<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91-->
  
  
  
  
  
  
  
  
  <meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR234370_1</dcterms:identifier><dcterms:title>Bouwverordening 2013 gemeente Molenwaard</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Molenwaard</dcterms:creator><dcterms:modified>2017-04-11</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Molenwaard</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="http://www.gemeentemolenwaard.nl">Het Kontakt 17-01-2013</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Bouwverordening 2013 gemeente Molenwaard</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="">Gemeentewet, art. 149</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="">Wabo</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">gemeenteraad</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>volkshuisvesting en woningbouw</dcterms:subject><dcterms:issued>2013-01-15</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2013-01-18</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:terugwerkendekrachtDatum>2013-01-01</overheidrg:terugwerkendekrachtDatum><overheidrg:betreft>Nieuwe regeling</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>zaak nummer 28355</overheidrg:kenmerk><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Geen</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta>
  
  <body><intitule>
      BOUWVERORDENING 2013 Molenwaard
    </intitule>
    
    <regeling>
      <aanhef>
        <preambule>
          <al>De raad van de gemeente Molenwaard;</al>
          <al/>
          <al>Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 18 december
                        2012;</al>
          <al/>
          <al>Gelet op de bepalingen in de Gemeentewet en de Wabo</al>
          <al/>
          <al>Besluit vast te stellen de:</al>
          <al/>
          <al>
            <vet>BOUWVERORDENING 2013 gemeente Molenwaard</vet>
          </al>
        </preambule>
      </aanhef>
      <regeling-tekst>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>Inleidende bepalingen</titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen </titel>
            </kop>
            <al>1 In deze verordening wordt verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>Bevoegd gezag: bestuursorgaan, als bedoeld in de Woningwet,
                                    artikel 1, eerste lid, onderdeel e, dan wel, bij het ontbreken
                                    van een bestuursorgaan als bedoeld in dit artikellid,
                                    burgemeester en wethouders;</al></li>
              <li nr="-"><al>bouwbesluit: de algemene maatregel van bestuur als bedoeld in
                                    artikel 2 van de Woningwet;</al></li>
              <li nr="-"><al>bouwtoezicht: degene die ingevolge artikel 92, tweede lid, van
                                    de Woningwet in samenhang met artikel 5.10 van de Wet algemene
                                    bepalingen omgevingsrecht belast is met het bouw- en
                                    woningtoezicht;</al></li>
              <li nr="-"><al>bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen,
                                    metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming
                                    hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij
                                    direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter
                                    plaatse te functioneren;</al></li>
              <li nr="-"><al>hechtgebonden asbest: hetgeen daaronder wordt verstaan in
                                    artikel 1, letter e, van het Asbestverwijderingsbesluit;</al></li>
              <li nr="-"><al>NEN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                    uitgegeven norm;</al></li>
              <li nr="-"><al>NVN: een door de Stichting Nederlands Normalisatie-Instituut
                                    uitgegeven voornorm;</al></li>
              <li nr="-"><al>Omgevingsvergunning voor het bouwen: vergunning voor een
                                    bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a,
                                    van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;</al></li>
              <li nr="-"><al>straatpeil:</al><al> a voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg
                                    grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die
                                    hoofdtoegang;</al><al> b voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de
                                    weg grenst de hoogte van het terrein ter plaatse van die
                                    hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;</al></li>
              <li nr="-"><al>weg: alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande
                                    wegen of paden daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en
                                    duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten,
                                    alsmede de aan de wegen liggende en als zodanig aangeduide
                                    parkeerterreinen.</al></li>
            </lijst>
            <al>2 In deze verordening wordt mede verstaan onder:</al>
            <lijst>
              <li nr="-"><al>bouwwerk: een gedeelte van een bouwwerk;</al></li>
              <li nr="-"><al>gebouw: een gedeelte van een gebouw.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.2 Termijnen (vervallen) </titel>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 1.3 Indeling van het gebied van de gemeente </titel>
            </kop>
            <al>1 Voor de toepassing van deze verordening geldt als indeling van de
                            gemeente:</al>
            <al>a het gebied binnen de bebouwde kom;</al>
            <al>b het gebied buiten de bebouwde kom.</al>
            <al>2 Als gebied binnen de bebouwde kom geldt het gebied, dat op de bij deze
                            verordening behorende kaart als zodanig is aangegeven.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Hoofdstuk 2 Gegevens en bescheiden </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 2.1.1 Aanvraag bouwvergunning (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.1.2 In de aanvraag op te nemen gegevens (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.1.3 Aanvraag bouwvergunning (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.1.4 Gegevens met betrekking tot het coördineren van
                                vergunning </al>
              <al>
                <vet>aanvragen (vervallen)</vet>
              </al>
            </structuurtekst>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.1.5 Het onderzoek naar bodemverontreiniging
                                </titel>
              </kop>
              <al>1 Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid als bedoeld in
                                artikel 8, vierde lid, van de Woningwet bestaat uit:</al>
              <al>a de resultaten van een recent milieuhygiënisch bodemonderzoek
                                verricht volgens NEN 5740, uitgave 2009, in overeenstemming met het
                                onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1.</al>
              <al> b (vervallen).</al>
              <al> c Indien op basis van het vooronderzoek aanleiding bestaat te
                                veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels,
                                -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek
                                mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707, uitgave 2003.</al>
              <lijst>
                <li nr="2"><al> De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                        bedoeld in artikel 2.4, onder d van de Regeling
                                        omgevingsrecht geldt niet indien het bouwen betrekking heeft
                                        op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een
                                        bouwwerk als genoemd in het Besluit omgevingsrecht,
                                        artikelen 2 en 3 van bijlage II. Deze verwijzing geldt niet
                                        voor de hoogtebepalingen in het Besluit omgevingsrecht,
                                        artikelen 2 en 3 van bijlage II.</al></li>
                <li nr="3"><al>Het bevoegd gezag staat een geheel of gedeeltelijk afwijken
                                        van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport
                                        bedoeld in artikel 2.4, onder d, van de Regeling
                                        omgevingsrecht toe, indien voor toepassing van artikel 2.4.1
                                        bij het bevoegd gezag reeds bruikbare recente
                                        onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.</al></li>
                <li nr="4"><al>Het bevoegd gezag kan een gedeeltelijk afwijken van de
                                        plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport als
                                        bedoeld in artikel 2.5, onder d van de Regeling
                                        omgevingsrecht toestaan voor een bouwwerk met een beperkte
                                        instandhoudingtermijn, als bedoeld in artikel 2.23 Wet
                                        algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.16 van het
                                        Besluit omgevingsrecht, indien uit het in NEN 5725, uitgave
                                        2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en
                                        naar de bodemgesteldheid blijkt, dat de locatie onverdacht
                                        is dan wel de gerezen verdenkingen een volledig
                                        veldonderzoek volgens NEN 5740, uitgave 2009 niet
                                        rechtvaardigen.</al></li>
                <li nr="5"><al> Indien het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige
                                        bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te
                                        vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt
                                        begonnen.</al></li>
              </lijst>
              <al>Artikel 2.1.6 Overige gegevens en bescheiden behorende bij de
                                aanvraag om bouwvergunning (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.1.7 Bouwregistratie (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.1.8 Bijzondere bepalingen omtrent de aanvraag om
                                bouwvergunning woonwagens en standplaatsen (vervallen) </al>
              <al/>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning
                            </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 2.2.1 Ontvangst van de aanvraag (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.2.2 Samenloop met vrijstelling ruimtelijke ordening
                                (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.2.3 Bekendmaking van termijnen (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.2.4 In behandeling nemen en fasering
                                bouwvergunningverlening (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.2.5 In behandeling nemen en bodemonderzoek (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.2.6 Kennisgeving van rechtswege verleende bouwvergunning
                                (vervallen) </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Paragraaf 3 Welstandstoetsing </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 2.3.1 Welstandscriteria (vervallen) </al>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Hoofdstuk 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem
                            </titel>
            </kop>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.4.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem
                                </titel>
              </kop>
              <al>Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te
                                verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden
                                gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk:</al>
              <al>a waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen
                                verblijven;</al>
              <al>b voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is
                                vereist; en</al>
              <al>c 1 dat de grond raakt, of</al>
              <al>2 waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt
                                gehandhaafd.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.4.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen
                                </titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.4.1 en onverminderd het
                                bepaalde in artikel 2.4, onder d, van de Regeling omgevingsrecht,
                                kan het bevoegd gezag voorwaarden verbinden aan de
                                omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van
                                het in het de Regeling omgevingsrecht bedoelde onderzoeksrapport
                                en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel op grond
                                van het overeenkomstig het tweede lid van artikel 39 van de Wet
                                bodembescherming goedgekeurde saneringsplan bedoeld in artikel 39,
                                eerste lid, van die Wet van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt
                                is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden
                                alsnog geschikt kan worden gemaakt.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en
                                bereikbaarheidseisen </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 2.5.1 Richtlijnen voor de verlening van ontheffing van de
                                stedenbouwkundige bepalingen (vervallen) </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.2 Anti-cumulatiebepaling </titel>
              </kop>
              <al>Terrein dat voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het
                                bouwen in aanmerking moet worden genomen mag niet nog eens bij de
                                verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor een ander
                                bouwwerk in aanmerking worden genomen. </al>
              <al>Artikel 2.5.3 Bereikbaarheid van bouwwerken voor wegverkeer.
