<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR23842_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren Zaanstad 2009</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Zaanstad</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://bis.zaanstad.nl/infoman/EasyK/downdoc.asp?Item=0&amp;format=3003&amp;uid=375876633">Gemeenteblad 2010, nr70,Z/2010/336444, uitgegeven op 12 oktober 2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren Zaanstad 2009</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0005416/article=147">Artikel 147, eerste lid van de Gemeentewet</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0026054/article=12">Artikel 12, eerste lid, onderdeel e van de Wet investeren in jongeren</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0026054/article=35">Artikel 35, eerste lid Wet investeren in jongeren</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-10-07</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-10-14</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2010-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2012-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Gewijzigd artikel 3, vierde lid</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Z/2010/309655</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Nieuwe verordening i.v.m. de invoering van de Wet investeren in jongeren</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening Wet investeren in jongeren Zaanstad 2009</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al><extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0026054/">de wet</extref>: de Wet investeren in jongeren;</al></li><li nr="b."><al>gehuwdennorm: de norm voor gehuwden waarvan beide echtgenoten
                                    zich in de leeftijdscategorie van 21 tot 27 jaar bevinden, zoals
                                    bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0026054/article=28">artikel 28</extref>, eerste lid van de wet;</al></li><li nr="c."><al>college: het college van burgemeester en wethouders van
                                    Zaanstad;</al></li><li nr="d."><al>woning: een woning als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0008659/article=1">artikel 1</extref>, onderdeel j, Wet op de huurtoeslag, als
                                    mede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0015703/article=3">artikel 3</extref>, zesde lid, Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="e."><al>ouders: de vader of moeder als bedoeld in respectievelijk de
                                    artikelen 1:197 en 1:198 van het Burgerlijk Wetboek.</al></li><li nr="f."><al>woonkosten:</al><lijst><li nr="1."><al>als een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende
                                            huurprijs, bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Wet
                                            op de huurtoeslag;</al></li><li nr="2."><al>als een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag
                                            per maand omgerekende som van de verschuldigde
                                            hypotheekrente en de in verband met het in eigendom
                                            hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een
                                            naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                            onderhoud;</al></li></lijst></li><li nr="g."><al>een ander: de alleenstaande, de gehuwden met ten laste komende
                                    kinderen tot 18 jaar, de alleenstaande ouder met ten laste
                                    komende kinderen tot 18 jaar.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>2</nr><titel>Leeftijdbepaling</titel></kop><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor jongeren van 21
                            jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar. In geval van gehuwden gelden de
                            bepalingen van deze verordening alleen indien tenminste een van de
                            gehuwden 21 jaar of ouder doch jonger dan 27 jaar is en de ander niet
                            jonger dan 21 jaar is.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0026054/article=30">artikel 30</extref>, eerste lid, van de wet bedraagt 20 procent
                                van de gehuwdennorm voor de jongere in wiens woning geen ander zijn
                                hoofdverblijf heeft;</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0026054/article=30">artikel 30</extref>, eerste lid, van de wet bedraagt 10 procent
                                van de gehuwdennorm voor de jongere die met één ander zijn
                                hoofdverblijf in dezelfde woning heeft;</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De toeslag bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0026054/article=30">artikel 30</extref>, eerste lid, van de wet bedraagt 0 procent
                                van de gehuwdennorm voor de jongere die met twee of meer anderen
                                zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft;</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel wordt het niet ten laste komende
                                kind met een in aanmerking te nemen inkomen van ten hoogse het
