<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR237173_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Afstemmings- en fraudeverordening WWB en IOAW</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-12-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Afstemmings- en fraudeverordening WWB en IOAW</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> Gemeente Achtkarspelen</al><al><vet>Afstemmings</vet><vet>- en fraude</vet><vet>verordening</vet><vet>
                        WWB</vet><vet>en IOAW</vet></al><al><vet>Dienst Werk en Inkomen “De Wâlden</vet><vet>”</vet></al><al><vet>Januari 2013 </vet></al><al><vet>Gemeente Achtkarspelen </vet></al><al>de Raad van de gemeente Achtkarspelen;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. @, met
                        overneming van de daarin vermelde motieven, </al><al>gelet op het bepaalde in artikel 8, lid 1, sub b en h, artikel 9a, lid
                        12 en artikel 18, lid 1, 2 en 3 van de Wet Werk en Bijstand en de
                        artikelen 20 en 35 van de Wet Inkomensvoorziening Oudere en gedeeltelijk
                        Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers en artikel 8a van de Wet Werk en
                        Bijstand en artikel 35, lid 1, sub c van de Inkomensvoorziening Oudere
                        en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers;</al><al><vet>besluit</vet></al><al>vast te stellen: </al><al><vet>de </vet><vet>Afstemmings</vet><vet>- en
                        fraude</vet><vet>verordening</vet><vet> WWB </vet><vet>en
                            IOAW</vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die
                                    niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekening als in
                                    de Wet Werk en Bijstand (WWB) en de Wet Inkomensvoorziening
                                    Oudere en gedeeltelijk Arbeidsongeschikte werkloze Werknemers,
                                    de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>het college: het
                                    college van burgemeester en wethouders van de gemeente Achtkarspelen.</al></li><li nr="b."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Achtkarspelen.</al></li><li nr="c."><al>de uitkering: de algemene bijstand op grond van de WWB, alsmede
                                    een uitkering op grond van de IOAW.</al></li><li nr="d."><al>de bijstandsnorm: de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in
                                    artikel 5, sub c WWB of, voor zover sprake is van een IOAW-uitkering, de
                                    grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 IOAW.</al></li><li nr="e."><al>het benadelingsbedrag: de uitkering waarop eerder, langer of tot
                                    een hoger bedrag een beroep wordt of is gedaan ten gevolge van
                                    tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                                    voorziening in het bestaan.</al></li><li nr="f."><al>hoogwaardige handhaving: het totaal aan activiteiten dat is
                                    gericht op een</al><al> rechtmatige verstrekking van uitkeringen, een vergroting van de
                                    spontane </al><al> nalevingsbereid van cliënten, een vermindering van fraude en
                                    onnodige </al><al> strafzaken, een optimale handhaafbaarheid en het verder
                                    uitbouwen van het </al><al> maatschappelijk draagvlak door een vroegtijdige
                                    informatievoorziening, een </al><al> optimale dienstverlening, een effectieve controle en een
                                    daadkrachtige </al><al> sanctionering. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Berekeningsgrondslag</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid kan een verlaging ook worden
                                toegepast op de bijzondere bijstand indien:</al><lijst><li nr="a."><al>aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met
                                        toepassing van artikel 12 WWB; of</al></li><li nr="b."><al>de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met
                                        zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft.</al><lijst><li nr="1."><al> Bij toepassing van het tweede lid, sub a, moet in
                                                de hoofdstukken 2 en 3 "bijstandsnorm" worden
                                                gelezen als "bijstandsnorm plus de op grond van
                                                artikel 12 WWB verleende bijzondere bijstand".</al></li><li nr="2."><al> Bij toepassing van het tweede lid, sub b, wordt
                                                verwezen naar artikel 5 van deze verordening. </al></li></lijst></li></lijst></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Niet nakomen van de verplichtingen met betrekking tot de
                            arbeidsinschakeling</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Gedragingen</titel></kop><al> Gedragingen van een belanghebbende waardoor algemeen geaccepteerde
                            arbeid niet wordt behouden of één van de verplichtingen op grond van artikel 9 WWB,
                            artikel 9a WWB en artikel 55 WWB, respectievelijk artikel 37 IOAW en artikel 38
                            IOAW niet of onvoldoende worden nagekomen, worden onderscheiden in de volgende
                            categorieën: </al><lijst><li nr="1."><al>Eerste categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij UWV
                                    Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van deze registratie.</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende verrichten van een door het college
                                    opgedragen tegenprestatie naar vermogen zoals bedoeld in artikel 9, lid 1,
                                    sub c WWB of artikel 37. lid 1, sub f IOAW. </al></li></lijst></li><li nr="2."><al>Tweede categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar
                                    de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="b."><al>het niet meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van
                                    een plan van aanpak zoals bedoeld in artikel 44a WWB, indien van
                                    toepassing.</al></li><li nr="c."><al>het onvoldoende nakomen van de verplichtingen zoals bedoeld in
