<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR23573_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Verordening bezwaarschriftencommissie Midden-Delfland 2005</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Midden-Delfland</dcterms:creator><dcterms:modified>2019-02-07</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Midden-Delfland</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Gemeenteblad, 2005, 01</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Verordening bezwaarschriftencommissie Midden-Delfland 2005</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Algemene wet bestuursrecht, art. 7:13</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>bestuur en recht</dcterms:subject><dcterms:issued>2005-05-31</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2005-06-10</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2019-02-15</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>2005-05-07 g</overheidrg:kenmerk><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>Geen</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Verordening bezwaarschriftencommissie Midden-Delfland 2005</intitule><regeling><aanhef><preambule><al>De raad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester van
                        de gemeente Midden-Delfland, ieder voor zover het hun bevoegdheden
                        betreft;</al><al>Gelezen het voorstel van de burgemeester en wethouders d.d. 24 mei 2005, nr.
                        2005-05-07 g;</al><al>Gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 7:13 van de Algemene wet
                        bestuursrecht;</al><al>BESLUIT:</al><al/><al>Vast te stellen de volgende Verordening bezwaarschriftencommissie
                        Midden-Delfland 2005</al></preambule></aanhef><regeling-tekst><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>I</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel>Begripsomschrijvingen</titel></kop><al>In deze verordening wordt verstaan onder:</al><lijst><li nr="a."><al>verwerend orgaan: bestuursorgaan dat het bestreden besluit heeft
                                genomen;</al></li><li nr="b."><al>commissie: vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften;</al></li><li nr="c."><al>wet: Algemene wet bestuursrecht;</al></li><li nr="d."><al>college: het college van burgemeester en wethouders.</al></li></lijst></artikel></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>II</nr><titel>Behandeling van bezwaar- en beroepschriften</titel></kop><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>1</nr><titel>De commissie</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>2</nr><titel>Inleidende bepaling</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Er is een commissie ter voorbereiding van de beslissing op bezwaren
                            tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die zijn
                            ingediend tegen besluiten op grond van:</al><lijst><li nr="a."><al>een wettelijk voorschrift inzake belastingen;</al></li><li nr="b."><al>de Wet waardering onroerende zaken;</al></li><li nr="c."><al>rechtspositie- en andere regelingen voor het gemeentelijk
                                    personeel.</al></li></lijst></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>3</nr><titel>Samenstelling van de commissie</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De commissie bestaat uit een voorzitter en ten minste twee leden.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter en de leden worden door het college benoemd, geschorst en
                            ontslagen.</al></lid><lid><lidnr>3.</lidnr><al>Het college benoemt overeenkomstig het eerste lid een aantal
                            plaatsvervangende leden.</al></lid><lid><lidnr>4.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie kan geen deel uitmaken van of werkzaam
                            zijn onder verantwoordelijkheid van een gemeentelijk
                            bestuursorgaan.</al></lid><lid><lidnr>5.</lidnr><al>De commissie regelt de vervanging van de voorzitter.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>4</nr><titel>Secretaris</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De secretaris van de commissie is een door het college aangewezen
                            ambtenaar.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het college wijst tevens een of meer plaatsvervangers van de secretaris
                            aan.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>5</nr><titel>Zittingsduur</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter en de leden van de commissie treden af op de dag van
