<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR237229_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmingsverordening WWB, Bbz IOAW en IOAZ 2013</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-11-21</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Landerd</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Arena, 21 december 2012</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Afstemmingsverordening WWB, Bbz IOAW en IOAZ 2013</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Wwb, Artikel 8 eerste lid, onderdeel b en artikel 18</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">loaw, Artikel 20 en 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">loaz, Artikel 20 en 35</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, Artikel 147</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2012-12-22</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2013-04-10</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Wijziging</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Wet werk en bijstand, IOAW, IOAZ</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling vervangt de Afstemmingsverordening WWB, Bbz, IOAW en IOAZ 2012 ( vastgesteld 26 januari 2012)</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmingsverordening WWB, Bbz IOAW en IOAZ 2013</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad van de gemeente Landerd;</al><al>Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 20 december
                        2011;</al><al>Gelet op artikel 147 eerste lid van de Gemeentewet en de bepalingen van
                        de Algemene wet bestuursrecht;</al><al>Gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel b, en artikel 18 van de Wet
                        werk en bijstand, en artikel 20 en 35 van de Wet inkomensvoorziening
                        oudere en (gedeeltelijk) arbeids-ongeschikte werklozen en de Wet
                        inkomensvoorziening oudere en (gedeeltelijk) arbeidsongeschikte gewezen
                        zelfstandigen;</al><al>Overwegende dat het noodzakelijk is de verlaging of weigering van
                        bijstand of uitkering bij wijze van sanctie bij verordening te
                        regelen;</al><al><vet>B E S L U I T:</vet></al><al>Tot het vaststellen van de: </al><al><vet>Afstemmings</vet><vet>verordening </vet><vet>WWB</vet><vet>,
                    </vet><vet>Bbz </vet><vet>IOAW</vet><vet>
                        en</vet><vet>IOAZ</vet><vet>2013</vet></al><al/><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>WWB: Wet werk en bijstand;</al></li><li nr="b."><al>Bbz: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;
                                        </al></li><li nr="c."><al>IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte werkloze werk-nemers;</al></li><li nr="d."><al>IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
                                            arbeidsongeschikte gewezen zelf-standigen;</al></li><li nr="e."><al>WI: Wet inburgering;</al></li><li nr="f."><al>bijstand: de bijstandsnorm bedoeld in hoofdstuk 3,
                                            paragraaf 2 en 3, van de WWB;</al></li><li nr="g."><al>grondslag: toepasselijke grondslag, als bedoeld in
                                            artikel 5, derde, vierde en vijfde lid, van de IOAW of
                                            artikel 5, vierde lid, van de IOAZ;</al></li><li nr="h."><al>uitkering: bijstandsuitkering, langdurigheidstoeslag op
                                            grond van artikel 36 van de WWB of uitkering als bedoeld
                                            in artikel 9 IOAW of IOAZ;</al></li><li nr="i."><al>afstemming: verlaging van de uitkering op grond van
                                            artikel 18, tweede lid WWB, verlaging van de uitkering
                                            op grond van artikel 20 tweede lid IOAW of artikel 20
                                            eerste lid IOAZ, evenals het tijdelijk geheel of
                                            gedeeltelijk weigeren van een uitkering op grond van
                                            artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid
                                            IOAZ;</al></li><li nr="j."><al>re-integratievoorziening: een voorziening, gericht op
                                            het vergroten van de mogelijkheden tot
                                            arbeidsinschakeling, scholing of participatie;</al></li><li nr="k."><al>College: het college van burgemeester en
                                            wethouders.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Alle begrippen die verder in deze verordening gebruikt worden en
                                    die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de WWB, Bbz, IOAW, IOAZ en
                            de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</al></li></lijst><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het verlagen van de uitkering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Als de belanghebbende naar het oordeel van het college voor de
                                toepassing van de WWB tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                toont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de WWB, IOAW
                                of IOAZ of de artikelen 30c van de Wet structuur
                                uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen
                                niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich tegenover
                                het college zeer ernstig misdragen, wordt in overeenstemming met
                                deze verordening de uitkering verlaagd.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate
                                waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                omstandigheden waarin hij verkeert. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging wordt toegepast op de bijstand of de grondslag.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag
                                indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 van de wet; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand of de
                                        langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft. </al></li></lijst></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand voor woonkosten en premie
                                arbeidsongeschiktheidsverzekering aan zelfstandigen die bijstand
                                voor levensonderhoud op grond van het Bbz ontvangen, of hebben
                                ontvangen.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Besluit tot afstemming</titel></kop><al>In het besluit tot de verlaging worden in ieder geval vermeldt: de reden
                            van de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage waarmee de
                            bijstand of grondslag wordt verlaagd, het bedrag waarmee de bijstand of
                            grondslag wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te
                            wijken van een standaardverlaging. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van verlaging van de uitkering</titel></kop><al>Het college ziet af van een verlaging indien:</al><lijst><li nr="a."><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></li><li nr="b."><al>de gedraging meer dan zes maanden vóór constatering van die
                                    gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de
                                    gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als
                                    gevolg van die gedraging ten onrechte uitkering is verleend. Een
                                    verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet
                                    opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende
                                    gedraging heeft plaatsgevonden. </al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging gaat in op de eerste dag van de nog te betalen lopende
                                uitkering, voor zover de betaling nog niet heeft plaatsgevonden.
                            </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan de verlaging worden toegepast
                                met ingang van de eerst volgende kalendermaand. Daarbij wordt
                                uitgegaan van de voor die maand geldende bijstands-norm of
                                grondslag.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Een verlaging wordt voor bepaalde tijd toegepast. Een verlaging die
                                voor een periode van meer dan drie maanden wordt toegepast, wordt
                                uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd
                                heroverwogen. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan
                            verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als
                            genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, wordt voor het bepalen van
                            de hoogte en duur van de verlaging uitgegaan van de gedraging waarvoor
                            de hoogste verlaging geldt. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>De gedragingen bedoeld in artikel 18 tweede lid WWB, artikel 20 IOAW of
                            artikel 20 IOAZ worden onderscheiden in de volgende categorieën:</al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college
                                    gestelde termijn nakomen van de inlichtingen- en
                                    medewerkingsplicht bedoeld in artikel 17 WWB, artikel 38 tweede
                                    lid van het Bbz, of artikel 13 van de IOAW of IOAZ, en indien
                                    van toepassing mede als bedoeld in artikel 25 van de WI, voor
                                    zover dit niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te
                                    hoog bedrag ontvangen van uitkering;</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet, onvoldoende of niet binnen een door het college
                                    gestelde termijn nakomen van de inlichtingen- en
                                    medewerkingsplicht bedoeld in artikel 17 WWB, artikel 38 tweede
                                    lid van het Bbz, of artikel 13 van de IOAW of IOAZ, als dit
                                    heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                    ontvangen van uitkering;</al></li><li nr="b."><al>uitsluitend voor zover de WWB van toepassing is, het blijk geven
                                    van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid
                                    WWB, voor zover het niet betreft het door eigen toedoen niet
                                    behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; </al></li><li nr="c."><al>het niet als werkzoekende geregistreerd zijn of blijven bij het
                                    Uitvoeringsinstituut werknemers-verzekeringen (UWV) indien
                                    daardoor de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling aantoonbaar
                                    wordt belemmerd;</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>Het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde
                                            arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen, waaronder
                                            begrepen de zoektijd van personen jonger dan 27 jaar als
                                            bedoeld in artikel 7 WWB;</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                            gebruik maken van re-inte-gratievoorzieningen, waaronder
                                            begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een
                                            onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling,
                                            scholing of participatie, of aan een plan van aanpak als
                                            bedoeld in artikel 44 WWB, voor zover dit niet heeft
                                            geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige
                                            beëindiging van het re-integratietraject;</al></li><li nr="c."><al>uitsluitend voor zover de WWB van toepassing is, het
                                            niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als
