<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR23849_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Algemene plaatselijke verordening 2006</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Beverwijk</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-01-29</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Beverwijk</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Algemene plaatselijke verordening 2006</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0005416&amp;artikel=149&amp;g=2006-02-16">Gemeentewet, artikel 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0002469&amp;g=2006-02-16">Wet op de kansspelen, titel Va</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0011373&amp;g=2006-02-16">Speelautomatenbesluit</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0003245&amp;artikel=10.23&amp;g=2006-02-16">Wet milieubeheer, artikel 10.23, lid 1</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0009950&amp;artikel=5.2&amp;g=2006-02-16">Telecommunicatiewet, artikel 5.2, lid 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0007952&amp;artikel=3&amp;g=2006-02-16">Winkeltijdenwet, artikel 3</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0007952&amp;artikel=4&amp;g=2006-02-16">Winkeltijdenwet, artikel 4</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="1.0:c:BWBR0007952&amp;artikel=7&amp;g=2006-02-16">Winkeltijdenwet, artikel 7</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2006-02-16</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2006-05-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-06-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Raadsstuk 2006/493</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>APV</overheidrg:onderwerp><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Algemene Plaatselijke Verordening 2006</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Beverwijk;</al><al/><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 17 januari 2006, nr.
                        2006/493 en het aanvullend voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 07
                        februari 2006;</al><al/><al>gehoord de commissie Algemeen Bestuur, Veiligheid en Middelen d.d. 02
                        feburari 2006;</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, Titel Va van de Wet op de
                        kansspelen, het Speelautomatenbesluit, artikel 10.23, eerste lid van de Wet
                        milieubeheer en artikel 5.2, vierde lid, van de Telecommunicatiewet;</al><al/><al>besluit:</al><al/><al>Vast te stellen de volgende Algemene Plaatselijke Verordening 2006</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene
                            bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In
                            deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan
                            onder:</al><lijst><li nr="1."><al>Weg:</al><lijst><li nr="a."><al>de
                                            weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van
                                            de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en
                                            als zodanig aangeduide
                                            parkeerterreinen;</al></li><li nr="b."><al>de
                                            - al dan niet met enige beperking - voor het publiek
                                            toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken,
                                            plantsoenen, speelweiden,
                                            bossen,
                                            strand
                                            en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen
                                            voor vaartuigen;</al></li><li nr="c."><al>de
                                            voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen,
                                            portieken, gangen, passages en galerijen, die
                                            uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte
                                            toegang geven en niet afsluitbaar
                                            zijn;</al></li><li nr="d."><al>andere
                                            voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare
                                            stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en
                                            galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat
                                            zij niet door of vanwege degene die daartoe naar
                                            burgerlijk recht bevoegd is, zijn
                                            afgesloten.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Openbaar
                                    water: alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor
                                    het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk
                                    zijn.</al></li><li nr="3."><al>Bebouwde
                                    kom: de bebouwde kom of kommen waarvan de grenzen zijn
                                    vastgesteld overeenkomstig artikel 20a van de Wegenverkeerswet
                                    1994.</al></li><li nr="4."><al>Rechthebbende:
                                    eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens
                                    een zakelijk of persoonlijk recht.</al></li><li nr="5."><al>Voertuigen:
                                    alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a en onder al,
                                    van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met
                                    uitzondering van:</al><lijst><li nr="a."><al>treinen
                                            en trams;</al></li><li nr="b."><al>kruiwagens,
                                            kinderwagens en dergelijke kleine
                                            voertuigen.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al>Vaartuigen:
                                    alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen,
                                    alsmede woonschepen, glijboten en
                                    ponten.</al></li><li nr="7."><al>Woonschepen:
                                    schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot
                                    woning bestemd.</al></li><li nr="8."><al>Bouwwerk:
                                    elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of
                                    ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct
                                    of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect
                                    steun vindt in of op de
                                    grond.</al></li><li nr="9."><al>Gebouw:
                                    elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte,
                                    geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte
                                    vormt.</al></li><li nr="10."><al>Handelsreclame:
                                    iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee
                                    kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te
                                    dienen.</al></li><li nr="11"><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste
                                    lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.2</nr><titel>Beslistermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het
                                bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning
                                of ontheffing binnen zes weken na de datum
                                van ontvangst van de
                                aanvraag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het
                                bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste zes weken
                                verdagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 3.9 van de Wet
                                algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist
                                wordt op een aanvraag als bedoeld in 9.1.2, 9.1.10 en 11.2.2.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.3</nr><titel>Indiening
                                aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien
                                een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend
                                minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de
                                vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan
                                besluiten de aanvraag niet te
                                behandelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voor
                                bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of
                                ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden
                                verlengd tot ten hoogste zes weken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.4</nr><titel>Voorschriften
                                en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Aan
                                een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing
                                kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze
                                voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming
                                van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of
                                ontheffing is vereist.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene
                                aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is
                                verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en
                                beperkingen na te komen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.5</nr><titel>Persoonlijk
                                karakter van vergunning of
                                ontheffing</titel></kop><al>De
                            vergunning of ontheffing is naam- danwel
                            persoonsgebonden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.6</nr><titel>Intrekking
                                of wijziging van vergunning of
                                ontheffing</titel></kop><al>De
                            vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of
                            gewijzigd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien
                                    ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens
                                    zijn verstrekt;</al></li><li nr="b."><al>indien
                                    op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten
                                    opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet
                                    worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd
                                    door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de
                                    vergunning of ontheffing is
                                    vereist;</al></li><li nr="c."><al>indien
                                    de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en
                                    beperkingen niet zijn of worden
                                    nagekomen;</al></li><li nr="d."><al>indien
                                    van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt
                                    binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een
                                    dergelijke termijn, binnen een redelijke
                                    termijn;</al></li><li nr="e."><al>indien
                                    de houder dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.7</nr><titel>Termijnen</titel></kop><al>Voorzover
                            sprake is in deze verordening van termijnen in uren, bepaald door
                            terugrekening van een tijdstip of gebeurtenis, en deze eindigen op een
                            vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende
                            feestdag, worden de termijnen geacht te eindigen om 12.00 uur op de
                            voorgelegen dag, die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag
                            is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Orde
                            en veiligheid</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.1</nr><titel>Bestuurlijke
                                ophouding</titel></kop><al>De
                            burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet
                            besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen
                            groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze
                            personen het bepaalde in artikel</al><al>2.4
                            (samenscholing en ongeregeldheden);</al><al>2.5
                            (hinderlijk gedrag op of aan de weg);</al><al>2.6
                            (hinderlijk drankgebruik);</al><al>2.7
                            (hinderlijk drugsgebruik);</al><al>2.8
                            (hinderlijk gedrag bij gebouwen);</al><al>2.9
                            (hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke
                            gebouwen);</al><al>3.1
                            (optochten);</al><al>3.3
                            (evenementen);</al><al>9.1.1
                            (voorwerpen of stoffen op, aan of boven de
                            weg);</al><al>9.1.2
                            (aanleggen, beschadigen en veranderen van de
                            weg);</al><al>9.1.4
                            (openen straatkolken en dergelijke);</al><al>11.1.11
                            (verbod om vuur te stoken);</al><al>groepsgewijs
                            niet naleven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.2</nr><titel>Veiligheidsrisicogebieden</titel></kop><al>De
                            burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij
                            verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel
                            bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip
                            van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij
                            behorende erven, aanwijzen als
                            veiligheidsrisicogebied.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3</nr><titel>Betreden
                                gesloten woning of lokaal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het
                                is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten
                                woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die
                                woning of dat lokaal behorend erf te
                                betreden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het
                                is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten voor
                                publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te
                                betreden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Deze
                                verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of
                                het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk
                                is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De
                                burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde
                                verboden ontheffing te verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.3A</nr><titel/></kop><al>De
                            burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet
                            besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten
                            behoeve van toezicht op een openbare
                            plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.4</nr><titel>Samenscholing
                                en ongeregeldheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>
                                Het is verboden op de weg of het zich samen met anderen te begeven
                                naar of al dan niet samen met anderen deel te nemen aan een
                                samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag
                                aanleiding te geven tot
                                wanordelijkheden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Hij die op de weg aanwezig is bij een voorval waardoor
                                ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot
                                toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor
                                ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich
                                bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op
                                bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in
                                de door hem aangewezen richting te verwijderen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>
                                Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen
                                of weggedeelten, strand of strandgedeelten die door of vanwege het
                                bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter
                                voorkoming van wanordelijkheden zijn
                                afgezet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen,
                                weggedeelten, strand of strandgedeelten die door het bevoegde
                                bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter
                                voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>
                                De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid
                                gestelde verbod.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>
                                Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen,
                                vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten
                                als bedoeld in de Wet openbare
                                manifestaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.5</nr><titel>Hinderlijk
                                gedrag op of aan de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het
                                is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>op
                                        of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld,
                                        monument, overkapping, constructie, openbare
                                        toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere
                                        afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd
                                        straatmeubilair;</al></li><li nr="b."><al>zich
                                        op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers
                                        of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig
                                        overlast of hinder wordt
                                        veroorzaakt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden in de nacht van vrijdag op zaterdag voor Pinksteren
                                tussen 00.00 uur en 08.00 uur op de weg of openbaar water te
                                vervoeren of bij zich te hebben artikelen als boter, eieren, meel,
                                mayonaise, lijm en/of andere middelen met het kennelijke doel
                                roerende en/of onroerende zaken te besmeuren of op andere wijze te
                                beschadigen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het
                                verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt
                                voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van
                                Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet
                                1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.6</nr><titel>Hinderlijk
                                drankgebruik</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het
                                is verboden, op of aan de weg, strand of openbaar water, dan wel in
                                een voor het publiek toegankelijk gebouw, alcoholhoudende drank te
                                nuttigen indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare
                                orde, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast
                                veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het
                                is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het college
                                aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken
                                flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te
                                hebben.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het
                                bepaalde in het tweede lid geldt niet
                                voor:</al><lijst><li nr="a."><al>een
                                        terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in
                                        artikel 1 van de Drank- en
                                        Horecawet;</al></li><li nr="b."><al>de
                                        plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a,
                                        waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de
                                        Drank en Horecawet.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.7</nr><titel>Hinderlijk
                                drugsgebruik</titel></kop><al>Onverminderd
                            het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg, strand of
                            openbaar water, dan wel in een voor het publiek toegankelijk gebouw
                            middelen als bedoeld in artikel 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop
                            gelijkende waar te nuttigen indien dit gepaard gaat met gedragingen die
                            de openbare orde, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins
                            overlast veroorzaken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.8</nr><titel>Hinderlijk
                                gedrag bij of in gebouwen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het
                                is verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>zich
                                        zonder redelijk doel in een portiek of poort op te
                                        houden;</al></li><li nr="b."><al>zonder
                                        redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel
                                        van een gebouw te zitten of te
                                        liggen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het
                                is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen,
                                appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van
                                gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder
                                redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik
                                bestemde ruimte van zo'n gebouw.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.9</nr><titel>Hinderlijk
                                gedrag in voor publiek toegankelijke
                                ruimten</titel></kop><al>Het
                            is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke
                            wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal,
                            telefooncel, wachtlokaal voor een openbaarvervoermiddel, parkeergarage,
                            rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek
                            toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor
                            een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is
                            bestemd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.10</nr><titel>Hinderlijke
                                beplanting of voorwerp</titel></kop><al>Het
                            is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op
                            zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd
                            of daaraan op andere wijze hinder of gevaar
                            oplevert.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.11</nr><titel>Overlast
                                van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein
                                e.d.</titel></kop><al>Het
                            is verboden zich met een fiets, snor- of bromfiets te bevinden op een
                            plaats waar een kermis, uitvoering, bijeenkomst, plechtigheid of ander
                            evenement wordt gehouden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.12</nr><titel>Inzameling
                                van geld of goederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het
                                is verboden zonder vergunning van het college een openbare
                                inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een
                                intekenlijst aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder
                                een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het
                                aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of
                                gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden
                                van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de
                                indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een
                                liefdadig of ideëel doel is
                                bestemd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het
                                college kan onder door hem te stellen voorschriften vrijstelling
                                verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod voor inzamelingen
                                die gehouden worden door daarbij aangewezen
                                instellingen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.13</nr><titel>Kennisgeving
                                betogingen op openbare plaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene
                                die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te
                                houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en ten
                                minste 48 uur voordat de betoging zal worden gehouden, schriftelijk
                                kennis geven aan de
                                burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij
                                de kennisgeving als bedoeld in het eerste lid wordt opgave verstrekt
                                van:</al><lijst><li nr="a."><al>naam
                                        en adres van degene die de betoging
                                        houdt;</al></li><li nr="b."><al>het
                                        doel van de betoging;</al></li><li nr="c."><al>de
                                        datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van
                                        aanvang en van beëindiging;</al></li><li nr="c."><al>
                                        de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de
                                        plaats van beëindiging;</al></li><li nr="d."><al>
                                        voorzover van toepassing, de wijze van
                                        samenstelling;</al></li><li nr="f."><al>
                                        maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om
                                        een regelmatig verloop te
                                        bevorderen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Degene
                                die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het
                                tijdstip van de kennisgeving is
                                vermeld.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het
                                is de door de burgemeester aangewezen groepen verboden op de door
                                hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te
                                wijken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De
                                burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het vierde lid
                                gestelde verbod</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Onder
                                openbare plaats wordt verstaan: een plaats als bedoeld in artikel 1,
                                eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare
                                manifestaties.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.14</nr><titel>Afwijking
                                termijn</titel></kop><al>De
                            burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in artikel 2.13, eerste
                            lid, genoemde termijn van 48 uur verkorten en een mondelinge
                            kennisgeving in behandeling nemen.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Evenementen
                            en festiviteiten</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Optochten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.1</nr><titel>Optochten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het
                                    is verboden zonder vergunning van de burgemeester een optocht,
                                    niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.13, op de weg
                                    te doen plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De
                                    vergunning kan worden geweigerd in het belang
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>de
                                            openbare orde</al></li><li nr="b."><al>het
                                            voorkomen of beperken van
                                            overlast</al></li><li nr="c."><al>de
                                            verkeersveiligheid of veiligheid van personen of
                                            goederen</al></li><li nr="d."><al>de
                                            zedelijkheid of
                                            gezondheid.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Evenementen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.2</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In
                                deze paragraaf wordt verstaan onder
                                :</al><lijst><li nr="1."><al>evenement:
                                        elke voor publiek toeganke­lijke verrichting van vermaak,
                                        met uit­zon­de­ring van:</al><lijst><li nr="a."><al>bioscoopvoorstellingen
                                                als bedoeld in de Wet op de
                                                filmvertoningen;</al></li><li nr="b."><al>activiteiten,
                                                niet zijnde free fight gala’s, kooi­gevechten of
                                                daar­mee gelijk te stellen activiteiten, in gebouwen
                                                die in de eerste plaats ge­bruikt worden door
                                                cultureel-maatschappe­lijke instellingen, mits het
                                                gebruik past binnen de gebruiks­vergunning en de
                                                activiteiten op basis van een jaarprogramma bij de
                                                burgemeester zijn
                                                aangemeld;</al></li><li nr="c."><al>sportwedstrijden
                                                en –toernooien georganiseerd onder auspiciën van een
                                                bij de NOC*NSF aangesloten
                                                sportbond;</al></li><li nr="d."><al>markten
                                                als bedoeld in artikel 160 eerste lid onder h van de
                                                Gemeentewet;</al></li><li nr="e."><al>kansspelen
                                                als bedoeld in de Wet op de
                                                kansspelen;</al></li><li nr="f."><al>het
                                                in een inrichting, in de zin van de Drank- en
                                                Horecawet, gelegenheid geven tot
                                                dan­sen;</al></li><li nr="g."><al>betogingen,
                                                samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet
                                                open­bare
                                                mani­fes­taties;</al></li><li nr="h."><al>activiteiten
                                                als bedoeld in artikel
                                                3.1;</al></li><li nr="i."><al>activiteiten
                                                als bedoeld in artikel
                                                3.4;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>groot
                                        evenement: een evenement als bedoeld in het eerste lid,
                                        waarvoor meer dan duizend bezoekers/deel­nemers per dag
                                        worden verwacht;</al></li><li nr="3."><al>evenemententerrein:
                                        de ruimte die in de evenementenvergunning is aangegeven om
                                        de activiteiten te laten plaatsvinden en het publiek in
                                        staat te stellen daarnaar te kijken of eraan deel te
                                        nemen;</al></li><li nr="4."><al>Onder
                                        een evenement wordt mede verstaan een
                                        herdenkingsplechtigheid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.3</nr><titel>Evenementen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het
                                    is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement
                                    te houden of te doen houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In
                                    afwijking van het bepaalde in artikel 1.3 dient een aanvraag om
                                    een vergunning ten behoeve
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>een
                                            groot evenement uiterlijk zes maanden voor aanvang van
                                            het groot evenement te worden ingediend en dient vòòr 01
                                            november van het jaar voorafgaande van het jaar waarin
                                            het evenement plaatsvindt te worden gemeld bij de
                                            burgemeester;</al></li><li nr="b."><al>een
                                            evenement uiterlijk acht weken voor aanvang van het
                                            evenement te worden
                                            ingediend;</al></li></lijst><al>De
                                    burgemeester kan van de in onderdelen a. en b. vermelde
                                    termijnen afwijken of voor bijzondere terugkerende evenementen
                                    gelet op de benodigde voorbereidingstijd de uiterlijke datum van
                                    de aanvraag afzonderlijk
                                    bepalen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In
                                    afwijking van de in artikel 1.2 genoemde beslissingstermijn
                                    beslist de burge­mees­ter op de aanvraag voor een vergunning
                                    voor een:</al><lijst><li nr="a."><al>groot
                                            evenement binnen zes maanden na de dag waarop de
                                            aanvraag ontvangen is;</al></li><li nr="b."><al>een
                                            evenement binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag
                                            is ontvangen;</al></li></lijst><al>De
                                    burgemeester kan de in onderdelen a. en b. genoemde termijnen
                                    verlengen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De
                                    burgemeester neemt bij de beoordeling van een aanvraag om
                                    vergunning de volgende belangen in
                                    aanmerking:</al><lijst><li nr="a."><al>de
                                            mate waarin door het evenement beslag wordt gelegd op de
                                            ruimte, de tijd en de
                                            hulpdiensten;</al></li><li nr="b."><al>het
                                            aantal bezoekers dat wordt
                                            verwacht;</al></li><li nr="c."><al>of
                                            de aard van het evenement zich verdraagt met het
                                            karakter of de bestem­ming van de gevraagde
                                            locatie;</al></li><li nr="d."><al>of
                                            er gevaar bestaat voor de openbare orde, gezondheid of
                                            veiligheid, waar­onder de brandveiligheid en het belang
                                            van het voorkomen van
                                            wanordelijk­heden;</al></li><li nr="e."><al>of
                                            er gevaar bestaat voor belemmeringen van het
                                            verkeer;</al></li><li nr="f."><al>of
                                            er gevaar bestaat voor een onevenredige belasting van
                                            het woon- of leef­klimaat in de omgeving van het
                                            evenement;</al></li><li nr="g."><al>of
                                            er gevaar bestaat voor verontreiniging, aantasting van
                                            het uiterlijk aan­zien van de stad, beschadiging van de
                                            groenvoorzieningen of van voorzie­ningen­ voor het
                                            openbaar nut;</al></li><li nr="h."><al>of
                                            de organisator voldoende waarborgen biedt of kan bieden
                                            voor een goed verloop van het evenement, gelet op de
                                            eerder vermelde
                                            belangen;</al></li><li nr="i."><al>of
                                            de organisator voldoende waarborgen biedt om de schade
                                            aan het milieu te voor­komen dan wel zoveel mogelijk te
                                            beperken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De
                                    burgemeester kan aan de vergunningverlening voorschriften en
                                    beperkingen verbinden met het oog op de in het vierde lid
                                    bedoelde belangen en ter ver­zeke­ring van de nakoming van deze
                                    voorschriften in de vergunning bepalen dat een borgsom moet
                                    worden betaald voordat het evenement wordt gehouden.