                                het aftreden van de raad.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter en de leden van de commissie kunnen op elk moment
                                ontslag nemen.</al></li><li nr="3."><al>De aftredende voorzitter en de aftredende leden van de commissie
                                blijven hun functie vervullen totdat in de opvolging is
                                voorzien.</al></li></lijst></artikel></paragraaf><paragraaf><kop><label>Paragraaf</label><nr>2</nr><titel>Procedure</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>6</nr><titel>Ingediend bezwaarschrift</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst
                            aangetekend.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>Het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken wordt zo spoedig
                            mogelijk in handen van de commissie gesteld.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>7</nr><titel>Uitoefening bevoegdheden</titel></kop><al>De bevoegdheden ingevolge de hierna genoemde artikelen van de wet worden
                        voor de toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter van
                        de commissie:</al><lijst><li nr="-"><al>artikel 2:1, tweede lid;</al></li><li nr="-"><al>artikel 6:6, wat betreft het de indiener stellen van een
                                termijn;</al></li><li nr="-"><al>artikel 6:17, voorzover het de verzending van stukken betreft
                                tijdens de behandeling door de commissie;</al></li><li nr="-"><al>artikel 7:4, tweede lid;</al></li><li nr="-"><al>artikel 7:6, vierde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>8</nr><titel>Vooronderzoek</titel></kop><lid><lidnr>1.</lidnr><al>De voorzitter van de commissie is bevoegd rechtstreeks alle gewenste
                            inlichtingen in te winnen of te laten inwinnen.</al></lid><lid><lidnr>2.</lidnr><al>De voorzitter kan uit eigen beweging of op verlangen van de commissie
                            bij deskundigen advies of inlichtingen inwinnen en hen zo nodig
                            uitnodigen daartoe op de hoorzitting te verschijnen. Indien daaraan
                            kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging van het college
                            vereist.</al></lid></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>9</nr><titel>Hoorzitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter van de commissie bepaalt plaats en tijdstip van de
                                    zitting waarin de belanghebbenden en het verwerend orgaan in de
                                    gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te laten
                                    horen.</al></li><li nr="2."><al>De voorzitter beslist over de toepassing van artikel 7:3 van de
                                    wet.</al></li><li nr="3."><al>Indien de voorzitter op grond van het tweede lid besluit af te
                                    zien van het horen, doet hij daarvan mededeling aan de
                                    belanghebbenden en het verwerend orgaan.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>10</nr><titel>Uitnodiging zitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De voorzitter nodigt de belanghebbenden en het verwerend orgaan
                                    ten minste twee weken voor de zitting schriftelijk uit.</al></li><li nr="2."><al>Binnen drie dagen na de uitnodiging kunnen de belanghebbenden of
                                    het verwerend orgaan onder opgaaf van redenen de voorzitter
                                    verzoeken het tijdstip van de zitting te wijzigen.</al></li><li nr="3."><al>De beslissing van de voorzitter op dit verzoek wordt uiterlijk
                                    één week voor het tijdstip van de zitting aan de belanghebbenden
                                    en het verwerend orgaan meegedeeld.</al></li><li nr="4."><al>De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te
                                    wijken of afwijking toe te staan van de termijnen die genoemd
                                    zijn in het eerste tot en met het derde lid.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel 11 Quorum</label></kop><al>Voor het houden van een zitting is vereist dat de meerderheid van het
                            aantal leden, onder wie in elk geval de voorzitter, of zijn
                            plaatsvervanger, aanwezig is.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>12</nr><titel>Niet-deelneming aan de behandeling</titel></kop><al>De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de
                            behandeling van een bezwaarschrift indien daarbij hun onpartijdigheid in
