<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR237168_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Toeslagenverordening WWB</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:creator><dcterms:modified>2012-12-17</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Achtkarspelen</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Onbekend</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Onbekend</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>maatschappelijke zorg en welzijn</dcterms:subject><dcterms:issued>2012-12-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-01</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2015-01-01</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Onbekend</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>Onbekend</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Toeslagenverordening WWB</intitule><regeling><aanhef><preambule><al> Gemeente Achtkarspelen</al><al><vet>T</vet><vet>oeslagen</vet><vet>verordening</vet><vet>
                        WWB</vet></al><al><vet>Dienst Werk en Inkomen “De Wâlden</vet><vet>”</vet></al><al><vet>Januari</vet><vet>
                        201</vet><vet>3</vet></al><al><vet>Gemeente Achtkarspelen </vet></al><al>de Raad van de gemeente Achtkarspelen;</al><al>gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. @, met
                        overneming van de daarin vermelde motieven, </al><al>gelet op het bepaalde in artikel 8, lid 1, sub c en artikel 30 van de
                        Wet Werk en Bijstand,</al><al><vet>besluit</vet></al><al>vast te stellen: </al><al><vet>de Toeslagen</vet><vet>verordening</vet><vet> WWB </vet></al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>1.</nr><titel>Algemene bepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begrippen</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en
                                        die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekening
                                        als in de Wet Werk en Bijstand (WWB), de Algemene wet
                                        bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.</al></li><li nr="2."><al>In deze verordening wordt verstaan onder: </al><lijst><li nr="a."><al>de wet: de
                                        WWB.</al></li><li nr="b."><al>het college: het college van burgemeester en wethouders van
                                        de gemeente Achtkarspelen.</al></li><li nr="c."><al>de raad: de gemeenteraad van de gemeente Achtkarspelen.</al></li><li nr="d."><al>de gehuwdennorm: de norm als bedoeld in artikel 21, sub c
                                        WWB.</al></li><li nr="e."><al>de woning: een woning zoals bedoeld in artikel 1, sub j van
                                        de Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of
                                        woonschip, zoals bedoeld in artikel 3, lid 6 WWB.</al></li><li nr="f."><al>de woonkosten: I. Indien een huurwoning wordt bewoond, de
                                        per maand geldende huurprijs, zoals bedoeld in artikel 1,
                                        sub d van de Wet op de huurtoeslag;</al><al> II. Indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een
                                        bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de
                                        financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en
                                        de in verband met het in eigendom hebben van de woning te
                                        betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te
                                        stellen bedrag voor onderhoud. </al></li></lijst></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Doelgroep</titel></kop><al> Deze verordening is uitsluitend van toepassing op belanghebbenden van
                            21 jaar of ouder doch jonger dan de leeftijd waarop recht op AOW
                            ontstaat. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze
                            verordening alleen indien beide echtgenoten tot de hiervoor genoemde
                            groep behoren. </al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>2.</nr><titel>Criteria voor het verhogen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Toeslag alleenstaande (ouder)</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De toeslag, zoals bedoeld in artikel 25 WWB bedraagt: a. 20 procent
                                van de gehuwdennorm voor een belanghebbende in wiens woning geen
                                ander zijn hoofdverblijf heeft. </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>10 procent van de gehuwdennorm voor een belanghebbende in wiens
                                woning één ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>0 procent van de gehuwdennorm voor een belanghebbende in wiens
                                woning meer dan één ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dit verband worden echtparen of daarmee gelijkgestelden beschouwd
                                als één ander.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                zelfstandig wonende alleenstaande van 21 of 22 jaar:</al></lid><lid><lidnr>a.</lidnr><al>10 procent van de gehuwdennorm voor een belanghebbende in wiens
                                woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>5 procent van de gehuwdennorm voor een belanghebbende in wiens
                                woning één ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>c.</lidnr><al>0 procent van de gehuwdennorm voor een belanghebbende in wiens
                                woning meer dan één ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>In afwijking van het eerste lid bedraagt de toeslag voor een
                                inwonende alleenstaande van 21 of 22 jaar te allen tijde 0 procent.
