<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR237294_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Erfgoedverordening 2013 Molenwaard</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Molenwaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-03-05</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Molenwaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.gemeentemolenwaard.nl">Het Kontakt, 17-01-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Erfgoedverordening 2013 gemeente Molenwaard</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="https://zoek.officielebekendmakingen.nl//gmb-2015-14388.html"/><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>onderwijs</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2018-12-31</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>28355</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Erfgoedverordening 2013 Molenwaard</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Molenwaard;</al><al/><al>gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 18 december
                        2012;</al><al/><al>gelet op artikel 149 van de Gemeentewet, de artikelen 12, 15 en 38 van de
                        Monumenten-wet 1988 en de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene
                        bepalingen omgevingsrecht;</al><al/><al><vet>besluit:</vet></al><al/><al>-vast de stellen de volgende verordening houdende regels met betrekking tot
                        monumenten en archeologie, te weten:</al><al/><al><vet>Erfgoedverordening gemeente Molenwaard</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemeen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsbepalingen</titel></kop><al>Deze verordening verstaat onder:</al><lijst><li nr="a."><al>gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als
                                    beschermd gemeentelijk monument aangewezen zaak, die van
                                    algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de
                                    wetenschap of cultuurhistorische waarde;</al></li><li nr="b."><al>gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn
                                    geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als
                                    gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen bedoeld in
                                    onderdeel a;</al></li><li nr="c."><al>beschermd monument: beschermd monument als bedoeld in artikel
                                    1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="d."><al>monumentencommissie: de op basis van art.15 Monumentenwet 1988
                                    ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit
                                    eigen beweging te adviseren over de toepassing van de
                                    Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht,
                                    de verordening en het monumentenbeleid;</al></li><li nr="e."><al>gemeentelijke archeologische waardenkaart: topografische kaart
                                    van het gemeentelijke grondgebied of delen van het grondgebied,
                                    waarop archeologische monumenten en archeologische
                                    verwachtingsgebieden zijn aangegeven;</al></li><li nr="f."><al>landelijke Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden:
                                    landelijke kaart met een schaal van 1:50.000, die op basis van
                                    geomorfologische gegevens, de kans weergeeft op de aanwezigheid
                                    van archeologische vindplaatsen, waarbij onderscheid wordt
                                    gemaakt in hoge, middelhoge, lage en zeer lage trefkans;</al></li><li nr="g."><al>provinciale Archeologische Monumentenkaart: topografische kaart
                                    van (delen van) het provinciale grondgebied, waarop
                                    archeologische monumenten en archeologische gebieden zijn
                                    aangegeven;</al></li><li nr="h."><al>archeologisch verwachtingsgebied: gebied, aangegeven op de
                                    archeologische waardenkaart, waarvan is aangegeven dat in
                                    bepaalde mate archeologische vondsten of sporen te verwachten
                                    zijn;</al></li><li nr="i."><al>(zeer) hoge verwachtingswaarde: (zeer) grote kans op
                                    archeologische vondsten of informatie;</al></li><li nr="j."><al>middelhoge verwachtingswaarde: gemiddelde kans op archeologische
                                    vondsten of informatie;</al></li><li nr="k."><al>lage verwachtingswaarde: kleine kans op archeologische vondsten
                                    of informatie;</al></li><li nr="l."><al>plan van aanpak: plan dat weergeeft hoe een archeologische
                                    uitvoerder de vragen zoals omschreven in het programma van eisen
                                    denkt te gaan beantwoorden;</al></li><li nr="m."><al>programma van eisen: programma dat door het college wordt
                                    vastgesteld en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en
                                    de uitvoering van archeologisch onderzoek;</al></li><li nr="n."><al>gemeentelijke beleidsadvieskaart: kaart behorende bij de
                                    archeologische paragraaf van het bestemmingsplan;</al></li><li nr="o."><al>bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de
                                    Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li><li nr="p."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van de
                                    gemeente Molenwaard;</al></li><li nr="q."><al>vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1,
                                    eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen
                                    omgevingsrecht;</al></li><li nr="r."><al>Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Aanwijzing gemeentelijke monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het gebruik van het monument</titel></kop><al>Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het
                            gebruik van het monument.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De aanwijzing tot gemeentelijk monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een
                                monument aanwijzen als gemeentelijk monument.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het
                                college advies aan de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat
                                uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening
                                van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij
                                overleg met de eigenaar.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond
                                van artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Voorbescherming</titel></kop><al>Met ingang van de datum waarop de eigenaar van een monument de
                            kennisgeving van het voornemen tot aanwijzing als gemeentelijk monument
                            ontvangt tot het moment dat de aanwijzing en registratie als bedoeld in
                            artikel 7 plaatsvindt, dan wel vaststaat dat het monument niet wordt
                            geregistreerd, zijn de artikelen 10 tot en met 14 van overeenkomstige
                            toepassing.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen 8 weken na
                                ontvangst van het verzoek van het college.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college beslist binnen 8 weken na ontvangst van het advies van
                                de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 12 weken na de
                                adviesaanvraag.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Mededeling aanwijzingsbesluit</titel></kop><al>De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld
                            aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend
                            staan.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college registreert het gemeentelijke monument op de
                                gemeentelijke monumentenlijst.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding,
                                de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding en zo mogelijk
                                een beschrijving van het gemeentelijke monument.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Wijzigen van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de
                                aanwijzing wijzigen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Artikel 3, tweede en derde lid, alsmede artikel 4, 5 en 6 zijn van
                                overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien de wijziging naar het oordeel van het college van
                                ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als
                                bedoeld in lid 2, achterwege.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke
                                monumentenlijst aangetekend.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Intrekken van de aanwijzing</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede
                                lid, en artikel 5 van overeenkomstige toepassing.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing
                                wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst
                                geregistreerd.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1,
                                onder a, sub 1, te beschadigen of te vernielen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:</al><lijst><li nr="a."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in
                                        enig opzicht te wijzigen;</al></li><li nr="b."><al>een gemeentelijk monument, als bedoeld in artikel 1, onder
                                        a, sub 1, te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                                        op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar
                                        gebracht.</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid,
                                gelden niet indien het college nadere regels stelt met betrekking
                                tot de wijze waarop werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>Het bevoegd gezag verleent, met betrekking tot een
                                monument met een religieuze bestemming, geen vergunning als bedoeld
                                in het tweede lid, dan in overeenstemming met de eigenaar indien en
                                voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen
                                van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding
                                zijn.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>De schriftelijke aanvraag</titel></kop><al>Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2. Besluit omgevingsrecht voor een
                            vergunning als bedoeld in artikel 10 en de daarbij te overleggen
                            gegevens en bescheiden worden in 4-voud ingediend. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12.</nr><titel>Termijnen advies</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument
                                aan de monumentencommissie voor advies.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Binnen 8 weken na de datum van verzending van het afschrift brengt
                                de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13.</nr><titel>Weigeringsgronden</titel></kop><al>De vergunning kan slechts worden verleend indien het belang van de
                            monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Bij de beslissing houdt het
                            bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14.</nr><titel>Intrekken van de vergunning</titel></kop><al>De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:</al><lijst><li nr="a."><al>blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of
                                    onvolledige opgave is verleend;</al></li><li nr="b."><al>de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich
                                    zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument
                                    zwaarder dient te wegen.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Beschermde monumenten</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15.</nr><titel>Vergunning voor beschermd monument</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de
                                ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd monument aan
                                de monumentencommissie.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag
                                binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Instandhouding van archeologische terreinen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16.</nr><titel>Instandhoudingbepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het is verboden om in een archeologisch monument, bedoeld in artikel
                                1, onder a, sub 2 of een archeologisch verwachtingsgebied, bedoeld
                                in artikel 1, onder h, de bodem dieper dan 30 cm onder de
                                oppervlakte te verstoren.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het een verstoring betreft van een archeologisch monument of
                                        archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de
