<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--
      meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR237279_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad gemeente Nuenen 2010</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Nuenen, Gerwen en Nederwetten</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-01-03</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Nuenen, Gerwen en Nederwetten</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Rond de Linde, 24-06-2010</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad gemeente Nuenen 2010</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2010-05-20</dcterms:issued><dcterms:rights>
          De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
          databankrecht
        </dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2010-06-25</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2016-03-03</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>RV 13</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad gemeente Nuenen 2010</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Nuenen c.a.;</al><al/><al>gezien het voorstel van het presidium</al><al/><al>gelet op de desbetreffende bepalingen in de Gemeentewet;</al><al/><al>B E S L U I T :</al><al/><al>Vast te stellen het Reglement van orde voor de vergaderingen en andere
                        werkzaamheden van de raad gemeente Nuenen 2010</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In dit reglement wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al> voorzitter: de voorzitter van de raad of diens waarnemer;</al></li><li nr="b."><al> amendement: voorstel tot wijziging van een ontwerpverordening of
                                ontwerpbeslissing, naar de vorm geschikt om daarin direct te worden
                                opgenomen;</al></li><li nr="c."><al> subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement,
                                naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen in het
                                amendement, waarop het betrekking heeft;</al></li><li nr="d."><al> motie: korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor
                                een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken;</al></li><li nr="e."><al> initiatiefvoorstel: een voorstel voor een verordening of een ander
                                voorstel;</al></li><li nr="f."><al> voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de
                                vergadering;</al></li><li nr="g."><al> burgercommissielid: niet raadslid. De artikelen 10, 11, 12, 13 en
                                15 van de Gemeentewet zijn op hem overeenkomstig van
                                toepassing;</al></li><li nr="h."><al> Raadscommissievergadering: vergadering die de besluitvorming van de
                                Raad voorbereid;</al></li><li nr="i."><al> Vergadering: waar in dit reglement vergadering staat wordt
                                raadsvergadering bedoeld.</al></li><li nr="j."><al> Informatieve bijeenkomst: vergadering waarin informatief /
                                opiniërend of anderszins over een onderwerp gesproken wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>De voorzitter</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De voorzitter is belast met:</al><lijst><li nr="a."><al>het leiden van de vergadering;</al></li><li nr="b."><al>het handhaven van de orde;</al></li><li nr="c."><al>het doen naleven van het Reglement van orde;</al></li><li nr="d."><al>hetgeen de Gemeentewet of dit reglement hem verder opdraagt.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al> De Raad kiest uit zijn een midden één of meer waarnemend
                                voorzitters.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>De griffier</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De griffier is in elke vergadering van de raad aanwezig.</al></li><li nr="2."><al> Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door
                                een door de raad daartoe aangewezen plaatsvervangend griffier.</al></li><li nr="3."><al> De griffier kan, indien daartoe door de voorzitter uitgenodigd, aan
                                de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement deelnemen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>De gemeentesecretaris</titel></kop><al>De raad kan het college verzoeken de gemeentesecretaris in de vergadering
                        aanwezig te laten zijn en deel te laten nemen aan de beraadslagingen als
                        bedoeld in dit reglement.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Het presidium</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De raad heeft een presidium. Het presidium is belast met de
                                agendering voor de raad en informatieve bijeenkomsten.</al></li><li nr="2."><al> Het presidium bestaat uit de voorzitter en de fractievoorzitters.
                                De griffier is in elke vergadering van het presidium aanwezig.</al></li><li nr="3."><al> De voorzitter kan voorstellen de gemeentesecretaris uit te nodigen
                                voor het presidium.</al></li><li nr="4."><al> Elke fractievoorzitter wijst een lid van de raad aan, dat hem bij
                                zijn afwezigheid in het presidium vervangt.</al></li><li nr="5."><al> Elke fractievoorzitter heeft één stem in het presidium.</al></li><li nr="6."><al> Het presidium heeft, naast de taken vermeld in de artikelen 10, 12,
                                17, 42, 45 en 46 van deze verordening, als taak aanbevelingen te
                                doen aan de raad inzake de organisatie van de werkzaamheden van de
                                raad en van zijn commissies.</al></li><li nr="7."><al> De vergaderingen van het presidium vinden in beslotenheid
                                plaats.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Het seniorenconvent</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De raad heeft een seniorenconvent. </al></li><li nr="2."><al> Het seniorenconvent bestaat uit de voorzitter, de waarnemend
                                voorzitters van de gemeenteraad en de fractievoorzitters. De
                                griffier is in elke vergadering van het seniorenconvent
                                aanwezig.</al></li><li nr="3."><al> Het seniorenconvent heeft tot taak het bespreken van de algemene
                                gang van zaken in de raad en zaken van vertrouwelijke aard. </al></li><li nr="4."><al> De voorzitter kan voorstellen de gemeentesecretaris uit te nodigen
                                voor het seniorenconvent.</al></li><li nr="5."><al> Elke fractievoorzitter wijst een raadslid aan, dat hem bij zijn
                                afwezigheid in het seniorenconvent vervangt. </al></li><li nr="6."><al> Elke fractievoorzitter heeft één stem in het seniorenconvent.</al></li><li nr="7."><al> De vergaderingen van het seniorenconvent vinden in beslotenheid
                                plaats.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2</nr><titel>Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders; fracties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging raadsleden /
                            burgercommissieleden</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Bij elke benoeming van nieuwe leden van de raad stelt de raad een
                                commissie in bestaande uit drie leden van de raad. De commissie
                                onderzoekt de geloofsbrieven, de daarop betrekking hebbende stukken
                                van nieuw benoemde leden.</al></li><li nr="2."><al> De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven verslag
                                uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor een besluit. In
                                het verslag wordt ook melding gemaakt van een
                                minderheidsstandpunt.</al></li><li nr="3."><al> Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau
                                gebeurt in de laatste samenkomst van de raad in oude samenstelling
                                na de verkiezingen.</al></li><li nr="4."><al> Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van
                                de raad op om in de eerste vergadering van de raad in nieuwe
                                samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de
                                voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.</al></li><li nr="5."><al> In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de
                                voorzitter een nieuw benoemd lid van de raad op voor de vergadering
                                van de raad waarin over diens toelating wordt beslist om de
                                voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.</al></li><li nr="6."><al> Niet-raadsleden worden door de Raad in een raadscommissie benoemd
                                en leggen voorafgaand aan het uitoefenen van hun functie een eed af
                                ten overstaan van de voorzitter. Artikel 14 van de Gemeentewet is
                                hier van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor
                                “raad” wordt gelezen “raadscommissie”.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>benoemingsprocedure wethouders</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De voorzitter van de Raad stelt een ad hoc commissie
                                “Benoembaarheid wethouders” in, die onderzoek verricht naar de
                                benoembaarheid van een of meer wethouders en de Raad hierover
                                schriftelijk adviseert.</al></li><li nr="2."><al> De ad hoc commissie bestaat uit vier leden van de Raad. Bij
                                tussentijdse benoeming van (een) wethouder(s) zal in deze commissie
                                geen raadslid zitting hebben, behorende tot de fractie van waaruit
                                de kandidaat wordt voorgedragen. Bij een compleet nieuwe
                                collegebenoeming wordt deze voorwaarde losgelaten.</al></li><li nr="3."><al> De kandidaat wethouder legt de documenten en informatie die nodig
                                zijn voor de in hethiernavolgende lid door de commissie te
                                verrichten toetsing. De kandidaat wethouder maakt bovendien alle
                                overige door hem/haar in dat verband relevant geachte informatie aan
                                de commissie kenbaar.</al></li><li nr="4."><al> De commissie toetst de van de kandidaat ontvangen documenten en
                                informatie aan de hand van in elk geval een vijftal
                                voorschriften:</al><lijst><li nr="-"><al>de artikelen 35, 36a, 10 en 41 Gemeentewet
                                (benoembaarheidsvereisten);</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 41b en 12 Gemeentewet (nevenfuncties);</al></li><li nr="-"><al>artikel 36b Gemeentewet (onverenigbare functies);</al></li><li nr="-"><al>de artikelen 41c, 15 en 46 (onverenigbare of verboden
                                handelingen);</al></li><li nr="-"><al>de bestuurlijke gedragscode.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al> De commissie verricht zijn werkzaamheden in een niet openbare
                                vergadering, waarvan geen verslag wordt gelegd.</al></li><li nr="6."><al> De kandidaat wethouder wordt in de gelegenheid gesteld de
                                documenten en aangedragen informatie mondeling toe te lichten.</al></li><li nr="7."><al> Op basis van de beoordeelde informatie formuleert de commissie een
                                schriftelijk, beargumenteerd advies aan de Raad ten aanzien van de
                                benoembaarheid van de voorgedragen wethouder(s). Indien de ad hoc
                                commissie niet unaniem is in zijn oordeel wordt hiervan melding
                                gemaakt in het advies.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Fractie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De leden van de raad die door het centraal stembureau op dezelfde
                                kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van
                                de zitting als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer
                                slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke
                                fractie beschouwd.</al></li><li nr="2."><al> Indien boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert
                                de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Indien geen
                                aanduiding boven de kandidatenlijst was geplaatst, deelt de fractie
                                in de eerste vergadering van de raad aan de voorzitter mee welke
                                naam deze fractie in de raad wil voeren.</al></li><li nr="3."><al> De namen van degenen die als voorzitter van de fractie en als diens
                                plaatsvervanger optreden worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan
                                de voorzitter.</al></li><li nr="4."><al> Indien één of meer leden van een of meer fracties als zelfstandige
                                fractie gaan optreden of indien één of meer leden van een fractie
                                zich aansluiten bij een andere fractie wordt hiervan zo spoedig
                                mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter. Voor het
                                splitsen dan wel het vormen van nieuwe fracties is geen toestemming
                                vereist van de raad.</al></li><li nr="5."><al> De nieuwe naam van de fractie wordt gebruikt met ingang van de
                                eerstvolgende vergadering van de raad.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3</nr><titel>Vergaderingen</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Tijd en plaats van vergaderingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De vergadering van de raad vinden in de regel plaats op de laatste
                                donderdag van de maand en vangt aan om 19.30 uur en worden gehouden
                                in de raadzaal in het Klooster. </al></li><li nr="2."><al> De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en
                                aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij
                                voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende situatie,
                                overleg in het presidium.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Oproep</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De voorzitter zendt tenminste 6 dagen voor een vergadering de leden
                                van de raad een schriftelijke oproep onder vermelding van dag,
                                tijdstip en plaats van de vergadering.</al></li><li nr="2."><al> De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met
                                uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de
                                Gemeentewet bedoelde stukken, worden tegelijkertijd met de
                                schriftelijke oproep aan de leden van de raad verzonden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Agenda</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van de
                                schriftelijke oproep tot uiterlijk 48 uur voor de aanvang van een
                                vergadering, na overleg met het presidium een aanvullende agenda
                                opstellen. Deze wordt met de daarbij behorende stukken aan de leden
                                van de raad verzonden, en openbaar gemaakt.</al></li><li nr="2."><al> Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda vast. Op
                                voorstel van een lid van de raad of de voorzitter kan de raad bij de
                                vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda toevoegen of
                                van de agenda afvoeren.</al></li><li nr="3."><al> Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de openbare
                                beraadslaging voorbereid acht, kan hij het onderwerp verwijzen naar
                                een commissie of aan het college nadere inlichtingen of advies
                                vragen.</al></li><li nr="4."><al> De te behandelen onderwerpen voor een raadsvergadering worden
                                voorbereid in commissievergaderingen. Over de gang van zaken wordt
                                verwezen naar de verordening op de raadscommissies Nuenen 2010.5. Op
                                voorstel van een lid van de raad of van de voorzitter kan de raad de
                                volgorde van behandeling van de agendapunten wijzigen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>De wethouders</titel></kop><al>De wethouders kunnen bij de beraadslagingen aanwezig zijn en, indien door
                        vergadering of door hen gewenst, aan de beraadslagingen deelnemen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Ter inzage leggen van stukken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Stukken die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op de
                                agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de
                                schriftelijke oproep voor een ieder op het gemeentehuis ter inzage
                                gelegd. Indien na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken
                                ter inzage worden gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de
                                leden van de raad en zo mogelijk in een openbare kennisgeving.</al></li><li nr="2."><al> Een origineel van een ter inzage gelegd stuk wordt niet buiten het
                                gemeentehuis gebracht.</al></li><li nr="3."><al> Onverminderd het bepaalde in het eerste lid kunnen stukken ook op
                                elektronische wijze aan een ieder ter beschikking worden
                                gesteld.</al></li><li nr="4."><al> Indien over stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede lid,
                                van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken
                                in afwijking van het eerste lid, onder berusting van de griffier en
                                verleent de griffier de leden van de raad en burgercommissieleden
                                inzage.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Openbare kennisgeving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De vergadering wordt door aankondiging in Rond de Linde of op de
                                voor afkondigingen in de gemeente gebruikelijke wijze en door
                                plaatsing op de gemeentelijke website openbaar gemaakt.</al></li><li nr="2."><al> De openbare kennisgeving vermeldt: </al><al>a. de datum, aanvangstijd en plaats, evenals de voorlopige agenda
                                van de vergadering;</al><al>b. wijze waarop en de plaats waar een ieder de bij de vergadering
                                behorende stukken kan inzien.</al></li><li nr="3."><al> De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken worden, indien
                                elektronisch beschikbaar, op de website van de gemeente
