artikel 3:6 Sluitingstijden 18</al><al>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting
                        19</al><al>Artikel 3:7a Intrekking van de vergunning 19</al><al>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder
                        19</al><al>Artikel 3:9 Straatprostitutie 19</al><al>Artikel 3:10 Sekswinkels 19</al><al>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                        erotisch-pornografische </al><al> goederen, afbeeldingen en dergelijke 20</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Beslissingstermijn; weigeringsgronden</titel></kop><al>Artikel 3:12 Beslissingstermijn 20</al><al>Artikel 3:13 Weigeringsgronden 20</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Beëindiging exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><al>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie 20</al><al>Artikel 3:15 Wijziging beheer 20</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het
                            uiterlijk aanzien van de gemeente</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Geluidhinder en verlichting</titel></kop><al>Artikel 4:1 Begripsbepalingen 22</al><al>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 22</al><al>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 22</al><al>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten (vervallen) 23</al><al>Artikel 4:5 Onversterkte muziek (vervallen) 23</al><al>Artikel 4:6 Overige geluidhinder 23</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</titel></kop><al>Artikel 4:7 Straatvegen 23</al><al>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen 23</al><al>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en
                        putten buiten gebouwen 23</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><al>Artikel 4:10 Begripsbepalingen 23</al><al>Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden 24</al><al>Artikel 4.11a Kapverbod 24</al><al>Artikel 4.11b Herplant en instandhoudingsplicht 24</al><al>Artikel 4:12 Bescherming groenvoorzieningen 25</al><al>Artikel 4.12a Afstand erfgrenslijn 25</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</titel></kop><al>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. 25</al><al>Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen (vervallen) 25</al><al>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame (vervallen) 25</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Kamperen buiten kampeerterreinen</titel></kop><al>Artikel 4:16 Begripsbepaling 25</al><al>Artikel 4:17 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 25</al><al>Artikel 4:18 Aanwijzing kampeerplaatsen 26</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><al>Artikel 5:1 Begripsbepalingen 27</al><al>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 27</al><al>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen 27</al><al>Artikel 5:4 Defecte voertuigen 27</al><al>Artikel 5:5 Voertuigwrakken 27</al><al>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a. 27</al><al>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen 28</al><al>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen 28</al><al>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen 28</al><al>Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
                        (vervallen) 28</al><al>Artikel 5:10a Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 28</al><al>Artikel 5:11 Stationair draaiende motoren van voertuigen 29</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Collecteren</titel></kop><al>Artikel 5:12 Inzameling van geld of goederen 29</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Venten</titel></kop><al>Artikel 5:13 Begripsbepaling 29</al><al>Artikel 5:14 Ventverbod 29</al><al>Artikel 5:15 Vrijheid van meningsuiting 29</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Standplaatsen</titel></kop><al>Artikel 5:16 Begripsbepaling 30</al><al>Artikel 5:17 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 30</al><al>Artikel 5:18 Toestemming rechthebbende 30</al><al>Artikel 5:19 Afbakeningsbepalingen 30</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>5</nr><titel>Snuffelmarkten e.d.</titel></kop><al>Artikel 5:20 Begripsbepaling 30</al><al>Artikel 5:21 Organiseren van een snuffelmarkt 30</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>6</nr><titel>Openbaar water</titel></kop><al>Artikel 5:22 Voorwerpen op, in of boven openbaar water (vervallen) 31</al><al>Artikel 5:23 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen (vervallen) 31</al><al>Artikel 5:24 Aanwijzingen ligplaats (vervallen) 31</al><al>Artikel 5:25 Verbod innemen ligplaats (vervallen) 31</al><al>Artikel 5:26 Beschadigen van waterstaatswerken (vervallen) 31</al><al>Artikel 5:27 Reddingsmiddelen (vervallen) 31</al><al>Artikel 5:28 Veiligheid op het water (vervallen) 31</al><al>Artikel 5:29 Overlast aan vaartuigen (vervallen) 31</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>7</nr><titel>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                            natuurgebieden</titel></kop><al>Artikel 5:30 Crossterreinen 31</al><al>Artikel 5:31 Beperking verkeer in natuurgebieden 31</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>8</nr><titel>Verbod vuur te stoken</titel></kop><al>Artikel 5:32 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of
                        anderszins vuur te stoken 32</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>9</nr><titel>Straatnaamborden, huisnummers e.d.</titel></kop><al>Artikel 5:33 Gedoogplicht aanduidingen (vervallen) 32</al><al>Artikel 5:34 Verwijdering e.d. aanduidingen (vervallen) 32</al></divisie><divisie><kop><label>Afdeling</label><nr>10</nr><titel>Verstrooiing van as</titel></kop><al>Artikel 5:35 Begripsbepaling 32</al><al>Artikel 5:36 Verboden plaatsen 32</al><al>Artikel 5:37 Hinder of overlast 33</al></divisie><divisie><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Straf-, overgangs- en slotbepalingen</titel></kop><al>Artikel 6:1 Strafbepaling 34</al><al>Artikel 6:2 Toezichthouders 34</al><al>Artikel 6:3 Binnentreden woningen 34</al><al>Artikel 6:4 Intrekking oude verordening 34</al><al>Artikel 6:5 Overgangsbepaling 34</al><al>Artikel 6:6 Inwerkingtreding 34</al><al>Artikel 6:7 Citeertitel 34</al></divisie></bijlage><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><tussenkop>ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING</tussenkop><tussenkop>VALKENBURG AAN DE GEUL 2013 </tussenkop><tussenkop>HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN</tussenkop><al>a. <vet>Artikel 1:1 Begripsbepalingen</vet></al><al>In dit artikel wordt een aantal begrippen, dat in de verordening wordt
                    gehanteerd, gedefinieerd. Van een aantal specifieke begrippen, dat wil zeggen
                    begrippen die op een bepaald onderdeel van deze verordening betrekking hebben,
                    zijn in de desbetreffende afdeling definities opgenomen. Ten aanzien van de in
                    artikel 1:1 opgenomen definities kan het volgende worden opgemerkt.</al><lijst><li nr="a."><al>Openbare plaats: hiervoor is aangehaakt bij de Wet openbare
                            manifestaties. Artikel 1, eerste lid WOM bepaalt wat een openbare plaats
                            is, namelijk een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open
                            staat voor het publiek.</al></li><li nr="b."><al>Weg: de omschrijving van lid 1 Wegenverkeerswet luidt: ‘alle voor het
                            openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin
                            liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en
                            bermen of zijkanten’.</al></li><li nr="c."><al>Openbaar water: een “openbaar water” in de zin van Boek 5 van het
                            Burgerlijk Wetboek is ieder water, dat open staat voor het publiek.
                        </al></li><li nr="d."><al>Bebouwde kom: de reikwijdte van een aantal artikelen in deze verordening
                            is beperkt tot de bebouwde kom. </al></li><li nr="e."><al>Rechthebbende: hieronder wordt verstaan de rechthebbende naar burgerlijk
                            recht.</al></li><li nr="f."><al>Bouwwerk: deze omschrijving verwijst naar artikel 1 van de
                            bouwverordening: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                            metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                            hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                            steun vindt of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.</al></li><li nr="g."><al>Gebouw: deze omschrijving verwijst naar artikel 1, onder c van de
                            Woningwet: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte
                            geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.</al></li><li nr="h."><al>Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten,
                            waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.</al></li><li nr="i."><al>Bevoegd gezag: met het begrip “bevoegd gezag” wordt aangehaakt bij de
                            Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).</al></li><li nr="b. "><al><vet>Artikel 1:2 Beslistermijn</vet></al></li></lijst><al>Het merendeel van de aanvragen kan binnen acht weken worden afgewerkt. De meer
                    ingewikkelde aanvragen, zeker die waarvoor de adviezen van meerdere instanties
                    moeten worden ingewonnen, vergen soms meer tijd. De verlenging van de
                    beslistermijn biedt dan uitkomst, ook wanneer een verzoek om vergunning, gelet
                    op het tijdstip van indiening, nog niet op zijn merites kan worden beoordeeld.
                    Ook deze termijn is op acht weken gesteld (lid 2).</al><al>c. <vet>Artikel 1:3 Indiening aanvraag</vet></al><al>Soms wachten burgers met de aanvraag om een vergunning tot het laatste moment.
                    Daarom wordt een termijn van zes weken aangehouden. De ‘kan’ bepaling maakt dat
                    niet elke te laat ingediende aanvraag buiten behandeling hoeft te worden
                    gelaten.</al><al>In het kader van de regionaal ingevoerde Handreiking Evenementen moet de
                    aanvraag voor een zogenaamd C-evenement (evenement met een hoog risico, grote
                    impact op de stad en/of grote regionale gevolgen voor het verkeer) 26 weken voor
                    de aanvang van het evenement worden ingediend.</al><al>d. <vet>Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen</vet></al><al>Niet-nakoming van voorschriften verbonden aan een vergunning/ontheffing, kan
                    grond opleveren voor intrekking van de vergunning/ontheffing of voor toepassing
                    van andere administratieve sancties. In artikel 1:6 is deze
                    intrekkingsbevoegdheid vastgelegd. In artikel 6:1 wordt de overtreding van het
                    bij of krachtens deze verordening bepaalde met straf bedreigd. Daardoor is ook
                    het overtreden van aan een vergunning/ontheffing verbonden voorschriften met
                    straf bedreigd.</al><tussenkop>Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing</tussenkop><al>Persoonlijk is de vergunning indien de mogelijkheid van verkrijging uitsluitend
                    of in hoge mate afhangt van de persoon van de vergunningaanvrager (diens
                    persoonlijke kwaliteiten, zoals het bezit van een diploma, bewijs van
                    onbesproken levensgedrag etc.). De persoonlijke vergunning is in beginsel niet
                    overdraagbaar, tenzij de regeling krachtens welke de vergunning is verleend
                    hiertoe de mogelijkheid biedt. Zakelijk is de vergunning die afhangt van en
                    gebonden is aan het object waarop zij betrekking heeft en waarbij de
                    persoonlijke kwaliteiten van de aanvrager geen rol spelen. </al><al>De zakelijke vergunning gaat in beginsel over, krachtens rechtsopvolging onder
                    algemene of bijzondere titel op de opvolger in diens hoedanigheid van eigenaar,
                    zakelijk gerechtigde, ondernemer etc.</al><al>e. <vet>Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of
                    ontheffing</vet></al><al>Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking c.q. wijziging wordt
                    overgegaan. Met name het rechtszekerheid- en het vertrouwensbeginsel beperken de
                    bevoegdheid tot wijziging en intrekking. Als het bestuursorgaan overweegt om de
                    vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de
                    belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun bedenkingen in te dienen
                    (artikel 4:8 Awb).</al><al>g. <vet>Artikel 1:7 Termijnen</vet></al><al>Het streven naar lastenvermindering voor burger en overheid en toetsing aan de
                    Europese Dienstenrichtlijn hebben ertoe geleid in artikel 1:7 te bepalen dat de
                    vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt.</al><al>h. <vet>Artikel 1:8 Weigeringsgronden</vet></al><al>De genoemde gronden voor het weigeren van een vergunning of ontheffing gelden
                    voor alle vergunningen en ontheffingen die in de APV worden genoemd.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE</tussenkop><al>i. <vet><onderstreept>Afdeling 1: Bestrijding van
                        ongeregeldheden</onderstreept></vet></al><al>In deze afdeling zijn bepalingen opgenomen bedoeld om zowel het gebruik als de
                    bruikbaarheid van de weg in goede banen te geleiden. De diverse functies van de
                    openbare ruimte, onder andere voor demonstraties, optochten, feesten e.d. vraagt
                    om een scheiding dan wel regulering van het gebruik. </al><al>j. <vet>Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden</vet></al><al>Onder omstandigheden is het denkbaar dat een samenscholing het karakter heeft
                    van bijvoorbeeld een betoging. Gelet op de Wet openbare manifestaties (WOM)
                    moeten dit soort samenscholingen van de werking van dit artikel uitgezonderd
                    worden. In het vijfde lid is dit dan ook gebeurd. De politieambtenaar mag
                    slechts het in lid 2 bedoelde bevel geven wanneer de in het lid beschreven
                    toestand feitelijk bestaat. Het geen gehoor geven aan het bevel vormt een
                    voorwaarde voor de toepasselijkheid van de strafbepaling.</al><lijst><li nr="k. "><al><vet><onderstreept>Afdeling 2: Betoging</onderstreept></vet></al></li><li nr="l. "><al><vet>Artikel 2:2 Optochten (Vervallen)</vet></al></li></lijst><al>Met het oog op het vereenvoudigen van de APV is dit artikel opgenomen onder de
                    evenementenbepaling (artikel 2:24). Zie verder de toelichting bij artikel
                    2:24.</al><al>m. <vet>Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen</vet></al><al>Uit de artikelen 3 en 4 Wet openbare manifestaties (WOM) volgt dat de
                    gemeenteraad moet bepalen of, en zo ja, voor welke activiteiten, een
                    kennisgeving is vereist en daarbij enkele procedurebepalingen moet vaststellen.
                    Artikel 5 WOM kent de burgemeester de bevoegdheid toe om naar aanleiding van een
                    kennisgeving voorschriften en beperkingen te stellen of een verbod te geven.
                    Artikel 6 WOM kent hem een aanwijzingsbevoegdheid toe, terwijl artikel 7 WOM
                    bepaalt, dat hij bevoegd is de organisatoren van de desbetreffende activiteit de
                    opdracht te geven deze te beëindigen en uiteen te gaan. Ten aanzien van
                    vergaderingen en betogingen op andere dan openbare plaatsen kent artikel 8 WOM
                    de burgemeester o.a. de bevoegdheid toe opdracht te geven deze te beëindigen. De
                    artikel 2:3 heeft alleen betrekking op betogingen. </al><al>Blijkens de jurisprudentie kan van een betoging worden gesproken als:</al><lijst><li nr="·"><al>een aantal personen openlijk en in groepsverband optreedt, al dan niet
                            in beweging, en</al></li><li nr="·"><al>de groep er op uit is een mening uit te dragen.</al></li></lijst><al>De memorie van toelichting bij de WOM geeft aan dat het bij de betoging gaat om
                    het uitdragen van gemeenschappelijk beleefde gedachten of wensen op politiek of
                    maatschappelijk gebied. </al><al>Drie eisen worden gesteld: meningsuiting (openbaren van gedachten en gevoelens),
                    openheid en groepsverband. Het gezamenlijk optreden moet ook gericht zijn op het
                    uitdragen van een mening. Een betoging is niet noodzakelijkerwijs een optocht en
                    een optocht is niet perse een betoging. </al><al>Een betoging kan geschieden door middel van een optocht. De Hoge Raad acht voor
                    het aanwezig zijn van een betoging niet een ‘menigte’ nodig(HR 11-05- 1976, NJ
                    1976, 540). Acht personen worden al voldoende geacht om van een betoging te
                    kunnen spreken. Van een collectieve uiting kan volgens de regering al sprake
                    zijn wanneer daaraan meer dan twee personen deelnemen (TK 1986-1987, 19 427, nr.