                                    </al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Voor
                                    het op het evenemententerrein te verrichten activiteiten die op
                                    grond van deze of een andere gemeen­­telijke verordening
                                    vergunningplichtig zijn, tijdens de duur van het eve­ne­ment,
                                    geen afzonder­lijke vergunning nodig, mits die activiteiten zijn
                                    vermeld in de evene­men­ten­­­vergun­ning als bedoel in het
                                    tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het
                                    is aan anderen dan de vergunninghouder verboden op het
                                    evenemententerrein activiteiten te verrichten, waarvoor
                                    krachtens enige gemeentelijke verordening vergunning is vereist
                                    en welke activiteiten zijn vermeld in de vergunning als bedoeld
                                    in het tweede lid, tenzij die anderen met de houder van de
                                    vergunning een overeenkomst hebben gesloten en zij zich jegens
                                    de vergunninghouder hebben verbonden de voorschriften en
                                    beperkingen, welke aan de vergunning zijn verbonden, in acht te
                                    nemen.</al></lid><lid><lidnr>8.</lidnr><al>Indien
                                    derden met de vergunninghouder een overeenkomst hebben gesloten,
                                    is het bepaalde in het zesde lid op hen van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>9.</lidnr><al>Het
                                    verbod als bedoeld in het zevende lid geldt niet voor
                                    activiteiten die reeds krachtens een voor onbepaalde tijd dan
                                    wel voor een langere periode van drie maanden verleende
                                    vergunning voor een aan een specifieke plaatsgebonden handeling
                                    op het evenemententerrein
                                    plaatsvinden.</al></lid><lid><lidnr>10.</lidnr><al>Het
                                    bepaalde in dit artikel staat er niet aan in de weg dat, wat het
                                    evenemententerrein betreft, voor het in gebruik nemen van
                                    gemeentegrond of gemeentewater met de gemeente Beverwijk een
                                    overeenkomst wordt gesloten die bedingen bevat die mede de
                                    belangen betreffen als bedoeld in het vierde
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>11.</lidnr><al>De
                                    vergunninghouder die een evenement organiseert of degene die er
                                    feitelijk de leiding bij heeft, is, indien de burgemeester een
                                    bevel geeft met het oog op het waarborgen van de in het vierde
                                    lid bedoelde belangen, verplicht daaraan gevolg te geven en,
                                    indien nodig, het evenement onmiddellijk te beëindigen, waarbij
                                    hij dan ook verplicht is ervoor te zorgen dat er geen publiek
                                    meer wordt toegelaten.</al></lid><lid><lidnr>12.</lidnr><al>Het
                                    is verboden, de orde te verstoren bij een
                                    evenement.</al></lid><lid><lidnr>13.</lidnr><al>De
                                    burgemeester kan wegen, weggedeelten, openbaar water of andere
                                    voor het publiek toegankelijke plaatsen aanwijzen waar het
                                    eerste lid niet van toepassing is </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.4</nr><titel>Buurtfeesten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In
                                    dit artikel wordt verstaan onder buurtfeest: een voor bewoners
                                    van een buurt of één of meerdere straten in een buurt
                                    toegankelijke verrichting op het gebied van ontspanning,
                                    vertoning, vermaak, plechtigheid, tentoonstelling, festiviteit,
                                    cultuur, sport of promotie, waaraan geen vaste regelmaat is
                                    verbonden, een eenvoudige formule kent en voor die buurt, straat
                                    of straten in die buurt een intern gerichte uitstraling heeft en
                                    speciaal is georganiseerd ten behoeve van de bewoners van die
                                    buurt, staat of straten in die
                                    buurt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene
                                    die voornemens is een buurtfeest te houden of te doen houden is
                                    gehouden hiervan tenminste een week voor de aanvang kennis te
                                    doen aan de burgemeester.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>festiviteiten
                                en inrichtingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.5</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In
                                deze paragraaf wordt verstaan
                                onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Besluit:
                                        het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen
                                        milieubeheer;</al></li><li nr="b."><al>inrichting:
                                        een inrichting als bedoeld in het
                                        Besluit;</al></li><li nr="c."><al>houder
                                        van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider,
                                        beheerder of anderszins een inrichting
                                        drijft;</al></li><li nr="d."><al>collectieve
                                        festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een
                                        klein aantal inrichtingen is
                                        verbonden;</al></li><li nr="e."><al>incidentele
                                        festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan
                                        één of een klein aantal
                                        inrichtingen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.6</nr><titel>Aanwijzing
                                    collectieve festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De
                                    voorschriften 1.1.1., 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 van de bijlage onder
                                    B van het Besluit gelden niet voor door het college per
                                    kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende
                                    de daarbij aan te wijzen dagen of
                                    dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het
                                    voorschrift 1.5.1 van de bijlage onder B van het Besluit geldt
                                    niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen
                                    collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen
                                    dagen of dagdelen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In
                                    een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan
                                    het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of
                                    meer delen van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het
                                    college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin
                                    van een nieuw kalenderjaar
                                    bekend.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het
                                    college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs
                                    niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve
                                    festiviteit als bedoeld in het eerste lid
                                    aanwijzen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.7</nr><titel>Kennisgeving
                                    incidentele festiviteiten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het
                                    is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de
                                    voorschriften 1.1.1, 1.1.5, 1.1.7 en 1.1.8 uit de bijlage onder
                                    B van het Besluit niet van toepassing zijn mits de houder van de
                                    inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de
                                    festiviteit het college daarvan in kennis heeft
                                    gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het
                                    is een inrichting toegestaan maximaal twaalf incidentele
                                    festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij het voorschrift
                                    1.5.1 uit de Bijlage onder B van het Besluit niet van toepassing
                                    is mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor
                                    de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis
                                    heeft gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.8</nr><titel>Verboden
                                    incidentele festiviteiten</titel></kop><al>Het
                                is verboden een incidentele festiviteit te organiseren, toe te
                                laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de
                                burgemeester het organiseren van een incidentele festiviteit
                                verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in
                                de omgeving van de inrichting of openbare orde op ontoelaatbare
                                wijze wordt beïnvloed.</al></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Horecabedrijven</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In
                            deze paragraaf wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>horecabedrijf:
                                    de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin tegen
                                    vergoeding dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen
                                    voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een
                                    horecabedrijf worden in ieder geval verstaan: een hotel,
                                    restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek,
                                    buurthuis of clubhuis.</al></li><li nr="2."><al>Onder
                                    horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan:
                                    een bij dit bedrijf behorend terras en de andere
                                    aanhorigheden.</al></li><li nr="3."><al>terras:
                                    een buiten de besloten ruimte van de inrichting liggend deel van
                                    het horecabedrijf waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden
                                    en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of
                                    spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of
                                    verstrekt.</al></li><li nr="4."><al>Alcoholverstrekkend
                                    bedrijf: een horecabedrijf waar tegen vergoeding alcoholhoudende
                                    dranken worden verstrekt.</al></li><li nr="5."><al>Alcoholvrij
                                    bedrijf: een horecabedrijf waar tegen vergoeding alcoholvrije
                                    dranken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden
                                    bereid of verstrekt.</al></li><li nr="6."><al>houder:
                                    de natuurlijke of de rechtspersoon voor wiens rekening en risico
                                    een horecabedrijf wordt
                                    geëxploiteerd.</al></li><li nr="7."><al>leidinggevende:
                                    de natuurlijke persoon die algemene of onmiddellijke leiding
                                    geeft aan een horecabedrijf; danwel de bestuurder van de
                                    rechtspersoon voor wiens rekening en risico een zodanig bedrijf
                                    wordt geëxploiteerd.</al></li><li nr="8."><al>bezoekers:
                                    degenen die niet zijn:</al><lijst><li nr="a."><al>de
                                            gezinsleden van de houder, alsmede zijn elders wonende
                                            bloed en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in
                                            de zijlijn tot en met de derde
                                            graad;</al></li><li nr="b."><al>personeel
                                            dat in het horecabedrijf werkzaam
                                            is;</al></li><li nr="c."><al>de
                                            personen die voorkomen in het register als bedoeld in
                                            artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede
                                            personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het
                                            Wetboek van
                                            Strafrecht;</al></li><li nr="d."><al>de
                                            personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens
                                            dringende redenen noodzakelijk
                                            is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.2</nr><titel>Exploitatievergunning
                                horecabedrijf</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.3</nr><titel>Opheffing
                                vergunningplicht</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.4</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het
                                is de houder en de leidinggevende van een alcoholverstrekkend
                                bedrijf verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar
                                bezoekers toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot en met
                                vrijdag tussen 01.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag
                                tussen 04.00 uur en 06.00 uur, met dien verstande dat het de houder
                                en de leidinggevende niet is toegestaan na 02.00 uur nieuwe
                                bezoekers toe te laten</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het
                                is de houder en de leidinggevende van een alcoholvrij bedrijf
                                verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers
                                toe te laten of te laten verblijven: op maandag tot en met vrijdag
                                tussen 01.00 uur en 06.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02.00
                                uur en 06.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het
                                is de houder en de leidinggevende verboden om een terras voor
                                bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te
                                laten verblijven tussen 00.00 uur en 06.00
                                uur</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het
                                in het eerste, tweede en derde lid bepaalde geldt niet voor zover in
                                het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet
                                milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.5</nr><titel>Afwijking
                                sluitingstijden; tijdelijke
                                sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De
                                burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid,
                                zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere
                                omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer
                                horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 4.4
                                geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting
                                bevelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De
                                burgemeester kan, als naar zijn oordeel sprake is van bijzondere
                                omstandigheden of van bijzondere horecabedrijven, de krachtens
                                artikel 4.4 gestelde tijden van sluiting van een horecabedrijf
                                verkrappen, met dien verstande dat wat festiviteiten van een
                                afzonderlijk horecabedrijf betreft, een maximum geldt van twaalf
                                maal per jaar per horecabedrijf.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien
                                op grond van dit artikel een andere sluitingstijd of een periode van
                                sluiting is vastgesteld, zijn de verbodbepalingen van artikel 4.4,
                                van toepassing met inachtneming van die duur of die periode van
                                sluiting.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het
                                in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin
                                geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de
                                Opiumwet.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.6</nr><titel>Terrassen</titel></kop><al>Onverminderd
                            het bepaalde in artikel 9.1.1 kan het college in het belang van de
                            openbare orde of het woon- en leefklimaat nadere regels stellen ten
                            aanzien van terrassen bij horecabedrijven.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.7</nr><titel>Bepalingen
                                over de vergunning</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.8</nr><titel>Verplichtingen
                                houder en leidinggevende</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.9</nr><titel>Aanwezigheid
                                leidinggevende in horecabedrijf</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.10</nr><titel>Aanwezigheid
                                in gesloten horecabedrijf</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.11</nr><titel>Ordeverstoring</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.12</nr><titel>Het
                                college als bevoegd bestuursorgaan</titel></kop><al>Vervallen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.13</nr><titel>Speelautomaten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In
                                dit artikel wordt verstaan
                                onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Wet:
                                        de Wet op de kansspelen</al></li><li nr="b."><al>speelautomaat:
                                        automaat als bedoeld in artikel 30, onder a, van de
                                        Wet;</al></li><li nr="c."><al>kansspelautomaat:
                                        automaat als bedoeld in artikel 30, onder c, van de
                                        Wet;</al></li><li nr="d."><al>hoogdrempelige
                                        inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d,
                                        van de Wet;</al></li><li nr="e."><al>laagdrempelige
                                        inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e,
                                        van de Wet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In
                                hoogdrempelige inrichtingen zijn drie speelautomaten toegestaan,
                                waarvan maximaal twee
                                kansspelautomaten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In
                                laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met
                                dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn
                                toegestaan.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>speelautomatenhallen
                            en speelgelegenheden</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>speelautomatenhallen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>Voor
                                de toepassing van deze afdeling wordt verstaan
                                onder:</al><lijst><li nr="1."><al>de
                                        wet: de Wet op de
                                        kansspelen;</al></li><li nr="2."><al>Speelautomatenbesluit:
                                        Speelautomatenbesluit
                                        2000.</al></li><li nr="3."><al>speelautomaat:
                                        een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat
                                        bestaat uit een door de speler in werking gesteld
                                        mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het
                                        resultaat kan leiden tot de middelijke of onmiddellijke
                                        uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het
                                        recht om gratis verder te
                                        spelen;</al></li><li nr="4."><al>behendigheidsautomaat:
                                        een speelautomaat
                                        waarvan:</al><lijst><li nr="1."><al>het
                                                spelresultaat uitsluitend kan leiden tot een
                                                verlengde speelduur of het recht op gratis spellen,
                                                en</al></li><li nr="2."><al>het
                                                proces, ook nadat het in werking is gesteld, door de
                                                speler kan worden beïnvloed en het geheel of vrijwel
                                                geheel van zijn inzicht en behendigheid bij het
                                                gebruik van de daartoe geboden middelen afhangt of
                                                en in welke mate de speelduur verlengd of het recht
                                                op gratis spellen verkregen
                                                wordt;</al></li></lijst></li><li nr="5."><al>kansspelautomaat:
                                        een speelautomaat die geen behendigheidsautomaat
                                        is;</al></li><li nr="6."><al>Speelautomatenhal:
                                        een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven
                                        een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als
                                        bedoeld in artikel 30 c, eerste lid, onder c, van de
                                        wet;</al></li><li nr="7."><al>houder:
                                        de natuurlijke of rechtspersoon voor wiens rekening en
                                        risico een speelautomatenhal wordt
                                        geëxploiteerd;</al></li><li nr="8."><al>leidinggevende:
                                        de natuurlijke persoon die algemene of onmiddellijke leiding
                                        heeft in de speelautomatenhal; danwel de bestuurder van de
                                        rechtspersoon voor wiens rekening en risico een
                                        speelautomatenhal wordt
                                        geëxploiteerd</al></li><li nr="9."><al>openbare
                                        weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer
                                        openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin
                                        gelegen bruggen en duikers, de tot die wegen of paden
                                        behorende bermen en zijkanten, alsmede kampeerplaatsen en de
                                        aan de wegen of paden liggende en als zodanig aangeduide
                                        parkeerterreinen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.2</nr><titel>Exploitatievergunning
                                    speelautomatenhal</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het
                                    is verboden zonder vergunning van de burgemeester een
                                    speelautomatenhal te vestigen of te
                                    exploiteren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De
                                    burgemeester kan uitsluitend voor maximaal één speelautomatenhal
                                    een vergunning verlenen voor die delen van de gemeente die op de
                                    bij deze verordening behorende kaart zijn
                                    aangegeven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.3</nr><titel>Aanvraag
                                    van de exploitatievergunning</titel></kop><al>De
                                houder dient de vergunning aan te vragen onder overlegging
                                van:</al><lijst><li nr="1."><al>een
                                        nauwkeurige beschrijving van de inrichting waarbij is
                                        opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een plattegrond
                                        waarin is aangegeven op welke plaats in de speelautomatenhal
                                        en in welk aantal kansspel- en/of behendigheidsautomaten
                                        worden opgesteld;</al></li><li nr="2."><al>een
                                        bewijs van inschrijving bij de Kamer van koophandel en
                                        fabrieken;</al></li><li nr="3."><al>een
                                        verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de
                                        ruimte te beschikken;een verklaring omtrent het gedrag van
                                        de houder en de
                                        leidinggevende(n)</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.4</nr><titel>Voorschriften
                                    en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De
                                    vergunning kan uitsluitend worden gesteld ten name van de houder
                                    en is niet overdraagbaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In
                                    de vergunning wordt de naam van de leidinggevende(n)
                                    vermeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan
                                    de vergunning worden voorschriften en beperkingen verbonden.
                                    Deze hebben in elk geval betrekking
                                    op:</al><lijst><li nr="1."><al>de
                                            sluitingstijden van de
                                            speelautomatenhal;</al></li><li nr="2."><al>het
                                            toezicht in de
                                            speelautomatenhal;</al></li><li nr="3."><al>het
                                            aantal en type speelautomaten dat mag worden
                                            opgesteld;</al></li><li nr="4."><al>de
                                            exploitatie van de hal.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.5</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De
                                    vergunning wordt geweigerd,
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het
                                            maximaal aantal af te geven vergunningen voor
                                            speelautomatenhallen is
                                            verleend;</al></li><li nr="b."><al>de
                                            speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de
                                            openbare weg voor het publiek toegankelijk
                                            is;</al></li><li nr="c."><al>de
                                            beheerder(s) de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft
                                            (hebben) bereikt;</al></li><li nr="d."><al>de
                                            houder of de leidinggevende(n) onder curatele staat
                                            (staan) of bewind is ingesteld over een of meer aan hen
                                            toebehorende goederen, als bedoeld in Boek 1, titel 19,
                                            van het Burgerlijk
                                            Wetboek;</al></li><li nr="e."><al>door
                                            de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het
                                            oordeel van de burgemeester de leef- en woonsituatie in
                                            de naaste omgeving of het karakter van de
                                            winkelstraat/winkelbuurt op ontoelaatbare wijze nadelig
                                            wordt beinvloed;</al></li><li nr="f."><al>de
                                            exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd
                                            oplevert met het geldende bestemmingsplan, dan wel een
                                            stadsvernieuwingsplan of leefmilieu-verordening in de
                                            zin van de Wet op de stads- en
                                            dorpsvernieuwing.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De
                                    burgemeester kan ontheffing verlenen van het leeftijdsvereiste,
                                    gesteld in het eerste lid, onder
                                    c.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.6</nr><titel>Intrekkingsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>indien
                                    blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is
                                    verleend;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>indien
                                    de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is
                                    afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan
                                    als bedoeld in artikel 5.1.5, eerste lid, onder
                                    e;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>indien
                                    gehandeld wordt in strijd met aan de vergunning verbonden
                                    voorschriften en beperkingen;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>indien
                                    de exploitatie van een speelautomatenhal voor een periode van
                                    langer dan zes maanden wordt
                                    onderbroken;</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.7</nr><titel>Aanwezigheid
                                    beheerder</titel></kop><al>Het
                                is verboden, een speelautomatenhal voor het publiek geopend te
                                hebben indien in het bedrijf geen leidinggevende(n) aanwezig is die
                                als zodanig vermeld staat op de vergunning als bedoeld in artikel
                                5.1.2, eerste lid, voor dat bedrijf.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.1.8</nr><titel>Bepalingen
                                    over de vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>
                                    De vergunning als bedoeld in artikel 5.1.2, eerste lid, vervalt
                                    drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de vergunning,
                                    tenzij door de burgemeester in bijzondere gevallen een kortere
                                    looptijd is vastgesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>
                                    De vergunning als bedoeld in artikel 5.1.2, eerste lid is niet
                                    overdraagbaar; in geval van beëindiging of overdracht van het
                                    horecabedrijf aan een rechtsopvolger is de houder verplicht,
                                    hiervan direct schriftelijke mededeling te doen aan de
                                    burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>
                                    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid vervalt de
                                    vergunning, indien de rechtsopvolger van de houder niet binnen
                                    vier weken na de feitelijke overdracht van het horecabedrijf een
                                    aanvraag heeft ingediend voor een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 5.1.2, eerste lid; als de aanvraag binnen deze termijn
                                    is ingediend, blijft de vergunning van kracht totdat op de
                                    aanvraag is beslist.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>
                                    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid vervalt de
                                    vergunning indien de beslissing op een aanvraag voor een nieuwe
                                    vergunning voor het vestigen of exploiteren van een
                                    speelautomatenhal in hetzelfde pand onherroepelijk is
                                    geworden</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Speelgelegenheden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In
                                deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>
                                        speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke
                                        gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze
                                        bedrijfsmatig is, de mogelijkheid wordt geboden enig spel te
                                        beoefenen waarbij premies, geld of in geld inwisselbare
                                        goederen kunnen worden gewonnen en
                                        verloren;</al></li><li nr="b."><al>
                                        exploitant: degene die krachtens een zakelijk of persoonlijk
                                        recht een speelgelegenheid exploiteert of, indien de
                                        exploitant een rechtspersoon is, de natuurlijke persoon die
                                        bestuurder is van die
                                        rechtspersoon;</al></li><li nr="c."><al>
                                        beheerder: de natuurlijke persoon die de dagelijkse en
                                        onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van een
                                        speelgelegenheid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.2</nr><titel>Exploitatie
                                    van een speelgelegenheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>
                                    Het is verboden, zonder vergunning van de Burgemeester een
                                    speelgelegenheid te exploiteren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>
                                    De burgemeester kan voor iedere der delen van de gemeente die op
                                    de bij de verordening speelautomatenhallen beverwijk behorende
                                    kaart in geel zijn aangegeven, voor maximaal één
                                    speelgelegenheid een vergunning
                                    verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>
                                    Het eerste lid is niet van toepassing
                                    op:</al><lijst><li nr="a."><al>
                                            speelcasino's waarvoor op grond van artikel. 27h van de
                                            Wet op de kansspelen een vergunning is
                                            vereist;</al></li><li nr="b."><al>
                                            speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c,
                                            eerste lid, onder c, van de Wet op de kansspelen een
                                            vergunning is vereist;</al></li><li nr="c."><al>
                                            speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden,
                                            het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet
                                            op de kansspelen te beoefenen, waar gelegenheid wordt
                                            gegeven te spelen op speelautomaten als bedoeld in
                                            artikel 30 van de Wet op de kansspelen of waar
                                            gelegenheid wordt gegeven tot de in artikel 1, onder a,
                                            van de Wet op de kansspelen omschreven
                                            handeling;</al></li><li nr="d."><al>
                                            de door de Burgemeester aangewezen soorten
                                            speelgelegenheden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.3</nr><titel>Aanvraag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor
                                    het indienen van een aanvraag om een vergunning maakt de
                                    exploitant gebruik van een door de Burgemeester vastgesteld
                                    formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>
                                    Bij een aanvraag wordt een bedrijfsplan overgelegd, waarin in
                                    ieder geval staat beschreven welk spel in de speelgelegenheid
                                    zal worden beoefend en op welke wijze de bedrijfsactiviteiten
                                    zullen worden gefinancierd.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>
                                    Indien de exploitant een wijziging wenst van het soort spelen in
                                    de speelgelegenheid, deelt hij dit de Burgemeester vooraf
                                    schriftelijk mede; de mededeling wordt als aanvulling op het
                                    bedrijfsplan aangemerkt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.4</nr><titel>Overdraagbaarheid
                                    vergunning</titel></kop><al>De
                                vergunning is niet overdraagbaar en gebonden aan de speelgelegenheid
                                waarvoor zij is verleend.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.5</nr><titel>Eisen
                                    aan de exploitant en de
                                    beheerder</titel></kop><al>De
                                exploitant en de beheerder van een
                                speelgelegenheid:</al><lijst><li nr="a."><al>
                                        staan niet onder curatele of bewind en zijn niet uit de
                                        ouderlijke macht of voogdij
                                        ontzet;</al></li><li nr="b."><al>
                                        zijn niet in enig opzicht van slecht
                                        levensgedrag;</al></li><li nr="c."><al>
                                        hebben de leeftijd van eenentwintig jaar
                                        bereikt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.6</nr><titel>Gronden
                                    voor weigering vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>
                                    De Burgemeester weigert een vergunning,
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>
                                            voor de exploitatie van een speelgelegenheid in een deel
                                            van de gemeente dat op de in artikel 5.2.2, tweede lid
                                            bedoelde kaart in geel is aangegeven al een vergunning
                                            is verleend;</al></li><li nr="b."><al>
                                            de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met
                                            een bestemmingsplan of leefmilieuverordening in de zin
                                            van de Wet op de stads- en
                                            dorpsvernieuwing;</al></li><li nr="c."><al>
                                            de vestiging daarvan geschiedt in een woonruimte
                                            waarvoor geen vergunning tot woningonttrekking is
                                            verleend als bedoeld in artikel 30 van de
                                            Huisvestigingswet;</al></li><li nr="d."><al>
                                            de speelgelegenheid niet in een gebouw is
                                            gevestigd;</al></li><li nr="e."><al>
                                            de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in
                                            artikel 5.2.5 gestelde
                                            eisen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>
                                    De Burgemeester kan een vergunning weigeren, indien naar zijn
                                    oordeel:</al><lijst><li nr="a."><al>
                                            het woon- en leefklimaat in de omgeving van de
                                            speelgelegenheid en/of de openbare orde of veiligheid
                                            nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de
                                            speelgelegenheid;</al></li><li nr="b."><al>
                                            een eerdere vergunning voor de exploitatie van de
                                            speelgelegenheid is ingetrokken of de speelgelegenheid
                                            met toepassing van artikel 5.2.10 van deze verordening