                                normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor het hoger
                                onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0011453/article=3.18" struct="BWB">Wet studiefinaniering 2000</extref>, niet in
                                aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Geen recht op toeslag heeft de jongere, in wiens woning een ander
                                eveneens zijn hoofdverblijf heeft en met wie hij samenwoont als
                                bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0026054/article=3">artikel 3</extref> van de wet en aan de jongere op grond van
                                    <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0026054/article=28">artikel 28</extref>, derde lid van de wet de norm alleenstaande
                                of alleenstaande ouder is toegekend.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de norm of Toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0026054/article=31">artikel 31</extref> van de wet bedraagt 10 procent van de
                                gehuwdennorm voor gehuwden die met een of meer anderen hun
                                hoofdverblijf in dezelfde woning hebben;</al></lid><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het vierde lid van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0026054/article=3">artikel 3</extref> is van overeenkomstige toepassing.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging woonsituatie</titel></kop><al>De verlaging bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0026054/article=32">artikel 32</extref> van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond
                                    waaraan voor de jongere geen kosten van huur of hypotheeklasten
                                    verbonden zijn;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien geen woning bewoond
                                    wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>6</nr><titel>Verlaging toeslag alleenstaanden van 21 en 22 jaar</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging bedoeld in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0026054/article=34">artikel 34</extref> van de wet bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>20 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere van 21
                                        jaar betreft;</al></li><li nr="b."><al>10 procent van de gehuwdennorm indien het een jongere van 22
                                        jaar betreft.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van lid 1 wordt de verlaging vastgesteld op de hoogte
                                van de op grond van <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0026054/article=3">artikel 3</extref> toegekende toeslag, indien deze toeslag
                                minder bedraagt dan de verlaging waartoe toepassing van lid 1 zou
                                leiden.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>7</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een combinatie van verlagingen op een te verstrekken toeslag kan
                                niet meer bedragen dan die toeslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Een combinatie van verlagingen op de norm voor gehuwden kan niet
                                meer bedragen dan 20 procent van de gehuwdennorm.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>artikel</label><nr>8</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking twee dagen na publicatie in het
                            gemeenteblad en werkt terug tot 1 januari 2010.</al></artikel><artikel><kop><label>artikel</label><nr>9</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Toeslagenverordening Wet
                            investeren in jongeren Zaanstad 2009</al><al/><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de raadsvergadering van </ondertekening><ondertekening>De griffier, </ondertekening><ondertekening>De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop><tussenkop>Artikel 1</tussenkop><al>Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader zijn omschreven
                    hebben dezelfde betekenis als in de Wet investeren in jongeren. Zo wordt in deze
                    verordening meerdere malen het begrip ‘jongere’ gebruikt. Artikel 2, eerste lid,
                    Wet investeren in jongeren omschrijft dit begrip. </al><al/><al>Artikel 2</al><al>Dit artikel geeft aan wie op basis van leeftijd in aanmerking komt voor een
                    toeslag of verlaging op grond van deze verordening. </al><al/><al>Artikel 3</al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat
                    de noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur
                    en stookkosten). Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld
                    worden niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van jongere zelf. </al><al>Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding moet er echter van
                    worden uitgegaan dat niet alle kosten gedeeld kunnen worden. Een toeslag blijft
                    op zijn plaats. </al><al>In de verordening is daarom gekozen voor een toeslag van 10 procent van de
                    gehuwdennorm in het geval één ander in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft.