                                geplaatst.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Orde der vergadering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Presentielijst</titel></kop><al>Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid van de raad de
                        presentielijst. Aan het einde van elke vergadering wordt die lijst door de
                        voorzitter en de griffier door ondertekening vastgesteld.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Zitplaatsen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De voorzitter, de leden van de raad en de griffier hebben een vaste
                                zitplaats. De zitplaatsen worden, na overleg in het presidium bij
                                aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode, door de voorzitter
                                aangewezen.</al></li><li nr="2."><al> Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling
                                herzien na overleg in het presidium.</al></li><li nr="3."><al> De voorzitter draagt zorg voor een zitplaats voor de wethouders,
                                gemeentesecretaris en overige personen, die voor de vergadering zijn
                                uitgenodigd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Opening vergadering; quorum</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur indien
                                het daarvoor door de wet vereiste aantal leden van de raad volgens
                                de presentielijst aanwezig is.</al></li><li nr="2."><al> Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste
                                aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na voorlezing van
                                de namen der afwezige leden, dag en uur van de volgende vergadering,
                                met inachtneming van artikel 20 van de Gemeentewet.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Primus bij hoofdelijke stemming en beraadslagingen</titel></kop><al>Alvorens de aangekondigde onderwerpen aan de orde te stellen deelt de
                        voorzitter mede, bij welk lid van de raad, de hoofdelijke stemming en de
                        beraadslagingen zullen beginnen. Daartoe wordt bij loting een volgnummer van
                        de presentielijst aangewezen. Bij het daar genoemde lid begint de
                        hoofdelijke stemming.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Spreekrecht burgers</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Bij geagendeerde onderwerpen kunnen aanwezige burgers het woord
                                voeren. De maximale spreektijd voor alle agendapunten tesamen is
                                dertig minuten. Insprekers kunnen niet het woord voeren over en bij
                                moties / amendementen.</al></li><li nr="2."><al> Het woord kan niet gevoerd worden:</al><lijst><li nr="a."><al>Over een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar of
                                beroep op de rechter open staat of heeft opengestaan;</al></li><li nr="b."><al>Over benoemingen, keuzen, voordrachten of aanbevelingen van
                                personen;</al></li><li nr="c."><al>Indien een klacht ex artikel 9:1 van de Algemene wet
                                bestuursrecht kan of kon worden ingediend.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al> Degene, die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit voor
                                de aanvang van de vergadering aan de griffier. Hij vermeldt daarbij
                                zijn naam, adres en telefoonnummer en het onderwerp waarover hij het
                                woord wil voeren.</al></li><li nr="4."><al> De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding
                                voorafgaand aan de behandeling van het betreffende agendapunt. De
                                voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is
                                van de orde van de vergadering.</al></li><li nr="5."><al> Elke spreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De voorzitter
                                verdeelt de spreektijd evenredig over de sprekers als er meer dan
                                zes sprekers zijn. De voorzitter kan tevens in bijzondere gevallen
                                afwijken van de maximale lengte van de spreektijd.</al></li><li nr="6."><al> De spreker voert het woord, nadat de voorzitter hem dit heeft
                                verleend. De voorzitter of een lid van de Raad doet een voorstel
                                voor de behandeling van de inbreng van de burger.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Verslag en besluitenlijst</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De griffier draagt zorg voor het bijhouden van een presentielijst,
                                verslag en de besluitenlijst van de vergadering.</al></li><li nr="2."><al> Het conceptverslag van de voorgaande vergadering wordt, als dat
                                kan, aan de leden van de raad toegezonden gelijktijdig met de
                                schriftelijke oproep. Het conceptverslag wordt gelijktijdig aan de
                                overige personen die het woord gevoerd hebben, toegezonden.</al></li><li nr="3."><al> De leden, de voorzitter, de wethouders, de griffier en de
                                gemeentesecretaris hebben het recht, een voorstel tot verandering
                                aan de raad te doen, indien het conceptverslag onjuistheden bevat of
                                niet duidelijk weergeeft wat er gezegd of besloten is. Een voorstel
                                tot verandering dient voor de aanvang van de vergadering bij de
                                griffier te worden ingediend.</al></li><li nr="4."><al> Het verslag bevat tenminste:</al><lijst><li nr="a."><al>de namen van de voorzitter, de griffier, de gemeentesecretaris,
                                de wethouders en de ter vergadering aanwezige leden, evenals van de
                                leden die afwezig waren en overige personen die het woord gevoerd
                                hebben;</al></li><li nr="b."><al>een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest;</al></li><li nr="c."><al>een zakelijke samenvatting van het gesprokene met vermelding van
                                de namen van de aanwezigen die het woord voerden;</al></li><li nr="d."><al>een overzicht van het verloop van elke stemming, met vermelding
                                bij hoofdelijke stemming van de namen van de leden die voor of tegen
                                stemden, onder aantekening van de namen van de leden die zich
                                overeenkomstig de Gemeentewet van stemming hebben onthouden of zich
                                bij het uitbrengen van hun stem hebben vergist;</al></li><li nr="e."><al>de tekst van de ter vergadering ingediende initiatiefvoorstellen,
                                voorstellen van orde, moties, amendementen en subamendementen;</al></li><li nr="f."><al>bij het desbetreffende agendapunt de naam en de hoedanigheid van
                                die personen aan wie het op grond van het bepaalde in artikel 25
                                door de raad is toegestaan deel te nemen aan de
                                beraadslagingen.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al> Het verslag wordt in de eerstvolgende vergadering vastgesteld,
                                waarna dit door de voorzitter en de griffier wordt ondertekend.</al></li><li nr="6."><al> Aan de hand van het verslag wordt een besluitenlijst opgesteld.
                                Voor zover de aard en de inhoud van de besluitvorming zich daartegen
                                niet verzet, wordt de besluitenlijst zo spoedig mogelijk na de
                                vergadering openbaar gemaakt op de in de gemeente gebruikelijke
                                wijze.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>22</nr><titel>Ingekomen stukken</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Bij de raad ingekomen stukken, waar onder schriftelijke
                                mededelingen van het college aan de raad, worden op een lijst
                                geplaatst. Deze lijst wordt aan de leden van de raad toegezonden en
                                ter inzage gelegd.</al></li><li nr="2."><al> Na de vaststelling van het verslag stelt de raad, op voorstel van
                                de voorzitter, de wijze van afdoening van de ingekomen stukken
                                vast.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>23</nr><titel>Aantal spreektermijnen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten
                                hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist.</al></li><li nr="2."><al> Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.</al></li><li nr="3."><al> Een lid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord voeren
                                over hetzelfde onderwerp of voorstel.</al></li><li nr="4."><al> Het derde lid is niet van toepassing op:</al><lijst><li nr="a."><al>de rapporteur van een commissie;</al></li><li nr="b."><al>het lid dat een (sub)amendement, een motie of een
                                initiatiefvoorstel heeft ingediend, voor wat betreft dat amendement,
                                die motie of dat voorstel.</al></li></lijst></li><li nr="5."><al> Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp of
                                voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken
                                over een voorstel van orde.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>24</nr><titel>Spreektijd</titel></kop><al>Een lid van de raad kan een voorstel doen over de spreektijd van de leden en
                        de overige aanwezigen.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>25</nr><titel>Handhaving orde; schorsing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij:a. de
                                voorzitter het nodig oordeelt hem aan het in acht nemen van dit
                                reglement te herinneren;b. een lid hem interrumpeert. De voorzitter
                                kan bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog
                                zal afronden.</al></li><li nr="2."><al> Indien een spreker zich in beledigende of onbetamelijke
                                uitdrukkingen uitlaat, afwijkt van het in behandeling zijnde
                                onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel
                                op een andere manier de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter
                                tot de orde geroepen. Indien de betreffende spreker, hieraan geen
                                gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de vergadering over
                                het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen.</al></li><li nr="3."><al> De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering de
                                vergadering voor bepaalde tijd schorsen. Als na heropening de orde
                                opnieuw wordt verstoord kan hij de vergadering sluiten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>26</nr><titel>Beraadslaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De raad kan op voorstel van de voorzitter of een lid van de raad
                                beslissen over één of meer onderdelen van een onderwerp of voorstel
                                afzonderlijk te beraadslagen.</al></li><li nr="2."><al> Op verzoek van een lid van de raad of op voorstel van de voorzitter
                                kan de raad besluiten de beraadslaging voor een door hem te bepalen
                                tijd te schorsen teneinde het college of de leden de gelegenheid te
                                geven tot onderling nader beraad. De beraadslagingen worden hervat
                                nadat de schorsingsperiode verstreken is.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>27</nr><titel>Spreekregels</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De leden van de raad en overige aanwezigen spreken vanaf de
                                spreekplaats of van hun zitplaats en richten zich tot de
                                voorzitter.</al></li><li nr="2."><al> Bij bijzondere gelegenheden kan de voorzitter bepalen dat de leden
                                van de raad en de overige aanwezigen vanaf een andere plaats
                                spreken</al></li><li nr="3."><al> Een lid van de raad voert het woord nadat dit aan de voorzitter
                                gevraagd is en verkregen is.</al></li><li nr="4."><al> De volgorde van sprekers kan worden gewijzigd, wanneer een lid van
                                de raad het woord vraagt over de orde van de vergadering.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>28</nr><titel>Deelname aan de beraadslaging door anderen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De raad kan bepalen dat anderen dan de in de vergadering aanwezige
                                leden van de raad, de wethouder, de gemeentesecretaris, de griffier
                                en de voorzitter deelnemen aan de beraadslaging.</al></li><li nr="2."><al> Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of één
                                der leden van de raad genomen alvorens met de beraadslaging ten
                                aanzien van het aan de orde zijnde agendapunt een aanvang wordt
                                genomen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>29</nr><titel>Stemverklaring</titel></kop><al>Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming
                        overgaat, heeft ieder lid het recht zijn stemgedrag te motiveren.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>30</nr><titel>Beslissing</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Wanneer de voorzitter vaststelt dat een onderwerp of voorstel
                                voldoende is toegelicht, sluit hij de beraadslaging, tenzij de raad
                                anders beslist.</al></li><li nr="2."><al> Nadat de beraadslaging is gesloten vindt, na een stemming over
                                eventuele amendementen, de stemming plaats over het voorstel, zoals
                                het dan luidt, in zijn geheel tenzij geen stemming wordt
                                gevraagd.</al></li><li nr="3."><al> Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt,
                                formuleert de voorzitter het voorstel over de te nemen
                                eindbeslissing.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>3</nr><titel>Procedures bij stemmingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>31</nr><titel>Algemene bepalingen over stemming</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De voorzitter vraagt, of stemming wordt verlangd. Indien geen
                                stemming wordt gevraagd en ook de voorzitter dit niet verlangt,
                                stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder hoofdelijke
                                stemming is aangenomen.</al></li><li nr="2."><al> In de vergadering aanwezige leden kunnen aantekening in het verslag
                                vragen, dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd of zich
                                op grond van artikel 28 Gemeentewet van stemming te hebben
                                onthouden.</al></li><li nr="3."><al> Indien door één of meer leden stemming wordt gevraagd, doet de
                                voorzitter daarvan mededeling.</al></li><li nr="4."><al> De voorzitter of de griffier roept de leden van de raad bij naam op
                                hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het lid dat daarvoor
                                in overeenstemming met artikel 19 is aangewezen. Vervolgens
                                geschiedt de oproeping naar de volgorde van de presentielijst.</al></li><li nr="5."><al> Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid dat
                                zich niet van deelneming aan de stemming op grond van artikel 28
                                Gemeentewet moet onthouden verplicht zijn stem uit te brengen.</al></li><li nr="6."><al> De leden brengen hun stem uit door het woord 'voor' of 'tegen' uit
                                te spreken, zonder enige toevoeging.</al></li><li nr="7."><al> Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan
                                kan hij deze vergissing nog herstellen voordat het volgende lid
                                gestemd heeft. Bemerkt het lid zijn vergissing pas later, dan kan
                                hij nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft
                                gemaakt wel aantekening vragen dat hij zich heeft vergist; in de
                                uitslag van de stemming brengt dit echter geen verandering.</al></li><li nr="8."><al> De voorzitter kan voorstellen de stemming bij handopsteken te laten
                                plaatsvinden.</al></li><li nr="9."><al> De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede, met
                                vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen. Hij
                                doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>32</nr><titel>Stemming over amendementen en moties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Indien een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt
                                eerst over dat amendement gestemd.</al></li><li nr="2."><al> Indien op een amendement een subamendement is ingediend, wordt
                                eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het
                                amendement.</al></li><li nr="3."><al> Indien twee of meer amendementen of subamendementen op een
                                aanhangig voorstel zijn ingediend, bepaalt de voorzitter de volgorde
                                waarin hierover zal worden gestemd. Daarbij geldt de regel, dat het
                                meest verstrekkende amendement of subamendement het eerst in
                                stemming wordt gebracht.</al></li><li nr="4."><al> Als ten aanzien van een amendement de stemmen staken dan wordt het
                                amendement en het voorstel behandeld in een eerste volgende
                                vergadering (art. 32 Gemeentewet).</al></li><li nr="5."><al> Indien aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend,
                                wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de
                                motie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>33</nr><titel>Stemming over personen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Wanneer een stemming over personen voor het doen van een voordracht
                                of het opstellen van een voordracht of aanbeveling moet
                                plaatshebben, benoemt de voorzitter drie leden tot stembureau.</al></li><li nr="2."><al> Ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond van de
                                Gemeentewet van stemming moet onthouden is verplicht een stembriefje
                                in te leveren. De stembriefjes dienen identiek te zijn.</al></li><li nr="3."><al> Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te