                                            dan wel van art. 13b van de Opiumwet is
                                            gesloten;</al></li><li nr="c."><al>
                                            het bedrijfsplan als bedoeld in artikel. 5.2.3
                                            onvoldoende garanties geeft dat het in de Wet op de
                                            kansspelen bepaalde niet zal worden
                                            overtreden;</al></li><li nr="d."><al>
                                            het op grond van andere feiten en omstandigheden
                                            onvoldoende vaststaat dat het bepaalde in de Wet op de
                                            kansspelen niet zal worden
                                            overtreden.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.7</nr><titel>Verplichtingen
                                    van de exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>
                                    De exploitant van een speelgelegenheid is verplicht, voldoende
                                    toezicht uit te oefenen op de gang van zaken gedurende de
                                    openingsuren van het bedrijf dan wel ervoor zorg te dragen dat
                                    voldoende toezicht wordt
                                    uitgeoefend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>
                                    De exploitant is verplicht als beheerder van het bedrijf op te
                                    laten treden degene die als zodanig in de vergunning staat
                                    vermeld.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>
                                    De exploitant en de beheerder dienen ervoor zorg te dragen dat
                                    de vergunning in het bedrijf aanwezig is en op eerste vordering
                                    van een ambtenaar belast met het toezicht op deze regelgeving of
                                    op eerste vordering van een opsporingsambtenaar ter inzage af te
                                    geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.8</nr><titel>Exploitatietijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De
                                    Burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de
                                    veiligheid of ter voorkoming of beperking van overlast de
                                    openingstijden van een speelgelegenheid
                                    beperken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>
                                    Het is de bezoeker van een speelgelegenheid verboden, zich
                                    daarin te bevinden gedurende de tijden dat het bedrijf ingevolge
                                    het eerste lid gesloten dient te
                                    zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.9</nr><titel>Gronden
                                    voor intrekking vergunning</titel></kop><al>De
                                Burgemeester kan de vergunning voor een speelgelegenheid intrekken,
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>
                                        de exploitant in strijd handelt met hetgeen hij in het
                                        bedrijfsplan heeft opgenomen;</al></li><li nr="b."><al>
                                        het aanvullend bedrijfsplan als bedoeld in artikel 5.2.3,
                                        derde lid, onvoldoende garanties geeft dat de Wet op de
                                        kansspelen niet zal worden
                                        overtreden;</al></li><li nr="c."><al>
                                        het bepaalde in de Wet op de kansspelen wordt
                                        overtreden;</al></li><li nr="d."><al>
                                        in het bedrijf strafbare feiten plaatsvinden die een
                                        bedreiging vormen voor de veiligheid of orde in het
                                        bedrijf;</al></li><li nr="e."><al>
                                        de openbare orde en veiligheid of het woon- en leefklimaat
                                        door de aanwezigheid van het bedrijf wordt verstoord of
                                        benadeeld;</al></li><li nr="f."><al>
                                        de exploitant of beheerder niet langer voldoet aan de in
                                        artikel 5.2.5, onder a en b, gestelde
                                        eisen;</al></li><li nr="g."><al>
                                        de exploitant de in artikel 5.2.7 neergelegde verplichting
                                        niet of onvoldoende nakomt;</al></li><li nr="h."><al>
                                        de exploitant het toezicht op de naleving van het in dit
                                        hoofdstuk bepaalde belemmert of
                                        bemoeilijkt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.10</nr><titel>Sluiting
                                    speelgelegenheid.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De
                                    Burgemeester kan, indien het belang van de openbare orde en
                                    veiligheid dat naar zijn oordeel vereist, de sluiting bevelen
                                    van een speelgelegenheid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>
                                    Indien de in het eerste lid genoemde belangen de sluiting naar
                                    zijn oordeel niet langer vereisen, heft de Burgemeester de
                                    sluiting op.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.11</nr><titel>Beëindiging
                                    exploitatie speelgelegenheid.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De
                                    exploitant is verplicht, indien hij de exploitatie van de
                                    speelgelegenheid ten behoeve waarvan de vergunning is verleend,
                                    beëindigt, hiervan binnen twee weken na de beëindiging
                                    schriftelijk mededeling te doen aan de
                                    Burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>
                                    Bij ontvangst van deze mededeling vervalt de vergunning, tenzij
                                    daarbij is aangegeven dat de bedrijfsactiviteiten door een ander
                                    worden voortgezet en een aanvraag voor een nieuwe vergunning
                                    binnen vier weken na de mededeling is
                                    ingediend.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>
                                    Behoudens het geval dat zwaarwegende feiten of omstandigheden
                                    zich daartegen verzetten, blijft de vergunning in dat geval van
                                    kracht, totdat op de aanvraag een besluit is
                                    genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.2.12</nr><titel>Bevoegd
                                    orgaan.</titel></kop><al>Indien
                                de speelgelegenheid niet in een voor publiek toegankelijk gebouw is
                                gevestigd, worden de in dit hoofdstuk aan de Burgemeester toegekende
                                bevoegdheden uitgeoefend door Burgemeester en
                                Wethouders.</al></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Prostitutie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In
                            dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>prostitutie:
                                    het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele
                                    handelingen met een ander tegen
                                    vergoeding;</al></li><li nr="2."><al>prostituee:
                                    de man of vrouw die zich beschikbaar stelt tot het verrichten
                                    van seksuele handelingen met een ander tegen
                                    vergoeding;</al></li><li nr="3."><al>seksinrichting:
                                    de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin
                                    bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                                    seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van
                                    erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een
                                    seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop,
                                    seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een
                                    prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een
                                    erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met
                                    elkaar;</al></li><li nr="4."><al>escortbedrijf:
                                    de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die
                                    bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was
                                    prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de
                                    bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;</al></li><li nr="5."><al>exploitant:
                                    de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of
                                    rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf
                                    exploiteert en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon
                                    of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of
                                    personen;</al></li><li nr="6."><al>beheerder:
                                    de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke
                                    feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of
                                    escortbedrijf;</al></li><li nr="7."><al>bezoeker:
                                    degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>de
                                            exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de
                                            beheerder;</al></li><li nr="c."><al>de
                                            prostituee;</al></li><li nr="d."><al>het
                                            personeel dat in de seksinrichting werkzaam
                                            is;</al></li><li nr="e."><al>toezichthouders
                                            die zijn aangewezen op grond van artikel
                                            S.2;</al></li><li nr="f."><al>andere
                                            personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens
                                            dringende redenen noodzakelijk
                                            is.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.2</nr><titel>Bevoegd
                                bestuursorgaan</titel></kop><al>In
                            dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college
                            of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en
                            daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet,
                            de burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.3</nr><titel>Nadere
                                regels</titel></kop><al>Met
                            het oog op de in artikel 6.11 genoemde belangen, kan het college over de
                            uitoefening de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels
                            vaststellen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.4</nr><titel>Seksinrichtingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het
                                is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te
                                wijzigen zonder vergunning van het bevoegd
                                bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In
                                de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval
                                vermeld:</al><lijst><li nr="a."><al>de
                                        persoonsgegevens van de
                                        exploitant;</al></li><li nr="b."><al>de
                                        persoonsgegevens van de beheerder;
                                        en</al></li><li nr="c."><al>de
                                        aard van de seksinrichting of het
                                        escortbedrijf.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.5</nr><titel>Gedragseisen
                                exploitant en beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De
                                exploitant en de beheerder:</al><lijst><li nr="a."><al>staat
                                        niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke
                                        macht of de voogdij;</al></li><li nr="b."><al>is
                                        niet in enig opzicht van slecht levensgedrag;
                                        en</al></li><li nr="c."><al>heeft
                                        de leeftijd van eenentwintig jaar
                                        bereikt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Naast
                                de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de
                                beheerder niet:</al><lijst><li nr="1."><al>met
                                        toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht
                                        in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing
                                        van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter
                                        beschikking
                                        gesteld;</al></li><li nr="2."><al>binnen
                                        de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een
                                        onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer
                                        door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of
                                        Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf
                                        waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige
                                        hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek
                                        van Strafvordering is
                                        toegelaten;</al></li><li nr="3."><al>binnen
                                        de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke
                                        uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een
                                        onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een
                                        andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid,
                                        onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede
                                        wegens overtreding van:</al><lijst><li nr="a."><al>bepalingen
                                                gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de
                                                Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid
                                                vreemdelingen;</al></li><li nr="b."><al>de
                                                artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot
                                                en met 249, 250a, 252, 300 tot en met 303, 416, 417,
                                                417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van
                                                Strafrecht;</al></li><li nr="c."><al>de
                                                artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6
                                                juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de
                                                Wegenverkeerswet
                                                1994;</al></li><li nr="d."><al>de
                                                artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van
                                                de Wet op de
                                                kansspelen;</al></li><li nr="e."><al>de
                                                artikelen 2 en 3 van de Wet op de
                                                weerkorpsen;</al></li><li nr="f."><al>de
                                                artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en
                                                munitie.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met
                                een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk
                                gesteld:</al><al/><lijst><li nr="1."><al>vrijwillige
                                        betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede
                                        lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76,
                                        derde lid onder a van de Algemene wet inzake
                                        rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro
                                        bedraagt;</al></li><li nr="2."><al>een
                                        bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke
                                        straf.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De
                                periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid,
                                wordt:</al><lijst><li nr="1."><al>bij
                                        de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum
                                        van beslissing op de aanvraag van de
                                        vergunning;</al></li><li nr="2."><al>bij
                                        de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de
                                        datum van de intrekking van deze
                                        vergunning.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De
                                exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen
                                exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of
                                escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde
                                bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in
                                artikel 6.4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat
                                hem terzake geen verwijt treft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.6</nr><titel>Sluitingstijden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het
                                is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en
                                daarin bezoekers toe te laten of te laten
                                verblijven:</al><lijst><li nr="a."><al>op
                                        maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 en 06.00
                                        uur;</al></li><li nr="b."><al>op
                                        zaterdag en zondag tussen 02.00 en 06.00
                                        uur.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het
                                bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in
                                artikel 1.4 voor een afzonderlijke seksinrichting andere
                                sluitingstijden vaststellen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het
                                is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden
                                gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of
                                tweede lid, dan wel krachtens artikel 6.7, eerste lid, gesloten
                                dient te zijn.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het
                                in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voorzover in
                                de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet
                                milieubeheer gebaseerde voorschriften.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.7</nr><titel>Tijdelijke
                                afwijking sluitingstijden; (tijdelijke)
                                sluiting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met
                                het oog op de in artikel 6.11, tweede lid, genoemde belangen of in
                                geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het
                                bevoegd bestuursorgaan:</al><lijst><li nr="a."><al>tijdelijk
                                        andere dan de krachtens artikel 6.6, eerste of tweede lid,
                                        geldende sluitingsuren
                                        vaststellen;</al></li><li nr="b."><al>van
                                        een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de
                                        gedeeltelijke of algehele sluiting
                                        bevelen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onverminderd
                                het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht,
                                maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde
                                besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet
                                bestuursrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.8</nr><titel>Aanwezigheid
                                van en toezicht door exploitant en
                                beheerder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het
                                is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben,
                                zonder dat de ingevolge artikel 6.4 op de vergunning vermelde
                                exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig
                                is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De
                                exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe te zien dat in
                                de seksinrichting:</al><lijst><li nr="a."><al>geen
                                        strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de
                                        feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden),
                                        XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het
                                        Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet
                                        en in de Wet wapens en munitie;
                                        en</al></li><li nr="b."><al>geen
                                        prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met
                                        het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de
                                        Vreemdelingenwet bepaalde.</al></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><titel/></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3:</nr><titel>Beslissingstermijn;
                                weigeringsgronden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.10</nr><titel>Beslissingstermijn</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het
                                    bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om
                                    vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf
                                    weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen
                                    is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het
                                    bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf
                                    weken verdagen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.11</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De
                                    vergunning bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, wordt geweigerd
                                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de
                                            exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in
                                            artikel 6.5 gestelde
                                            eisen;</al></li><li nr="b."><al>de
                                            vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf in strijd is met een geldend
                                            bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of
                                            leefmilieuverordening;</al></li><li nr="c."><al>er
                                            aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het
                                            escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in
                                            strijd met artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht
                                            of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen
                                            of de Vreemdelingenwet
                                            bepaalde.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De
                                    vergunning bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, kan worden
                                    geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>in
                                            het belang van de openbare
                                            orde;</al></li><li nr="b."><al>in
                                            het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast;</al></li><li nr="c."><al>in
                                            het belang van het voorkomen of beperken van aantasting
                                            van de woon- en
                                            leefklimaat;</al></li><li nr="d."><al>in
                                            het belang van de veiligheid van personen of
                                            goederen;</al></li><li nr="e."><al>in
                                            het belang van de verkeersvrijheid of
                                            -veiligheid;</al></li><li nr="f."><al>in
                                            het belang van de gezondheid of
                                            zedelijkheid;</al></li><li nr="g."><al>in
                                            het belang van de arbeidsomstandigheden van de
                                            prostituee.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4:</nr><titel>Beëindiging
                                exploitatie; wijziging beheer</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.12</nr><titel>Beëindiging
                                    exploitatie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De
                                    vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 6.4 op de
                                    vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de
                                    seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft
                                    beëindigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen
                                    een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft
                                    de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd
                                    bestuursorgaan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.13</nr><titel>Wijziging
                                    beheer</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien
                                    een beheerder als bedoeld in artikel 6.4, tweede lid, onder b,
                                    het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk
                                    heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na
                                    de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan
                                    het bevoegd bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het
                                    beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien
                                    het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft
                                    besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in
                                    het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 6.11, eerste
                                    lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige
                                    toepassing.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In
                                    afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het
                                    beheer worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder zodra de
                                    exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft
                                    ingediend, totdat over de aanvraag is
                                    besloten.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Winkeltijden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>de wet: de Winkeltijdenwet;</al></li><li nr="2."><al>feestdagen: nieuwjaarsdag, tweede paasdag, hemelvaartsdag,
                                    tweede pinksterdag, eerste kerstdag en tweede kerstdag.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.2</nr><titel>Overdracht van de ontheffing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ontheffingen op grond van deze verordening zijn
                                overdraagbaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In geval van een voorgenomen overdracht van de in het eerste
                                lid bedoelde ontheffingen doet de houder van de ontheffing hiervan
                                onmiddellijk schriftelijk mededeling aan het college onder
                                vermelding van de naam en het adres van de voorgestelde
                                rechtverkrijgende.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.3</nr><titel>Intrekken of wijzigen van de ontheffing</titel></kop><al>Het college kan een ontheffing intrekken of wijzigen indien:</al><lijst><li nr="1."><al>ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens
                                    zijn verstrekt;</al></li><li nr="2."><al>op grond van een verandering van de omstandigheden of
                                    inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing, moet
                                    worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd
                                    door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de
                                    ontheffing is vereist;</al></li><li nr="3."><al>het gebruik van de winkel of de uitoefening van een
                                    bedrijf anders dan in een winkel op basis van de ontheffing
                                    gevaar oplevert voor de openbare orde, de veiligheid of het woon
                                    en leefklimaat ter plaatse;</al></li><li nr="4."><al>de aan de ontheffing verbonden voorschriften en
                                    beperkingen niet zijn of worden nagekomen;</al></li><li nr="5."><al>van de ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een
                                    daarin gestelde termijn of, bij gebreke van een dergelijke
                                    termijn, binnen een redelijke termijn;</al></li><li nr="6."><al>de houder of zijn rechtverkrijgende dit verzoekt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.4</nr><titel>Zon en feestdagenregeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verboden, vervat in artikel 2, eerste lid, onder a en b van
                                de wet, gelden niet op ten hoogste twaalf, door het college te
                                wijzen, zon en feestdagen per kalenderjaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geldt voor elk deel
                                van de gemeente afzonderlijk.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.5</nr><titel>Openstelling van avondwinkels op zon en feestdagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan op aanvraag ontheffing verlenen van de in
                                artikel 2, eerste lid, onder a en b van de wet vervatte verboden ten
                                behoeve van winkels, die gesloten zijn op de in die verboden
                                bedoelde zon en feestdagen tussen 0.00 en 16.00 uur.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan voor ten hoogste twee winkels ontheffing
                                verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Aan de ontheffing worden de volgende voorschriften
                                verbonden:</al><lijst><li nr="a."><al>de winkel dient gesloten te zijn tussen 0.00 uur en
                                        16.00 uur;</al></li><li nr="b."><al>er dienen uitsluitend of hoofdzakelijk eet en
                                        drinkwaren te worden verkocht, met uitzondering van sterke
                                        drank als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Drank en
                                        Horecawet.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De ontheffing kan worden geweigerd indien de woon en leefsituatie of
                                de openbare orde in de omgeving van de winkel op ontoelaatbare wijze
                                nadelig wordt beïnvloed door de openstelling van de winkel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.6</nr><titel>Ontheffing zon en feestdagenregeling voor afzonderlijke
                                situaties</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van de in artikel 2 van de wet
                                vervatte verboden, voorzover deze betrekking hebben op de zondag,
                                nieuwjaarsdag, tweede paasdag, hemelvaartsdag, tweede pinksterdag en
                                eerste of tweede kerstdag, ten behoeve van:</al><lijst><li nr="a."><al>bijzondere gelegenheden van tijdelijke aard;</al></li><li nr="b."><al>het uitstallen van goederen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De in het eerste lid genoemde ontheffing kan worden verleend in
                                geval van: feestelijkheden, bijeenkomsten, veilingen, beurzen,
                                kunstataliers en galeries.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.7</nr><titel>Verbod straatverkoop bepaalde goederen op zon en
                                feestdagen</titel></kop><al>Het college kan bepalen dat de vrijstelling genoemd in artikel 12 van
                            het Vrijstellingenbesluit Winkeltijdenwet niet geldt voor de gehele
                            gemeente of voor een of meer delen van de gemeente.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.8</nr><titel>Openstelling op werkdagen tussen 22.00 en 06.00 uur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan op aanvraag ontheffing verlenen van de
                                verboden van artikel 2 van de wet, voorzover deze betrekking hebben
                                op werkdagen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De ontheffing kan worden geweigerd indien de woon en
                                leefsituatie of de openbare orde in de omgeving van de winkel op
                                ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de openstelling van
                                de winkel.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.9</nr><titel>Toerisme</titel></kop><al>De verboden, vervat in artikel 2, eerste lid van de wet gelden, in
                            verband met de toeristische aantrekkingskracht van  de bebouwde kom van
                            Wijk aan Zee niet op zon- en feestdagen van 10.00 uur tot 22.00 uur
                            gedurende het tijdvak van eerste Paasdag tot 01 oktober.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Nachtverblijf, heling en vuurwerk</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin,
                                        in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de
                                        mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen
                                        wordt verschaft;</al></li><li nr="2."><al>houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel
                                        daarin de feitelijke leiding heeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.2</nr><titel>Kennisgeving exploitatie</titel></kop><al>Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het
                                houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen
                                daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de
                                burgemeester.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.3</nr><titel>Nachtregister</titel></kop><al>De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld
                                in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat
                                ingericht is volgens het door de burgemeester vastgestelde
                                model.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.1.4</nr><titel>Verschaffing gegevens nachtregister</titel></kop><al>Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de
                                kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting
                                volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats,
                                geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede
                                de dag van vertrek te verstrekken.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="1."><al>handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van
                                        de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437,
                                        eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;</al></li><li nr="2."><al>verkoopregister: het aantekening houden van het
                                        verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en
                                        ongeregelde goederen door de handelaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.2</nr><titel>Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister</titel></kop><al><cursief>Vervallen</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.3</nr><titel>Voorschriften als bedoeld in artikel 437, eerste lid, van het
                                    Wetboek van Strafrecht</titel></kop><al>De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:</al><lijst><li nr="1."><al>wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437
                                        ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de
                                        burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er
                                        schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een
                                        beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave
                                        te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van
                                        elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in
                                        gebruik genomen;</al></li><li nr="2."><al>de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van
                                        zijn register(s) onverwijld doch in ieder geval binnen drie
                                        dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering
                                        van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van
                                        een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik
                                        zijnde lokaliteit;</al></li><li nr="3."><al>aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de
                                        onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn
                                        naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar
                                        voorkomen;</al></li><li nr="4."><al>indien hij in de gelegenheid is enig goed te
                                        verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het
                                        van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren
                                        is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a
                                        bedoelde functionaris;</al></li><li nr="5."><al>zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te
                                        geven aan de burgemeester of een daartoe door de
                                        burgemeester aangewezen ambtenaar;</al></li><li nr="6."><al>wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een
                                        beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep
                                        van handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde
                                        functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen
                                        drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.2.4</nr><titel>Vervreemding van door opkoop verkregen goederen</titel></kop><al>Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig
                                door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het
                                onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging
                                aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de
                                herkenbaarheid van het goed.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3:</nr><titel>Vuurwerk</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:</al><al>Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende
                                nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel
                                vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.3.2</nr><titel>Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de
                                    verkoopdagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of
                                    nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan
                                    wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder
                                    een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf
                                    is of zal worden gevestigd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang
                                    van het voorkomen of beperken van overlast.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Beheer openbare ruimte</titel></kop><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><label>bruikbaarheid van de weg</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1.1</nr><titel>Voorwerpen of stoffen op, aan of boven de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college de weg
                                    of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de
                                    publieke functie daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor:</al><al/><lijst><li nr="a."><al>vlaggen, wimpels of vlaggenstokken indien deze geen
                                            gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of
                                            goederen en niet voor commerciële doeleinden worden
                                            gebruikt;</al></li><li nr="b."><al>zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het
                                            voor voetgangers bestemde gedeelte van de weg
                                            ;</al></li><li nr="c."><al>versiering, zoals vlaggetjes, kerstversiering,
                                            lintjes etc opgehangen tussen gevels en, wanneer zij
                                            boven de rijbaan zijn opgehangen,  op een hoogte van
                                            minimaal 4.50 meter boven de rijbaan hangen;</al></li><li nr="d."><al>de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze
                                            kortstondig op de weg gebracht worden in verband met
                                            laden of lossen ervan en mits degene die de
                                            werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt,
                                            dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval
                                            voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de weg
                                            verwijderd zijn;</al></li><li nr="e."><al>voertuigen;</al></li><li nr="f."><al>voorwerpen of stoffen waarop gedachten of
                                            gevoelens worden geopenbaard;</al></li><li nr="g."><al>evenementen en buurtfeesten als bedoeld in
                                            artikelen 3.2 tot en met 3.4;</al></li><li nr="h."><al>terrassen als bedoeld in artikel 4.6;</al></li><li nr="i."><al>markten als bedoeld in artikel 10.1.1;</al></li><li nr="j."><al>standplaatsen als bedoeld in artikel 10.2.2.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden op, aan, over of boven de weg een voorwerp
                                    of stof waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard te
                                    plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien:</al><lijst><li nr="a."><al>deze door zijn omvang of vormgeving, constructie
                                            of plaats van bevestiging schade toebrengt aan de
                                            weg,</al></li><li nr="b."><al>gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg
                                            of voor het doelmatig en veilig gebruik van de weg,
                                            of</al></li><li nr="c."><al>een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en
                                            onderhoud van. de weg.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van het tweede lid, onder c, wordt
                                    onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994
                                    daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de
                                            weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of
                                            voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel
                                            een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en
                                            onderhoud van de weg;</al></li><li nr="b."><al>indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf,
                                            hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan
                                            redelijke eisen van welstand;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                            overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen
                                            onroerende zaak.</al></li><li nr="a."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover
                                            in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                            Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                                            wegenreglement Noord-Holland.</al></li><li nr="b."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a,
                                            geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp
                                            wordt voorzien door artikel 5 van de
                                            Wegenverkeerswet.</al></li><li nr="c."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b,
                                            geldt niet voor bouwwerken;</al></li><li nr="d."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c,
                                            geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt
                                            voorzien door de Wet milieubeheer.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1.2</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en
                                    veranderen van een weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een
                                    weg aan te leggen, de verharding daarvan open te breken, in een
                                    weg te graven of te spitten, aard of breedte van de
                                    wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen
                                    in de wijze van aanleg van een weg.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunning wordt verleend:</al><lijst><li nr="a."><al>als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien
                                            activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan,
                                            beheersverordening, exploitatieplan of
                                            voorbereidingsbesluit;</al></li><li nr="b."><al>door het college in de overige gevallen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg
                                    verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat, alsmede alle niet openbare ontsluitingswegen van
                                    gebouwen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het Rijk, de provincie, de
                                    gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar
                                    publiekrechtelijke taak.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het
                                    Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de
                                    Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde afdeling 2 van dit
                                    hoofdstuk van deze verordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>5. Artikel</label><nr>9.1.3</nr><titel>Maken, veranderen van een uitweg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat
                                    artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder verstaat.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>het is verboden een uitweg te maken naar de weg of verandering
                                    te brengen in een bestaande uitweg naar de weg:</al><lijst><li nr="a."><al>indien degene die voornmens is een uitweg te maken naar
                                            de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg
                                            daarvan niet tevoren melding heeft gedaan bij het
                                            college, onder indiening van een situatieschets van de
                                            gewenste uitweg en een foto van de bestaande
                                            situatie;</al></li><li nr="b."><al>indien het college het maken of veranderen van de uitweg
                                            heeft verboden.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college verbiedt het maken of veranderen van een
                                    uitweg:</al><lijst><li nr="a."><al>indien het veilig en doelmatig gebruik van de weg in het
                                            geding komt;</al></li><li nr="b."><al>indien dat ten koste gaat van een parkeerplaats en dat
                                            naar het college niet toelaatbaar is in verband met de
                                            parkeerdruk ter plaatse;</al></li><li nr="c."><al>indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat
                                            al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg
                                            van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare
                                            parkeerplaats of openbaar groen;</al></li><li nr="d."><al>het uiterlijk aanzien van de gemeente op onaanvaardbare
                                            wijze wordt aangetast.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De uitweg kan worden aangelegd indien het college niet binnen
                                    zes weken na ontvangst van de melding heeft beslist dat de
                                    gewenste uitweg wordt verboden.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het verbod in het tweede lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer
                                    Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal
                                    wegenreglement.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1.4</nr><titel>Openen straatkolken e.d. </titel></kop><al>Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een
                                straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting die
                                behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te
                                maken of af te dekken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1.5</nr><titel>Voorzieningen voor verkeer en verlichting</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten
                                    dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de
                                    aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of
                                    voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de
                                    openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd
                                    of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende zijn
                                    besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen
                                    van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het
                                    daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet
                                    1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet
                                    Privaatrecht.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1.6</nr><titel>Neerzetten van fietsen e.d.</titel></kop><al>Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te
                                plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur,
                                de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil
                                        van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;</al></li><li nr="b."><al>daardoor die ingang versperd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1.7</nr><titel>Overlast van fiets of bromfiets</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan op de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in
                                    het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter
                                    voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van
                                    schade aan de openbare gezondheid, verboden is fietsen of
                                    bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of
                                    plaatsen te laten staan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Burgemeester en wethouders kunnen openbare
                                    (brom)fietsstallingsgebieden aanwijzen waar het in het belang
                                    van het beheer van de openbare ruimte, verboden is om een
                                    (brom)fiets langer dan 14 dagen onafgebroken op dezelfde locatie
                                    te parkeren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1.8</nr><titel>Plakken en kladden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende
                                    zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te
                                    bekladden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de
                                    rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende
                                    zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:</al><lijst><li nr="a."><al>een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding
                                            of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op
                                            andere wijze aan te brengen of te doen
                                            aanbrengen;</al></li><li nr="b."><al>met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof
                                            enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen
                                            of te doen aanbrengen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing
                                    indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het
                                    aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het is verboden de in het vierde lid bedoelde
                                    aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van
                                    handelsreclame.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen
                                    van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen
                                    hebben op de inhoud van de meningsuitingen en
                                    bekendmakingen.</al></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke
                                    toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op
                                    diens eerste vordering ter stond ter inzage af te geven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1.9</nr><titel>Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken
                                    of afbeeldingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel
                                    afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan
                                    te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan door het
                                    college aangewezen wegen of gedeelten daarvan.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan de werking van het verbod beperken tot
                                    bepaalde dagen en uren.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden
                                    of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en
                                    afbeeldingen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste
                                    lid gestelde verbod.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.1.10</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het maken of voeren van
                                    handelsreclame</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag op
                                    of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren
                                    met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in
                                    welke vorm dan ook, die vanaf de weg zichtbaar is.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor onverlichte:</al><lijst><li nr="a."><al>opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het
                                            inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet
                                            kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf de
                                            weg;</al></li><li nr="b."><al>opschriften of aankondigingen op of aan onroerende
                                            zaken, daartoe aangewezen door de overheid;</al></li><li nr="c."><al>opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2
                                            en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking
                                            hebben op:</al><lijst><li nr="-"><al>een openbare verkoping of een aanbieding ter
                                                  verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende
                                                  zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis
                                                  hebben;</al></li><li nr="-"><al>het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of
                                                  op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of
                                                  waarvoor die zaak is bestemd;</al></li></lijst></li><li nr="d."><al>opschriften die betrekking hebben op de naam of
                                            aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen
                                            van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het
                                            bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn
                                            aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde
                                            bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke
                                            betekenis hebben;</al></li><li nr="e."><al>opschriften of aankondigingen op of aan onroerende
                                            zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze
                                            zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften
                                    of aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij
                                    feitelijke betekenis hebben, mits:</al><lijst><li nr="a."><al>van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk
                                            kennisgeving is gedaan aan het bevoegd gezag;</al></li><li nr="b."><al>het bevoegd gezag niet binnen twee weken na
                                            ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft
                                            doen blijken;</al></li><li nr="c."><al>deze opschriften of aankondigingen niet langer dan
                                            negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden door een opschrift, aankondiging of
                                    afbeelding als bedoeld in het tweede en derde lid de veiligheid
                                    van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de
                                    omgeving te veroorzaken.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf,
                                            hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan
                                            redelijke eisen van welstand;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de
                                            verkeersveiligheid;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de voorkoming of beperking van
                                            overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen
                                            onroerende zaak.</al></li><li nr="a."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover
                                            in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                            Provinciale landschapsverordening;</al></li><li nr="b."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a,
                                            geldt niet voor bouwwerken;</al></li><li nr="c."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c,
                                            geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp
                                            wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Telecommunicatie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: Telecommunicatiewet;</al></li><li nr="b."><al>openbaar telecommunicatienetwerk:
                                        telecommunicatienetwerk als genoemd in artikel 1.1, onder g,
                                        van de wet;</al></li><li nr="c."><al>omroepnetwerk: omroepnetwerk als genoemd in artikel
                                        1.1, onder o, van de wet;</al></li><li nr="d."><al>kabels: kabels, genoemd in artikel 1.1, onder r, van
                                        de wet;</al></li><li nr="e."><al>openbare gronden: openbare wegen en wateren, als
                                        genoemd in artikel 1.1, onder s, van de wet;</al></li><li nr="f."><al>aanbieder: aanbieder van een openbaar
                                        telecommunicatienetwerk of een omroepnetwerk;</al></li><li nr="g."><al>werkzaamheden: werkzaamheden in verband met de aanleg,
                                        instandhouding en opruiming van kabels ten dienste van een
                                        openbaar telecommunicatienetwerk of van een omroepnetwerk in
                                        en op openbare gronden;</al></li><li nr="h."><al>gedoogplichtige: degene op wie een gedoogplicht rust
                                        als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de wet;</al></li><li nr="i."><al>melding: melding als bedoeld in artikel 5.2, derde
                                        lid, aanhef en onder a, van de wet;</al></li><li nr="j."><al>instemmingsbesluit : besluit van het college als
                                        bedoeld in artikel 5.2, derde lid, aanhef en onder b, van de
                                        wet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2.2</nr><titel>Tijdstip van melding van voorgenomen werkzaamheden</titel></kop><al>Een aanbieder die werkzaamheden wil verrichten, meldt in ieder geval
                                acht weken voor de aanvang van de werkzaamheden het voornemen
                                daartoe bij het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2.3</nr><titel>Melding werkzaamheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Voor de melding maakt de aanbieder gebruik van een daartoe
                                    door het college vastgesteld formulier.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Bij de melding verstrekt de aanbieder in ieder geval de
                                    volgende gegevens:</al><lijst><li nr="a."><al><vet>a.    </vet>de door de Onafhankelijke Post en
                                            Telecommunicatie Autoriteit afgegeven
                                            registratie;</al></li><li nr="b."><al><vet>b.    </vet>een uittreksel uit het handelsregister
                                            van de Kamer van Koophandel;</al></li><li nr="c."><al><vet>c.    </vet>naam, adres en telefoonnummer van
                                            degene die de kabel in eigendom heeft, degene die de
                                            kabel beheert en degene die de kabel
                                            exploiteert;</al></li><li nr="d."><al><vet>d.    </vet>een opgave van de soort kabel en het
                                            beoogde gebruik;</al></li><li nr="e."><al><vet>e.    </vet>welke belanghebbenden en instanties
                                            vooraf in kennis worden gesteld van de voorgenomen datum
                                            van aanvang, beëindiging en de aard van de
                                            werkzaamheden;</al></li><li nr="f."><al><vet>f.     </vet>een uitvoeringsplan met daarin
                                            opgenomen:</al><lijst><li nr="-"><al>een opgave van het gewenste tracé;</al></li><li nr="-"><al>een opgave van de objecten die ten tijde van de
                                                  werkzaamheden worden geplaatst, alsmede van de
                                                  situering daarvan;</al></li><li nr="-"><al>een omschrijving van eventuele opbrekingen;</al></li><li nr="-"><al>de doorsnede van de kabel of kabelgoot;</al></li><li nr="-"><al>de lengte en breedte van de kabelsleuf;de
                                                  maatregelen voor de bereikbaarheid van in de
                                                  openbare gronden aanwezige kabels en
                                                  leidingen;</al></li><li nr="-"><al>het voorgenomen tijdstip van aanvang en
                                                  beëindiging van de werkzaamheden;</al></li><li nr="-"><al>naam, adres en telefoonnummer van de aannemer(s)
                                                  of onderaannemers(s) die belast is (zijn) met de
                                                  werkzaamheden en van een contactpersoon ten tijde
                                                  van de uitvoering van de werkzaamheden.</al></li></lijst></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de werkzaamheden mede betrekking hebben op gronden
                                    van een andere gedoogplichtige dan de gemeente, wordt uiterlijk
                                    vier weken na ontvangst van de melding, als genoemd in het
                                    eerste lid, het college schriftelijk in kennis gesteld van de
                                    uitkomsten van het overleg tussen de aanbieder en de andere
                                    gedoogplichtige.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen inzake de gegevens
                                    die bij de melding worden verstrekt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2.4</nr><titel>Voorschriften en beperkingen bij instemming</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan het instemmingsbesluit voorschriften
                                    en beperkingen verbinden in het belang van de:</al><lijst><li nr="a."><al>openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van schade of
                                            overlast;</al></li><li nr="c."><al>de bruikbaarheid van de openbare
                                            gronden;</al></li><li nr="d."><al>het veilig en doelmatig gebruik van de openbare
                                            gronden;</al></li><li nr="e."><al>het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare
                                            gronden;</al></li><li nr="f."><al>de belemmering van doelmatig beheer en onderhoud
                                            van de openbare gronden;</al></li><li nr="g."><al>de bescherming van het uiterlijk aanzien van de
                                            omgeving;</al></li><li nr="h."><al>de bescherming van groenvoorzieningen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Ter bescherming van de belangen als genoemd in het eerste lid,
                                    kan het college in ieder geval aan het instemmingsbesluit
                                    voorschriften of beperkingen verbinden over het medegebruik van
                                    voorzieningen, zoals kabelgoten en geleidingen, en een
                                    zekerheidsstelling voor de nakoming van verplichtingen die
                                    gesteld zijn bij de voorschriften en beperkingen aan het
                                    instemmingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De wijze van uitvoering bij aanleg, onderhoud,
                                    verplaatsing en opruiming van kabels en medegebruik van
                                    voorzieningen dient te geschieden conform...</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2.5</nr><titel>Zakelijk karakter instemmingsbesluit</titel></kop><al>Indien de kabel wordt overgedragen aan een nieuwe aanbieder gaan de
                                rechten en plichten die betrekking hebben op de kabel van de oude
                                aanbieder over op de nieuwe aanbieder.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.2.6</nr><titel>Melding wijziging</titel></kop><al>De aanbieder stelt het college onverwijld in kennis van het feit dat
                                het eigendom, de exploitatie of het beheer van de kabel verandert of
                                het feit dat de kabel niet langer ten dienste staat van een openbaar
                                telecommunicatienetwerk of van een omroepnetwerk in of op openbare
                                gronden.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>3</nr><titel>Straatnaamgeving</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3.1</nr><titel>Begripsbepaling</titel></kop><al>In deze afdeling  wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>Openbare ruimte: alle voor het openbaar rijverkeer of
                                        ander verkeer openstaande wegen of paden, pleinen, plaatsen,
                                        plantsoenen, bruggen, viaducten, knooppunten of daarmee
                                        vergelijkbare plaatsen of constructies en alle wateren die,
                                        al dan niet met enige beperking, voor het publiek bevaarbaar
                                        of anderszins toegankelijk zijn, alsmede daarin begrepen
                                        alle bouwwerken die daar deel van uitmaken.</al></li><li nr="b."><al>Woonplaats: een door het college aangewezen gebied
                                        waaraan een woonplaatsnaam is toegekend.</al></li><li nr="c."><al>Complex: een afgebakend samengesteld geheel van
                                        gebouwen en bouwwerken (industriecomplex, complex met
                                        vakantiehuisjes, kazernecomplex, agrarisch complex,
                                        jachthavencomplex, etc.).</al></li><li nr="d."><al>Afgebakend terrein: een terrein met afsluitbare
                                        toegang, waarop zich geen bouwwerken bevinden.</al></li><li nr="e."><al>Ligplaats: een deel van het openbare water dat is
                                        bestemd voor het permanent afmeren van een (woon)schip of
                                        een woonark.</al></li><li nr="f."><al>Standplaats: een kavel, die is bestemd voor het
                                        plaatsen van een woonwagen, waarop (nuts)voorzieningen
                                        aanwezig zijn.</al></li><li nr="g."><al>Nummer: een nummer dat bestaat uit een of meer Arabische
                                        cijfers, al dan niet met toevoeging van een letter of
                                        cijfer, of combinatie van letters en cijfers.</al></li><li nr="h."><al>Object: een gebouw, complex, afgebakend terrein,
                                        ligplaats of standplaats.</al></li><li nr="i."><al>Rechthebbende: eenieder die krachtens eigendom of een
                                        beperkt zakelijk recht de beschikking heeft over een
                                        onroerende zaak, alsmede de beheerder.</al></li><li nr="j."><al>Uitvoeringsvoorschriften: nadere bepalingen van
                                        technische en administratieve aard.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3.2</nr><titel>Naamgeving van woonplaatsen en van delen van de openbare
                                    ruimte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college stelt voor het totale grondgebied van de
                                    gemeente ten minste een woonplaats vast en kan een woonplaats in
                                    wijken of buurten verdelen, zonodig daaraan namen, letters of
                                    nummers toekennen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kent voor het totale grondgebied van de
                                    gemeente namen toe aan te onderscheiden delen van de openbare
                                    ruimte en zonodig aan bouwwerken.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder vaststellen, verdelen en toekennen, zoals bedoeld in
                                    het eerste en tweede lid, wordt tevens begrepen het wijzigen en
                                    intrekken van de vaststelling, verdeling en toekenning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3.3</nr><titel>Nummering van objecten</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan aan een object of een te onderscheiden
                                    deel daarvan een nummer toekennen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aan een object dat een nummer heeft gekregen, moet het
                                    nummer op een doeltreffende wijze zijn aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Onder toekennen, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt tevens
                                    begrepen het wijzigen en intrekken van de toekenning.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3.4</nr><titel>Namen en nummers aanbrengen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De door het college aan delen van de openbare ruimte
                                    toegekende namen worden zichtbaar en in voldoende aantallen ter
                                    plaatse aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is eenieder verboden op eigen initiatief naam- of
                                    nummerborden aan te brengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3.5</nr><titel>Gedoogplicht naamborden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college het nodig oordeelt dat borden met een
                                    wijk- of buurtaanduiding, borden met straatnamen en
                                    verwijsborden aan een bouwwerk, gebouw, muur, paal, schutting of
                                    een andere soort terreinafscheiding worden aangebracht, is de
                                    rechthebbende verplicht toe te laten dat de hier bedoelde borden
                                    overeenkomstig de aanwijzingen van het college worden
                                    aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De rechthebbende dient er zorg voor te dragen dat de in
                                    het eerste lid genoemde borden vanaf de openbare weg duidelijk
                                    leesbaar blijven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3.6</nr><titel>Nummerborden aanbrengen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De rechthebbende is verplicht het nummer, zoals bedoeld in
                                    artikel 9.3.3, eerste lid, binnen vier weken na kennisgeving van
                                    het besluit van het college aan te brengen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Tenzij door het college anders is besloten, is de
                                    rechthebbende van een object verplicht het in het eerste lid
                                    genoemde nummer, alsmede daarmee verband houdende verwijs- en
                                    verzamelborden aan te brengen op een wijze zoals krachtens
                                    artikel 9.3.7 is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een object nog niet is voltooid, wordt het nummer
                                    binnen vier weken na voltooiing aangebracht.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan de in het eerste en derde lid genoemde
                                    termijn verlengen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.3.7</nr><titel>Uitvoeringsvoorschriften</titel></kop><al>Het college is bevoegd nadere uitvoeringsvoorschriften te stellen
                                betreffende het bepaalde in deze verordening.</al></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>4</nr><titel>Recreatief nachtverblijf</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4.1</nr><titel>Recreatief nachtverblijf buiten een kampeerterrein</titel></kop><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf
                                    kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een
                                    kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd
                                    of mede bestemd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Dit verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor
                                    eigen gebruik voor korte perioden door de rechthebbende op een
                                    terrein.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste
                                    lid.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het college kan de ontheffing weigeren in het belang van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                            goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of de gezondheid;</al></li><li nr="e."><al>de bescherming van natuur en landschap.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.4.2</nr><titel>Aanwijzing kampeerplaatsen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod in artikel
                                    9.4.1, eerste lid, niet geldt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang
                                    van:</al><lijst><li nr="a."><al>de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>het voorkomen of beperken van overlast;</al></li><li nr="c."><al>de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of
                                            goederen;</al></li><li nr="d."><al>de zedelijkheid of de gezondheid;</al></li><li nr="e."><al>de bescherming van natuur en landschap.</al></li></lijst></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>10</nr><titel>markten en overige straathandel</titel></kop><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>1</nr><titel>Markten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze afdeling wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>markt: de warenmarkt die plaats vindt op de, bij of
                                        krachtens artikel 10.1.2 vastgestelde dag, tijd en plaats;
                                    </al></li><li nr="b."><al>marktterrein: de gehele openbare of voor het publiek
                                        toegankelijke oppervlakte grond, die bij of krachtens
                                        artikel 10.1.2 is aangewezen voor het uitoefenen van de
                                        markthandel; </al></li><li nr="c."><al>standplaats: de ruimte die voor de duur van de markt op het
                                        marktterrein is aangewezen voor het uitoefenen van de
                                        markthandel; </al></li><li nr="d."><al>vaste plaats: de standplaats die op een markt voor
                                        onbepaalde tijd ter beschikking wordt gesteld aan de
                                        vergunninghouder; </al></li><li nr="e."><al>dagplaats: de standplaats die per marktdag beschikbaar wordt
                                        gesteld aan een vergunninghouder, omdat deze niet als vaste
                                        plaats is toegewezen dan wel ingenomen; </al></li><li nr="f."><al>standwerken: de activiteit waarbij de vergunninghouder
                                        publiek om zich heen verzamelt, over het door hem te
                                        verkopen artikel een aansprekende uiteenzetting houdt en ten
                                        slotte tracht een aantal personen gelijktijdig tot aankoop
                                        van dat artikel te bewegen; </al></li><li nr="g."><al>standwerkersplaats: de standplaats die per marktdag ter
                                        beschikking wordt gesteld om te standwerken; </al></li><li nr="h."><al>vergunninghouder: degene aan wie door het college van
                                        burgemeester en wethouders vergunning is verleend voor het
                                        innemen van een standplaats; </al></li><li nr="i."><al>wachtlijst: de lijst van gegadigden voor een vaste plaats;
                                    </al></li><li nr="j."><al>anciënniteitslijst: de lijst van vergunninghouders van een
                                        vaste plaats; </al></li><li nr="k."><al>marktmeester: de persoon, die als zodanig is benoemd door
                                        het college van burgemeester en wethouders; </al></li><li nr="l."><al>branche-indeling: de indeling in artikelengroepen en het
                                        aantal vastgestelde vaste plaatsen per artikelengroep; </al></li><li nr="m."><al>levenspartner: de persoon met wie de vergunninghouder met
                                        het oogmerk duurzaam samen te wonen een gemeenschappelijke
                                        huishouding voert, hetgeen blijkt uit een schriftelijke
                                        verklaring ingericht volgens door het college te stellen
                                        regels. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.2</nr><titel>Dag, tijd en plaats van de markt</titel></kop><al>Het college bepaalt de dag, tijd en plaats van de markt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.3</nr><titel>Inrichting van de markt; branche-indeling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college bepaalt ten aanzien van de markt:</al><lijst><li nr="a."><al>het aantal standplaatsen; </al></li><li nr="b."><al>de afmetingen van de standplaatsen; </al></li><li nr="c."><al>de opstelling en indeling van de markt; </al></li><li nr="d."><al>welke standplaatsen worden toegewezen als vaste plaats
                                            en als standwerkersplaats. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college kan voor de markt vaststellen: </al><lijst><li nr="a."><al>een lijst met artikelengroepen (branches); en </al></li><li nr="b."><al>een maximumaantal standplaatsen per branche.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.4</nr><titel>De marktcommissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan een commissie van advies instellen die tot taak
                                    heeft het college te adviseren inzake marktaangelegenheden.
