<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR237350_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WWB Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2012 (gewijzigde versie)</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Haarlemmerliede en Spaarnwoude</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-01-09</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Haarlemmerliede en Spaarnwoude</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Maak kennis met Haarlemmerliede en Spaarnwoude, 10-12-2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Toeslagenverordening WWB Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2012 (gewijzigde versie)</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wet werk en bijstand</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene Wet Bestuursrecht</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-11-27</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-12-13</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2012-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>BOB 12/016</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt Toeslagenverordening WWB Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2012</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WWB Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2012 (gewijzigde versie)</intitule><regeling><aanhef><preambule><al><vet>Gewijzigde verordening langdurigheidstoeslag Haarlemmerliede en
                        Spaarnwoude </vet><vet>2012”</vet><vet> en de “Gewijzigde
                            toeslagenverordening Haarlemmerliede en Spaarnwoude
                        </vet><vet>2012”</vet></al><al>De raad van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude;</al><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 9 oktober
                        2012</al><al>Gelet op artikel 147 van de Gemeentewet en artikel 8, eerste lid, aanhef
                        en onder c. en artikel 30 van de Wet werk en bijstand; </al><al>besluit:</al><al>de “Gewijzigde verordening langdurigheidstoeslag Haarlemmerliede en
                        Spaarnwoude 2012” en de “Gewijzigde toeslagenverordening Haarlemmerliede
                        en Spaarnwoude 2012” vast te stellen. </al><al>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 27 november 2012 </al><al>De griffier, De voorzitter,</al><al/><al><vet>Gewijzigde toeslagenverordening
                    </vet><vet>Wwb</vet><vet>Haarlemmerliede en
                        Spaarnwoude</vet><vet> 2012</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de
                                    Wet werk en bijstand en de Algemene wet bestuursrecht.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>wet: de Wet werk en bijstand (Wwb);</al></li><li nr="b."><al>het college: het college van burgemeester en
                                            wethouders;</al></li><li nr="c."><al>woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel
                                            j, van de Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen
                                            of woonschip, als bedoeld in artikel 3, zesde lid,
                                            Wwb;</al></li><li nr="d."><al>woonkosten:</al><al>1°. indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand
                                            geldende huurprijs, bedoeld in artikel 1, onder d, van
                                            de Wet op de huurtoeslag;</al><al>2°. indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een
                                            bedrag per maand omgerekende som van de verschuldigde
                                            hypotheekrente en de in verband met het in eigendom
                                            hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een
                                            naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor
                                            onderhoud;</al></li></lijst></li><li nr="e."><al>kamerbewoner: degene die op commerciële basis een kamer of een
                            gedeelte van een woning huurt en bewoont, zonder dat de hoofdbewoner of
                            de huiseigenaar mede in deze woning verblijft. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De bepalingen van deze verordening gelden alleen voor
                                    belanghebbenden van 21 jaar of ouder tot de Aow-gerechtigde
                                    leeftijd.</al></li><li nr="2."><al>De volgende categorieën kunnen worden onderscheiden:</al><lijst><li nr="a."><al>alleenstaande als bedoeld in artikel 4, eerste lid,
                                            aanhef en sub a van de wet;</al></li><li nr="b."><al>alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, eerste
                                            lid, aanhef en sub b van de wet;</al></li><li nr="c."><al>gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, aanhef en
                                            sub c van de wet;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De bepalingen in hoofdstuk 2 en 3 laten de toepassing artikel
                                    18, eerste lid van dewet onverlet.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>2.</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de bijstandsnorm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet
                                    bedraagt 20 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in
                                    wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></li><li nr="2."><al>De toeslag bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet bedraagt