                                benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel
                                van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen worden
                                samengevat op één briefje.</al></li><li nr="4."><al> Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes
                                gelijk is aan het aantal leden dat als gevolg van het tweede lid
                                verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen
                                niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te
                                openen en wordt een nieuwe stemming gehouden.</al></li><li nr="5."><al> Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in
                                artikel 30 van de Gemeentewet worden geacht geen stem te hebben
                                uitgebracht die leden die geen behoorlijk stembriefje hebben
                                ingeleverd. Onder een niet behoorlijk ingevuld stembriefje wordt
                                verstaan:</al><lijst><li nr="a."><al>een blanco ingevuld stembriefje;</al></li><li nr="b."><al>een ondertekend stembriefje;</al></li><li nr="c."><al>een stembriefje waarop meer dan één naam is ingevuld, tenzij de
                                stemming verschillende vacatures betreft.</al></li><li nr="d."><al>een stembriefje waarbij, indien het een benoeming op voordracht
                                betreft, op een persoon wordt gestemd die niet is voorgedragen;</al></li><li nr="e."><al>een stembriefje waarbij op een andere persoon wordt gestemd dan
                                die waartoe de stemming is beperkt.</al></li></lijst></li><li nr="6."><al> In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de
                                raad, op voorstel van de voorzitter.</al></li><li nr="7."><al> Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes onmiddellijk
                                na vaststelling van de uitslag vernietigd.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>34</nr><titel>Herstemming over personen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid
                                heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan.</al></li><li nr="2."><al> Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte
                                meerderheid is verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen
                                twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen op zich
                                hebben verenigd. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over
                                meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming
                                uitgemaakt tussen welke twee personen de derde stemming zal
                                plaatshebben.</al></li><li nr="3."><al> Indien bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen
                                staken, beslist terstond het lot.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>35</nr><titel>Beslissing door het lot</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie
                                de beslissing moet plaatshebben, door de voorzitter op
                                afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven.</al></li><li nr="2."><al> Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn
                                gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal
                                gedeponeerd en omgeschud.</al></li><li nr="3."><al> Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de
                                stembokaal. Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is
                                gekozen.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4</nr><titel>Rechten van leden</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>36</nr><titel>Amendementen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Ieder lid van de raad kan tot het sluiten van de beraadslagingen
                                amendementen indienen. Een amendement kan een wijziging van de tekst
                                en/of besluit inhouden op een voorstel inhouden. Een amendement kan
                                het voorstel inhouden om een geagendeerd voorstel in één of meer
                                onderdelen te splitsen, waarover afzonderlijke besluitvorming zal
                                plaatsvinden. Er kan alleen beraadslaagd worden over amendementen
                                die ingediend zijn door leden van de raad die de presentielijst
                                getekend hebben en in de vergadering aanwezig zijn.</al></li><li nr="2."><al> Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het
                                amendement dat door een lid is ingediend, een wijziging voor te
                                stellen (subamendement).</al></li><li nr="3."><al> Elk amendement of subamendement op elk voorstel moet om in
                                behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter
                                worden ingediend, tenzij de voorzitter met het oog op het eenvoudige
                                karakter van het voorgestelde oordeelt, dat met een mondelinge
                                indiening kan worden volstaan.</al></li><li nr="4."><al> Intrekking, door de indiener(s), van het amendement of
                                subamendement is mogelijk totdat de besluitvorming door de raad
                                heeft plaatsgevonden. </al></li><li nr="5."><al> Voor de besluitvorming wordt het college in de gelegenheid gesteld
                                om zienswijze over het (sub)amendement kenbaar te maken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>37</nr><titel>Moties</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Ieder lid van de raad kan ter vergadering een motie indienen.</al></li><li nr="2."><al> Een motie moet om in behandeling genomen te kunnen worden
                                schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend.</al></li><li nr="3."><al> De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of
                                voorstel vindt tegelijk met de beraadslaging over dat onderwerp of
                                voorstel plaats.</al></li><li nr="4."><al> De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen
                                onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende
                                onderwerpen zijn behandeld.</al></li><li nr="5."><al> Intrekking, door de indiener(s), van de motie is mogelijk totdat de
                                besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden. Voor de
                                besluitvorming wordt het college in de gelegenheid gesteld om
                                zienswijze over een motie kenbaar te maken.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>38</nr><titel>Voorstellen van orde</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De voorzitter en ieder lid van de raad kunnen tijdens de
                                vergadering mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan
                                worden toegelicht.</al></li><li nr="2."><al> Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering
                                betreffen.</al></li><li nr="3."><al> Over een voorstel van orde beslist de raad direct.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>39</nr><titel>Initiatiefvoorstel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Elk lid van de raad kan een initiatiefvoorstel indienen. Een
                                initiatiefvoorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden
                                schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend.</al></li><li nr="2."><al> De voorzitter plaatst het voorstel op de agenda van de
                                eerstvolgende vergadering, tenzij de schriftelijke oproep hiervoor
                                al verzonden is. In dit laatste geval wordt het voorstel op de
                                agenda van de daaropvolgende vergadering geplaatst. </al></li><li nr="3."><al> De behandeling van het voorstel vindt plaats nadat alle op de
                                agenda voorkomende voorstellen en onderwerpen zijn behandeld, tenzij
                                de raad oordeelt dat:</al><lijst><li nr="a."><al>het voorstel met het oog op de orde van de vergadering samen met
                                een ander geagendeerd voorstel of onderwerp dient te worden
                                behandeld;</al></li><li nr="b."><al>het voorstel eerst dient te worden behandeld in een
                                raadscommissie;</al></li><li nr="c."><al>het voorstel voor advies naar het college dient te worden
                                gezonden. In dit geval bepaalt de raad in welke vergadering het
                                voorstel opnieuw geagendeerd wordt.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al> De raad kan voorwaarden stellen aan de indiening en behandeling van
                                een voorstel, niet zijndeeen voorstel voor een verordening.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>40</nr><titel>Collegevoorstel</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Een voorstel van het college aan de raad dat vermeld staat op de
                                agenda van de raadsvergadering, kan niet worden ingetrokken zonder
                                toestemming van de raad.</al></li><li nr="2."><al> Indien de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het
                                eerste lid voor advies terug aan het college moet worden gezonden,
                                bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel opnieuw
                                geagendeerd wordt.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>41</nr><titel>Interpellatie</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Elk lid van de raad is gerechtigd tot het houden van een
                                interpellatie. Het verzoek tot het houden van een interpellatie
                                wordt, behoudens in naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende
                                gevallen, tenminste 48 uur voor de aanvang van de vergadering
                                schriftelijk bij de voorzitter ingediend. Het verzoek bevat een
                                duidelijke omschrijving van het onderwerp waarover inlichtingen
                                worden verlangd evenals de te stellen vragen.</al></li><li nr="2."><al> De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk
                                ter kennis van de overige leden van de raad en de wethouders. Bij de
                                vaststelling van de agenda van de eerstvolgende vergadering na
                                indiening van het verzoek wordt het verzoek in stemming gebracht. De
                                raad bepaalt op welk tijdstip tijdens de vergadering de
                                interpellatie plaatsvindt</al></li><li nr="3."><al> De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de overige
                                leden van de raad, de burgemeester en de wethouders niet meer dan
                                eenmaal, tenzij de raad hen hiertoe verlof geeft.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>42</nr><titel>Vragenhalfuur</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Voorafgaand aan de raadsvergadering is er een vragenhalfuur tenzij
                                er bij de voorzitter geen vragen zijn ingediend. Tijdens dit half
                                uur kunnen leden van de raad vragen stellen aan het college. Mocht
                                de behandeling niet binnen een half uur zijn afgerond dan kan de
                                raad besluiten de behandeling af te ronden.</al></li><li nr="2."><al> Het raadslid dat vragen wil stellen, meldt dit onder aanduiding van
                                het onderwerp uiterlijk tot 17.00 uur voorafgaand aan de dag van de
                                raadsvergadering bij de voorzitter (via de griffier). De voorzitter
                                kan na overleg met het presidium weigeren een onderwerp tijdens het
                                vragenhalfuur aan de orde te stellen indien hij het onderwerp niet
                                voldoende nauwkeurig acht aangegeven of indien het onderwerp in de
                                raadsvergadering op diezelfde dag aan de orde komt.</al></li><li nr="3."><al> De voorzitter bepaalt de volgorde, waarin aangemelde onderwerpen
                                tijdens het vragenuur aan de orde worden gesteld.</al></li><li nr="4."><al> De voorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de
                                vragensteller, voor het college, voor de burgemeester en voor de
                                overige leden van de raad.</al></li><li nr="5."><al> Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één
                                of meerdere vragen aan het college of de burgemeester te stellen en
                                een toelichting daarop te geven.</al></li><li nr="6."><al> Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de
                                vragensteller desgewenst het woord om één aanvullende vraag te
                                stellen.</al></li><li nr="7."><al> Tijdens het vragenhalfuur kunnen geen moties worden ingediend en
                                worden geen interrupties toegelaten.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>43</nr><titel>Schriftelijke vragen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Elk lid is gerechtigd om schriftelijke vragen aan het college of de
                                burgemeester te stellen. Schriftelijke vragen worden kort en
                                duidelijk geformuleerd. De vragen kunnen van een toelichting worden
                                voorzien. Bij de vragen wordt aangegeven, of schriftelijke of
                                mondelinge beantwoording wordt verlangd. Vragen die niet voldoen aan
                                het hiervoor gestelde worden per omgaande aan de indiener
                                teruggestuurd. </al></li><li nr="2."><al> De vragen worden schriftelijk (getekend) en digitaal bij de
                                griffier ingediend. Deze draagt er zorg voor dat de vragen zo
                                spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de raad en het
                                college of de burgemeester worden gebracht.</al></li><li nr="3."><al> Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in
                                ieder geval binnen dertig dagen nadat de vragen zijn binnengekomen.
                                Mondelinge beantwoording vindt plaats in de eerstvolgende
                                raadsvergadering. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen
                                kan plaatsvinden, stelt het college of de burgemeester de
                                vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn
                                aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit
                                bericht wordt behandeld als een antwoord.</al></li><li nr="4."><al> De antwoorden van het college of de burgemeester worden door
                                tussenkomst van de griffier aan de leden van de raad
                                toegezonden.</al></li><li nr="5."><al> De vragensteller kan, bij schriftelijke beantwoording in de
                                eerstvolgende raadsvergadering en bij mondelinge beantwoording in
                                dezelfde raadsvergadering, na de behandeling van de op de agenda
                                voorkomende onderwerpen één nadere vraag stellen over het door de
                                burgemeester of door het college gegeven antwoord, tenzij de raad
                                anders beslist.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>44</nr><titel>Inlichtingen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Indien een lid van de raad over een onderwerp inlichtingen als
                                bedoeld in de artikelen 169, derde lid, en 180, derde lid, van de
                                Gemeentewet verlangt, wordt een verzoek daartoe door tussenkomst van
                                de griffier schriftelijk ingediend bij het college of de
                                burgemeester.</al></li><li nr="2."><al> De griffier draagt er zorg voor dat de overige leden van de raad
                                een afschrift van dit verzoek krijgen.</al></li><li nr="3."><al> De verlangde inlichtingen worden mondeling of schriftelijk in de
                                eerstvolgende of in de daarop volgende vergadering gegeven.</al></li><li nr="4."><al> De gestelde vragen en het antwoord vormen een agendapunt voor de
                                vergadering, waarin de antwoorden zullen worden gegeven.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5</nr><titel>Begroting en rekening</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>45</nr><titel>Procedure begroting</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding, het
                        onderzoek, de behandeling en de vaststelling van de begroting volgens een
                        procedure die de raad, op voorstel van het presidium, vaststelt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>46</nr><titel>Procedure jaarrekening</titel></kop><al>Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding en
                        het onderzoek van de jaarrekening en het jaarverslag, evenals de
                        vaststelling van de jaarrekening en van een eventueel indemniteitsbesluit
                        volgens een procedure die de raad, op voorstel van het presidium,
                        vaststelt.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6</nr><titel>Lidmaatschap van andere organisaties</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>47</nr><titel>Verslag en verantwoording</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de
                                gemeentesecretaris, die door de gemeenteraad is aangewezen tot lid
                                van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een
                                gemeenschappelijk orgaan ingesteld op grond van de Wet
                                gemeenschappelijke regelingen of in een andere organisatie of
                                institutie, heeft het recht om in aansluiting op de behandeling van
                                de lijst van ingekomen stukken òf voor het sluiten van de
                                vergadering verslag te doen over zaken die in het algemeen bestuur
                                of gemeenschappelijk orgaan aan de orde zijn. Door de raad gewenste
                                bespreking van dit verslag kan de voorzitter verwijzen naar de
                                desbetreffende commissie. </al></li><li nr="2."><al> Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het eerste
                                lid, schriftelijke vragen stellen. Artikel 43 is van overeenkomstige
                                toepassing.</al></li><li nr="3."><al> Wanneer een lid van de raad een persoon als bedoeld in het eerste
                                lid ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze van
                                functioneren als zodanig, besluit de raad over het toestaan daarvan.