                    5, p. 8).</al><al>Alleen een vreedzame betoging maakt aanspraak op grondwettelijke bescherming. </al><al>Het aspect van de meningsuiting moet voorop staan. Als onder het mom van een
                    betoging activiteiten worden ontplooid die strijdig zijn met onze rechtsorde,
                    zal de vraag moeten worden beoordeeld of er nog wel sprake is van een betoging
                    in de zin van het grondwettelijk erkende recht. Bij de parlementaire behandeling
                    van artikel 9 WOM heeft de regering erop gewezen dat de door haar gegeven
                    karakterisering van het begrip ‘betoging’ meebrengt dat acties, waarvan de
                    hoedanigheid van gemeenschappelijke meningsuiting op de achtergrond is geraakt
                    en die het karakter hebben van dwangmaatregelen jegens de overheid of jegens
                    derden, geen betogingen in de zin van artikel 9 WOM zijn. Dit kan bijvoorbeeld
                    het geval zijn bij blokkades van wegen en waterwegen. Ontbreekt aan een optocht
                    primair het karakter van een gemeenschappelijke meningsuiting, zoals
                    Sinterklaas- en carnavalsoptochten en bloemencorso’s, dan is er geen sprake van
                    een manifestatie in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a WOM. Overigens kan
                    een dergelijke optocht, indien het opiniërende elementen bevat, wel onder de
                    bescherming van artikel 7, derde lid, Grondwet vallen.</al><al>Voor zover de APV termijnen bevat die in uren worden uitgedrukt, bepaald door
                    terugrekening vanaf een tijdstip of een gebeurtenis, is de Algemene termijnenwet
                    niet van toepassing. Lid 4 bevat daarom een terugrekeningsregeling die voorkomt,
                    dat afhandeling op zaterdag of zondag of op een algemeen erkende feestdag of op
                    een werkdag na 12.00 uur moet plaatsvinden. Dat laatste is gedaan om toch nog
                    over enige uren voor beoordeling en besluitvorming te beschikken.</al><al>n. <vet>Artikel 2:4 Afwijking termijn (vervallen)</vet></al><al>Opgenomen in artikel 2:3</al><al>o. <vet>Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (vervallen)</vet></al><al>Opgenomen in artikel 2:3 </al><lijst><li nr="p. "><al><vet><onderstreept>Afdeling 3: Verspreiden van gedrukte
                                    stukken</onderstreept></vet></al></li><li nr="q. "><al><vet>Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte
                                stukken of afbeeldingen </vet></al></li></lijst><al>Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen
                    wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod
                    voor die wegen nog weer te beperken tot nader aan te geven dagen en uren,
                    waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog
                    resterende verbod een ontheffing te verlenen. </al><lijst><li nr="s. "><al><vet><onderstreept>Afdeling 4: </onderstreept></vet><vet><onderstreept>Vertoningen e.d. op de weg</onderstreept></vet></al></li><li nr="t. "><al><vet>Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. (vervallen)</vet></al></li></lijst><al>Met het oog op het vereenvoudigen van de APV is dit artikel opgenomen onder de
                    evenementenbepaling (artikelen 2:24 en 2:25). Zie verder de toelichting bij die
                    artikelen.</al><tussenkop>Artikel 2:8 Dienstverlening (Vervallen)</tussenkop><lijst><li nr="v. "><al>De VNG heeft het dienstverleningsartikel in 2007 geschrapt vanwege het
                            streven naar vermindering van administratieve lasten voor ondernemers en
                            het bedrijfsleven. De deregulering is ingegeven door de opvatting dat de
                            regeling niet (meer) voldeed aan het noodzaakvereiste zoals verwoord in
                            de Europese Dienstenrichtlijn.</al></li><li nr="x. "><al><vet>Artikel 2:9 Straatartiest e.d. </vet></al></li></lijst><al>Het oude artikel 2.1.4.1 (Feest, muziek en wedstrijd) is geschrapt. Feesten en
                    wedstrijden zijn ondergebracht bij de evenementen. Muziek maken kan ook een
                    evenement zijn, zie onder artikel 2:24. Echter het optreden van een
                    straatmuzikant, bijvoorbeeld een harmonicaspeler, is geen evenement. Daarom is
                    de straatmuzikant onder artikel 2:9 gebracht. Hetzelfde geldt voor
                    straatfotografen en de andere categorieën genoemd in artikel 2:9. </al><tussenkop>Artikel 2:9a Maskeerverbod op de weg </tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. </al><tussenkop>Afdeling 5: Bruikbaarheid en aanzien van de weg</tussenkop><al>z. <vet>Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg of op andere
                        openbare plaatsen</vet></al><al>Dit artikel geeft het college de mogelijkheid greep te houden op situaties die
                    hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing
                    van dit artikel moet gedacht worden aan het plaatsen van reclameborden of
                    zuilen, containers en e.d. Naast de algemene weigeringsgronden van artikel 1:8
                    gelden de weigeringsgronden van lid 5. </al><al>aa. <vet>Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
                        (vervallen)</vet></al><al>In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling
                    tegen het licht gehouden. Er wordt in de gemeente Valkenburg aan de Geul geen
                    gebruik gemaakt van deze bepaling, waardoor de noodzaak is komen te vervallen. </al><al>bb. <vet>Artikel 2:12 Maken en veranderen van een uitweg</vet></al><al>In het kader van deregulering en vermindering van administratieve lasten is
                    bekeken of de vergunningplicht in deze bepaling zou kunnen worden opgeheven. In
                    veel gevallen kan de aanleg of verandering van een uitweg zonder meer gebeuren
                    zonder dat dit problemen oplevert. Overheidsbemoeienis is dan niet nodig. In
                    andere gevallen is overheidsbemoeienis wel noodzakelijk ter bescherming van het
                    algemeen belang. </al><al>Er is daarom voor gekozen de vergunningplicht te behouden. Uit de jurisprudentie
                    over artikel 14 Wegenwet blijkt dat de eigenaar van een weg het uitwegen daarop
                    moet gedogen. Voorts blijkt uit de jurisprudentie dat regels in een verordening
                    mogen worden gesteld, bijvoorbeeld in het kader van de vrijheid van het verkeer,
                    veiligheid op de weg of de instandhouding van de bruikbaarheid van de weg. </al><tussenkop>Afdeling 6: Veiligheid op de weg</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid</tussenkop><al>In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling
                    tegen het licht gehouden. Naast het feit dat het Wetboek van Strafrecht en de
                    Wegenverkeerswet hier al in voorziet, is deze bepaling moeilijk te handhaven.
                    Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen</al><tussenkop>Artikel 2:14 Winkelwagentjes</tussenkop><al>Deze bepaling bestrijdt het “zwerfkarrenprobleem” door winkelbedrijven te
                    verplichten achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen en op deze
                    winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Een andere aanpak van het
                    probleem is via een statiegeldsysteem op het gebruik van winkelwagentjes. De
                    consument kan een wagentje pas gebruiken met bijvoorbeeld een munt van 50
                    eurocent. Dit leidt niet altijd tot het gewenste resultaat. Om die reden is
                    gekozen om in de APV bepaling een verbod jegens de burger op te nemen. </al><tussenkop>Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp</tussenkop><al>Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de
                    verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn
                    bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last
                    opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.</al><tussenkop>Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. (Vervallen)</tussenkop><al>In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling
                    tegen het licht gehouden. Het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet
                    voorzien hier al in. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen</al><al>cc. <vet>Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen</vet></al><al>Het verbod heeft tot doel bosbranden te voorkomen en beschadiging van
                    eigendommen tegen te gaan. Het verbod gaat niet zover dat het roken in de
                    gebouwen en in de bijbehorende tuinen die in een bos of natuurgebied liggen,
                    niet meer mogelijk is. </al><tussenkop>Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp</tussenkop><al>Met betrekking tot schrikdraad kan het volgende opgemerkt worden. Ten aanzien
                    van de veiligheid, de goede constructie en de keuring van elektrische
                    schrikdraadinstallaties bevatte het Veiligheidsbesluit elektrische schrikdraden
                    (VBES), KB van 2 november 1948, Staatsblad 1482, een aantal bepalingen. Nadat
                    het VBES eerst onder de werking van de Arbeidsomstandighedenwet (artikel 47
                    Arbo-wet) is gebracht is het ingetrokken per 1 juli 1997 in verband met de
                    inwerkingtreding van het Arbeidsomstandighedenbesluit (15 januari 1997, Stb.
                    60). Het Arbeidsomstandighedenbesluit geeft geen technische eisen specifiek
                    gericht op schrikdraadinstallaties. Elektrische schrikdraadinstallaties worden
                    inmiddels ook door particulieren gebruikt ter bescherming van hun (volks)tuin,
                    volière en dergelijke tegen dieven. Aan de deugdelijkheid daarvan zijn geen
                    eisen gesteld. </al><al>Wanneer daaraan behoefte bestaat kunnen in de APV dergelijke eisen opgenomen
                    worden die zijn ontleend aan het VBES. De voorschriften die het college aan de
                    vergunning kan verbinden, kunnen afgeleid worden van de eisen die het VBES
                    stelde, waarbij in ieder geval voorgeschreven zou moeten worden dat daar waar de
                    schrikdraden van een weg af aangeraakt kunnen worden er voldoende
                    waarschuwingsborden aangebracht moeten worden. Artikel 2:19 gaat niet verder dan
                    het stellen van een afstandsvereiste voor het aanbrengen van schrikdraad en
                    puntdraad.</al><tussenkop>Artikel 2:20 Vallende voorwerpen (vervallen)</tussenkop><al>In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling
                    tegen het licht gehouden. Het artikel voegt weinig toe aan privaatrechtelijke
                    bevoegdheden evenals artikel 2:10 van deze verordening om tegen gevaarzettende
                    situaties op te treden. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten
                    vervallen</al><al>dd. <vet>Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting</vet></al><al>In beginsel biedt de Belemmeringenwet (privaatrecht) het kader om op het
                    eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet is echter in
                    haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht waardoor
                    het gebruik van de desbetreffende onroerend zaak al dan niet tijdelijk beperkt
                    wordt.</al><al>Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van dit artikel
                    geconstrueerd worden. </al><al>Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of
                    voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting
                    het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.</al><al>ee. <vet>Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn </vet></al><al>Voor de aanleg van hoogspanningslijnen wordt in bestemmingsplannen een strook
                    grond als zodanig bestemd en worden gebruiksvoorschriften opgesteld waarmee
                    aantasting van deze bestemming voorkomen moet worden. Ontbreekt een
                    bestemmingsplan dan bevat artikel 2:22 een publiekrechtelijke basis om
                    overtreding van deze bepaling, waardoor een zeer gevaarlijke situatie ontstaat,
                    zo nodig met bestuursdwang recht te kunnen zetten. De Bouwverordening verbiedt
                    het bouwen onder hoogspanningslijnen. Artikel 2:22 vult dit verbod aan voor
                    andere objecten, zoals houtgewas, door te bepalen dat deze niet hoger mogen zijn
                    dan twee meter.</al><al>ff. <vet>Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs</vet></al><al>Het oorspronkelijke tweede lid van dit artikel (“Eenieder is verplicht op eerste
                    vordering van een ambtenaar van politie onmiddellijk het ijs te verlaten ter
                    voorkoming van gevaar voor personen of goederen”) is geschrapt. Reden van
                    schrapping is dat deze formulering ten onrechte aansprakelijkheid van de
                    gemeente kan suggereren bij het door het ijs zakken. Het oude derde lid is
                    vernummerd tot tweede lid.</al><lijst><li nr="gg. "><al><vet><onderstreept>Afdeling 7. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>Evenementen</onderstreept></vet></al></li><li nr="hh. "><al><vet>Artikel 2:24 Begripsomschrijving</vet></al></li></lijst><al>In artikel 2:24 is gekozen voor de zgn. negatieve benaderingsmethode ten aanzien
                    van de definiëring van het begrip evenement. Uitgaande van een algemeen geldend
                    criterium (“namelijk elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak”)
                    wordt vervolgens een aantal evenementen opgesomd dat niet onder de werking van
                    de bepalingen valt. </al><tussenkop>Artikel 2:25 Evenement</tussenkop><al>Evenementen vervullen een belangrijke functie in de gemeente. Er worden
                    verschillende evenementen georganiseerd, grootschalig, met uitstraling voor
                    bijv. de hele stad, middelgroot of kleinschalig, bijvoorbeeld beperkt tot de
                    eigen straat. Voor een goed verloop van een evenement moeten verschillende
                    belangen worden afgewogen en duidelijke afspraken met de organisator worden
                    gemaakt. Het artikel 2:25 gaat uit van een algeheel verbod op het organiseren
                    van een evenement zonder vergunning van de burgemeester. Bij evenementen is
                    vooraf een vergunning noodzakelijk, controle achteraf kan niet volstaan wegens
                    mogelijk gevaar voor de openbare orde, overlastsituaties, verkeersveiligheid,
                    volksgezondheid, zedelijkheid e.d.</al><al>Ook de organisator is bij een vergunningstelsel gebaat, omdat hij met de
                    gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het
                    evenement toegesneden voorwaarden.</al><al>ii. <vet>Artikel 2:26 Ordeverstoring</vet></al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde bij evenementen te verstoren, dat zich
                    in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><lijst><li nr="jj. "><al><vet><onderstreept>Afdeling 8. Toezicht op horecabedrijven</onderstreept></vet></al></li><li nr="ll. "><al><vet>Artikel 2:27 Begripsbepalingen</vet></al></li></lijst><al>De omschrijving van het begrip “horecabedrijf” sluit zoveel mogelijk aan bij de
                    Drank- en Horecawet en hoofdstuk 3 van de APV. In de praktijk is gebleken dat in
                    coffeeshops soms uitsluitend cannabisproducten tegen vergoeding worden verstrekt
                    (en genuttigde dranken om niet). Om te voorkomen dat een coffeeshop in dat geval
                    niet zou worden bestreken door de begripsomschrijving “horecabedrijf”, is in het
                    eerste lid de aanduiding “rookwaren” toegevoegd.</al><al>mm. <vet>Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf</vet></al><al>Artikel 174 van de Gemeentewet bepaalt dat de burgemeester is belast met de
                    uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht
                    op de voor het publiek openstaande gebouwen. Deze vergunning wordt daarom door
                    de burgemeester verleend. Op grond van het nieuwe artikel 1:7 gelden
                    vergunningen voor onbepaalde tijd. Dit geldt ook voor de
                    horeca-exploitatievergunning. Indien de gemeente niettemin een tijdsduur wil
                    verbinden aan de vergunning van bijvoorbeeld vijf of tien jaar, dan is het
                    alleen op gronden ontleend aan dwingende reden van algemeen belang geoorloofd
                    een termijn te stellen. </al><al>Krachtens artikel 1:4 van de APV kunnen voorschriften worden verbonden aan de
                    exploitatievergunning. Voorwaarden moeten vallen onder randvoorwaarden van
                    artikel 10 van de Dienstenrichtlijn. De exploitatievergunning is primair een
                    overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen, of de
                    exploitatie van een horecabedrijf zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter
                    plaatse. </al><al>Daarbij is van belang in welke mate van het bedrijf zelf overlast is te duchten,
                    maar ook in welke mate de komst van het bedrijf de leefbaarheid en het karakter
                    van de buurt zullen aantasten. Met welke aspecten de burgemeester rekening moet
                    houden staat omschreven in het vierde lid. De weigeringsgrond woon- en
                    leefmilieu valt onder de ‘rule of reason’ en mag daarom (bij een
                    horecaondernemer die zich hier vestigt) ook op grond van de Dienstenrichtlijn
                    als weigeringsgrond worden gehanteerd. </al><al>oo. <vet>Artikel 2:29 Sluitingstijd</vet></al><al>Artikel 2:29 voorziet in een sluitingsregeling. Grondslag voor de in de APV
                    opgenomen sluitingsbepalingen is artikel 149 Gemeentewet. De gemeenteraad kan
                    verplichte sluitingstijden voor horecabedrijven vaststellen in het belang van de
                    openbare orde. Deze bevoegdheid houdt ook in dat een afwijkende sluitingsplicht
                    kan worden vastgesteld. De sluitingsbepalingen betreffen de gedeelten van de
                    inrichting, waarin de eigenlijke horecawerkzaamheden worden uitgeoefend. Ook
                    sportkantines, sociëteiten, clublokalen, verenigingsgebouwen e.d. zijn als
                    inrichting aan te merken. Het besloten karakter van een horecabedrijf kan de
                    veronderstelling wekken dat de in de APV opgenomen sluitingstijden niet van
                    toepassing zijn op dat bedrijf: immers, volgens de jurisprudentie kan een
                    gemeentelijke verordening geen activiteiten betreffen die elk karakter van
                    openbaarheid missen. Dit kan echter niet worden gezegd van activiteiten die een
                    weerslag hebben op een openbaar belang, waarvan ook sprake is bij besloten
                    horecabedrijven. </al><al>De sluitingsuurbepaling ziet niet op activiteiten binnen het bedrijf, maar op de
                    (nadelige) invloed die daarvan uitgaat op de omgeving: bijvoorbeeld in de vorm
                    van overlast van komende en gaande bezoekers (het aan en afrijden van auto's,
                    het slaan met portieren, claxonneren, menselijk stemgeluid e.d.).</al><al>pp. <vet>Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting</vet></al><al>Net als voor de in artikel 2:29, tweede lid, genoemde bevoegdheid, vormt ook
                    hier artikel 174 van de Gemeentewet de grondslag voor de bevoegdheid om een of
                    meer horecabedrijven tijdelijk afwijkende sluitingsuren op te leggen of
                    tijdelijk te sluiten. Aanleiding voor tijdelijke afwijking of sluiting, moet
                    zijn gelegen in het belang van de openbare orde, veiligheid, of gezondheid, of
                    in bijzondere omstandigheden (zoals, al dan niet lokale, feestdagen). Het
                    betreft een algemene bevoegdheid die anders dan bij de bevoegdheid als bedoeld
                    in artikel 2:29, tweede lid, die een individueel karakter heeft zich niet alleen
                    kan uitstrekken tot een maar ook tot meer of zelfs tot alle in de gemeente
                    aanwezige horecabedrijven. Wel beperkt de bevoegdheid zich - in tegenstelling
                    tot artikel 2:29, tweede lid, waarbij het om een permanente afwijking kan gaan -
                    tot het tijdelijk vaststellen van afwijkende sluitingstijden of tot tijdelijke
                    sluiting.</al><al>rr. <vet>Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf
                    (Vervallen)</vet></al><al>Artikel 2:31 richt zich tot de (potentiële) bezoeker van de inrichting. Indien
                    deze zich met goedvinden van de houder in de inrichting bevindt gedurende de
                    tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn, overtreedt hij artikel 2:31.