                                    15 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en de
                                    alleenstaande ouder die kamerbewoner is.</al></li><li nr="3."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet
                                    bedraagt 10 procent van degehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                    de alleenstaande ouder in wiens woning één of meer anderen hun
                                    hoofdverblijf in dezelfde woning heeft. </al></li><li nr="4."><al>De toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid van de wet
                                    bedraagt 5 procent van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en
                                    de alleenstaande ouder die met één of beide ouders in dezelfde
                                    woning zijn hoofdverblijf heeft.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de bijstandsnorm of toeslag</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Verlaging gehuwdennorm</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 26 van de wet bedraagt 10 procent
                            van de gehuwdennorm voor een gezin dat met één of meer anderen het
                            hoofdverblijf in dezelfde woning heeft.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Geen woonkosten</titel></kop><al>De verlaging als bedoeld in artikel 27 van de wet bedraagt 10 procent
                            van de gehuwdennorm indien een woning wordt bewoond waaraan voor
                            belanghebbende geen woonkosten verbonden zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De toepassing van de artikelen 3 tot en met 7 geschiedt zodanig, dat de
                            toepasselijkebijstandsnorm voor belanghebbende ten minste bedraagt:</al><lijst><li nr="a."><al>50 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande;</al></li><li nr="b."><al>70 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande ouder
                                    en;</al></li><li nr="c."><al>80 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>HOOFDSTUK</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust bij het college.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Hardheidsclausule</titel></kop><al>Het college kan indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden
                            van overwegende aard leidt ten gunste van de belanghebbende afwijken van
                            de bepalingen in deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekking oude verordening</titel></kop><al>De Toeslagenverordening Wwb Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2012 wordt
                            ingetrokken.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>In afwijking van artikel 11 is deze verordening vanaf 1 januari 2013 van
                            toepassing op de belanghebbenden op wie op grond van artikel 78 lid w
                            van de Wet afschaffing huishoudinkomenstoets nog tot 1 januari 2013
                            wordt toegepast. Tot 1 januari 2013 gelden de bepalingen uit de
                            Toeslagenverordening Wwb Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2012. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na bekendmaking en
                            werkt terug tot en met 1 januari 2012.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Gewijzigde toeslagenverordening
                            Wwb Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2012. </al><al/></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld door de raad op 27 november 2012.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting bij Gewijzigde toeslagenverordening Wwb
                        Haarlemmerliede en Spaarnwoude 2012</titel></kop><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de Wwb of Awb
                            nietuitputtend afzonderlijk te definiëren in de verordening. Dit
                            voorkomt dat in geval van wijziging van betreffende definities in de Wwb
                            of Awb ook de Verordening moet worden gewijzigd.</al><al/><al>In de verordening worden drie begrippen gebruikt die nadere uitleg
                            behoeven:</al><al/><al>Met het begrip ‘woning’ wordt hetzelfde bedoeld in de Wet op de
                            huurtoeslag, “een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als
                            zelfstandige woonruimte, onvrije etage dan wel andere onzelfstandige
                            woonruimte is verhuurd, evenals de onroerende aanhorigheden”. </al><al>Omdat een woning ook een woonwagen of woonschip kan zijn, is tevens
                            verwezen naar artikel 3, zesde lid, Wwb, waarin deze woonruimtes met een
                            woning worden gelijkgesteld.</al><al/><al>Het begrip ‘woonkosten’ is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is
                            voor detoepassing van artikel 5 (verlaging woonsituatie). </al><al>Het begrip ‘kamerbewoner’ wordt in deze verordening onderscheiden en
                            gedefinieerd. </al><al>Kamerbewoning leidt tot schaalvoordelen, maar minder dan het inwonen bij
                            een ander. Het gevolg daarvan is dat de toeslag voor een kamerbewoner
                            hoger wordt vastgesteld. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al>Artikel 30 eerste lid, Wwb schrijft voor dat in de verordening moet zijn
                            vastgelegd voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of
                            verlaagd. De in dit artikel genoemde categorieën zijn rechtstreeks terug
                            te voeren op de wet. Op grond van de verordening kunnen alleen