                                    artikel 9, lid 1 WWB of artikel 55 WWB, voorzover het gaat om een persoon
                                    jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na de melding zoals bedoeld in
                                    artikel 43, lid 4 en 5 WWB.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Derde categorie:</al><lijst><li nr="a."><al>het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te
                                    verkrijgen.</al></li><li nr="b."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                    aangeboden</al><al> voorziening als bedoeld in artikel 9, lid 1, sub b WWB en
                                    artikel 10, lid 1 WWB, </al><al> respectievelijk artikel 36, lid 1 IOAW en artikel 37, lid 1,
                                    sub e IOAW, voor </al><al> zover dit <cursief>niet</cursief> heeft geleid tot het geen
                                    doorgang vinden of tot voortijdige </al><al> beëindiging van die voorziening. </al></li><li nr="c."><al>het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de
                                    verplichtingen zoals</al><al> bedoeld in artikel 9, lid 1, sub b WWB, respectievelijk artikel
                                    37, lid 1, sub e </al><al> IOAW niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken
                                    van de </al><al> ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder
                                    zoals bedoeld in </al><al> artikel 9a, lid 1 WWB, respectievelijk artikel 38, lid 1
                                    IOAW.</al></li></lijst></li><li nr="4."><al>Vierde categorie: </al><lijst><li nr="a."><al>het niet aanvaarden van algemeen
                                    geaccepteerde arbeid.</al></li><li nr="b."><al>het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde
                                    arbeid.</al></li><li nr="c."><al>het niet of onvoldoende gebruik maken van een door het college
                                    aangeboden voorziening als bedoeld in artikel 9, lid 1, sub b WWB en
                                    artikel 10, lid 1 WWB, respectievelijk artikel 36, lid 1 IOAW en artikel 37, lid 1,
                                    sub e IOAW, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot
                                    voortijdige beëindiging van die voorziening. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Hoogte en duur van een verlaging</titel></kop><al> De verlaging bij gedragingen zoals genoemd in artikel 3, wordt
                            vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>tien procent van de bijstandsnorm gedurende één maand
                            bij gedragingen van de eerste categorie.</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de tweede categorie.</al></li><li nr="c."><al>vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de derde categorie.</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij
                                    gedragingen van de vierde categorie.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Overige gedragingen die leiden tot een verlaging</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
                                voor de</al><al> voorziening in het bestaan zoals bedoeld in artikel 18, lid 2 WWB,
                                anders dan het </al><al> niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in
                                artikel 3, lid 4, </al><al> sub b van deze verordening, wordt vastgesteld op 20% van de
                                bijstandsnorm </al><al> gedurende de periode dat de belanghebbende zonder algemene bijstand
                                had </al><al> gekund, met een minimumduur van één maand, danwel op 100% van het </al><al> theoretisch te verstrekken bedrag aan bijzondere bijstand. 2. Onder
                                tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt in ieder geval </al><al> gerekend:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>het verwijtbaar verlies van inkomen anders dan door beëindiging van
                                het dienstverband; b. het te snel interen, danwel buiten het zicht
                                overhevelen van vermogen;</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>het geen gebruik maken, danwel het door eigen toedoen geen gebruik
                                kunnen maken van voorliggende voorzieningen, waaronder sociale</al><al> zekerheidsuitkeringen; </al></lid><lid><lidnr>d.</lidnr><al>het niet indienen van een alimentatievordering, danwel het afzien
                                van reeds</al><al> vastgestelde alimentatie.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Zeer ernstige misdragingen</titel></kop><al> Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het
                            college of zijn </al><al> ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de </al><al> uitvoering van de WWB of IOAW, wordt een verlaging opgelegd van
                            minimaal vijftig </al><al> procent van de bijstandsnorm gedurende een maand. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Niet nakomen van overige verplichtingen</titel></kop><al> Indien een belanghebbende één of meerdere door het college opgelegde </al><al> verplichtingen als bedoeld in artikel 55 WWB niet of onvoldoende
                            nakomt, wordt, </al><al> zolang dit aan de orde is, een verlaging toegepast. De verlaging wordt
                            vastgesteld op: </al><lijst><li nr="a."><al>twintig procent van de bijstandsnorm bij het niet of onvoldoende
                            nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling.</al></li><li nr="b."><al>twintig procent van de bijstandsnorm bij het niet of onvoldoende
                                    nakomen van</al><al> verplichtingen die verband houden met de aard en doel van een
                                    bepaalde vorm </al><al> van bijstand.</al></li><li nr="c."><al>vijftig procent van de bijstandsnorm bij het niet of onvoldoende
                                    nakomen van</al><al> verplichtingen die strekken tot verminderen van de
                                    bijstand.</al></li><li nr="d."><al>honderd procent van de bijstandsnorm bij het niet of onvoldoende
                                    nakomen van</al><al> de verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.