                                Artikel 44 is van overeenkomstige toepassing.</al></li><li nr="4."><al> Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere
                                organisaties of instituties, waarin de Raad vertegenwoordiger(s)
                                heeft benoemd.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7</nr><titel>Besloten vergadering</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>48</nr><titel>Algemeen</titel></kop><al>AlgemeenOp een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van
                        overeenkomstige toepassing voor zover deze bepalingen niet strijdig zijn met
                        het besloten karakter van de vergadering.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>49</nr><titel>Verslag</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> De besluitenlijst, dan wel het verslag van een besloten vergadering
                                wordt niet verspreid, maar ligt uitsluitend voor de leden ter
                                inzage.</al></li><li nr="2."><al> De besluitenlijst, dan wel het verslag wordt zo spoedig mogelijk in
                                een besloten vergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze
                                vergadering neemt de raad een besluit over het al dan niet openbaar
                                maken van dit verslag. De vastgestelde besluitenlijst, danwel het
                                verslag wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>50</nr><titel>Geheimhouding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Voor de afloop van een besloten vergadering beslist de raad in
                                overeenstemming met artikel 25, eerste lid, van de Gemeentewet of
                                over de inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal
                                gelden.</al></li><li nr="2."><al> De geheimhouding dient in acht te worden genomen door een ieder die
                                bij de vergadering aanwezig is en door een ieder die op een andere
                                wijze kennis heeft van de stukken.</al></li><li nr="3."><al> De raad kan besluiten de geheimhouding op te heffen.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>51</nr><titel>Opheffing geheimhouding</titel></kop><al>Indien de raad op grond van artikel 25, derde en vierde lid, artikel 55,
                        tweede en derde lid, of artikel 86, tweede en derde lid, van de Gemeentewet
                        voornemens is de geheimhouding op te heffen wordt, indien daarom wordt
                        verzocht door het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten
                        vergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd. De notulen van
                        deze vergadering kunnen in een openbare vergadering worden vastgesteld.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>52</nr><titel>Toehoorders en pers</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op
                                de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen bijwonen.</al></li><li nr="2."><al> Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze
                                verstoren van de orde is verboden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>53</nr><titel>Geluid- en beeldregistraties</titel></kop><al>Degenen die in de vergaderzaal tijdens een openbare raadsvergadering geluid-
                        dan wel beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling aan de
                        voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen. Deze aanwijzingen kunnen
                        niet zover gaan dat zij de vrijheid van pers aantasten.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>54</nr><titel>Verbod gebruik mobiele telefoons</titel></kop><al>In de vergaderzaal, met inbegrip van de publieke tribune, is tijdens de
                        vergadering gebruik, evenals het stand-by houden van mobiele telefoons of
                        andere communicatiemiddelen, die inbreuk kunnen maken op de orde van de
                        vergadering, zonder toestemming van de voorzitter, niet toegestaan.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>55</nr><titel>Uitleg reglement</titel></kop><al>In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel over de
                        toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de
                        voorzitter.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>56</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al> Het Reglement van Orde voor de vergaderingen en andere
                                werkzaamheden van de raad van de gemeente, vastgesteld bij
                                raadsbesluit van 14 januari 2008, wordt ingetrokken.</al></li><li nr="2."><al> Dit Reglement treedt in werking op de dag na die van
                                publicatie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><slotformulering><al>Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering van 20 mei 2010.</al><al/><al>DE RAAD VOORNOEMD,</al></slotformulering><ondertekening>de griffier, drs. H.A.J.P. Duijmelinck</ondertekening><ondertekening>de voorzitter, mr. W.R. Ligtvoet</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><label/><titel>TOELICHTING REGLEMENT VAN ORDE VOOR DE VERGADERINGEN EN ANDERE
                        WERKZAAMHEDEN VAN DE RAAD</titel></kop><al/><al><vet>Algemene toelichting</vet></al><al>De VNG heeft naar de raadsverkiezingen van 2010 het Reglement van orde voor
                        de vergaderingen van de raad kritisch bekeken. De VNG is tot de conclusie
                        gekomen dat het model uit 2006 nog in grote lijnen voldoet. Op basis van een
                        analyse is de tekst van het model uit 2006 op enkele punten aangepast.</al><al/><al>Deze aanpassingen hebben betrekking op: </al><lijst><li nr="-"><al> het duidelijk formuleren van het artikel over het afsplitsen van
                                fracties; </al></li><li nr="-"><al> een verduidelijking van de taak van de raad om na de verkiezingen
                                te onderzoeken of deze rechtmatig zijn verlopen;</al></li><li nr="-"><al> het wijzigen van het artikel omtrent de ter inzage legging van
                                stukken (dit kan nu ook elektronisch); </al></li><li nr="-"><al> bepalingen omtrent de orde en geheimhouding in de raadsvergadering,
                                deze zijn aangepast en geactualiseerd.</al></li></lijst><al><vet>Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen</vet></al><al><onderstreept>Artikel 1. Begripsomschrijvingen</onderstreept></al><al>Onder 'aanhangig' wordt verstaan aan de orde/in behandeling zijnde. De
                        omschrijving van de termen amendement en initiatiefvoorstel luiden hetzelfde
                        als in de artikelen 147a en 147b van de Gemeentewet.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 2. De voorzitter</onderstreept></al><al>De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 125, derde lid, van de
                        Grondwet en artikel 9 van de Gemeentewet schrijven dit dwingend voor. In
                        artikel 77, eerste lid, is bepaald dat het langstzittende raadslid het
                        raadsvoorzitterschap waarneemt bij verhindering of ontsten-tenis van de
                        burgemeester. Als twee raadsleden even lang zitting hebben, is de oudst in
                        jaren degene die het raadsvoorzitterschap waarneemt. Daarnaast heeft de raad
                        altijd de mogelijkheid zelf te kiezen voor een andere waarnemer. In Nuenen
                        is het gebruik om de 2e optie te hanteren. De burgemeester heeft het recht
                        op grond van artikel 21 van de Gemeentewet in de vergadering aan de
                        beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij onder andere voor de
                        handhaving van de orde in de vergadering.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 3. De griffier</onderstreept></al><al>De raad is verplicht een griffier te benoemen (artikel 100 Gemeentewet). De
                        griffier is in eerste instantie verantwoordelijk voor de bijstand aan de
                        raad. Hij is in principe in elke vergadering van de raad aanwezig. De
                        Gemeentewet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel
                        107d, eerste lid). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In
                        verband met artikel 22 Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het derde lid
                        een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan
                        de beraadslaging. Rechtspositionele bepalingen over de beëdiging, woonplaats
                        etcetera zijn niet in dit reglement opgenomen, aangezien dat beter geregeld
                        kan worden in de ambtsinstructie voor de griffier, die de raad vaststelt. In
                        de instructie voor de griffier zijn de taken van de griffier
                        uitgewerkt.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 4. De gemeentesecretaris</onderstreept></al><al>De gemeentesecretaris houdt zich voornamelijk bezig met de ondersteuning van
                        het college en het leiden van de ambtelijke organisatie. In het kader van
                        die twee taken kan het tevens wenselijk zijn dat de gemeentesecretaris
                        deelneemt aan de beraadslagingen van de raad. De gemeentesecretaris wordt
                        benoemd en ontslagen door het college. Dit houdt in dat de raad de
                        gemeentesecretaris niet kan dwingen om in de raad aanwezig te zijn. De raad
                        zal het college moeten verzoeken of het college de gemeentesecretaris
                        opdraagt in de vergadering aanwezig te zijn om aan de beraadslagingen deel
                        te nemen. Op deze wijze kan de raad onder meer een beroep doen op kennis en
                        informatie, die de gemeentesecretaris bezit of kan de gemeentesecretaris
                        bijvoorbeeld deelnemen aan een discussie over het functioneren van de
                        ambtelijke organisatie.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 5. Het presidium</onderstreept></al><al>Het presidium heeft voornamelijk een procedurele rol die zicht richt op het
                        vaststellen voorlopige agenda, uitnodigen externen, wijzigen
                        vergadermomenten e.d.</al><al/><al>Uit praktisch oogpunt is er voor gekozen om de regie van enkele
                        intern/organisatorische kwesties bij het presidium neer te leggen. In
                        artikel 5 is als aanvullende taak opgenomen dat het presidium aanbevelingen
                        doet aan de raad inzake de organisatie van de werkzaamheden van de raad en
                        zijn commissies. Hieronder vallen taken als: het initiëren van een
                        aanpassing van het Reglement van orde, aanbevelingen doen aan de raad ter
                        bevordering van het dualiseringsproces etc. Men dient er echter wel voor te
                        waken dat er binnen de raad geen nieuw bestuursorgaan wordt gecreëerd,
                        hetgeen in strijd is met de Grondwet. Het primaat t.a.v. inhoudelijke zaken
                        is expliciet bij de raad gelegd (artikel 125 lid 1 Grondwet).</al><al/><al>Het is van belang dat in het presidium elke partij een stem heeft die even
                        zwaar weegt. Op deze wijze wordt de positie van minderheidsfracties in een
                        dualistisch stelsel versterkt. Tevens kan dit de betrokkenheid van alle
                        fracties bij de raadsvergaderingen vergroten. De griffier is bij elke
                        vergadering van het presidium aanwezig, omdat de griffier voor de
                        ondersteuning van de raad zorgt. Hij moet weten hoe de agenda eruit komt te
                        zien en welke punten besproken gaan worden. De aanwezigheid van de
                        gemeentesecretaris kan gewenst zijn, omdat de gemeentesecretaris aandacht
                        moet kunnen vragen voor of een toelichting kan geven op onderwerpen die
                        worden voorbereid door de ambtelijke organisatie. Uiteraard is het aan de
                        raad om te bepalen of het opnemen van een artikellid dat de aanwezigheid van
                        de secretaris in het presidium mogelijk maakt, wenselijk wordt geacht in
                        gedualiseerde verhoudingen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 6. Seniorenconvent</onderstreept></al><al>Het seniorenconvent vergadert vertrouwelijk en informeel over
                        bestuurlijk-politieke aangelegenheden.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 2. Toelating van nieuwe leden; benoeming wethouders;
                            fracties</vet></al><al><onderstreept>Artikel 7. Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging;
                            burgercommissieleden</onderstreept></al><al>Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de
                        benoemde kennis van zijn benoeming (artikel V1 Kieswet). Voor dit
                        benoemingsbesluit is bij ministeriële regeling een model vastgesteld. De
                        benoemde geeft schriftelijk aan of hij de benoeming aanneemt (artikel V2
                        Kieswet). Tegelijk met de mededeling dat hij zijn benoeming aanneemt worden
                        aan de raad stukken overlegd waaruit blijkt dat de benoemde voldoet aan de
                        eisen om als lid van de raad toegelaten te worden. Dit omvat de volgende
                        stukken: een ondertekende verklaring met de openbare betrekkingen die hij
                        bekleedt, een uittreksel uit de GBA met zijn woonplaats, geboorteplaats en
                        -datum, en (indien niet-Nederlander) stukken waaruit blijkt dat hij voldoet
                        aan de vereisten van artikel 10, lid 2 Gemeentewet (artikel V3 Kieswet). Het
                        onderzoek van de geloofsbrieven moet in een openbare vergadering gebeuren.
                        Bij het onderzoek zal ook de gedragscode (artikel 15, derde lid Gemeentewet)
                        betrokken worden. In deze code zijn onder meer bepalingen opgenomen over al
                        dan niet toegestane nevenfuncties. De commissie welke de geloofsbrieven
                        onderzoekt brengt verslag uit. Dit kan zowel mondeling als
                        schriftelijk.</al><al/><al>De formulering van het eerste lid benadrukt dat de raad en niet de
                        voorzitter een commissie instelt, die het zogenaamde geloofsbrievenonderzoek
                        verricht nadat de voorzitter van het centraal stembureau nieuwe leden heeft
                        benoemd. Het onderzoek van het proces verbaal (onderzoek naar het verloop
                        van de verkiezing of de vaststelling van de uitslag) gebeurt alleen in de
                        eerste samenkomst van de nieuwe raad na de gemeenteraadsverkiezingen. Het
                        onderzoek van de geloofsbrief strekt zich niet uit tot de geldigheid van de
                        kandidatenlijsten en van de lijstverbindingen.</al><al/><al>Ingevolge artikel V4 van de Kieswet beslist de raad over de toelating van
                        zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling
                        van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. Na
                        een raadsverkiezing kunnen de raadsleden op de eerste vergadering van de
                        raad in nieuwe samenstelling de eed of verklaring en belofte afleggen. De
                        voorzitter zal hen hiervoor oproepen. Bij tussentijdse vacaturevervulling
                        kan de eed of verklaring en belofte aansluitend aan de beslissing van de
                        raad over de toelating van het betrokken raadslid plaatsvinden. De tekst van
                        de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het
                        raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 van de Gemeentewet
                        vastgelegd.</al><al/><al>Het eerste lid van dit artikel is verduidelijkt. Na de
                        gemeenteraadsverkiezingen heeft de commissie voor het
                        geloofsbrievenonderzoek een extra taak, zij adviseert de raad ook over het
                        verloop van de verkiezingen (of dit op wettige wijze is gebeurd) en het
                        vaststellen van de uitslag (is deze juist vastgesteld). Zij doet dit op
                        basis van het procesverbaal van het hoofdstembureau. De raad dient als het
                        proces verbaal daar aanleiding toegeeft een besluit te nemen over het
                        verloop van de verkiezingen en de vaststelling van de uitslag.</al><al/><al>De raad heeft de bevoegdheid om te besluiten tot het hertellen van de
                        stemmen en zelfs de bevoegdheid om te besluiten tot een herstemming, beide
                        eventueel in een deel van de gemeente bij een aantal specifieke stembureaus.