                                            bedoeld in hoofdstuk 6, paragraaf 3, van de WWB.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie<vet>: </vet></al><lijst><li nr="a."><al>uitsluitend voor de toepassing van de WWB, het blijk
                                            geven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                            voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in
                                            artikel 18 tweede lid WWB, voor zover het betreft het
                                            door eigen toedoen niet behouden van algemeen
                                            geaccepteerde arbeid;</al></li><li nr="b."><al>het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid en
                                            tevens uitsluitend voor de toepassing van de IOAW of
                                            IOAZ, indien het betreft een verwijtbare beëindiging van
                                            de dienstbetrekking als bedoeld in artikel 20 IOAW of
                                            IOAZ. </al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot
                                            gebruik maken van re-inte-gratievoorzieningen, waaronder
                                            begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan de
                                            mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of
                                            participatie of aan een plan van aanpak als bedoeld in
                                            artikel 44 WWB, als dit heeft geleid tot het geen
                                            doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van het
                                            re-integratietraject;</al></li><li nr="d."><al>het zich zeer ernstig misdragen tegen het college en de
                                            in zijn opdracht werkende ambtenaren en medewerkers
                                            onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met
                                            de uitvoering van de WWB, IOAW of IOAZ.</al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Onverminderd artikel 2, tweede lid, wordt de verlaging
                                    vastgesteld op:</al><lijst><li nr="a)"><al><vet>tien procent</vet> van de bijstand of grondslag
                                            gedurende een maand bij gedragingen van de eerste
                                            categorie;</al></li><li nr="b)"><al><vet>twintig procent</vet> van de bijstand of grondslag
                                            gedurende een maand bij gedragingen van de tweede
                                            categorie;</al></li><li nr="c)"><al><vet>veertig procent</vet> van de bijstand of grondslag
                                            gedurende een maand bij gedragingen van de derde
                                            categorie;</al></li><li nr="d)"><al><vet>honderd</vet> procent van de bijstand of grondslag
                                            gedurende een maand bij gedragingen van de vierde
                                            categorie.</al></li></lijst></li><li nr="2."><al>De hoogte van de verlaging als bedoeld in het eerste lid wordt
                                    verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de verzenddatum van een
                            besluit waarbij een verlaging is toegepast, opnieuw schuldig maakt aan
                            een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. </al></li><li nr="3."><al>In geval er sprake is van een verwijtbare gedraging als bedoeld
                                    in het eerste lid onder d wordt de duur van de verlaging
                                    verdubbeld.</al></li><li nr="4."><al>Het college kan volstaan met het geven van een schriftelijke
                                    waarschuwing of de maatregel vaststellen voor een kortere of
                                    langere duur of met een hoger of lager percentage, als de ernst
                                    van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                                    omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe
                                    aanleiding geven.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10.</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><al>De uitvoering van deze verordening berust het college van burgemeester
                            en wethouders.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11.</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening kan worden aangehaald als: Afstemmingsverordening WWB,
                            Bbz, IOAW, IOAZ 2013 </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>- Inwerkingtreding</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na
                                    bekendmaking;</al></li><li nr="2."><al>De Afstemmingsverordening WWB, Bbz, IOAW, IOAZ 2012 vastgesteld
                                    op 26 januari 2012 wordt met ingang van inwerkingtreding van deze verordening
                            ingetrokken. </al></li></lijst></artikel></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 13 december
                        2012,</ondertekening><ondertekening>De raad voornoemd,</ondertekening><ondertekening>De griffier, de voorzitter,</ondertekening><ondertekening>J.A.G. Huijs W.C. Doorn - van der Houwen</ondertekening><ondertekening/><ondertekening/></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>TOELICHTING</titel></kop><al><vet>Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand, Bbz IOAW en IOAZ
                            2013</vet></al><divisie><kop><titel>Aanleiding</titel></kop><al>Aanleiding voor het vaststellen van een nieuwe verordening is de
                            inwerkingtreding van de Wet afschaffing huishoudinkomenstoets. Deze wet
                            is de uitwerking van de afspraak in het Begrotingsakkoord 2013 dat de
                            huishoudinkomenstoets, die per 1 januari 2012 in de WWB was ingevoerd,
                            weer wordt afgeschaft. In de WWB werd daarbij de toets op het inkomen
                            van de partner vervangen door een toets op gezinsniveau
                            (huishoudinkomen). </al></divisie><divisie><kop><titel>Als gevolg hiervan moet de Afstemmingsverordening 2012, vastgesteld
                            door de raad bij besluit van 26 januari 2012 worden aangepast. De
                            belangrijkste aanpassingen betreffen het wijzigen van "gezin" in
                            "gehuwden" en "gezinsnorm" in "gehuwdennorm"</titel></kop></divisie><divisie><kop><titel>Algemene toelichting</titel></kop><al><vet>De regeling in de Wet werk en bijstand
                                (</vet><vet>WWB</vet><vet>)</vet></al><al>Uit artikel 8, eerste lid, van de WWB vloeit voort dat de gemeenteraad
                            een verordening vaststelt voor het verlagen van de uitkering, bedoeld in
                            artikel 18, tweede lid van die wet. In het eerste lid van artikel 18
                            wordt gesproken over het afstemmen van de uitkering en de daaraan
                            verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen
                            van de belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het
                            vaststellen van de hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden
                            verplichtingen voor de uitkeringsgerechtigden maatwerk is, waarbij recht
                            wordt gedaan aan de individuele situatie en de persoonlijke
                            omstandigheden.</al><al>In het tweede lid wordt een directe koppeling gelegd tussen de rechten
                            en verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering
                            is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                            onafhankelijk van de uitkering te worden. Dit betekent dat de
                            vaststelling van de hoogte van de uitkering niet alleen afhangt van de
                            toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen van de
                            belanghebbende, maar ook van de mate waarin de opgelegde verplichtingen
                            worden nagekomen. Wanneer het college tot het oordeel komt dat een
                            belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt,
                            wordt de uitkering verlaagd. Er is dus geen sprake van een bevoegdheid,
                            maar van een verplichting. Alleen wanneer iedere vorm van
                            verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een verlaging.
                            Verlaging van de uitkering moet plaatsvinden in overeenstemming met een
                            door de gemeenteraad vast te stellen verordening; dit is de
                            Afstemmingsverordening.</al><al><vet>De regeling in de Wet inkomensvo</vet><vet>or</vet><vet>ziening
                                oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
                                (</vet><vet>IOAW</vet><vet>) en in de Wet
                                inkomensvo</vet><vet>or</vet><vet>ziening oudere en gedeeltelijk
                                arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
                                (</vet><vet>IOAZ</vet><vet>)</vet></al><al>De financiering van de IOAW en IOAZ is gebundeld in het Inkomensdeel
                            WWB. Aangezien de IOAW en de IOAZ gebudgetteerd worden via het I-deel,
                            ligt het voor de hand om de beleidsinvloeden op de IOAW en de IOAZ
                            gelijk te schakelen met die van de WWB. Dat betekent onder meer dat een
                            aantal wettelijk verplichte bepalingen omgezet worden in bevoegdheden
                            van het college. Evenals dat in de WWB het geval is. Een aantal
                            wettelijke verplichtingen heeft betrekking op het treffen van een
                            maatregel, wanneer de belanghebbende niet voldoet aan de bij de
                            uitkering opgelegde verplichtingen, zijn inlichtingenplicht schendt, of
                            zich tegenover het college ernstig misdraagt.</al><al>Het is van belang het toepassen van een verlaging en het opleggen van
                            (tijdelijke) weigering van uitkering dezelfde inhoud te geven. De
                            Afstemmingsverordening en de regels die daarin staan zijn daarom ook van
                            toepassing op de IOAW en de IOAZ. </al><al>In de verordening is geregeld dat het college de uitkering alleen
                            tijdelijk weigert. Dit om nadelige gevolgen van blijvende weigering van
                            de uitkering voor de belanghebbende te voorkomen. Blijvende (gehele of
                            gedeeltelijke) weigering van de uitkering, zou veelal leiden tot een
                            beroep op (aanvullende) WWB. </al></divisie><divisie><kop><titel>De relatie met het Bbz</titel></kop><al> In artikel 7 van de invoeringswet WWB wordt het Besluit
                            bijstandsverlening zelfstandigen (de Bbz) gekoppeld aan de WWB. De
                            artikelen 18 lid 2 en 3 en artikel 53a van de WWB zijn, voor zover het
                            betreft zelfstandigen als bedoeld in artikel 78f WWB, in werking
                            getreden met ingang van 1 juli 2011. (Staatsblad 2010, 839). Deze
                            Afstemmingsverordening is ook op de Bbz van toepassing. </al><al>Het gaat hierbij enerzijds om de verlening van algemene bijstand voor
                            levensonderhoud, en de in de jaarnorm opgenomen bijzondere bijstand voor
                            hoge woonkosten en premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het gaat
                            daarnaast ook om uitbreiding van het begrip inlichtingen- en
                            medewerkingsplicht, in artikel 9 van deze verordening. Dit betreft de
                            verplichting, opgenomen in artikel 38, tweede lid van het Bbz: De
                            zelfstandige aan wie bijstand wordt verleend is verplicht naar behoren
                            een administratie te voeren en deze op eigen initiatief binnen 6 maanden
                            na afloop van het boekjaar waarin bijstand is verleend, over te leggen.