                                </al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Voorbereiding van het besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Nadere afstemming</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Bij de vaststelling van de verlaging wordt een beoordeling
                                    gemaakt van de ernst van de gedraging, de mate waarin de
                                    belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de
                                    omstandigheden waarin belanghebbende verkeert.</al></li><li nr="2."><al>Ten aanzien van de afstemming van de verlaging van de algemene
                                    bijstand/inkomensvoorziening op de mate van verwijtbaarheid
                                    geldt het volgende:</al><lijst><li nr="a)"><al>indien een gedraging als verwijtbaar wordt aangemerkt wordt de
                                    periode van verlaging vastgesteld op een maand.</al></li><li nr="b)"><al>indien een gedraging als ernstig verwijtbaar wordt aangemerkt
                                    wordt de periode van verlaging vastgesteld op twee maanden.</al></li><li nr="c)"><al>indien een gedraging als zeer ernstig verwijtbaar wordt
                                    aangemerkt wordt de periode van verlaging vastgesteld op drie
                                    maanden.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Indien het feitelijk onmogelijk is om de verlaging over twee of
                                    drie maanden, als bedoeld in voorgaand lid, toe te passen, wordt
                                    ter vervanging daarvan de verlaging over één maand verdubbeld,
                                    danwel verdrievoudigd.</al></li><li nr="4."><al>Bij de toepassing van voorgaande leden dient artikel 12 van deze
                                    verordening in beschouwing te worden genomen.</al></li><li nr="5."><al>Ten aanzien van de afstemming van de verlaging van de bijzondere
                                    bijstand als bedoeld in artikel 5, lid 1 van deze verordening op de mate van
                                    verwijtbaarheid geldt het volgende:</al><al>Indien er sprake is van omstandigheden waardoor er aanleiding is om toch
                            bijzondere bijstand te verlenen wordt op individuele gronden in meer of
                            mindere mate afgeweken van het percentage als genoemd in artikel 5, lid
                            1 van deze verordening. Uitdrukkelijk wordt hier gewezen op de
                            mogelijkheden van de verstrekking in de vorm van een geldlening, als
                            bedoeld in artikel 48, lid 2, sub b van de Wet Werk en Bijstand.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Afzien van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college ziet af van het toepassen van een verlaging indien:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>de gedraging meer dan een jaar voor constatering van die gedraging
                                door het college heeft plaatsgevonden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college kan afzien van een verlaging indien het daarvoor
                                dringende redenen aanwezig acht.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Indien het college afziet van een verlaging op grond van dringende
                                redenen, wordt een belanghebbende hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Horen van belanghebbende</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in
                                    de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te
                                    brengen.</al></li><li nr="2."><al>Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten
                                    indien:</al><lijst><li nr="a)"><al>de vereiste spoed zich daartegen verzet;</al></li><li nr="b)"><al>de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn
                            zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of
                            omstandigheden hebben voorgedaan;</al></li><li nr="c)"><al>de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college
                            of van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 7, lid 4
                            WWB werkzaamheden heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn
                            inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de WWB; </al></li><li nr="d)"><al>het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de
                            ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid. </al></li></lijst></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>5.</nr><titel>Besluit</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>11</nr><titel>Besluit tot het opleggen van een verlaging</titel></kop><al> In het besluit tot het opleggen van een verlaging worden in ieder geval
                            vermeld: de </al><al> reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het bedrag waarmee de
                            uitkering </al><al> wordt verlaagd en, als dit van toepassing is, de reden om af te wijken
                            van de </al><al> standaardverlaging. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Een verlaging wordt toegepast op de uitkering respectievelijk de
                                bijzondere</al><al> bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 WWB over de </al><al> kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het
                                toepassen van de </al><al> verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt
                                uitgegaan </al><al> van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende
                                bijstandsnorm. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is,
                                omdat de</al><al> uitkering is beëindigd of ingetrokken, kan de verlaging met
                                toepassing van artikel 54 van de WWB met terugwerkende kracht worden
                                toegepast op de uitkering </al><al> over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad danwel
                                de uitkering </al><al> over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>6.</nr><titel>Samenloop en recidive</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Samenloop van gedragingen</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van
                                meerdere in deze</al><al> verordening genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd.
                                Voor het </al><al> bepalen van de hoogte en de duur van de verlaging wordt uitgegaan
                                van de </al><al> gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren
                                van één of</al><al> meerdere in deze verordening genoemde verplichtingen, wordt voor
                                iedere </al><al> gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen
                                worden </al><al> gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de
                                gedraging, de mate van </al><al> verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende niet
                                verantwoord </al><al> is. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Recidive</titel></kop><al> Indien een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
                            van een </al><al> besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als
                            bedoeld in </al><al> deze verordening, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging
                            als </al><al> bedoeld in deze verordening, wordt de duur van de verlaging verdubbeld.