                    Indien echter daarvoor de toestemming van de houder ontbreekt en de bezoeker
                    zich niet op diens eerste vordering verwijdert, overtreedt hij artikel 138 van
                    het Wetboek van Strafrecht. In het kader van de deregulering van gemeentelijke
                    regelgeving is deze bepaling tegen het licht gehouden. Naast het feit dat dit
                    artikel moeilijk te handhaven is, zullen de meeste bezoekers te goeder trouw
                    zijn op het moment dat de exploitant ze toe laat. Dit artikel ziet toe op de
                    bezoekers en niet op de exploitant. Daarom is gekozen om deze bepaling te laten
                    vervallen</al><al>ss. <vet>Artikel 2:32 Handel in horecabedrijven</vet></al><al>Het kan voorkomen dat drugverslaafden naar bepaalde cafés gaan om daar gestolen
                    goederen aan de man te brengen. Artikel 2:32 sluit aan op het in artikel 14
                    Drank en Horecawet neergelegde verbod tot het uitoefenen van de kleinhandel. Dit
                    laatste verbod ziet echter slechts op verkoophandelingen.</al><al>Omdat artikel 2:32 een verbod bevat voor de exploitant (en niet voor de
                    handelaar), kan dit artikel niet worden gebaseerd op artikel 437ter of artikel
                    437 Wetboek van Strafrecht. Het artikel is vastgesteld op basis van artikel 149
                    Gemeentewet, terwijl de strafsanctie is gebaseerd op artikel 154
                    Gemeentewet.</al><al>tt. <vet>Artikel 2:33 Ordeverstoring</vet></al><al>Deze bepaling geeft een verbod om de orde in horecabedrijven te verstoren, dat
                    zich in zijn algemeenheid tot bezoekers richt.</al><al>uu. <vet>Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan</vet></al><al>Het begrip ‘horecabedrijf’ als omschreven in artikel 2:27 onder a, ziet ook op
                    inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten
                    sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 Gemeentewet is in
                    dat geval niet de burgemeester maar college het bevoegde bestuursorgaan.</al><tussenkop>Artikel 2:34c Glas op de weg</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al>vv. <vet><onderstreept>Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen
                            van nachtverblijf</onderstreept></vet></al><al>De artikelen uit deze afdeling zijn aanvullend op artikel 438 Wetboek van
                    Strafrecht. Op grond van de APV moet ieder persoon zijn identiteit kenbaar
                    maken; op grond van het Wetboek van Strafrecht moet alleen het hoofd van een
                    gezin dat. Deze afdeling geeft de burgemeester en de politie een zo volledig
                    mogelijk overzicht van het nachtverblijf.</al><tussenkop>Artikel 2:35 Begripsbepaling</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie</tussenkop><al>Artikel 2:36 strekt ertoe, dat de burgemeester een zo volledig mogelijk
                    overzicht heeft van de in de gemeente aanwezig nachtverblijf en
                    kampeerinrichtingen.</al><tussenkop>Artikel 2:37 Nachtregister (vervallen)</tussenkop><al>In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling
                    tegen het licht gehouden. Het Wetboek van Strafrecht voorzien hier al in. Daarom
                    is gekozen om deze bepaling te laten vervallen.</al><tussenkop>Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister</tussenkop><al>Artikel 2:38 komt de exploitant van een inrichting tegemoet. Degene die in de
                    inrichting de nacht doorbrengt, is op grond van deze bepaling verplicht de voor
                    registratie vereiste gegevens volledig en naar waarheid aan de exploitant te
                    verstrekken.</al><tussenkop>Afdeling 10. Toezicht op speelgelegenheden</tussenkop><al>De Wet op de Kansspelen verplicht dat bij verordening wordt aangegeven dat voor
                    hoogdrempelige inrichtingen voor twee kansspelautomaten vergunning kan worden
                    verleend en dat voor laagdrempelige gelegenheden geen vergunning voor
                    kansspelautomaten wordt verleend. Ten slotte moet worden aangegeven voor hoeveel
                    behendigheidsautomaten per inrichting vergunning wordt verleend.</al><tussenkop>Artikel 2:39 Speelgelegenheden</tussenkop><al>Het begrip “speelgelegenheid” als omschreven in het eerste lid, betreft iedere
                    openbare gelegenheid waarin de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen
                    waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of
                    verloren. </al><al>In de Wet op de Kansspelen is een uitputtende regeling neergelegd ten aanzien
                    van de kansspelen als bedoeld in artikel 1 van die wet, zoals speelcasino’s en
                    speelautomaten. </al><al>De wet is niet van toepassing op spelen, met uitzondering van
                    behendigheidsautomaten, waarbij de spelers door hun behendigheid de kans om te
                    winnen kunnen vergroten. Voor deze categorie speelgelegenheden is dit artikel
                    bedoeld. Het gaat dus om speelgelegenheden, waar de Wet op de Kansspelen geen
                    betrekking op heeft.</al><al>De vergunningsplicht geldt het (doen) exploiteren van een speelgelegenheid.
                    Artikel 2:39 heeft het beschermen van de openbare orde en het woon en
                    leefklimaat als doel en heeft daarmee een ander motief dan de Wet op de
                    Kansspelen. Oogmerk van de Wet op de Kansspelen is het in goede banen leiden van
                    kansspelen, waarbij de consument beschermd dient te worden tegen gokverslaving
                    en criminaliteit moet worden tegengegaan.</al><al>De Wet op de Kansspelen geeft de burgemeester noch het college de bevoegdheid om
                    een illegale speelgelegenheid te sluiten. In de praktijk is dit evenwel vanwege
                    de negatieve uitstraling en het illegale karakter van de speelgelegenheid vaak
                    wel wenselijk. Daarom is in dit artikel een vergunningsplicht opgenomen, met in
                    het derde lid de mogelijkheid om de vergunning te weigeren als naar het oordeel
                    van de burgemeester moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de
                    omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze
                    nadelig wordt beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid, dan wel er
                    strijd bestaat met een geldend bestemmingsplan. Als een speelgelegenheid geen
                    vergunning heeft, heeft de burgemeester volgens artikel 125 van de Gemeentewet
                    de bevoegdheid bestuursdwang toe te passen. In artikel 1:6 van de model APV zijn
                    voorwaarden opgenomen waaronder de vergunning kan worden ingetrokken of
                    gewijzigd.</al><tussenkop>Artikel 2:40 Speelautomaten </tussenkop><al>Zie voor toelichting artikel 2:39</al><tussenkop>Afdeling 11: Maatregelen tegen overlast en baldadigheid</tussenkop><al>yy. <vet>Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal</vet></al><al>De burgemeester is op grond van artikel 174a van de Gemeentewet bevoegd tot
                    sluiting van woningen van waaruit (drugs)overlast wordt veroorzaakt. Aangezien
                    dit artikel in de Gemeentewet niet de rechtsgevolgen van de sluiting regelt,
                    verdient het aanbeveling dit in de APV te regelen. Het is nodig om - voor de
                    gevallen waarin de woning niet is verzegeld of de verzegeling reeds is verbroken
                    - een strafbepaling zoals in het eerste lid van artikel 2:41 op te nemen, waarin
                    een sanctie wordt gesteld op overtreding van het verbod. Aangezien de situatie
                    kan ontstaan dat personen de woning moeten betreden wegens dringende redenen, is
                    het derde lid toegevoegd. </al><lijst><li nr="zz. "><al><vet>Artikel 2:42 Plakken en kladden</vet></al></li><li nr="aaa. "><al>In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term
                            ‘bekladden’ ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om
                            meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10
                            EVRM en artikel 19 IVBPR. Het aanbrengen van aanplakbiljetten op
                            onroerend goed kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van
                            gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis
                            heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan
                            voorzien. </al></li><li nr="ccc. "><al>Op het in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde grondrecht zou inbreuk
                            worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden
                            of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld.
                            Artikel 2:42 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin
                            neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking
                            van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voor zover
                            door dat gebruik eens anders recht wordt geschonden. De gemeente kent
                            een aantal zogenaamde ‘vrije’ plakplaatsen; deze vloeien voort uit lid
                            4.</al></li><li nr="ddd. "><al><vet>Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.</vet></al></li><li nr="eee. "><al>Deze bepaling vergroot de effectiviteit van het in het vorige artikel
                            opgenomen aanplakverbod. Het tweede lid van de bepaling dient zo te
                            worden gelezen dat de omstandigheid, dat de in het eerste lid genoemde
                            stoffen en voorwerpen niet waren bestemd of gebezigd voor handelingen
                            die ingevolge de voorgaande bepaling zijn verboden, een
                            rechtvaardigingsgrond oplevert. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen</tussenkop><al>Deze verbodsbepaling beoogt het plegen van misdrijven zoals diefstal met braak
                    te bemoeilijken. Een verbodsbepaling inzake het vervoer van inbrekerswerktuigen
                    kan strekken tot bescherming van de openbare orde als bedoeld in artikel 149
                    Gemeentewet.</al><tussenkop>Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.</tussenkop><al>Het gaat hier om een ontheffing voor personen die om wat voor reden dan ook
                    noodzakelijkerwijs in een plantsoen moeten zijn waar dat normaliter verboden is
                    (voor het bevoegd betreden van het plantsoen geldt het verbod sowieso
                    niet).</al><tussenkop>Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. (Vervallen)</tussenkop><al>In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling
                    tegen het licht gehouden. De noodzaak van deze bepaling is niet gebleken alsmede
                    voorziet artikel 5:10a hier al in. Handhaving is eveneens moeilijk. Daarom is
                    gekozen om deze bepaling te laten vervallen.</al><lijst><li nr="fff. "><al><vet>Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen</vet></al></li><li nr="ggg. "><al>Op basis van dit artikel (en artikel 2:49) kan tegen vormen van onnodige
                            hinder of overlast worden opgetreden. Artikel 424 Wetboek van Strafrecht
                            stelt ‘straatschenderij’ strafbaar, terwijl artikel 426bis het
                            belemmeren van anderen op de openbare weg met straf bedreigt.</al></li><li nr="hhh. "><al><vet>Artikel 2:48 Verboden drankgebruik</vet></al></li><li nr="iii. "><al>In dit artikel is een verbod opgenomen om in een bepaald door het
                            college aan te wijzen gebied alcoholhoudende drank te nuttigen of
                            aangebroken flesjes en blikjes met dergelijke drank bij zich te hebben.