                                        gemeentelijke archeologische waardenkaart en het te
                                        verstoren gebied kleiner is dan en de werkzaamheden niet
                                        dieper reiken dan de maatvoering zoals aangegeven in de
                                        gemeentelijke archeologische verwachtings- en
                                        beleidsadvieskaart (kaart en rapport);</al></li><li nr="b."><al>in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="c."><al>sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12,
                                        eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen
                                        omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen
                                        omtrent archeologische monumentenzorg;</al></li><li nr="d."><al>het college nadere regels stelt met betrekking tot de
                                        uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring
                                        van een archeologisch monument of archeologisch
                                        verwachtingsgebied als aangegeven op gemeentelijke
                                        archeologische waardenkaart;</al></li><li nr="e."><al>een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde
                                        van het te verstoren terrein naar het oordeel van het
                                        bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit
                                        blijkt dat:</al><lijst><li nr="·"><al>het behoud van de archeologische waarden in
                                                voldoende mate kan worden geborgd; of</al></li><li nr="·"><al>de archeologische waarden door de verstoring niet
                                                onevenredig worden geschaad; of</al></li><li nr="·"><al>in het geheel geen archeologische waarden aanwezig
                                                zijn.</al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17.</nr><titel>Opgravingen en begeleiding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien binnen het grondgebied van de gemeente Molenwaard onderzoek
                                wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin
                                van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de
                                overige bepalingen van deze wet:</al><lijst><li nr="a."><al>het college een programma van eisen vast te stellen als
                                        bedoeld in artikel 1 onder m, waarbij nadere regels worden
                                        gesteld ten aanzien van het onderzoek.</al></li><li nr="b."><al>de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van
                                        aanpak als bedoeld in artikel 1 onder l van deze verordening
                                        ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen,</al></li></lijst></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In de nadere regels neemt het college bepalingen op met betrekking
                                tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van
                                aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in
                                acht te worden genomen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van
                                eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag
                                advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de
                                Archeologische monumentenzorg.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18.</nr><titel>Procedure</titel></kop><al>De bepalingen uit artikel 11, 13 en 14 zijn van overeenkomstige
                            toepassing op de bepalingen uit artikel 16, tweede lid, onder e, en
                            artikel 17, eerste lid, onder b.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Overige bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19.</nr><titel>Tegemoetkoming in schade</titel></kop><al>Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal
                            lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort
                            te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar
                            billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie
                            staat tot:</al><lijst><li nr="a."><al>de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in
                                    artikel 10 te verlenen;</al></li><li nr="b."><al>de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een
                                    vergunning als bedoeld in artikel 10;</al></li><li nr="c."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 10, derde lid;</al></li><li nr="d."><al>de door het college nader te stellen regels als bedoeld in
                                    artikel 16, tweede lid, onder d;</al></li><li nr="e."><al>een aanwijzing als bedoeld in artikel 17, tweede lid, tweede
                                    volzin.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20.</nr><titel>Strafbepaling</titel></kop><al>Degene, die handelt in strijd met het derde lid van artikel 10 en
                            artikel 16 met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e,
                            van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede
                            categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21.</nr><titel>Toezichthouders</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens
                                deze verordening zijn belast de medewerkers van het team Toetsing en
                                Handhaving.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of
                                krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan
                                wel de burgemeester aan te wijzen personen.</al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22.</nr><titel>Overgangsrecht</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De op grond van de onder artikel 23 ingetrokken Erfgoedverordeningen
                                aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht
                                aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van
                                deze verordening.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding
                                van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in
                                artikel 23 ingetrokken verordeningen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23.</nr><titel>Citeertitel; Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening kan worden aangehaald als Erfgoedverordening
                                    gemeente Molenwaard.</al></li><li nr="2."><al>De Erfgoedverordening gemeente Molenwaard treedt in werking op 1
                                    januari 2013.</al></li><li nr="3."><al>Met ingang van 1 januari 2013 wordt de Erfgoedverordening van de
                                    gemeenten Graafstroom, Liesveld en de Nieuw-Lekkerland
                                    ingetrokken.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 15 januari 2013.</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Drs. T.W. Kanters D.R. van der Borg</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><al>A.Algemene toelichting</al><al>Gelet op het project Deregulering VNG-modelverordeningen en de
                            verplichtingen die voortvloeien uit de Wet op de archeologische
                            monumentenzorg van september 2007, alsmede de feitelijke samenhang
                            tussen monumenten en archeologie, is de model Erfgoedverordening in 2008
                            aangevuld met een archeologisch deel en heeft een vereenvoudiging van de
                            model Erfgoedverordening in het kader van deregulering plaatsgevonden.
                            De huidige wijziging van de model Erfgoedverordening houdt verband met
                            de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
                            (hierna te noemen: Wabo), de Invoeringswet algemene bepalingen
                            omgevingsrecht (hierna te noemen: Invoeringswet Wabo), het Besluit
                            omgevingsrecht (hierna te noemen: Bor) en de Regeling omgevingsrecht
                            (hierna te noemen: Mor).</al><al><vet>Wet algemene bepalingen omgevingsrecht</vet></al><al>De Wabo regelt de omgevingsvergunning die in de plaats komt van een
                            reeks vergunningen, ontheffingen of toestemmingen voor het realiseren
                            van een fysiek project. De meest bekende daarvan zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>de bouwvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de aanlegvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de sloopvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de monumentenvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de milieuvergunning;</al></li><li nr="-"><al>de kapvergunning.</al></li></lijst><al>De Wabo beoogt tegemoet te komen aan het belang van een snelle
                            dienstverlening. Het bevorderen van de tijdige besluitvorming vormt
                            hiervan een onderdeel.</al><al><vet>Eén aanvraag; één bevoegd gezag; één loket</vet></al><al>De centrale gedachte bij de ontwikkeling van de Wabo is de “één loket
                            gedachte”. Dit houdt in dat de aanvrager vanaf een nader te bepalen
                            moment in 2010 één omgevingsvergunning hoeft aan te vragen voor zijn
                            project. De aanvrager geeft aan op welke activiteiten (bouw, aanleg,
                            sloop enz.) zijn aanvraag betrekking heeft. Voor de erfgoedverordening
                            betekent dit dat bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor het bouwen en
                            de omgevingsvergunning voor monumenten in één verzoek worden
                            aangevraagd. </al><al>De omgevingsvergunning wordt vervolgens door één bevoegd gezag
                            beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent
                            ook één procedure van rechtsbescherming. </al><al><vet>Bevoegd gezag</vet></al><al>Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester
                            en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden
                            verricht. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te
                            nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving. </al><al>In het Bor worden een aantal uitzonderingen op deze hoofdregel gemaakt.
                            Een minister dan wel het college van gedeputeerde staten wordt in deze
                            gevallen als het bevoegde gezag aangewezen. Deze gevallen zijn
                            aangewezen in artikel 3.3 van de Wabo. Gedeputeerde staten van de
                            provincie is bevoegd gezag indien het gaat om de meer complexere
                            categorieën inrichtingen. Deze zijn specifiek in bijlage I van het Bor
                            omschreven. </al><al><vet>Toestemmingsstelsels </vet></al><al>Er bestaan verschillende methoden om de toestemmingstelsels (=vergunning
                            en ontheffing) te integreren in de omgevingsvergunning. De
                            toestemmingstelsels die altijd zien op plaatsgebonden activiteiten zijn
                            volledig in de Wabo geïntegreerd; de bestaande toestemmingstelsels in de
                            betreffende wetten of verordeningen vervallen. Het gaat om een
                            procedurele integratie van de verschillende toestemmingstelsels. De
                            inhoudelijke beoordeling vindt gecoördineerd plaats. Dit betekent dat de
                            verschillende toetsingskaders niet zijn geïntegreerd. </al><al>Het toetsingskader van de Wabo bestaat derhalve uit een optelling van de
                            afzonderlijke toetsingskaders. Deze verschillende toetsingskaders wegen
                            allen even zwaar. </al><al><vet>De procedure</vet></al><al>In de Wabo is onderscheid gemaakt tussen de reguliere
                            voorbereidingsprocedure en de uitgebreide voorbereidingsprocedure.
                            Slechts op een enkel punt is voor deze beide procedures afgeweken van de
                            reguliere- en de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van de
                            Awb. </al><al>Wanneer voor een project meerdere toestemmingen uit de Wabo nodig zijn
                            wordt door de aanvrager één aanvraag voor een omgevingsvergunning
                            ingediend. De aanvrager kan er echter ook voor kiezen zijn project op te
                            delen in deelprojecten en voor elk van die deelprojecten een
                            afzonderlijke omgevingsvergunning aan te vragen. Het moet gaan om een
                            onderdeel van het project dat fysiek te scheiden is van de andere
                            onderdelen van het totale project. Ook wel de zogenaamde “onlosmakelijke
                            verbondenheid”. Het criterium van de <cursief>onlosmakelijkheid
                            </cursief>is neergelegd in artikel 2.7 Wabo. Van onlosmakelijke
                            samenhang is sprake als de activiteiten zien op dezelfde handeling. Het
                            gaat dan om een activiteit die tegelijkertijd ook aangemerkt moet worden
                            als een andere activiteit als omschreven in de artikelen 2.1 en 2.2. van
                            de Wabo. Deze activiteiten overlappen elkaar en zijn niet te scheiden.