                            Die plicht geldt ook als om de administratie wordt gevraagd,
                            bijvoorbeeld om de bedrijfsontwikkeling te beoordelen, als verlenging
                            van de uitkeringstermijn aan de orde is. Een verdere aanpassing is niet
                            nodig. Immers, voor zelfstandigen die een uitkering krachtens het Bbz
                            ontvangen of hebben ontvangen, gelden ook de algemene inlichtingenplicht
                            en de medewerkingsplicht. </al><al>Ten aanzien van de in artikel 8 van de verordening opgenomen gedragingen
                            en maatregelen, met betrekking tot de verplichtingen, gericht op het
                            verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, geldt voor zelfstandigen
                            en hun partners nog het volgende: </al><al>-De in artikel 9 en 10 van de WWB opgenomen verplichtingen gelden alleen
                            voor de zelfstandige die geschikt is voor het verrichten van arbeid,
                            maar die ten minste zes maanden zijn bedrijf of zelfstandig beroep niet
                            kan uitoefenen (artikel 38, derde lid Bbz); - De verplichtingen, bedoeld
                            in artikel 9 en 10 WWB kunnen aan de partner van de zelfstandige alleen
                            worden opgelegd, voor zover die partner tevens rechthebbende is voor de
                            WWB en niet zelf een zelfstandige in de zin van het Bbz is, of fulltime
                            meewerkt in het bedrijf of zelfstandig beroep van de zelfstandige.
                            Uiteraard kan ook bij minder uren rekening worden gehouden met de
                            meewerkuren in het bedrijf of zelfstandig beroep van de
                            zelfstandige.</al><al>De overige gedragingen die kunnen leiden tot een verlaging (o.a.
                            tekortschietend besef van verant-woordelijkheid en zeer ernstige
                            misdragingen) zijn ook voor het Bbz gedragingen die kunnen leiden tot
                            een verlaging. Artikel 18, tweede lid, WWB is onverkort van toepassing
                            op het Bbz. Het Bbz 2004 gaat primair uit van de eigen
                            verantwoordelijkheid van de zelfstandige. Een zelfstandige die
                            verwijt-baar geen arbeidsongeschiktheidsverzekering of een verzekering
                            met een te lage dekking of te lange wachttijd heeft afgesloten en die
                            bij ziekte/arbeidsongeschiktheid een beroep doet op bijstand (Bbz),
                            heeft een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                            bestaansvoorziening betoond. Dan kan, als uitkering wordt verleend omdat
                            aan de overige voorwaarden voor het verkrijgen van recht op uitkering is
                            voldaan, een verlaging aan de orde zijn. Bij beëindigende zelfstandigen
                            als bedoeld in de Bbz, moet worden beoordeeld of de noodzakelijke
                            beëindiging wegens niet-levensvatbaarheid van het bedrijf is veroorzaakt
                            door verwijtbaar gedrag. Als daarvan sprake is, is een verlaging wegens
                            tekort-schietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                            bestaansvoorziening mogelijk. </al><al><vet>De term ‘Afstemming’</vet></al><al>Het verlagen van de uitkering op grond van het feit dat de
                            belanghebbende zijn verplichtingen niet of in onvoldoende mate is
                            nagekomen, wordt in de terminologie van de WWB, IOAW en IOAZ aangeduid
                            als het afstemmen van de uitkering op de mate waarin de belanghebbende
                            de opgelegde verplichtingen nakomt. Met het begrip ‘afstemmen’ wordt het
                            uitgangspunt van de WWB, IOAW en IOAZ benadrukt dat rechten en plichten
                            één kant van dezelfde medaille vormen. We duiden de verordening daarom
                            aan als Afstemmingsverordening.</al><al>Op grond van artikel 18, tweede lid, WWB kan zowel de algemene bijstand
                            als de bijzondere bijstand worden verlaagd. Gezien het karakter van de
                            bijzondere bijstand, ligt een verlaging van het uitkeringsbedrag wegens
                            schending van een of meer verplichtingen bij uitvoering van de
                            bijzondere bijstand niet voor de hand. Wel kan bij de beoordeling of
                            iemand in aanmerking komt voor bijzondere bijstand een rol spelen of
                            belanghebbende zijn verplichtingen in voldoende mate is nagekomen. Dit
                            geldt dan vooral voor de plicht om voldoende besef van
                            verantwoordelijkheid te tonen voor de voorziening in het bestaan. </al><al>De rechtsgrond voor het verlagen of (tijdelijk) weigeren van een
                            uitkering op grond van de IOAW en de IOAZ ligt in artikel 20 van die
                            wetten. Voor wat betreft de IOAW en de IOAZ geldt dat de uitkeringen op
                            grond van die wetten gebaseerd zijn op bruto grondslagen en niet op
                            netto bijstandsnormen. De grondslagen IOAW en IOAZ zijn echter zodanig
                            vastgesteld dat zij netto gelijk zijn aan de vergelijkbare
                            WWB-uitkering. Het effect van een verlaging is qua netto - bedrag daarom
                            hetzelfde. </al><al><vet>D</vet><vet>e relatie met de
                                Re-integratiever</vet><vet>or</vet><vet>dening</vet></al><al>De gemeenteraad heeft ook een Re-integratieverordening vastgesteld. In
                            deze verordening is vastgelegd hoe de belanghebbenden worden ondersteund
                            bij de arbeidsinschakeling en wordt omgegaan met het aanbieden van
                            voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Voorbeelden van
                            voorzieningen zijn: werk met behoud van uitkering, proefplaatsing,
                            scholing, loonkostensubsidie, gesubsidieerde arbeid, activering
                            (vrijwilligerswerk), inburgering, premies, kinderopvang en stages. In
                            beginsel worden aan iedere belanghebbende arbeidsverplichtingen
                            opgelegd, en worden deze vastgelegd in een individueel besluit. </al><al>Indien een belanghebbende de verplichtingen niet nakomt, kan dit tot een
                            verlaging leiden, waarvoor de basis is gelegd in de
                            Afstemmingsverordening. Deze is van toepassing op zowel belanghebbenden
                            met een WWB-uitkering, Bbz uitkering als belanghebbenden met een IOAW-
                            of een IOAZ-uitkering. </al><al><vet>De relatie met de Ver</vet><vet>or</vet><vet>dening Wet
                                inburgering</vet></al><al>Een aanbod aan de inburgeringsplichtige die algemene bijstand of een
                            andere uitkering ontvangt, moet worden afgestemd op diens mogelijkheden
                            tot arbeidsinschakeling. Het college stemt het aanbod daarom af op de
                            aard van de arbeid die de inburgeringsplichtige verricht of past de
                            aangeboden inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening zonodig aan
                            de aard van de arbeid (artikel 19 WI). De Wet inburgering draagt het
                            college ook op bij verordening de hoogte van de bestuurlijke boete vast
                            te stellen die voor verschillende overtredingen op grond van die wet
                            kunnen worden opgelegd. </al><al>Bij een gecombineerde re-integratie en inburgeringsvoorziening kan het
                            voorkomen dat dezelfde gedraging, bijvoorbeeld het onvoldoende
                            medewerking verlenen aan een voorziening of het niet voldoen aan een
                            oproep om te verschijnen en gegevens te verstrekken, zowel aanleiding
                            kan zijn voor het opleggen van een bestuurlijke boete WI als voor het
                            verlagen van de uitkering op grond van artikel 18, tweede lid Wet werk
                            en bijstand of een andere sociale zekerheidswet. In artikel 37 van de
                            Wet inburgering is echter bepaald dat het college bij samenloop geen
                            bestuurlijke boete WI kan opleggen. Als er sprake is van samenloop van
                            gedragingen zal ten aanzien van de inburgeringsplichtige
                            uitkeringsgerechtigde dus toepassing moeten worden gegeven aan deze
                            Afstem-mingsverordening. De verlagingen in deze verordening komen
                            volledig overeen met de regels over de bestuurlijke boete in de
                            Verordening Wet inburgering voor niet-uitkeringsgerechtigden. </al></divisie><divisie><kop><titel>Artikelsgewijze toelichting</titel></kop></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>1.</nr><titel>Begripsomschrijving</titel></kop><al>Dit artikel bevat enkele begripsomschrijvingen. Onder bijstand wordt in
                            deze verordening uitdrukkelijk verstaan de toepasselijke norm plus
                            eventuele toeslag of verlaging (inclusief vakantietoeslag). Verder kent
                            deze verordening het begrip grondslag voor wat betreft de IOAW en IOAZ.