                                Brandblusvoorzieningen (vervallen </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.5.3A Brandweeringang (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.5.4 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
                                (vervallen) </al>
              <al/>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.5 Ligging van de voorgevelrooilijn </titel>
              </kop>
              <al>De voorgevelrooilijn is:</al>
              <al>a langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige
                                ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing:</al>
              <al>de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zoveel
                                mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de
                                bestaande bebouwing, een zoveel mogelijk gelijkmatig beloop van de
                                rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;</al>
              <al>b langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld
                                aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd:</al>
              <al>bij een wegbreedte van ten minste 10 meter, de lijn gelegen op 15
                                meter uit de as van de weg;</al>
              <al>bij een wegbreedte geringer dan 10 meter, de lijn gelegen op 10
                                meter uit de as van de weg.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.6 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn </titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.7 is het verboden een
                                bouwwerk, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.7 Toegelaten overschrijding van de
                                    voorgevelrooilijn </titel>
              </kop>
              <al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de voorgevelrooilijn is
                                niet van toepassing op:</al>
              <al>a onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                bedoeld in artikel 3, onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit
                                omgevingsrecht;</al>
              <al>b andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking veranderingen bedoeld in artikel 3,
                                onderdeel 7, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, te
                                weten:</al>
              <al>1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                rioolleidingen en rioolputten;</al>
              <al>2 stoepen, stoeptreden en toegangsbruggen, mits zij de grens van de
                                weg met niet meer dan 0,3 m overschrijden.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.8 Vergunningverlening in afwijking van het verbod
                                    tot overschrijding van de voorgevelrooilijn </titel>
              </kop>
              <al>1 In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van
                                de voorgevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor:</al>
              <al>a ondergrondse bouwwerken zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger gelegen is dan
                                het straatpeil;</al>
              <al>b bouwwerken, geen gebouw zijnde, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 9, 16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht,
                                die naar hun aard en bestemming op een voor de voorgevelrooilijn
                                gelegen erf toelaatbaar zijn;</al>
              <al>c laadperrons, stoepen en stoeptreden, die de grens van de weg
                                overschrijden;</al>
              <al>d erkers, serres en andere uitbouwen, alsmede balkons en galerijen,
                                die de voorgevelrooilijn met niet meer dan 1,50 m
                                overschrijden;</al>
              <al>e trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, alsmede andere luifels, dakoverstekken, uitspringende
                                schoorsteenwanden, reclametoestellen en draagconstructies voor
                                reclames dan bedoeld zijn in artikel 2.5.7;</al>
              <al>f overbouwingen ten dienste van de verbinding tussen twee
                                bouwwerken.</al>
              <al>g bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is met het
                                oog op de in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting bij
                                het karakter van de bestaande omgeving.</al>
              <al>2 Voor het bouwen boven een weg kan alleen afwijking worden
                                toegestaan, indien niet lager gebouwd wordt dan:</al>
              <al>4,20 m boven de hoogte van de rijweg, met inbegrip van een strook
                                van 0,50 m breedte ter weerszijden van die rijweg;</al>
              <al>2,20 m boven de hoogte van een ander deel van de weg; </al>
              <al>en dan nog voor zover de veiligheid van de gebruikers van de weg
                                niet in gevaar komt.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.9 Bouwen op de weg </titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van het verbod tot het bouwen op de weg kan het bevoegd
                                gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen voor:</al>
              <al>a gebouwen ten behoeve van een op het openbaar net aangesloten
                                nutsvoorziening, het telecommunicatieverkeer, het openbaar vervoer
                                of het wegverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 18,
                                sub a van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al>
              <al>b bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, alsmede straatmeubilair, anders dan bedoeld
                                in artikel 2, onderdeel 18, sub b, c en d, van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht;</al>
              <al>c vrijstaande winkel- of reclamevitrines;</al>
              <al>d reclametoestellen en draagconstructies voor reclame; </al>
              <al>e andere bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning
                                is vereist, die naar hun aard en bestemming op de weg toelaatbaar
                                zijn.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.10 Plaatsing van de voorgevel ten opzichte van de
                                    voorgevelrooilijn. Afschuining van straathoeken</titel>
              </kop>
              <al>1 Een naar de weg gekeerd gevelvlak van een gebouw moet in de
                                voorgevelrooilijn zijn geplaatst.</al>
              <al>2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing in:</al>
              <al>a de gevallen genoemd in artikel 2.5.7 en in die waarin de afwijking
                                genoemd in de artikelen 2.5.8 en 2.5.9 is verleend;</al>
              <al>b in de gevallen genoemd in artikel 2.5.13 en in die waarin de
                                afwijking genoemd in artikel 2.5.14 is verleend, voor zover het
                                bouwwerk geheel achter de achtergevelrooilijn is geplaatst;</al>
              <al>c in de gevallen, bedoeld in het derde lid.</al>
              <al>3 Indien van wegen die elkaar kruisen of van een weg die een knik
                                maakt van 90 graden of minder, de tegenover elkaar liggende
                                voorgevelrooilijnen zich in beide wegen of zich vóór en na de knik
                                op onderlinge tussenafstanden van minder dan 3 meter bevinden, moet
                                de bebouwing op de hoeken – over een hoogte op een dergelijke hoek
                                van niet meer dan 4,2 meter boven straatpeil – worden afgerond of
                                afgeschuind, met dien verstande dat de daardoor onbebouwd blijvende
                                oppervlakte niet groter dan 2 m2 behoeft te zijn. </al>
              <al>4 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid voor:</al>
              <al>a gebouwen behorende tot een complex van gebouwen;</al>
              <al>b gebouwen op handels- en industrieterreinen;</al>
              <al>c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al>
              <al>d bijgebouwen, anders dan de in artikel 2, onderdeel 3, of artikel
                                3, onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht
                                bedoelde gebouwen;</al>
              <al>e gebouwen ten dienste van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen, en de daarbij behorende woningen;</al>
              <al>f gedeelten van naar de weg gekeerde gevels;</al>
              <al>g gevallen, waarin de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                gebaat.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.11 Ligging achtergevelrooilijn </titel>
              </kop>
              <al>1 De achtergevelrooilijn is evenwijdig aan de voorgevelrooilijn en
                                bevindt zich:</al>
              <al>a in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen driehoekig,
                                vierhoekig of regelmatig veelhoekig bouwblok op een afstand van de
                                voorgevelrooilijn gelijk aan de helft van de straal van de
                                ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen, doch op geen
                                grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter. Indien meer
                                dan Eén ingeschreven cirkel binnen de voorgevelrooilijnen kan worden
                                beschreven, geldt de grootste;</al>
              <al>b in een aan alle zijden bebouwd of te bebouwen bouwblok van een
                                andere dan onder a genoemde vorm op zodanige afstand van de
                                voorgevelrooilijn, bepaald op de wijze als onder a bepaald, na
                                herleiding van de vorm van het bouwblok tot een of meer der onder a
                                genoemde vormen, voor zover zij op zich zelf of gezamenlijk de vorm
                                van het bouwblok het meest nabijkomen, doch op geen grotere afstand