                            het geding kan zijn.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>13</nr><titel>Openbaarheid zitting</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De zitting van de commissie is openbaar.</al></li><li nr="2."><al>De deuren kunnen worden gesloten indien de voorzitter van de
                                    commissie of een van de aanwezige leden het nodig oordeelt of
                                    indien een belanghebbende daartoe een verzoek doet.</al></li><li nr="3."><al>Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen
                                    aanwezig zijn die zich tegen openbaarheid van de zitting
                                    verzetten, vindt de zitting plaats met gesloten deuren.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>14</nr><titel>Schriftelijke verslaglegging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 van de wet vermeldt de
                                    namen van de aanwezigen en hun hoedanigheid.</al></li><li nr="2."><al>Het verslag houdt een zakelijke vermelding in van wat over en
                                    weer is gezegd en wat verder ter zitting is voorgevallen.</al></li><li nr="3."><al>Indien de zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren
                                    plaatsvond, of indien belanghebbenden, respectievelijk hun
                                    gemachtigden niet in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord,
                                    maakt het verslag hiervan melding.</al></li><li nr="4."><al>Het verslag verwijst naar de op de zitting overgelegde
                                    bescheiden, die aan het verslag kunnen worden gehecht.</al></li><li nr="5."><al>Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de
                                    secretaris van de commissie.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>15</nr><titel>Nader onderzoek</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Indien na afloop van de zitting maar voordat het advies wordt
                                    opgesteld, nader onderzoek wenselijk blijkt te zijn, kan de
                                    voorzitter uit eigen beweging of op verlangen van de andere
                                    commissieleden dit onderzoek houden.</al></li><li nr="2."><al>De uit het nader onderzoek verkregen informatie wordt in
                                    afschrift aan de leden van de commissie, het verwerend orgaan en
                                    de belanghebbenden toegezonden.</al></li><li nr="3."><al>De leden van de commissie, het verwerend orgaan en de
                                    belanghebbenden kunnen binnen een week na verzending van de
                                    nadere informatie aan de voorzitter van de commissie een verzoek
                                    richten tot het beleggen van een nieuwe hoorzitting. De
                                    voorzitter beslist op zo'n verzoek.</al></li><li nr="4."><al>Op een nieuwe hoorzitting zijn de bepalingen in deze verordening
                                    die betrekking hebben op de hoorzitting, zo veel mogelijk van
                                    overeenkomstige toepassing.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>16</nr><titel>Raadkamer en advies</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>De commissie beraadslaagt en beslist achter gesloten deuren over
                                    het door haar uit te brengen advies.</al></li><li nr="2."><al>a. De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit
                                    te brengen advies.</al><lijst><li nr="b."><al>Indien bij een stemming de stemmen staken, beslist de
                                            stem van de voorzitter.</al></li><li nr="c."><al>Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies
                                            melding gemaakt indien die minderheid dat verlangt.</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel voor de te nemen
                                    beslissing op het bezwaarschrift.</al></li><li nr="4."><al>Het advies wordt door de voorzitter en de secretaris van de
                                    commissie ondertekend.</al></li></lijst></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>17</nr><titel>Uitbrengen advies en verdaging</titel></kop><lijst><li nr="1."><al>Het advies wordt, onder medezending van het verslag als bedoeld
                                    in artikel 14 en eventueel door de commissie ontvangen nadere
                                    informatie en nader verslag, tijdig uitgebracht aan het