                            Dat komt overeen met wat hieromtrent is bepaald in de IOAW en IOAZ. Deze
                            beide uitkeringen kennen een bruto-berekeningssystematiek, waarbij de
                            grondslagen zodanig zijn vastgesteld dat zij netto gelijk zijn aan de
                            vergelijkbare WWB-uitkering. In de IOAW en IOAZ bestaan geen
                            afzonderlijke grondslagen voor personen die een woning met anderen delen
                            (en geen gezamenlijke huishouding voeren). </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>2.</nr><titel>Het verlagen van de uitkering</titel></kop><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>De toepasselijke wetten WWB, IOAW en IOAZ verbinden aan het recht op
                            uitkering de volgende verplichtingen:</al><lijst><li nr="1."><al>Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid). In de WWB
                                    kan de bijstand verlaagd worden als er sprake is van een
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. In de IOAW en de
                                    IOAZ ontbreekt dat. Daarom kan er op die grond geen verlaging of
                                    weigering van IOAW of IOAZ uitkering plaatsvinden.</al></li><li nr="2."><al>De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB en artikel 37
                                    IOAW of IOAZ). Deze plicht bestaat uit verschillende soorten
                                    verplichtingen, zoals:</al></li></lijst><al>a) de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen en deze te aanvaarden, en na te laten wat de
                            arbeidsinschakeling belemmert;</al><al>b) de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden
                            voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze
                            verplichtingen zijn nader uitgewerkt in specifieke </al><al>verplichtingen die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van
                            de uitkeringsgerechtigde. De vastgestelde Re-integratieverordening,
                            vormt de juridische basis voor het opleggen van de specifieke
                            verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen
                            worden in het toekenningsbesluit opgenomen.</al><lijst><li nr="3."><al>De inlichtingenplicht (artikel 17, eerste lid WWB, artikel 38
                                    tweede lid van het Bbz, en artikel 13, eerste lid IOAW of IOAZ).
                                    Op een uitkeringsgerechtigde rust de verplichting om aan het
                                    college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling
                                    te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
                                    redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen
                                    zijn op zijn arbeids-inschakeling of het recht op uitkering,
                                    zoals de plicht om de voor de verlening van uitkering van belang
                                    zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken tijdig en volledig
                                    te verstrekken of anderszins voldoende medewerking te
                                    verlenen.</al></li><li nr="4."><al>De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid WWB, artikel 38
                                    tweede lid van het Bbz, en artikel 13, tweede lid IOAW of IOAZ).
                                    Dit is de plicht van uitkeringsgerechtigden om desgevraagd het
                                    college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is
                                    voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit
                                    allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals:</al></li></lijst><al>a) het toestaan van een huisbezoek (in overeenstemming en met
                            inachtneming van de wettelijke regels rond huisbezoeken en het
                            vastgestelde Protocol Huisbezoeken);</al><al>b) het meewerken aan een medische keuring of psychologisch
                            onderzoek;</al><al>c) artikel 18, tweede lid WWB, artikel 20 tweede lid IOAW of artikel 20
                            eerste lid IOAZ noemt een gedraging die in ieder geval een schending van
                            de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich tegenover het college zeer
                            ernstig misdragen’; </al><al>d) De Wet SUWI (Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen)
                            legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het betreft de
                            verplichting om alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan het UWV te
                            verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het college (artikel
                            30c Wet SUWI) en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen
                            beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen aan het UWV, waarvan
                            redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op
                            het recht op uitkering, het geldend maken van het recht daarop of de
                            hoogte of de duur van de uitkering.</al><al><vet>Tweede lid</vet></al><al>In deze Afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
                            schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen
                            vastgesteld in de vorm van een vaste (procentuele) verlaging van de
                            uitkering. </al><al>In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een
                            verlaging af te stemmen op de individuele omstandigheden van de
                            belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met
                            zich mee dat het college zal moeten nagaan of gelet op de individuele
                            omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde afwijking van de
                            hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is.
                            Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een
                            matiging betekenen. </al><al>Dit betekent dat het college bij het beoordelen of een verlaging moet
                            worden opgelegd, en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet
                            doorlopen:</al><lijst><li nr="-"><al>stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging;</al></li><li nr="-"><al>stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid;</al></li><li nr="-"><al>stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
                                    uitkeringsgerechtigde.</al></li></lijst><al>De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                            categorie-aanduiding (artikel 8 van de verordening) en het
                            standaardpercentage (artikel 9 van de verordening) waarmee de uitkering
                            wordt verlaagt. Wat betreft de beoordeling van de mate van
                            verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.
                            Matiging wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de
                            volgende gevallen aan de orde zijn: </al><lijst><li nr="-"><al>een bijzondere financiële positie van de belanghebbende, zoals
                                    hoge woonlasten of andere vaste lasten of (extra of incidentele)
                                    uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële
                                    tegemoetkoming mogelijk is, of (omvangrijke) problematische
                                    schulden;</al></li><li nr="-"><al>sociale en/of gezinsomstandigheden;</al></li><li nr="-"><al>bij een opeenstapeling van verlagingen: de zwaarte van het
                                    geheel is niet evenredig aan de ernst van de gedraging en de
                                    mate van verwijtbaarheid.</al></li></lijst></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>3.</nr><titel>De berekeningsgrondslag</titel></kop><al><vet>Eerste lid </vet></al><al>In dit lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
                            toegepast op de bijstandsnorm of de grondslag. Onder de bijstandsnorm
                            wordt verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of
                            verlaging en inclusief vakantietoeslag. De grondslagen van de IOAW en
                            IOAZ zijn zodanig vastgesteld dat zij netto gelijk zijn aan
                            vergelijkbare uitkeringen op grond van de WWB.</al><al><vet>Tweede lid </vet></al><al>Onderdeel a: de 18 tot 21-jarige alleenstaanden en alleenstaande ouders
                            ontvangen een lage norm, die indien noodzakelijk, - wanneer zij voor de
                            noodzakelijke kosten van het bestaan geen beroep kunnen doen op de
                            onderhoudsplicht van ouders, - wordt aangevuld door middel van
                            aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. </al><al>Wanneer in zo’n geval de verlaging vervolgens alleen op de lage norm zou
                            worden toegepast, zou dit leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van
                            21-jarigen. </al><al>Met de intrekking per 1 januari 2012 van de Wet investeren in jongeren
                            (WIJ) valt dit weer onder deze Afstemmingsverordening. </al><al>Onderdeel b: deze bepaling maakt het mogelijk dat het college in
                            incidentele gevallen een verlaging toepast op de bijzondere bijstand,
                            waaronder de langdurigheidstoeslag. Er moet dan wel een verband bestaan
                            tussen de gedraging van een belanghebbende en zijn recht op bijzondere
                            bijstand.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>4.</nr><titel>Besluit tot afstemming</titel></kop><al>Het verlagen van de uitkering vindt plaats door middel van een besluit.