                                van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al>
              <al>c in een slechts aan drie zijden bebouwd of te bebouwen rechthoekig
                                bouwblok, langs deze drie zijden op een afstand van de
                                voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar bevindende
                                bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op geen
                                grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al>
              <al>d in een slechts aan twee tegenover elkaar gelegen zijden bebouwd of
                                te bebouwen rechthoekig bouwblok, langs deze twee zijden op een
                                afstand van de voorgevelrooilijn gelijk aan 1/4 van de afstand
                                tussen de voorgevelrooilijnen van de beide zich tegenover elkaar
                                bevindende bebouwde of te bebouwen zijden van het bouwblok, doch op
                                geen grotere afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter;</al>
              <al>e in alle niet onder a tot en met d genoemde gevallen op een afstand
                                die wordt bepaald met inachtneming van de beginselen, welke zijn
                                neergelegd in a tot en met d van dit lid, doch op geen grotere
                                afstand van de voorgevelrooilijn dan 15 meter.</al>
              <al>2 Indien in een hoekbebouwing de elkaar snijdende
                                achtergevelrooilijnen een scherpe hoek vormen moeten de achterzijden
                                van die bebouwing – in het belang van de toetreding van daglicht –
                                over een afstand van ten minste 5 meter ter weerszijden van bedoeld
                                snijpunt ten minste 2 meter terugliggen ten opzichte van beide
                                achtergevelrooilijnen.</al>
              <al>3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het tweede lid, voor zover de aard, de indeling
                                en het gebruik van de gebouwen in de hoekbebouwing dit toelaten.
                            </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.12 Verbod tot bouwen met overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn </titel>
              </kop>
              <al>Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.13 is het verboden
                                bouwwerken, voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is
                                vereist, te bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.13 Toegelaten overschrijding van de
                                    achtergevelrooilijn </titel>
              </kop>
              <al>Het verbod tot bouwen met overschrijding van de achtergevelrooilijn
                                is niet van toepassing op:</al>
              <al>a buiten de bebouwde kom gelegen kassen en bouwwerken, geen gebouwen
                                zijnde, voor doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt
                                daaronder begrepen;</al>
              <al>b buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, indien de afstand tot de zijdelingse grens van het erf ten
                                minste 20 meter bedraagt;</al>
              <al>c onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als een aan- of uitbouw, voor het
                                bouwen waarvan op grond van artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3,
                                onderdeel 1 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht geen
                                vergunning is vereist;</al>
              <al>d onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen,
                                als bedoeld in de artikel 3, onderdeel 7 van bijlage II bij het
                                Besluit omgevingsrecht;</al>
              <al>e andere onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist, die bij het afzonderlijk realiseren
                                niet vallen onder de werking van artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht, te weten:</al>
              <al>1 ondergrondse uitsteeksels, zoals funderingsonderdelen,
                                rioolleidingen en rioolputten;</al>
              <al>2 terrassen, bordessen en bordestreden;</al>
              <al>f antennes, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel 15 en 17 van
                                bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.14 Vergunningverlening in afwijking van het
                                    verbod tot overschrijding van de achtergevelrooilijn </titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                achtergevelrooilijn kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning
                                voor het bouwen verlenen voor: </al>
              <al>a buiten de bebouwde kom gelegen gebouwen, geen kassen zijnde, voor
                                doeleinden van bodemcultuur en veeteelt, pluimveeteelt daaronder
                                begrepen, waarvan de afstand tot de zijdelingse grens van het erf
                                minder dan 20 meter bedraagt;</al>
              <al>b binnen de bebouwde kom gelegen kassen;</al>
              <al>c vrijstaande enkele of dubbele eengezinshuizen;</al>
              <al>d gebouwen op een terrein waarvan twee tegenover elkaar liggende
                                zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een openbaar water, aan een
                                weg en een spoorweg of aan een weg en een plantsoen en welk terrein
                                slechts aan één van die zijden mag worden bebouwd; </al>
              <al>e gebouwen op binnenterreinen, mits hiervan de bereikbaarheid, als
                                bedoeld in de artikelen 2.5.3 en 2.5.4, is verzekerd;</al>
              <al>f bijgebouwen, die niet vallen onder artikel 2, onderdeel 3, of
                                artikel 3, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit
                                omgevingsrecht;</al>
              <al>g gebouwen in een bouwstrook of bouwblok, geheel of overwegend
                                handels- of industrieterrein omvattend;</al>
              <al>h bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist;</al>
              <al>i ondergrondse bouwwerken, zoals kelders, kelderkoekoeken en
                                kelderingangen, mits de bovenzijde daarvan niet hoger is gelegen dan
                                de hoogte van het terrein ter plaatse bij voltooiing van de
                                bouw;</al>
              <al>j erkers en overige uitbouwen, anders dan de uitbouwen die vallen
                                onder artikel 2, onderdeel 3, of artikel 3, onderdeel 1, van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht;</al>
              <al>k trappenhuizen, buitentrappen en liftschachten, hijsinrichtingen en
                                stortbuizen, balkons en veranda’s, alsmede andere luifels, afdaken,
                                dakoverstekken, uitspringende schoorsteenwanden, terrassen en
                                bordessen dan bedoeld zijn in artikel 2.5.13;</al>
              <al>l bouwwerken aan of bij een monument – als bedoeld in de
                                Monumentenwet 1988 dan wel in de provinciale of gemeentelijke
                                monumentenverordening – voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de
                                in historisch-esthetisch opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen
                                bij het karakter van de bestaande omgeving.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.15 Erf bij woningen en woongebouwen </titel>
              </kop>
              <al>1 Bij een woning of woongebouw moet een erf aanwezig zijn dat ten
                                minste een strook grond omvat die:</al>
              <al>a over de volle breedte van het gebouw aansluit aan de achtergevel,
                                en</al>
              <al>b voor wat betreft het achter het gebouw gelegen deel dat is
                                begrepen tussen het verlengde van de zijgevels, een diepte heeft van
                                ten minste 5 meter.</al>
              <al>2 De maat genoemd in het eerste lid, moet worden gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn en vanuit het verst achterwaarts gelegen deel
                                van het gebouw. Daarbij moeten de onderdelen van dat gebouw, bedoeld
                                in artikel 2.5.13, en de balkons en veranda’s buiten beschouwing
                                blijven. </al>
              <al>3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in:</al>
              <al>a het eerste lid, wat de aanwezigheid van het erf betreft, indien de
                                gelijkstraats gelegen bouwlaag niet tot bewoning bestemd is;</al>
              <al>b het eerste lid, indien aan één van de volgende voorwaarden wordt
                                voldaan:</al>
              <al>1 een gunstige, andere indeling van het erf is aanwezig;</al>
              <al>2 het gebouw zal zijn gelegen op een terrein waarvan twee tegenover
                                elkaar liggende zijden grenzen aan wegen, aan een weg en een
                                openbaar water, aan een weg en een spoorweg of aan een weg en een
                                plantsoen, mits dat terrein slechts aan één van die zijden mag
                                worden bebouwd en tevens een erf van redelijke afmetingen tot stand
                                wordt gebracht;</al>
              <al>3 bij het vergroten van een gebouw dat niet aan de bepalingen voor
                                te bouwen woningen en woongebouwen van het Bouwbesluit voldoet,
                                wordt de bestaande toestand verbeterd.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.16 Erf bij overige gebouwen </titel>
              </kop>
              <al>1 Achter een gebouw, waarvan geen deel tot woning, anders dan als
                                dienstwoning is bestemd, moet een bij het gebouw behorend erf
                                aanwezig zijn ter diepte van ten minste 2 meter achter het verst