                                    bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te
                                    beslissen.</al></li><li nr="2."><al>Indien naar het oordeel van de voorzitter van de commissie de
                                    termijn van 10 weken, als bedoeld in artikel 7:10, eerste lid,
                                    van de wet, ontoereikend is voor achtereenvolgens het uitbrengen
                                    van een advies en het nemen van een beslissing, verzoekt hij het
                                    verwerend orgaan tijdig de beslissing te verdagen.</al></li><li nr="3."><al>Van een besluit tot verdaging ontvangen de commissie en de
                                    belanghebbenden een afschrift.</al></li></lijst></artikel></paragraaf></hoofdstuk><hoofdstuk><kop><label>Hoofdstuk</label><nr>III</nr><titel>Slotbepalingen</titel></kop><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>18</nr><titel>Vervallen oude regeling</titel></kop><al>De Verordening bezwaarschriftencommissie, vastgesteld op 29 oktober 2002
                            door de raad, het college van burgemeester en wethouders en de
                            burgemeester van de voormalige gemeente Schipluiden vervalt.</al></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>19</nr><titel>Inwerkingtreding</titel></kop><al>Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na de datum van
                            bekendmaking.</al><al/></artikel><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>20</nr><titel>Citeertitel</titel></kop><al>Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening bezwaarschriftencommissie
                        Midden-Delfland 2005. </al></artikel></hoofdstuk></regeling-tekst><regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering><ondertekening>Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 31 mei 2005</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening><ondertekening>A.de Vos, A.J. Rodenburg</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Aldus besloten door het college d.d. 31 mei 2005</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De secretaris, De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>P.T. Veenman, A.J. Rodenburg</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>Aldus besloten d.d. 31 mei 2005</ondertekening><ondertekening/><ondertekening>De burgemeester,</ondertekening><ondertekening>A.J. Rodenburg</ondertekening></regeling-sluiting><nota-toelichting><tussenkop><vet><cursief>Artikelsgewijze toelichting op de Verordening commissie
                            bezwaarschriften</cursief></vet></tussenkop><al/><al>In de aanhef van de regelgeving is bepaald dat de bestuursorganen van de
                    gemeente, de raad, het college en de burgemeester, ieder voorzover het hun
                    bevoegdheden betreft, besluiten de verordening vast te stellen. Duidelijk is dat
                    de raad de verordende bevoegdheid heeft. Het college en de burgemeester hebben
                    deze bevoegdheid niet, maar nemen hiermee het besluit tot instellen van de
                    commissie bezwaarschriften. Op deze manier is het mogelijk dat de
                    bestuursorganen samen een en dezelfde commissie instellen om te adviseren op
                    bezwaren tegen besluiten van de raad, het college en de burgemeester. De
                    ondertekening gebeurt eveneens door de drie bestuursorganen.</al><tussenkop>Artikel 1 Begripsomschrijvingen</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 2 Inleidende bepalingen</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 3 Samenstelling van de commissie</tussenkop><al>Het eerste lid verwijst naar de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 7:13
                    Awb.</al><al>Door de bepaling in het tweede lid delegeert de raad de benoeming van
                    commissieleden aan het college.</al><tussenkop>Artikel 4 Secretaris</tussenkop><al>Hoewel in de Awb nergens over een secretaris wordt gesproken, is het
                    gebruikelijk dat een commissie beschikt over een secretaris ter ondersteuning
                    van de werkzaamheden.</al><tussenkop>Artikel 5 Zittingsduur</tussenkop><al>Deze bepaling kan eventueel worden aangevuld met een lid waarin tot uitdrukking
                    wordt gebracht dat leden van een commissie die daarin zijn benoemd in verband
                    met een bepaalde hoedanigheid, aftreden indien zij deze hoedanigheid verliezen.
                    Uiteraard is het mogelijk voor een ander moment van aftreden te kiezen dan