                            Zij vormen een en dezelfde handeling die binnen twee of meer
                            activiteitenomschrijvingen vallen. Vanwege de overlap in de
                            activiteitenomschrijvingen is het in deze gevallen niet mogelijk om de
                            handeling op te knippen in deelvergunningen.</al><al>Een omgevingsvergunning voor een deelproject geeft de bevoegdheid het
                            deelproject ook daadwerkelijk al uit te voeren. Hieraan bestaat
                            bijvoorbeeld behoefte bij een project waarbij voor de nieuwbouw van
                            woningen grond bouwrijp gemaakt moet worden en/of enkele oude opstallen
                            gesloopt moeten worden wat door verschillende partijen wordt uitgevoerd.
                            De omgevingsvergunning voor het bouwrijp maken en/of het slopen van
                            opstallen kan aangevraagd worden en de werkzaamheden kunnen na het
                            verlenen van dit gedeelte van de omgevingsvergunning ook starten.
                            Vervolgens kan een omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen
                            worden aangevraagd. Het gaat om verschillende besluiten waartegen een
                            afzonderlijke rechtsbeschermingsprocedure open staat. </al><al>Daarnaast heeft de aanvrager de mogelijkheid om een gefaseerde
                            omgevingsbeschikking aan te vragen. Hij bepaalt zelf welke activiteit
                            wordt gefaseerd. De beoordeling in de eerste fase is erop gericht te
                            onderzoeken of één van de door de aanvrager voorgenomen activiteiten,
                            bijvoorbeeld het oprichten en inwerking hebben van een inrichting, kan
                            worden verricht en dus een gerede kans heeft om een omgevingsvergunning
                            te krijgen. Het betreft een volledige toetsing. Tenuitvoerlegging van
                            een omgevingsvergunning is pas mogelijk nadat ook een
                            omgevingsbeschikking tweede fase is verleend en een volledige vergunning
                            is verkregen. De tweede fase omgevingsbeschikking bevat de noodzakelijke
                            toestemmingen die niet in een eerste fase zijn vergund. Door aanvraag
                            van een omgevingsbeschikking eerste fase kan een financieel risico voor
                            de aanvrager worden beperkt. Hij hoeft in dit geval nog niet aan alle
                            indieningsvereisten te voldoen. Het rechtsgevolg van een eerste
                            fase-beschikking is dat bij de beoordeling van de gedetailleerde
                            aanvraag voor de overige activiteiten (de tweede fase-aanvraag) niet
                            meer getoetst wordt aan de criteria van de eerste fase. De eerste
                            fase-beschikking kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken, indien
                            niet binnen twee jaar nadat deze beschikking is genomen een aanvraag
                            voor een tweede fase-beschikking is ingediend. Beide beschikkingen
                            treden tezamen in werking. Tegen beide beschikkingen staat
                            rechtsbescherming op grond van de Awb open. </al><al><vet>Informatie over de omgevingsvergunning</vet></al><al/><al>Er is een kennisplein omgevingsvergunning:
                            http://omgevingsvergunning.vrom.nl. hierop vindt u tal van brochures
                            over de omgevingsvergunning. Als u nog geen beeld hebt van wat er
                            allemaal verandert, geven wij u in overweging de volgende informatie te
                            lezen:</al><lijst><li nr="-"><al>Infoblad De omgevingsvergunning (september 2008);</al></li><li nr="-"><al>Handreiking Afstemming omgevingsvergunning: -afstemmen op;
                                    afstemmen met – (augustus 2008; een online product). </al></li></lijst><al><vet>De Wabo en de Erfgoedverordening</vet></al><al>De monumentenvergunning uit de model-erfgoedverordening integreert
                            volledig in de omgevingsvergunning, omdat het om plaatsgebonden
                            activiteiten gaat. Daarom is in artikel 2.2 van de Wabo bepaald dat het
                            verboden is zonder een omgevingsvergunning een krachtens een verordening
                            aangewezen monument te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig
                            opzicht te wijzigen of te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken
                            op een wijze waarop het wordt ontsierd of in gevaar wordt gebracht. Een
                            extra overweging voor het volledig integreren van de
                            monumentenvergunning in de omgevingsvergunning is dat de verlening van
                            de monumentenvergunning in de praktijk vaak samenliep met de verlening
                            van de bouwvergunning of de aanlegvergunning. Er is voor gekozen om de
                            instandhoudingsvergunning van archeologische terreinen op grond van
                            artikel 2.2, tweede lid, Wabo aan te haken bij de omgevingsvergunning
                            (facultatieve integratie). Zolang gemeentelijke bestemmingsplannen nog
                            niet ‘Malta-proof’ zijn, kan op deze wijze in de omgevingsvergunning
                            bescherming aan archeologische waarden in de bodem worden geboden bij de
                            realisatie van een fysiek project. </al><al>De model-erfgoedverordening bevat de mogelijkheid om nadere regels te
                            stellen. De Wabo ziet op vergunningen en ontheffingen en niet op nadere
                            regels. Het college blijft hiervoor het bevoegd gezag. </al><al>Het inhoudelijke toetsingskader van de omgevingsvergunning inzake de
                            gemeentelijke monumenten is in de verordening bepaald. </al><al>Voor het overige is bij het opstellen van deze modelverordening rekening
                            gehouden met de 'Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving'. Ook in
                            dit nieuwe model zijn de bepalingen van de Monumentenwet 1988 en de
                            daarin gekozen systematiek als uitgangspunt genomen. In de verordening
                            zijn geen bepalingen opgenomen met betrekking tot de gemeentelijke
                            beschermde stads- en dorpsgezichten, ondanks dat hiervan in de
                            gemeentelijke praktijk wel gebruik wordt gemaakt. In een voorgaand
                            dereguleringstraject zijn deze artikelen gesneuveld, aangezien het
                            instrument hoge administratieve lasten bij burgers genereert. In het
                            verlengde van het dereguleringsproject in 2007 is er thans voor gekozen
                            om deze bepalingen daarom niet opnieuw in de modelverordening op te
                            nemen. Het staat gemeenten uiteraard vrij om het VNG-model op dit en op
                            andere onderdelen zelf aan te vullen.</al><al>B.Artikelsgewijze toelichting</al><al>B.Hoofdstuk 1. Algemeen</al><al>B.Artikel 1. Begripsbepalingen</al><al>B.<cursief>Sub a</cursief></al><al>B.Bij de omschrijving van het begrip 'gemeentelijk monument' is, met
                            uitzondering van de 50-jaar grens, aansluiting gezocht bij de
                            omschrijving van een monument in de Monumentenwet 1988. De
                            cultuurhistorische waarde is volgens de Memorie van Toelichting de aan
                            een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat
                            is ontstaan en het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis
                            van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt. Dit is een zo ruime
                            omschrijving dat het ook betrekking kan hebben op zaken en gebieden met
                            een geschiedkundige en of bouwhistorische waarde.</al><al>B.Het begrip ‘terreinen’, als bedoeld in sub 2 van artikel 1, dient ruim
                            te worden uitgelegd. Hoofdzakelijk betreft het locaties waar
                            archeologische waarden in de bodem (kunnen) zitten, maar daarnaast kan
                            het bijvoorbeeld ook gaan om parken, tuinen en een perceel met een of
                            meer bomen. Het is niet vereist dat op het terrein ook een bouwkundig
                            monument voorkomt om over een gemeentelijk monument te kunnen spreken.