                        Het proces-verbaal vormt de aanleiding tot een besluit tot hertelling of
                        herstemming. Dit dient concrete aanwijzingen te bevatten waarop de raad tot
                        een dergelijk besluit over gaat. Het feit dat een fractie een klein aantal
                        (bijv. 3) stemmen te weinig heeft om een extra zetel te behalen is geen
                        valide motivering om tot hertelling over te gaan. Een procesverbaal waaruit
                        blijkt dat kiezers bezwaar hebben gemaakt over de onzorgvuldige wijze waarop
                        het stembureau na sluiting de stemmen heeft geteld, kan dit wel zijn.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 8 Benoemingsprocedure wethouders</onderstreept></al><al>Dit artikel geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet
                        vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de
                        wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de
                        Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld
                        worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden. De
                        formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de
                        vereisten voor het raadlidmaatschap (Gemeentewet artikel 36a, 36b, 41b en
                        41c). Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een
                        commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen. Vandaar
                        dat er een vijfde lid aan dit artikel is toegevoegd. Dit artikel is ook van
                        toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd,
                        de incomptabiliteiten en nevenfuncties dienen immers opnieuw beoordeeld te
                        worden. T.a.v. de benoeming is er procedurevoorstel in het Reglement van
                        orde opgenomen dat in het model 2006 ook al van toepassing was.</al><al/><al>Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de
                        geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, lid 2
                        Gemeentewet). In het geval de coalitie in de raad een meerderheid heeft van
                        één stem kan het verstandig zijn eerst als raadslid ontslag te nemen en een
                        nieuw raadslid te benoemen. Het vooraf ontslag nemen als raadslid is een
                        risico. Het kan immers gebeuren dat deze persoon of niet tot wethouder wordt
                        benoemd of dat de geloofsbrieven niet worden goedgekeurd.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 9. Fracties</onderstreept></al><al>In een aantal gevallen blijkt behoefte te bestaan aan een regeling van wat
                        onder een fractie moet worden verstaan. De Kieswet en de Gemeentewet kennen
                        een dergelijk begrip niet. In de Gemeentewet in artikel 33, tweede lid,
                        wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde
                        groeperingen (recht op fractie-ondersteuning). In veel gemeenten bestaan
                        regelingen ten aanzien van vergoedingen aan fracties, faciliteiten voor
                        fracties, fractie-assistentie, etc. In deze nadere regelingen kan worden
                        aangesloten bij het in dit reglement opgenomen fractiebegrip.</al><al/><al>Bij de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen,
                        worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan, als één fractie
                        beschouwd. De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding
                        die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie
                        tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de
                        burger duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding
                        boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de
                        fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee.</al><al/><al>In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad
                        verlaten. Het beëindigen van de zitting in de raad kan verschillende
                        oorzaken hebben. Raadsleden kunnen ongeneeslijk ziek zijn, een conflict met
                        hun fractie hebben, te weinig tijd hebben voor het raadswerk en zo zijn er
                        nog vele redenen denkbaar. In een dergelijk geval vindt er een verandering
                        in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de
                        fractie dit schriftelijk aan de voorzitter mede. Het is ook mogelijk dat een
                        raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan
                        als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande
                        fractie. Hij deelt dit schriftelijk mede aan de voorzitter van de raad.</al><al/><al>Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op
                        persoonlijke titel worden verkozen en benoemd. Dit uitgangspunt is gebaseerd
                        op artikel 27 van de Gemeentewet, waarin is bepaald dat elk bindend mandaat
                        van een lid van de raad nietig is. De volksvertegenwoordiger handelt naar
                        eigen overtuiging en is bij stemmingen niet gebonden aan een lastgeving.
                        Geen andere persoon of instantie kan hem rechtens bindende instructies
                        opleggen met betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de individuele
                        volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen. De
                        volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van
                        fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan.</al><al/><al>Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen, een zetel 'hoort' dan
                        ook niet bij een partij maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die
                        daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen
                        of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te
                        veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen. Op grond van deze
                        bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de
                        samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad
                        kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van
                        de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende
                        vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de
                        nieuwe situatie.</al><al/><al>Dit betekent ook dat:</al><lijst><li nr="-"><al>kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die
                                lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële)
                                afspraak maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal
                                afzien van aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te
                                realiseren dat dergelijke afspraken nietig zijn, vanwege strijd met
                                de Gemeentewet en de Kieswet;</al></li><li nr="-"><al> personen die tussentijds van partij veranderen hun
                                raadslidmaatschap niet verliezen;</al></li><li nr="-"><al> als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de
                                verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te
                                weren.</al></li></lijst><al>In de praktijk levert een nieuwe naamvoering van een fractie soms problemen
                        op, bijvoorbeeld doordat een naam wordt gekozen die sterk lijkt op de naam
                        van een al bestaande fractie. Bij de wijziging van het reglement in 2010 is
                        daarom bepaald dat de naam getoetst dient te worden aan de afwijzingsgronden
                        uit artikel G 3 van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde. Indien de
                        nieuwe fractie wil meedoen aan de eerstvolgende raadsverkiezingen zal dit
                        ook gebeuren. Bij registratie als politieke groepering wordt getoetst aan
                        hoofdstuk G van de Kieswet, waarin staat aangegeven in welke gevallen deze
                        registratie geweigerd wordt.</al><al/><al>Fractieafplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kan diverse
                        praktische gevolgen hebben, te denken valt aan: fractievergoedingen en
                        –faciliteiten, fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het
                        presidium, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting in
                        raadscommissies en eventueel de bezetting in raadscommissies door
                        burgerraadsleden.</al><al/><al>Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft
                        afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene
                        oorspronkelijk was gekozen (artikel P19 Kieswet).</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 3. Vergaderingen</vet></al><al><cursief>Paragraaf 1. Tijd van vergaderen; voorbereidingen</cursief></al><al><onderstreept>Artikel 10. Tijd en plaats van vergaderen</onderstreept></al><al>Als gevolg van artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij
                        daartoe heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt
                        of indien ten minste een vijfde van het aantal leden van de raad
                        schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt. Het tweede lid brengt tot
                        uitdrukking dat de voorzitter in het bepalen van een andere dag en ander
                        aanvangsuur zoveel mogelijk overleg pleegt in het presidium. Op deze wijze
                        houdt het presidium ook bij vergaderingen, die niet op het gebruikelijke
                        tijdstip plaatsvinden, invloed op de datum, het tijdstip en de plaats van de
                        vergadering. Het wijzigen van het aanvangsuur is van gemeenschappelijk
                        belang, omdat het merendeel van de raadsleden het raadslidmaatschap
                        combineert met een andere (on)betaalde functie.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 11. Oproep</onderstreept></al><al>In artikel 19, eerste lid van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester
                        de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering.</al><al/><al>Het eerste lid bepaalt dat tenminste zes dagen vóór een vergadering aan de
                        leden een brief (de schriftelijke oproep) wordt gestuurd met een
                        aankondiging van een vergadering. De brief vermeldt de dag, tijdstip en
                        plaats van de vergadering. Het tweede lid stelt verplicht dat de voorlopige
                        agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel
                        25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken,
                        tegelijkertijd met de oproep aan de leden worden verzonden. De in artikel
                        25, eerste en tweede lid, bedoelde stukken zijn stukken ten aanzien waarvan
                        geheimhouding is opgelegd. Hier wordt melding van gemaakt op de stukken.
                        Uiteraard is het mogelijk, indien de raad dit wenst de stukken en oproep
                        niet per post maar per e-mail te versturen.</al><al/><al><vet>Artikel 12. Agenda</vet></al><al>Het presidium bepaalt hoe de agenda eruit komt te zien (artikel 5). Het
                        versturen van de agenda en stukken is geregeld in artikel 11. Dit is echter
                        een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het
                        niet altijd mogelijk zijn om een week voor de vergadering een agenda op te
                        stellen, die ook zicht heeft op de 'waan' van de dag. In een dergelijke
                        situatie kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo
                        nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen. Dit kan echter niet tot
                        op het laatste moment, maar tot uiterlijk twee dagen voor de aanvang van de
                        vergadering. Het derde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te
                        geven in de opstelling van de raadsagenda. Individuele raadsleden kunnen via
                        hun fractievoorzitter in het presidium onderwerpen voor de agenda
                        voordragen. Zij kunnen echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een
                        voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af
                        te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee
                        momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda.</al><al/><al>Het vierde lid vloeit voort uit de verplichting van het college om de raad
                        van voldoende informatie te voorzien. Als de raad niet voldoende op de
                        hoogte is van de inhoud en strekking van een onderwerp, is het niet gewenst
                        dat de raad zich over dit onderwerp uitspreekt. In een dergelijk geval heeft
                        de raad de mogelijkheid, het onderwerp naar een commissie te verwijzen of
                        aan het college nadere inlichtingen of advies te vragen. Het laatste lid
                        regelt dat de raad op verzoek van een lid of op voorstel van de voorzitter
                        de volgorde van behandeling van de agendapunten kan wijzigen.</al><al/><al>Voorstellen aan de raad kunnen van diverse actoren afkomstig zijn. In de
                        eerste plaats zijn dit het college en de burgemeester. Daarnaast kunnen
                        raadsleden initiatiefvoorstellen indienen. Het presidium kan voorstellen
                        doen die te maken hebben met de organisatie en de werkzaamheden van de raad
                        (zie artikel 5, lid 6).</al><al/><al><onderstreept>Artikel 13. De wethouder</onderstreept></al><al>Deze bepaling is gewijzigd door een verandering en aanvulling van artikel 21
                        Gemeentewet op 16 april 2009. In de oude situatie bestond voor de raad de
                        mogelijkheid om een wethouder uit te nodigen voor de raadsvergaderingen. De
                        raad had ook de mogelijkheid om de wethouder buiten de beraadslagingen te
                        houden, bijvoorbeeld indien hij van gedachten wilde wisselen over het eigen
                        functioneren of bij de voorbereiding van een besluit tot een onderzoek naar
                        het door het college gevoerde bestuur. </al><al/><al>Aanwezigheid geschiedde op uitnodiging, niet-uitgenodigde wethouders konden
                        slechts op de publieke tribune plaatsnemen en hadden niet het recht aan de
                        beraadslagingen deel te nemen. De bepaling in het Reglement van orde regelde
                        dat op verzoek van de wethouder of op wens van het presidium een wethouder
                        werd uitgenodigd om aan de beraadslagingen deel te nemen.</al><al/><al>Door de wijziging en aanvulling van artikel 21 van de Gemeentewet heeft de
                        wethouder toegang tot de raadsvergadering en kan hij aan de beraadslaging
                        deelnemen. Bij de wijziging van de Gemeentewet is een derde lid aan artikel
                        21 toegevoegd: Een wethouder kan door de raad worden uitgenodigd om ter
                        vergadering aanwezig te zijn. De gewijzigde bepaling in het Reglement van
                        orde geeft een nadere uitwerking van deze bepaling. Het derde lid bij het
                        artikel is toegevoegd omdat het niet noodzakelijk is dat een wethouder elke
                        raadsvergadering bijwoont. Het gebruik van het werkwoord ‘uitnodigen’ geeft
                        aan dat een wethouder kan weigeren te verschijnen in de raad. In de praktijk
                        zal dat echter niet waarschijnlijk zijn, omdat een dergelijke weigering door
                        de raad kan worden uitgelegd als een weigering inlichtingen te verschaffen
                        of verantwoording af te leggen; met alle mogelijke onaangename politieke
                        gevolgen van dien voor de betrokken wethouder. De staatssecretaris van BZK
                        vindt het echter onwenselijk dat in een duaal bestel raad en college elkaar
                        uitsluiten. De burgemeester draagt als voorzitter van de raad èn van het
                        college een bijzondere verantwoordelijkheid hierop toe te zien.</al><al/><al>Het is overigens nog steeds de raad zelf die de eigen agenda vaststelt. Met
                        andere woorden: het recht van de wethouder om de raadsvergadering bij te
                        wonen en aan de beraadslagingen deel te nemen houdt uitdrukkelijk niet het
                        recht in om de agenda mede te bepalen. De wethouder kan wel inspelen op
                        onderwerpen die worden behandeld, maar hij speelt geen rol bij de
                        onderwerpen die op de agenda worden geplaatst. De aanpassing in de
                        Gemeentewet heeft vooral betrekking op het samenspel tussen raad en college;
                        de geforceerde scheiding tussen raad en college, die onder andere tot
                        uitdrukking kwam in de spelregels over de aanwezigheid van de wethouder in
                        de raadsvergadering is van rijkswege ongewenst geacht.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 14. Ter inzage leggen van stukken</onderstreept></al><al>Onder de stukken ter inzage wordt verstaan; geheime stukken en de zogenaamde
                        ‘achterliggende’ stukken waarvan in raadsvoorstellen melding wordt gemaakt
                        (ambtelijke adviezen, toelichtende nota’s, etc.).</al><al/><al>Een agendapunt kan betrekking hebben op een grote hoeveelheid verschillende
                        stukken, die bijvoorbeeld betrekking hebben op een groot bouwproject. Omdat
                        raadsleden zich bezighouden met een groot aantal verschillende onderwerpen
                        en voorstellen, is het niet wenselijk dat raadsleden alle onderliggende
                        stukken krijgen toegezonden. Uiteraard dienen alle raadsleden en andere
                        geïnteresseerden wel de mogelijkheid te hebben om alle stukken desgewenst in
                        te zien. Hiervoor hebben ze voldoende tijd nodig. Daarom worden alle stukken
                        gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep ter inzage
                        aangeboden.</al><al/><al>Naast de fysieke ter inzage legging op het stadhuis, worden alle relevante
                        stukken behorende bij de agenda op het digitale raadsinformatiesysteem
                        geplaatst en daarmee voor elk raadslid elektronisch ter inzage aangeboden.