                    bedoeld in het eerste lid.</al><al>Een lid kan bij zijn ontslag zelf het tijdstip van dat ontslag bepalen. Het kan
                    ook een later tijdstip kiezen om zodoende eventueel nog bij de afhandeling van
                    lopende zaken betrokken te kunnen zijn. De bepaling van het derde lid is van
                    orde. Een ontslagnemend lid kan niet gedwongen worden ook feitelijk de functie
                    te blijven vervullen.</al><tussenkop>Artikel 6 Ingediend bezwaarschrift</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>In de Awb wordt uitgebreid aandacht geschonken aan de wijze waarop een
                    bezwaarschrift ingediend moet worden en de daarmee samenhangende
                    ontvankelijkheidsvragen. Hieronder wordt beknopt aangegeven welke onderwerpen in
                    de Awb aan de orde komen:</al><lijst><li nr="1."><al>Vereisten te stellen aan het bezwaarschrift (artikel 6:5).</al></li><li nr="2."><al>De indieningstermijn (artikel 6:7 tot en met 6:12):</al><lijst><li nr="a."><al>De indieningstermijn bedraagt zes weken (artikel 6:7).</al></li><li nr="b."><al>De indieningstermijn vangt aan met ingang van de dag na die
                                    waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt
                                    (artikel 6:8).</al></li><li nr="c."><al>De ontvangsttheorie (artikel 6:9, eerste lid) of een combinatie
                                    van de verzend- en ontvangsttheorie is van toepassing (artikel
                                    6:9, tweede lid).</al></li><li nr="d."><al>Regeling voor de ontvankelijkheid van te vroeg of te laat
                                    ingediende bezwaarschriften (artikel 6:10 en 6:11).</al></li><li nr="e."><al>Bezwaar dat gericht is tegen het niet-tijdig nemen van een
                                    besluit, is niet aan een termijn gebonden (artikel 6:12).</al></li></lijst></li><li nr="3."><al>De procedure na ontvangst van een bezwaarschrift (artikel 6:14 tot en
                            met 6:15):</al><lijst><li nr="a."><al>Schriftelijk bevestigen van de ontvangst door het orgaan waarbij
                                    het bezwaarschrift is ingediend. Hierbij kan worden vermeld dat
                                    een commissie over het bezwaar zal adviseren. Dit kan ook in een
                                    later stadium: zie ook de opmerkingen in paragraaf 3 onder
                                    ambtelijke commissie (artikel 6:14).</al></li><li nr="b."><al>Doorzendplicht (artikel 6:15).</al></li></lijst></li></lijst><tussenkop>Artikel 7 Uitoefening bevoegdheden</tussenkop><al>Ingevolge artikel 7:13 Awb beslist de commissie over onder andere de toepassing
                    van artikel 7:4, zesde lid, en 7:5, tweede lid. Dit uitdrukkelijke voorschrift
                    maakt het niet mogelijk dat deze bevoegdheid door de voorzitter (of een ander
                    lid) van de commissie wordt uitgeoefend. De hiervoor aangehaalde bepalingen zijn
                    in dit artikel dan ook niet genoemd.</al><al>De in dit artikel aangehaalde artikelen of artikelleden van de Awb luiden als
                    volgt.</al><tussenkop><cursief><onderstreept>Artikel 2:1, tweede
                            lid</onderstreept></cursief></tussenkop><al>Een bestuursorgaan kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging
                    verlangen.</al><tussenkop><cursief><onderstreept>Toelichting:</onderstreept></cursief></tussenkop><al>Deze bepaling is facultatief geformuleerd: de voorzitter is dan ook vrij al dan
                    niet van deze bevoegdheid gebruik te maken.</al><tussenkop><cursief><onderstreept>Artikel
                        6:6</onderstreept></cursief></tussenkop><al>Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld
                    vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, kan dit
                    niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad
                    het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.</al><tussenkop><cursief><onderstreept>Toelichting:</onderstreept></cursief></tussenkop><al>De termijn waarbinnen het verzuim dient te worden hersteld, wordt vastgesteld
                    door de voorzitter. Er is van afgezien in de verordening een vaste termijn
                    daarvoor op te nemen omdat het niet goed mogelijk is in algemene zin voor alle
                    gevallen aan te geven hoe lang deze termijn zou moeten zijn. Uitgangspunt is wel
                    dat er sprake moet zijn van een redelijke termijn (in de meeste gevallen kan met
                    een termijn van twee weken na het einde van de bezwaartermijn worden volstaan).