                                achterwaarts gelegen deel van het gebouw en over de volle breedte
                                daarvan.</al>
              <al>2 bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking van
                                het bepaalde in het eerste lid:</al>
              <al>a indien ligging en bestemming van het gebouw hiervoor geen beletsel
                                vormen;</al>
              <al>b indien, voor zover nodig, afwijking is toegestaan van het verbod
                                tot overschrijding van de achtergevelrooilijn.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.17 Ruimte tussen bouwwerken </titel>
              </kop>
              <al>1 De zijdelingse begrenzing van een bouwwerk moet ten opzichte van
                                de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat
                                bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen
                                tussenruimten ontstaan die:</al>
              <al>a vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1
                                meter breed zijn;</al>
              <al>b niet toegankelijk zijn.</al>
              <al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid
                                aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten
                                ruimte.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.18 Erf- en terreinafscheidingen </titel>
              </kop>
              <al>1 Erf- en terreinafscheidingen, anders dan bedoeld in artikel 2,
                                onderdeel 12 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zijn
                                niet toegelaten.</al>
              <al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid in het belang van het af te
                                scheiden erf of terrein.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.19 Bouwen nabij bovengrondse hoogspanningslijnen
                                    en ondergrondse hoofdtransportleidingen </titel>
              </kop>
              <al>1 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van voor
                                stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen
                                mogen zich geen delen bevinden van andere bouwwerken, voor het
                                bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist dan die welke deel
                                uitmaken van de hoogspanningslijn. Bij het bepalen van deze afstand
                                moet rekening worden gehouden met het uitzwaaien van de draden ten
                                gevolge van de wind. Onder hoogspanningslijn wordt in dit artikel
                                verstaan een lijn met een nominale elektrische spanning van 1.000
                                volt of meer.</al>
              <al>2 Binnen een strook van 6 meter ter weerszijden van een ondergrondse
                                hoofdtransportleiding mogen geen bouwwerken, voor het bouwen waarvan
                                een omgevingsvergunning is vereist worden gebouwd.</al>
              <al>3 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van:</al>
              <al>a het bepaalde in het eerste lid voor wat betreft de afstand van 6
                                meter, indien de elektrische spanning van de hoogspanningslijn
                                daarvoor geen bezwaar oplevert;</al>
              <al>b het bepaalde in het tweede lid voor wat betreft de afstand van 6
                                meter, indien daartegen met het oog op de veilige en ongestoorde
                                ligging van de leiding geen bezwaar bestaat. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.20 Toegelaten hoogte in de voorgevelrooilijn
                                </titel>
              </kop>
              <al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de voorgevelrooilijn
                                1 meter, vermeerderd met:</al>
              <al>a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg;</al>
              <al>b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen langs de desbetreffende weg.</al>
              <al>2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op
                                hoekbebouwing aan wegen, waarvan de afstand tussen de
                                voorgevelrooilijnen onderling verschilt, in welk geval aan de zijde
                                van de smalle weg tot de hoogte welke aan de brede weg is
                                toegelaten, mag worden gebouwd over een lengte van de hoek af gelijk
                                aan de afstand tussen de voorgevelrooilijn van de smalle weg, doch
                                over geen grotere lengte dan 15 meter.</al>
              <al>3 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                desbetreffende voorgevelrooilijn in het midden van de breedte van
                                het bouwwerk of de projectie daarvan op de voorgevelrooilijn.</al>
              <al>4 Indien aan de overzijde van de weg een voorgevelrooilijn ontbreekt
                                geldt ter bepaling van de grootste toegelaten hoogte, bedoeld in het
                                eerste lid, de dichtst bij gelegen tegenoverliggende rooilijn.</al>
              <al>Indien de tegenoverliggende rooilijn plaatselijk is onderbroken
                                geldt ter plaatse van die onderbreking de verst verwijderde van de
                                beide ter weerszijden van de onderbreking voorkomende
                                rooilijnen.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.21 Toegelaten hoogte in de achtergevelrooilijn
                                </titel>
              </kop>
              <al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 bedraagt de maximale
                                hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist in het vlak door de
                                achtergevelrooilijn 1 meter, vermeerderd met:</al>
              <al>a in de bebouwde kom éénmaal de afstand tot de tegenoverliggende
                                achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok;</al>
              <al>b buiten de bebouwde kom 0,75 maal de afstand tot de
                                tegenoverliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al>
              <al>2 De in het eerste lid bedoelde afstand wordt gemeten haaks op de
                                achtergevelrooilijn ter plaatse van het bouwwerk.</al>
              <al>Indien de te beschouwen achtergevelrooilijnen niet evenwijdig lopen,
                                wordt voor elke 5 meter breedte van de achterzijde van het bouwwerk
                                uitgegaan van de gemiddelde afstand tussen de
                                achtergevelrooilijnen.</al>
              <al>Indien een tegenoverliggende achtergevelrooilijn ontbreekt, wordt
                                gemeten tot de dichtstbijzijnde tegenover de achtergevelrooilijn
                                gelegen voorgevelrooilijn.</al>
              <al>3 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de maximale
                                hoogte van een bouwwerk in het vlak door de achtergevelrooilijn niet
                                meer bedragen dan de maximale hoogte in de aangrenzende 5 meter van
                                een aanliggende achtergevelrooilijn in hetzelfde bouwblok.</al>
              <al>4 Indien het terrein achter de achtergevelrooilijn lager dan
                                straatpeil ligt, moet de in het eerste lid bedoelde hoogte worden
                                verminderd met een maat, gelijk aan het verschil tussen het
                                straatpeil en het peil van het onderhavige terrein ter plaatse van
                                de achtertoegang bij voltooiing van de bouw. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.22 Toegelaten hoogte van zijgevels tegenover een
                                    achtergevelrooilijn </titel>
              </kop>
              <al>1 Indien op een kruising van wegen de achtergevels van de bebouwing,
                                gelegen aan de ene weg, doorgebouwd zijn tot aan de
                                voorgevelrooilijn van de andere weg en bovendien in die achtergevels
                                ramen aanwezig zijn, dan bedraagt – onverminderd het bepaalde in
                                artikel 2.5.24 – de maximale hoogte van de zijgevel van het eerste
                                bouwwerk aan laatstgenoemde weg nabij de hoek ten hoogste 1,5 maal
                                de afstand van deze zijgevel tot de achtergevelrooilijn die bij de
                                eerstgenoemde weg behoort. Deze afstand moet op dezelfde wijze
                                worden bepaald als beschreven is in artikel 2.5.21, tweede lid, voor
                                de bepaling van de afstand tussen twee achtergevelrooilijnen. </al>
              <al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, mits de zijgevel niet hoger is
                                dan de voorgevel. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.23 Toegelaten hoogte tussen voor- en
                                    achtergevelrooilijnen </titel>
              </kop>
              <al>1 Onverminderd het bepaalde in artikel 2.5.24 mag een bouwwerk, voor
                                het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist tussen de
                                voor- en de achtergevelrooilijn niet hoger reiken dan tot de vlakken
                                die de verticale vlakken door de voorgevelrooilijn en door de
                                achtergevelrooilijn snijden op de – krachtens de artikelen 2.5.20 en
                                2.5.21 – maximale bouwhoogte en die met het horizontale vlak een
                                hoek vormen van:</al>
              <al>a 45 graden in de bebouwde kom;</al>
              <al>b 37 graden buiten de bebouwde kom.</al>
              <al>2 Indien een bouwwerk nabij een kruising van wegen een zijgevel
                                heeft die gelegen is tegenover een achtergevelrooilijn in hetzelfde
                                bouwblok, mag dit bouwwerk bovendien niet hoger reiken dan tot het