                            Een 'zaak' is immers een veel ruimer begrip.</al><al>B.Omdat de 50-jaargrens voor rijksmonumenten niet voor gemeentelijke
                            monumenten is overgenomen, biedt de verordening ook de mogelijkheid om
                            monumenten die (nog) niet op de rijksmonumentenlijst zijn geplaatst
                            omdat ze ‘te jong zijn’, al op de gemeentelijke monumentenlijst te
                            plaatsen.</al><al>B.Uitgangspunt in deze verordening is dat onder het begrip ‘zaak’ alleen
                            onroerende zaken worden verstaan. Immers, het effectueren van de
                            bescherming vormt een probleem, aangezien roerende monumenten meestal
                            eenvoudig kunnen worden verplaatst en daardoor ongemerkt over de
                            gemeentegrens en daarmee buiten de werking van de verordening worden
                            gebracht. Zaken die naar hun aard roerend zijn, zoals een kerkorgel,
                            kunnen wel de beschermde status krijgen, op basis van de redengevende
                            omschrijving. Met het voorgaande in het achterhoofd is het echter aan
                            gemeenten zelf om met de verordening ook roerende monumenten aan te
                            wijzen. Daarnaast is het ook mogelijk dat gemeenten door middel van
                            aanvullende regelgeving voorkomen dat cultuurhistorische voorwerpen, die
                            als gemeentelijk monument zijn aangewezen, buiten de gemeentegrenzen
                            verdwijnen. Controle en handhaving van deze regelgeving zijn echter
                            nauwelijks mogelijk.</al><al>B.<cursief>Sub b</cursief></al><al>B.Dit betreft de lijst waarop de gemeente de overeenkomstig de
                            verordening aangewezen monumenten registreert. Het plaatsen op de
                            monumentenlijst heeft geen rechtsgevolg. Het betreft slechts een
                            administratieve handeling. Voorafgaand aan de plaatsing op de lijst is
                            het de aanwijzing tot gemeentelijk monument die rechtsgevolg beoogt. Het
                            is inzichtelijker om de aanwijzing en de plaatsing op de lijst uit
                            elkaar te trekken. Zie ook de toelichting op artikel 3, lid 1, en
                            artikel 7<cursief>.</cursief></al><al>B.<cursief>Sub c</cursief></al><al>B.Voor de begripsomschrijving van een 'beschermd monument' is
                            aangesloten bij de begripsomschrijving uit de Wabo De Wabo zelf verwijst
                            weer naar de Monumentenwet 1988. Deze wet omschrijft een beschermd
                            monument als een onroerend monument die is ingeschreven in een ingevolge
                            de Monumentenwet 1988 vastgesteld register. Op de vergunningverlening
                            voor rijksmonumenten zijn de bepalingen uit de Wabo van toepassing. </al><al>B.<cursief>Sub d</cursief></al><al>B.Sinds de komst vande Wet dualisering gemeentebestuur in 2002
                            kan elk bevoegd orgaan in de gemeente (raad, college en burgemeester)
                            zelf zijn commissies instellen. De monumentencommissie is een commissie
                            die adviseert aan het bevoegd gezag. In de Erfgoedverordening wordt door
                            de raad bepaald dat een monumentencommissie advies moet uitbrengen aan
                            het bevoegd gezag. Dit vloeit voort uit de Monumentenwet 1988. In
                            artikel 15 van deze wet is bepaald dat de gemeente in een verordening de
                            inschakeling van een commissie moet regelen die adviseert aan het
                            bevoegd gezag over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een
                            activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f van de Wabo.
                            De wetgever geeft hier dus aan dat het college in dit geval geen
                            keuzevrijheid heeft ten aanzien van het instellen van een commissie. Het
                            instellen van de monumentencommissie door het college moet door middel
                            van een apart collegebesluit. Er bestaat geen modelbesluit voor het
                            instellen van een (monumenten) commissie door het college. Wij adviseren
                            het college bij het besluit tot instellen van een monumentencommissie
                            gebruik te maken van de VNG-modelverordening op de raadscommissie. Deze
                            verordening is te downloaden via de databank van de Sdu Uitgevers,
                            www.modelverordeningen.nl .</al><al>B.De taken van de monumentencommissie strekken zich uit over de
                            Erfgoedverordening de Monumentenwet 1988 en de Wabo. Door de
                            monumentencommissie in deze begripsomschrijving bevoegd te verklaren
                            over de toepassing van de Wabo te adviseren aan het bevoegd gezag, is
                            voldaan aan het vereiste, genoemd in artikel 15 van de Monumentenwet
                            1988. </al><al>B.Mocht een gemeente niet over een monumentenbeleid beschikken, dan moet
                            dit niet in de bepaling opgenomen worden. Overigens kan de
                            monumentencommissie worden gecombineerd met een welstandscommissie.</al><al>B.<cursief>Sub n</cursief></al><al>B.De gemeentelijke beleidsadvieskaart kan een praktische oplossing
                            bieden in het geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is
                            vastgesteld. In dat geval kunnen gebieden op een dergelijke
                            beleidsadvieskaart worden opgenomen, indien blijkt dat daar op grond van
                            gemeentelijk historisch onderzoek mogelijk archeologische sporen in de
                            bodem kunnen worden aangetroffen.</al><al>B.<cursief>Sub o</cursief></al><al>B.Zoals ook in de algemene toelichting is aangegeven is de hoofdregel
                            dat burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project zich in
                            hoofdzaak afspeelt het bevoegd gezag is. Voor een verdere toelichting
                            wordt verwezen naar de algemene toelichting behorend bij deze
                            verordening. </al><al>B.De overige begripsbepalingen zijn in hun definitie al ruim omschreven,
                            zodat deze geen nadere toelichting behoeven. Wat nog wel een nadere
                            toelichting behoeft is het bouwhistorisch onderzoek. Dit begrip was al
                            bij de vorige gedereguleerde verordening geschrapt:</al><al>·het bouwhistorisch onderzoek; deze rapportage maakt formeel niet langer
                            deel uit van de verordening (het oude artikel 3, waarin was bepaald dat
                            het college ten behoeve van de aanwijzing tot monument een
                            bouwhistorisch onderzoek kon laten verrichten). Bij de aanwijzing tot
                            monument kan de eigenaar/gebruiker echter niet gedwongen worden een
                            dergelijk onderzoek te verrichten, voornamelijk vanwege de kosten.
                            Daarnaast is dwang ook niet mogelijk wegens het ontbreken van de
                            mogelijkheid om binnen te kunnen treden puur in het geval dat een
                            dergelijk onderzoek gewenst is. Bij niet-woningen is dat wel mogelijk,
                            maar bij woningen is binnentreden gebonden aan het Huisvrederecht. De
                            strenge eisen die hieraan verbonden zijn, maken het niet mogelijk dat
                            voor slechts een bouwhistorisch onderzoek bij de aanwijzing tot monument
                            wordt binnengetreden. Dat is wezenlijk anders dan wanneer wordt
                            binnengetreden in het kader van toezicht op de naleving van de
                            verordening. Het ontbreken van de mogelijkheid om een bouwhistorisch
                            onderzoek bij de aanwijzing af te dwingen kan worden ondervangen nadat
                            een woning is aangewezen tot monument. De voorwaarden die de gemeente
                            betreffende de afhandeling van aanvragen om een beschikking (in casu de
                            monumentenvergunning) op grond van artikel 4:5 Awb kan stellen, bieden
                            voldoende houvast. Argument hierbij is dat inzicht in de
                            cultuurhistorische waarde van een gebouw bij de beoordeling van de
                            aanvraag tot wijziging van een monument van belang is. De gemeente
                            bepaalt dan dat (de uitkomst van) een bouwhistorisch onderzoek tot de
                            noodzakelijke gegevens behoort om tot een beoordeling van de aanvraag te
                            komen. Hierbij moet wel sprake zijn van evenredigheid wat betreft de
                            omvang van de wijziging van het monument in relatie tot de omvang van
                            het onderzoek en de daaraan verbonden kosten. Deze bepaling uit de Awb
                            maakt het daarmee niet noodzakelijk dat het laten verrichten van een
                            bouwhistorisch onderzoek in de verordening opgenomen hoeft te
                            worden.</al><al/><al>B.Ook de nieuwe systematiek van de modelverordening, voortvloeiend uit
                            het dereguleringstraject en gebaseerd op het stellen van nadere regels,
                            maakt het gebruik van het historisch bouwonderzoek een te zwaar
                            instrument. Immers, de nadere regels in het derde lid van artikel 10
                            vragen om een vereenvoudigde aanpak bij lichte wijzigingen aan een
                            monument (het draait hier feitelijk om de gevolgen die de aanwijzing
                            heeft op reguliere onderhoudswerkzaamheden). Het zou noch proportioneel
                            noch evenredig zijn om bij een dergelijke vereenvoudigde aanpak een
                            bouwhistorisch onderzoek verplicht te stellen. Het niet langer verplicht
                            stellen doet echter niets af aan het intrinsieke belang van
                            bouwhistorisch onderzoek.</al><al>B.Hoofdstuk 2. Aanwijzing gemeentelijke monumenten</al><al>B.De Wabo is niet van toepassing op dit hoofdstuk. De Wabo ziet alleen
                            op toestemmingstelsels (vergunningen en ontheffingen). Hierdoor blijft
                            het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag betreffende de
                            aanwijzing van gemeentelijke monumenten.</al><al>B.Artikel 2. Het gebruik van een monument</al><al>B.Het betreft hier vooral de gebruiksmogelijkheden die de
                            eigenaar/gebruiker zelf aan het object toekent. Deze
                            gebruiksmogelijkheden slaan op de constructie en de ligging van het
                            object, maar ook het feitelijke gebruik van het object zelf. </al><al>B.Artikel 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument</al><al>B.<cursief>Lid 1</cursief></al><al>B.De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de
                            monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De
                            aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de
                            gemeentelijke monumentenlijst is slechts een administratieve
                            handeling.</al><al>B.Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het
                            college. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing
                            worden besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten
                            opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk
                            gemotiveerd in het besluit naar voren komen (de redengeving). De
                            aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding. De aanwijzing verandert
                            immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik van het
                            monument.</al><al>B.Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat
                            betreft het toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de
                            monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie
                            art. 10, tweede lid) of slechts op grond van de nadere regels (zie art.