                        </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>7.</nr><titel>Blijvende of tijdelijke weigering IOAWArtikel 15 Samenloop bij
                            weigeren uitkering IOAW</titel></kop><structuurtekst><al> Indien het college de uitkering op grond van artikel 20, lid 1 IOAW
                            blijvend of </al><al> tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid
                            tevens op grond </al><al> van deze verordening tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een
                            verlaging </al><al> achterwege. </al></structuurtekst></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>8.</nr><titel>Bestrijding misbruik</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Instrumenten ter voorkoming van fraude (preventie):</titel></kop><al> Het college draagt zorg voor een vroegtijdige informatievoorziening aan </al><al> belanghebbenden over rechten, plichten en handhaving. Het college
                            optimaliseert </al><al> zoveel mogelijk de dienstverlening zonder belemmeringen, zodat de kans
                            op </al><al> spontane naleving van de verplichtingen wordt vergroot. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Instrumenten gericht op aanpak van fraude (repressie):</titel></kop><al>Het college draagt zorg voor een vroegtijdige detectie en
                            afhandeling van </al><al> fraudesignalen. </al><al> Het college gaat bij constatering van fraude daadwerkelijk tot
                            sanctionering over. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Rechtmatigheidscontrole en effectieve sanctionering</titel></kop><al>Het college hanteert ten aanzien van de rechtmatigheidscontrole een
                            samenhangend stelsel van controlemethodieken, gebaseerd op signaalsturing,
                            risicosturing en themacontroles, hetgeen is vervat in het Controleplan aanvragen,
                            heronderzoeken en beëindigingen WWB en IOAW. Ten behoeve van een effectieve
                            sanctionering legt het college de handelwijze omtrent de rechtmatigheidscontrole van
                            uitkeringen WWB en IOAW in beleidsregels vast en handelt het aangaande de afstemming
                            van uitkeringen conform deze verordening.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Verantwoording</titel></kop><al>Het college evalueert jaarlijks via de bestuursrapportages het
                            gevoerde handhavingsbeleid en verantwoording vindt via deze
                            bestuursrapportages plaats.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>9.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al> Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2013.</al><al> De Verordeningen Afstemmingsbeleid WWB, Afstemmingsbeleid IOAW en </al><al> Fraudebeleid WWB en IOAW, die van kracht waren vanaf 1 januari 2012
                            worden </al><al> hierbij ingetrokken. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>21</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al> Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmings- en
                            fraudeverordening WWB en IOAW.</al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente
                        Achtkarspelen op </ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening>de Raadsgriffier, de Voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. R. van der Heide P. Adema</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Afstemmingsverordening WWB en IOAW </titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De gemeenteraad heeft in de WWB een verantwoordelijkheid met betrekking tot de
                    invulling van de rechten en plichten van bijstandsgerechtigden. Mede gelet op de
                    rechtszekerheid van een bijstandsgerechtigde moet de gemeenteraad het eigen
                    gemeentelijk beleid vastleggen in een verordening. </al><al>Rechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op algemene
                    bijstand is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer
                    onafhankelijk te worden van de uitkering. </al><al>Artikel 18 lid 1 WWB spreekt over het afstemmen van de bijstand en de daaraan
                    verbonden verplichtingen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een
                    belanghebbende. In deze bepaling wordt benadrukt dat het vaststellen van de
                    hoogte van de uitkering en de daaraan verbonden verplichtingen voor
                    bijstandsgerechtigden maatwerk is. Daarbij moet recht worden gedaan aan de
                    individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van
                    bijstandsgerechtigden. </al><al>Artikel 18 lid 2 WWB legt een directe koppeling tussen de rechten en
                    verplichtingen van uitkeringsgerechtigden: het recht op een uitkering is altijd
                    verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk te worden van de
                    uitkering. Dit betekent dat de vaststelling van de hoogte van de uitkering niet
                    alleen afhangt van de toepasselijke uitkeringsnorm en de beschikbare middelen
                    van de belanghebbende, maar ook van de mate waarin de verplichtingen worden
                    nagekomen. </al><al>Wanneer het college tot het oordeel komt dat een bijstandsgerechtigde zijn
                    verplichtingen niet of in onvoldoende mate nakomt, verlaagt het de uitkering. Er
                    is dus geen sprake van een bevoegdheid, maar van een verplichting. Alleen
                    wanneer iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, ziet het college af van een
                    dergelijke verlaging. Het college moet niettemin bij de vaststelling van de
                    verlaging rekening houden met de persoonlijke omstandigheden en de individueel
                    vastgestelde verplichtingen. Het college kan dan ook van een verlaging afzien
                    indien het college daartoe zeer dringende reden aanwezig acht. </al><al>Is afgezien van een verlaging wegens het ontbreken van elke vorm van
                    verwijtbaarheid, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van bepalingen ten