                            </al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>Voor de toepassing van dit artikel worden de volgende personen niet
                                in aanmerking genomen als een ander die in dezelfde woning zijn
                                hoofdverblijf heeft: a. verzorgingsbehoevenden die door de
                                belanghebbende worden verzorgd. b. verzorgenden die de
                                zorgbehoevende belanghebbende verzorgen. </al></lid></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>3.</nr><titel>Criteria voor het verlagen van de norm</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Verlaging norm gehuwden</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De verlaging, zoals bedoeld in artikel 26 WWB bedraagt: a. 10
                                procent van de gehuwdennorm voor de belanghebbenden in wiens woning
                                één ander zijn hoofdverblijf heeft. </al></lid><lid><lidnr>b.</lidnr><al>20 procent van de gehuwdennorm voor de belanghebbenden in wiens
                                woning meer dan één ander zijn hoofdverblijf heeft.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In dit verband worden echtparen of daarmee gelijkgestelden beschouwd
                                als één ander. </al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het vijfde lid van artikel 3 is van overeenkomstige toepassing.
                            </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Verlaging algemene bijstand wegens ontbreken woonkosten</titel></kop><al> De verlaging in verband met de woonsituatie, zoals bedoeld in artikel
                            27 WWB bedraagt het bedrag van maximaal de basishuur als bedoeld in artikel 16
                            van de Wet op de huurtoeslag indien een woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende(n) geen woonkosten zijn verbonden.</al></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>4.</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Anti-cumulatiebepaling</titel></kop><al> De toepassing van de artikelen 3 tot en met 5 van deze verordening
                            geschiedt zodanig dat de toepasselijke bijstandsnorm tenminste bedraagt: </al><lijst><li nr="a."><al>50 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande.</al></li><li nr="b."><al>70 procent van de gehuwdennorm voor een alleenstaande
                                    ouder.</al></li><li nr="c."><al>80 procent van de gehuwdennorm voor gehuwden.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Uitvoering</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Het college is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze
                                verordening. </al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>In gevallen, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het
                                college. </al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Overgangsregeling</titel></kop><al>De belanghebbende die op 31 december 2012 algemene bijstand
                            ontvangen naar de </al><al> norm voor een alleenstaande of alleenstaande ouder en die op grond van
                            de </al><al> Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB en WIJ een hogere toeslag
                            ontvangt </al><al> dan op basis van deze verordening geldt, danwel de belanghebbenden die </al><al> op 31 december 2012 algemene bijstand ontvangen naar de norm echtpaar
                            waarop </al><al> op grond van de Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB en WIJ een
                            minder </al><al> hoge verlaging van toepassing is dan op basis van deze verordening
                            geldt, </al><al> blijft de hogere toeslag, danwel minder hoge verlaging bij ongewijzigde </al><al> omstandigheden behouden tot een nader, bij beschikking te bepalen,
                            tijdstip doch tot uiterlijk 1 juli 2013. </al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari
                                2013.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De Verordening Toeslagen en Kortingenbeleid WWB en WIJ, vastgesteld
                                op 6 september 2012 wordt gelijktijdig ingetrokken.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al> Deze verordening kan worden aangehaald als: Toeslagenverordening WWB. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare vergadering van de Raad van de gemeente
                        Achtkarspelen op </ondertekening><ondertekening>De Raad voornoemd, </ondertekening><ondertekening>de Raadsgriffier, de Voorzitter,</ondertekening><ondertekening>mr. R. van der Heide P. Adema</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><kop><titel>Toelichting Toeslagenverordening WWB</titel></kop><tussenkop>Algemeen</tussenkop><al>De WWB kent voor de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan een systeem
                    van basisnormen, toeslagen en verlagingen. De normen zijn geregeld in paragraaf
                    2 WWB. Paragraaf 3 WWB voorziet in toeslagen en verlagingen. De som van deze
                    drie onderdelen (normen, toeslagen en verlagingen) levert de bijstandsnorm op.