                            In dit artikel wordt aan-gegeven wat in het besluit in ieder geval moet
                            worden vermeld. </al><al>Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht
                            (Awb) en dan vooral het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste
                            houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en ook van een
                            deugdelijke motivering wordt voorzien.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>5.</nr><titel>Afzien van verlaging van de uitkering</titel></kop><al>Het afzien van verlaging van de uitkering ‘indien elke vorm van
                            verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB,
                            artikel 20, derde lid IOAW en artikel 20, derde lid IOAZ. Dit wordt op
                            individuele gronden bezien.</al><al>Een andere reden om af te zien van de verlaging is dat de gedraging te
                            lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                            effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig
                            nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt toegepast. Om deze reden
                            wordt onder b. geregeld dat het college geen verlaging toepast voor
                            gedragingen die langer dan zes maanden geleden hebben plaatsgevonden. </al><al>Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden
                            waardoor ten onrechte uitkering is verleend of een te hoog bedrag aan
                            uitkering is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van
                            vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de verjaringstermijn
                            voor het nemen van terugvorderingsbesluiten van WWB uitkeringen, die de
                            Centrale Raad van Beroep hanteert met inachtneming van het Burgerlijk
                            Wetboek. Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand, gelet op de ernst
                            van de gedraging (fraude) en de tijd die nodig zal kunnen zijn om de
                            omvang van het benadelingsbedrag vast te stellen. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>6.</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak</titel></kop><al><vet>Eerste lid en tweede lid</vet></al><al>In het eerste lid is geregeld dat de verlaging ingaat op de eerste dag
                            van de nog te betalen lopende uitkering, voor zover betaling niet heeft
                            plaatsgevonden. Dat geeft de mogelijkheid om direct te kunnen handelen,
                            vanaf de eerste dag van de maand waarin het verwijtbaar gedrag heeft
                            plaatsgevonden, en een beter lik-op-stuk beleid te kunnen voeren. Het
                            effect van de verlaging wordt direct gevoeld. Het besluit zal wel tijdig
                            (de verzenddatum moet vóór de datum van betaling van de uitkering
                            liggen) moeten worden medegedeeld aan belanghebbende.</al><al>In het tweede lid is geregeld dat, als de uitbetaling van de uitkering
                            al heeft plaatsgevonden, een verlaging naar de toekomst toe wordt
                            toegepast. Wordt het besluit pas later bekend gemaakt, dan is het
                            redelijk om de verlaging in te laten gaan met ingang van de
                            eerstvolgende maand na de maand waarop de gedraging betrekking heeft. </al><al>Als er bijvoorbeeld een verwijtbare gedraging plaatsvindt op 3 januari,
                            dan moet de verzenddatum van het besluit hierover liggen vóór de
                            uitbetaling over de maand januari, dus voor 10 februari (op 10 februari
                            vindt uitbetaling van de uitkering plaats over de maand januari). </al><al>De verlaging gaat dan met terugwerkende kracht in met ingang van 1
                            januari, en de uitkeringsgerechtigde ontvangt de lagere uitkering over
                            januari op 10 februari. </al><al>Ligt de verzenddatum van het besluit nà de uitbetaling van de uitkering
                            over januari (dus na 10 februari), dan is belanghebbende niet tijdig op
                            de hoogte gesteld en kan de verlaging pas ingaan met ingang van 1
                            februari. Het effect van de verlaging wordt dan ook pas later door de
                            klant “gevoeld”, namelijk pas begin maart. De betaling van de uitkering
                            over februari vindt immers pas op 10 maart plaats. </al><al>Bij de verlaging wordt uitgegaan van de voor die maand geldende
                            bijstandsnorm of grond-slag. Dit om praktische redenen en om een
                            uitkeringsgerechtigde niet langdurig of gedurende meerdere maanden te
                            confronteren met een lagere uitkering, als gevolg van een verlaging. </al><al><vet>Derde lid</vet></al><al>Dit lid regelt dat een verlaging voor bepaalde tijd wordt opgelegd.</al><al>Door een verlaging voor een bepaalde periode toe te passen, weet de
                            uitkeringsgerechtigde die met een verlaging wordt geconfronteerd waar
                            hij aan toe is. Het college kan na afloop van de periode waarover de
                            verlaging heeft plaatsgevonden opnieuw een verlaging toepassen. Hiervoor
                            is dan wel weer een apart besluit nodig. Wordt een verlaging voor een
                            langere duur dan drie maanden toegepast, dan zal het college de
                            verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dit is geregeld in
                            artikel 18, derde lid WWB. De IOAW en IOAZ kennen een soortgelijke
                            verplichting niet, maar gelet op uniformiteit, geldt deze heroverweging
                            op grond van deze verordening ook voor een verlaging bij de IOAW en
                            IOAZ.</al><al>Herbeoordeling van een verlaging voor een langere duur dan drie maanden
                            moet plaatsvinden binnen drie maanden nadat het besluit is genomen. Bij
                            een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een besluit te worden
                            genomen, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden opnieuw tegen
                            het licht worden gehouden. Een marginale beoordeling volstaat: het
                            college moet beoordelen of het redelijk is dat de toegepast verlaging
                            wordt gecontinueerd. Daarbij kan worden gekeken naar de omstandigheden
                            waarin betrokkene verkeert, maar bijvoorbeeld ook of de betreffende
                            persoon nu wel aan zijn verplichtingen voldoet. De belanghebbende wordt
                            met een besluit geïnformeerd over het ingenomen standpunt.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>7.</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><al>De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
                            verschillende gedragingen van een uitkeringsgerechtigde die gelijktijdig
                            plaatsvinden. Met gelijktijdig wordt bedoeld, op hetzelfde moment en/of
                            in een betrekkelijk korte periode na elkaar. </al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>8.</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al>De artikelen 8 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. De
                            verwijtbare gedragingen zijn ondergebracht in categorieën, waaraan een
                            gewicht is toegekend in de vorm van een verlagingspercentage (in artikel
                            9). </al><al>De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. De gedragingen
                            welke direct betrekking hebben op verplichtingen in het kader van de
                            inschakeling in de arbeid (met uitzondering van het niet ingeschreven
                            zijn als werkzoekende) zijn ondergebracht in de twee zwaarste
                            categorieën (categorie 3 en 4). Dit vanwege het belang dat wordt gehecht
                            aan arbeidsinschakeling.</al><al><vet>1. Eerste categ</vet><vet>or</vet><vet>ie</vet></al><al><vet>a</vet>) Deze bepaling doelt op relatief lichte schendingen van de
                            algemene, uit de wet voortvloeiende inlichtingen- en medewerkingsplicht,
                            zoals het niet tijdig inleveren van de inkomstenverklaring of
                            wijzigingsformulier of het niet naar behoren verstrekken van
                            inlichtingen die van belang kunnen zijn voor beoordeling van de
                            rechtmatigheid van de uitkering of bij de arbeidsinschakeling.