                    aanzien van recidive deze gedraging mee te tellen. Is vanwege de afstemming op
                    grond van artikel 18 lid 1 WWB van een verlaging afgezien, dan is daarin geen
                    reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te laten in geval
                    van recidive. </al><al>Wordt een verlaging voor een langere duur dan drie maanden opgelegd, dan zal het
                    college de verlaging aan een herbeoordeling moeten onderwerpen. Dat volgt uit
                    artikel 18 lid 3 WWB. Bij een dergelijke herbeoordeling hoeft niet opnieuw een
                    besluit te worden genomen, waarbij alle feiten en omstandigheden opnieuw tegen
                    het licht worden gehouden. Het heeft slechts als doel vast te stellen of
                    belanghebbende tussentijds (binnen de periode waarover de verlaging zich
                    uitstrekt) blijk heeft gegeven van een zodanige gedragsverandering of dat sprake
                    is van een zodanige wijziging van omstandigheden, dat aanleiding bestaat de
                    eerder opgelegde verlaging in zwaarte of duur bij te stellen (zie CRvB
                    19-04-2011, nr. 10/4882 WWB). </al><al>Een verlaging krachtens de afstemmingsverordening moet niet gezien worden als
                    een strafrechtelijke sanctie, doch slechts een afstemming van het recht op
                    bijstand. </al><tussenkop>Afstemmen in de IOAW en de IOAZ </tussenkop><al>Sinds 1 juli 2010 heeft het college de mogelijkheid een IOAW of IOAZ uitkering
                    te verlagen of te weigeren indien een belanghebbende de aan het recht op
                    uitkering verbonden verplichtingen niet of onvoldoende nakomt (artikel 20 IOAW
                    en artikel 20 IOAZ). De gemeente moet het gemeentelijk beleid vastleggen in een
                    verordening (artikel 35 lid 1 onderdeel b IOAW en artikel 35 lid 1 onderdeel b
                    IOAZ). Aangezien de uitvoering van de zelfstandigenregelingen, waaronder de
                    IOAZ, is ondergebracht bij Bureau Zelfstandigen Fryslân, en deze instantie een
                    eigen afstemmingsbeleid kent, voorziet deze verordening niet in de afstemming
                    van IOAZ-uitkeringen. </al><al>De verlaging van de uitkering komt in de plaats van het boeten- en
                    maatregelenregime, waarbij zij opgemerkt dat de mogelijkheid om een boete op te
                    leggen al per 1 januari 2010 was vervallen. </al><tussenkop>Toelichting per artikel</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begrippen </tussenkop><al>Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, IOAW, Awb of
                    de Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt
                    dat in geval van wijziging van betreffende definities in de betreffende wetten
                    ook de verordening moet worden gewijzigd. Een uitzondering vormen de bepalingen
                    omtrent de nadere afstemming als bedoeld in artikel 18, lid 1 van de WWB en de
                    mogelijkheden om als belanghebbende te worden gehoord als bedoeld in Afdeling
                    4.1.2. van de Awb (zie artikelen 8 en 10). De reden hiervan is het grote belang
                    dat wordt gehecht aan een zorgvuldige besluitvorming in het geval van het
                    opleggen van maatregelen, i.c. verlagingen. Opneming in de verordening dwingt de
                    consulent in alle gevallen hiermee terdege rekening te houden. Onder de
                    ‘bijstandsnorm’ (lid 2 onderdeel d) wordt in deze verordening verstaan de in de
                    situatie van belanghebbende geldende bijstandsnorm. Dit is de toepasselijke
                    norm, vermeerderd met toeslagen, en verminderd met verlagingen, alles inclusief
                    vakantietoeslag. Voor zover sprake is van een uitkering op grond van de IOAW
                    wordt onder bijstandsnorm verstaan de toepasselijke grondslag zoals bedoeld in
                    artikel 5 IOAW.</al><tussenkop>Artikel 2. Berekeningsgrondslag </tussenkop><al>In artikel 2, lid 1 van deze verordening is het uitgangspunt vastgelegd dat een
                    verlaging wordt berekend over de bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt
                    verstaan de wettelijke norm, inclusief gemeentelijke toeslag of verlaging en
                    inclusief vakantietoeslag. Bij een uitkering op grond van de IOAW wordt gekeken
                    naar de grondslag als bedoeld in artikel 5 IOAW. In artikel 2 lid 2 onderdeel a
                    van deze verordening is bepaald dat een verlaging ook kan worden toegepast op de
                    bijzondere bijstand indien aan een belanghebbende bijzondere bijstand wordt
                    verleend met toepassing van artikel 12 WWB. Personen tussen de 18 en 21 jaar
                    ontvangen een lage jongerennorm, die indien noodzakelijk wordt aangevuld door
                    middel van aanvullende bijzondere bijstand in de kosten van levensonderhoud. Als
                    een verlaging uitsluitend op de lage jongerennorm wordt opgelegd, zou dit leiden
                    tot rechtsongelijkheid ten opzichte van de 21-jarigen. Daarom is in het derde
                    lid geregeld dat de berekeningsgrondslag in dat geval bestaat uit de
                    bijstandsnorm, vermeerderd met de verleende bijzondere bijstand op grond van
                    artikel 12 WWB. </al><al>Artikel 2 lid 2 onderdeel b van deze verordening maakt het mogelijk dat het
                    college in incidentele gevallen een verlaging oplegt over de bijzondere
                    bijstand. Er moet dan wel een verband bestaan tussen de gedraging van een
                    belanghebbende en zijn recht op bijzondere bijstand. Een verlaging kan
                    uitsluitend worden opgelegd indien daadwerkelijk bijzondere bijstand is
                    verstrekt. De verordening biedt overigens geen ruimte om een verlaging toe te
                    passen op een langdurigheidstoeslag. </al><tussenkop>Artikel 3. Gedragingen </tussenkop><al>De artikelen 3 en 4 van deze verordening moeten in onderlinge samenhang worden
                    gelezen. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 3, zijn