                            10, derde lid) worden gewijzigd. Het wijzigen van niet-monumentale
                            onderdelen is alleen vergunningvrij wanneer ook geen omgevingsvergunning
                            voor het bouwen is vereist. Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de
                            burger in te perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende
                            omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet van het
                            object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en
                            voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke
                            afweging kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare
                            bijzondere onderdelen tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld
                            voor wijzigingen aan de achterkant en het interieur in dat geval geen
                            omgevingsvergunning voor monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen
                            een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al><al>B.<cursief>Lid 2</cursief></al><al>B.Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie als
                            bedoeld onder artikel 1, sub d. De verordening bindt het advies niet aan
                            bepaalde voorschriften over vorm en inhoud. Een regeling die de taak en
                            werkwijze van de monumentencommissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen
                            plaats.</al><al>B.In de verordening is geen bepaling opgenomen dat voordat het college
                            over een aanwijzing een besluit neemt de aanvrager en andere
                            belanghebbenden worden gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de
                            artikelen 4:8 en 4:9 van) de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al><al>B.<cursief> Lid 3</cursief></al><al>B.Dit lid is nodig ondanks het bepaalde in artikel 4:8 Awb dat
                            belanghebbenden zienswijzen naar voren kunnen brengen. Overleg is immers
                            meer dan het naar voren kunnen brengen van zienswijzen.</al><al>B.<cursief>Lid 4</cursief></al><al>B.Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie
                            al op een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als
                            gemeentelijk monument in aanmerking.</al><al>B.Artikel 4. Voorbescherming</al><al>B.Dit artikel regelt de voorbescherming voor toekomstige gemeentelijke
                            monumenten, zoals die ook voor rijksmonumenten geldt. Dat betekent dat
                            in de periode van kennisgeving van het voornemen van het college om een
                            monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het
                            daadwerkelijke aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de
                            artikelen 10 tot en met 14 van deze verordening van toepassing zijn. Dat
                            betekent onder andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure
                            tot gemeentelijk monument niet mag worden afgebroken, gewijzigd,
                            verplaatst (etc.) zonder een omgevingsvergunning voor monumenten of
                            anders dan de bij nadere regels opgestelde wijze. Het gebruik van de
                            voorbeschermingsprocedure is gebonden aan een motivatieplicht, aangezien
                            hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële consequenties zijn
                            verbonden. Immers, gedurende de voorbescherming dienen bouwactiviteiten
                            te worden opgeschort.</al><al>B.Het inroepen van de voorbescherming van een object is een
                            publiekrechtelijke beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van
                            artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 5 van de Wet
                            kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee is
                            ook onder andere artikel 13 van deze wet van toepassing wat betreft de
                            aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden schade. Daarom moet een
                            gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het inroepen van de
                            voorbescherming. Zie hiertoe ook de toelichting bij artikel 6 van deze
                            verordening.</al><al>B.Artikel 5. Termijnen advies en aanwijzingsbesluit</al><al>B.In dit artikel worden de termijnen genoemd waarbinnen de
                            monumentencommissie moet adviseren (lid 1) en het college een beslissing
                            moet nemen (lid 2). Door de besluitvorming aan een termijn te binden,
                            weten alle belanghebbenden waar ze aan toe zijn. In het kader van de
                            vermindering van administratieve lasten dient goed nagedacht te worden
                            over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van de
                            termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te
                            minder zijn de administratieve lasten voor de burger.</al><al>B.Het bepaalde in lid 2 heeft tot gevolg dat, wanneer de
                            monumentencommissie niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze
                            kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te
                            laat uitgebracht advies als bedoeld in het eerste lid) toch in hun
                            overwegingen te betrekken. Als het college niet tijdig beslist, is op
                            grond van de Awb sprake van een fictieve weigering. Ingevolge artikel
                            6:2 staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of
                            administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou
                            staan.</al><al>B.Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit,
                            omdat de Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6).</al><al>B.Artikel 6. Mededeling aanwijzingsbesluit</al><al>B.De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een
                            afschrift van de inschrijving) van het college is voor alle aan het
                            monumentale object verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel
                            belang. De kenbaarheid van de aanwijzing tot monumentaal object is ook
                            te herleiden tot artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b,
                            sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende
                            zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van toepassing op
                            een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 6 van deze
                            verordening.</al><al>B.Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt
                            bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al
                            bepaalt (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van
                            geadresseerde en derdebelanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op
                            grond van het bepaalde in artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te
                            ontvangen.</al><al>B.Artikel 7. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst</al><al>B.De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en
                            geen besluit). De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om
                            een ieder snel inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument
                            zijn aangewezen en de redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste
                            aspect zij tevens verwezen naar de toelichting bij artikel 3, eerste lid
                            (aanwijzing).</al><al/><al>B.Artikel 8. Wijziging van de aanwijzing</al><al>B.Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van
                            gemeentelijke monumenten te wijzigen (lid 1). Hiervoor geldt dezelfde
                            voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf (lid 2), tenzij de
                            wijziging van ondergeschikte betekenis is (lid 3). Wijzigingen van de
                            aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst (lid
                            4).</al><al>B.Artikel 9. Intrekken van de aanwijzing</al><al>B.Dit artikel geeft de mogelijkheid om de aanwijzing van gemeentelijke
                            monumenten in te trekken (lid 1). Voor intrekking van de aanwijzing is
                            het advies van de monumentencommissie nodig. Monumenten op de
                            gemeentelijke monumentenlijst waarvan de aanwijzing is ingetrokken
                            (omdat ze zijn gesloopt of anderszins volledig teloor gegaan), worden
                            door het college van de monumentenlijst gehaald. </al><al>B.Het kan zinvol zijn om voor een gebouw, waarvoor een aanvraag tot
                            intrekking van de aanwijzing loopt een (uitvoerige) documentatie te
                            eisen. Enerzijds kan deze voor een goede afweging van de aanvraag
                            dienen, anderzijds wordt het gebouw voorafgaand aan de sloop voor de
                            lokale geschiedenis gedocumenteerd.</al><al>B.Hoofdstuk 3. Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken</al><al>B.Artikel 10. Instandhoudingbepaling</al><al>B.De verbodsbepaling in het eerste lid van artikel 10 vertoont
                            gelijkenis met artikel 2.2, eerste lid, onder f van de Wabo waarbij het
                            gaat om de beschermde monumenten uit de Monumentenwet 1988. In dit
                            artikel gaat het alleen over gemeentelijke monumenten. Ten aanzien van
                            de omgevingsvergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van
                            belang dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld
                            is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15). In het kader van
                            de Wabo dient de gemeente een aanvraag langs elektronische weg mogelijk
                            te maken. Een schriftelijke aanvraag wordt ingediend met behulp van een
                            door de Minister van VROM vastgesteld formulier. </al><al>B.De Mor voorziet in nadere regels met betrekking tot de
                            indieningsvereisten voor de aanvragen voor een omgevingsvergunning. In
                            paragraaf 5.2 van de Mor zijn specifieke indieningsvereisten opgenomen
                            voor activiteiten met betrekking tot monumenten. De aard, de omvang en
                            de locatie van de werkzaamheden bepalen welke indieningsvereisten
                            gelden. Het bevoegd gezag heeft niet de mogelijkheid van deze
                            indieningsvereisten af te wijken. In het kader van de vermindering van
                            administratieve lasten voor burgers en bedrijven dienen de
                            indieningsvereisten bij de vergunningaanvraag zo beperkt mogelijk
                            gehouden te worden. Zo kan het overleggen van bouwtekeningen worden
                            beperkt tot 1 exemplaar.</al><al>B.In lid 3 van artikel 10 wordt de mogelijkheid geschapen voor het
                            college om nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden
                            gesteld van het verbod uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het
                            tweede lid. De Wabo ziet alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze
                            bepaling over het stellen van nadere regels valt daarom buiten de Wabo.