                            Essentieel is dat het moet gaan om inlichtingen die, als ze wel tijdig
                            zouden zijn verstrekt, geen consequenties hebben voor (de hoogte van)
                            het recht op uitkering. </al><al>Het betreft bijvoorbeeld ook: het te laat verstrekken van gegevens, het
                            niet tijdig nakomen van de inlichtingenplicht, of het verstrekken van
                            onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de hoogte van
                            de uitkering. </al><al>Ook wordt hiertoe gerekend de verplichting die een uitkeringsgerechtigde
                            WWB, IOAW of IOAZ mede kan hebben, om te verschijnen op oproepen en om
                            gegevens te verstrekken die voor een onderzoek naar diens
                            inburgeringsplichtigheid van belang zijn als bedoeld in artikel 25 Wet
                            inburgering. Het niet nakomen van deze verplichtingen bemoeilijkt immers
                            ook de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, scholing of participatie
                            van de uitkeringsgerechtigde. </al><al>Overigens kan het niet verstrekken van bepaalde (algemene) inlichtingen
                            er natuurlijk uiteindelijk wel toe leiden dat het recht uiteindelijk
                            niet kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld in de situatie waarin de
                            belanghebbende ook na het verstrijken van de hersteltermijn geen
                            wijzigingsformulier of rechtmatigheidsonderzoekformulier inlevert of
                            niet verschijnt op een oproep voor een periodiek heronderzoek
                            rechtmatigheid. Dat kan leiden tot beëindiging van de uitkering.</al><al>Nadrukkelijk wordt opgemerkt dat schending van de informatieplicht
                            tijdens de behandeling van een aanvraag (vaststelling van het recht)
                            niet behoort te leiden tot het opleggen van een maatregel, omdat dit aan
                            de orde hoort te komen bij het te gelde maken van een vastgesteld
                            uitkeringsrecht. Tijdens de aanvraagfase dient zo nodig toepassing te
                            worden gegeven aan de mogelijkheid tot buiten behandeling stellen van de
                            aanvraag als bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet
                            bestuursrecht.</al><al>Beëindiging van de uitkering kan volgens recente
                            jurisprudentie/wetstechnisch niet bij onvoldoende medewerking verlenen
                            aan onderzoek naar mogelijkheden tot arbeidsinschakeling (onderzoek
                            doelmatigheid). (Herhaaldelijk) geen gehoor geven aan oproepen voor
                            arbeidsinschakeling kan niet worden bestraft met beëindiging van de
                            uitkering, maar alleen met een verlaging in overeenstemming met deze
                            verordening. Hiertoe zijn in deze verordening in de derde en vierde
                            categorie verlagingen opgenomen van 40% en 100% gedurende 1 maand. Dit
                            is daarmee vergelijkbaar met een beëindiging bij onvoldoende medewerking
                            ten aanzien van rechtmatigheid, en geeft de mogelijkheid om ook ten
                            aanzien van doelmatigheid actiever te kunnen handhaven en een beter
                            lik-op-stuk beleid te kunnen voeren. </al><al><vet>2.Tweede categ</vet><vet>or</vet><vet>ie </vet></al><al><vet>a</vet>) De hier genoemde gedragingen zijn vergelijkbaar met die
                            van de eerste categorie onder a, maar met dit verschil dat het in deze
                            categorie gaat om inlichtingen die direct van invloed zijn op het recht
                            op uitkering. Het betreft het verstrekken van onjuiste of onvolledige
                            inlichtingen met gevolgen voor de uitkering. Men moet hierbij in het
                            bijzonder denken aan gegevens over de woonsituatie of over de hoogte van
                            genoten inkomsten of middelen die tot het vermogen worden gerekend
                            (alleen voor WWB), waarvan de belanghebbende redelijkerwijs had kunnen
                            begrijpen dat deze van invloed zijn op het recht op uitkering. Er kan in
                            deze situaties sprake zijn van fraude als de belanghebbende de bedoelde
                            inlichtingen bewust heeft verzwegen met de bedoeling er financieel van
                            te profiteren. Waren de inlichtingen wel (tijdig) verstrekt, dan zou dat
                            hebben geleid tot het lager vaststellen van het recht op uitkering of
                            tot beëindiging daarvan.</al><al><vet>b</vet>) Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft
                            direct gevolgen voor de hoogte of de duur van de aanspraak op bijstand,
                            bijvoorbeeld wanneer iemand door eigen schuld het recht op een
                            voorliggende voorziening verspeelt en daardoor (eerder) in
                            bijstandsbehoeftige omstandigheden komt te verkeren. Van tekortschietend
                            besef van verantwoordelijkheid is ook sprake als iemand door eigen
                            toedoen het recht op WW verliest (bijvoorbeeld door niet tijdig na
                            ontslag WW aan te vragen) of vermogen of naderhand ontvangen middelen op
                            onverantwoorde wijze heeft ingeteerd. Hiertoe kan ook worden gerekend
                            het niet nakomen van de verplichting om een alimentatievordering in te
                            stellen. </al><al>Een bijzondere situatie van tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan is het door
                            eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Die
                            verwijtbare gedraging is in het kader van deze verordening ingedeeld in
                            de vierde categorie. </al><al>Anders dan de WWB, kennen de IOAW en IOAZ tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid niet als maatregelwaardige gedraging.</al><al><vet>c</vet>) WWB, IOAW en IOAZ hechten een groot belang aan de plicht
                            tot arbeidsinschakeling (artikel 9 WWB, artikel 37 IOAW en IOAZ). Om
                            voor actieve bemiddeling door het UVW in aanmerking te komen is
                            registratie als werkzoekende onontbeerlijk. Uit de uitvoeringspraktijk
                            blijkt dat het niet ingeschreven staan echter meestal van korte duur is
                            en zonder gevolgen blijft. Daarom wordt deze gedraging alleen
                            verwijtbaar geacht indien het niet ingeschreven staan bij het UWV
                            betrekking heeft op een periode van tenminste 1 maand of, bij een
                            kortere periode, indien daardoor de mogelijkheden tot
                            arbeidsinschakeling aantoonbaar zijn belemmerd. </al><al><vet>3. Derde categ</vet><vet>or</vet><vet>ie </vet></al><al>In de derde categorie gaat het om gedragingen die direct een aanleiding
                            vormen tot een beroep op uitkering of het zonder noodzaak langer
                            voortduren daarvan. </al><al><vet>a</vet>) Het betreft de verplichting tot een actieve opstelling op
                            de arbeidsmarkt. De uitkeringsgerechtigde heeft zelf de
                            verantwoordelijkheid om in eerste instantie op eigen kracht aan het werk
                            te komen dan wel aan het werk te blijven, zonder dat een voorziening tot
                            arbeidsinschakeling wordt aangeboden. </al><al>Dit heeft ten eerste betrekking op de actieve sollicitatieplicht. De
                            belanghebbende is verplicht een minimaal aantal sollicitaties te
                            verrichten en hiervan op verzoek de bewijsstukken te tonen. Het exacte
                            minimum aantal verplichte sollicitaties zal onder andere afhangen van
                            het aanbod van algemeen geaccepteerde arbeid. Met de enkele mededeling
                            van mondelinge sollicitaties wordt in beginsel geen genoegen genomen,
                            tenzij kan worden geverifieerd dat deze ook daadwerkelijk hebben
                            plaatsgevonden.</al><al>Hieronder valt tevens de eventuele zoektijd die aan een belanghebbende
                            kan zijn opgelegd, of </al><al>de zoektijd van personen jonger dan 27 jaar, die per 1 januari 2012 is
                            ingevoerd in artikel 7 van de WWB. Daarin is bepaald dat het college de
                            gezinsbijstand verlaagt als de alleenstaande (ouder) of het gezinslid
                            jonger dan 27 jaar in de vier weken voorafgaand aan de aanvraag niet
                            voldoende aan zijn verplichting om werk te vinden heeft voldaan. </al><al>Bij het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                            verkrijgen kan het daarnaast gaan om het stellen van niet verantwoorde
                            eisen ten aanzien van de aanvaardbare arbeid en om gedragingen die de
                            kansen op arbeidsinschakeling verminderen.</al><al>Van het stellen van onredelijke eisen ten aanzien van aanvaardbare
                            arbeid is bijvoorbeeld sprake wanneer uitkeringsgerechtigden met een
                            lage opleiding uitsluitend op hoog gekwalificeerde banen solliciteren.