                    Het gaat dan om de bijstandsnorm voor personen van 21 tot de leeftijd, waarop
                    recht bestaat op AOW ontstaat, die niet in een inrichting verblijven. </al><al>De WWB kent verschillende normen voor alleenstaanden, alleenstaande ouders en
                    gehuwden. Alleenstaanden en alleenstaande ouders komen in aanmerking voor een
                    toeslag indien zij hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben
                    dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen
                    van deze kosten met een ander. De woonsituatie is hierbij van doorslaggevende
                    betekenis. De hoogte van de toeslag, welke wordt aangegeven in de
                    toeslagenverordening, bedraagt maximaal 20 procent van het netto minimumloon en
                    moet aansluiten bij het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten. Voor een
                    alleenstaande van 21 of 22 jaar kan de toeslag afwijkend worden
                    vastgesteld.</al><al>De WWB kent de volgende grondslagen om de norm of toeslag voor personen van 21
                    tot de leeftijd, waarop recht bestaat op AOW ontstaat die niet in een inrichting
                    verblijven te verlagen:</al><lijst><li nr="-"><al>het kunnen delen van kosten met een ander door gehuwden;</al></li><li nr="-"><al>de woonsituatie;</al></li><li nr="-"><al>de recente beëindiging van deelname aan onderwijs of
                            beroepsopleiding.</al></li></lijst><al>Voor de berekening van de bijstandsnorm geldt een vaste volgorde: eerst de norm,
                    dan eventueel een toeslag en vervolgens de verlagingen. Het college is bevoegd
                    om de algemene bijstand (de bijstandsnorm na aftrek van eventuele inkomsten) in
                    afwijking van deze regel hoger of lager vast te stellen indien de individuele
                    omstandigheden van de belanghebbende daartoe aanleiding geven.</al><tussenkop>Toelichting per artikel</tussenkop><tussenkop>Artikel 1. Begrippen</tussenkop><al> Er is voor gekozen om begrippen die al zijn omschreven in de WWB, Awb of de
                    Gemeentewet niet afzonderlijk te definiëren in deze verordening. Dit voorkomt
                    dat in geval van wijziging van betreffende definities in de betreffende wetten
                    ook de Verordening moet worden gewijzigd. </al><al><cursief>Lid 2 onderdeel d: gehuwdennorm</cursief> Het begrip "gehuwdennorm"
                    wordt wel afzonderlijk genoemd, aangezien het van belang is te benadrukken dat
                    het hier gaat om de norm voor gehuwden voor personen van 21 tot de leeftijd,
                    waarop recht bestaat op AOW ontstaat als bedoeld in artikel 21, sub c WWB. </al><al><cursief>Lid 2 onderdeel e: woning</cursief> Het begrip "woning" is in artikel 1
                    van deze verordening gedefinieerd omdat de tekst van de WWB nergens een
                    omschrijving geeft van dit begrip. Wel vermeldt artikel 3 lid 6 WWB dat in de
                    WWB en de daarop berustende bepalingen onder een woning mede een woonwagen of
                    een woonschip verstaan moet worden. Voorts volgt uit de geschiedenis van de
                    totstandkoming van de WWB dat voor de invulling van het begrip woning kan worden
                    aangesloten bij de Wet op de huurtoeslag. Daarom is in deze verordening bepaald
                    dat onder ‘woning’ wordt verstaan: een woning zoals bedoeld in artikel 1
                    onderdeel j Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, zoals
                    bedoeld in artikel 3 lid 6 WWB. </al><tussenkop>Lid 2 onderdeel f: woonkosten</tussenkop><al>Het begrip "woonkosten" is nader gedefinieerd, omdat dit van belang is voor de
                    toepassing van artikel 5 van deze verordening (verlaging woonsituatie).