                            Het college blijft hiervoor het bevoegde gezag. </al><al>B.Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan
                            gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn.
                            Voornamelijk het reguliere onderhoud kan in vastomlijnde regels worden
                            opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigingen
                            (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van
                            identieke materialen) worden geconfronteerd met een vergunningprocedure.
                            In deze nadere regels kunnen dan expliciet die situaties worden benoemd
                            waarin de burger geen vergunning hoeft aan te vragen. Indien echter
                            duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote (niet-reguliere)
                            wijzigingen aan een monument, kan ook dit toetsingskader in algemene
                            regels worden opgenomen, zodat burgers nog minder met administratieve
                            lasten worden geconfronteerd.</al><al>B.In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen)
                            kunnen de uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het
                            kader van de monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de
                            bouwkundige en monumentale kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te
                            staan. Voorts staat het voeren van (voor)overleg centraal bij dit
                            artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd. Praktisch gezien gaat een
                            medewerker monumentenzorg van de gemeente, op locatie en gezamenlijk met
                            de initiatiefnemer, onderzoeken welke aanpassingen mogelijk zijn aan de
                            hand van de algemene regels, zodat de monumentale waarde van het object
                            niet of zo min mogelijk wordt aangetast.</al><al>B.In lid 4 is de bepaling betreffende de religieuze monumenten
                            teruggeplaatst. Is er sprake van een vergunning voor het monument dan is
                            overeenstemming tussen de eigenaar en de vergunningverlener nodig.
                            Overleg en overeenstemming betreffen de wezenlijke belangen van de
                            godsdienstuitoefening in het religieuze monument. Dat betekent dat voor
                            bijvoorbeeld een pastorie of catechisatieruimte deze bepaling dan ook
                            niet geldt. </al><al>B.<vet>Artikel 11. De schriftelijke aanvraag</vet></al><al>B.Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Bor
                            zowel digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze
                            tussen het digitaal dan we schriftelijk aanvragen van de
                            omgevingsvergunning. Voor ondernemingen en personen met een zelfstandig
                            beroep geldt in beginsel geen keuzevrijheid, zij kunnen uitsluitend een
                            aanvraag langs digitale weg indienen. aangezien een aantal, met name
                            kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde voorzieningen beschikken
                            om een aanvraag digitaal in te dienen is in overleg met diverse
                            brancheorganisaties besloten om de verplichting na verloop van twee
                            jaren in werking te laten treden. </al><al>B.Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de
                            administratieve lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij
                            een schriftelijke aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en
                            de daarbij behorende bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan
                            op grond van het derde lid van artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken.
                            Er moet dan sprake zijn van twee of meer adviezen of verklaringen van
                            geen bedenkingen.</al><al>B.Artikel 12. Termijnen advies en vergunningverlening</al><al>B.Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een
                            omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10 de reguliere
                            voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging
                            ten opzichte van de oude model Erfgoedverordening. Op basis hiervan was
                            op de voorbereiding van deze vergunningaanvraag de uitgebreide openbare
                            voorbereidingsprocedure uit de Awb van toepassing verklaard. Op grond
                            van de Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht voor de vergunning
                            betreffende de gemeentelijke monumenten. Echter indien er meerdere
                            activiteiten voor het project moeten worden uitgevoerd en voor één van
                            de andere activiteiten de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure
                            op grond van de Wabo gevolg moet worden dan wordt voor het hele project
                            de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt
                            van de Wabo is dat altijd maar één procedure geldt. Indien er sprake is
                            van een samenloop van procedure geldt de zwaarste procedure (de
                            uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure). </al><al>B.Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor
                            gekozen om deze hieronder nader toe te lichten. </al><al>B.De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de
                            doelen van de Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle
                            besluitvorming. </al><al>B.De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan
                            bij titel 4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte
                            ontvangstbevestiging van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd
                            gezag zendt de aanvrager nadat het de aanvraag heeft ontvangen een
                            bericht waarin het vermeldt dat zij bevoegd gezag is, welke procedure
                            zal worden doorlopen, de beslistermijn en de beschikbare rechtsmiddelen
                            en indien de reguliere procedure wordt gevolgd vermeldt het bevoegd
                            gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven, indien niet
                            tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de verstrekte gegevens en
                            bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt
                            het bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de
                            door hem gestelde termijn aan te vullen. Het bevoegd gezag geeft van de
                            aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum kennis in een of meer dag,
                            nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het
                            bevoegd gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8 weken een
                            beslissing op de aanvraag nemen. In deze periode moet het bevoegd orgaan
                            eventuele belanghebbenden de mogelijkheid geven om zienswijzen in te
                            brengen (artikel 4:8 Awb). </al><al>B.Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26,
                            derde lid, Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid
                            worden gesteld advies uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht
                            worden aan de (gemeentelijke) monumentencommissie.</al><al>B.Voor het uitbrengen van advies is geen termijn opgenomen. Van belang
                            is dat de adviseur in de gelegenheid moet worden gesteld om advies uit
                            te brengen. Het is echter aan de adviseur om te bepalen of hij van deze
                            gelegenheid gebruik wil maken. Het uitbrengen van een advies staat het
                            nemen van een besluit niet in de weg. Wordt het advies niet binnen de
                            gestelde termijn gegeven dan kan het bevoegd gezag de procedure
                            vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn van 8 weken in acht
                            te nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes weken worden
                            verlengd. Het bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde manier mededeling
                            te doen als van de kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van 6
                            weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het
                            uitbrengen van een advies. </al><al>B.Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn
                            te stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij
                            wettelijk voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort
                            zijn, dat de adviseur zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet
                            op de beslistermijn dient het uitbrengen van het advies door de
                            monumentencommissie parallel te lopen aan de beoordeling van de aanvraag
                            door het bevoegde gezag. Dit parallel lopen van het advies en de
                            beoordeling gebeurt ook al in het kader van de verlening van de
                            evenementenvergunning waarbij een advies van de brandweer is vereist. </al><al>B.Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage
                            gelegd waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het
                            besluit treedt in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en
                            wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een
                            bezwaarschrift is verstreken.</al><al>B.In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale
                            beslistermijn opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in
                            dat de overschrijding van de beslistermijn leidt tot een
                            omgevingsvergunning van rechtswege. De omgevingsvergunning wordt conform
                            de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van de fictieve
                            vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb zijn
                            van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid
                            en 4:20f. De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met
                            ingang van de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de
                            termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien
                            bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist. </al><al>B.<vet>Artikel 13. Weigeringsgronden</vet></al><al>B.De omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien er strijd is met één
                            van de toetsingscriteria uit het bestaande toetsingskader. De
                            afzonderlijke toetsingskaders zijn onder de Wabo namelijk blijven
                            bestaan. In het kader van dit artikel moet worden afgewogen in hoeverre
                            het belang van monumenten in het geding is. Inhoudelijk kan aangegeven
                            worden dat het belang van de monumentenzorg zwaarder weegt dan andere
                            belangen (bijvoorbeeld het economisch belang). De tekst van het artikel
                            geeft namelijk aan dat het belang van de monumentenzorg zich niet tegen
                            de vergunningverlening mag verzetten. Hierdoor wordt de monumentenzorg
                            centraal gesteld. De vergunning moet op grond van dit artikel worden
                            verleend in de gevallen dat het niet strijdig is met het belang van de
                            monumentenzorg. </al><al>B.Artikel 14. Intrekken van de vergunning</al><al/><al>B.Dit artikellid bevat de mogelijke gronden om een vergunning in te
                            trekken. De bepaling onder b heeft de volgende achtergrond: als de
                            omstandigheden bij de vergunninghouder ten aanzien van het monument
                            wijzigen, dan zou het zo kunnen zijn dat als er een nieuwe
                            belangenafweging zou kunnen plaatsvinden, de belangen van het monument
                            behoren voor te gaan. In dat geval moet het bevoegd gezag mogelijkheden
                            hebben om de vergunning in te trekken.</al><al>B.Hoofdstuk 4. Beschermde monumenten</al><al>B.Artikel 15. Vergunning voor beschermd monument</al><al>B.<cursief>Lid 1</cursief></al><al>B.De procedure voor de afgifte door het bevoegd gezag van de vergunning
                            voor beschermde monumenten staat in paragraaf 3.3 van de Wabo en
                            afdeling 3.4 van de Awb. De uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure
                            is van toepassing. Hierin verschilt de omgevingsvergunning voor
                            beschermde monumenten van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke
                            monumenten. Voor een vergunning als bedoeld in artikel 10 dient namelijk
                            de reguliere procedure gevolgd te worden. Door de inwerkingtreding van
                            de Wabo vindt er geen wijziging in de voorbereidingsprocedure voor de
                            omgevingsvergunning voor beschermde monumenten plaats. Door dit
                            onderscheid in procedures is de beslistermijn voor beide
                            omgevingsvergunningen niet gelijk. Dit heeft tot gevolg dat de
                            adviestermijn voor beschermde monumenten ook langer zal zijn. Door de
                            komst van de Wabo wordt de kring van belanghebbenden vergroot. Gedurende
                            de termijn van terinzagelegging kan een ieder een zienswijze indienen.