                            Van gedragingen die de kansen op arbeidsinschakeling verminderen is ook
                            sprake als de belanghebbende niet op afspraken of uitnodigingen
                            verschijnt bij ons, UWV of een andere (externe) organisatie gericht op
                            arbeidsinschakeling, om de door de uitkeringsgerechtigde zelf ondernomen
                            activiteiten te beoordelen. Ook vallen hieronder belanghebbenden, die
                            door hun gedrag of kleding hun feitelijke kansen op arbeidsinschakeling
                            belemmeren.</al><al><vet>b</vet>) Aan de belanghebbende, die niet in staat is (gebleken) om
                            op eigen kracht weer in het levenson-derhoud te voorzien, wordt de
                            verplichting opgelegd om mee te werken aan onderzoek naar moge-lijkheden
                            of om deel te nemen aan een concreet aangeboden traject dat uiteindelijk
                            moet leiden tot arbeidsinschakeling, participatie of uitstroom. De
                            arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de belanghebbende
                            deze verplichting niet of onvoldoende nakomt. Dat heeft immers gevolgen
                            voor de duur van de aanspraak op uitkering en leidt tot vertraging van
                            uitstroommogelijkheden. </al><al>Het niet of in onvoldoende mate nakomen van de verplichting om gebruik
                            te maken van aangeboden re-integratievoorzieningen wordt als een
                            relatief zware verwijtbare gedraging gezien. De gedragingen in deze
                            categorie hebben echter niet tot gevolg dat het traject (definitief)
                            geen doorgang vindt of moet worden beëindigd. </al><al>Van onvoldoende nakomen van de verplichtingen of onvoldoende medewerking
                            is ook hier sprake als de belanghebbende niet verschijnt op afspraken of
                            uitnodigingen bij ons, UWV, het re-integratiebedrijf of een andere
                            (externe) organisatie in het kader van re-integratie, als de
                            belanghebbende opdrachten, - bijvoorbeeld in verband met scholing -,
                            niet naar behoren uitvoert of als de belanghebbende zich niet
                            coöperatief opstelt bij het onderzoek en het gebruik van de aangeboden
                            voorzieningen.</al><al>Andere voorbeelden zijn: onvoldoende meewerken aan het opstellen,
                            uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak met betrekking tot
                            arbeidsinschakeling (als bedoeld in artikel 44a van de wet) , niet of
                            onvoldoende meewerken aan het behoud of bevorderen van
                            arbeidsbekwaamheid of het nalaten opgedragen werkzaamheden of
                            activiteiten naar beste vermogen te verrichten. </al><al>Als een langdurig verblijf in het buitenland negatieve gevolgen heeft
                            gehad voor de kansen op ar-beidsinschakeling en re-integratie, kan
                            eveneens een verlaging worden toegepast op de uitkering, wegens het niet
                            nakomen van de arbeids- en re-integratie verplichting. </al><al>Van verwijtbaar gedrag in deze categorie is ook sprake als een
                            uitkeringsgerechtigde WWB, IOAW of IOAZ die tevens inburgeringsplichtig
                            is op grond van de Wet inburgering:</al><lijst><li nr="-"><al>onvoldoende medewerking verleent aan de uitvoering van de voor
                                    hem vastgestelde inburgeringsvoorziening of
                                    taalkennisvoorziening, bedoeld in artikel 23, eerste lid van de
                                    WI of aan de bij verordening vastgestelde verplichtingen in het
                                    kader van deze voorziening, bedoeld in artikel 23, derde lid van
                                    de WI;</al></li><li nr="-"><al>niet binnen de in artikel 7 eerste lid van de WI bedoelde
                                    termijn (van drieënhalf jaar) of binnen de door het college op
                                    grond van artikel 31 tweede lid onderdeel a van de WI verlengde
                                    termijn het inburgeringsexamen heeft behaald.</al></li></lijst><al>Deze gedragingen bemoeilijken immers ook de mogelijkheden tot
                            arbeidsinschakeling, scholing of participatie. </al><al><vet>c</vet>) De eventuele aanvullende verplichtingen moeten expliciet
                            bij beschikking worden opgelegd. Dat kan zowel plaatsvinden bij
                            toekenning van de uitkering als in een later stadium, zodra de
                            omstandigheden daartoe aanleiding geven. Het gaat hier om de aanvullende
                            verplichtingen genoemd in de artikelen 55 tot en met 57 WWB die niet
                            rechtstreeks van invloed zijn op de hoogte van het recht, maar wel de
                            arbeidsinschakeling en uitstroom bevorderen of verband houden met aard
                            en doel van de bijstand. Het kan bijvoorbeeld hierbij gaan om de
                            verplichting mee te werken aan een schuldhulp-verleningstraject of aan
                            de verplichting een medische behandeling te ondergaan. </al><al>Dergelijke aanvullende verplichtingen bestaan niet in de IOAW en IOAZ,
                            zodat dit voor die regelingen niet speelt. </al><al><vet>4. Vierde categ</vet><vet>or</vet><vet>ie </vet></al><al><vet>a</vet>) In deze categorie gedraging gaat het om tekortschietend
                            besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan in de
                            WWB door verwijtbaar ontslag, bijvoorbeeld een ontslag op staande voet
                            wegens diefstal of werkweigering. In deze gevallen wordt een eventuele
                            aanvraag WW vrijwel zonder uitzondering geweigerd. Het college zal
                            echter zelf moeten onderzoeken of het ontslag verwijtbaar is. Ook als de
                            belanghebbende afziet van het aanvragen van WW, dan zal het college
                            zelfstandig onderzoek moeten doen naar de verwijtbaarheid van het
                            ontslag. Voor de toepassing van de IOAW en IOAZ geldt dat op basis van
                            artikel 20 eerste lid IOAW en artikel 20 tweede lid IOAZ de uitkering
                            tijdelijk geheel of gedeeltelijk geweigerd kan worden. In het kader van
                            deze verordening beperkt de verlaging zich in zo’n situatie bij de IOAW
                            en IOAZ ook tot een maand, net als bij de uit-voering van de WWB. </al><al><vet>b</vet>) Deze gedraging heeft betrekking op het weigeren van een
                            aangeboden dienstverband, voor zowel de WWB, als IOAW en IOAZ. Het kan
                            hierbij om allerlei soorten arbeid gaan, gesubsidieerd of regulier werk,
                            fulltime of parttime, tijdelijk of werk voor onbepaalde duur. Essentieel
                            is dat de belanghebbende door de werkweigering afziet van een concrete
                            kans om geheel of gedeeltelijk uit te stromen. Binnen de IOAW en IOAZ
                            bestaat tevens de mogelijkheid om de uitkering te verlagen bij
                            verwijtbare beëindiging van een dienstbetrekking (art 20 IOAW en IOAZ).
                            Dit is een beperkte variant op het tekortschietend besef van
                            verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan in de WWB (zie
                            onder a hiervoor). </al><al><vet>c</vet>) Het gaat hier om dezelfde soort gedragingen als bedoeld in
                            de derde categorie onder b, echter met dit belangrijke verschil dat de
                            gedraging heeft geleid tot het (definitief) geen doorgang vinden of
                            afbreken van een traject. </al><al>Inde praktijk zal beëindiging van een traject veelal pas
                            plaatsvinden nadat de belanghebbende door zijn gedrag herhaaldelijk
                            heeft laten blijken niet mee te willen meewerken aan instrumenten
                            gericht op een zo spoedig mogelijke inschakeling in het arbeidsproces.