                                </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de
                                    samenstelling en werkwijze van deze marktcommissie. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.5</nr><titel>Ventverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op het marktterrein tijdens de duur van de
                                    markt, rondlopend dan wel rijdend, goederen te koop aan te
                                    bieden, te verkopen of af te geven, dan wel diensten aan te
                                    bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet ten aanzien van
                                    het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van gedrukte of
                                    geschreven stukken waarin gedachten of gevoelens worden
                                    geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de
                                    Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Van het gestelde in het eerste lid kan door het college alleen
                                    ontheffing worden verleend indien het verkoop betreft van
                                    alcoholvrije dranken en geringe eet- en drinkwaren ten behoeve
                                    van de vergunninghouders.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.6</nr><titel>Nadere regels</titel></kop><al>Het college is bevoegd nadere regels te stellen betreffende het
                                bepaalde in deze afdeling. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.7</nr><titel>Voorschriften en beperkingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan voorschriften en beperkingen verbinden aan een
                                    krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing,
                                    ter bescherming van de belangen in verband waarmee de vergunning
                                    of ontheffing is vereist. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of
                                    ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden
                                    voorschriften en beperkingen in acht te nemen. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Bepalingen over het aanvragen en verlenen van de
                                vergunning</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.8</nr><titel>Vergunning voor innemen standplaats</titel></kop><al>Het is verboden een standplaats op een markt in te nemen zonder
                                    vergunning van het college. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.9</nr><titel>Toewijzing standplaatsen</titel></kop><al>Een standplaats wordt toegewezen als vaste plaats, dagplaats of
                                    standwerkersplaats. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.10</nr><titel>De vergunningaanvraag</titel></kop><al>Voor toewijzing van een standplaats komt uitsluitend in
                                    aanmerking een handelingsbekwaam natuurlijk persoon die een
                                    aanvraag voor een vergunning heeft ingediend bij het college en
                                    die daarbij tevens aantoont dat hij persoonlijk voldoet aan alle
                                    publiekrechtelijke verplichtingen op het gebied van
                                    bedrijfsuitoefening en bedrijfsorganisatie. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.11</nr><titel>Intrekking vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning voor het innemen van een vaste plaats wordt
                                        ingetrokken: </al><lijst><li nr="a."><al>op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;
                                            </al></li><li nr="b."><al>bij overlijden van de vergunninghouder, tenzij op
                                                grond van artikel 10.1.17 de vergunning wordt
                                                overgeschreven. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan een vergunning intrekken: </al><lijst><li nr="a."><al>indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel
                                                onvolledige gegevens zijn verstrekt; </al></li><li nr="b."><al>indien de vergunning houder niet meer voldoet aan de
                                                in artikel 10.1.10 genoemde vereisten voor het
                                                toewijzen van een standplaats. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien degene op wie een vergunning ingevolge artikel
                                        10.1.17 is overgeschreven, reeds vergunning heeft voor een
                                        andere vaste plaats op dezelfde markt, wordt deze vergunning
                                        ingetrokken. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Vaste plaatsen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.12</nr><titel>Inhoud vergunning</titel></kop><al>Indien een vaste plaats kan worden toegewezen, verleent het
                                    college een vergunning waarin in ieder geval is bepaald: </al><lijst><li nr="a."><al>de naam en voorletters, de geboortedatum en -plaats, het
                                            adres en de woonplaats van de vergunninghouder en
                                            inschrijvingsnummer Kamer van Koophandel; </al></li><li nr="b."><al>een duidelijke omschrijving van de toegewezen vaste
                                            plaats met vermelding van het nummer en de afmetingen
                                            daarvan; </al></li><li nr="c."><al>de verkoopmaterialen die de vergunninghouder bij het
                                            innemen van de plaats mag gebruiken; </al></li><li nr="d."><al>de artikelen (branche) die de vergunninghouder mag
                                            verhandelen; </al></li><li nr="e."><al>de datum waarop aan de vergunninghouder voor het eerst
                                            vergunning is verleend en zijn volgnummer op de
                                            anciënniteitslijst; </al></li><li nr="f."><al>dat de vergunninghouder zelf zorg draagt voor inzameling
                                            en afvoer van zijn afval en dat hij zijn standplaats
                                            schoon oplevert; </al></li><li nr="g."><al>van wie de vergunninghouder zijn elektriciteit betrekt;
                                        </al></li><li nr="h."><al>welke geluidsapparatuur op de standplaats is toegestaan;
                                            en </al></li><li nr="i."><al>welke kook-, bak- en verwarmingsapparatuur zijn
                                            toegestaan. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.13</nr><titel>Inschrijving op de anciënniteitslijst</titel></kop><al>Vergunninghouders van vaste plaatsen worden met vermelding van
                                    en in volgorde van de datum, waarop aan hen voor het eerst een
                                    vaste plaats is toegewezen, op een doorlopend te nummeren lijst
                                    ingeschreven. Bij deze inschrijving wordt tevens vermeld welke
                                    artikelen de vergunninghouder mag verhandelen. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.14</nr><titel>Inschrijving op de wachtlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college schrijft de aanvrager in op de wachtlijst,
                                        indien: </al><lijst><li nr="1."><al>de aanvrager voldoet aan het bepaalde in artikel
                                                10.1.10 maar aan hem geen vaste plaats kan worden
                                                toegewezen; en </al></li><li nr="2."><al>de aanvrager heeft aangegeven dat hij op de
                                                wachtlijst wil worden geplaatst. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college vermeldt bij de inschrijving in ieder geval: </al><lijst><li nr="a."><al>de naam en voorletters, de geboortedatum en -plaats,
                                                het adres en de woonplaats van de aanvrager; </al></li><li nr="b."><al>de datum waarop de aanvraag door hem is
                                                ontvangen;</al></li><li nr="c."><al> de artikelen (branche) die de aanvrager wil
                                                verhandelen; </al></li><li nr="d."><al>de verkoopmaterialen die de aanvrager wil gebruiken.
                                            </al></li></lijst><al>Het college verstrekt de aanvrager een schriftelijk bewijs
                                        van inschrijving op de wachtlijst. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De inschrijving op de wachtlijst blijft gehandhaafd, indien
                                        deze door de ingeschrevene jaarlijks voor 1 januari
                                        schriftelijk wordt verlengd. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.15</nr><titel>Doorhalen van inschrijving op wachtlijst</titel></kop><al>De inschrijving op de wachtlijst wordt doorgehaald: </al><lijst><li nr="a."><al>indien de ingeschrevene zijn inschrijving niet jaarlijks
                                            voor 1 januari heeft verlengd; </al></li><li nr="b."><al>op schriftelijk verzoek van de ingeschrevene; </al></li><li nr="c."><al>bij overlijden van de ingeschrevene; </al></li><li nr="d."><al>wanneer aan de ingeschrevene een vergunning voor een
                                            vaste plaats is verleend, tenzij hij deze op grond van
                                            bijzondere omstandigheden niet aanvaardt; </al></li><li nr="e."><al>indien niet meer aan de vereisten van artikel 10.1.10
                                            wordt voldaan. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.16</nr><titel>Volgorde toewijzing vasate plaatsen</titel></kop><al>Indien voor de toewijzing van een beschikbare vaste plaats meer
                                    aanvragers in aanmerking komen, wordt de plaats achtereenvolgens
                                    toegewezen aan: </al><lijst><li nr="a."><al>de vergunninghouder van een vaste plaats die aan het
                                            college schriftelijk de wens te kennen heeft gegeven van
                                            standplaats te willen veranderen, in volgorde van
                                            plaatsing op de anciënniteitslijst; </al></li><li nr="b."><al>degene die zich op de wachtlijst heeft laten inschrijven
                                            in volgorde van inschrijving op deze lijst. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.17</nr><titel>Overschrijving vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval van overlijden dan wel blijvende
                                        arbeidsongeschiktheid van de vergunninghouder kan de
                                        vergunning voor de vaste plaats worden overgeschreven op de
                                        achterblijvende echtgenoot, de geregistreerde partner of de
                                        levenspartner van de vergunninghouder. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien de vergunning niet kan worden overgeschreven op grond
                                        van het eerste lid, kan een kind van de vergunninghouder
                                        vergunning voor een vaste plaats krijgen indien hij ten
                                        minste drie jaar in loondienst van het marktbedrijf van de
                                        vergunninghouder heeft gewerkt of gedurende eenzelfde
                                        periode als mede-eigenaar in dit bedrijf heeft
                                        gefunctioneerd en zich heeft laten inschrijven op de
                                        wachtlijst. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de vergunning niet kan worden overgeschreven op grond
                                        van het eerste lid, kan een kind van de vergunninghouder
                                        vergunning voor een vaste plaats krijgen indien:</al><lijst><li nr="a."><al>de medewerker in dat geval minimaal drie jaar
                                                onafgebroken in loondienst van het marktbedrijf
                                                heeft gewerkt of gedurende eenzelfde periode als
                                                mede-eigenaar heeft gefunctioneerd en;</al></li><li nr="b."><al>zich heeft laten inschrijven op de wachtlijst
                                                en;</al></li><li nr="c."><al>middels een notariële akte kan aantonen dat de
                                                onderneming in eigendom van de medewerker is
                                                overgegaan en;</al></li><li nr="d."><al>de marktplaats geen economische factor is in de
                                                overname.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Een aanvraag tot overschrijving wordt ingediend binnen twee
                                        maanden na het overlijden van de vergunninghouder dan wel
                                        nadat de blijvende arbeidsongeschiktheid is vastgesteld.
                                    </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te
                                        wijken van het bepaalde in dit artikel. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Dagplaatsen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.18</nr><titel>Toewijzing dagplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Toewijzing van een dagplaats geschiedt door afgifte van een
                                        vergunning door het college op het moment dat de standplaats
                                        niet als vaste plaats wordt ingenomen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De dagplaats wordt toegewezen overeenkomstig de plaats op de
                                        wachtlijst van de gegadigden die zich daarvoor op de dag
                                        zelf voor 9.00 uur aanmelden bij de marktmeester. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Standwerkersplaatsen</label></kop><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.19</nr><titel>Toewijzing standwerkersplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college wijst een standwerkersplaats toe door middel van
                                        loting. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is een ingeschrevene op de wachtlijst niet toegestaan
                                        deel te nemen aan de loting voor een standwerkersplaats
                                        zolang deze inschrijving niet definitief is vervallen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien een standwerker zich wil doen bijstaan, meldt hij dit
                                        vooraf aan de marktmeester onder vermelding van de naam van
                                        degene die hem zal bijstaan. Degene die hem zal bijstaan,
                                        mag niet op eigen naam deelnemen aan de loting. </al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Bepalingen over het gebruik van de standplaats</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.20</nr><titel>Persoonlijk innemen standplaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunninghouder neemt de standplaats die hem is toegewezen
                                    persoonlijk in. Hij mag de standplaats niet aan een ander
                                    afstaan of in gebruik geven. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunninghouder mag zich op de standplaats doen bijstaan.
                                </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De standwerker mag zich alleen doen bijstaan door degene die hij
                                    overeenkomstig artikel 10.1.19, derde lid bij de marktmeester
                                    heeft aangemeld. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.21</nr><titel>Aantal keren innemen standplaats</titel></kop><al>De vergunninghouder van een vaste plaats neemt ten minste eenmaal
                                per twee weken en ten minste tienmaal per dertien weken zijn plaats
                                op de markt in, dit met inachtneming van het bepaalde in de
                                artikelen 10.1.22 en 10.1.23.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.22</nr><titel>Afwezigheid wegens ziekte, vakantie of bijzondere
                                    omstandigheden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning houder van een vaste plaats die wegens ziekte,
                                    vakantie of bijzondere omstandigheden verhinderd is zijn vaste
                                    plaats in te nemen, deelt dit schriftelijk mee aan het college.
                                    Bij vakantie geeft de vergunninghouder aan hoe lang zijn
                                    afwezigheid duurt. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De schriftelijke mededeling wordt tijdig voor de betreffende
                                    marktdag gedaan. Plotselinge verhindering wordt mondeling of
                                    telefonisch aan de marktmeester gemeld, gevolgd door een
                                    schriftelijke bevestiging daarvan aan het college. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Bij langdurige afwezigheid wegens ziekte overlegt de
                                    vergunninghouder als bewijs van ziekte iedere drie maanden een
                                    geneeskundige verklaring aan het college, tenzij het college
                                    hiervan ontheffing heeft verleend. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.23</nr><titel>Ontheffing en vervanging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Ingeval van ziekte, vakantie of bijzondere omstandigheden kan
                                    het college op aanvraag van de vergunninghouder van een vaste
                                    plaats hem tijdelijk ontheffing verlenen van de verplichting om
                                    ten minste eenmaal per twee weken en tienmaal per dertien weken
                                    de plaats op de markt in te nemen. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan op aanvraag van de vergunninghouder hem
                                    vergunning verlenen zich op zijn standplaats te laten vervangen
                                    door een met name genoemde persoon. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.24</nr><titel>Legitimatie en identiteit vergunninghouder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Degene die een standplaats op de markt inneemt of wenst in te
                                    nemen, dient op eerste aanvraag van de marktmeester aan te tonen
                                    dat hij de vergunninghouder is. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunninghouder dient bij zijn standplaats duidelijk
                                    zichtbaar zijn naam en bedrijfsnaam aan te geven. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.25</nr><titel>Tijdstip innemen standplaats/aan- en afvoer goederen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden voor vergunninghouders op het marktterrein meer
                                    dan drie uur voor aanvang en meer dan twee uur na afloop van de
                                    markt met een voertuig, goederen of anderszins ruimte in te
                                    nemen dan wel goederen aan of af te voeren. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De vergunninghouder is verplicht zijn standplaats tot de
                                    sluitingstijd van de markt te blijven innemen. Het college kan
                                    van deze verplichting ontheffing verlenen. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de vergunninghouderzijn vasteplaats niet uiterlijk om
                                    9.00 uur heeft ingenomen, wordt de betreffende plaats voor die
                                    dag als dagplaats aangemerkt. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bepaalde in het derde lid is niet van toepassing indien de
                                    vergunninghouder de marktmeester vóór dit tijdstip, onder opgave
                                    van een geldige reden die hem belet tijdig aanwezig te zijn,
                                    heeft verzocht de plaats vrij te houden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.26</nr><titel>Verzorging standplaats</titel></kop><al>De vergunninghouder dient:</al><lijst><li nr="a."><al>er voor te zorgen dat zijn standplaats steeds een goed
                                        verzorgd aanzien biedt;</al></li><li nr="b."><al>tijdens de markt zelf zijn afval, verpakkingsmaterialen en
                                        dergelijke in te zamelen; </al></li><li nr="c."><al>bij het verlaten van het marktterrein zijn standplaats en de
                                        onmiddellijke omgeving daarvan schoon achter te laten,
                                        waarbij de vergunninghouder zelf het afval afvoert.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.27</nr><titel>Afvalbakken</titel></kop><al>De vergunninghouder aan wie de vergunning is verleend geringe eet-
                                en drinkwaren voor consumptie gereed te maken en te verkopen dient
                                aan de voorzijde van zijn standplaats minimaal twee afvalbakken te
                                plaatsen</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.28</nr><titel>Elektriciteit</titel></kop><al>Het is de standplaatshouder zonder ontheffing van het college
                                verboden op zijn standplaats:</al><lijst><li nr="a."><al>gebruik te maken van andere dan elektrische
                                        verlichting;</al></li><li nr="b."><al>elektriciteit te betreken van een ander dan degene die door
                                        het college voor het leveren daarvan is aangewezen of om
                                        hier zelf in te voorzien.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.29</nr><titel>Geluidsapparatuur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op de standplaats gebruik te maken van
                                    luidsprekers, versterkers en andere middelen ter versterking van
                                    geluid.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het aanwezig hebben van radio’s, cd-spelers en overige
                                    geluidsapparatuur op de standplaats, voor een ander doel dan
                                    verkoop daarvan, is evenmin toegestaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van de in het eerste en
                                    tweede lid gestelde verboden, onder door hem te stellen
                                    voorwaarden.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Sanctie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.30</nr><titel>Intrekking vergunning en schorsing</titel></kop><al>Het college kan een vergunning voor een vaste plaats, al dan niet
                                voorwaardelijk, intrekken dan wel telkens voor ten hoogste vier
                                achtereenvolgende marktdagen schorsen, indien de vergunninghouder of
                                degene die hem bijstaat: </al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de
                                        voorschriften van de vergunning overtreedt; </al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog;</al></li><li nr="c."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat
                                        wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.31</nr><titel>Uitsluiting dagplaatshouder of standwerker</titel></kop><al>Het college kan een vergunninghouder van een dagplaats of een
                                standwerkersplaats van de toewijzing van een dagplaats of een
                                standwerkersplaats uitsluiten voor ten hoogste vier marktdagen,
                                gelegen binnen een periode van twee jaar na de bekendmaking van het
                                besluit tot uitsluiting, indien deze: </al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening
                                        overtreedt;</al></li><li nr="b."><al>zich schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; </al></li><li nr="c."><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                        standwerkersplaats;</al></li><li nr="d."><al>niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet, dat
                                        wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.