                    ondergebracht in categorieën. Aan die categoriën wordt in artikel 4 een gewicht
                    toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn
                    gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht
                    naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of
                    behouden van betaalde arbeid. </al><tussenkop>Artikel 4. Hoogte en duur van de verlaging </tussenkop><al>Zie de toelichting bij artikel 3. </al><tussenkop>Artikel 5. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid </tussenkop><al>Aan de WWB ligt het beginsel ten grondslag dat eenieder in eerste instantie in
                    zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is,
                    kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal
                    moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een
                    gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is
                    aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder
                    geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat
                    belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op
                    bijstand): </al><al> het te snel interen van vermogen; </al><al> het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering; </al><al> het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende voorziening. </al><al>Het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid is een
                    gedraging die ook zou kunnen worden gekwalificeerd als een tekortschietend besef
                    van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Vanwege de
                    samenhang met de arbeidsverplichtingen is er echter voor gekozen deze gedraging
                    onder te brengen in artikel 3 van deze verordening (zie artikel 3 lid 4
                    onderdeel b). </al><al>Op grond van artikel 5 van deze verordening kan een verlaging worden opgelegd
                    wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de
                    voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de
                    hoogte van het benadelingsbedrag. Dat vertaalt zich in de duur van de op te
                    leggen verlaging. Er wordt namelijk een verlaging van 20% per maand opgelegd
                    gedurende de periode waarover de belanghebbende zonder bijstand zou hebben
                    gekund, uiteraard met een minimum van één maand. Ten aanzien van bijzondere
                    bijstand geldt in principe dat bij tekortschietend besef van
                    verantwoordelijkheid geen bijzondere bijstand wordt verstrekt. </al><tussenkop>Artikel 6. Zeer ernstige misdragingen </tussenkop><al>Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie
                    worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van
                    gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel
                    wordt beschouwd. Het college kan alleen een verlaging opleggen indien er een
                    verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen bij
                    het vaststellen van het recht op een uitkering. De WWB, maar ook de IOAW
                    bevatten immers geen afzonderlijke plicht tot het nalaten van zeer ernstige
                    misdragingen. Het recht op uitkering kan daarom alleen worden afgestemd wegens
                    het zich zeer ernstig misdragen als dit heeft plaatsgevonden bij het (niet)
                    nakomen van een (andere) aan de uitkering verbonden verplichting (zie
                    bijvoorbeeld CRvB 06-07-2010, nr. 08/2025 WWB, LJN BN0660). Vandaar dat in
                    artikel 6 van deze verordening wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen
                    moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband
                    houden met de uitvoering van WWB of IOAW. Indien een belanghebbende zich zeer
                    ernstig misdraagt, geheel los van een (andere) aan de uitkering verbonden
                    verplichting - hij komt bijvoorbeeld uit eigen beweging stennis maken - dan is
                    binnen de WWB of de IOAW tegen deze gedraging geen sanctie mogelijk. </al><al>Het zich zeer ernstig misdragen jegens het college in de zin van artikel 18 lid
                    2 WWB omvat tevens het zich misdragen jegens een medewerker van het
                    re-integratiebureau, omdat deze personen werken in opdracht van het college en
                    de misdraging van negatieve invloed is op de op belanghebbende uit hoofde van de
                    WWB rustende verplichting tot arbeidsinschakeling (zie Rechtbank Rotterdam
                    26-03-2008, nr. 07/1478, LJN BC9884).</al><tussenkop>Artikel 7. Niet nakomen van overige verplichtingen </tussenkop><al>De WWB geeft het college de bevoegdheid om belanghebbenden verplichtingen op te
                    leggen die volledig individueel bepaald zijn. Artikel 55 WWB biedt daartoe de
                    mogelijkheid en beperkt deze tot een drietal categorieën, te weten: </al><lijst><li nr="1."><al>verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;</al></li><li nr="2."><al>verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een
                            bepaalde vorm van bijstand; of</al></li><li nr="3."><al>verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; en</al></li><li nr="4."><al>verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.</al></li></lijst><al>De hoogte van de verlaging is in deze verordening per categorie verschillend
                    vastgesteld. Omdat de verplichtingen die het college op grond van artikel 55 WWB
                    kan opleggen een zeer individueel karakter hebben, kan het voorkomen dat de in
                    de verordening vastgestelde verlaging niet is afgestemd op de individuele
                    omstandigheden van een belanghebbende. Het is dan ook van belang dat het college
                    altijd rekening houdt met de individualiseringsbepaling van artikel 18 lid 1
                    WWB. Deze bepaling verplicht het college de bijstand af te stemmen op de
                    omstandigheden, mogelijkheden en middelen van een belanghebbende. In individuele