                        Ook kan worden overwogen om stukken op een andere, elektronisch
                        toegankelijke, wijze aan raadsleden ter beschikking te stellen.</al><al/><al>Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet openbaarheid van bestuur
                        (Wob). Een document houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend
                        schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten
                        vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander
                        materiaal. Ook alle van buiten komende stukken en ander voor
                        overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda’s, verslag,
                        (concept)adviezen en magneetbanden verkrijgen de status van document in de
                        zin van de Wob.</al><al/><al>Indien het gaat om geheime of vertrouwelijke stukken, waar voorlopige
                        geheimhouding is opgelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt
                        aan de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. Ook kan
                        worden overwogen hiervan geen kopieën te laten maken, omdat het gevaar
                        bestaat dat vaak gekopieerde stukken toch in de openbaarheid komen.De
                        griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Het ligt
                        dan ook in de rede dat stukken, die betrekking hebben op de agenda en de
                        voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter
                        inzage worden gelegd. Op verzoek van de leden van de raad kan de griffier
                        inzage aan hen verlenen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 15. Openbare kennisgeving</onderstreept></al><al>Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19,
                        tweede lid, van de Gemeentewet. Voor wat betreft de wijze van publicatie is
                        aangesloten bij artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Bij de
                        herziening van het reglement is tevens de verplichting opgenomen de agenda
                        en stukken ook op het internet te plaatsen. Vanuit het oogpunt van service
                        aan de burger is dit gewenst. Elke gemeente beschikt over een website. Dit
                        is echter niet verplicht op grond van de Gemeentewet. In het Reglement van
                        orde wordt expliciet vastgelegd in welke dag-, nieuws- of
                        huis-aan-huisbladen de aankondiging van de vergadering van de raad wordt
                        geplaatst. Indien de gemeente echter vaak wisselende media benut, is het
                        niet verstandig om de naam van een blad op te nemen, aangezien het reglement
                        dan steeds opnieuw moet worden aangepast.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 2. Orde der vergadering</cursief></al><al><onderstreept>Artikel 16. Presentielijst</onderstreept></al><al>De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit
                        artikel 20 Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De
                        handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen,
                        dat het vergaderquorum aanwezig is. De lijst kan niet dienen om het
                        stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de
                        Gemeentewet.</al><al>De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft.
                        Daarom stelt hij samen met de voorzitter de presentielijst vast en
                        ondertekent deze. Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst
                        volledig is en het quorum aanwezig was.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 17. Zitplaatsen</onderstreept></al><al>De griffier is overeenkomstig artikel 3.1 in elke vergadering aanwezig en
                        heeft daarom een eigen zitplaats. De voorzitter kan na overleg in het
                        presidium de indeling herzien, indien daartoe aanleiding bestaat. Op grond
                        van artikel 13 kunnen wethouders worden uitgenodigd om in de vergadering
                        aanwezig te zijn. Ook andere personen kunnen uitgenodigd worden om ter
                        vergadering aanwezig te zijn. De voorzitter is de aangewezen persoon om voor
                        een zitplaats voor hen te zorgen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 18. Opening vergadering</onderstreept></al><al>De vergadering kan beginnen, indien meer dan de helft van het aantal zitting
                        hebbende raadsleden aanwezig is en de presentielijst heeft getekend. Artikel
                        20 van de Gemeentewet voorziet in een procedure voor een tweede vergadering
                        indien het vereiste aantal leden niet op komt dagen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 19. Primus bij hoofdelijke stemming en
                            beraadslagingen</onderstreept></al><al>Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen
                        aan het begin van de vergadering; deze volgorde geldt dan voor de gehele
                        vergadering, ook na een eventuele schorsing. Uiteraard is ook hier afwijking
                        mogelijk, bijvoorbeeld door te bepalen dat pas op het moment van stemming de
                        primus wordt bepaald. De beraadslagingen beginnen eveneens bij de
                        primus.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 20. Spreekrecht</onderstreept></al><al>Tijdens de raadsvergadering mogen burgers inspreken, daaruit komt geen
                        discussie met hen voort. Burgers mogen niet inspreken op
                        moties/amendementen. Daar de raadsvergadering het sluitstuk is van het
                        besluitvormingproces is het aan te bevelen om de burger te betrekken bij het
                        inspreken op onderwerpen in de commissievergaderingen. In de (landelijke)
                        praktijk is gebleken dat de raad vaak niet van richting verandert op basis
                        van de informatie van de inspreker. Vanuit dit perspectief wordt het
                        inspreekrecht van burgers tijdens raadsvergaderingen landelijk als
                        schijnspreekrecht betiteld.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 21. Verslag en besluitenlijst</onderstreept></al><al>Dit artikel regelt de verslagleggende taak van de griffier en de wijze
                        waarop het verslag wordt vastgesteld. Het maken van een verslag is niet
                        verplicht. In de Gemeentewet wordt alleen gesproken over de verplichting een
                        besluitenlijst openbaar te maken (artikel 23, vijfde lid Gemeentewet). Bij
                        de herziening van het reglement in 2006 is dit artikel gewijzigd. Dit
                        betreft de bepaling over de besluitenlijst en het gebruik van de term
                        verslag. Wat dit laatste betreft, voorheen werd gesproken over notulen.
                        Gekozen is om aan te sluiten bij de terminologie van de Gemeentewet (artikel
                        23, vijfde lid) en de bepalingen in het modelreglement van orde voor het
                        college.</al><al/><al>Het conceptverslag kan zodra dit ontvangen is aan de leden en de overige
                        leden die het woord hebben gevoerd worden verstuurd. Het kan ook zijn dat
                        dit gebeurt bij het versturen van de schriftelijke oproep. Omdat wethouders
                        (artikel 13), de burgemeester, de griffier en de gemeentesecretaris ook het
                        woord kunnen voeren in de vergadering, kunnen zij tevens een voorstel tot
                        verandering van het verslag aan de raad doen. Een voorstel tot verandering
                        dient voorafgaand aan de vergadering schriftelijk te worden ingediend. Het
                        is ook mogelijk om te bepalen dat dit kan plaatsvinden tot het moment dat
                        het verslag wordt vastgesteld.</al><al/><al>De griffier verleent de ambtelijke ondersteuning van de raad. Daarom is de
                        griffier aangewezen om voorstellen tot wijzigingen van het verslag in
                        ontvangst te nemen, het verslag op te stellen en deze, samen met de
                        voorzitter, te ondertekenen. Het is aan de raad om te beslissen of een
                        voorgestelde wijziging of aanvulling geaccepteerd wordt. Een afwijzing van
                        een dergelijk voorstel is niet vatbaar voor beroep (aldus de Afdeling
                        Rechtspraak van de Raad van State). Als de gemeentesecretaris aanwezig is,
                        dient zijn naam, omdat het een belangrijke functionaris betreft, vermeld te
                        worden in het verslag. Hetzelfde geldt voor wethouders.</al><al/><al>Het verslag is een woordelijk verslag. Dit betekent dat de prekers ook in
                        het verslag genoemd moeten worden. In het kader van de betrokkenheid van
                        burgers bij de lokale politiek is het mogelijk dat er
                        burgerinitiatiefvoorstellen worden ingediend. Het verslag dient ook de
                        integrale tekst van die voorstellen in te houden.</al><al/><al>Met de inwerkingtreding van de Aanpassingswet dualisering gemeentebestuur is
                        de openbaarmaking van een besluitenlijst van de raadsvergadering verplicht
                        gesteld vanaf 19 februari 2003 (artikel 23, vijfde lid van de Gemeentewet).
                        De besluitenlijst dient op een zo kort mogelijke termijn te worden
                        gepubliceerd. Dit kan voordat het verslag is vastgesteld aangezien de
                        besluitenlijst 'slechts' een overzicht geeft van (alle) door de raad genomen
                        beslissingen (dus niet alleen besluiten in de zin van de Algemene wet
                        bestuursrecht maar ook bijvoorbeeld een afspraak om een werkbezoek af te
                        leggen).</al><al/><al>Andere vormen van verslaglegging zijn ook mogelijk. Bijvoorbeeld een
                        geluidsopname van de raadsvergadering op CD, met een overzicht van de
                        sprekers, de onderwerpen - voorzien van tijdscodes - en een
                        besluitenlijst.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 22. Ingekomen stukken;
                        mededelingen</onderstreept></al><al>Over de (aan de raad gerichte) ingekomen stukken worden alleen voorstellen
                        gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld ter
                        kennisneming, steunen, afwijzen, in behandeling nemen, doorsturen naar een
                        raadscommissie, doorsturen naar het college etc. Uitzondering daarop is het
                        antwoordt op een schriftelijk gestelde vraag. De indiener mag ter
                        verduidelijking één aanvullende vraag stellen over het antwoord.
                        Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter buiten de orde
                        verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en
                        besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid. De
                        schriftelijke mededelingen van het college aan de raad komen in principe ook
                        bij de raad binnen. De mededelingen zijn dan ook een ingekomen stuk. Verder
                        bewaakt de voorzitter de orde van de vergadering. De raad stelt op voorstel
                        van het presidium de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. In
                        eerdere versies van het reglement was deze taak bij de voorzitter gelegd.
                        Het is logischer, nu er een presidium is, deze taak hier neer te
                        leggen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 23. Aantal spreektermijnen</onderstreept></al><al>Indien de raad van mening is, dat na de tweede termijn verdere beraadslaging
                        nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt
                        dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te
                        veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de
                        inbreng van de raadsleden in de eerste en tweede termijn.</al><al>Het stellen van vragen dient ook als een spreektermijn beschouwd te worden.
                        Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een
                        korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren.</al><al/><al>De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke
                        termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan
                        de orde zijnde onderwerp.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 24. Spreektijd</onderstreept></al><al>Dit artikel is er om te benadrukken dat de raad ook uit eigen initiatief
                        regels kan stellen over de spreektijd van de leden. De voorzitter hoeft dit
                        niet voor te stellen. De voorzitter kan in het kader van zijn taak tot het
                        handhaven van de orde tijdens de vergadering wel wijzigingen voorstellen in
                        de omvang van de spreektijd.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 25. Handhaving orde; schorsing</onderstreept></al><al>Het eerste lid verzekert dat raadsleden vrijelijk kunnen spreken.
                        Interrupties zijn toegestaan voor zover de voorzitter bij een overvloed aan
                        interrupties of in het belang van de voortgang van de beraadslagingen
                        bepaalt dat een spreker zijn betoog zonder verdere interrupties afrondt. Om
                        te bevorderen dat leden van de raad zich niet belemmerd voelen om hun mening
                        te uiten, is in artikel 22 Gemeentewet bepaald dat zij niet in rechte
                        vervolgd kunnen worden, aan te spreken zijn of verplicht zijn getuigenis af
                        te leggen over wat zij in de vergadering zeggen of schriftelijk overleggen.