                                    </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.1.32</nr><titel>Onmiddellijke verwijdering</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in artikel 125 van de Gemeentewet kan het
                                college, indien het dit noodzakelijk acht, een vergunninghouder
                                gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen, indien hij: </al><lijst><li nr="a."><al>het bepaalde bij of krachtens deze verordening of de
                                        voorschriften van de vergunning overtreedt;  </al></li><li nr="b."><al>zich op de markt schuldig maakt aan wangedrag of bedrog; 
                                    </al></li><li nr="c."><al>niet als standwerker actief is op een hem toegewezen
                                        standwerkersplaats. </al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Afdeling</label><nr>2</nr><titel>Overige straathandel</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2.1</nr><titel>Venten e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college in de
                                    uitoefening van handel op of aan de weg of aan een openbaar
                                    water, aan een huis dan wel op een andere - al dan niet met
                                    enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de
                                    openlucht gelegen plaats goederen te koop aan te bieden, te
                                    verkopen of af te geven dan wel diensten aan te bieden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet:</al><lijst><li nr="a."><al>ten aanzien van het te koop aanbieden, verkopen of
                                            afleveren van gedrukte of geschreven stukken waarin
                                            gedachten of gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in
                                            artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al></li><li nr="b."><al>voor het aan de huizen van vaste afnemers
                                            afleveren van goederen door - of door huisgenoten of
                                            personeel van - hem die dit mede doet ter exploitatie
                                            van zijn winkel, bedoeld in artikel 1 van de
                                            Winkeltijdenwet;</al></li><li nr="c."><al>voor het te koop aanbieden of verkopen van goederen op
                                            de plaats die is aangewezen voor het houden van een
                                            markt, zulks gedurende de tijden waarop die markt
                                            gehouden wordt;</al></li><li nr="d."><al>voor het te koop aanbieden, verkopen of afleveren
                                            van goederen op een standplaats bedoeld in artikel
                                            10.2.2.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning kan worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of
                                            -veiligheid;</al></li><li nr="d."><al>wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden
                                            in de gemeente of in een deel der gemeente
                                            redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen
                                            van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de
                                            consumenten ter plaatse in gevaar komt.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2.2</nr><titel>Standplaatsen buiten de markt</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op of
                                    aan de weg of aan een openbaar water dan wel op een andere - al
                                    dan niet met enige beperking - voor publiek toegankelijke en in
                                    de openlucht gelegen plaats:</al><lijst><li nr="a."><al>met een voertuig, een kraam, een tafel of enig
                                            ander middel een standplaats in te nemen of te hebben
                                            teneinde in de uitoefening van de handel goederen te
                                            koop aan te bieden dan wel diensten aan te
                                            bieden;</al></li><li nr="b."><al>anderszins goederen uit te stallen of uitgestald
                                            te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of
                                            te verstrekken aan publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te
                                    staan, dat daarop zonder vergunning van het college standplaats
                                    wordt of is ingenomen of goederen worden of zijn uitgestald als
                                    bedoeld in het eerste lid.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid, onder b, gestelde verbod geldt niet
                                    ten aanzien van het uitgestald hebben van gedrukte of geschreven
                                    stukken waarin gedachten of gevoelens worden geopenbaard als
                                    bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden
                                    niet op de plaats die is aangewezen voor het houden van een
                                    markt, zulks gedurende de tijden dat de markt gehouden wordt,
                                    voor een evenement als bedoeld in artikel 3.2, of voor het
                                    organiseren van een markt als bedoeld in artikel 10.2.3.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan plaatsen wegen, weggedeelten of  andere
                                    voor het publiek toegankelijke plaatsen aanwijzen waar het
                                    eerste lid  en tweede lid niet van toepassing zijn.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Een vergunning kan worden geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast;</al></li><li nr="c."><al>indien de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij
                                            in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke
                                            eisen van welstand;</al></li><li nr="d."><al>in het belang van de verkeersvrijheid of
                                            -veiligheid;</al></li><li nr="e."><al>wanneer als gevolg van bijzondere omstandigheden
                                            in de gemeente of in een deel der gemeente
                                            redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen
                                            van de vergunning een redelijk verzorgingsniveau voor de
                                            consument ter plaatse in gevaar komt;</al></li><li nr="f."><al>vanwege de strijd met een geldend
                                            bestemmingsplan.</al></li><li nr="a."><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover
                                            in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de
                                            Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal
                                            wegenreglement Noord Holland.</al></li><li nr="b."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder b,
                                            geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp
                                            wordt voorzien door de Wet milieubeheer;</al></li><li nr="c."><al>De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c,
                                            geldt niet voor bouwwerken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>Het college houdt de beslissing op een aanvraag voor een
                                    standplaatsvergunning aan, indien de aanvraag een activiteit
                                    betreft waarvoor tevens een vergunning als bedoeld in artikel
                                    8.1 van de Wet milieubeheer is vereist en indien geen toepassing
                                    kan worden gegeven aan het vijfde lid, tot de dag waarop de
                                    beslissing over de Wet-milieubeheervergunningaanvraag is
                                    genomen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.2.3</nr><titel>Snuffelmarkten e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van de
                                    burgemeester:</al><lijst><li nr="a."><al>op of aan de weg een markt te organiseren of toe
                                            te laten, waar ter plaatse aanwezige goederen worden
                                            verhandeld;</al></li><li nr="b."><al>toe te laten, te bevorderen of er gelegenheid toe
                                            te geven, dat op of aan de weg met een kraam, een tafel
                                            of enig ander dergelijk middel standplaats wordt of is
                                            ingenomen om goederen aan publiek aan te bieden, te
                                            verkopen of te verstrekken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden
                                    geweigerd:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast of verontreiniging;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de bruikbaarheid, het doelmatig
                                            gebruik en de veiligheid van de weg</al></li><li nr="d."><al>in het belang van een krachtens de Gemeentewet
                                            ingestelde markt.</al></li><li nr="e."><al>dan wel wanneer als gevolg van bijzondere
                                            omstandigheden in de gemeente of in een deel van de
                                            gemeente redelijkerwijs te verwachten is, dat door het
                                            verlenen van de vergunning een redelijk
                                            verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in
                                            gevaar komt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De burgemeester kan ter bescherming van de belangen als
                                    bedoeld in het tweede lid, het aantal markten als bedoeld in het
                                    eerste lid in de gemeente of in een deel van de gemeente
                                    beperken</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>11</nr><titel>bescherming van het leefmilieu</titel></kop><afdeling><kop><label/></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1.5</nr><titel>Geluidhinder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking
                                    te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat
                                    voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder
                                    wordt veroorzaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod geldt niet, voor zover artikel 14.5, de op de
                                    Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder,
                                    de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van
                                    Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement verkeerstekens en
                                    verkeersregels 1990 of het Vuurwerkbesluit van toepassing
                                    zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1.6</nr><titel>Natuurlijke behoefte doen</titel></kop><al>Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn
                                natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting
                                of plaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1.7</nr><titel>Gevelreiniging</titel></kop><al><cursief>Vervallen</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1.8</nr><titel>Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen
                                    enz.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet
                                    milieubeheer, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen
                                    aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van
                                    de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel
                                    voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is
                                    een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen
                                    of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben,
                                    anders dan met inachtneming van de door hem gestelde
                                    regels:</al><lijst><li nr="a."><al>onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming
                                            onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="b."><al>bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen
                                            daarvan;</al></li><li nr="c."><al>caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere
                                            dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden
                                            gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig
                                            hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of
                                            anderszins voor een commercieel doel;</al></li><li nr="d."><al>mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen
                                            van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp
                                            of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en
                                            oude metalen;</al></li><li nr="e."><al>afvalstoffen.</al></li><li nr="f."><al>autowrakken</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder
                                    verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1.10</nr><titel>Crossterreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een
                                    motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een
                                    bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het
                                    Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd
                                    dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of
                                    proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te
                                    nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het
                                    kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod
                                    niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het
                                    gebruik van deze terreinen:</al><lijst><li nr="a."><al>in het belang van het voorkomen of beperken van
                                            overlast of aantasting van de openbare orde;</al></li><li nr="b."><al>in het belang van de bescherming van het uiterlijk
                                            aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere
                                            milieuwaarden;</al></li><li nr="c."><al>in het belang van de veiligheid van de deelnemers
                                            van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten
                                            of van het publiek.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg
                                    verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder
                                    verstaat.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin
                                    geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of
                                    het Besluit geluidproductie sportmotoren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.1.11</nr><titel>Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen off
                                    anderszins vuur te stoken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden
                                    buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of
                                    anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover het betreft:</al><lijst><li nr="a."><al>verlichting door middel van kaarsen, fakkels en
                                            dergelijke;</al></li><li nr="b."><al>sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven,
                                            indien geen afvalstoffen worden verbrand;</al></li><li nr="c."><al>vuur voor koken, bakken en braden, voorzover dat
                                            geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving
                                            oplevert.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan nadere regels vaststellen waarin wordt
                                    bepaald onder welke omstandigheden het eerste lid niet van
                                    toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp
                                    wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het
                                    Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.</al></lid></artikel></afdeling><afdeling><kop><label>Afdeling</label><nr>2:</nr><titel>Het bewaren van houtopstanden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In deze afdeling wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer
                                            bomen;</al></li><li nr="b."><al>hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld,
                                            opnieuw op de stronk uitlopen;</al></li><li nr="c."><al>dunning: velling ter bevordering van het
                                            voortbestaan van de houtopstand;</al></li><li nr="d."><al>bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente,
                                            vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de
                                            Boswet;</al></li><li nr="e."><al>iepziekte: de aantasting van iepen door de
                                            schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn.
                                            Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau);</al></li><li nr="f."><al>iepenspintkever: het insect, in elk
                                            ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus
                                            scolytus (F.) en Scolytus multistriatus (Marsh) en
                                            Scolytus pygmaeus.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met
                                    inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen
                                    die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van
                                    houtopstand ten gevolge kunnen hebben.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2.2</nr><titel>(Omgevings)vergunning voor het vellen van
                                    houtopstanden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag
                                    houtopstand te vellen of te doen vellen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voor:</al><lijst><li nr="a."><al>wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of
                                            langs landbouw gronden, beide voorzover bestaande uit
                                            niet-geknotte populieren of wilgen;</al></li><li nr="b."><al>vruchtbomen en windschermen om
                                            boomgaarden;</al></li><li nr="c."><al>fijnsparren, niet ouder dan 12 jaar, bestemd om te
                                            dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het
                                            bijzonder bestemde terreinen;</al></li><li nr="d."><al>kweekgoed;</al></li><li nr="e."><al>houtopstand die bij wijze van dunning moet worden
                                            geveld;</al></li><li nr="f."><al>houtopstand die deel uitmaakt van als zodanig bij
                                            het Bosschap geregistreerde bosbouwondernemingen en
                                            gelegen is buiten een bebouwde kom, tenzij de
                                            houtopstand een zelfstandige eenheid vormt die:</al></li><li nr=""><al>ofwel geen grotere oppervlakte beslaat dan 10 are;</al></li><li nr=""><al>ofwel bestaat uit rijbeplanting van niet meer dan 20
                                            bomen, gerekend over het totale aantal rijen;</al></li><li nr="g."><al>houtopstand die moet worden geveld krachtens de
                                            Plantenziektewet of krachtens een aanschrijving of last
                                            van het college, zulks onverminderd het bepaalde in
                                            artikel 11.2.6.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op houtopstanden in
                                    niet-openbare tuinen of niet-openbare erven tenzij het college
                                    de betreffende houtopstand, de betreffende niet-openbare tuin of
                                    niet-openbare erf heeft aangewezen als houtopstand ,
                                    niet-openbare tuin of niet-openbaar erf ten aanzien waarvan het
                                    eerste lid onverkort van toepassing blijft.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2.3</nr><titel>Aanvraag vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan
                                    wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of
                                    door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid
                                    gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wanneer het bureau LASER aan het bevoegd gezag een
                                    afschrift heeft toegezonden van de ontvangstbevestiging als
                                    bedoeld in artikel 2 van de Boswet, beschouwt het bevoegd gezag
                                    dit afschrift mede als een vergunningaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2.4</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan in elk geval worden geweigerd op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>de natuurwaarde van de houtopstand;</al></li><li nr="b."><al>de landschappelijke waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="c."><al>de waarde van de houtopstand voor stads- en
                                        dorpsschoon;</al></li><li nr="d."><al>de beeldbepalende waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="e."><al>de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;</al></li><li nr="f."><al>de waarde voor de leefbaarheid van de
                                        houtopstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2.5</nr><titel>Bijzondere vergunningsvoorschriften</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften kan
                                    behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en
                                    overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen
                                    moet worden herplant.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid
                                    gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke
                                    termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet-geslaagde
                                    beplanting moet worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een vergunning kan worden verleend onder de voorwaarde van
                                    feitelijk niet-gebruik tot het moment van definitief worden van
                                    de vergunning, oftewel tot het moment dat:</al><lijst><li nr="a."><al>de bezwaar- of beroepstermijn voor derden is
                                            verstreken zonder dat bezwaar of beroep is
                                            ingediend;</al></li><li nr="b."><al>beslist is op een verzoek om een voorlopige
                                            voorziening;</al></li><li nr="c."><al>beslist is op het beroep van derden en geen
                                            verzoek tot voorlopige voorziening is gedaan.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Tot de aan de vergunning te verbinden voorschrift kan behoren
                                    dat het voorschrift dat eerst tot het vellen of doen vellen mag
                                    worden overgegaan indien andere vergunningen of ruimtelijke
                                    ordeningsprocedures onherroepelijk zijn geworden en/of de
                                    financiële voortgang van werken voldoende is gewaarborgd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2.6</nr><titel>Herplant-/instandhoudingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in
                                    deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van het
                                    bevoegd gezag is geveld dan wel op andere wijze tenietgegaan,
                                    kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond
                                    waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit
                                    anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de
                                    verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door
                                    zijn te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen
                                    termijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid
                                    opgelegd, dan kan daarbij worden bepaald binnen welke termijn na
                                    de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting
                                    moet worden vervangen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als
                                    bedoeld in deze afdeling van toepassing is, ernstig in het
                                    voortbestaan wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de
                                    zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand
                                    bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het
                                    treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen
                                    om overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen binnen een
                                    door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor
                                    die bedreiging wordt weggenomen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste
                                    tot en met derde lid is opgelegd, alsmede zijn rechtsopvolger,
                                    is verplicht daaraan te voldoen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2.7</nr><titel>Schadevergoeding</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende door de
                                toepassing van artikel 11.2.2, artikel 11.2.4 of artikel 11.2.6,
                                schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel
                                te zijnen laste behoort te komen en waarvan de vergoeding niet
                                anderszins is verzekerd, kent het bevoegd gezag hem op zijn verzoek
                                een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.2.8</nr><titel>Bestrijding iepziekte</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien zich op een terrein een of meer iepen bevinden die
                                    naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren voor
                                    verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van
                                    iepenspintkevers, is de rechthebbende, indien hij daartoe door
                                    het college is aangeschreven, verplicht binnen de bij de
                                    aanschrijving vast te stellen termijn:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de iepen in de grond staan, deze te
                                            vellen;</al></li><li nr="b."><al>de iepen te ontschorsen en de schors te
                                            vernietigen;</al></li><li nr="c."><al>of de niet-ontschorste iepen of delen daarvan te
                                            vernietigen of zodanig te behandelen dat verspreiding
                                            van de iepziekte wordt voorkomen.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan, met uitzondering
                                    van geheel ontschorst iepenhout en iepenhout met een doorsnede
                                    kleiner dan 4 cm, voorhanden of in voorraad te hebben of te
                                    vervoeren. Het bevoegd gezag kan ontheffing verlenen van dit
                                    verbod.</al></lid></artikel></afdeling></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>12</nr><titel>AFVALSTOFFEN</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.1.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>aanbiedplaats: locatie waar huishoudelijk afval in een
                                        inzamelmiddel naar toe moet worden gebracht.</al></li><li nr="b."><al>afvalstoffen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet
                                        milieubeheer.</al></li><li nr="c."><al>autowrak: voertuig dat een afvalstof is in de zin van
                                        artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Besluit
                                        van 24 mei 2002, bekend als het Besluit beheer
                                        autowrakken).</al></li><li nr="d."><al>bouw- en sloopafval: afval dat vrijkomt bij respectievelijk
                                        het (ver-)bouwen, renoveren en slopen van gebouwen en andere
                                        bouwwerken.</al></li><li nr="e."><al>doelmatige verwijdering: een zodanige verwijdering van
                                        afvalstoffen dat in ieder geval:</al><lijst><li nr="1."><al>de continuïteit van de verwijdering wordt
                                                gewaarborgd;</al></li><li nr="2."><al>de afvalstoffen (met inachtneming van artikel 10.1
                                                Wm) op effectieve en efficiënte wijze wordt
                                                verwijderd;</al></li><li nr="3."><al>een effectief toezicht op de verwijdering mogelijk
                                                is;</al></li><li nr="4."><al>gewaarborgd is dat een inrichting voor het op of in
                                                de bodem brengen van afvalstoffen, nadat zij buiten
                                                gebruik is gesteld, geen nadelige gevolgen voor het
                                                milieu veroorzaakt.</al></li></lijst></li><li nr="f."><al>elektrische en elektronische apparatuur: de als zodanig in
                                        artikel 1, eerste lid, onderdeel 1, aanhef en onder 1º van
                                        de Regeling beheer elektrische en elektronische apparatuur
                                        aangewezen afgedankte elektrische en elektronische
                                        apparatuur.</al></li><li nr="g."><al>grof huisafval: huishoudelijke afvalstoffen die te groot
                                        en/of te zwaar zijn om op dezelfde wijze als andere
                                        huishoudelijke afvalstoffen aan de inzameldienst aan te
                                        bieden, met uitzondering van (afgedankte) elektrische en
                                        elektronische apparatuur, bouw- en sloopafval (zoals
                                        keukenblokken, sanitair en losse planken), autobanden en –
                                        onderdelen, alle tuinafval, asbest, chemisch afval (KCA),
                                        glas, textiel, papier en karton.</al></li><li nr="h."><al>huisaansluitingen: huishoudens of daaraan gelijkgestelde
                                        economische eenheden waarvan huishoudelijke afvalstoffen of
                                        daaraan gelijkgesteld worden ingezameld en afgevoerd.</al></li><li nr="i."><al>huishoudelijke afvalstoffen: hetgeen daaronder wordt
                                        verstaan in de Wet milieubeheer.</al></li><li nr="j."><al>inzameldienst: de dienst of aangewezen instantie als bedoeld
                                        in artikel 12.3.1 van deze verordening.</al></li><li nr="k."><al>inzamelmiddel: een voor de inzameling van afvalstoffen
                                        bestemd hulp- en/of bewaarmiddel, bijvoorbeeld een
                                        minicontainer of een ondergrondse verzamelcontainer.</al></li><li nr="l."><al>motorrijtuigen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de
                                        Wegenverkeerswet.</al></li><li nr="m."><al>wegen: hetgeen daaronder wordt verstaan in de
                                        Wegenverkeerswet.</al></li><li nr="n."><al>wet: Wet milieubeheer (Stb. 2002, 239 zoals sindsdien
                                        gewijzigd);</al></li><li nr="o."><al>zwerfafval: afval dat door mensen bewust of onbewust is
                                        weggegooid of achtergelaten op plaatsen die daar niet voor
                                        bestemd zijn of door indirect toedoen of nalatigheid van
                                        mensen op zulke plaatsen terecht is gekomen (zoals blikjes,
                                        flesjes, wikkels, patatbakjes, sigarettenpeuken
                                        kauwgomresten, kranten, folders en tissues).</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2.</nr><titel>Vergunningverlening c.a.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2.1</nr><titel>Inzamelverbod huishoudelijk afval behoudens