                            verhogingen en verlagingen worden vastgelegd voor de leeftijdscategorie
                            van 21 jaar tot de Aow-gerechtigde leeftijd.</al><al>Dit betekent, dat de verordening uitsluitend van toepassing is op de
                            normen op grond van artikel 21, onderdeel a Wwb en artikel 21, onderdeel
                            b, Wwb alsmede artikel 21, onderdeel c, Wwb. </al><al>De in het derde lid opgenomen verplichting voor het college om - zo
                            nodig in afwijking van de uit de verordening voortvloeiende hoogte van
                            de bijstand - de bijstand anders vast stellen, als dat gelet op de
                            omstandigheden, mogelijkheden en middelen van belanghebbende opportuun
                            is, volgt uit artikel 30, vierde lid, Wwb. De individualiserings-plicht
                            geldt evenzeer in situaties waarin de Toeslagenverordening niet
                            voorziet. </al><al>Om hierover bij de uitvoering van deToeslagenverordeninggeen misverstand
                            te laten bestaan, is er voor gekozen om deze plicht expliciet in
                            deToeslagenverordening op te nemen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslagen</titel></kop><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>De hoogte van 20 procent van de gehuwdennorm als hoogte van de toeslag
                            voor de Alleenstaande of alleenstaande ouder in wiens woning geen ander
                            zijn hoofdverblijf heeft is verplicht op grond van artikel 25, eerste
                            lid, Wwb.</al><al/><al><onderstreept>Tweede lid</onderstreept></al><al>Een kamerbewoner is degene die op commerciële basis een kamer huurt en
                            bewoont. </al><al>De commerciële basis kan blijken uit bijvoorbeeld een huurovereenkomst
                            en betalingsbewijzen van de huur. Met de eis dat de hoofdbewoner of
                            eigenaar niet in de woning mag verblijven, komt de groep van
                            kostgangers, kamerbewoners bij familieleden etc, niet in aanmerking voor
                            een toeslag van 15 procent. </al><al/><al>Volledigheidshalve moet hier nog worden opgemerkt dat in de
                            uitzonderlijke situatie dat de medebewoner over geen enkele vorm van
                            inkomen beschikt en kan beschikken (denk aan de niet rechthebbende
                            partner of inwonende uitgeprocedeerde) verlaging van detoeslag vanwege
                            medebewoning niet kan worden toegepast. De medebewoner kan dan immers
                            daadwerkelijk geen bijdrage in de kosten leveren, waardoor er dus ook
                            geen voordeel is voor de betrokkene (CRvB 4 maart 2003, 00/3534 NABW en
                            02/3129 </al><al>NABW).</al><al/><al><onderstreept>Derde lid</onderstreept></al><al>Ingeval in de woning een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt
                            verondersteld dat er noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeld kunnen
                            worden (bijvoorbeeld huur en stookkosten). Daarbij is de mate waarin de
                            kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van belang. De
                            schaalvoordelen zijn in deze gevallen groter dan bij kamerbewoning,
                            waardoor een lagere toeslag gerechtvaardigd is.</al><al>Gekozen is voor het verlenen van een toeslag van 10 procent van de
                            gehuwdennorm, ongeacht het aantal anderen dat in de woning zijn
                            hoofdverblijf heeft. Vanaf de vierde persoon die in de woning zijn
                            hoofdverblijf heeft, wordt geen noemenswaardige vermindering van de
                            algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan aanwezig geacht. Daarbij
                            moet ook bedacht worden dat in de praktijk bij meer bewoners van een
                            woning, het ook vaak om een grotere en duurdere woning gaat, zodat de
                            feitelijke kosten van het bestaan doorgaans niet lager uitvallen dan in
                            gevallen waarin maar één ander zijn hoofdverblijf in dezelfde woning
                            heeft.</al><al/><al><onderstreept>Vierde lid</onderstreept></al><al>De alleenstaande of alleenstaande ouder die met één of beide ouders in
                            dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, beschikt over een groot scala
                            aan schaalvoordelen, waardoor een toeslag van 5 procent van de
                            gehuwdennorm gerechtvaardigd is (CRvB 2 maart 1999, </al><al>JABW 1999/61 en 69).</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging gehuwdennorm</titel></kop><al><onderstreept>Eerste lid</onderstreept></al><al>In de gehuwdennorm is al rekening gehouden met het feit dat gezinsleden
                            de kosten vanhun huishouden volledig kunnen delen met elkaar. Indien in
                            de woning nog een ander zijn hoofdverblijf heeft, kunnen de algemeen
                            noodzakelijke kosten van het bestaan nog verder gedeeld worden. Daarbij
                            is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk gedeeld worden niet van
                            belang.</al><al/><al>Gekozen is voor een verlaging van 10 procent van de gehuwdennorm,
                            ongeacht het aantal anderen dat in de woning zijn hoofdverblijf heeft.