                                vlak dat het verticale vlak door die zijgevel snijdt ter hoogte van
                                de – krachtens artikel 2.5.22 – maximale bouwhoogte en dat met het
                                horizontale vlak een hoek vormt van 56 graden. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.24 Grootste toegelaten hoogte van bouwwerken
                                </titel>
              </kop>
              <al>1 De hoogte van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist mag niet meer bedragen dan 15
                                meter.</al>
              <al>2 Indien het bouwwerk aan meer dan een weg grenst en deze wegen op
                                verschillende hoogten liggen, geldt de hoogte ten opzichte van de
                                laagst gelegen weg. </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.25 Hoogte van bouwwerken op niet aan een weg
                                    grenzende terreinen </titel>
              </kop>
              <al>1 De hoogte van een bouwwerk dat met een ingevolge artikel 2.5.3 of
                                artikel 2.5.14 toegestane afwijking wordt opgericht op een niet aan
                                een weg grenzend terrein, mag niet meer bedragen dan 2,70 meter met
                                dien verstande dat – uitgaande van een goothoogte van genoemde maat
                                – daarboven een zadeldak met hellingen van ten hoogste 45 graden
                                toegelaten is.</al>
              <al>2 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste lid, indien de aard en de ligging van
                                de omringende bebouwing hiervoor geen beletsel vormen.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.26 Wijze van meten van de hoogte van bouwwerken
                                </titel>
              </kop>
              <al>1 De hoogte van een bouwwerk of van een gevel of van een ander
                                buitenvlak van een bouwwerk moet worden gemeten ten opzichte van
                                straatpeil. </al>
              <al>2 De hoogte van gevels die geen horizontale beëindiging hebben, moet
                                worden bepaald door de oppervlakte te delen door de breedte.
                                Plaatselijke verhogingen, als bedoeld in artikel 2.5.27, onder d, en
                                artikel 2.5.28, onder h, i, j en k, moeten – voor zover zij de
                                maximale hoogte overschrijden – buiten beschouwing worden gelaten.
                            </al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.27 Toegelaten afwijkingen van de toegelaten
                                    bouwhoogte </titel>
              </kop>
              <al>Het bepaalde in artikel 2.5.20, eerste lid, artikel 2.5.21, eerste
                                en derde lid, artikel 2.5.22, eerste lid, artikel 2.5.23 en artikel
                                2.5.24 is niet van toepassing op:</al>
              <al>a onderdelen van een bouwwerk, voor het bouwen waarvan een
                                omgevingsvergunning is vereist die bij het afzonderlijk realiseren
                                opgevat zouden moeten worden als het aanbrengen van veranderingen
                                van niet-ingrijpende aard, als bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van
                                bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al>
              <al>b het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen van bouwwerken, anders
                                dan het aanbrengen van veranderingen, als bedoeld in artikel 3,
                                onderdeel 7 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al>
              <al>c topgevels in het verticale vlak, gaande door de voorgevelrooilijn
                                of de achtergevelrooilijn, mits zij niet breder zijn dan 6 meter en
                                mits de geveloppervlakte, over de breedte van de topgevel gemeten,
                                niet groter is dan het product van de breedte van de topgevel en de
                                maximale bouwhoogte ter plaatse;</al>
              <al>d plaatselijke verhogingen met geen grotere breedte dan 0,60
                                meter.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.28 Vergunningverlening in afwijking van het
                                    verbod tot overschrijding van de toegelaten bouwhoogte </titel>
              </kop>
              <al>In afwijking van het verbod tot het bouwen met overschrijding van de
                                toegelaten bouwhoogte als bedoeld in de artikelen 2.5.20, eerste
                                lid, 2.5.21, eerste en derde lid, 2.5.22, eerste lid, 2.5.23 en
                                2.5.24 kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning voor het bouwen
                                verlenen voor:</al>
              <al>a gebouwen voor openbaar nut, scholen, kerken, schouwburgen en
                                andere gebouwen bestemd voor het houden van bijeenkomsten en
                                vergaderingen;</al>
              <al>b gebouwen bestemd voor woon-, kantoor- of winkeldoeleinden, indien
                                de welstand bij het toestaan van de afwijking is gebaat;</al>
              <al>c gebouwen bestemd voor het uitoefenen van een bedrijf op een
                                handels- en industrieterrein;</al>
              <al>d agrarische bedrijfsgebouwen;</al>
              <al>e het geheel of gedeeltelijk veranderen of vergroten van een
                                bouwwerk, anders dan bedoeld in artikel 3, onderdeel 7 van bijlage
                                II bij het Besluit omgevingsrecht, en indien:</al>
              <al>1 de bestaande belendende gebouwen de maximale bouwhoogte
                                overschrijden en de welstand bij het toestaan van de afwijking is
                                gebaat;</al>
              <al>2 bij het overschrijden van bestaande uitwendige hoogteafmetingen
                                andere hoogteafmetingen kleiner worden dan de bestaande;</al>
              <al>f bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van het verkeer, de
                                waterhuishouding, de energievoorziening of het
                                telecommunicatieverkeer, anders dan bedoeld in artikel 2, onderdeel
                                16 en 18 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht;</al>
              <al>g topgevels, breder dan 6 meter en gevelverhogingen van soortgelijke
                                aard;</al>
              <al>h plaatselijke verhogingen met een grotere breedte dan 0,60
                                meter;</al>
              <al>i dakvensters, mits buitenwerks gemeten de breedte niet meer dan
                                1,75 meter, de hoogte niet meer dan 1,5 meter, de onderlinge afstand
                                niet minder dan 3 meter en de afstand tot de erfscheiding niet
                                minder dan 1,5 meter bedraagt. Deze laatste voorwaarde geldt niet
                                voor gekoppelde dakvensters, die tot verschillende gebouwen
                                behoren;</al>
              <al>j draagconstructies voor een reclame;</al>
              <al>k vrijstaande schoorstenen;</al>
              <al>l bouwwerken op een monument – als bedoeld in de Monumentenwet 1988
                                dan wel in de provinciale of gemeentelijke monumentenverordening –
                                voor zover zulks niet bezwaarlijk is om de in historisch-esthetisch
                                opzicht gewenste aansluiting te verkrijgen bij het karakter van de
                                bestaande omgeving.</al>
            </artikel>
            <artikel>
              <kop>
                <titel>Artikel 2.5.29 Vergunningverlening in afwijking van het
                                    verbod tot overschrijding van de rooilijnen en van de toegelaten
                                    bouwhoogte in geval van voorbereiding van nieuw ruimtelijk
                                    beleid </titel>
              </kop>
              <al>In andere gevallen dan bedoeld in de artikelen 2.5.8, 2.5.14 en
                                2.5.28, kan het bevoegd gezag afwijken van de verboden tot bouwen
                                met overschrijding van de voor- en van de achtergevelrooilijn, en
                                van het verbod tot bouwen met overschrijding van de maximale
                                bouwhoogte, indien:</al>
              <lijst>
                <li nr="a."><al>er voor het betreffende gebied geen bestemmingsplan of
                                        beheersverordening of projectbesluit van kracht is;</al></li>
                <li nr="b."><al>geen van de aanhoudingsgronden zoals genoemd in artikel 3.3
                                        van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing
                                        is;</al></li>
                <li nr="c."><al>de activiteit in overeenstemming is met in voorbereiding
                                        zijnd toekomstig ruimtelijk beleid;</al></li>
                <li nr="d."><al>de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke
                                        ordening, en</al></li>
                <li nr="e."><al>de motivering van het besluit een goede ruimtelijke
                                        onderbouwing bevat.</al></li>
              </lijst>
              <al>Artikel 2.5.30 Parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden bij
                                of in gebouwen </al>
              <al>1 Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe
                                aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van
                                auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het
                                gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat
                                gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het
                                gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden
                                gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.</al>
              <al>2 De in het eerste lid bedoelde ruimte voor het parkeren van auto’s