                        Het tweede lid heeft naast de leden die het woord voeren, ook betrekking op
                        de wethouders, de gemeentesecretaris, de griffier of andere personen, die
                        het woord voeren. De voorzitter kan hen tot de orde roepen. Indien zij
                        hieraan geen gehoor geven, kan hen het woord worden ontzegd.</al><al/><al>De bevoegdheid die in het tweede lid aan de voorzitter wordt gegeven om een
                        spreker over een aanhangig onderwerp het woord te ontzeggen, gaat minder ver
                        dan de mogelijkheid die artikel 26, derde lid, van de Gemeentewet biedt om
                        aan dat lid, dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken
                        belemmert, de toegang tot de vergadering te ontzeggen. De laatstgenoemde
                        bevoegdheid van de voorzitter blijft echter onverlet. Het artikel is slechts
                        een aanvulling op de Gemeentewet. Een besluit van de voorzitter om iemand
                        het woord te ontnemen is een op feitelijk handelen gerichte beslissing met
                        een intern karakter. Dit is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. (JB
                        9 (2002) 138).</al><al/><al>Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van
                        goed- of afkeuring; deze uitingen worden beschouwd als verstoringen van de
                        orde. Voor wat betreft de handhaving van de orde op de publieke tribune
                        wordt verwezen naar artikel 52 van dit reglement.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 26. Beraadslaging</onderstreept></al><al>Om de vergaderduur niet te zeer te verlengen wordt over een voorstel dat in
                        onderdelen of artikelen is verdeeld, in principe in zijn geheel
                        beraadslaagt. In het eerste lid is een uitzonderingsmogelijkheid
                        opgenomen.</al><al>Door de toevoeging 'of een lid van de raad' wordt ook raadsleden het recht
                        toegekend om voor te stellen een voorstel gesplitst te behandelen. Dit
                        brengt tot uitdrukking dat de raad zijn eigen werkwijze bepaalt. Het recht
                        is aan ieder individueel raadslid toegekend. Dit past in het streven naar
                        dualisering, aangezien dualisering versterking van de vertegenwoordigende en
                        daarmee agenderende rol van de raad veronderstelt. Hiervoor dienen ook
                        individuele raadsleden en kleine fracties over adequate instrumenten te
                        beschikken.</al><al/><al>Indien de schorsing als bedoeld in het tweede lid aan het einde van de
                        tweede termijn plaatsvindt, zijn er vervolgens twee mogelijkheden: er wordt
                        direct tot stemming overgegaan of aan de beraadslagingen wordt een derde
                        termijn toegevoegd (zie artikel 23).</al><al/><al>In het tweede lid wordt onder meer gesproken over het college dat de
                        mogelijkheid krijgt tot nader beraad. Dit is uiteraard alleen het geval als
                        het college bij de bespreking van het betreffende onderwerp vertegenwoordigd
                        is.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 27. Spreekregels</onderstreept></al><al>Bij dit artikel is geen verdere toelichting vereist.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 28. Deelname aan de beraadslaging door
                            anderen</onderstreept></al><al>Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 Gemeentewet
                        geregelde verschoningsrecht. Het is uiteraard ook mogelijk dat de raad
                        bepaalt dat een bepaalde functionaris in bepaalde gevallen altijd aan de
                        beraadslaging mag deelnemen.</al><al/><al>De raad kan op grond van artikel 3, 4 respectievelijk 13 bepalen dat de
                        griffier, de gemeentesecretaris en de wethouder(s) deelnemen aan de
                        beraadslagingen. De burgemeester heeft het recht (het woord te voeren en)
                        deel te nemen aan de beraadslagingen op grond van artikel 21, eerste lid van
                        de Gemeentewet. De strekking van artikel 28 blijft alleen onveranderd
                        wanneer aan het eerste lid de griffier, de wethouder en de
                        gemeentesecretaris worden toegevoegd. Daarmee blijft het artikel uitdrukken
                        dat de raad kan beslissen dat anderen kunnen deelnemen aan de
                        beraadslagingen.</al><al/><al>In het tweede lid wordt het begrip 'beslissing' gebruikt. Het gaat hier
                        namelijk niet om het besluitbegrip in de zin van de Algemene wet
                        bestuursrecht.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 29. Stemverklaring</onderstreept></al><al>Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen
                        van een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De
                        stemverklaringen worden gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden dat
                        de stemming begint.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 30. Beslissing</onderstreept></al><al>De voorzitter kan de beraadslaging sluiten, als hij vaststelt dat een
                        onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De
                        voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing. Indien geen
                        stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32,
                        derde lid, van de Gemeentewet.</al><al/><al><cursief>Paragraaf 3. Procedures bij stemmingen</cursief></al><al><onderstreept>Artikel 31. Algemene bepalingen over
                        stemming</onderstreept></al><al>Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de
                        stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze
                        bepaling van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand
                        stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Wellicht ten
                        overvloede wordt hierbij nog verwezen naar artikel 209, tweede lid
                        Gemeentewet, welke een hoofdelijke stemming verplicht.</al><al/><al>De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen,
                        indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele
                        leden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van
                        stemming op grond van artikel 28 Gemeentewet. In alle andere gevallen is een
                        raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in
                        principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in
                        zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers)
                        duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden. Bij wie de stemming begint, is
                        geregeld in artikel 19.</al><al/><al>In de Winsumuitspraak (Raad van State, 7 augustus 2002) is het hoger beroep
                        op artikel 28 Gemeentewet afgewezen, maar heeft de Afdeling wel
                        geconcludeerd dat het genomen besluit in strijd is met artikel 2:4 van de
                        Algemene wet bestuursrecht omdat de schijn van belangenverstrengeling
                        onvoldoende was vermeden. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn er vragen
                        gerezen over de mogelijke gevolgen voor stemprocedures en de
                        verantwoordelijkheden in gemeenteraden.</al><al/><al>In deze uitspraak geeft de Afdeling het rechtsbeginsel neergelegd in artikel
                        2:4 Awb voorrang boven hetgeen in artikel 28 Gemeentewet is bepaald. Over de
                        mogelijke gevolgen van de uitspraak adviseert Minister Remkes in zijn
                        beschouwing van 19 mei 2003:</al><al>"de beslissing over stemonthouding dient voorbehouden te blijven aan het
                        individuele raadslid; bij stemming heeft de raad geen optie dan te
                        waarschuwen dat het te nemen besluit wel eens aanvechtbaar zou kunnen zijn
                        in een bezwaarschriftprocedure of bij de bestuursrechter of in het kader van
                        een spontane vernietiging door de Kroon (artikel 268 Gemeentewet); de raad
                        kan in dergelijke gevallen een belangrijke rol spelen door in algemene zin
                        te bespreken, individuele raadsleden door hun handelen de schijn van
                        belangenverstrengeling kunnen wekken en hoe dat voorkomen kan worden (en dit
                        bijv. opnemen in de gedragscode); uiteraard is de gedragscode in juridische
                        zin niet bindend, dit is tevens niet wenselijk."</al><al/><al>Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van
                        toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te
                        zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van
                        het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen
                        staken, wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 32. Stemming over amendementen en
                            moties</onderstreept></al><al>Voor meer informatie over een amendement of een motie (betekenis, indiening
                        e.d.) wordt verwezen naar de artikelen 1, 36 en 37 van dit reglement. Voor
                        alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen
                        een motie en een amendement. Een amendement komt in stemming voorafgaande
                        aan de stemming over het onderliggende voorstel. Een motie strekt niet tot
                        wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart
                        besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is
                        afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard
                        niet en is het vierde lid niet van toepassing. Bij het staken van stemmen
                        geldt artikel 32 van de Gemeentewet.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 33. Stemming over personen</onderstreept></al><al>Eind 2005 is de Gemeentewet gewijzigd wat betreft het stemmen over personen.
                        Voorheen was in artikel 33, eerste lid bepaald dat, indien er wordt gestemd
                        over de benoeming, voordracht of aanbeveling van personen, dit schriftelijk
                        dient te geschieden door middel van gesloten en ongetekende stembriefjes. Op
                        deze wijze zou de geheimhouding zijn gewaarborgd. De verplichting om dit bij
                        stembriefjes te doen is nu vervallen. Gemeenten kunnen dus ook door middel
                        van een elektronisch systeem stemmen over personen, mits de geheimhouding
                        gewaarborgd is.</al><al/><al>Het Reglement van orde gaat vooralsnog uit van een stemming door middel van
                        behoorlijk ingevulde stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet
                        aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (MvT, 19 403, nr. 3 p.
                        86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening
                        gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld
                        stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of
                        een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Onder een niet behoorlijk ingevuld
                        stembriefje wordt verstaan:</al><lijst><li nr="1."><al> een blanco ingevuld stembriefje;</al></li><li nr="2."><al> een ondertekend stembriefje;</al></li><li nr="3."><al> een stembriefje waarop meer dan één naam is vermeld, tenzij de
                                stemming verschillende vacatures betreft;</al></li><li nr="4."><al> een stembriefje waarbij, indien het een benoeming op voordracht
                                betreft, op een persoon wordt gestemd die niet is voorgedragen;</al></li><li nr="5."><al> een stembriefje waarbij op een andere persoon wordt gestemd dan die
                                waartoe de stemming is beperkt.</al></li></lijst><al>Bij een benoeming stelt de raad een specifiek persoon aan in een bepaald
                        ambt (raadslid, wethouder). Op het stembiljet wordt de naam van de te
                        benoemen persoon (of personen in geval van meerdere vacatures) met
                        daarachter de opties 'voor' en 'tegen' vermeld. Het gaat hier overigens niet
                        over de benoeming tot raadslid, dit is een heel ander soort benoeming dat in
                        artikel 7 van dit reglement wordt toegelicht. Onder voordracht wordt
                        verstaan het als kandidaat voorstellen van een persoon voor een bepaald
                        ambt. Een voordracht is voor de raad bindend, op de stembiljetten dienen de
                        namen van de voorgedragen perso(o)n(en) te worden vermeld met daarachter de
                        opties 'voor' en 'tegen'. Bij een aanbeveling wordt voorgesteld om bepaalde
                        personen voor een bepaald ambt voor te dragen, de raad mag van de
                        aanbevelingen afwijken. Het betreft hier een zogenaamde vrije stemming (zie
                        ook toelichting bij artikel 31). Op de stembiljetten kunnen de namen van de
                        aanbevolen personen worden vermeld met daarachter de opties 'voor' en
                        'tegen' én een vrije ruimte waar een kandidaat van eigen keuze kan worden
                        ingevuld.</al><al/><al>Af en toe blijkt er in gemeenten verwarring te bestaan over het meestemmen
                        in de raad van kandidaat-wethouders over hun eigen benoeming (artikel 28
                        Gemeentewet).</al><al/><al>In de eerste plaats is er, indien raadsleden genomineerd worden voor de
                        functie van wethouder, sprake van een vrije stemming. Er is geen sprake van
                        een voordracht. De beoogd wethouder mag dus meestemmen over zijn eigen
                        benoeming. Een voorstel tot benoeming gaat hem persoonlijk aan "wanneer hij
                        behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een
                        herstemming is beperkt" (artikel 28, lid 1, onder a, lid 3, Gemeentewet).
                        Dat is echter in casu niet aan de orde, omdat er ook op een ander persoon
                        kan worden gestemd. De aard van de stemming is daarom van belang.</al><al/><al>Dit heeft tot gevolg dat raadsleden de mogelijkheid hebben op het
                        stembriefje de naam van de kandidaat die hun voorkeur heeft in te vullen
                        (die van de voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander). Er is in dit
                        geval geen sprake van een voordracht of een anderszins beperkte keuze en aan
                        de stemming mag derhalve ook worden deelgenomen door raadsleden die ter
                        benoeming zijn voorgesteld: zij kunnen immers op het stembriefje een andere
                        naam dan hun eigen naam invullen.</al><al/><al>De stemming in de raad over een wethoudersbenoeming is dus een vrije
                        stemming waar de beoogde wethouder gewoon over zijn eigen benoeming kan
                        meestemmen. De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke
                        verhoudingen in de raad te beïnvloeden door middel van een verbod op het
                        meestemmen van de kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context
                        pleiten de volgende argumenten nog voor bovenstaande zienswijze: een
                        democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op
                        stemming worden ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Janse en meneer
                        Pieterse aan als wethouders. Als deze personen in de raad zitting hebben en
                        niet mee mogen stemmen houdt dit in, dat de partij ineens twee stemmen in de
                        raad minder heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke
                        verhoudingen;</al><al> een aanbeveling is geen voordracht. Het spraakgebruik heeft het vaak over
                        voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet gelijk aan
                        een voordracht;</al><al>Tenslotte is het denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming
                        wordt aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van
                        belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het
                        meestemmen over de benoeming. Hoewel het uitgangspunt is dat zeer
                        terughoudend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van
                        gekozen volksvertegenwoordigers, laat de wet de betrokkenen de ruimte daarin
                        een eigen afweging te maken.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 34. Herstemming over personen</onderstreept></al><al>De wijziging van het tweede lid strekt ertoe verwarring over de term
                        'herstemming' in artikel 31, tweede lid, van de Gemeentewet te
                        voorkomen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 35. Beslissing door het lot</onderstreept></al><al>In dit artikel wordt een nadere uitwerking gegeven van wat in artikel 31,
                        derde lid van de Gemeentewet is voorgeschreven.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 4. Rechten van leden</vet></al><al><onderstreept>Artikel 36. Amendementen</onderstreept></al><al>Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet.
                        Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels
                        staan in het tweede tot en met het vierde lid. Op basis van artikel 147b van
                        de Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen.</al><al/><al>Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en
                        controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele
                        raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor
                        een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het
                        individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan
                        heeft (geen drempelsteun). Door het recht van amendement kan de regelgevende
                        taak van de raad reëel inhoud krijgen en mede ten dienste staan van de
                        inkadering en de controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele
                        raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de
                        effectuering van de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire
                        functie van de raad.</al><al/><al>Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het
                        college of op initiatiefvoorstellen indienen, de zogenaamde amendementen.
                        Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid
                        aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen,
                        het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een
                        voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het
                        (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Indien (in
                        uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging
                        noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn (artikel
                        23).</al><al/><al>Voor wat betreft de stemming over amendementen wordt verwezen naar artikel
                        32. Voorstel tot splitsing van een voorgestelde beslissing kan, indien
                        aangenomen, meebrengen, dat één onderdeel van een besluit wel en een ander
                        niet wordt aanvaard.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 37. Moties</onderstreept></al><al>In het eerste artikel van dit reglement is de definitie van het begrip motie
                        gegeven. Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan
                        gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke,
                        procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over
                        bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek. Een motie betreft
                        dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie
                        heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn
                        burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot
                        uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie
                        door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en
                        hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken. Voor wat betreft de
                        besluitvormingsprocedure over een motie wordt opgemerkt, dat over een motie
                        een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over
                        een aanhangig onderwerp geldt, dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke
                        termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp, waarop
                        de motie betrekking heeft. Een besluit over een motie over een niet op de
                        agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering
                        plaats.</al><al/><al>Dergelijke moties benaderen de in artikel 36 geregelde
                        initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de
                        vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor
                        dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over
                        adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van
                        deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder
                        belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om
                        zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een
                        effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad.</al><al/><al>In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt. Dit betreft de
                        motie van wantrouwen waarbij de raad aangeeft het vertrouwen in een
                        wethouder te hebben verloren. Bij de wijziging van de Gemeentewet van april
                        2009 is dit artikel 49 gewijzigd. Voortaan is het een wethouder niet
                        toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Indien
                        hij dit zelf niet doet, dient de raad actie te ondernemen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 38. Voorstellen van orde</onderstreept></al><al>De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is
                        van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder
                        beraadslaging, besloten door de raad. Bij staken van stemmen is het voorstel
                        niet aangenomen, (artikel 32, lid 4 Gemeentewet is hierop niet van
                        toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de
                        vergadering voor een pauze. Indien het gaat om een niet geagendeerd
                        voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden
                        (artikel 39).</al><al/><al><onderstreept>Artikel 39. Initiatiefvoorstellen</onderstreept></al><al>Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen.