                            Vanaf de vierde persoon die in de woning zijn hoofdverblijf heeft, wordt
                            geen noemenswaardige vermindering van de algemeen noodzakelijke kosten
                            van het bestaan aanwezig geacht. Daarbij moet ook bedacht worden dat in
                            de praktijk bij meer bewoners van een woning, het ook vaak om een
                            grotere en duurdere woning gaat, zodat de feitelijke kosten van het
                            bestaan </al><al>doorgaans niet lager uitvallen dan in gevallen waarin maar één ander
                            zijn hoofdverblijf in dezelfde woning heeft. De inkomensgrens die
                            gebruikt wordt</al><al>om te kunnen vaststellen of het thuis inwonende meerderjarige kind kan
                            worden beschouwd als een ander, is ten behoeve van een gezin, opgenomen
                            in artikel 26 Wwb. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Geen woonkosten</titel></kop><al>Artikel 27 Wwb geeft het college de mogelijkheid de norm of de toeslag
                            te verlagen in zoverre belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke
                            kosten van het bestaan heeft ten gevolge van zijn woonsituatie. Artikel
                            27 Wwb is een aanvulling op de artikelen 25 en26 Wwb.</al><al/><al>In dit artikel is een verlaging van 10 procent opgenomen voor de
                            situatie dat aan de woning voor belanghebbende geen woonkosten zijn
                            verbonden. Het wordt nodeloos ingewikkeld geacht om hier ook nog
                            onderscheid te maken naar de mate waarin woonkosten ontbreken. Indien
                            een belanghebbende uitzonderlijk lage woonkosten heeft, kan dat
                            uiteraard wel aanleiding zijn om met toepassing van artikel 18, eerste
                            lid, Wwb </al><al>de bijstand lager vast te stellen. In artikel 1, tweede lid, onder d van
                            de verordening wordt beschreven wat onder woonkosten wordt verstaan. Om
                            een verlaging krachtens dit artikel te voorkomen is het niet afdoende
                            dat belanghebbende kosten heeft voor water, gas, licht en dergelijke.
                            Dit verdraagt zich ook met de invulling die de Centrale Raad van Beroep
                            heeft gegeven aan de invulling van het begrip woonkosten in de zin van
                            artikel 35, eerste lid, Abw. (Zie CRvB 06-11-2001, nrs. 99/7 en 99/29
                            NABW en CRvB 06-05-2003, nr. 00/4951 NABW.)</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al>De verschillende verlagingen in de verordening zien op verschillende
                            omstandigheden bijbelanghebbende en kunnen elk afzonderlijk als redelijk
                            in betreffende omstandigheden worden beschouwd. Zonder dit artikel zou
                            dat echter kunnen betekenen, dat het collegede bijstand vanwege deze
                            samenloop dermate laag zou moeten vaststellen, dat er feitelijk geen
                            sprake meer zou zijn van adequate bijstandsverlening. In voorkomende </al><al>gevallen zou het college op grond van artikel 18, eerste lid, Wwb de
                            bijstand hoger moeten vaststellen. Daarom is er voor gekozen om in de
                            verordening een minimum bedrag vast te leggen, waarop het college de
                            bijstand (inclusief eventuele toeslag en verlagingen) ten minste moet
                            vaststellen.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Overgangsbepaling</titel></kop><al>Voor een bepaalde groep blijft de huishoudinkomenstoets wél van kracht.
                            Het gaatdaarbij om de groep die voordeel heeft van de
                            huishoudinkomenstoets. Voor deze groep wordt dit nog tot 1 januari 2013
                            toegepast. Hiervoor is de overgangsbepaling opgenomen.</al></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>