                                moet afmetingen hebben die zijn afgestemd op gangbare
                                personenauto’s.</al>
              <al>Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan:</al>
              <al>a indien de afmetingen van bedoelde parkeerruimten ten minste 1,80 m
                                bij 5,00 m en ten hoogste 3,25 m bij 6,00 m bedragen;</al>
              <al>b indien de afmetingen van een gereserveerde parkeerruimte voor een
                                gehandicapte – voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan
                                een trottoir grenst – ten minste 3,50 m bij 5,00 m bedragen.</al>
              <al>3 Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te
                                verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van
                                goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan,
                                in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein
                                dat bij dat gebouw behoort.</al>
              <al>4 Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning verlenen in afwijking
                                van het bepaalde in het eerste en het derde lid:</al>
              <al>a indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere
                                omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of</al>
              <al>b voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of
                                stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.</al>
            </artikel>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 2.6.1 Beginsel inzake brandmeldinstallaties (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.6.2 Aanwezigheid van brandmeldinstallaties (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.6.3 Omvang van de bewaking door brandmeldinstallaties
                                (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.6.4 Kwaliteit van brandmeldinstallaties (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.6.5 Beginsel inzake ontruimings-alarminstallaties
                                (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.6.6 Aanwezigheid van ontruimings-alarminstallaties
                                (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.6.7 Kwaliteit van ontruimingsalarminstallaties (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.6.8 Beginsel inzake vluchtrouteaanduidingen (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.6.9 Aanwezigheid van vluchtrouteaanduidingen (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.6.10 Kwaliteit van vluchtrouteaanduidingen (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.6.11 Gelijkwaardigheid (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.6.12 Communicatiesysteem voor publieke
                                hulpverleningsdiensten (vervallen) </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 2.7.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.7.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
                                (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.7.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.7.3A Eis tot aansluiting aan de publieke voorziening voor
                                verwarming (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.7.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
                                (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.7.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
                                (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.7.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                                erven en terreinen (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 2.7.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van
                                het openbare net van de nutsvoorzieningen (vervallen) </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>3</nr>
            <titel>De melding</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Artikel 3.1 De wijze van melden (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 3.2 Welstandscriteria (vervallen) </al>
            <al/>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>4</nr>
            <titel>Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming
                            van een bouwwerk</titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Artikel 4.1 Intrekking bouwvergunning bij niet-tijdige start of
                            tussentijdse staking van bouwwerkzaamheden (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.2 Op het bouwterrein verplicht aanwezige bescheiden
                            (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.3 Wijzigingen in gegevens bouwregistratie (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.4 Het uitzetten van de bouw (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.5 Kennisgeving aan het bouwtoezicht van start van (onderdelen
                            van) de bouwwerkzaamheden (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.6 Opmetingen, ontgravingen, opbrekingen en onderzoekingen
                            (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.7 Bemalen van bouwputten (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.8 Veiligheid op het bouwterrein (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.9 Afscheiding van het bouwterrein (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.10 Veiligheid van hulpmiddelen en het voorkomen van hinder
                            (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.11 Bouwafval (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.12 Gereedmelding van (onderdelen van) de bouwwerkzaamheden
                            (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.13 Melden van werken bij lage temperaturen (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 4.14 Verbod tot ingebruikneming (vervallen) </al>
            <al/>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>5</nr>
            <titel>Staat van open erven en terreinen, brandveiligheids- installaties,
                            aansluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en
                            hinderlijk gedierte</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 5.1.1 Staat van onderhoud van open erven en terreinen
                                (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 5.1.2 Bereikbaarheid van gebouwen voor wegverkeer.
                                Brandblusvoorzieningen (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 5.1.3 Bereikbaarheid van gebouwen voor gehandicapten
                                (vervallen) </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en
                                vluchtrouteaanduidingen </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 5.2.1 Voorschriften inzake brandveiligheids-installaties en
                                vluchtrouteaanduidingen (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 5.2.2 Aanwezigheid van brandveiligheids-installaties in
                                gebouwen, niet zijnde woningen, woongebouwen, logiesverblijven,
                                logiesgebouwen of kantoorgebouwen (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 5.2.3 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                woongebouwen van bijzondere aard (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 5.2.4 Aanwezigheid van brandveiligheid-installaties in
                                logiesverblijven en logiesgebouwen (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 5.2.5 Aanwezigheid van brandveiligheidinstallaties in
                                kantoorgebouwen (vervallen) </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 5.3.1 Eis tot aansluiting aan de waterleiding (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 5.3.2 Eis tot aansluiting aan het elektriciteitsnet
                                (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 5.3.3 Eis tot aansluiting aan het aardgasnet (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 5.3.4 Eis tot aansluiting aan de openbare riolering
                                (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 5.3.5 Aansluiting anders dan aan de openbare riolering
                                (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 5.3.6 Kwaliteit en dimensionering van de buitenriolering op
                                erven en terreinen (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 5.3.7 Wijze van meten van de afstand tot de leidingen van
                                het openbare net van de nutsvoorzieningen (vervallen) </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                                Reinheid </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 5.4.1 Preventie (vervallen) </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <label>Hoofdstuk</label>
            <nr>6</nr>
            <titel>Brandveilig gebruik (vervallen)</titel>
          </kop>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>7 Overige gebruiksbepalingen</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Paragraaf 1 Overbevolking </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 7.1.1 Overbevolking van woningen (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 7.1.2 Overbevolking van woonwagens (vervallen) </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Paragraaf 2 Staken van het gebruik </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 7.2.1 Verbod tot gebruik bij bouwvalligheid (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 7.2.2 Staken van gebruik wegens gebrek aan veiligheid en
                                gebrek aan hygiëne (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 7.2.3 Staken van het gebruik van een woonwagen (vervallen) </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen
                            </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 7.3.1 Bepaling aantal personen nachtverblijf </al>
              <al>In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, van het
                                Besluit omgevingsrecht, wordt het aantal personen bepaald op 15. </al>
              <al>Artikel 7.3.2 Hinder (vervallen) </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte.