                            Voorheen konden alleen belanghebbenden zienswijzen indienen. </al><al>B.De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, en buiten de bebouwde kom
                            ook Gedeputeerde Staten (hierna: GS), moet binnen 8 weken (art. 6.4 Bor)
                            na verzending van de adviesaanvraag adviseren. Het definitieve besluit
                            moet binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag worden genomen. Op
                            het definitieve besluit kan nog slechts door belanghebbenden beroep
                            worden ingesteld.</al><al>B.Overigens blijken provincies in de praktijk hieraan op verschillende
                            wijzen invulling te geven. De voorgenomen beperking adviesplicht van de
                            rijksdienst vanaf 2009 zal op bovenstaande van invloed zijn. Daarom
                            wordt de verplichte advisering in het wetsvoorstel ‘Wijziging van de
                            Monumentenwet 1988 in verband met onder meer beperking van de
                            ministeriële adviesplicht bij aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                            monumenten’ los gelaten. Alleen wanneer er sprake is van reconstructie,
                            sloop en herbestemming van een beschermd monument zal de adviesplicht
                            van toepassing blijven. Ter compensatie van het wegvallen van het advies
                            van de rijksdienst zullen alle gemeenten vanaf 2009 een
                            monumentencommissie moeten hebben aangesteld, die onafhankelijk en
                            deskundig is. Het overgangsartikel 64 in de Monumentenwet 1988, waarin
                            de rijksdienst bij afwezigheid van een monumentencommissie in diens
                            advisering trad, is ingetrokken. Indien het beschermd monument buiten de
                            bebouwde kom ligt, is het college van B&amp;W verplicht om een afschrift
                            van de aanvraag aan GS te zenden. </al><al>B.GS kunnen de adviesbevoegdheid vervolgens naar eigen inzicht invullen
                            en al dan niet tot advisering overgaan, waarvoor men twee maanden de
                            tijd heeft. Het is gewenst dat GS al op voorhand kenbaar maken in welke
                            gevallen zij niet adviseren, zodat de beoogde tijdswinst ook
                            daadwerkelijk kan worden gehaald.</al><al>B.<cursief>Lid 2</cursief></al><al>B.De Monumentenwet 1988 schrijft voor dat de monumentencommissie bij de
                            aanvragen om een omgevingsvergunning voor beschermde monumenten wordt
                            ingeschakeld.</al><al>B.Hoofdstuk 5. Instandhouding van archeologische terreinen</al><al>B.Artikel 16. Instandhoudingbepaling</al><al>B.De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006
                            verplicht de raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als
                            bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te
                            houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten.
                            Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend uit het Verdrag van Malta)
                            en daarmee ook van deze verordening, is daarom primair dat in het
                            bestemmingsplan, door middel van een gemeentelijke archeologische
                            waardenkaart, wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in de
                            bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een
                            overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´
                            is.</al><al>B.<cursief>Lid 1</cursief></al><al>B.Tot het moment dat een ´Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden
                            vastgesteld, biedt deze verordening bij wijze van artikel 16 de nodige
                            bescherming aan archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid van
                            artikel 16 biedt bescherming door het opgenomen verbod om dieper dan 30
                            cm de bodem te verstoren. </al><al>B.<cursief>Lid 2</cursief></al><al>B.In het tweede lid van artikel 16 worden een vijftal
                            uitzonderingsmogelijkheden gegeven op het eerste lid. Onderdeel a is
                            niet van toepassing, indien de verstoring plaats vindt in een
                            archeologisch monument of verwachtingsgebied als aangegeven op de
                            gemeentelijke verwachtings- en beleidsadvieskaart. Deze waardenkaarten
                            hanteren over het algemeen een indeling wat betreft de mate waarin
                            archeologische waarden in de bodem kunnen worden aangetroffen. Deze
                            archeologische verwachtingswaarden zijn vervolgens gekoppeld aan een
                            aantal m2 te verstoren verwachtingsgebied. Hoe lager de verwachte
                            archeologische waarden, hoe groter het aantal m2 kan zijn waarbinnen een
                            verstoring mag plaatsvinden. Bij een hoge verwachtingswaarde zal het
                            aantal m2 waarbinnen een verstoring mag plaatsvinden echter aanzienlijk
                            kleiner zijn. Bij de bepaling van deze grenzen dient voldoende rekening
                            gehouden te worden met de vraag wat er binnen het verwachtingsgebied aan
                            archeologische sporen kan worden aangetroffen. In ieder geval moet
                            binnen de gehanteerde oppervlakte dusdanig zijn dat voldoende informatie
                            verkregen kan worden over de aard, het karakter en de datering van de
                            (mogelijk) in de bodem aan te treffen archeologische sporen. </al><al>B.Onderdeel b ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel up-to-date
                            is als bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel. In dat
                            geval biedt het bestemmingplan, aan de hand van een bijbehorende
                            archeologische waardenkaart, voldoende bescherming aan de in de bodem
                            aanwezige of te verwachten archeologische waarden.</al><al>B.In onderdeel c worden een aantal mogelijkheden genoemd die voorheen in
                            de Wet ruimtelijke ordening waren opgenomen en nu in artikel 2.12 Wabo.
                            Het gaat hier om het oude projectbesluit, de oude binnenplanse
                            ontheffing, de oude tijdelijke ontheffing en de oude buitenplanse
                            ontheffing (voorheen de artikelen 3.10, 3.22 en 3.23 Wro) Deze
                            bepalingen zijn met de Invoeringswet Wabo komen te vervallen. </al><al>B.Wel geldt nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand kunnen komen
                            doordat bij de aanvraag voorschriften kunnen worden opgenomen met
                            betrekking tot archeologische waarden in het gebied waarvoor de aanvraag
                            geldt. </al><al>B.Aan de aanvraag kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een
                            rapportage wordt overlegd waarin de archeologische waarden van het te
                            verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld. </al><al>B.Onderdeel e ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in
                            onderdeel c. Het gaat hier in de eerste plaats om een verkapt
                            vergunningstelsel ten behoeve van het realiseren van een fysiek project.