                            Het gaat uitdrukkelijk om een excesbepaling: oogmerk is het voorkomen
                            c.q. tegengaan van hinderlijk gedrag als gevolg van drankgebruik. Dit is
                            bij een buurtbarbeque c.q. feest of een festival op de openbare weg in
                            principe niet het geval. Ontwikkelt een dergelijk gebeuren zich
                            gaandeweg toch tot een overlastsituatie dan is er grond voor toepassing
                            van dit artikel.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen</tussenkop><al>Voor een toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 2:47</al><lijst><li nr="jjj. "><al><vet>Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke
                                ruimten</vet></al></li><li nr="kkk. "><al>Deze bepaling is opgesteld om het misbruik van bepaalde, voor het
                            publiek toegankelijke ruimten zoals parkeergarages, telefooncellen en
                            wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel tegen te gaan. In deze
                            bepaling wordt het woord ‘ruimte’ gebruikt ter onderscheiding van het in
                            de APV voorkomende begrip ‘weg’ of ‘openbare plaats’. Om een indicatie
                            te geven bij het beantwoorden van de vraag op welke voor het publiek
                            toegankelijke ruimten de bepaling het oog heeft, is bij wijze van
                            voorbeeld een aantal ruimten concreet genoemd.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. </tussenkop><al>Het plaatsen van voertuigen is op verschillende plaatsen geregeld, steeds met
                    een wisselende bedoeling: de instandhouding van het plantsoen, het tegengaan van
                    diefstal of verkeersbelangen. In dit artikel gaat het om de voorkoming van
                    overlast.</al><al>Het neerzetten van fietsen en bromfietsen tegen panden die niet door de
                    eigenaren van de voertuigen worden bezocht of op plaatsen waar deze voertuigen
                    hinder of schade kunnen veroorzaken, geeft vaak aanleiding tot klachten. Artikel
                    2:51 geeft de mogelijkheid hiertegen op te treden.</al><tussenkop>Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt e.d.</tussenkop><al>Hier is een verbod opgenomen om de fiets of de bromfiets mee te voeren op
                    terreinen, waar onder meer markt wordt gehouden, als dat marktterrein door het
                    college is aangewezen als een voor fietsen en bromfietsen verboden terrein
                    gedurende die tijd. In de mensenmenigte is een fiets hinderlijk. Regenjassen
                    worden besmeurd, nylonkousen sneuvelen. Het verbod moet wel aan de bezoekers van
                    het terrein worden kenbaar gemaakt.</al><lijst><li nr="lll. "><al><vet>Artikel 2:53 Bespieden van personen (Vervallen)</vet></al></li><li nr="mmm. "><al>In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze
                            bepaling tegen het licht gehouden. Deze bepaling is vooralsnog nooit
                            toegepast en is alleen gericht op excessieve situaties. In die gevallen
                            biedt het strafrecht al het handvat om op te treden. Het artikel voegt
                            dus weinig toe aan het Wetboek van Strafrecht. Daarom is gekozen om deze
                            bepaling te laten vervallen.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur (Vervallen)</tussenkop><al>Met ingang van 1 januari 2004 is de wijziging van artikel 139f en 441b van het
                    Wetboek van Strafrecht in werking getreden (Stb. 2003, 365). De bepalingen gaan
                    over de uitbreiding van de strafbaarstelling heimelijk cameratoezicht. Deze
                    wijziging wordt ook wel aangehaald als de Wet heimelijk cameratoezicht. Hierdoor
                    vervalt de noodzaak van dit artikel.</al><tussenkop>Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren (Vervallen)</tussenkop><al>Deze bepaling is komen te vervallen omdat nodeloos alarmeren geregeld is in
                    artikel 142 van het Wetboek van Strafrecht.</al><lijst><li nr="nnn. "><al><vet>Artikel 2:56 Alarminstallaties (Vervallen)</vet></al></li><li nr="ooo. "><al>In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze
                            bepaling tegen het licht gehouden. De noodzaak van deze bepaling is niet
                            gebleken. Daarnaast wordt door de gemeente hierop niet gehandhaafd.
                            Daarom is gekozen om deze bepaling te laten vervallen.</al></li><li nr="ppp. "><al><vet>Artikel 2:57 Loslopende honden</vet></al></li><li nr="qqq. "><al>Aan dit artikel ligt het motief van de voorkoming en bestrijding van
                            overlast ten grondslag. In het bijzonder heeft dit artikel de volgende
                            bedoelingen:</al></li><li nr="·"><al>de bescherming van de verkeersveiligheid, die door loslopende honden in
                            gevaar kan worden gebracht;</al></li><li nr="·"><al>het voorkomen van beschadiging aan eigendommen van derden;</al></li><li nr="·"><al>het voorkomen van hinder voor voetgangers;</al></li><li nr="·"><al>het bestrijden van verontreiniging (bijvoorbeeld van speelweiden,
                            zandbakken, e.d.);</al></li><li nr="·"><al>het voorkomen van schade en dierenleed, die worden veroorzaakt doordat
                            loslopende honden andere dieren en wel met name schapen en kippen naar
                            het leven staan.</al></li></lijst><al>Artikel 2:57 kent geen ontheffingsmogelijkheid. Er kunnen zich echter situaties
                    voordoen waarin de belangen van de hondenbezitter zich tegen een strikte
                    toepassing van het aanlijngebod verzetten. Daarbij kan artikel 4 Wet op de
                    dierenbescherming analoog worden toegepast.</al><tussenkop>Artikel 2:58 Verontreiniging door honden</tussenkop><al>Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook
                    wordt via hondenuitwerpselen die op straat, in parken en plantsoenen blijven
                    liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid.</al><al>De strafbaarheid wordt opgeheven als de uitwerpselen direct worden verwijderd.
                    Al zal de handhaving (betrapping op heterdaad) niet meevallen, het is te hopen
                    dat er op den duur preventieve invloed van deze bepaling uit zal gaan.
                    Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot
                    de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de
                    politie.</al><tussenkop>Artikel 2:59 Gevaarlijke honden</tussenkop><al>Dit artikel schept voor de burgemeester de mogelijkheid om na een (bijt)incident
                    met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk
                    op te treden (wat er doorgaans op neerkomt dat de hond in beslag wordt genomen
                    en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan
                    worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te
                    muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling
                    agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer
                    gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</tussenkop><al>Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn, als iemand dieren houdt. Er moet
                    kunnen worden ingegrepen als overlast of schade voor de openbare gezondheid
                    dreigt. Dan moeten belangen worden afgewogen. Daarom is gekozen voor de
                    constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen
                    waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de
                    volksgezondheid veroorzaakt. Voor zover het college bij een aanwijzing die
                    betrekking heeft op gedeelten van de gemeente bevoegd is verklaard daarbij
                    nadere regels te geven inzake het houden van dieren, is er sprake van delegatie
                    van verordenende bevoegdheid als bedoeld in artikel 156 Gemeentewet. Tevens
                    wordt in dit verband nog gewezen worden op de Flora en Faunawet, waarin regels
                    worden gegevens ter bescherming van dieren.</al><tussenkop>Artikel 2:61 Wilde dieren (Vervallen)</tussenkop><al>rrr. In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze
                    bepaling tegen het licht gehouden. Het Wetboek van Strafrecht biedt al genoeg
                    handvatten om op te treden. Het artikel voegt dus weinig toe. Daarom is gekozen
                    om deze bepaling te laten vervallen.</al><tussenkop>Artikel 2:62 Loslopend vee</tussenkop><al>Dit verbod dient mede de verkeersveiligheid. Herhaaldelijk gebeuren er
                    verkeersongelukken doordat een paard, een koe of een ander dier uit het weiland
                    is gebroken en zich op de weg bevindt. De verplichting om dit zoveel mogelijk te
                    voorkomen is daarom op haar plaats. Een verbod tot het los laten lopen van
                    honden, dat mede de verkeersveiligheid dient, is opgenomen in artikel 2:57.</al><tussenkop>Artikel 2:63 Duiven (Vervallen)</tussenkop><al>sss. In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze
                    bepaling tegen het licht gehouden. De noodzaak van deze bepaling is niet
                    gebleken. Daarnaast wordt door de gemeente hierop niet gehandhaafd. Daarom is
                    gekozen om deze bepaling te laten vervallen.</al><tussenkop>Artikel 2:64 Bijen </tussenkop><al>Het vliegen van bijen kan, als de kasten of korven dicht aan de weg geplaatst
                    zijn en op zodanige wijze dat de “aanvliegbanen” hiervan over de weg lopen,
                    gevaar voor de veiligheid van de weg opleveren. Dit gevaar kan meestal met
                    eenvoudige middelen, zoals het verleggen van de aanvliegroute door het plaatsen
                    van een afscheiding, worden teruggebracht. Het zal echter vaker voorkomen dat
                    omwonenden op hun erf of zelfs in huis van de bijen overmatige overlast
                    ondervinden, waartegen minder gemakkelijk maatregelen zijn te treffen. Vooral in
                    de bebouwde kom kan in sommige gevallen het houden van bijen daarom
                    onaanvaardbaar zijn.</al><al>Hoewel in dit geval geen gedraging of toestand “op de openbare weg of op een
                    andere voor het publiek toegankelijke plaats” valt aan te wijzen, kan men toch
                    van oordeel zijn dat de gewraakte situatie haar terugslag kan hebben op
                    “openbare belangen”.</al><al>ttt. <vet><onderstreept>Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van
                            goederen</onderstreept></vet></al><al>In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving zijn deze
                    bepalingen tegen het licht gehouden. Het Wetboek van strafrecht (WvSr.). bevat
                    genoeg bepalingen die de bestrijding van heling op het oog hebben. Dat zijn
                    artikel 416, 417, 417bis, 417ter, 437, 437bis, 437ter en 437quater. Daarom is
                    gekozen om deze bepalingen te laten vervallen.</al><lijst><li nr="vvv. "><al><vet>Artikel 2:66 Begripsbepaling (Vervallen)</vet></al></li><li nr="www. "><al><vet>Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
                                (Vervallen)</vet></al></li><li nr="xxx. "><al><vet>Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het
                                Wetboek van Strafrecht (Vervallen)</vet></al></li><li nr="yyy. "><al><vet>Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
                                (Vervallen)</vet></al></li><li nr="zzz. "><al><vet>Artikel 2:70 Handel in horecabedrijven</vet></al></li></lijst><al>Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (Toezicht op horecabedrijven) onder
                    artikel 2:32.</al><tussenkop>Artikel 2:70a Vervoer van gevaarlijke stoffen (Vervallen)</tussenkop><tussenkop>Afdeling 13: Vuurwerk</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:71 Begripsbepalingen</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><al>aaaa. <vet>Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens
                        de verkoopdagen</vet></al><al>Dit artikel beoogt het aantal verkooppunten te reguleren in het belang van de
                    handhaving van de openbare orde. Artikel 2:72 is gebaseerd op artikel 149
                    Gemeentewet. Naast een vergunning op basis van de APV is voor de opslag van
                    vuurwerk in beginsel ook een milieuvergunning vereist. </al><tussenkop>Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de
                    jaarwisseling</tussenkop><al>In het Vuurwerkbesluit is bepaald dat het verboden is om consumentenvuurwerk af
                    te steken op een ander tijdstip dan tussen 31 december 10.00 uur en 1 januari
                    02.00 uur van het daarop volgende jaar. Het afsteken van consumentenvuurwerk
                    wordt op dit tijdstip toelaatbaar geacht vanwege de koppeling van het
                    vuurwerkgebruik aan de feestelijkheden rond de jaarwisseling en de inbedding
                    daarvan in de Nederlandse volkscultuur. Toch kunnen er, ondanks dat dit alleen
                    op oudejaarsdag is toegelaten, plaatsen zijn waar het afsteken van
                    consumentenvuurwerk te allen tijde niet toelaatbaar moet worden geacht
                    (bijvoorbeeld bij ziekenhuizen, bejaardentehuizen, huizen met rieten daken, in
                    winkelstraten, bij dierenasiels enz.). Dit artikel geeft het college de
                    bevoegdheid om plaatsen aan te wijzen waar het afsteken van consumentenvuurwerk
                    altijd verboden is. Het tweede lid maakt het mogelijk om op te treden tegen het
                    bezigen van consumentenvuurwerk in bijvoorbeeld een promenade, een passage, een
                    portiek of een volksverzameling.</al><tussenkop>Afdeling 14: Drugsoverlast</tussenkop><lijst><li nr="bbbb. "><al><vet>Artikel 2:74 Drugshandel op straat</vet></al></li><li nr="cccc. "><al>Om niet in de sfeer van de Opiumwet te treden is de passage
                            ‘onverminderd het bepaalde in de Opiumwet’ opgenomen. Ook hier geldt dat
                            de bepaling een ander motief heeft dan de Opiumwet. Artikel 2:74 is
                            opgenomen om de overlast op straat tegen te gaan. Om daartegen op te
                            treden is het noodzakelijk een bepaling op te nemen, die tot doel heeft
                            het voorkomen van de aantasting van de openbare orde en van strafbare
                            feiten.</al></li></lijst><tussenkop>Afdeling 15: Bestuurlijke ophouding veiligheidsrisicogebieden en
                    cameratoezicht op openbare plaatsen</tussenkop><tussenkop>Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding</tussenkop><al>Artikel 2:75 is gebaseerd op - een uitwerking van - artikel 154a van de
                    Gemeentewet. Dit artikel voorziet in de bevoegdheid van de burgemeester om bij
                    grootschalige ordeverstoringen groepen ordeverstoorders maximaal 12 uur op te
                    houden op een door de burgemeester aangewezen plaats. Het vervoer naar de plaats
                    van ophouding is hieronder begrepen. Bij grootschalige ordeverstoringen moet
                    gedacht worden aan situaties als risicowedstrijden in het betaald voetbal, uit
                    de hand lopende demonstraties en krakersrellen. De toepassing van het
                    bestuursrechtelijke instrument bestuurlijke ophouding vereist (een bepaling in)
                    een verordening waarin de raad de burgemeester de bevoegdheid geeft om bij
                    groepsgewijze niet-naleving van specifieke voorschriften bestuurlijk op te
                    houden. Artikel 2:75 voorziet hierin. De voorwaarden waaronder bestuurlijke
                    ophouding kan worden toegepast, zijn vastgelegd in artikel 154a van de
                    Gemeentewet. De zinsnede “overeenkomstig 154a van de Gemeentewet” impliceert dan
                    ook dat aan alle voorwaarden moet worden voldaan voordat een besluit tot
                    bestuurlijke ophouding kan worden genomen. Deze voorwaarden zijn hiervoor
                    beschreven.</al><tussenkop>Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden</tussenkop><al>Op grond van artikel 151b Gemeentewet kan de raad aan de burgemeester bij
                    verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de
                    officier van justitie de controlebevoegdheden die genoemd worden in artikel 50,
                    51 en 52 Wet wapens en munitie, kan uitoefenen. </al><al>Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied:</al><lijst><li nr="·"><al>vervoermiddelen te onderzoeken;</al></li><li nr="·"><al>een ieders kleding te onderzoeken;</al></li><li nr="·"><al>te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt, worden
                            geopend.</al></li></lijst><al>De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt
                    dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van
                    wapens of ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. </al><al>De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur
                    die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk
                    voor de handhaving van de openbare orde. Voordat de burgemeester een gebied
                    aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van
                    justitie en de korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de
                    orde:</al><lijst><li nr="·"><al>feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring
                            van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens of ernstige vrees
                            voor het ontstaan daarvan;</al></li><li nr="·"><al>zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang
                            en het individuele belang van de burgers (privacy);</al></li><li nr="·"><al>subsidiariteit en proportionaliteit;</al></li><li nr="·"><al>breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter vergroting van
                            leefbaarheid en veiligheid.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen</tussenkop><al>Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet kan de gemeenteraad aan de
                    burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen tot het uitvoeren van
                    cameratoezicht op openbare plaatsen in het belang van de handhaving van de
                    openbare orde. De gemeenteraad kan daarbij bepalen tot welke openbare plaatsen
                    de bevoegdheid zich uitstrekt en voor welke duur de plaatsing van camera’s ten
                    hoogste mag geschieden. Volgens de wetgever is hierdoor de toekenning van de
                    bevoegdheid tot het plaatsen van camera’s met democratische waarborgen
                    omkleed.</al><al>De gemeenteraad kan de bevoegdheid van de burgemeester inperken. De volgende
                    varianten zijn bijvoorbeeld denkbaar:</al><al>• De gemeenteraad besluit expliciet/impliciet om binnen de gemeente geen
                    cameratoezicht toe te passen.</al><al>• De gemeenteraad bepaalt bij verordening dat de burgemeester mag besluiten tot
                    het toepassen van cameratoezicht op specifieke plaatsen, bijvoorbeeld in de
                    binnenstad, en geeft daarbij aan voor welke duur de plaatsing van camera’s ten
                    hoogste mag geschieden.</al><al>• De gemeenteraad verleent bij verordening zonder beperkingen de bevoegdheid aan
                    de burgemeester tot plaatsing van camera’s ten behoeve van de handhaving van de
                    openbare orde op openbare plaatsen.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, STRAATPROSTITUTIE E.D.</tussenkop><al>eeee. <vet><onderstreept>Afdeling 1: Begripsbepalingen</onderstreept></vet></al><al>Volgens artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht is het exploiteren van
                    prostitutie niet langer in algemene zin, maar nog slechts in bepaalde
                    omstandigheden strafbaar. Over de vormen van exploitatie van prostitutie die
                    niet langer strafbaar zijn, is geen nadere formele wetgeving vastgesteld. De
                    enige manier om de exploitatie van prostitutie te reguleren is dus via de APV.