                    Enerzijds moet de indiener een reële mogelijkheid worden geboden het
                    geconstateerde verzuim te herstellen; anderzijds moet het niet zo zijn dat door
                    een langere termijn de procedure wordt vertraagd. </al><al>Ten slotte wordt hier gewezen op artikel 7:10 van de Awb waarin voorschriften
                    zijn opgenomen voor de termijn waarbinnen op een ingediend bezwaarschrift dient
                    te worden beslist. De beslistermijn wordt namelijk opgeschort met ingang van de
                    dag waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 Awb te
                    herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde
                    termijn ongebruikt is verstreken.</al><tussenkop><onderstreept><cursief>Artikel
                        6:17</cursief></onderstreept></tussenkop><al>Indien iemand zich laat vertegenwoordigen, zendt het orgaan dat bevoegd is op
                    het bezwaar te beslissen, de op de zaak betrekking hebbende stukken in elk geval
                    aan de gemachtigde.</al><tussenkop><cursief><onderstreept>Toelichting:</onderstreept></cursief></tussenkop><al>Deze bepaling spreekt voor zich. </al><tussenkop><cursief><onderstreept>Artikel 7:4, tweede
                            lid</onderstreept></cursief></tussenkop><al>Het bestuursorgaan legt het bezwaarschrift en alle verder op de zaak betrekking
                    hebbende stukken voorafgaand aan het horen gedurende ten minste één week voor
                    belanghebbenden ter inzage.</al><tussenkop><cursief><onderstreept>Toelichting:</onderstreept></cursief></tussenkop><al>Het inzagerecht is als een van de fundamentele waarborgen voor een goed
                    verlopende bezwaarschriftprocedure te beschouwen. Het maakt het principe van
                    hoor en wederhoor mogelijk. Het is gekoppeld aan de hoorzitting: wordt er niet
                    gehoord, dan is er ook geen sprake van een verplichte ter-inzage-legging.</al><tussenkop><cursief><onderstreept>Artikel 7:6, vierde
                            lid</onderstreept></cursief></tussenkop><al>Het bestuursorgaan kan, al dan niet op verzoek van een belanghebbende,
                    toepassing van het derde lid achterwege laten, voorzover geheimhouding om
                    gewichtige redenen is geboden [...].</al><tussenkop>Artikel 8 Vooronderzoek</tussenkop><al>Het spreekt voor zich dat de voorzitter van de commissie er zorg voor dient te
                    dragen dat al het noodzakelijke wordt gedaan om de behandeling van het
                    bezwaarschrift genoegzaam voor te bereiden. Dat geldt zowel intern bij de
                    gemeente - hij krijgt de bevoegdheid alle gewenste inlichtingen in te winnen -
                    als extern. Zo moet het mogelijk zijn om met de klager in contact te treden om
                    nadere informatie in te winnen of bijvoorbeeld hem bij kennelijke
                    niet-ontvankelijkheid in overweging te geven het bezwaarschrift in te
                    trekken.</al><al>De activiteiten van de commissie of haar voorzitter bij de voorbereiding van de
                    te behandelen zaken kunnen kosten meebrengen. Daarbij vallen gewone en
                    bijzondere kosten te onderscheiden. Bij gewone kosten valt te denken aan
                    bijvoorbeeld de vergoedingen voor de leden. Het inschakelen van externe
                    deskundigen zal bijzondere kosten meebrengen. Deze kosten komen ten laste van de
                    gemeentebegroting. Normaal gesproken is er in de begroting voorzien in de
                    normale kosten van een commissie. Dat kan anders liggen als het om bijzondere
                    kosten gaat.</al><al>Aangezien het college belast is met de uitvoering van de begroting, ligt het
                    voor de hand dat bijzondere kosten niet gemaakt worden voordat dat college de
                    gelegenheid heeft gehad dit te toetsen aan een begrotingspost. Om deze reden is
                    in deze bepaling voor de kosten voor getuigen of deskundigen een machtiging
                    vooraf geïntroduceerd. Uiteraard mag het niet zo zijn dat het college door zo'n
                    toetsing het werk van de commissie frustreert en haar onafhankelijke positie
                    daardoor aantast.</al><al>In dit verband verdient ook artikel 3:7 Awb aandacht. Daarin is bepaald dat het
                    bestuursorgaan waaraan advies wordt uitgebracht, al dan niet op verzoek, de
                    gegevens ter beschikking stelt aan de adviseur die nodig zijn voor een goede
                    vervulling van diens taak.</al><al>Uit de hier gebezigde formulering volgt dat het ter beoordeling van het