                            Er is voor gekozen om deze bepaling dan ook onder de Wabo te laten
                            vallen. Op grond van artikel 18 zijn de bepalingen uit hoofdstuk 3 van
                            overeenkomstige toepassing verklaard op de beoordeling van het rapport
                            door het bevoegd gezag.</al><al>B.Dit rapport kan ook in de nadere regels onder d worden gevraagd en
                            komt overeen met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de
                            Monumentenwet 1988 in geval van een bestemmingsplan in de geest van het
                            Verdrag van Malta.</al><al>B.Als laatste wordt in het rijtje het onderdeel d toegelicht. Op grond
                            van dit artikel kan het college nadere regels stellen wat betreft de
                            eisen aan de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een
                            archeologisch monument of verwachtingsgebied. Vooruitlopend op een
                            ´Malta-proof’ bestemmingsplan´ kunnen deze nadere regels inhoudelijk
                            aansluiten op de situatie dat (in een bestemmingsplan waarin een
                            archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende werkzaamheden
                            worden uitgevoerd aan de hand van een aanlegvergunning, waarin vereisten
                            betreffende de bescherming van archeologische waarden zijn opgenomen,
                            een en ander conform de handreiking van de VNG ‘Verder met
                            Valletta’.</al><al>B.Artikel 17. Opgravingen en begeleiding</al><al>B.De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen
                            goed functioneren, indien een gemeente hierover actief de archeologische
                            onderzoekers informeert. Immers, indien een gemeente deze bepaling in
                            haar verordening opneemt, wordt gekozen voor een uitgebreide
                            regiefunctie bij archeologische opgravingen binnen het gemeentelijk
                            grondgebied. Indien een dergelijk regierol niet uitdrukkelijk gewenst,
                            dient deze bepaling niet overgenomen te worden. In dat geval bestaat nog
                            steeds voldoende bescherming bij opgravingen, aangezien al in de
                            Monumentenwet 1988 een aantal zaken uitputtend is geregeld. Zo bestaat
                            een vergunningvereiste voor het doen van opgravingen; dient een
                            rechthebbende van een terrein te dulden dat de opgravingbevoegde zijn
                            terrein betreedt en eventueel opgravingen verricht; en is ook de
                            eigendomskwestie van de archeologische vondsten uitputtend
                            geregeld.</al><al>B.Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college
                            een programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld
                            voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1,
                            onder a). Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan
                            van aanpak weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders, zoals
                            omschreven in het programma van eisen, denkt te gaan invullen (lid 1,
                            onder b). Ook hier is sprake van een verkapt vergunningstelsel ten
                            behoeve van de realisering van een fysiek project. Net als bij onderdeel
                            e, van het tweede lid van artikel 16 is ervoor gekozen om deze bepaling
                            onder de werking van de Wabo te laten vallen. Op grond van de leden 2 en
                            3 kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de
                            feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en de beoordeling van het
                            plan van aanpak.</al><al>B.<vet>Artikel 18. Procedure</vet></al><al>B.Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 16, tweede lid,
                            onder e en artikel 17, eerste lid, onder b sprake van een verkapt
                            vergunningstelsel en de uitvoering van een fysiek project. Om deze reden
                            is de Wabo van toepassing verklaard. De bepalingen uit de artikelen 11,
                            12, 13 en 14, welke zien op de verlening van de omgevingsvergunning voor
                            gemeentelijke monumenten, kunnen derhalve van overeenkomstige toepassing
                            worden verklaard. Voor de toelichting wordt verwezen naar de
                            artikelgewijze toelichting bij deze artikelen. </al><al>B.Hoofdstuk 6. Overige bepalingen</al><al>B.Artikel 19. Tegemoetkoming in schade</al><al>B.De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de
                            Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is
                            (BR 86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient
                            echter, op grond van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een
                            schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De
                            rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer
                            van toepassing. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de
                            memorie van toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg
                            is verwoord, staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding
                            voorop en geldt voor alle genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal
                            zelf per geval moeten afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’
                            is. In deze modelverordening is gekozen voor een
                            schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen
                            op grond waarvan het bevoegd gezag mogelijk een schadevergoeding aan een
                            belanghebbende dient toe te kennen.</al><al>B.Lid 2 van deze bepaling is ten opzichte van de vorige
                            model-erfgoedverordening geschrapt. Er is geen procedure voorgeschreven
                            voor het bepalen van de tegemoetkoming. De procedure op grond van
                            afdeling 6.1 Wro jo. afdeling 6.1 Bro kan worden toegepast, echter
                            alvorens daartoe te besluiten is het zinvol een inschatting te maken van
                            de schade ten opzichte van de kosten en omvang van deze procedure. </al><al>B.Artikel 20. Strafbepaling</al><al>B.Deze strafbepaling is met de komst van de Wabo alleen nog van
                            toepassing op de nadere voorschriften die het college kan stellen op
                            grond van artikel 10, derde lid en artikel 16, met uitzondering van het
                            tweede lid, onder e. De strafbaarstelling van de omgevingsvergunning
                            voor gemeentelijke monumenten is geregeld in de Wet economische delicten
                            (Wed). Het handelen zonder vereiste omgevingsvergunning of in strijd met
                            de voorschriften daarvan wordt aangemerkt als economisch delict.</al><al>B.Voor de strafbaarstelling van de nadere regels geldt dat artikel 154,
                            lid 1, van de Gemeentewet aan de raad een keuzemogelijkheid laat om op
                            overtreding van verordeningen straf te stellen, maar geen andere of
                            zwaardere dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de
                            tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke
                            uitspraak. In artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht zijn de
                            geldboetecategorieën opgenomen. De op te leggen boete voor strafbare
                            feiten in de eerste categorie is maximaal € 370,- (januari 2008); in de
                            tweede categorie maximaal € 3700,- (januari 2008). Het is de gemeente
                            niet toegestaan om een hogere geldboete op te nemen dan in genoemde
                            categorieën. </al><al>B.Op gemeentelijk niveau is, gelet op de ernst van dit vergrijpen de
                            wens om enige preventieve werking te bereiken, de keuze voor de
                            geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van drie maanden voor
                            het overtreden van de nadere regels voor de hand liggend.</al><al>B.Artikel 21. Toezichthouders</al><al>B.In dit artikel worden toezichthouders aangewezen overeenkomstig
                            modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving.
                            Het is de bedoeling dat bij het eerste lid, onder a en b, functies van
                            de ambtenaren die belast zijn met de opsporing worden ingevuld. Het
                            aanwijzen van toezichthouders ingevolge het tweede lid kan door het
                            college geschieden. Deze aanwijzingsbevoegdheid staat los van de
                            vergunningverlening en valt derhalve buiten het bereik van de Wabo. </al><al>B.De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk
                            5 van de Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de
                            bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende rechtsregels en
                            individueel geldende voorschriften. Toezichthouders worden in artikel
                            5:11 Awb omschreven als zijnde personen, die bij of krachtens wettelijk
                            voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van
                            het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift, zodat de
                            aanwijzing van toezichthouders derhalve in de Erfgoedverordening kan
                            plaatsvinden.</al><al>B.In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat
                            inhoudt dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen
                            voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak
                            noodzakelijk is. Een toezichthouder kan daarom niet te allen tijde
                            gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan
                            toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten
                            worden of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs
                            noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het voorschrift op de
                            naleving waarvan een toezichthouder moet toezien.</al><al>B.Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke
                            plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van
                            de bewoner. 'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen
                            erven en andere terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen).
                            Nadrukkelijk zij hier vermeld dat het college op grond van dit artikel
                            niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als bedoeld in artikel 141
                            Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te doen aangezien
                            artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij
                            verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid
                            toekomt. Deze buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een
                            opsporingsbevoegdheid voor een beperkt aantal strafbare feiten.</al><al>B.Hoofdstuk 7. Slotbepalingen</al><al>B.Artikel 22. Intrekken oude regeling</al><al>B.Dit artikel regelt de intrekking van de oude Erfgoedverordening, zodat
                            niet twee verordeningen van kracht zijn die hetzelfde onderwerp regelen.
                            Het uitdrukkelijk intrekken van een oude regeling mag niet achterwege
                            worden gelaten met een beroep op het beginsel dat een vroegere regeling
                            ter zijde wordt gesteld door een latere regeling.</al><al>B.Artikel 23. Overgangsrecht</al><al>B.In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven.
                            Indien bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd
                            duidelijk welke gevolgen de intrekking moet hebben voor op die regeling
                            gebaseerde beschikkingen. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging
                            van bestaande rechten is daarom in deze verordening een
                            overgangsbepaling opgenomen. De bestaande rechten betreffen in dit geval
                            de aanwijzing tot monument (artikel 3) en de vergunning verlening
                            (artikel 10).</al><al>B.In het eerste lid worden de op grond van de oude verordening op de
                            gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten geacht te zijn
                            aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening. In
                            het tweede lid is geregeld dat aanvragen om een omgevingsvergunning voor
                            gemeentelijke monumenten, die zijn ingediend vóór het van kracht worden
                            van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude
                            verordening. Voor een bepaalde overgangsperiode zullen er dus twee
                            procedures gelden. Indien de verordening niet tijdig aan de Wabo is
                            aangepast, terwijl deze wet al wel in werking is getreden zet de Wabo de
                            bepalingen uit de verordening aan de kant. De Wabo gaat namelijk voor op
                            lagere regelgeving. De bepalingen uit de verordening zijn van rechtswege
                            onverbindend. Bij een nieuwe aanvraag voor een vergunning gelden dan de
                            bepalingen uit de Wabo. </al><al>B.Artikel 24. Inwerkingtreding</al><al>B.De inwerkingtreding van deze verordening en het vervallen van de oude
                            verordening is gekoppeld aan de datum van inwerkingtreding van de Wabo.
                            Bekendmaking van deze verordening moet op grond van artikel 142 van de
                            Gemeentewet plaatsvinden tenminste acht dagen voor
                            inwerkingtreding.</al><al>B.Artikel 25. Citeertitel</al><al>B.Dit artikel noemt de naam van de verordening. </al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>