                    De gemeentelijke bevoegdheid om bij verordening regels te stellen, heeft
                    daardoor een autonoom karakter: bij gebrek aan nadere formele regelgeving, zijn
                    gemeenten immers niet verplicht om ter uitvoering daarvan bij
                    (medebewinds-)verordening regels vast te stellen. </al><al>Hoewel autonoom, de verordenende bevoegdheid mag uitsluitend worden aangewend
                    “ter regeling en bestuur inzake de huishouding van de gemeente”: blijkens
                    artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet moeten gemeenten zich daarbij
                    namelijk beperken tot de behartiging van belangen die zijn aan te merken als
                    gemeentelijke belangen. Dit hoofdstuk van de APV is niet uitsluitend gebaseerd
                    op artikel 149 Gemeentewet, maar - voor zover het betrekking heeft op
                    prostitutie - tevens op artikel 151a Gemeentewet.</al><lijst><li nr="gggg. "><al><vet>Artikel 3:1 Begripsbepalingen</vet></al></li><li nr="hhhh. "><al>De omschrijving van het begrip prostitutie is afgeleid van de definitie
                            in artikel 273f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De term
                            ‘besloten ruimte’ van lid c omvat meer dan het begrip ‘gebouw’:
                            daaronder wordt ook begrepen een vaar- of een voertuig. Een
                            escortbedrijf is geen inrichting. Het kan een kantoortje zijn, maar ook
                            een telefooncentrale, of zelfs een website op Internet. De plaats van de
                            bedrijfsruimte bepaalt de vergunningplicht. Een escortbedrijf biedt de
                            services actief aan door middel van advertenties en andere
                            reclame-uitingen.</al></li><li nr="iiii. "><al><vet>Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan</vet></al></li><li nr="jjjj. "><al>De artikelen 160 en 174 van de Gemeentewet maken deze
                            bevoegdheidsafbakening noodzakelijk. Volgens artikel 160 is het college
                            belast met de uitvoering van raadsbesluiten (waaronder autonome
                            verordeningen als deze) tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester
                            daarmee is belast. Dit laatste doet zich hier voor: artikel 174 belast
                            de burgemeester namelijk met “het toezicht op de openbare samenkomsten
                            en vermakelijkheden, alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen
                            en daarbij behorende erven”(eerste lid) en met “de uitvoering van
                            verordeningen voor deze betrekking hebben op het in het eerste lid
                            bedoelde toezicht”(lid 3).</al></li><li nr="llll. "><al>In veruit de meeste gevallen dient de burgemeester derhalve te worden
                            aangemerkt als het bevoegde bestuursorgaan. Zijn bevoegdheid betreft
                            namelijk de voor het publiek openstaande gebouwen en de openbare
                            samenkomsten en vermakelijkheden. In de definitie van seksinrichtingen
                            is echter het ruimere begrip “ruimte” opgenomen. Dat betekent dat het
                            college bevoegd is als het gaat om met name de vaar- en voertuigen. Ook
                            is het college bevoegd als het gaat om escortbedrijven. Het gebruik van
                            de openbare weg, waarbij in dit verband gedacht moet worden aan de
                            aanwijzing van tippelzones, is een bevoegdheid van het college. Om deze
                            afbakening – waar aan de orde – niet steeds opnieuw volledig te moeten
                            weergeven, is in hoofdstuk 3 het begrip “bevoegd bestuurorgaan
                            gehanteerd en is dat in artikel 3:2 eenmalig gedefinieerd. </al></li></lijst><tussenkop>Artikel 3:3 Nadere regels</tussenkop><al>Vergunningsvoorschriften die voor de exploitatie van alle (of bepaalde
                    categorieën van) seksinrichtingen zouden moeten gelden, kunnen krachtens dit
                    artikel door het college worden vastgesteld als algemeen verbindende
                    voorschriften. Artikel 3:3 ziet dus op delegatie van regelgevende bevoegdheid
                    als bedoeld in artikel 156, eerste lid, van de Gemeentewet. Vanzelfsprekend zijn
                    de regels over de bekendmaking van algemeen verbindende voorschriften hierbij
                    van overeenkomstige toepassing. Ook kan het bevoegde bestuursorgaan zelf
                    (nogmaals: meestal de burgemeester) over zijn bevoegdheid beleidsregels
                    vaststellen als bedoeld in artikel 4:81 van de Awb.</al><tussenkop>Afdeling 2: Seksinrichtingen, straat prostitutie, sekswinkels en
                    dergelijke</tussenkop><lijst><li nr="oooo. "><al><vet>Artikel 3:4 Seksinrichtingen</vet></al></li><li nr="pppp. "><al>De exploitatie van seksinrichtingen en escortbedrijven wordt gereguleerd
                            door middel van een vergunning. Het wijzigen van de seksinrichting valt
                            ook onder de vergunningplicht om te voorkomen dat de vergunning uit de
                            pas loopt met de feitelijke situatie. Gekozen is voor een eenduidige
                            systematiek om escortbedrijven aan dezelfde vergunningplicht als
                            seksinrichtingen te onderwerpen. De vergunning voor escortbedrijven zal
                            veel minder omvattend zijn. De activiteiten van een escortbedrijf vinden
                            niet in een inrichting plaats. De toetsing van de vergunningaanvraag zal
                            zich beperken tot de toetsing van de antecedenten van de exploitant en
                            beheerder. Wie de inrichting exploiteert en beheert is relevant, omdat
                            deze personen niet van slecht levensgedrag mogen zijn en dienen te
                            voldoen aan de eisen van zedelijk gedrag, zoals gesteld in artikel 3:5.
                            De vergunningverlening is bovendien persoonsgebonden en niet
                            overdraagbaar.</al></li><li nr="rrrr. "><al><vet>Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder</vet></al></li></lijst><al>De opheffing van het algemeen bordeelverbod is onder meer gericht op het
                    ‘decriminaliseren’ van de niet langer strafbare vormen van (exploitatie van)
                    prostitutie. Daarom is het van belang dat bij de besluitvorming over een
                    aanvraag om vergunning voor het exploiteren van een seksinrichting rekening
                    gehouden kan worden met de antecedenten van de exploitant en de beheerder(s).
                    Daartoe is het Besluit inlichtingen justitiële documentatie gewijzigd. In
                    artikel 3:5 wordt zoveel mogelijk dezelfde terminologie gehanteerd en worden
                    nagenoeg dezelfde eisen gesteld als in artikel 5 van de Drank- en Horecawet en
                    het daarop gebaseerde Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet. Lid 2
                    tot en met 5 geven aan wanneer in elk geval sprake is van ‘in enig opzicht
                    slecht levensgedrag’. Het is geen limitatieve opsomming. Bij de beoordeling van
                    deze zedelijkheidseisen, de verkregen gegevens uit de justitiële documentatie en
                    de toetsing ervan aan het besluit, kan worden aangesloten bij de daarover
                    bestaande jurisprudentie.</al><al>ssss. <vet>Artikel 3:6 Sluitingstijden</vet></al><al>Er is voor gekozen het hier bedoelde sluitingsuur vast te stellen </al><lijst><li nr=""><lijst><li nr="a."><al>op maandag tot en met vrijdag tussen 0.00 en 8.00 uur;</al></li><li nr="b."><al>op zaterdag en zondag tussen 0.00. en 12.00 uur.</al></li></lijst></li><li nr="tttt. "><al><vet>Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                sluiting</vet></al></li></lijst><al>Ten opzichte van artikel 3:6 biedt artikel 3:7 de mogelijkheid om daarvan al dan
                    niet tijdelijk af te wijken. Aan zo’n tijdelijke afwijking moeten een of meer
                    van de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen ten grondslag liggen. Het
                    bevoegd bestuursorgaan kan daartoe overgaan indien het dat noodzakelijk acht in
                    het belang van de openbare orde, de woon- en leefomgeving, de voorkoming of
                    beperking van overlast en dergelijke. </al><al>De sluitingsbevoegdheid kan bijvoorbeeld worden toegepast in gevallen waarin
                    openbare inrichtingen het decor vormen voor allerlei vormen van criminaliteit
                    die strafbaar zijn gesteld in het Wetboek van Strafrecht, de Opiumwet en de Wet
                    wapens en munitie. Het naar aanleiding daarvan toepassen van de
                    sluitingsbevoegdheid als hier bedoeld, is niet in strijd met deze formeel
                    wettelijke regelingen omdat daaraan een afwijkend oogmerk ten grondslag ligt.
                    Voor toepassing van de sluitingsbevoegdheid is wel vereist, dat de hier bedoelde
                    overtredingen een meer dan incidenteel karakter hebben.</al><al>uuuu. <vet>Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en
                        beheerder</vet></al><al>Om effectiever te kunnen optreden tegen schijnbeheer, is in het eerste lid de
                    verplichte aanwezigheid van de exploitant of beheerder opgenomen. Dit is van
                    belang in verband met het door hem uit te oefenen toezicht, zoals verwoord in
                    het tweede lid. Dit artikel schept voor de exploitant(en) en de beheerder(s) een
                    algemene verplichting tot het uitoefenen van toezicht ter handhaving van de orde
                    in de inrichting. De exploitant is – uiteraard binnen redelijke grenzen –
                    verantwoordelijk voor de gang van zaken in de inrichting. Deze
                    toezichtverplichting geldt ook voor de beheerder(s). Indien zich in de
                    inrichting strafbare feiten voordoen, biedt dit artikel aanknopingspunten om
                    daar in bestuursrechtelijke zin tegen op te treden. </al><al>vvvv. <vet>Artikel 3:9 Straatprostitutie</vet></al><al>De wetswijziging tot opheffing van het bordeelverbod heeft geen gevolgen voor de
                    straatprostitutie. Het is echter bij uitstek een vorm van prostitutie die nadere
                    regulering behoeft. Dat is de laatste jaren gebleken, doordat in verschillende
                    gemeenten – vanuit een oogpunt van handhaving met wisselend succes – zogenaamde
                    gedoogzones zijn aangewezen. Aan de belangen die behoren tot hun “huishouding”
                    (genoemd in artikel 3:13) ontlenen gemeenten de bevoegdheid tot regulering, ook
                    ten aanzien van straatprostitutie.</al><al>Volgens het eerste lid is straatprostitutie verboden, tenzij het plaatsvindt op
                    de wegen/gebieden en gedurende de tijden die het college daartoe heeft
                    aangewezen. </al><al>Bij aanwijzing als hier bedoeld zal rekening moeten worden gehouden met de
                    belangen genoemd in artikel 3:13, tweede lid. </al><al>Aan de hand van de omstandigheden ter plaatse zal moeten worden beoordeeld of
                    tot aanwijzing van een tippelzone kan of moet worden besloten (bijvoorbeeld in
                    het belang van de woon- en leefomgeving of de openbare orde in andere delen van
                    de gemeente) of juist niet (bijvoorbeeld in het belang van de woon- en
                    leefomgeving of de openbare orde in het gebied waarvan de tippelzone onderdeel
                    zou uitmaken).</al><tussenkop>Artikel 3:10 Sekswinkels</tussenkop><al>Zoals aangegeven in de toelichting bij artikel 3:1, onder e, is ervoor gekozen
                    sekswinkels niet onder het “seksinrichting”-begrip (en daarmee de
                    vergunningplicht) te brengen. Hieraan ligt de gedachte ten grondslag dat de
                    vestiging van sekswinkels doorgaans afdoende zal kunnen worden gereguleerd langs
                    de weg van het bestemmingsplan en dat het - ter bescherming van de openbare orde
                    of de woon- en leefomgeving - niet nodig is deze bedrijven als regel aan
                    voorafgaand toezicht te onderwerpen.</al><al>Artikel 3:10 is opgenomen, zodat gebieden of delen van de gemeente kunnen worden
                    aangewezen waarin het in het belang van de openbare orde of de woon- en
                    leefomgeving niet is toegestaan een sekswinkel te (doen) exploiteren.</al><tussenkop>Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van
                    erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke</tussenkop><al>Dit artikel heeft een repressief karakter. Het schept niet zonder meer een
                    verbod, maar slechts voor zover het bevoegd bestuursorgaan daaromtrent nader
                    heeft besloten. </al><lijst><li nr="wwww. "><al><vet><onderstreept>Afdeling 3 Beslissingstermijn;
                                    weigeringsgronden</onderstreept></vet></al></li><li nr="xxxx. "><al><vet>Artikel 3:12 Beslissingstermijn</vet></al></li><li nr="yyyy. "><al>De voorbereiding van een besluit op een aanvraag om vergunning voor het
                            exploiteren van een seksinrichting kan complex van aard zijn. Daarom is
                            een langere beslissingstermijn dan die in artikel 1:2 opgenomen. Het is
                            een termijn van orde. Overschrijding ervan doet niet af aan de
                            bevoegdheid te beslissen over een ingediende aanvraag, maar leidt wel
                            tot een fictieve weigering waartegen belanghebbenden bezwaar kunnen
                            aantekenen.</al></li><li nr="zzzz. "><al><vet>Artikel 3:13 Weigeringsgronden</vet></al></li><li nr="aaaaa. "><al>De hier genoemde belangen vormen tezamen de ‘huishouding’, tot het
                            regelen en besturen waarvan gemeenten bevoegd zijn. Deze belangen vormen
                            de grondslag voor de uitoefening van de bevoegdheden die het
                            gemeentebestuur ter zake toekomen. </al></li><li nr="ccccc. "><al><vet><cursief>Eerste lid, onder b: bestemmingsplan</cursief></vet></al></li><li nr="ddddd. "><al>Het kan voorkomen dat er geen sprake is van een weigeringsgrond als
                            bedoeld in het tweede lid, maar dat het geldende bestemmingsplan
                            vestiging van een seksinrichting of escortbedrijf ter plaatse niet
                            toelaat. Het is onduidelijk als er vergunning wordt verleend, maar
                            tegelijkertijd moet worden uitgelegd dat daar geen gebruik van kan
                            worden gemaakt.</al></li><li nr="fffff. "><al><vet><cursief>Eerste lid, onder c: minderjarig, onvrijwil</cursief></vet><vet><cursief>lig, illegaal</cursief></vet></al></li><li nr="ggggg. "><al>Deze weigeringsgrond is feitelijk een bijzondere invulling van de vaker
                            voorkomende weigeringsgrond: vrees voor ernstige verstoring van de
                            openbare orde. Als er aanwijzingen zijn, bijvoorbeeld op basis van
                            politierapportages, dat de voorgenomen exploitatie in strijd is met
                            artikel 250a WvSr is vergunningverlening uitgesloten. Voorkomen moet
                            worden dat de exploitant prostituees onder dwang arbeid laat verrichten
                            of minderjarigen laat werken. Onderdanen van de EU-lidstaten kunnen in
                            Nederland op legale wijze arbeid verrichten, ook in de prostitutie,
                            onder de voorwaarde dat de verworven inkomsten niet marginaal en
                            bijkomstig zijn. Voor onderdanen van niet-EU-lidstaten geldt dat niet.