                    bestuursorgaan blijft welke gegevens dat zullen zijn. Uit de aard van het advies
                    van de commissie vloeit evenwel voort dat dit alle op de zaak betrekking
                    hebbende gegevens zullen zijn. De commissie zal immers geen afgewogen oordeel
                    kunnen uitbrengen indien gegevens worden achtergehouden.</al><tussenkop>Artikel 9 Hoorzitting</tussenkop><al>Voor het bepaalde in het eerste lid: zie de toelichting op artikel 10 van deze
                    verordening.</al><al>Artikel 7:3 van de Awb geeft aan in welke gevallen van het horen van
                    belanghebbenden kan worden afgezien. Voor een ingediend bezwaarschrift is dat
                    indien:</al><lijst><li nr="a."><al>het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is;</al></li><li nr="b."><al>het bezwaar kennelijk ongegrond is;</al></li><li nr="c."><al>de belanghebbenden verklaard hebben geen gebruik te willen maken van het
                            recht te worden gehoord, of</al></li><li nr="d."><al>aan het bezwaar volledig tegemoet wordt gekomen en andere
                            belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden
                            geschaad.</al></li></lijst><tussenkop>Artikel 10 Uitnodiging zitting</tussenkop><al>Ingevolge het eerste lid van deze bepaling wordt ook het verwerend orgaan
                    uitgenodigd voor de zitting. Het is van groot belang dat dit orgaan zich ook ter
                    zitting laat vertegenwoordigen. Daarmee kan worden voorkomen dat er, vanwege de
                    inbreng van bezwaarmaker, een eenzijdig beeld ontstaat. Voorts is het voor een
                    externe commissie van groot belang om van bestuurlijke zijde te vernemen hoe een
                    beslissing tot stand is gekomen. Anders kan het voor de commissie moeilijk
                    worden om een goede afweging te maken.</al><tussenkop>Artikel 11 Quorum</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><al>Er is geen wettelijk bezwaar tegen het horen in het kader van de
                    bezwaarprocedure door de voorzitter en één lid van de adviescommissie, terwijl
                    advisering door de voltallige commissie heeft plaatsgevonden. </al><tussenkop>Artikel 12 Niet-deelneming aan de behandeling</tussenkop><al>Dit artikel behoeft geen toelichting. Zie ook artikel 2:4 Awb.</al><al>Ook al is de voorzitter formeel onafhankelijk, dan staat daarmee nog niet vast
                    dat automatisch ook op inhoudelijk vlak van niet-vooringenomenheid sprake is. </al><tussenkop>Artikel 13 Openbaarheid zitting</tussenkop><al>Ingevolge artikel 7:5, tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan, voorzover niet
                    bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, of het horen in het openbaar
                    plaatsvindt. In artikel 7:13, vierde lid Awb wordt deze bevoegdheid aan de
                    commissie toegekend.</al><al>In de onderhavige verordeningsbepaling is vastgelegd dat de hoorzitting in
                    principe in het openbaar plaatsvindt. Uitzondering op deze regel blijft
                    mogelijk, bijvoorbeeld indien bijzonder persoonlijke zaken van familiaire,
                    medische of financiële aard of andere zaken met een vertrouwelijk karakter aan
                    de orde komen.</al><al>De zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de commissie,
                    die ingevolge artikel 16 van de verordening achter gesloten deuren
                    plaatsheeft.</al><tussenkop>Artikel 14 Schriftelijke verslaglegging</tussenkop><al>Artikel 7:7 Awb vereist dat van het horen een verslag wordt gemaakt. De wijze
                    waarop en de inhoudelijk vereisten aan het verslag worden niet door de Awb
                    geregeld. Dit staat er overigens niet aan in de weg dat in de verordening een
                    vaste procedure wordt opgenomen.</al><al>Het bepaalde in het eerste lid hoeft niet zo ver te strekken dat van al het
                    aanwezige publiek naam en hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit het verslag
                    duidelijk moeten blijken wie namens welke partij aanwezig was en wat door hen
                    naar voren is gebracht.</al><al>Gezien de betekenis van de hoorzitting in het kader van de besluitvorming in de
                    bezwaarfase, ligt het voor de hand (hoewel niet voorgeschreven in de Awb) dat
                    het verslag van de zitting uiterlijk gelijktijdig met de beslissing op het
                    bezwaar aan belanghebbende wordt toegezonden. Ook is het mogelijk het verslag