                    Als nog een ander zijn hoofdverblijf in de woning heeft, kunnen de kosten nog
                    meer gedeeld worden en is ervoor gekozen de toeslag op 0 procent vast te
                    stellen. </al><al/><al>In de artikelen <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0015703/article=25" struct="BWB">25</extref> en <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0015703/article=26" struct="BWB">26</extref> van de Wet werk en bijstand is geregeld, dat voor
                    de uitvoering van de Wet werk en bijstand een niet ten laste komend kind met een
                    in aanmerking te nemen inkomen van ten hoogste het normbedrag voor de kosten van
                    levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in <extref doc="http://wetten.overheid.nl/cgi-bin/deeplink/law1/bwbid=BWBR0011453/article=3.18" struct="BWB">artikel 3.18</extref> (per 1 januari 2010 € 604,15) van de Wet
                    studiefinanciering 2000, niet in aanmerking wordt genomen als een ander die in
                    dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft. De Wet investeren in jongeren kent een
                    dergelijke bepaling niet. In de praktijk zal zich een dergelijke situatie ook
                    nauwelijks voordoen, omdat de WIJ zich beperkt tot jongeren. De Wet investeren
                    in jongeren heeft qua inkomensvoorziening veel gelijkenis met de Wet werk en
                    bijstand. Daarom is ervoor gekozen om in deze toeslagenverordening gebruik te
                    maken van de mogelijkheid om voor niet ten laste komende kinderen een zelfde
                    beleid te hanteren als in de Wet werk en bijstand </al><al/><al>Artikel 4 </al><al>In de gehuwdennorm is al rekening gehouden met het feit dat beide echtgenoten de
                    kosten van hun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in de woning
                    nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen noodzakelijke kosten
                    van het bestaan nog verder gedeeld worden. Daarbij is de mate waarin de kosten
                    ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. Dat is een
                    verantwoordelijkheid van uitkeringsgerechtigden zelf. Gekozen is voor een
                    verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm, ongeacht het aantal anderen dat in
                    de woning zijn hoofdverblijf heeft. </al><al>In het tweede lid wordt aansluiting gezocht bij artikel 3, lid.</al><al/><al>Artikel 5</al><al>Als aan een woning geen <cursief>woonkosten</cursief> verbonden zijn, is sprake
                    van lagere bestaanskosten dan in andere gevallen. Artikel 32 Wet investeren in
                    jongeren opent om die reden de mogelijkheid om de norm of de toeslag te
                    verlagen. Dat is in artikel 5 gerealiseerd. Het bepaalde onder a leidt ertoe dat
                    de norm of toeslag met 20% wordt verlaagd als de jongere geen woonkosten heeft.
                    Dat kan zich voordoen bij krakers, of als de woonkosten worden betaald door een
                    derde, bijvoorbeeld de ouders of de ex-partner. </al><al>Onder woonkosten wordt in dit verband verstaan de huur of, als de jongere een
                    eigen woning bewoont, de verschuldigde hypotheekrente en de aan het eigendom
                    verbonden zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag
                    voor onderhoud. </al><al>In het tweede lid is bepaald dat als de jongere geen woning bewoont, de norm of
                    toeslag met 10% wordt verlaagd. Deze bepaling ziet op de mogelijkheid om de
                    uitkering van dak- en thuislozen te verlagen, omdat deze lagere bestaanskosten
                    hebben dan jongeren die een woning bewonen. Mochten dak- en thuislozen
                    regelmatig gebruik maken van een opvangadres, dan kan de uitkering afwijkend
                    worden vastgesteld, met toepassing van artikel 35, vierde lid, Wet investeren in
                    jongeren bij wijze van individualisering.</al><al/><al>Artikel 6</al><al>Artikel 34 Wet investeren in jongeren geeft het college de bevoegdheid om een
                    verlaging toe te passing indien het van oordeel is, dat gezien de hoogte van het
                    minimum jeugdloon er een drempel zou kunnen zijn om werk te aanvaarden.
                    Aangezien het minimum jeugdloon voor een 21-jarige lager is dan dat voor een
                    22-jarige ligt het voor de hand om voor een 21-jarige een grotere verlaging toe
                    te passen dan voor een 22-jarige.</al><al>In het tweede lid wordt geregeld, dat -overeenkomstig het bepaalde in artikel 34
                    Wet investeren in jongeren- de verlaging voor een 21- of 22-jarige alleen kan
                    plaatsvinden op de toeslag van artikel 30 Wet investeren in jongeren.</al><al/><al>Artikel 7</al><al>Indien gebruik wordt gemaakt van de verlagingsmogelijkheden, zoals die zijn
                    genoemd in de artikelen drie, vier, vijf en zes, dient rekening te worden
                    gehouden met de effecten van cumulatie van verlagingen. Een dergelijke cumulatie
                    kan er toe leiden, dat er feitelijk geen sprake meer zou zijn van een
                    toereikende uitkering. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>