                            Zij dienen, als zij in Nederland arbeid in loondienst willen verrichten,
                            te beschikken over een vergunning tot verblijf die het verrichten van
                            arbeid in loondienst toestaat. Houders van een vergunning tot vestiging,
                            houders van de vluchtelingenstatus, houders van een vergunning tot
                            verblijf om humanitaire redenen en houders van een vergunning tot
                            verblijf bij (huwelijks)partner (indien het deze partner is toegestaan
                            zonder nadere voorwaarden te werken) hebben in principe zo’n vergunning.
                            Zij hebben vrije toegang tot de arbeidsmarkt en mogen dus ook in een
                            seksinrichting werkzaam zijn. De werkgever behoeft in die gevallen niet
                            te voldoen aan de verplichting een tewerkstellingsvergunning voor de
                            desbetreffende werknemer aan te vragen.</al></li></lijst><tussenkop>Tweede lid, onder b: woon- en leefklimaat</tussenkop><al>Het belang van de openbare orde en dat van de woon- en leefomgeving zijn nauw
                    met elkaar verweven. Waar een maximumbeleid kan worden geacht te zijn ontleend
                    aan het belang van de openbare orde, kan een concentratiebeleid worden beschouwd
                    als met name gericht op de bescherming van de woon- en leefomgeving in bepaalde
                    delen van de gemeente. Gelet op eerdergenoemde verwevenheid, wordt een
                    maximumbeleid en een concentratiebeleid ter onderlinge versterking in combinatie
                    toegepast.</al><al>Een aspect van bescherming van de woon- en leefomgeving is de omvang van de
                    inrichting. In een vergunningvoorschrift, dat overigens tevens betrekking heeft
                    op de hierna te noemen grond veiligheid van personen, kan het maximale aantal
                    werkzame prostituees worden vastgesteld.</al><tussenkop>Tweede lid, onder c: veiligheid personen of goederen</tussenkop><al>Bij de exploitatie van openbare (en daarmee seks)inrichtingen, is het van groot
                    belang de brandveiligheid te waarborgen. Voor wat betreft de inrichtingen die
                    zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van de Woningwet is het Bouwbesluit
                    daarop van toepassing met het oog op de brandveiligheid van de inrichting zelf;
                    en biedt de Bouwverordening daarvoor de grondslag voor zover het gaat om het
                    gebruik van de inrichting. </al><al>Gaat het om inrichtingen die niet zijn aan te merken als bouwwerk in de zin van
                    de Woningwet (bijvoorbeeld vaartuigen), dan wordt het gebruik van de inrichting
                    bestreken door de Brandbeveiligingsverordening.</al><lijst><li nr="hhhhh. "><al><vet><onderstreept>Afdeling 4. beëindiging exploitatie; wijziging
                                    beheer</onderstreept></vet></al></li><li nr="iiiii. "><al><vet>Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie</vet></al></li><li nr="jjjjj. "><al>Onder beëindiging wordt ook verstaan wijziging van de naam van de
                            exploitant of van een of meerdere namen van de exploitanten. </al></li><li nr="kkkkk. "><al><vet>Artikel 3:15 Wijziging beheer</vet></al></li><li nr="lllll. "><al>Anders dan bij beëindiging van de exploitatie, leidt het vertrek van een
                            beheerder niet tot het van rechtswege vervallen van de vergunning. Ten
                            aanzien van de nieuwe beheerder(s) dient een antecedentenonderzoek
                            plaats te vinden. De nieuwe beheerder kan aan de slag vanaf het moment
                            dat de aanvraag is ingediend. Wijziging van beheer is doorgaans vaker
                            aan de orde dan de wijziging van de exploitatie.</al></li><li nr="mmmmm. "><al><vet><onderstreept>Afdeling 5: Overgangsbepaling</onderstreept></vet></al></li><li nr="nnnnn. "><al><vet>Artikel 3:16 Overgangsbepaling</vet></al></li></lijst><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>HOOFDSTUK 4. BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR
                    HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE</tussenkop><tussenkop>Afdeling 1. Geluidhinder</tussenkop><al>ppppp. <vet>Artikel 4:1 Begripsbepalingen</vet></al><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten </tussenkop><al>De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid genoemde geluidsnormen niet
                    gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid,
                    onder a, van het Besluit. Evenals in het oude besluit voorziet dit artikel van
                    het Besluit erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet
                    worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze
                    voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van
                    collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele-, sport- en
                    recreatieve manifestaties.</al><al>qqqqq. <vet>Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten</vet></al><al>De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal incidentele festiviteiten
                    voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in de artikelen 2.21 en
                    4.113 van het Besluit. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onderdeel b kan de
                    gemeenteraad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop
                    individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen
                    verkrijgen van de geluidsnormen. </al><al>Derde en vierde lid</al><al>Het college dient minimaal twee weken voor de aanvang van de festiviteit met een
                    kennisgevingsformulier op de hoogte gesteld te worden van de festiviteit. Uit de
                    formulering van het eerste en tweede lid volgt dat wanneer de houder van de
                    inrichting geen kennisgeving heeft gedaan en desondanks een festiviteit houdt,
                    deze niet kan worden beschouwd als een incidentele festiviteit op grond van het
                    besluit. Omdat er dan geen sprake is van een incidentele festiviteit dient
                    voldaan te worden aan alle in het Besluit horeca-, sport- en
                    recreatie-inrichtingen milieubeheer (Besluit) gestelde voorschriften.
                    Niet-naleving van die voorschriften kan ertoe leiden dat op grond van artikel
                    18.2 van de Wet milieubeheer (Wm) bestuursrechtelijk of op grond van artikel
                    18.18 van de Wm strafrechtelijk wordt opgetreden. De termijn voor het indienen
                    van een kennisgeving stelt het college in staat te beoordelen op welke wijze de
                    houder van de inrichting zoveel mogelijk overmatige geluidshinder dan wel
                    lichthinder tracht te voorkomen. </al><al>Vijfde lid</al><al>Vindt in een inrichting een festiviteit plaats die redelijkerwijs niet te
                    voorzien was, bijvoorbeeld wanneer iemand in de lotto ‘de honderdduizend’
                    gewonnen heeft, kan het college dit feest terstond aanwijzen als incidentele
                    festiviteit zodat de voorschriften van het besluit, zonder dat daartoe een
                    kennisgeving is gedaan, niet van toepassing zijn. </al><tussenkop>Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten (vervallen)</tussenkop><al>De burgemeester heeft deze (autonome) bevoegdheid op grond van artikel 174 van
                    de Gemeentewet, waarbij is bepaald dat de burgemeester is belast met de
                    uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het toezicht
                    op de voor publiek openstaande gebouwen en andere openbare vermakelijkheden. Die
                    bevoegdheid van de burgemeester hoeft in de verordening niet te worden
                    herhaald.</al><lijst><li nr="sssss. "><al><vet>Artikel 4:5 Onversterkte muziek (Vervallen)</vet></al></li><li nr="ttttt. "><al><vet>Artikel 4:6 Overige geluidhinder</vet></al></li></lijst><al>Door in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet
                    milieubeheer of het Besluit” op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd.
                    Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een
                    milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel zijn
                    algemene regels op grond van het Besluit van toepassing. In deze algemene regels
                    zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.</al><al>Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere
                    regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:</al><lijst><li nr="·"><al>een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een
                            kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.;</al></li><li nr="·"><al>het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of
                            muziek maken of mededelingen doen;</al></li><li nr="·"><al>het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten;</al></li><li nr="·"><al>het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen;</al></li><li nr="·"><al>het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers
                            en heistellingen;</al></li><li nr="·"><al>het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz.</al></li><li nr="·"><al>overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat;</al></li><li nr="·"><al>het houden van dieren.</al></li></lijst><al>Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door
                    het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van
                    muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro- akoestische apparatuur, het laten
                    draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van
                    geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook
                    niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde,
                    aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging
                    betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke
                    situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke
                    maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een
                    zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden
                    aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met
                    voorschriften. Wegens regelmatige overlast situaties is gekozen om een
                    geluidsbepaling op te nemen met betrekking tot dieren. Dit biedt namelijk betere
                    handhavingmogelijkheden. </al><tussenkop>Afdeling 2: Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:7 Straatvegen </tussenkop><al>Dit artikel bevat een verkeersbeperkende bepaling. Een dergelijke bepaling moet,
                    gezien het verschil in motief, mogelijk worden geacht naast de
                    wegenverkeerswetgeving. Artikel 2a Wegenverkeerswet 1994 handhaaft uitdrukkelijk
                    de bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten
                    aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover deze
                    verordeningen niet in strijd zijn met deze wet. Artikel 4:7 beoogt niet een
                    verkeersbelang te dienen, maar heeft een milieumotief. In het bijzonder strekt
                    het ter voorkoming van overlast voor de reinigingsdienst. </al><al>Bovendien heeft het daarin vervatte verbod slechts betrekking op bepaalde,
                    aangewezen weggedeelten en geldt slechts gedurende bepaalde aangeduide dagen en
                    uren.</al><tussenkop>Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen</tussenkop><al>Deze bepaling staat al sinds jaar en dag in de APV. Er wordt op deze bepaling
                    strikt gehandhaafd.</al><al>uuuuu. <vet>Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare
                        riolen en putten buiten gebouwen</vet></al><al>Dit artikel betreft een samenvoeging van de in Bouwverordening geschrapte
                    artikelen 334 en 336. Dit zijn bepalingen die niet direct het bouwwerk maar meer
                    de omgeving betreffen en dus beter in de APV thuis horen.</al><tussenkop>Afdeling 3: Bodem-, weg- en milieuverontreiniging</tussenkop><tussenkop>Artikel 4:10</tussenkop><al>Er bestaat behoefte aan een regeling die uitsluitend betrekking heeft op een de
                    bescherming van bomen. Gekozen is voor een vergunningsstelsel conform het
                    vastgestelde beleid. </al><al>vvvvv. <vet>Artikel 4:11 Kapvergunning </vet></al><al>Artikel is opgesteld conform vastgesteld beleid. </al><al>xxxxx. <vet>Artikel 4:11a Kapverbod</vet></al><al>Zie motivering onder 4:10 en 4:11.</al><tussenkop>Artikel 4:12 Bescherming groenvoorzieningen</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Afdeling 4: Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast</tussenkop><al>zzzzz. <vet>Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                        enz.</vet></al><al>Deze bepaling verschaft een basis voor het treffen van maatregelen die uit een
                    oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare
                    opslag van bromfietsen en caravans e.d. en landbouwproducten. Het college is
                    bevoegd bepaalde plaatsen aan te wijzen waar deze opslag verboden is c.q. aan
                    bepaalde regels gebonden is.</al><al>Deze bepaling ziet niet op handelingen die plaatsvinden op de “weg” in de zin
                    van de wegenverkeerswetgeving. Deze afbakening is aangebracht omdat voor zover
                    de in deze bepaling genoemde activiteiten plaatsvinden op de “weg” daartegen kan
                    worden opgetreden op basis van andere in deze verordening opgenomen
                    voorschriften.</al><tussenkop>Artikel 4:14. Stankoverlast door gebruik van meststoffen
                    (vervallen)</tussenkop><al>Vanuit dereguleringsoogpunt heeft de VNG dit artikel in 2008 geschrapt. Via de
                    Meststoffenwet wordt veel geregeld. Op zandgronden mag maar zeer beperkt mest
                    wordt uitgereden (ca 6 maanden per jaar). Veel mest wordt bovendien al
                    emissie-arm aangewend, dus dan geldt het artikel niet.</al><tussenkop>Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame
                    (vervallen)</tussenkop><al>In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling
                    tegen het licht gehouden. De noodzaak van deze bepaling is niet gebleken en
                    artikel 2:10 biedt genoeg handvatten om op te treden. Daarom is gekozen om deze
                    bepaling te laten vervallen.</al><al>bbbbbb. <vet><onderstreept>Afdeling 5. Kamperen buiten
                            kampeerterreinen</onderstreept></vet></al><al>In verband met de afschaffing van de Wet op de Openluchtrecreatie (WOR) met
                    ingang van 1 januari 2008 zijn ten aanzien van het kamperen buiten
                    kampeerterreinen drie artikelen in de APV opgenomen.</al><tussenkop>Artikel 4:17 Begripsbepaling</tussenkop><tussenkop>In de begripsomschrijving gaat het in het algemeen over een tent,
                    tentwagen, kampeerwagen en caravan.</tussenkop><lijst><li nr="cccccc. "><al><vet>Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen</vet></al></li><li nr="dddddd. "><al><vet>Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen</vet></al></li><li nr="eeeeee. "><al><vet>HOOFDSTUK 5. ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER
                                GEMEENTE</vet></al></li><li nr="hhhhhh. "><al><vet><cursief><onderstreept>Afdeling 1. Parkeerexcessen</onderstreept></cursief></vet><vet>Afdeling 1 </vet><vet> Parkeerexcessen</vet></al></li></lijst><al>Artikel 2a WVW 1994 geeft aan dat de gemeente bevoegd is
                    parkeerexcessenbepalingen vast te stellen. De grondslag voor dergelijke
                    bepalingen is artikel 149 Gemeentewet. Uit de jurisprudentie volgt dat in de
                    eerste plaats van een parkeerexces sprake is als het gaat om excessief gebruik
                    van de weg, strijdig met de bestemming die de weg heeft. Wegen zijn - in de
                    eerste plaats bestemd om zich daarover te kunnen verplaatsen en daarop tijdelijk
                    een voertuig te kunnen laten staan. Voor bepaalde (categorieën van) voertuigen,
                    die de weg in strijd met deze bestemming gebruiken, is het bestuur gerechtigd
                    strengere eisen te stellen en scherpere grenzen te trekken. Daarbij mag het niet
                    te diep ingrijpen in het ‘normale’ verkeer, en dus ook niet in het ‘normale’
                    parkeren. In het ‘normale’ verkeer voorziet de geldende wettelijke
                    verkeersregeling exclusief. Verder is sprake van een parkeerexces als het
                    parkeren op de weg gepaard gaat met ontsiering van het uiterlijk aanzien van de
                    gemeente, beneming van uitzicht, stankoverlast of gevaar voor de veiligheid van
                    personen. Plaatsing in hoofdstuk 5 is gedaan, omdat aan deze bepalingen meerdere
                    motieven ten grondslag liggen. Complementair aan de vaststelling van
                    parkeerexcesbepalingen is- in het bijzonder voor vrachtwagens - de aanwezigheid
                    van vervangende parkeergelegenheid geregeld.</al><lijst><li nr="iiiiii. "><al><vet>Artikel 5:1 Begripsbepalingen</vet></al></li><li nr="jjjjjj. "><al>Van het begrip voertuigen is een aantal categorieën uitgezonderd, zoals
                            treinen en trams, tweewielige fietsen en bromfietsen,
                            invalidenvoertuigen en andere kleine voertuigen, zoals kruiwagens,
                            kinderwagens, rolstoelen e.d. omdat anders sommige bepalingen een te
                            ruime strekking krijgen. Het onmiddellijk in- en uitstappen van personen
                            en het onmiddellijk laden en lossen van goederen zijn activiteiten die
                            door deze bepalingen niet worden bestreken. De bepalingen van afdeling
                            5.1 van de APV richten zich ook tot niet-bestuurders die anderszins
                            belanghebbend zijn bij een voertuig (de eigenaar, huurder, opdrachtgever
                            etc.).</al></li><li nr="kkkkkk. "><al><vet>Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</vet></al></li><li nr="llllll. "><al>Eerste lid</al></li><li nr="mmmmmm. "><al>Deze bepaling maakt optreden mogelijk tegen autohandelaren en
                            exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg
                            voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hen toebehoren
                            en/of zijn toevertrouwd. Het betreffen situaties waarin het gebruik van
                            parkeerruimte op buitensporige wijze plaats heeft en daarom niet
                            toelaatbaar is.</al></li><li nr="oooooo. "><al>Eerste lid, onder b</al></li><li nr="pppppp. "><al>Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op een openbare plaats geparkeerde
                            voertuigen in het kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf geven
                            veelal klachten inzake geluidsoverlast en verontreiniging van de weg.