                                    vergunning</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ander dan de inzameldienst verboden zonder
                                    vergunning van het college van burgemeester en wethouders van
                                    derden afkomstige huishoudelijke afvalstoffen in te
                                    zamelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder van een vergunning als bedoeld in het eerste lid,
                                    dient deze tijdens het inzamelen steeds bij zich te dragen en op
                                    verzoek van degenen bij wie hij inzamelt te tonen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De vergunning wordt geweigerd indien vaststaat of met redenen
                                    valt te vrezen dat het verlenen van een vergunning niet in het
                                    belang is van een doelmatige verwijdering van huishoudelijke
                                    afvalstoffen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor personen
                                    of instanties die bij of krachtens de wet voor de desbetreffende
                                    categorieën van de van derden afkomstige afvalstoffen een
                                    inzamelplicht hebben gekregen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.2.5</nr><titel>Inzage vergunning of ontheffing</titel></kop><al>De houder van een vergunning of ontheffing is verplicht deze op
                                eerste vordering van een ambtenaar belast met de zorg voor de
                                naleving van een of meer bepalingen van deze verordening ter inzage
                                af te geven aan deze ambtenaar.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Inzameling van afvalstoffen.</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3.1</nr><titel>Inzameldienst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college wijst de inzameldienst aan, die belast is met de
                                    inzameling van huishoudelijke afvalstoffen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan een andere
                                    instantie aanwijzen als inzameldienst, voor zover dat in het
                                    belang is van een doelmatige verwijdering van de aangewezen
                                    afvalstoffen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan regels stellen
                                    omtrent de dagen, tijden, wijzen en plaatsen waarop
                                    huishoudelijke afvalstoffen kunnen worden overgedragen of ter
                                    inzameling aangeboden aan degene die op grond van het eerste lid
                                    bevoegd is huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen in strijd met het
                                    krachtens het derde lid bepaalde over te dragen of ter
                                    inzameling aan te bieden aan degene die op grond van dit artikel
                                    bevoegd is huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3.2</nr><titel>Frequentie van inzamelen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Inzameling van het in de gemeente bij huisaansluitingen
                                    uitstaande inzamelmiddel voor huishoudelijk restafval en
                                    groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval) geschiedt alternerend,
                                    eenmaal per twee weken door de inzameldienst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Inzameling van de in de gemeente bij huisaansluitingen
                                    opgestelde collectieve inzamelmiddelen voor huishoudelijk
                                    restafval en groente-, fruit- en tuinafval (GFT-afval) geschiedt
                                    tenminste eenmaal per week door de inzameldienst. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3.3</nr><titel>Inzamelmiddelen en -voorzieningen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De inzameling kan plaatsvinden via:</al><lijst><li nr="a."><al>een inzamelmiddel voor de gebruiker van een
                                            perceel;</al></li><li nr="b."><al>een inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal
                                            percelen;</al></li><li nr="c."><al>een inzamelvoorziening op wijkniveau;</al></li><li nr="d."><al>de afvalbrengstations.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het college van burgemeester en wethouders kan aanwijzen via
                                    welk (al dan niet door de inzameldienst) verstrekt inzamelmiddel
                                    of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde
                                    categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de
                                    gebruiker van een perceel plaatsvindt.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.3.4</nr><titel>ophaaldagen huishoudelijk afval</titel></kop><al>Het is verboden op een door het college ten behoeve van het door de
                                inzameldienst inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen aangewezen
                                weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te
                                laten staan op de door het college aangewezen dagen van inzameling
                                van huishoudelijke afvalstoffen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>4</nr><titel>Het zich ontdoen van huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4.1</nr><titel>Overdragen of aanbieden van huishoudelijke
                                    afvalstoffen</titel></kop><al><cursief>Vervallen</cursief></al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4.2</nr><titel>Het in bijzondere gevallen overdragen of ter inzameling
                                    aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan regels stellen
                                omtrent het in bijzondere gevallen op afroep overdragen of ter
                                inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan de
                                inzameldienst.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4.3</nr><titel>Aangewezen inzamelmiddel</titel></kop><al>Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen anders aan de
                                inzameldienst over te dragen of ter inzameling aan te bieden
                                dan:</al><lijst><li nr="a."><al>indien ten behoeve van een perceel een inzamelmiddel is
                                        verstrekt: in het (al dan niet door de inzameldienst)
                                        verstrekte inzamelmiddel;</al></li><li nr="b."><al>op een andere door het college van burgemeester en
                                        wethouders vastgestelde wijze of op een andere door het
                                        college van burgemeester en wethouders aangewezen plaats;
                                        een en ander met inachtneming van het bij of krachtens de
                                        artikelen 12.4.2, 12.4.4, 12.4.6 en 12.4.8 bepaalde.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4.4</nr><titel>Wijze van overdracht of aanbieding van huishoudelijk afval en
                                    inzamelmiddelen</titel></kop><al>Het overdragen of het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen in
                                inzamelmiddelen moet ordelijk geschieden door plaatsing daarvan, op
                                een krachtens artikel 12.3.1, derde lid, vastgestelde inzameldag, op
                                de daarvoor door het college van burgemeester en wethouders
                                aangewezen clusterplaats.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4.5</nr><titel>Verplichtingen houder</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verantwoordelijkheid voor het inzamelmiddel berust bij de
                                    houder.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De houder is verplicht bij ontruiming van het door hem/haar
                                    bewoonde perceel het inzamelmiddel daar achter te laten.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4.6</nr><titel>Aangewezen plaats</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>In het belang van een doelmatige inzameling van huishoudelijke
                                    afvalstoffen kan het college van burgemeester en wethouders
                                    bepalen dat de inzamelmiddelen ter lediging aangeboden dienen te
                                    worden op een door hen vastgestelde clusterplaats, of op een
                                    door hen vastgestelde collectieve inzamelplaats.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De raad kan in bijzondere gevallen bepalen dat de afstand tussen
                                    een perceel waar de huishoudelijke afvalstoffen ontstaan en de
                                    clusterplaats of collectieve inzamelplaats op ten hoogste 125
                                    meter wordt vastgesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4.7</nr><titel>Verbod wijze en plaatsen huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop><al>Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijzen en
                                plaatsen achter te laten dan bij of deze paragraaf is bepaald.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4.8</nr><titel>Verwijdering inzamelmiddel</titel></kop><al>De houder van een inzamelmiddel moet ervoor zorgen dat dit
                                inzamelmiddel zo spoedig mogelijk na lediging door de inzameldienst,
                                doch uiterlijk op het eind van een krachtens artikel 12.3.1, derde
                                lid, vastgestelde inzameldag, van de weg is verwijderd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4.9</nr><titel>Achterlaten in daartoe bestemde bakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden andere huishoudelijke afvalstoffen dan van zeer
                                    beperkte omvang en gewicht, zoals proppen papier, plastic
                                    bekertjes en blikjes, niet zijnde vloeistoffen, achter te laten
                                    in daartoe in het openbaar gebied geplaatste of goedgekeurde
                                    afvalbakken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden glas op andere plaatsen achter te laten aan in
                                    daartoe ter beschikking gestelde glascontainers.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4.10</nr><titel>Aangewezen plaats</titel></kop><al>Indien krachtens artikel 10.26, eerste lid onder c en artikel 10.27
                                van de wet een plaats binnen de gemeente is aangewezen, waar in
                                voldoende mate gelegenheid geboden wordt huishoudelijke afvalstoffen
                                achter te laten, stelt het college van burgemeester en wethouders de
                                dagen, tijden en wijzen vast waarop dit kan geschieden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4.11</nr><titel>Incidenteel achterlaten huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop><al>Het college van burgemeester en wethouders kan regels stellen
                                omtrent het incidenteel achterlaten van huishoudelijke
                                afvalstoffen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.4.12</nr><titel>Verbod achterlaten huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop><al>Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen, tijden,
                                wijzen en plaatsen achter te laten dan bij of krachtens deze
                                paragraaf is bepaald.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>5</nr><titel>Het zich afzonderlijk ontdoen van bijzondere categorieën van
                                huishoudelijke afvalstoffen (gescheiden inzameling).</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5.1</nr><titel>Afzonderlijk overdragen of ter inzameling aanbieden van
                                    bijzondere categorieën huishoudelijke afvalstoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden de volgende categorieën van huishoudelijke
                                    afvalstoffen anders dan afzonderlijk ter inzameling aan te
                                    bieden:</al><lijst><li nr="a."><al>groente-, fruit- en tuinafval;</al></li><li nr="b."><al>klein chemisch afval (KCA);</al></li><li nr="c."><al>glas;</al></li><li nr="d."><al>oud papier en karton;</al></li><li nr="e."><al>textiel;</al></li><li nr="f."><al>wit- en bruingoed;</al></li><li nr="g."><al>bouw- en sloopafval;</al></li><li nr="h."><al>verduurzaamd hout;</al></li><li nr="i."><al>grof tuinafval;</al></li><li nr="j."><al>asbest en asbesthoudend afval;</al></li><li nr="k."><al>grof huishoudelijk afval;</al></li><li nr="l."><al>huishoudelijk restafval.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden de aangewezen categorieën huishoudelijke
                                    afvalstoffen aan te bieden aan anderen dan de inzameldienst en
                                    aan de houders van een inzamelvergunning.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor wit- en
                                    bruingoed.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan huishoudens aanwijzen ten aanzien waarvan het
                                    eerste lid, onder a, niet van toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5.2</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van huishoudelijk afval in
                                    ondergrondse containers</titel></kop><al>Het is verboden om afvalstoffen, anders dan huishoudelijk restafval
                                (GFT), oud papier, (verpakkings)glas en textiel, in ondergrondse
                                containers te deponeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.5.3</nr><titel>Nadere regels bijzondere categorieën huishoudelijke
                                    afvalstoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan regels stellen
                                    omtrent de dagen, tijden, wijzen en plaatsen waarop de in
                                    artikel 12.5.1 bedoelde categorieën van huishoudelijke
                                    afvalstoffen kunnen worden overgedragen, aangeboden of
                                    achtergelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden de in artikel 26 bedoelde categorieën van
                                    huishoudelijke afvalstoffen over te dragen, aan te bieden of
                                    achter te laten in strijd met het krachtens het eerste lid
                                    bepaalde.</al></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>6</nr><titel>Het zich ontdoen van grof huisvuil en (afgedankte) elektrische en
                                elektronische apparatuur</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6.1</nr><titel>Verbod ontdoen grof huisafval en (afgedankte) elektrische en
                                    elektronische apparatuur</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden grof huisafval op een andere wijze of plaats aan
                                    de inzameldienst over te dragen of ter inzameling aan te bieden
                                    dan bij of krachtens dit hoofdstuk is bepaald.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt ook voor het
                                    overdragen van (afgedankte) elektrische en elektronische
                                    apparatuur of het aanbieden daarvan aan personen of instanties
                                    die bij of krachtens de wet voor de desbetreffende categorieën
                                    van de van huishoudens afkomstige afvalstoffen een inzamelplicht
                                    hebben gekregen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6.2</nr><titel>Aanbieden en overdragen grof huisafval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De inzameldienst bepaalt op welke plaats en op welke tijden grof
                                    huisafval ter inzameling kan worden aangeboden; </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>(Afgedankte) elektrische en elektronische apparatuur kan worden
                                    aangeboden op de Afvalbrengstations van inzameldienst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is mogelijk om (afgedankte) elektrische en elektronische
                                    apparatuur op afspraak op te laten halen door de inzameldienst
                                    op de wijze als bepaald in dit artikel en artikel 12.6.3 van
                                    deze verordening, indien deze afspraak wordt gemaakt bij de
                                    Klantenservice van  de inzameldienst.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Kleine (afgedankte) elektrische en elektronische apparatuur kan
                                    bij de chemokar worden aangeboden tijdens de inzameldagen van de
                                    chemokar.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De inzameldienst stelt vast dat in geval van het ophalen van
                                    grof huisafval het afval op de volgende wijze moet worden
                                    aangeboden:</al><lijst><li nr="a."><al>aanbieden van grof huisafval geschiedt op de begane
                                            grond;</al></li><li nr="b."><al>grof huisafval moet droog zijn en uit handzame stukken
                                            bestaan (bijvoorbeeld vloerbedekking in gebundelde
                                            rollen van maximaal 2 meter);</al></li><li nr="c."><al>grof huisafval mag pas buiten worden gezet op de
                                            afgesproken ophaaldag;</al></li><li nr="d."><al>per jaar mag maximaal 5 m3 grof huisafval aangeboden
                                            worden aan de inzameldienst, per afspraak maximaal 1 m3.
                                        </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Grof huisafval mag, net als alle andere in artikel 12.5.1,
                                    eerste lid genoemde afvalstromen, ook naar de Afvalbrengstations
                                    van inzameldienst gebracht worden. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6.3</nr><titel>Omvang en inhoud grof huisafval</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Grof huisafval is huishoudelijk afval dat door zijn afmeting of
                                    samenstelling niet in de restafvalcontainer of ondergrondse
                                    restafvalcontainer past of mag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een stuk grof huisafval van langer of breder dan
                                    1 meter ter inzameling aan te bieden aan de inzameldienst. Hele
                                    stukken, zoals bijv. matrassen of bankstellen mogen wel heel
                                    aangeboden worden. Kleinere stukken grof huisafval dienen zoveel
                                    mogelijk in één of meer bundels samengedrukt of -gebonden te
                                    worden.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden stukken of bundels grof huisafval die zwaarder
                                    zijn dan 30 kg aan te bieden. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Van voorgaande bepalingen kan worden afgeweken door het college
                                    van burgemeester en wethouders ten behoeve van gescheiden
                                    inzameling van grof huisafval.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.6.4</nr><titel>Schakelbepaling</titel></kop><al>De artikelen 12.3.1, eerste en tweede lid, 12.4.2, 12.4.7 en
                                12.4.10  zijn op het overdragen, het ter inzameling aanbieden en het
                                achterlaten van grof huisafval van overeenkomstige toepassing.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>7</nr><titel>Ontdoen van bouw- en sloopafval, autowrakken en
                                zwerfafval</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.7.1</nr><titel>Ter inzameling aanbieden van bouw- en sloopafval</titel></kop><al>Het is verboden bouw- en/of sloopafval in een inzamelmiddel ter
                                inzameling aan te bieden aan de inzameldienst of bouw- en/of
                                sloopafval ter inzameling op de weg te plaatsen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.7.2</nr><titel>Het ontdoen van een autowrak</titel></kop><al>Een autowrak, zijnde een huishoudelijke afvalstof, mag slechts
                                worden afgegeven aan:</al><lijst><li nr="a."><al>degene die een inrichting drijft als bedoeld in artikel 5,
                                        eerste lid, van het Besluit beheer autowrakken, niet zijnde
                                        een inrichting die uitsluitend vanwege de aanwezigheid van
                                        een shredderinstallatie als een zodanige inrichting is aan
                                        te merken;</al></li><li nr="b."><al>degene die een inrichting drijft als bedoeld in artikel 2,
                                        eerste lid, van het Besluit inrichtingen voor
                                        motorvoertuigen milieubeheer, of </al></li><li nr="c."><al>degene die in een ander land dan Nederland is gevestigd en
                                        die overeenkomstig de EEG-verordening overbrenging van
                                        afvalstoffen en titel 10.7 van de Wet milieubeheer het
                                        autowrak naar dat land brengt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.7.3</nr><titel>Verbod tot andere wijze van ontdoen van een autowrak</titel></kop><al>Het is verboden, zich van een autowrak te ontdoen op een andere
                                wijze als vermeld in artikel 12.7.2.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>8</nr><titel>Ontdoen van zwerfafval</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.8.1</nr><titel>Verbod tot het zich ontdoen van zwerfafval</titel></kop><al>Het is verboden bewust of onbewust afval weg te gooien of achter te
                                laten op plaatsen die daar niet voor bestemd zijn of door indirect
                                toedoen of nalatigheid van personen op zulke plaatsen terecht is
                                gekomen.</al></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>9</nr><titel>Het zich ontdoen van andere categorieën van afvalstoffen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.9.1</nr><titel>Verontreiniging bij werkzaamheden aan de weg</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden afvalstoffen, stoffen of voorwerpen zodanig te
                                    laden, te lossen of te vervoeren of andere werkzaamheden te
                                    verrichten dat de weg wordt verontreinigd of het milieu nadelig
                                    kan worden beïnvloed.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Indien bij het laden of lossen of vervoeren van afvalstoffen,
                                    stoffen of voorwerpen dan wel bij andere werkzaamheden de weg
                                    wordt verontreinigd, is degene die genoemde werkzaamheden
                                    verricht, alsmede, indien deze in opdracht handelt, zijn
                                    opdrachtgever verplicht:</al><lijst><li nr="a."><al>indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van
                                            het verkeer of voor beschadiging van het wegdek
                                            oplevert, de weg terstond na het ontstaan van de
                                            verontreiniging te reinigen of te doen reinigen;</al></li><li nr="b."><al>indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid
                                            van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek
                                            oplevert, de weg terstond na de beëindiging van de
                                            werkzaamheden of, indien deze langer dan een dag duren,
                                            elke dag terstond na beëindiging van de werkzaamheden op
                                            die dag; te reinigen of te doen reinigen.</al></li></lijst><lijst><li nr="c."><al>Het in het tweede lid gesteld verbod geldt niet voor
                                            zover de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de
                                            Wegverordening van toepassing is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.9.2</nr><titel>Wegwerpen van reclame- en strooibiljetten</titel></kop><al>Degene, die op de weg of het strand  reclame- of strooibiljetten of
                                dergelijke geschriften dan wel, als vorm van reclame, gratis
                                producten onder het publiek verspreidt, is verplicht deze, indien
                                zij in de omgeving van de plaats van uitreiking op de weg, strand 
                                of een ander voor het publiek toegankelijke plaats door het publiek
                                worden weggeworpen, terstond daarvan te verwijderen of te doen
                                verwijderen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.9.3</nr><titel>Aanwijzing andere categorieën afvalstoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan van derden
                                    afkomstige andere categorieën van afvalstoffen dan
                                    huishoudelijke afvalstoffen (zoals textiel en kleding, olie,
                                    klein- en groot elektrisch afval) aanwijzen, die aan de
                                    inzameldienst kunnen worden overgedragen of ter inzameling
                                    aangeboden dan wel kunnen worden achtergelaten.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan regels stellen
                                    omtrent de dagen, tijden, wijzen en plaatsen waarop de in het
                                    eerste lid bedoelde afvalstoffen aan de inzameldienst kunnen
                                    worden overgedragen, aangeboden of achtergelaten.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden afvalstoffen als bedoeld in het eerste lid over
                                    te dragen, aan te bieden of achter te laten in strijd met het
                                    krachtens het vorige lid bepaalde. </al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    milieubeheer of een daarop gebaseerde regeling, de
                                    Destructiewet, dan wel een provinciale verordening van
                                    toepassing is.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.9.4</nr><titel>Inzameling door derden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is aan een ander dan de inzameldienst verboden zonder
                                    vergunning van het college van burgemeester en wethouders de
                                    krachtens artikel 12.9.3, aangewezen afvalstoffen in te
                                    zamelen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan aan de in het
                                    vorige lid bedoelde vergunning voorschriften verbinden ter
                                    bescherming van het milieu.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De in het eerste lid bedoelde vergunning wordt in ieder geval
                                    geweigerd indien vaststaat of met redenen valt te vrezen dat het
                                    verlenen van een vergunning niet in het belang is van een
                                    doelmatige verwijdering van de aangewezen afvalstoffen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor personen
                                    of instanties die bij of krachtens de wet voor de desbetreffende
                                    categorieën van afvalstoffen een inzamelplicht hebben
                                    gekregen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.9.5</nr><titel>Meldingsplicht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan afvalstoffen
                                    aanwijzen waarvoor geldt dat het verboden is deze aan anderen
                                    dan de inzameldienst af te geven zonder dit vooraf bij het
                                    college van burgemeester en wethouders te melden op de in het
                                    tweede lid aangegeven wijze.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> De in het vorige lid bedoelde melding bevat de volgende
                                    gegevens: </al><lijst><li nr="a."><al>naam en adres van de meldingsplichtige;</al></li><li nr="b."><al>de aard, eigenschappen, samenstelling, hoeveelheid en
                                            plaats van herkomst van de afvalstoffen;</al></li><li nr="c."><al>naam en adres van degene die de afvalstoffen vervoert,
                                            indien dit een ander is dan degene van wie zij afkomstig
                                            zijn;</al></li></lijst><lijst><li nr="d."><al>naam en adres van degene die de afvalstoffen verwerkt,
                                            indien deze een ander is dan degene die de afvalstoffen
                                            vervoert.</al></li></lijst></lid></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>10</nr><titel>Bepalingen ter bescherming van het milieu</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.10.1</nr><titel>Voorkomen diffuse milieuverontreiniging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden afvalstoffen op of in de bodem te brengen of te
                                    houden, te verbranden, te bewaren, over te laden of anderszins
                                    te bewerken, te verwerken of te vernietigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het overdragen of ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                                    afvalstoffen aan de inzameldienst of aan degene die op grond van
                                    een vergunning bevoegd is tot inzameling, en evenmin voor door
                                    het college van burgemeester en wethouders aangewezen plaatsen
                                    voor door hen aangewezen afvalstoffen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan van het in het
                                    eerste lid omschreven verbod ontheffing verlenen. Aan een
                                    ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming
                                    van het milieu.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing
                                    voor zover de Wet milieubeheer, de Wet Bodembescherming, de
                                    Meststoffenwet, de Destructiewet of een provinciale verordening
                                    voorziet in de beoogde bescherming van het milieu.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.10.2</nr><titel>Verontreiniging van de weg en van terreinen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden afval of vuilnis of enig andere dergelijke stof
                                    of voorwerp, die/dat aanleiding kan geven tot verontreiniging,
                                    beschadiging of onvoldoende afwatering van de weg, dan wel
                                    aanleiding kan geven tot hinder of nadelige beïnvloeding van het
                                    milieu, op of in de bodem, buiten een daarvoor bestemde
                                    verzamelplaats, te plaatsen, te storten, te werpen, uit te
                                    gieten, te laten vallen of lopen of te houden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan
                                    de inzameldienst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan van het in het
                                    eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Aan een
                                    ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming
                                    van het milieu.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op
                                    het thuiscomposteren van groente-, fruit- en tuinafval.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover de
                                    stoffen of voorwerpen op de weg geraken of tijdelijk op de weg
                                    worden gebracht als onvermijdelijk gevolg van het laden of
                                    lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen dan wel het
                                    verrichten van andere werkzaamheden op of aan de weg.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor
                                    zover:</al><lijst><li nr="a."><al>de Wet milieubeheer, de Meststoffenwet, de
                                            Destructiewet, de Bestrijdingsmiddelenwet, de
                                            Kernenergiewet of de Wet bodembescherming voorziet in de
                                            beoogde bescherming van het milieu;</al></li><li nr="b."><al>de Wet beheer rijkswaterstaatwerken;</al></li><li nr="c."><al>de Wegenverordening van toepassing is.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.10.3</nr><titel>Opslagverbod</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden afvalstoffen op een zodanige plaats op te slaan
                                    of opgeslagen te hebben dat deze vanaf een voor het publiek
                                    toegankelijke plaats zichtbaar zijn.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid omschreven verbod geldt niet voor het
                                    overdragen of ter inzameling aanbieden van huishoudelijke
                                    afvalstoffen aan de inzameldienst.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in het eerste lid omschreven verbod geldt evenmin voor door