                        Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een ontwerpverordening of
                        ontwerpbeslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het
                        recht van initiatief toegekend.In artikel 147a, eerste lid, van de
                        Gemeentewet is dit uitgewerkt. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de
                        raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening wordt
                        ingediend en behandeld. Het eerste tot en met het derde lid van artikel 39
                        voorzien hierin. Artikel 147a, derde lid, bepaalt in tegenstelling tot
                        artikel 147a, tweede lid, dat voor andere initiatiefvoorstellen geen
                        verplichte behandeling voorgeschreven is. Dit betekent dat de raad
                        (aanvullende) voorwaarden kan stellen aan het in behandeling nemen van een
                        ander initiatiefvoorstel. Het vierde lid geeft hiervoor - in aanvulling op
                        de eerste drie leden voorschriften.</al><al/><al>Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de
                        vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt.
                        Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken
                        over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten
                        is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen
                        toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van drempelsteun bij
                        het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening
                        van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en
                        individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan
                        de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie.</al><al/><al>Het tweede lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig
                        mogelijk op de agenda plaatst, maar de voorzitter plaatst het voorstel
                        echter niet meer op de agenda, nadat de oproep verzonden is. Dit laat de
                        mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel
                        11, tweede lid, het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen.
                        Aangezien het voor de hand ligt om de raad tevens de mogelijkheid te geven
                        om een initiatiefvoorstel samen met een ander geagendeerd voorstel of
                        onderwerp te behandelen, is dit in het derde lid opgenomen. Een
                        initiatiefvoorstel hoeft formeel niet langs het college, maar in geval het
                        voorstel personele (en financiële) consequenties heeft kan het raadzaam zijn
                        het initiatiefvoorstel ook aan het college voor te leggen voor advies.</al><al/><al>Als de raad andere voorwaarden voor het indienen van een initiatiefvoorstel,
                        niet zijnde een verordening, wenselijk acht, kunnen deze op basis van het
                        vierde lid worden vastgesteld. Hierbij kan gedacht worden aan strijd met het
                        algemeen belang, het belang van de gemeente of het gemeentelijk beleid. De
                        raad bepaalt of een voorstel in strijd is met de wet (bijvoorbeeld de Wet op
                        de ruimtelijke ordening), het algemeen belang (bijvoorbeeld de
                        volksgezondheid), het belang van de gemeente (bijvoorbeeld het terugtrekken
                        uit een publiek-private samenwerking die gericht is op het renoveren van
                        achtergestelde woonwijken) of het gemeentelijk beleid (het bouwen van een
                        parkeergarage in het centrum als enkele maanden geleden de binnenstad
                        autoluw is gemaakt).</al><al/><al><onderstreept>Artikel 40. Collegevoorstel</onderstreept></al><al>Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is
                        de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel kan
                        agenderen, dat het college heeft voorbereid. Als het college het voorstel
                        heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide
                        voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere
                        behandeling van het voorstel niet wenselijk is. De raad moet hier
                        toestemming voor geven.</al><al/><al>Indien de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een
                        ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor
                        een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals
                        voor advies aan het college zenden. De raad kan het college bijvoorbeeld
                        verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te
                        onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een
                        verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is,
                        opnieuw behandeld wordt. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering
                        regelen, maar de raad kan dit ook aan het presidium overlaten.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 41. Interpellatie</onderstreept></al><al>Dit artikel stelt nadere regels aan artikel 155 van de Gemeentewet. Het
                        interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het
                        gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering
                        over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de
                        burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig.</al><al/><al>Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en
                        controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele
                        raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor
                        een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het
                        individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan
                        heeft. Wel is hier gekozen voor een ondersteuning door de raad bij gewone
                        meerderheid. In een gedualiseerd systeem zijn wethouders geen lid meer van
                        de raad. Toch is het van belang dat zij bij een instrument als de
                        interpellatie ook op de hoogte worden gesteld van de inhoud van het verzoek.
                        Door de toevoeging in het tweede lid wordt hiervoor gezorgd.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 42. Vragenhalfuurtje</onderstreept></al><al>Deze bepaling vormt een invulling op het voorgesteld artikel 155, eerste
                        lid, van de Gemeentewet met betrekking tot het vragenrecht. Het is een
                        facultatieve bepaling. Het is aan de raad om te bepalen of de instelling van
                        een vragenhalfuur en daarmee het opnemen van een dergelijke bepaling in het
                        Reglement van orde wenselijk is. Wel kan het vragenhalfuur bijdragen aan een
                        vergroting van de betrokkenheid van burgers bij het bestuur: één van de
                        doelstellingen van dualisering.</al><al/><al>Bewust is er gekozen voor een algemene regeling van het vragenhalfuur.
                        Veelal fungeert de rondvraag in de raadsvergadering als een mogelijkheid tot
                        het stellen van vragen. In een dualistisch stelsel is het echter niet meer
                        vanzelfsprekend dat de ter zake kundige wethouder aanwezig is. Om die reden
                        en omdat het de herkenbaarheid van de controlerende taak van de raad ten
                        goede komt, kan hiervoor een aparte gelegenheid gecreëerd worden. De drempel
                        om vragen te stellen wordt verlaagd en de media-aandacht voor de lokale
                        politiek kan worden vergroot. In het vragenhalfuur krijgt de raad de
                        mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen (leden van) het college aan
                        de tand te voelen.</al><al/><al>Het karakter van het vragenhalfuur verschilt dan ook van het recht van
                        interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder
                        politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen
                        vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij
                        geagendeerde onderwerpen aan de orde komt.</al><al/><al>Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor
                        het door hen gevoerde bestuur. Het vragenhalfuur kan bijvoorbeeld
                        voorafgaand aan de raadsvergadering worden gehouden. Wel is het voor de
                        herkenbaarheid voor de burgers raadzaam om het vragenhalfuur op een vast
                        tijdstip te houden.</al><al/><al>In het tweede lid is de aanmeldingstermijn tot 17.00 uur voor vragen
                        opgenomen vanwege het feit dat wethouders moeten worden uitgenodigd om
                        antwoord te kunnen geven op de vragen van raadsleden. Vanwege het minder
                        zware karakter van het vragenhalfuur vergeleken met de interpellatie is
                        gekozen voor een andere aanmeldingstermijn (terwijl voor de interpellatie 48
                        uur geldt).</al><al/><al><onderstreept>Artikel 43. Schriftelijke vragen</onderstreept></al><al>Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te
                        vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de
                        burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van
                        informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid
                        schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar
                        gelang wie verantwoordelijk is. De verantwoordelijke portefeuillehouder
                        dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen, indien de
                        beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de
                        voorzitter, maar het verantwoordelijk collegelid of de burgemeester geeft
                        daarom het antwoord. De raad kan oordelen dat het bijvoorbeeld wenselijk is
                        dat een collegelid of de burgemeester direct kan antwoorden op een vraag. Om
                        die reden is in het zesde lid ingevoegd dat de raad anders kan
                        beslissen.</al><al/><al>In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid
                        gesteld nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het
                        antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is, dat de
                        beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij
                        het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp
                        of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 44. Inlichtingen</onderstreept></al><al>In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de
                        inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte
                        van de raad. Zie hiervoor ook artikel 169 en 180 van de Gemeentewet.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 5. Begroting en rekening</vet></al><al><onderstreept>Artikel 45. Procedure begroting en artikel 46. Procedure
                            jaarrekening</onderstreept></al><al>In deze artikelen wordt de procedure voor de begroting en jaarrekening
                        vastgelegd. De desbetreffende procedure kan jaarlijks of in zijn
                        algemeenheid voor een langere periode worden bepaald. In de Handreiking voor
                        de financiële verordeningen en controleverordeningen (artikel 212, 213, 213a
                        Gemeentewet en website Actieprogramma Lokaal Bestuur) wordt de inhoudelijke
                        kant uitgewerkt.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 6. Lidmaatschap van andere organisaties</vet></al><al><onderstreept>Artikel 47 . Verslag en verantwoording</onderstreept></al><al>Leden van de raad (of in voorkomende gevallen de burgemeester, een wethouder
                        of de gemeentesecretaris), die lid zijn van een algemeen bestuur van een
                        gemeenschappelijke regeling, verrichten daar hun taak zowel als leden van
                        dat bestuur en als vertegenwoordiger van en in naam van de gemeente. Voor de
                        wijze, waarop zij in het bestuur van de gemeenschappelijke regeling
                        functioneren, zijn zij verantwoording verschuldigd aan de raad die hen heeft
                        aangewezen. Ook de gemeenschappelijke regeling dient over deze
                        verantwoordingsplicht en over de informatieverstrekking aan de raad
                        bepalingen te bevatten.</al><al/><al>In het eerste lid van dit artikel is een regeling getroffen voor mondelinge
                        verslaglegging (uiteraard kan ook een ander moment worden gekozen). En wordt
                        aangegeven dat bespreking in een commissie kan plaatsvinden. Indien de
                        gemeente geen commissies heeft kan hier een ander daarvoor geëigend
                        overlegorgaan worden opgenomen.</al><al/><al>In het tweede lid wordt de mogelijkheid tot het stellen van schriftelijke
                        vragen aangegeven, overeenkomstig de regels, daarvoor gesteld in artikel
                        42.</al><al/><al>Het derde lid bevat de procedure voor de ter verantwoording roeping, die
                        aansluit bij de regels voor inlichtingen.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 7. Besloten vergadering</vet></al><al><onderstreept>Artikel 48. Algemeen</onderstreept></al><al>Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige
                        toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan
                        onder meer gedacht worden aan de bepalingen over het tijdig verzenden van
                        stukken, het recht van amendement, het recht van motie, het maken van het
                        verslag.</al><al/><al>De bepalingen van het reglement zijn echter niet van toepassing, voorzover
                        het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van
                        de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties
                        voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden. Ten aanzien van de stukken die
                        betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad
                        moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 25, 55 en 86
                        van de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel opgeheven. Dit doet hij in de
                        vergadering, zie artikel 50.</al><al/><al>In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor
                        'het sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten
                        vergadering wordt.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 49. Verslag</onderstreept></al><al>In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid, van de
                        Gemeentewet. In overeenstemming met artikel 21 is de griffier
                        verantwoordelijk voor het verslag van de raadsvergadering. Dit geldt ook
                        voor het verslag van een besloten vergadering. Dit verslag ligt ter inzage
                        bij de griffier.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 50. Geheimhouding</onderstreept></al><al>Hetgeen besproken wordt in een besloten vergadering, valt niet van
                        rechtswege onder de geheimhoudingsplicht. Daarvoor is toepassing van de
                        procedure volgens artikel 25 jo artikel 55 van de Gemeentewet
                        noodzakelijk.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 51. Opheffing geheimhouding</onderstreept></al><al>In de aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid geboden de
                        geheimhouding van stukken op te heffen; stukken die niet per se aan hem
                        behoeven te zijn overgelegd. Het kan dus (zie bijvoorbeeld artikel 86,
                        tweede lid, van de Gemeentewet) gaan om de situatie dat de burgemeester
                        geheimhouding heeft opgelegd ten aanzien van stukken die hij aan de
                        raadscommissie heeft overgelegd. De raadscommissie kan dan aan de raad
                        verzoeken de geheimhouding op te heffen (indien de burgemeester daar niet
                        toe bereid is). In het onderhavige artikel is nu ter zake een
                        overlegverplichting opgenomen waardoor recht wordt gedaan aan het principe
                        van hoor en wederhoor.</al><al/><al>Op grond van artikel 25 gemeentewet, derde en vierde lid, kan geheimhouding
                        worden opgelegd door het college, de burgemeester en een commissie, ieder
                        ten aanzien van stukken die zij aan de raad of aan leden van de raad
                        overleggen. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad
                        overgelegde stukken vervalt, indien de raad de oplegging niet in zijn
                        eerstvolgende vergadering die volgens de presentielijst door meer dan de
                        helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt
                        bekrachtigd.</al><al/><al>Als de raad niet van plan is de opgelegde geheimhouding te bekrachtigen, kan
                        het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met
                        de raad overleg voeren. Deze besloten vergadering kan dan gaan om de vraag
                        waarom de raad de geheimhouding wil opheffen.</al><al>Hoofdstuk 8. Toehoorders en persArtikel 52. Toehoorders en persDe hier
                        aangegeven procedurebepalingen zijn gebaseerd op de in artikel 26, eerste en
                        tweede lid, van de Gemeentewet gegeven bevoegdheid aan de voorzitter van de
                        raad om toehoorders die de orde verstoren, te doen vertrekken en bij
                        volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 53. Geluid- en beeldregistraties</onderstreept></al><al>Aangezien de vergaderingen van een de raad in principe openbaar zijn, kunnen
                        radio- en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard
                        niet het geval als het een besloten vergadering betreft.</al><al/><al><onderstreept>Artikel 54. Verbod gebruik mobiele
                        telefoons</onderstreept></al><al>Dit artikel 54 heeft betrekking op het mobiele telefoonverkeer. Het mobiele
                        telefoonverkeer werkt verstorend tijdens de vergadering. Dit laat echter
                        onverlet, dat indien zwaarwegende redenen dit noodzakelijk maken, de
                        voorzitter aanwezigen toestemming kan geven zijn mobiele telefoon wel
                        standby te laten staan.</al><al/><al><vet>Hoofdstuk 9. Slotbepalingen</vet></al><al><onderstreept>Artikel 55. Uitleg reglement</onderstreept></al><al>Bij dit artikel is geen verdere toelichting vereist</al><al/><al><onderstreept>Artikel 56. Inwerkingtreding</onderstreept></al><al>Bij dit artikel is geen verdere toelichting vereist</al><al/><al/></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>