                            Daarom is het wenselijk de strafbaarheid van het herstellen of slopen op
                            een openbare plaats niet te relateren aan de omstandigheid dat er sprake
                            moet zijn van drie of meer voertuigen. Indien het slopen of herstellen
                            van een voertuig bij herhaling geschiedt, moet - met het oog op de
                            vorengenoemde bezwaren - hiertegen kunnen worden opgetreden, daargelaten
                            of zich in de onmiddellijke omgeving meer auto’s bevinden die betrokkene
                            ‘toebehoren of zijn toevertrouwd’. Alleen degene, die bij herhaling de
                            weg als werkplaats voor reparatie- en/of sloopdoeleinden gebruikt is
                            strafbaar. Het vierde lid opent de mogelijkheid aan de door hem
                            gebruikte auto kleine reparatiewerkzaamheden te verrichten.</al></li><li nr="rrrrrr. "><al>Tweede lid</al></li><li nr="ssssss. "><al>De afdeling rechtspraak van de Raad van State besliste dat het bij
                            elkaar parkeren van drie of meer taxi’s door een exploitant van een
                            taxibedrijf niet onder de werking van deze bepaling valt. De
                            rijschoolhouder die een aantal voertuigen bij elkaar parkeert, viel
                            volgens deze uitspraak eveneens niet onder de werking van dit artikel.
                            Omdat het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en
                            taxiondernemers excessieve vormen kan aannemen, is in het tweede lid
                            daarom expliciet bepaald dat onder ‘verhuren’ mede wordt verstaan het
                            gebruiken van voertuigen voor het geven van rijlessen of voor het
                            vervoeren van personen tegen betaling. </al></li><li nr="uuuuuu. "><al>Derde lid</al></li><li nr="vvvvvv. "><al>Onder a is het woord ‘vergen’ gebruikt om twijfel over de vraag of met
                            een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan een uur gemoeid
                            is, zoveel mogelijk uit te sluiten. De in het derde lid gestelde
                            verbodsbepaling geldt niet voor het normaal parkeren van de voor
                            persoonlijk gebruik gebezigde auto(‘s) van de exploitant.</al></li><li nr="xxxxxx. "><al>Vierde lid</al></li><li nr="yyyyyy. "><al>Het verlenen van een ontheffing zal in het algemeen alleen op zijn
                            plaats zijn in geval, alle omstandigheden in aanmerking genomen,
                            redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere
                            mogelijkheden ten dienste staan dan de hem toebehorende of toevertrouwde
                            auto’s op de weg of een andere openbare plaats te parkeren.</al></li><li nr="zzzzzz. "><al><vet>Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen</vet></al></li><li nr="aaaaaaa. "><al>Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is bij het te
                            koop aanbieden van een enkel voertuig niet of nauwelijks sprake, de
                            overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de
                            beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden. Anders ligt
                            het wanneer de voertuigen met grote aantallen tegelijk aangeboden
                            worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het
                            voor de omwonenden overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van
                            voertuigen trekt kooplustigen aan. Ook wordt een aanmerkelijk beslag op
                            de beschikbare parkeerruimte gelegd. Het college heeft de bevoegdheid
                            gebieden aan te wijzen waar het verbod van kracht is. </al></li><li nr="bbbbbbb. "><al>Aan de hand van de plaatselijke omstandigheden moet beoordeeld worden of
                            het verbod nodig is. Het begrip ‘parkeren’ wordt zo uitgelegd, dat het
                            verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een
                            voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.</al></li><li nr="ccccccc. "><al><vet>Artikel 5:4 Defecte voertuigen</vet></al></li><li nr="ddddddd. "><al>Het excessieve is in het bijzonder gelegen in het in relatie tot het
                            tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men het
                            voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren een
                            ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente meebrengen en om
                            die reden excessief zijn. Deze bepaling ziet slechts op ‘eigenlijke’
                            parkeerexcessen, dat wil zeggen op het plaatsen en hebben van defecte
                            voertuigen op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het zou te ver gaan
                            deze gedragingen ook buiten de weg te verbieden. </al></li><li nr="eeeeeee. "><al><vet>Artikel 5:5 Voertuigwrakken</vet></al></li><li nr="fffffff. "><al>De onderhavige bepaling heeft betrekking op het plaatsen en hebben van
                            wrakken op de weg (in de zin van de WVW 1994). Het elders in de
                            openlucht opslaan van wrakken vindt reeds regeling in artikel 4.7.1 en
                            tevens in artikel 10.17 van de Wet milieubeheer. De delictsomschrijving
                            bevat daarom niet het bestanddeel ‘van de weg af zichtbaar’. Het verbod
                            in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg
                            plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan
                            alleen de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen
                            onder deze bepaling.</al></li><li nr="ggggggg. "><al><vet>Artikel 5:6 Kampeermiddelen e.a.</vet></al></li></lijst><al>Het artikel richt zich tegen het langer dan nodig parkeren van caravans,
                    campers, kampeerwagens e.d. op de weg. Het excessieve van het hier bedoelde
                    parkeren is gelegen in het buitensporige gebruik van parkeerruimte dat daarmee
                    gepaard gaat. Tevens dient aantasting van het uiterlijk aanzien van de gemeente
                    te worden voorkomen. In sub a is drie dagen aangehouden opdat betrokkenen de
                    gelegenheid zal hebben zijn kampeerwagen of caravan voor een te ondernemen reis
                    gereed te maken respectievelijk na de reis op te ruimen. Met het gebruik van de
                    woorden ‘drie achtereenvolgende dagen’ is beoogd aan te geven dat niet hoeft te
                    worden bewezen dat het betrokken voertuig (of aanhanger) drie dagen onafgebroken
                    op dezelfde plaats heeft gestaan en dus niet- al was het maar één meter- is
                    verplaatst. Volstaan kan worden met aan te tonen dat het voertuig (of de
                    aanhanger) op enig tijdstip (op drie achtereenvolgende dagen) op de weg
                    geparkeerd heeft gestaan. Dat behoeft niet dezelfde plaats te zijn. </al><lijst><li nr="hhhhhhh. "><al><vet>Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen</vet></al></li><li nr="iiiiiii. "><al>Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort
                            aan parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het
                            voertuig op de weg zet. Verder kan het excessieve gelegen zijn in het
                            motief van het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk aanzien van de
                            gemeente. </al></li><li nr="jjjjjjj. "><al><vet>Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen</vet></al></li></lijst><al>In gemeentelijke kring wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren dat het
                    parkeren van grote voertuigen - in het bijzonder vrachtwagens - op wegen in de
                    stadscentra en in de woonwijken zoveel mogelijk wordt tegengegaan.
                    Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat dit parkeren wordt
                    ervaren als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze
                    parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei: onvoldoende opvallen bij
                    schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid
                    van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige
                    inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering van het uitzicht
                    vanuit de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der gemeente enz. Op den
                    duur zal het parkeren van grote voertuigen dan ook niet meer dienen te
                    geschieden op wegen binnen de bebouwde kom, althans niet op die wegen binnen de
                    bebouwde kom, welke gelegen zijn in het centrum of in de woonwijken. </al><al>Uit de jurisprudentie kan worden opgemaakt, dat ook volgens de Hoge Raad het
                    parkeren van vrachtwagens in woonwijken enz., bezien tegen de achtergrond van de
                    recente verkeersomstandigheden en maatschappelijke inzichten, niet (meer)
                    redelijkerwijze als “normaal” verkeer kan worden beschouwd. De artikelen 5:8 en
                    5:9 bevatten regels waarmee het parkeren van grote voertuigen, voor zover dit
                    excessief is, kan worden tegengegaan.</al><lijst><li nr="kkkkkkk. "><al><vet>Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen</vet></al></li><li nr="lllllll. "><al>De in lid twee opgenomen uitzondering ziet bijvoorbeeld op (het parkeren
                            van) ‘hoogwerkers’, meetwagens e.d..</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen </tussenkop><al>(vervallen)</al><al>In het kader van de deregulering van gemeentelijke regelgeving is deze bepaling
                    tegen het licht gehouden. De noodzaak van deze bepaling is niet gebleken. Daarom
                    is gekozen om deze bepaling te laten vervallen.</al><tussenkop>Artikel 5:10a Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. </al><tussenkop>Artikel 5:11 Stationair draaiende motoren van voertuigen</tussenkop><al>Bepaling spreekt, gezien de milieuaspecten, voor zich. </al><tussenkop>Afdeling 2: Collecteren</tussenkop><lijst><li nr="mmmmmmm. "><al><vet>Artikel 5:12 Inzameling van geld of goederen</vet></al></li><li nr="nnnnnnn. "><al>Aangegeven is dat, indien bij een inzameling geschreven of gedrukte
                            stukken worden aangeboden, dit niet meebrengt dat voor het houden van de
                            inzameling geen vergunning vereist is. Het collecteren en het daarbij
                            aanbieden van geschreven of gedrukte stukken –is bewust van elkaar
                            gescheiden. Uit jurisprudentie blijkt dat door genoemde
                            collectebepalingen wel - op geoorloofde wijze - het inzamelen van
                            gelden, doch niet het daarbij aanbieden van geschreven of gedrukte
                            stukken in het algemeen verboden of van een vergunning afhankelijk
                            gesteld wordt. Het houden van openbare inzamelingen is
                            vergunningplichtig, niet het daarbij aanbieden of verspreiden van
                            geschreven of gedrukte stukken. De bepaling laat het aanbieden van
                            geschreven of gedrukte stukken onverlet. Wordt een aanvraag om een
                            collectevergunning geweigerd en was de aanvrager voornemens om bij de
                            geldinzameling gedrukte stukken aan te bieden, dan blijft het recht om
                            deze stukken aan te bieden zonder meer bestaan.Venten of colporteren met
                            gedrukte stukken valt onder de werking van artikel 7, eerste lid, van de
                            Grondwet. Het venten of colporteren beoogt vooral het dekken van de
                            kosten van verspreiding (het drukken en redigeren daaronder begrepen)
                            van gedrukte stukken. Het aanvaarden van geld is dus duidelijk
                            dienstbaar aan de verspreiding. Van venten of colporteren met gedrukte
                            stukken is sprake, wanneer voor deze stukken een reële contraprestatie
                            in de vorm van een vast bedrag wordt ontvangen. Omdat het aanbieden van
                            gedrukte stukken en het ontvangen van een geldelijke vergoeding
                            ‘gekoppeld’ en niet te scheiden zijn, is artikel 5:13 niet van
                            toepassing op het te koop aanbieden, verkopen en afleveren van gedrukte
                            stukken (waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard). Bij het
                            collecteren onder gelijktijdige aanbieding van gedrukte stukken is deze
                            koppeling niet aanwezig. Verkrijgt men een of ander drukwerk door een
                            willekeurig bedrag of een weliswaar vast, maar niet meer als reële
                            contraprestatie aan te merken, bedrag aan geld in een bus te werpen of
                            te overhandigen als bijdrage voor een duidelijk kenbaar liefdadig of
                            ideëel doel, is er sprake van een collecte. De gedrukte stukken worden
                            daarbij ter ondersteuning van die actie uitgereikt en zijn niet
                            elementair voor het verschijnsel collecte.</al></li></lijst><al>Derde lid</al><al>Het begrip ‘besloten kring’ veronderstelt een nauwere band dan alleen het
                    gemeenschappelijk lidmaatschap. Men zal tevens moeten aangeven dat er ook een
                    zekere gemeenschappelijke bekendheid met elkaar is. </al><lijst><li nr="ooooooo. "><al><vet><onderstreept>Afdeling 3: Venten</onderstreept></vet></al></li><li nr="qqqqqqq. "><al><vet>Artikel 5:13 Begripsbepaling</vet></al></li><li nr="rrrrrrr. "><al>Van venten is sprake als de venter zijn waren voortdurend vanaf een
                            andere plaats aanbiedt, tenzij hij zijn clientèle aan het bedienen is.