                    gevallen kan dus worden afgeweken van de in dit artikel vastgestelde verlaging. </al><tussenkop>Artikel 8. Nadere afstemming </tussenkop><al>Dit artikel is een nadere uitwerking van het individualiseringsbeginsel, dat ook
                    voor het toepassen van verlagingen geldt. In lid 2 is ten aanzien van de
                    beoordeling van de mate van verwijtbaarheid een nadere aanwijzing gegeven. Het
                    derde lid is een ontsnappingsclausule wanneer er sprake is van ontoereikend
                    aantal maanden waarop een verlaging kan worden toegepast. In die situatie kan er
                    voor worden gekozen de verlaging over de "beschikbare" maand te verdubbelen of
                    te verdrievoudigen. Ook wordt in dit artikel uitdrukkelijk verwezen naar artikel
                    12 van deze verordening omdat voorkomen moet worden dat er verlagingen worden
                    toegepast op maanden waarin geen sprake is geweest van verwijtbare gedragingen. </al><tussenkop>Artikel 9. Afzien van verlaging </tussenkop><al>Het afzien van het opleggen van een verlaging “indien elke vorm van
                    verwijtbaarheid” ontbreekt, is overgenomen uit artikel 18 lid 2 WWB
                    (respectievelijk artikel 20 lid 3 IOAW). Aangenomen moet worden dat hiervan
                    uitsluitend sprake is bij evidente afwezigheid van verwijtbaarheid (zie CRvB
                    24-07-2001, nr. 99/1857 NABW, LJN AD4887). Het is aan het college te beoordelen
                    of elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt aan het betreffende gedrag. Is
                    vanwege de afwezigheid van elke vorm van verwijtbaarheid afgezien van een
                    verlaging, dan is het niet mogelijk om bij toepassing van recidive deze
                    gedraging mee te tellen (zie artikel 14 van deze verordening). Is vanwege de
                    afstemming op grond van artikel 18 lid 1 WWB van een verlaging afgezien dan is
                    daarin geen reden gelegen om de betreffende gedraging buiten beschouwing te
                    laten in geval van recidive. </al><al>Een andere reden om af te zien van het opleggen van een verlaging is dat de
                    gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de
                    effectiviteit (“lik op stuk”) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de
                    gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden regelt artikel 9 lid
                    1 onderdeel b van deze verordening dat het college geen verlagingen oplegt voor
                    gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dit heeft
                    tevens als voordeel dat een uitkeringsgerechtigde niet te lang in onzekerheid
                    wordt gehouden over de vraag of de gemeente overgaat tot het opleggen van een
                    verlaging. </al><al>In artikel 9 lid 2 van deze verordening is geregeld dat kan worden afzien van
                    het opleggen van een verlaging indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
                    De verordening stelt een algemene verplichting tot het opleggen van een
                    verlaging voorop. Uitzonderingen moeten echter mogelijk zijn indien voor de
                    belanghebbende onaanvaardbare consequenties zouden optreden. Uit het woord
                    "dringend" blijkt dat er wel iets heel bijzonders en uitzonderlijks aan de hand
                    moet zijn, wil een afwijking van het algemene principe gerechtvaardigd zijn. Wat
                    dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet
                    op voorhand worden vastgelegd. Er kan worden gedacht aan enerzijds een mindere
                    mate van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging en anderzijds aan de
                    financiële of sociale gevolgen voor belanghebbende en/of diens gezin. Daarbij
                    moet worden opgemerkt dat ernstige financiële gevolgen op zichzelf geen reden
                    zijn om van een verlaging af te zien, aangezien dit inherent is aan het verlagen
                    van een uitkering. </al><al>Het doen van een schriftelijke mededeling dat het college afziet van het
                    opleggen van een verlaging wegens dringende redenen is van belang in verband met
                    eventuele recidive (artikel 9 lid 3 van deze verordening). Het opleggen van een
                    verlaging bij recidive is geregeld in artikel 14 van deze verordening. </al><tussenkop>Artikel 10. Horen van belanghebbende </tussenkop><al>Vanuit een oogpunt van zorgvuldige besluitvoorbereiding is het goed om, alvorens
                    de negatieve beschikking te versturen, belanghebbende in de gelegenheid te
                    stellen om zijn zienswijze naar voren te brengen. Tevens worden in dit artikel
                    de gronden genoemd, op basis waarvan van het horen van belanghebbende kan worden
                    afgezien. </al><tussenkop>Artikel 11. Het besluit tot opleggen van een verlaging </tussenkop><al>Het verlagen van een uitkering op grond van deze verordening vindt plaats door
                    middel van een besluit. Tegen dit besluit kan een belanghebbende bezwaar en
                    beroep indienen. In artikel 2 van deze verordening is aangegeven wat in het
                    besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks
                    voort uit de Awb en dan met name uit het motiveringsvereiste. Het
                    motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een
                    deugdelijke motivering is voorzien. </al><tussenkop>Artikel 12. Ingangsdatum en tijdvak van een verlaging </tussenkop><al>Het opleggen van een verlaging vindt plaats door het verlagen van de uitkering.
                    Verlaging van de uitkering kan in beginsel op twee manieren: </al><lijst><li nr="1."><al>door middel van verlaging van het uitkeringsbedrag in de eerstvolgende
                            maand(en); of</al></li><li nr="2."><al>met terugwerkende kracht, door middel van een herziening van de
                            uitkering.</al></li></lijst><al>Het verlagen van de uitkering die in de nabije toekomst wordt verstrekt, is de
                    gemakkelijkste methode. Dan hoeft namelijk niet te worden overgegaan tot
                    herziening van de uitkering en terugvordering van het te veel betaalde bedrag.