                            Hier rekenen wij ook toe het herhaaldelijk niet verschijnen op oproepen
                            in het kader van een aangeboden re-integratie dan wel
                            re-integratievoorzieningen UWV of een andere (externe) organisatie
                            gericht op arbeidsinschakeling<vet>. </vet>Ook kan een zeer ernstige
                            gedraging, bijvoorbeeld agressief gedrag of diefstal tijdens een
                            proefplaatsing, tot beëindiging van het traject leiden. In alle gevallen
                            betreft het gedragingen die de kans op uitstroom en arbeidsinschakeling
                            voor langere tijd vrijwel onmogelijk maken. </al><al><vet>d</vet>) Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse
                            vormen van agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van
                            aan de belanghebbende toe te rekenen gedrag, wat in het normale
                            menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden
                            beschouwd. Het college kan alleen een verlaging toepassen indien er een
                            direct en rechtstreeks verband bestaat tussen de ernstige misdraging,
                            die aan belanghebbende is toe te rekenen, en het niet of onvoldoende
                            nakomen van één of meerdere verplichtingen (inlichtingenplicht en
                            medewerkingsplicht zoals de plicht om mee te werken aan een onderzoek
                            tot mogelijkheden van arbeidsinschakeling) die voortvloeien uit de WWB,
                            Bbz, IOAW of IOAZ. Dit betekent dus niet dat er per definitie sprake
                            moet zijn van een situatie waarbij als gevolg van een misdraging het
                            recht op uitkering niet of niet langer kan worden vastgesteld. </al><al>In artikel 18 tweede lid van de WWB, artikel 20 tweede lid IOAW en
                            artikel 20 eerste lid IOAZ wordt gesproken over ‘het zich tegen het
                            college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer)
                            agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren en
                            medewerkers aanleiding zijn voor het toepassen van een verlaging. Vormen
                            van agressief gedrag zijn: verbaal geweld (schelden), discriminatie,
                            intimidatie (uitoefenen van psychische druk), zaakgericht fysiek geweld
                            (vernielingen), mensgericht fysiek geweld of een combinatie van
                            agressievormen. </al><al>Er kan geen verlaging plaatsvinden wegens deze misdragingen, als een
                            klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een
                            andere organisatie die belast is met de uitvoering van de WWB, IOAW of
                            IOAZ (bijvoorbeeld een re-integratiebedrijf). Verlaging van de uitkering
                            is in dat geval wellicht wel mogelijk wegens het niet of onvoldoende
                            gebruikmaken van een voorziening die is gericht op
                            arbeidsinschakeling.</al><al>Voor het bepalen van de verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken
                            moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft
                            plaatsgehad. Als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een
                            bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een
                            uitkering), dan is de mate van verwijtbaarheid in beginsel groter dan
                            bij agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid of
                            onduidelijkheden. </al><al>Zeer ernstige misdragingen buiten dit kader kunnen alleen via het
                            strafrechtelijk traject worden vervolgd. </al><al>Het toepassen van een verlaging staat geheel los van het doen van
                            aangifte bij de politie. Het college besluit tot de verlaging wegens
                            misdragingen, terwijl de ambtenaar of medewerker tegen wie de agressie
                            zich richtte persoonlijk aangifte kan doen bij de politie. Een verlaging
                            wegens ernstig wangedrag laat de bevoegdheid van het college om de dader
                            gedurende een periode de toegang tot het Werkplein, dan wel het
                            gemeentehuis te ontzeggen onverlet. </al><al>Naast het toepassen van een verlaging op grond van dit artikel kan het
                            college betrokkene ook verplichten deel te nemen aan een traject in de
                            vorm van een agressietraining. Het weigeren een dergelijk traject te
                            volgen, kan worden gezien ais een verwijtbare gedraging van de eerste
                            categorie.</al></divisie><divisie><kop><label>Artikel</label><nr>9.</nr><titel>Hoogte en duur van de verlaging</titel></kop><al><vet>Eerste lid</vet></al><al>De Afstemmingsverordening kent het volgende regime: tien, twintig,
                            veertig en honderd procent verlaging van de uitkering. Dit betekent een
                            voelbare maatregel voor de belanghebbende. De keuze voor dit regime
                            heeft te maken met het hoofduitgangspunt dat alles gericht moet zijn op
                            werk en op ieders verantwoordelijkheid daarvoor. </al><al><vet>Tweede en derde lid </vet></al><al>Indien binnen 12 maanden na een eerste verwijtbare gedraging er opnieuw
                            sprake is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van
                            verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de
                            hoogte van de verlaging. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de
                            eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest tot een verlaging.
                            Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt de
                            verzenddatum van het besluit waarbij de verlaging is toegepast. </al><al>Omdat een verlaging van honderd procent niet kan worden verdubbeld is er
                            bij een tweede gedraging van de vierde categorie gekozen voor
                            verdubbeling van de duur van de verlaging. Dus in dat geval vindt er
                            uitsluiting plaats gedurende twee maanden. </al><al>De verlagingspercentages bij samenloop met verplichtingen op grond van
                            de Wet </al><al>Inburgering zijn hetzelfde als de regels over de bestuurlijke boete in
                            de vastgestelde</al><al>Verordening Wet inburgering. </al><al>In de WI zijn in artikel 34 maximum bedragen opgenomen voor het opleggen
                            van boetes bij verwijtbare gedragingen, waarmee in het kader van
                            uitvoering van deze verordening rekening dient te worden gehouden. Het
                            maximumbedrag van de verlaging kan bij overtredingen van
                            uitkeringsgerechtigden in combinatie met de Wet inburgering, daarom niet
                            hoger zijn € 250,-- in de eerste categorie, en € 500,-- in de derde
                            categorie (meewerken aan de vastgestelde inburgeringsvoorziening en het
                            behalen van het inburgeringsexamen binnen drieënhalf jaar), in
                            overeenstemming met artikel 34 WI. In de praktijk hoeft hiermee, gezien
                            de hoogte van de uitkering of grondslag, alleen rekening te worden
                            gehouden bij gehuwden/samenwonenden. </al><al><vet>Vierde lid</vet></al><al>In het vierde lid wordt bepaald dat het college kan volstaan met een
                            schriftelijke waarschuwing. Het besluit om te volstaan met een
                            schriftelijke waarschuwing wordt niet aangemerkt als recidive in de zin
                            van het tweede lid van dit artikel.</al><al>Ook is hierin nogmaals benadrukt dat een verlaging toegepast kan worden
                            met een afwijkend(e) periode of percentage als daar in individuele
                            omstandigheden aanleiding toe bestaat. </al><al>Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan o.a.:</al><lijst><li nr="-"><al>verlenging van de duur van de verlaging bij volharding. Van
                                    volharding is in beginsel sprake bij een derde en volgende
                                    gedraging van een gelijke of hogere categorie, binnen twaalf
                                    maanden na de laatste verwijtbare gedraging;</al></li><li nr="-"><al>het niet of onvoldoende nakomen van de inlichtingenplicht, als
                                    dit heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag
                                    ontvangen van uitkering hoger dan € 2000,- ;</al></li><li nr="-"><al>eerder of langer recht hebben op een WWB uitkering. Hierbij kan
                                    gedacht worden aan een termijn van bijvoorbeeld 6 maanden eerder
                                    of langer recht hebben op een uitkering, als gevolg van een
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, zoals
                                    onverantwoorde intering van vermogen;</al></li><li nr="-"><al>Alleen voor zover het de WWB betreft kan de verlaging
                                    plaatsvinden voor de duur dat de belanghebbende bij een
                                    verantwoorde besteding in zijn levensonderhoud had kunnen
                                    voorzien; onder verantwoorde besteding wordt verstaan 1 ½ maal
                                    de toepasselijke bijstandsnorm per maand;</al></li><li nr="-"><al>verlenging van de duur van de verlaging naar twee maanden indien
                                    de uitkeringsgerechtigde die ook inburgeringsplichtig is, niet
                                    binnen de door het college op grond van artikel 32 of 33 van de
                                    WI verlengde termijn (van telkens ten hoogste twee jaren) het
                                    inburgeringsexamen heeft behaald, in overeenstemming met de
                                    regels over de bestuurlijke boete in de Verordening Wet
                                    inburgering.</al></li></lijst></divisie></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>