                    Aangesloten is bij de begripsomschrijving die voorheen onder de vigeur van de
                    Algemene Bijstandswet in het Besluit landelijke normering (tot 1996) was
                    opgenomen. Volgens de CRvB volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van
                    de Abw dat het begrip woonkosten ten tijde van de Abw (nog steeds) moest worden
                    uitgelegd conform de bepalingen van het tot 1 januari 1996 geldende
                    Bijstandsbesluit landelijke normering. Aangenomen moet worden dat deze
                    rechtspraak ook onder de WWB nog van betekenis is.</al><al>Bij “het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten” kan
                    worden gedacht aan het rioolrecht, het eigenaarsdeel van de onroerende
                    zaakbelasting, de opstalverzekering, het eigenaarsdeel van de waterschapslasten
                    en de erfpachtcanon.</al><tussenkop>Artikel 2. Doelgroep</tussenkop><al>De werking van de verordening is beperkt tot belanghebbenden in de
                    leeftijdscategorie van 21 tot de leeftijd, waarop recht bestaat op AOW ontstaat. </al><al>Vanwege de lagere jongerennorm is ervoor gekozen geen verdere verlaging toe te
                    passen bij belanghebbenden van 18 tot 21 jaar. De jongerennormen van artikel 20
                    WWB zijn laag vastgesteld omdat de ouders nog onderhoudsplichtig zijn jegens hun
                    kinderen totdat deze de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt. De ouders kunnen
                    bijvoorbeeld voldoen aan hun onderhoudsplicht door hun kind bij hen in te laten
                    wonen of de huur voor hen te betalen. In dergelijke gevallen zou als het ware
                    "dubbel gekort" worden als ook nog krachtens de Toeslagenverordening de
                    uitkering verlaagd zou worden. Bovendien zou de toepassing van de categoriale
                    verlagingen op belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar de uitvoering van de
                    Toeslagenverordening nodeloos ingewikkeld maken.</al><al>Mocht evenwel het niet toepassen van de verordening op de jongerennorm van
                    artikel 20 WWB onredelijke uitkomsten geven, dan blijft het college bevoegd om
                    op grond van artikel 18 lid 1 WWB de bijstand hoger of lager vast te
                    stellen.</al><tussenkop>Artikel 3. Toeslag alleenstaande (ouder)</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Op grond van artikel 25 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                    (ouder) van 21 jaar of ouder verhogen met een toeslag indien een belanghebbende
                    hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm
                    voorziet als gevolg van het niet geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze
                    kosten met een ander. Artikel 3 van deze verordening vormt overigens het
                    spiegelbeeld van artikel 4 van deze verordening.</al><al>De gemeenteraad is op grond van artikel 30 lid 2 WWB verplicht te bepalen dat de
                    toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de alleenstaande of
                    alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft
                    (onverminderd de mogelijkheid tot verlaging van de norm of toeslag op andere
                    gronden). Dit is vastgelegd in artikel 3 lid 1 onderdeel a van deze verordening.