                                    het college van burgemeester en wethouders aangewezen
                                    plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan van het in het
                                    eerste lid omschreven verbod ontheffing verlenen. Aan een
                                    ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming
                                    van het milieu.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het in het eerste lid bedoelde verbod is niet van toepassing
                                    voor zover de Wet milieubeheer, of een provinciale verordening
                                    van toepassing is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.10.4</nr><titel>Het vervoer van afvalstoffen</titel></kop><al>Het is verboden de in artikel 12.9.4 bedoelde afvalstoffen, niet
                                zijnde gevaarlijke stoffen in de zin van de Wet milieugevaarlijke
                                stoffen, zodanig te vervoeren dat de weg kan worden verontreinigd of
                                het milieu nadelig kan worden beïnvloed. Onder het vervoeren wordt
                                mede begrepen het parkeren van het motorrijtuig waarmede de stoffen
                                worden vervoerd.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.10.5</nr><titel>Opslag afvalstoffen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college van burgemeester en wethouders kan, in de openlucht,
                                    buiten de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang
                                    van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of
                                    opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de
                                    openbare gezondheid, verboden is afvalstoffen op te slaan, te
                                    plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van
                                    de door hen gestelde regels.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een door het college van burgemeester en
                                    wethouders krachtens het eerste lid aangewezen plaats
                                    afvalstoffen:</al><lijst><li nr="a."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, dan
                                            wel</al></li><li nr="b."><al>op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders
                                            dan met inachtneming van de door hen gestelde
                                            regels.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voor zover de Wet
                                    milieubeheer, de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de
                                    Wegenverordening van toepassing is.</al></lid></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>13</nr><titel>Parkeerexcessen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b,
                                    van de Wegenverkeerswet 1994;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:</al><lijst><li nr="1."><al>treinen;</al></li><li nr="2."><al>fietsen, bromfietsen;</al></li><li nr="3."><al>invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement
                                            verkeersregels en verkeerstekens 1990;</al></li><li nr="4."><al>kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine
                                            voertuigen, rolstoelen;</al></li></lijst></li><li nr="c."><al>parkeren: het laten stilstaan van een voertuig, anders dan
                                    gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het
                                    onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het
                                    onmiddellijk laden of lossen van goederen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.2</nr><titel>Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een
                                gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen,
                                te verhuren of te verhandelen, verboden:</al><lijst><li nr="a."><al>drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn
                                        toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met
                                        een straal van vijfentwintig meter met als middelpunt een
                                        dezer voertuigen; dan wel</al></li><li nr="b."><al>de weg als werkplaats voor voertuigen te
                                        gebruiken.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede
                                verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>het gebruiken van een voertuig voor het geven van
                                        lessen;</al></li><li nr="b."><al>het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van
                                        personen tegen betaling.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet
                                gerekend:</al><lijst><li nr="a."><al>voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden
                                        worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen,
                                        zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt
                                        voor deze werkzaamheden;</al></li><li nr="b."><al>voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in
                                        het eerste lid genoemde persoon.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.2</nr><titel>Te koop aanbieden van voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden op door het college aangewezen wegen of
                                weggedeelten een voertuig te parkeren of geparkeerd te hebben dat te
                                koop wordt aangeboden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.3</nr><titel>Defecte voertuigen</titel></kop><al>Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig
                            te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie
                            achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.4</nr><titel>Voertuigwrakken</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuigwrak op de weg te plaatsen of te
                                hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Onder voertuigwrak wordt verstaan: een voertuig dat
                                rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een
                                kennelijk verwaarloosde toestand verkeert.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in
                                onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand
                                verkeren, op de weg te laten staan.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.5</nr><titel>Caravans e.d.</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden, op of aan de weg een kampeerwagen, caravan,
                                magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of een ander dergelijk
                                voertuig dat uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden
                                wordt gebruikt langer dan drie dagen zonder wezenlijke
                                tijdsonderbreking op de weg te plaatsen of te hebben </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kunnen plaatsen en/of tijden aanwijzen waar,
                                respectievelijk gedurende welke het bepaalde in het eerste lid niet
                                van toepassing is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid
                                verbod. Het college kan de ontheffing weigeren met het oog op de
                                verdeling van parkeerruimte of het uiterlijk aanzien van de
                                gemeente.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in
                                het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal
                                wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.6</nr><titel>Parkeren van reclamevoertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een
                                aanduiding van handelsreclame, op de weg te plaatsen of te hebben
                                met het kennelijk doel om daarmee uitsluitend handelsreclame te
                                maken.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.7</nr><titel>Parkeren van grote of uitzichtbelemmerende voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4
                                meter te parkeren a. bij een voor bewoning of ander dagelijks
                                gebruik bestemd gebouw; b. op een door het college aangewezen
                                plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk
                                aanzien van de gemeente.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading,
                                een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het
                                college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel
                                buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare
                                parkeerruimte.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a
                                geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt
                                voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van
                                het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen
                                van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00
                                uur.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde
                                verboden ontheffing verlenen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>14</nr><titel>Dieren</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.1</nr><titel>Loslopende honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                laten verblijven of te laten lopen:</al><lijst><li nr="a."><al>binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond
                                        aangelijnd is;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                        zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide
                                        of op een andere door het college aangewezen plaats;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan wegen of gedeelten van wegen aanwijzen waar
                                het bepaalde in het eerste lid, onder a, niet van toepassing
                                is.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het eerste lid geldt niet voorzover de eigenaar of houder van
                                een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat
                                begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of
                                indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar
                                gekwalificeerd opleidt tot geleidehond.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.2</nr><titel>Verontreiniging door honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te
                                zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet:</al><lijst><li nr="a."><al>op een gedeelte van de weg dat bestemd is of mede
                                        bestemd voor het verkeer van voetgangers of fietsers;</al></li><li nr="b."><al>op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als
                                        zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide;
                                    </al></li><li nr="c."><al>op het strand;</al></li><li nr="d."><al>op een andere door het college aangewezen plaats.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid
                                gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de
                                hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden
                                verwijderd.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.3</nr><titel>Gevaarlijke honden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te
                                laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het
                                terrein van een ander:</al><lijst><li nr="a."><al>anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de
                                        eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond
                                        gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband
                                        met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;</al></li><li nr="b."><al>anders dan kort aangelijnd en voorzien van een
                                        muilkorf nadat het college aan de eigenaar of de houder
                                        heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of
                                        hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband
                                        met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is de eigenaar of houder van een hond ten aanzien waarvan
                                het eerste lid toepassing heeft gevonden, verboden die hond te laten
                                verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van
                                een ander zonder te zijn voorzien van een halsband of een ander
                                identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen én
                                een optisch leesbaar, niet- verwijderbaar identificatiekenmerk in
                                het oor of de buikwand.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In het eerste lid wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder
                                        d, van de Regeling agressieve dieren;</al></li><li nr="b."><al>kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn
                                        met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet
                                        langer is dan 1,50 meter.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde
                                onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve dieren.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.4</nr><titel>Overlast door honden</titel></kop><al>De eigenaar, houder of verzorger van een hond is verplicht ervoor te
                            zorgen dat het dier anderen geen overlast aandoet of burengerucht
                            veroorzaakt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.5</nr><titel>Houden van hinderlijke of schadelijke dieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de
                                Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan
                                te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of
                                schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide
                                dieren:</al><lijst><li nr="a."><al>aanwezig te hebben; dan wel</al></li><li nr="b."><al>aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de
                                        door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of schade
                                        aan de openbare gezondheid gestelde regels; dan
                                        wel</al></li><li nr="c."><al>aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die
                                        aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen
                                plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren
                                aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met
                                inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel
                                aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het- college is
                                aangegeven.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak
                                gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van
                                de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde
                                verbod.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover de Wet
                                milieubeheer van toepassing is.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>15</nr><titel>Strand en zee</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.1</nr><titel>Berijden strand met voertuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden met voertuigen als bedoeld in artikel 1 onder al
                                van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 alsmede met
                                zeilwagens, windrijders en andere dergelijke voor de recreatie
                                bestemde voertuigen op het strand te rijden, deze op het strand te
                                brengen of te hebben.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor fietsen,
                                zeilwagens, windrijders en andere dergelijke voor de recreatie
                                bestemde voertuigen gedurende de periode van 1 oktober tot </al><al>1 april alsmede buiten deze periode voor 09.00 uur en na 19.00
                                uur.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Van het in het eerste lid gestelde verbod zijn uitgezonderd de
                                bestuurders van motorvoertuigen, bromfietsen en fietsen die gebruikt
                                worden:</al><lijst><li nr="a."><al> ten behoeve van het door burgemeester en wethouder als
                                        zodanig erkende reddingswezen en voor het onderhoud van de
                                        zeewering; </al></li><li nr="b."><al> door de burgemeester-strandvonder, hulpstrandvonder,
                                        ambtenaren van politie en personen in dienst van de
                                        gemeente, allen in de uitoefening van hun taak.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod
                                ontheffing verlenen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.2</nr><titel>Berijden van rij- of trekdieren</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden gedurende het tijdvak van 1 mei tot 1 september van
                                09.00 tot 19.00 uur op het strand een paard of een ander rij- of
                                trekdier te berijden of mee te voeren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor ambtenaren
                                van politie bij de uitoefening van hun taak.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.3</nr><titel>Honden op het strand</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond verboden
                                gedurende de periode van 1 mei tot 1 september van 09.00 tot 19.00
                                uur zich met deze hond op het strand te bevinden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaren
                                of huurders van strandhuisjes mits zij hun hond aangelijnd in de
                                directe nabijheid van het strandhuisje laten verblijven.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.4</nr><titel>Vaartuigen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al><cursief>vervallen</cursief></al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al><cursief>vervallen</cursief></al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> Het is verboden in zee met een vaartuig voor anker te gaan of te
                                varen minder dan vijfhonderd meter uit de laagwaterlijn, met
                                uitzondering van het aanlanden enafvaren ophet
                                strand op de door het college daartoe aangewezen
                                plaatsen.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al> Het is verboden een jetski of waterscooter of ander dergelijk door
                                mechanische kracht voortbewogen vaartuig te hebben of te brengen,
                                dan wel daarmee af te varen of aan te landen op het strand of zich
                                daarmee in zee te begeven of te varen binnen vijfhonderd meter uit
                                de kust.                                                 </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al><cursief>vervallen</cursief></al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Dein het eerste, vierde en vijfde lid
                                gestelde verboden zijn niet van toepassing op: </al><lijst><li nr="a."><al> vaartuigen in gebruik bij de politie, de Koninklijke
                                        Nederlandse Reddingsmaatschappij, het door het college als
                                        zodanig erkende reddingswezen en overige vaartuigen ten
                                        behoeve waarvan door burgemeester en wethouders ontheffing
                                        is verleend; </al></li><li nr="b."><al>b   vaartuigen, uitgezonderd motorvaartuigen en
                                        waterscooters, mits gebruik wordt gemaakt van door
                                        burgemeester en wethouders nader aan te wijzen gedeelten van
                                        het strand en bij het gebruik van de vaartuigen wordt
                                        voldaan aan door het college te stellen voorwaarden;</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al><cursief>vervallen </cursief></al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.5</nr><titel>Vliegeren en kitesurfen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden op het strand en de nabij gelegen duinen vliegers
                                op te laten die bestuurbaar zijn door twee of meer stuurlijnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet:</al><lijst><li nr="a."><al> voor de hiertoe door het college aangewezen gedeeltes van
                                        het strand;</al></li><li nr="b."><al>voor de onder a bedoelde gedeeltes van het strand gedurende
                                        de periode van 1 april tot 1 oktober van 09.00 tot 19.00
                                        uur</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het verboden te
                                kite surfen in zee dan wel op het strand daarvoor materialen
                                aanwezig te hebben op andere dan door het college aangewezen
                                plaatsen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.6</nr><titel>Drijfmiddelen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden zich met een luchtbed of -kussen, een opblaasbare
                                band of een ander voorwerp, dat als drijfmiddel kan worden gebruikt,
                                in zee te begeven of te bevinden indien dit door een ambtenaar van
                                politie of een lid van het door het college als zodanig erkend
                                reddingswezen in verband met sterke tijwisselingen, stormweer of
                                andere bijzondere omstandigheden gevaarlijk wordt geacht en dit
                                voldoende kenbaar is gemaakt.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het
                                als zodanig gebruiken van reddingsmiddelen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.7</nr><titel>Aanwijzingen door het reddingswezen</titel></kop><al>Recreanten, strandexploitanten, baders en zwemmers zijn verplicht aan de
                            aanwijzingen in het belang van hun veiligheid, gegeven door een lid van
                            het door het college als zodanig erkende reddingswezen, onmiddellijk
                            gevolg te geven.  </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.8</nr><titel>Gedrag in zee</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Het is verboden in zee met een vaartuig te varen minder dan
                                vijfhonderd meter uit de laagwaterlijn, met uitzondering van het
                                aanlanden en afvaren op het strand.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het is verboden enige vorm van watersport te bedrijven of zich te
                                gedragen, op zodanige wijze dat daardoor gevaar of overlast ontstaat
                                of kan ontstaan.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al> De verbodsbepaling in het eerste lid is niet van toepassing op
                                vaartuigen in gebruik bij  de politie, de Koninklijke Nederlandse
                                Bond tot het Redden van Drenkelingen (KNBRD), de  Koninklijke
                                Nederlandse Redding Maatschappij, of anderszins voor openbare dienst
                                bestemde vaartuigen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.9</nr><titel>Verhuren van voorwerpen/dieren op het strand</titel></kop><al>Het is verboden zonder vergunning van het college op het strand een voer
                            - of vaartuig – hetzij geheel, hetzij per plaats - een strandstoel,
                            ligstoel, tafel, bank, tent, cabine, of een ander dergelijk voorwerp dan
                            wel een rij- of trekdier aan het publiek te huur of voor gebruik aan te
                            bieden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Slothoofdstuk</label></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>S.1</nr><titel>Strafbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al> Overtreding van het bij of krachtens deze verordening bepaalde
                                wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of
                                geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft
                                met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al> Het in het eerste lid bepaalde geldt niet ten aanzien van het
                                bepaalde bij of krachtens:</al><lijst><li nr="a."><al>artikelen 2.13 en 2.14 (Openbare manifestaties). Overtreding
                                        van deze artikelen worden gestraft overeenkomstig het
                                        bepaalde in artikel 11 van de Wet openbare manifestaties;
                                        ;</al></li><li nr="b."><al> hoofdstuk 8, afdeling 2 (Bestrijding van heling van
                                        goederen) opgenomen artikelen. Overtreding van deze
                                        artikelen worden gestraft overeenkomstig het bepaalde in
                                        artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht.</al></li><li nr="c."><al> Het bepaalde in hoofdstuk 12 “Afvalstoffen”</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>S.2</nr><titel>Strafbepalingen Afvalstoffen</titel></kop><al>Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen van Hoofdstuk
                            12 (Afvalstoffen) is een strafbaar feit in de zin van artikel 1a, onder
                            3<sup>o</sup> van de Wet op de economische delicten: 12.2.1 eerste lid,
                            12.3.1, derde en vierde lid, 12.4.1, 12.4.3, 12.4.4, 12.4.6 tot en met
                            112.4.8, 2.4.10, 12.4.12, 12.5.1 tot en met 12.6.4, 12.7.1, 12.7.3 tot
                            en met 12.10.5 </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>S.3</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening zijn belast: de ambtenaren van de
                                afdeling Wijkzaken/Handhavingsteam.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het eerste lid is niet van toepassing op het bepaalde bij of
                                krachtens hoofdstuk 10, afdeling 1 (Markten), hoofdstuk 12
                                (Afvalstoffen)</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens hoofdstuk 10, afdeling 1 (Markten) is belast: de
                                marktmeester.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens hoofdstuk 12 zijn belast de krachtens 18.4, derde  lid,
                                van de Wet milieubeheer aangewezen ambtenaren.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde
                                bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het
                                college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>S.4</nr><titel>Binnentreden woningen</titel></kop><al>Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van
                            een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven
                            voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
                            veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen,
                            zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van
                            de bewoner.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>S.5</nr><titel>Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking op een door het college te
                                bepalen tijdstip</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Algemene Plaatselijke Verordening 1997, de Verordening
                                Speelautomatenhallen Beverwijk, de Verordening winkeltijden
                                Beverwijk, de Telecommunicatieverordening gemeente Beverwijk, de
                                Verordening straatnaamgeving en huisnummering en de Marktverordening
                                Beverwijk 2003 worden op het in het eerste lid bedoelde tijdstip
                                ingetrokken</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>S.6</nr><titel>Overgangsbepalingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend
                                krachtens verordeningen bedoeld in artikel S.5, tweede lid, blijven
                                - indien en voorzover het gebod of verbod waarop de vergunning of
                                ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en
                                voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog
                                gedurende vijf jaren na de inwerkingtreding van deze verordening van
                                kracht.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen
                                bedoeld in artikel S.5, tweede lid, blijven - indien en voorzover de
                                bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en bepalingen zijn
                                opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voorzover zij niet
                                eerder zijn vervallen of ingetrokken - nog gedurende vijf jaren na
                                de inwerkingtreding van deze verordening van kracht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze
                                verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook
                                genaamd - op grond van een verordening bedoeld in artikel S.5,
                                tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding
                                van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt
                                daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening
                                toegepast.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een
                                vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een
                                voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na
                                het tijdstip bedoeld in artikel S.5, eerste lid, is ingekomen binnen
                                de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing
                                van de verordening bedoeld in artikel S.5, tweede lid.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een
                                vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat
                                onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in
                                deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste,
                                vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken
                                voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het
                                bevoegde bestuursorgaan is ingediend.</al></lid><lid><lidnr>6.</lidnr><al>Gebods of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of
                                ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend
                                in een verordening als bedoeld in artikel S.5, tweede lid, zijn niet
                                van toepassing:</al><lijst><li nr="a."><al>gedurende 26 weken na het in werking treden van deze
                                        verordening;</al></li><li nr="b."><al>ook na de onder a. bepaalde termijn, voorzover degene
                                        die de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze
                                        termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk
                                        op deze aanvraag is beslist.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>7.</lidnr><al>De intrekking van de verordening bedoeld in artikel S.5, tweede lid,
                                heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die
                                verordening genomen nadere regels, beleidsregels en
                                aanwijzingsbesluiten, indien en voorzover de rechtsgrond waarop de
                                aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze
                                verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of
                                ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>S.7</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening
                            2006 (Apv 2006).</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Beverwijk, 16 februari 2006</ondertekening><ondertekening>de raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>de griffier, de voorzitter,</ondertekening></regeling-sluiting></regeling></body></cvdr>