                                Reinheid </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 7.4.1 Preventie (vervallen) </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Paragraaf 5 Watergebruik </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 7.5.1 Verboden gebruik van water (vervallen) </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Paragraaf 6 Installaties </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 7.6.1 Gebruiksgereed houden van installaties (vervallen) </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>8 Slopen</titel>
          </kop>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 8.1.1 Omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 8.1.2 Aanvraag sloopvergunning (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 8.1.3 In behandeling nemen (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 8.1.4 Termijn van beslissing (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 8.1.5 Samenloop van slopen en bouwen (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 8.1.6 Weigeren omgevingsvergunning voor het slopen
                                (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 8.1.7 Intrekken omgevingsvergunning voor het slopen
                                (vervallen) </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Paragraaf 2 Een omgevingsvergunning voor het slopen </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 8.2.1 Sloopmelding (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 8.2.2 Overige uitzonderingen op het vereiste van een
                                omgevingsvergunning voor het slopen (vervallen) </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 8.3.1 Veiligheid op sloopterrein (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 8.3.2 Op het sloopterrein verplicht aanwezige bescheiden
                                (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 8.3.3 Plichten van de houder van de omgevingsvergunning voor
                                het slopen (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 8.3.4 Plichten van degene die sloopt (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 8.3.5 Wijze van slopen, verpakken en opslaan van asbest
                                (vervallen) </al>
              <al/>
              <al>Artikel 8.3.6 Plichten ten aanzien van de sloop van tuinbouwkassen
                                (vervallen) </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
          <paragraaf>
            <kop>
              <titel>Paragraaf 4 Vrij slopen </titel>
            </kop>
            <structuurtekst>
              <al>Artikel 8.4.1 Sloopafval algemeen (vervallen) </al>
              <al/>
            </structuurtekst>
          </paragraaf>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>9 Welstand </titel>
          </kop>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 9.1 De advisering door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit
                            </titel>
            </kop>
            <al>1 De advisering over redelijke eisen van welstand is opgedragen aan de
                            Stichting Dorp, Stad &amp; Land, Adviseurs Ruimtelijke Kwaliteit (hierna
                            te noemen Dorp, Stad &amp; Land), die uit haar midden personen
                            voordraagt als lid van de welstandscommissie, hierna te noemen:
                            Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. </al>
            <al>2 De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert over de welstandsaspecten
                            van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het bouwen.</al>
            <al>3 De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit baseert haar advies op de in de
                            gemeentelijke welstandsnota genoemde welstandscriteria.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 9.2 Samenstelling van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit
                            </titel>
            </kop>
            <al>1 De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit bestaat ten minste uit drie leden,
                            waaronder een voorzitter en een secretaris, die deskundig zijn op het
                            gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie. </al>
            <al> Aanvullend kan ten hoogste één lid benoemd worden dat niet verbonden is
                            aan Dorp, Stad &amp; Land. </al>
            <al>2 Indien een lid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit verhinderd is,
                            draagt Dorp, Stad &amp; Land zorg voor een plaatsvervanger met
                            vergelijkbare deskundigheid op het gebied van architectuur, ruimtelijke
                            kwaliteit of cultuurhistorie. Indien een lid benoemd is dat niet
                            verbonden is aan Dorp, Stad &amp; Land, dragen burgemeester en
                            wethouders zelf zorg voor plaatsvervanging.</al>
            <al>3 De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan slechts adviezen uitbrengen
                            indien ten minste twee leden aanwezig zijn, welke beschikken over
                            deskundigheid op het gebied van welstand.</al>
            <al>4 De leden van de commissie zijn onafhankelijk van het
                            gemeentebestuur.</al>
            <al>Artikel 9.3 Benoeming en zittingsduur (vervallen) </al>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 9.4 Jaarlijkse verantwoording </titel>
            </kop>
            <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit stelt jaarlijks een verslag op van
                            haar werkzaamheden voor de gemeenteraad, waarin ten minste aan de orde
                            komt:</al>
            <al> op welke wijze toepassing is gegeven aan de welstandscriteria uit de
                            welstandsnota;</al>
            <al> de werkwijze van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit;</al>
            <al>op welke wijze uitwerking is gegeven aan de openbaarheid van
                            vergaderen;</al>
            <al>de aard van de beoordeelde plannen;</al>
            <al>de bijzondere projecten.</al>
            <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan in haar jaarverslag aanbevelingen
                            doen ten aanzien van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het
                            algemeen en de aanpassing van de gemeentelijke welstandsnota in het
                            bijzonder.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 9.5 Termijn van advisering </titel>
            </kop>
            <al>1 De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit brengt het advies over de aanvraag
                            om een omgevingsvergunning voor het bouwen uit binnen vier weken nadat
                            door of namens burgemeester en wethouders daarom is verzocht.</al>
            <al>2 De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit brengt het advies over de aanvraag
                            om een omgevingsvergunning voor het bouwen, indien deze vergunning
                            betrekking heeft op een deel van een project of wanneer het een
                            gefaseerde aanvraag betreft, uit binnen drie weken nadat door of namens
                            burgmeester en wethouders daarom is verzocht.</al>
            <al>3 Burgemeester en wethouders kunnen in hun verzoek om advies de
                            Commissie Ruimtelijke Kwaliteit een langere termijn dan genoemd in de
                            bovengenoemde leden van dit artikel geven voor het uitbrengen van het
                            welstandsadvies. Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders
                            worden gegeven indien de termijn van afdoening van de aanvraag is
                            verlengd met toepassing van artikel 3.9, tweede lid van de Wet algemene
                            bepalingen omgevingsrecht.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 9.6 Openbaarheid van vergaderen en mondelinge toelichting
                            </titel>
            </kop>
            <al>1 De behandeling van bouwplannen door of onder verantwoordelijkheid van
                            de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit is openbaar. Tijdstip en plaats van
                            de vergadering van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit worden tijdig
                            bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad, een dagblad,
                            nieuwsblad of huis-aan-huisblad, de gemeentelijke internetsite of op een
                            andere geschikte wijze. De agenda voor de vergadering kan op het
                            gemeentehuis worden ingezien. Indien het bevoegd gezag – al dan niet op
                            verzoek van de aanvrager – een verzoek doet tot niet-openbare
                            behandeling, dan dient het bevoegd gezag daaraan klemmende redenen op
                            grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur ten grondslag
                            te leggen. De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen, de
                            beoordeling als de adviezen.</al>
            <al>2 Indien de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen hierom
                            bij het indienen van de aanvraag om omgevingsvergunning voor het bouwen
                            heeft verzocht, wordt deze door of namens de Commissie Ruimtelijke
                            Kwaliteit in staat gesteld tot het geven van een toelichting op het
                            bouwplan.</al>
            <al>3 In het geval dat het bouwplan in de vergadering van de commissie wordt
                            behandeld en een verzoek tot het geven van een toelichting is gedaan,