                    Als in de woning één of meer anderen hun hoofdverblijf hebben, wordt
                    verondersteld dat noodzakelijke kosten van het bestaan gedeeltelijk of geheel
                    gedeeld kunnen worden. Om deze reden kan een toeslag 20, 10 of 0 procent
                    bedragen. Dit is vastgelegd in artikel 3, lid 1, sub b en c. </al><al>Let wel: In artikel 25 van de WWB is vastgelegd dat kosten in ieder geval niet
                    geheel of gedeeltelijk gedeeld kunnen worden met thuisinwonende kinderen van 18
                    jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het
                    normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in
                    artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000.</al><al>Bij gehuwden of bij een gezamenlijke huishouding wordt ervan uitgegaan dat alle
                    kosten gedeeld kunnen worden. Bij twee in één woning samenwonenden, die géén
                    gezamenlijke huishouding vormen, kan dat niet worden gezegd. Dit vertaalt zich
                    in de toekenning van een toeslag van 10 procent op de basisnorm, eventueel voor
                    beide belanghebbenden. Echter, indien meer dan twee personen in één woning
                    samenwonen, ook al bestaat tussen twee daarvan geen gezamenlijke huishouding,
                    moet wel worden vastgesteld dat méér kosten kunnen worden gedeeld. Dit vertaalt
                    zich in een toeslag van 0 procent. Toekenning van een toeslag aan elke
                    afzonderlijke belanghebbende zou een onevenredig voordeel ten opzichte van de
                    norm voor gehuwden betekenen, zeker omdat ook bij de norm voor gehuwden ook nog
                    kortingen vanwege kostendeling toegepast kunnen worden. </al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Om te voorkomen dat huishoudens, bestaande uit echtparen of daarmee
                    gelijkgestelden met inwonende kinderen met een WWB-uitkering in vergelijking met
                    alleenstaande (ouders) met inwonende kinderen met een WWB-uitkering onevenredig
                    zouden worden behandeld (het hanteren van het daadwerkelijk aantal inwonenden
                    zou binnen het huishouden dan leiden tot een gelijke hoogte van de gezamenlijke
                    uitkeringen bij echtparen en alleenstaande ouders) is bepaald dat echtparen en
                    daarmee gelijkgestelden voor het vaststellen van de hoogte van de toeslag moeten
                    worden beschouwd als één ander. </al><tussenkop>Lid 3</tussenkop><al>Op grond van artikel 29 lid 1 WWB kan het college de toeslag voor een
                    alleenstaande van 21 of 22 jaar afwijkend vaststellen in verband met de hoogte
                    van het wettelijk minimumloon voor deze leeftijdscategorie, teneinde
                    werkaanvaarding niet te ontmoedigen. Om deze reden is wordt de toeslag voor een
                    zelfstandig wonende van 21 of 22 jaar afwijkend vastgesteld, te weten op 10
                    procent bij het niet kunnen delen van kosten met anderen, 5% procent bij het
                    kunnen delen van kosten met één ander en 0 procent bij het kunnen delen van
                    kosten met meer dan één ander. </al><tussenkop>Lid 4</tussenkop><al>Voor inwonenden van 21 en 22 jaar is in deze verordening er voor gekozen om de
                    toeslag te allen tijde vast te stellen op 0 procent. De reden hiervoor is de
                    combinatie van uitgebreidere mogelijkheden tot kostendeling in vergelijking met
                    zelfstandig wonende alleenstaanden van 21 en 22 jaar én de hoogte van het
                    wettelijk minimumloon voor deze groepen. De verwachting is dat deze groep
                    hiermee voldoende gestimuleerd wordt om werk te aanvaarden. </al><al>Tevens wordt hiermee bereikt dat het bijstandsniveau nauwelijks hoger is dan het
                    normbedrag voor levensonderhoud voor hoger onderwijs uit de studiefinanciering.
                    Het is namelijk onwenselijk dat deze groep door het beëindigen van de studie en
                    het instromen in de bijstand een behoorlijk hoger inkomen krijgt. </al><al>Overigens mag er vanuit worden gegaan dat het nieuwe artikel 13 WWB er voor zal
                    zorgen dat weinig mensen van 18 tot 27 jaar nog in de bijstand zullen instromen,
                    omdat deze groep als er nog scholingsmogelijkheden zijn, niet tot de WWB wordt
                    toegelaten.</al><tussenkop>Lid 5</tussenkop><al>In het vijfde lid is geregeld dat zowel zorgbehoevenden (sub a) als verzorgers
                    (sub b) niet worden meegeteld als personen waarmee kosten gedeeld kunnen worden.