                    van de hoorzitting vóór het nemen van het bestreden besluit aan de
                    belanghebbenden te zenden. Hierdoor krijgen belanghebbenden de gelegenheid te
                    reageren indien het verslag een onjuiste weergave bevat van de hoorzitting. Uit
                    oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding heeft dit vaak de voorkeur.</al><tussenkop>Artikel 15 Nader onderzoek</tussenkop><al>Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen die op
                    het moment van de zitting nog niet bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om
                    belanghebbenden en het verwerend orgaan opnieuw te horen. De onderhavige
                    bepaling voorziet in de mogelijkheid de commissie te verzoeken daartoe een
                    nieuwe zitting te houden. In artikel 7:9 Awb wordt bepaald dat indien het in het
                    hier bedoelde geval feiten of omstandigheden betreft die voor de op bezwaar te
                    nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden
                    wordt meegedeeld en dat zij opnieuw in de gelegenheid worden gesteld te worden
                    gehoord (rechtsbeginsel hoor en wederhoor). Is de nieuwe informatie niet van
                    aanmerkelijk belang dan kan er voor gekozen worden om de belanghebbenden in de
                    gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren. </al><tussenkop>Artikel 16 Raadkamer en advies</tussenkop><al>Zie ook de toelichting bij artikel 13. De hoorzitting is in principe openbaar;
                    de hier bedoelde beraadslaging vindt achter gesloten deuren plaats.</al><al>Het tweede lid, onder b, is opgenomen voor die gevallen waarin het
                    vergaderquorum wel aanwezig is, maar de commissie door afwezigheid van een of
                    meer leden dan wel hun plaatsvervangers (of als gevolg van de toepassing van
                    artikel 12) tijdens de besluitvorming uit een even aantal personen bestaat.</al><al>Het horen kan plaatsvinden door een niet-voltallige commissie (zie onder 11); de
                    advisering dient plaats te vinden door een commissie die voldoet aan de eisen
                    van artikel 7:13, eerste lid, onder a. Hoe het advies totstandkomt, is niet
                    voorgeschreven. </al><al>Advisering door de voorzitter en één lid van de hoorcommissie is in strijd met
                    artikel 7:13, eerste lid, onder a Awb (Raad van State, Afdeling
                    bestuursrechtspraak 19-10-98, JB 1998/257). Uit het derde lid van dit artikel
                    (mogelijkheid voor de commissie om het horen op te dragen aan de voorzitter of
                    een lid dat geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder
                    verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan) volgt niet dat de gehele advisering
                    kan worden opgedragen aan de voorzitter en één lid.</al><tussenkop>Artikel 17 Uitbrengen advies en verdaging</tussenkop><al>Volgens artikel 7:13, zesde lid Awb maakt in de bezwaarschriftprocedure het
                    verslag van de hoorzitting deel uit van het advies van de commissie en wordt het
                    schriftelijk uitgebracht.</al><al>De beslistermijn bedraagt ingevolge artikel 7:10 van de Awb 10 weken, behoudens
                    in het geval van opschorting of met gebruikmaking van de mogelijkheid van
                    verdaging. De onderhavige bepaling verlangt van de voorzitter van de commissie
                    dat indien hij voorziet dat de termijn als hiervoor bedoeld niet wordt gehaald,
                    hij tijdig het bestuursorgaan verzoekt de beslissing op het bezwaar te
                    verdagen.</al><al>Het besluit tot verdaging is een beschikking. Ingevolge artikel 7:14 Awb zijn
                    artikel 3:41 tot en met 3:45 Awb, die de wijze van bekendmaking en mededeling
                    van besluiten regelen, in dit geval niet van toepassing. Artikel 3:40 Awb is wel
                    van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een besluit niet in werking treedt
                    voordat het bekendgemaakt is. Het ligt voor de hand in verband hiermee ook
                    belanghebbenden een afschrift van het verdagingsbesluit toe te zenden.</al><tussenkop>Artikel 18 Vervallen oude regeling</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 19 Inwerkingtreding</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al><tussenkop>Artikel 20 Citeertitel</tussenkop><al>Dit artikel spreekt voor zich.</al></nota-toelichting></regeling></body></cvdr>