                    In de praktijk zal dit meestal inhouden dat een verlaging wordt opgelegd met
                    ingang van de eerste dag van de kalendermaand, die volgt op de kalendermaand
                    waarin het besluit bekend is gemaakt. Voor de berekening van de hoogte van de
                    verlaging moet worden uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. </al><al>Het is niet altijd mogelijk om een lopende uitkering af te stemmen. In die
                    gevallen dient de verlaging met terugwerkende kracht te worden toegepast (zie
                    lid 2). Het afstemmingsbesluit dat in dat geval wordt genomen, is een bijzondere
                    vorm van herziening van de uitkering. Het besluit leidt namelijk tot teveel
                    verstrekte uitkering. De uitkering die op grond van het afstemmingsbesluit
                    teveel is verstrekt kan met toepassing van artikel 58 lid 1 onderdeel a WWB,
                    respectievelijk artikel 25 lid 1 IOAW worden teruggevorderd. Hierbij moet wel
                    worden bedacht dat afstemming met terugwerkende kracht niet altijd mogelijk is.
                    Als alle uitkering over de betreffende periode is ingetrokken en teruggevorderd,
                    resteert er niets meer om af te stemmen. </al><tussenkop>Artikel 13. Samenloop van gedragingen </tussenkop><al>De regeling voor samenloop ziet op twee mogelijke situaties. Enerzijds de
                    situatie dat sprake is van één gedraging die schending van meerdere
                    verplichtingen oplevert; in dat geval dient uit te worden gegaan van de
                    verplichting waarop de hoogste verlaging van toepassing is (lid 1). Anderzijds
                    is de situatie geregeld waarin sprake is van verschillende gedragingen
                    (meerdaadse samenloop, lid 2). In het laatste geval moet voor iedere
                    afzonderlijke gedraging een verlaging worden opgelegd, tenzij dit niet
                    verantwoord is. Daarvoor moet altijd gekeken worden naar de individuele
                    omstandigheden. De verlaging wordt dan over meerdere maanden uitgesmeerd. </al><tussenkop>Artikel 14. Recidive </tussenkop><al>Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging wederom sprake
                    is van een verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot
                    uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de verlaging. Met de
                    eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging bedoeld die aanleiding is
                    geweest tot een verlaging, ook indien wegens dringende redenen is afgezien van
                    het opleggen van een verlaging. Is vanwege de afwezigheid van elke vorm van
                    verwijtbaarheid afgezien van een verlaging, dan is het niet mogelijk om bij
                    toepassing van recidive deze gedraging mee te tellen. Voor het bepalen van de
                    aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit
                    waarmee de verlaging is opgelegd is verzonden. </al><al>Op basis van artikel 13 van deze verordening kan een recidiveverlaging slechts
                    één keer worden toegepast. Indien een belanghebbende na een tweede verwijtbare
                    gedraging wederom verwijtbaar gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de
                    verlaging individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten
                    worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de
                    omstandigheden. </al><tussenkop>Artikel 15. Samenloop bij weigeren uitkering IOAW/IOAZ </tussenkop><al>Het college is op grond van artikel 20 IOAW bevoegd de uitkering blijvend of
                    tijdelijk te weigeren als een belanghebbende, kort gezegd, inkomen uit arbeid
                    had kunnen verwerven, maar dit nalaat. Dit is een discretionaire bevoegdheid van
                    het college. De vraag of een verlaging moet worden toegepast, zal pas aan de
                    orde komen als het college zich een oordeel heeft gevormd over de eventuele
                    weigering van de uitkering. Deze beoordeling gaat in beginsel voor. Pas als het
                    college concludeert dat van een weigering geen sprake is, kan op grond van deze
                    verordening een verlaging worden toegepast. Artikel 15 van deze verordening is
                    derhalve bedoeld om samenloop te voorkomen. </al><tussenkop>Artikel 16. Instrumenten ter voorkoming van fraude
                    (preventie)</tussenkop><al>Dit artikel behandelt de eerste twee visie-elementen van Hoogwaardige
                    Handhaving, te weten Informatie op maat en dienstverlening op maat. </al><tussenkop>Artikel 17. Instrumenten gericht op aanpak van fraude
                    (repressie)</tussenkop><al>Dit artikel behandelt de laatste twee visie-elementen van Hoogwaardige
                    Handhaving, te weten Controle op maat en Sanctionering op maat.</al><tussenkop>Artikel 18. Rechtmatigheidscontrole en effectieve
                    sanctionering</tussenkop><tussenkop>In dit artikel wordt verwezen naar het Controleplan en wordt vastgesteld
                    dat de controle geschiedt conform de uitgangspunten van Hoogwaardige Handhaving.
                    Tevens krijgt het college hierbij de opdracht nadere beleidsregels op te stellen
                    ten behoeve van een effectieve sanctionering en wordt uitdrukkelijk verwezen
                    naar de Verordening Afstemmingsbeleid WWB en de Verordening Afstemmingsbeleid
                    IOAW. Hiermee is dit artikel een nadere uitwerking van de twee voorgaande
                    artikelen. </tussenkop><tussenkop>Artikel 19. Verantwoording</tussenkop><al>Dit artikel geeft het college de opdracht om het handhavingsbeleid via de
                    bestuursrapportages te evalueren en de resultaten hiervan aan de raad te
                    presenteren. </al><tussenkop>Artikel 20. Inwerkingtreding </tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al><tussenkop>Artikel 21. Citeertitel </tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>