                    Uitgangspunt daarbij is dat het niet wenselijk is om belanghebbende vanwege deze
                    verzorgingstaken te confronteren met een lagere toeslag. Op basis van de
                    uitgangspunten van de WWB moet onder een zorgbehoevende worden verstaan een
                    hulphoevende die aanspraak zou kunnen maken op een plaats in een
                    AWBZ-instelling, maar daar om hem moverende redenen van af heeft gezien of op
                    een wachtlijst is geplaatst. Op basis van jurisprudentie CRvB moet daarnaast
                    onderzocht worden of een belanghebbende vanwege ziekte of een of meer
                    stoornissen van lichamelijke, verstandelijke of geestelijke aard blijvend niet
                    in staat is een eigen huishouding te voeren, daar hij is aangewezen op
                    intensieve zorg van anderen.</al><tussenkop>Artikel 4. Verlagen norm gehuwden</tussenkop><tussenkop>Lid 1</tussenkop><al>Op grond van artikel 26 WWB kan het college de gehuwdennorm verlagen indien
                    belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan
                    waarin de norm voorziet als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen
                    van deze kosten met een ander. Artikel 4 van deze verordening vormt het
                    spiegelbeeld van artikel 3 van deze verordening. </al><al>Ingeval in de woning van de gehuwden één of meer anderen hun hoofdverblijf
                    hebben, wordt verondersteld dat noodzakelijke kosten van het bestaan
                    gedeeltelijk of geheel gedeeld kunnen worden. Om deze reden kan de korting 10 of
                    20 procent bedragen. </al><al> Let wel: In artikel 26 van de WWB is vastgelegd dat kosten in ieder geval niet
                    geheel of gedeeltelijk gedeeld kunnen worden met thuisinwonende kinderen van 18
                    jaar of ouder die een in aanmerking te nemen inkomen hebben van ten hoogste het
                    normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in
                    artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000.</al><tussenkop>Lid 2</tussenkop><al>Ook hier is bepaald dat echtparen of daarmee gelijkgestelden voor het al dan
                    niet toepassen van een korting moeten worden beschouwd als één ander. </al><al><cursief>Lid 3</cursief> Artikel 4 lid 3 van deze verordening verwijst naar het
                    bepaalde in artikel 3 lid 3 van deze verordening. Verwezen wordt dan ook naar de
                    toelichting zoals opgenomen bij artikel 3 van deze verordening.</al><tussenkop>Artikel 5. Verlagen algemene bijstand wegens ontbreken
                    woonkosten</tussenkop><al>Op grond van artikel 27 WWB kan het college de norm voor een alleenstaande
                    (ouder) of gehuwden, of de toeslag voor een alleenstaande (ouder) lager
                    vaststellen indien een belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van
                    het bestaan heeft dan waarin de norm of de toeslag voorziet als gevolg van zijn
                    woonsituatie, waaronder begrepen het</al><al>niet aanhouden van een woning.</al><tussenkop>Geen woonkosten </tussenkop><al>In artikel 5 van deze verordening is bepaald dat de norm of toeslag wordt
                    verlaagd met het bedrag van maximaal de basishuur indien een woning wordt
                    bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. In artikel 1
                    van deze verordening is bepaald wat onder woonkosten moet worden verstaan:</al><lijst><li nr="-"><al>indien een huurwoning wordt bewoond, de per maand geldende huurprijs
                            zoals bedoeld in artikel 1 onderdeel d Wet op de huurtoeslag;</al></li><li nr="-"><al>indien een eigen woning wordt bewoond, de tot een bedrag per maand
                            omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning
                            verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben
                            van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden
                            vast te stellen bedrag voor onderhoud.</al></li></lijst><al>Door hier op deze manier mee om te gaan wordt bereikt dat, in analogie met
                    jurisprudentie, zo zuiver mogelijk wordt afgestemd op de feitelijke situatie.