                            Er geldt een verbod tot het aanbieden vanaf een vaste plaats. Het
                            tijdelijk stilstaan in afwachting van klanten is in strijd met de
                            verleende ventvergunning.</al></li><li nr="ttttttt. "><al>Tweede lid </al></li><li nr="uuuuuuu. "><al>Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder
                            de volgende criteria toegestaan:</al></li><li nr="-"><al>de beperking mag geen betrekking hebben op de inhoud van de gedrukte
                            stukken;</al></li><li nr="-"><al>er dient gebruik van enige betekenis te resteren; de beperking mag niet
                            resulteren in een algeheel verbod.</al></li></lijst><al>Het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats, betreft de
                    periode waarin goederen vanaf dezelfde plaats (gebruikmakend van fysieke
                    hulpmiddelen als een kraam of een aanhangwagen) in de openbare ruimte worden
                    aangeboden aan willekeurige voorbijgangers. Het tien minuten standplaats innemen
                    vereist een standplaatsvergunning en geen ventvergunning.</al><al>Omdat tussen het venten met goederen en het aanbieden van goederen vanaf een
                    standplaats een onderscheid wordt gemaakt, is het noodzakelijk dat in de APV
                    bepaling waarin het venten met goederen wordt geregeld, een uitzondering wordt
                    gemaakt voor het aanbieden van goederen vanaf een standplaats.</al><al>vvvvvvv. <vet><onderstreept>Afdeling 4: Standplaatsen</onderstreept></vet></al><al>Zie voor het onderscheid tussen venten en het innemen van een standplaats
                    hierboven onder ‘venten’.</al><al>wwwwwww. <vet><onderstreept>Afdeling 5: Snuffelmarkten</onderstreept></vet></al><al>Er zijn verschillende soorten markten, elk met een eigen juridisch regime. Te
                    onderscheiden zijn: </al><al>I De weekmarkt en de jaarmarkt in de zin van artikel 151 van de
                    Gemeentewet.</al><al>Het begrip ‘markt’ is niet nader omschreven in de Gemeentewet. De omvang van een
                    markt zal mede afhangen van plaatselijke omstandigheden. In de regel worden op
                    een weekmarkt ‘geregelde’ waren verkocht. Het artikel ziet niet deze markten. De
                    gemeente kent een weekmarkt waarvoor een Marktverordening van kracht is. </al><al>II ‘Vlooienmarkt’, ‘zwarte markt’,’vrije markt’, ‘snuffel- of rommelmarkt’. </al><al>Deze categorie markten kan commercieel of niet-commercieel van aard zijn. Voor
                    zover deze markten uitsluitend verkoop door particulieren betreft en die hun
                    tweedehands spullen aan de man willen brengen, bestaat daartegen in principe
                    geen bezwaar. Is sprake van een meer commerciële markt dan wordt van de zijde
                    van de reguliere handel gesproken over oneerlijke concurrentie, in verband met
                    het overtreden van de vestigingswetgeving en van de Wet op de omzetbelasting. </al><al>Afdeling 5 richt zich niet tot degene die standplaats wil innemen, maar tot de
                    organisator van de markt en de rechthebbende op het gebouw waarin deze markt
                    wordt gehouden De Winkeltijdenwet is op het houden van een ‘vrije markt’ van
                    toepassing als de markt een bedrijfsmatig karakter heeft. Dit zal afhankelijk
                    zijn van de aard van de op deze markt ontplooide activiteiten, geregelde of
                    ongeregelde goederen, en de frequentie waarmee deze markt gehouden wordt.</al><al>III Markten niet in een gebouw of op een plaats en niet zijnde een week- of een
                    jaarmarkt in de zin van artikel 151 van de Gemeentewet</al><al>De markten waarvoor afdeling 5 is geschreven, worden gehouden in een gebouw of
                    plaats. Indien eenmalig vergunning wordt verleend voor het houden van een markt
                    op of aan de openbare weg, bijvoorbeeld een braderie in een winkelstraat, dan is
                    afdeling 5 niet van toepassing maar zou kunnen worden volstaan met het verlenen
                    van een evenementenvergunning op basis van artikel 2:25.</al><tussenkop>Afdeling 6. Openbaar water (Vervallen)</tussenkop><lijst><li nr="xxxxxxx. "><al><vet><onderstreept>Afdeling 7. </onderstreept></vet><vet><onderstreept>Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in
                                    natuurgebieden</onderstreept></vet></al></li><li nr="zzzzzzz. "><al><vet>Artikel 5:30 Crossterreinen</vet></al></li><li nr="aaaaaaaa. "><al>Indien een auto- of motorsportactiviteit, crossen e.d. op de weg, als
                            bedoeld in de WVW 1994, plaatsvindt en een wedstrijdkarakter heeft, is
                            artikel 10 van de WVW 1994 van toepassing. Artikel 5:30 ziet op het
                            gebruik van motorvoertuigen of een bromfiets als bedoeld in het
                            Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in het kader
                            van een wedstrijd op speciaal daarvoor aangewezen terreinen door het
                            college. Kenmerkend voor het wedstrijdkarakter is dat er een beloning in
                            de vorm van prijzen o.i.d. in het vooruitzicht wordt gesteld. Is artikel
                            5:30 van toepassing dan is een vergunning op basis van artikel 2:25 niet
                            meer van toepassing.</al></li><li nr="bbbbbbbb. "><al>Voor het organiseren van evenementen zijn in principe de bepalingen van
                            hoofdstuk 2, afdeling 7 van toepassing. Deze bepalingen zijn ook van
                            toepassing op auto- en motorsportevenementen, die geen wedstrijdkarakter
                            hebben, zoals toertochten, oldtimerritten e.d. </al></li><li nr="dddddddd. "><al>Bij het reguleren van auto- en motorsportactiviteiten, crossen e.d.
                            buiten de weg moet onderscheid worden gemaakt tussen speciaal daarvoor
                            ingerichte terreinen, zoals circuits, en overige terreinen, zoals
                            natuurgebieden, parken, plantsoenen of andere voor recreatief gebruik
                            beschikbare terreinen. De eerst bedoelde terreinen vallen doorgaans
                            onder de Wet milieubeheer; voor de overige terreinen kan een gemeente
                            zelf regels stellen, zoals in de artikelen 5:30 en 5:31. Hier kan
                            bijvoorbeeld worden gedacht aan een terrein dat niet is ingericht voor
                            motorwedstrijden en -activiteiten en terreinen die hiervoor slechts
                            eenmalig of zeer incidenteel worden gebruikt. </al></li><li nr="eeeeeeee. "><al><vet>Artikel 5:31 Beperking verkeer in natuurgebieden</vet></al></li><li nr="ffffffff. "><al>Ter bescherming van de natuur of voorkoming van geluidsoverlast is het
                            verboden te crossen met fiets, motor of auto dan wel paard te rijden in
                            de genoemde plaatsen. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het
                            verbod niet geldt.</al></li></lijst><tussenkop>Afdeling 8. Verbod vuur te stoken</tussenkop><lijst><li nr="gggggggg. "><al><vet>Artikel 5:32 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen
                                of anderszins vuur te stoken</vet></al></li><li nr="hhhhhhhh. "><al>Bestaande doorlopende ontheffingen op basis van de APV, blijven van
                            kracht, met dien verstande dat sinds 2003 naast deze ontheffing een
                            ontheffing noodzakelijk is op basis van de Wet Milieubeheer.</al></li><li nr="iiiiiiii. "><al><vet><onderstreept>Afdeling 9 Straatnaamborden, huisnummers
                                    e.d.</onderstreept></vet></al></li></lijst><tussenkop>Artikel 5:33 Gedoogplicht aanduidingen</tussenkop><al>Bepaling is vervallen wegens een eigen autonome verordening.</al><tussenkop>Artikel 5:34 Verwijdering e.d. aanduidingen</tussenkop><al>Bepaling is vervallen wegens een eigen autonome verordening.</al><tussenkop>Afdeling 10. Verstrooiing van as </tussenkop><lijst><li nr="jjjjjjjj. "><al><vet>Artikel 5:35 Begripsomschrijving</vet></al></li><li nr="kkkkkkkk. "><al>Deze bepaling spreekt voor zich. </al></li><li nr="llllllll. "><al><vet>Artikel 5:36 Verboden plaatsen</vet></al></li><li nr="mmmmmmmm. "><al>Asverstrooiing is om uiteenlopende redenen niet op alle plaatsen even
                            wenselijk. Dit geldt zeker voor plaatsen waar de as niet of nauwelijks
                            in de bodem kan worden opgenomen en door de wind kan gaan dwarrelen. Dit
                            speelt met name een rol op stoepen, straten, pleinen en dergelijke.
                            Daarom is er een verbod opgenomen voor het verstrooien van as op de
                            verharde delen van de weg. Gezien de mogelijke overlast die
                            asverstrooiing op straten en dergelijke op kan leveren voor derden en de
                            kans op het snelle verwaaien van de as, is het overigens niet
                            waarschijnlijk dat nabestaanden de verharde delen van de weg zullen
                            uitkiezen als plaats om de as te verstrooien. Het verbod zal dus naar
                            verwachting geen wezenlijke beperking opleveren voor nabestaanden.</al></li><li nr="nnnnnnnn. "><al><vet>Artikel 5:37 Hinder of overlast</vet></al></li><li nr="oooooooo. "><al>Het verstrooien van as is een emotionele gebeurtenis. Zowel voor
                            nabestaanden als voor omstanders die ermee worden geconfronteerd. Het is
                            daarom van belang dat omstanders geen hinder ondervinden van de
                            activiteit op zich en van de as die na de activiteit wordt
                            achtergelaten.</al></li></lijst><tussenkop>HOOFDSTUK 6. STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN</tussenkop><tussenkop>Artikel 6:1 Strafbepaling</tussenkop><al>Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de gemeenteraad op overtreding
                    van zijn verordeningen straf stellen. Deze straf mag niet zwaarder zijn dan
                    hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie,
                    al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van
                    het Wetboek van Strafrecht (WvSr) zijn de maxima van de zes boetecategorieën
                    opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt € 380 en
                    van de tweede categorie bedraagt € 3.800. Op grond van artikel 91 jo artikel 51
                    WvSr vallen ook rechtspersonen onder de werking van gemeentelijke
                    strafbepalingen. </al><al>In een aantal bepalingen wordt het college de bevoegdheid gedelegeerd nadere
                    regels te stellen. Ook de overtreding hiervan levert een strafbaar feit op. Dit
                    geldt ook voor de overtreding van krachtens artikel 1.4 gegeven beperkingen en
                    voorschriften bij een vergunning of een ontheffing. </al><lijst><li nr="pppppppp. "><al><vet>Artikel 6:2 Toezichthouders</vet></al></li><li nr="qqqqqqqq. "><al>In dit artikel worden de toezichthouders aangewezen. De basis voor deze
                            bevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb. In dit hoofdstuk
                            zijn algemene regels gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van
                            algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften.
                            Afdeling 1 van dit hoofdstuk geeft regels voor het toezicht.
                            Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift
                            belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van wettelijke
                            voorschriften (artikel 5:11 van de Awb). De aanwijzing van
                            toezichthouders kan in de APV plaatsvinden. Een deel van de
                            toezichthouders wordt in de APV zelf aangewezen. Hiernaast kunnen
                            toezichthouders door het college dan wel de burgemeester worden
                            aangewezen. Deze bevoegdheid vloeit voort uit de artikelen 162 en 174
                            van de Gemeentewet waarin het college respectievelijk de burgemeester
                            belast zijn met de uitvoering van gemeentelijke verordeningen.
                            Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden
                            aangewezen. Bij een individuele aanwijzing worden personen met toezicht
                            belast door hen met name te noemen of door aanduiding van hun functie.
                            Bij een categorale aanwijzing wordt in het aanwijzingsbesluit veelal de
                            dienst genoemd waartoe de met toezicht belaste personen behoren. Een
                            toezichthouder dient zich, indien gevraagd, te kunnen legitimeren. Het
                            legitimatiebewijs wordt uitgegeven door het bestuursorgaan onder
                            verantwoordelijkheid waarvan de toezichthouder werkzaam is. </al></li><li nr="rrrrrrrr. "><al><vet>Artikel 6:3 Binnentreden woningen</vet></al></li><li nr="ssssssss. "><al>Het is soms noodzakelijk dat personen die belast zijn met het toezicht
                            op de naleving dan wel de opsporing van overtredingen van de APV
                            bepaalde plaatsen kunnen betreden. In artikel 5:15 van de Awb is
                            toezichthouders deze bevoegdheid reeds toegekend voor alle plaatsen met
                            uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoners. De woning
                            geniet extra bescherming op basis van artikel 12 van de Grondwet, dat
                            het ‘huisrecht’ regelt. Het betreden van de woning zonder toestemming
                            van de bewoner is daarom met veel waarborgen omkleed. Op het betreden
                            van een woning met toestemming van de bewoner zijn deze waarborgen niet
                            van toepassing, al gelden daar wel, zij het wat beperktere,
                            vormvoorschriften. De bevoegdheid voor het binnentreden zonder
                            toestemming van de bewoner kent drie elementen:</al></li></lijst><al>– de bevoegdheid tot binnentreden dient bij of krachtens de wet te zijn
                    verleend;</al><al>– de personen aan wie de bevoegdheid is verleend dienen bij of krachtens de wet
                    te worden aangewezen;</al><al>– er dienen bepaalde vormvoorschriften in acht te worden genomen.</al><al>Zowel het verlenen van de bevoegdheid tot het binnentreden als het aanwijzen van
                    de personen die mogen binnentreden dient bij of krachtens de wet te gebeuren. In
                    vele wetten zijn dan ook binnentredingsbevoegdheden opgenomen, zoals in artikel
                    100 van de Woningwet. </al><al>Deze bevoegdheden zijn vooral toegekend aan ambtenaren of personen belast met
                    een opsporings- of toezichthoudende taak in het kader van de wetshandhaving.
                    Voorts bestaan bevoegdheden tot binnentreden voor de uitvoering van rechterlijke
                    taken en bevelen, de uitoefening van bestuursdwang, de handhaving van de
                    openbare orde, ter bescherming van de volksgezondheid en ter uitvoering van
                    noodwetgeving. </al><al>Artikel 149a van de Gemeentewet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij
                    verordening personen aan te wijzen die woningen mogen binnentreden zonder
                    toestemming van de bewoner. Het moet dan gaan om personen die belast zijn met
                    het toezicht op de naleving of de opsporing van de overtreding van bij
                    verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare
                    orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen.
                    In artikel 6:3 is gebruikgemaakt van deze bevoegdheid. </al><al>Voor een aantal bepalingen in de APV wordt de bevoegdheid een woning zonder
                    toestemming van de bewoner te betreden rechtstreeks ontleend aan een bijzondere
                    wet. Het betreft de volgende artikelen. </al><lijst><li nr="a."><al>artikel 2:3 inzake betogingen, dat steunt op artikel 4 van de Wet
                            openbare manifestaties (WOM). In artikel 8 van de WOM wordt de
                            bevoegdheid tot het binnentreden van woningen en andere plaatsen
                            geregeld.</al></li><li nr="b."><al>de artikelen 2:66 tot en met 2:70, de op de artikelen 437 en 437ter van
                            het WvSr gebaseerde gemeentelijke helingsvoorschriften. Artikel 552 van
                            het WvSv bepaalt dat de in artikel 141 bedoelde opsporingsambtenaren
                            (dus niet de buitengewone opsporingsambtenaren) toegang tot elke plaats
                            hebben waarvan redelijkerwijs vermoed kan worden dat zij door een van de
                            daar genoemde ondernemers worden gebruikt. Dit geldt zowel voor toezicht
                            als opsporing.</al></li><li nr="c."><al>De artikelen die gebaseerd zijn op artikel 10.10 van de Wet milieubeheer
                            (Wm). Artikel 18.5 van de Wm geeft aan in welke situaties een
                            toezichthouder bij zijn toezichthoudende taak een woning kan
                            binnentreden.</al></li></lijst><al>In de Algemene wet op het Binnentreden (Awbi) zijn de vormvoorschriften
                    opgenomen die een persoon die een woning wil betreden met of zonder toestemming
                    van de bewoner in acht moet nemen. Een ambtenaar die zonder dat hij de
                    bevoegdheid daartoe heeft of zonder dat hij de vormvoorschriften in acht neemt,
                    een woning, lokaal of erf betreedt, dient zich op vordering van de rechthebbende
                    direct te verwijderen. Het niet opvolgen van deze vordering levert het
                    ambtsmisdrijf van artikel 370 WvSr op.</al><al>tttttttt. <vet>Artikel 6:4 Intrekking oude verordening</vet></al><al>In artikel 6:4 wordt geen tijdstip vermeld aarop de oude verordening wordt
                    ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de nieuwe verordening in
                    werking treedt, is de datum waarop de oude verordening vervalt.</al><tussenkop>Artikel 6:5 Overgangsbepaling</tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 6:6 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Op de inwerkingtreding van verordeningen is de regeling van artikel 142 van de
                    Gemeentewet van toepassing. Deze houdt in dat alle verordeningen in werking
                    treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor is
                    aangewezen. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>