                    Immers, het is zeer goed voorstelbaar dat er geen kosten van huur of kosten in
                    verband met hypotheek zijn, maar dat anderszins wel sprake is van andere
                    woonlasten. Van lagere bestaanskosten als gevolg van het ontbreken van
                    woonkosten kan sprake zijn:</al><lijst><li nr="-"><al>indien een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonlasten
                            betaalt van de woning.</al></li><li nr="-"><al>bij bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden,
                            bijvoorbeeld in het geval van krakers;</al></li><li nr="-"><al>bij het niet aanhouden van een woning.</al></li></lijst><al>Als een derde, bijvoorbeeld de ex-echtgenoot, de woonlasten van de door
                    belanghebbende bewoonde woning draagt, heeft het college de keuze om het aldus
                    verkregen woongenot aan te merken als inkomen in natura of de norm of toeslag te
                    verlagen op grond van artikel 27 WWB (zie ook TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p.
                    54-55).</al><al>Overigens kan het college, indien noch in het kader van artikel 27 WWB noch in
                    het kader van artikel 33, lid 1 WWB rekening wordt gehouden met de situatie
                    waarin een ander dan belanghebbende de woonkosten betaalt, de bijstand in
                    voorkomende gevallen lager vaststellen op grond van het
                    individualiseringsbeginsel van artikel 18, lid 1 WWB. </al><tussenkop>Artikel 6. Anti-cumulatiebepaling</tussenkop><al>De verlagingen in de Toeslagenverordening zien op verschillende omstandigheden
                    en kunnen elk afzonderlijk als redelijk worden aangemerkt. Zonder een
                    anti-cumulatiebepaling zou dat echter kunnen betekenen dat het college de
                    bijstandsnorm (vanwege de samenloop van verlagingen) dermate laag moet
                    vaststellen, dat feitelijk geen sprake meer is van een toereikende uitkering.
                    Het college zou de bijstand vervolgens op grond van het
                    individualiseringsbeginsel van artikel 18 lid 1 WWB hoger moeten vaststellen. Er
                    is voor gekozen reeds in de Toeslagenverordening een absoluut minimumbedrag vast
                    te leggen waarop het college de bijstandsnorm (norm inclusief eventuele toeslag
                    en verlagingen) tenminste moet vaststellen.</al><al>Het individualiseringsbeginsel kan echter met zich meebrengen dat bij samenloop
                    ook bij een resterende bijstandsnorm die boven de in dit artikel genoemde
                    percentages ligt, toch aanleiding bestaat om tot verhoging daarvan over te gaan,
                    gelet op alle omstandigheden van de belanghebbende.</al><al>Aan de verplichting van artikel 30 lid 2 onderdeel b WWB dat in de
                    Toeslagenverordening wordt vastgelegd dat de schoolverlatersverlaging (artikel
                    28 WWB) en de leeftijdsverlaging (artikel 29 WWB) niet gelijktijdig mogen worden
                    toegepast, wordt reeds voldaan door in de verordening geen gebruik te maken van
                    de bevoegdheid om de toeslag voor schoolverlaters lager vast te stellen. </al><tussenkop>Artikel 7. Uitvoering</tussenkop><al>Artikel 7 WWB schrijft voor dat de uitvoering van de wet berust bij het college
                    van burgemeester en wethouders. Zij kunnen deze bevoegdheid overeenkomstig
                    hetgeen hierover in de wet is geregeld vervolgens mandateren aan
                    ambtenaren.</al><al>Voorts heeft het college de bevoegdheid om in individuele gevallen af te wijken
                    van hetgeen in de verordening is vastgelegd. </al><tussenkop>Artikel 8. Overgangsregeling</tussenkop><al>Zoals te doen gebruikelijk wordt voor belanghebbenden, die er door deze
                    verordening in inkomen op achteruit gaan, een overgangsregeling gehanteerd. </al><tussenkop>Artikel 9. Inwerkingtreding </tussenkop><al>Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2013.</al><tussenkop>Artikel 10. Citeertitel</tussenkop><al>In dit artikel is de citeertitel neergelegd van deze verordening</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>