                            dient de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een
                            uitnodiging te ontvangen voor de vergadering van de commissie, waarin de
                            aanvraag wordt behandeld.</al>
            <al>4 Belanghebbenden hebben in toelichtende zin spreekrecht. Het reglement
                            van orde van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit dat als bijlage 9 bij
                            deze verordening is vastgesteld, voorziet in een procedurele opzet,
                            waarbij er een onderscheid wordt aangebracht in de toelichtende fase en
                            de beraadslagingen.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 9.7 Afdoening onder verantwoordelijkheid </titel>
            </kop>
            <al/>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 9.8 Vorm waarin het advies wordt uitgebracht </titel>
            </kop>
            <al>1 De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert schriftelijk. Negatieve
                            adviezen worden gemotiveerd; positieve adviezen alleen als daarom
                            verzocht wordt </al>
            <al>2 Zodra het advies wordt uitgebracht, wordt het door of namens
                            burgemeester en wethouders gevoegd bij de aanvraag om een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen.</al>
            <al>Artikel 9.9 Uitsluiting van gebieden en categorieën bouwwerken
                            (vervallen) </al>
            <al/>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>10 Overige administratieve bepalingen </titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Artikel 10.1 De aanvraag om woonvergunning (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 10.2 De aanvraag om vergunning tot hergebruik van een ontruimde
                            onbewoonbaar verklaarde woning of woonwagen (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 10.3 Overdragen vergunningen (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 10.4 Overdragen mededeling (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 10.5 Het kenteken voor onbewoonbaar verklaarde woningen en
                            woonwagens alsmede onbruikbaar verklaarde standplaatsen </al>
            <al>Vervallen</al>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 10.6 Herziening en vervanging van aangewezen normen en
                                andere voorschriften </titel>
            </kop>
            <al>Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en
                            vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere
                            voorschriften waarnaar in deze verordening – of in de bij deze
                            verordening behorende bijlagen – wordt verwezen, indien de bevoegde
                            instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het
                            voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging
                            heeft gepubliceerd.</al>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>11 Handhaving </titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Artikel 11.1 Stilleggen van de bouw (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 11.2 Overtreding van het verbod tot ingebruikneming (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 11.3 Stilleggen van het slopen (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 11.4 Onderzoek naar een gebrek (vervallen) </al>
            <al/>
          </structuurtekst>
        </hoofdstuk>
        <hoofdstuk>
          <kop>
            <titel>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen </titel>
          </kop>
          <structuurtekst>
            <al>Artikel 12.1 Strafbare feiten (vervallen) </al>
            <al/>
          </structuurtekst>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 12.2 Overgangsbepaling bodemonderzoek </titel>
            </kop>
            <al>Indien ten behoeve van de bouw van een bouwvergunningplichtig bouwwerk
                            in enig ander verband dan de aanvraag om bouwvergunning indicatief
                            bodemonderzoek is verricht, geldt dit indicatieve bodemonderzoek als het
                            in artikel 2.1.5 bedoelde verkennende bodem-onderzoek, tenzij
                            burgemeester en wethouders van mening zijn dat het indicatieve
                            bodemonderzoek niet meer als een recent onderzoek kan worden
                            gezien.</al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 12.3 Overgangsbepaling met betrekking tot de staat van
                                open erven en terreinen </titel>
            </kop>
            <al>Het bepaalde in de artikelen 5.1.2 en 5.1.3 inzake de bereikbaarheid van
                            gebouwen is niet van toepassing op een gebouw, dat gebouwd is of wordt
                            op basis van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 47, eerste lid,
                            van de Woningwet van 12 juli 1962, tenzij bij een latere vergunning op
                            grond van artikel 40 van de Woningwet eisen aan de bereikbaarheid van
                            dat gebouw zijn gesteld.</al>
            <al>Artikel 12.4 Overgangsbepaling (aanvragen om) gebruiksvergunning
                            (vervallen) </al>
            <al/>
            <al>Artikel 12.5 Overgangsbepaling sloopmelding (vervallen) </al>
          </artikel>
          <artikel>
            <kop>
              <titel>Artikel 12.6 Slotbepaling </titel>
            </kop>
            <lijst>
              <li nr="1"><al>Op een aanvraag om bouwvergunning, ontheffing of toestemming of
                                    een aanvraag om omgevingsvergunning, die is ingediend vóór 1
                                    januari 2012 en waarop op dit tijdstip nog niet is beschikt,
                                    zijn de bepalingen van de bouwverordening van toepassing, zoals
                                    die luidden voor deze wijziging, tenzij de aanvrager aangeeft
                                    dat de gewijzigde bepalingen worden toegepast.</al></li>
              <li nr="2"><al>De Bouwverordening 2013 treedt (met terugwerkende kracht) in
                                    werking op 1 januari 2013.</al></li>
              <li nr="3"><al>Met ingang van 1 januari 2013 worden (met terugwerkende kracht)
                                    de Verordening Bouwverordening 2012 van de gemeente Graafstroom,
                                    Bouwverordening 2012 van de gemeente Liesveld en Bouwverordening
                                    2012 van de gemeente Nieuw-Lekkerland van 15 mei 2012
                                    ingetrokken.</al></li>
              <li nr="4"><al>Deze verordening kan worden aangehaald als <vet>'Bouwverordening
                                        2013'</vet>.</al></li>
            </lijst>
          </artikel>
        </hoofdstuk>
      </regeling-tekst>
      <regeling-sluiting><!--ontbrekende slotformulering die wel verplicht is in CVDR dus leeg neergezet--><slotformulering><al/></slotformulering>
        
        <ondertekening>Besloten in de openbare raadsvergadering van 15 januari 2013</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>De griffier, De voorzitter,</ondertekening>
        <ondertekening/>
        <ondertekening>Drs. T.W. Kanters D.R. van der Borg </ondertekening>
      </regeling-sluiting>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Bijlage 1</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</tussenkop>
        <al>Bijlage als bedoeld in de artikelen 2.1.1 en 3.1</al>
        <tussenkop>Artikel 1 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende bescheiden als
                    bedoeld in artikel 2.1.3 van de bouwverordening (vervallen)</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 2 De bij de aanvraag om bouwvergunning behorende gegevens en
                    bescheiden als bedoeld in artikel 2.1.6 van de bouwverordening
                    (vervallen)</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 3 Funderingsplan (vervallen)</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 4 Constructieve en aanverwante gegevens (vervallen)</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 5 Bouwveiligheidsplan (vervallen)</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 6 Eisen ten aanzien van tekeningen (vervallen)</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 7 Eisen ten aanzien van berekeningen (vervallen)</tussenkop>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Bijlage 2 </titel>
        </kop>
        <al/>
        <tussenkop>Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning (vervallen)
                </tussenkop>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Bijlage 3</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Gebruikseisen voor bouwwerken (vervallen)</tussenkop>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Bijlage 4 </titel>
        </kop>
        <tussenkop>Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de
                    niet-gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties (vervallen)</tussenkop>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Bijlage 5</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen)</tussenkop>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Bijlage 6</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen)</tussenkop>
        <al/>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Bijlage 7</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op
                    erven en terreinen (vervallen)</tussenkop>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Bijlage 8</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee vergelijkbare
                    bouwwerken op de aanwezigheid van asbest (vervallen)</tussenkop>
        <al/>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Bijlage 9</titel>
        </kop>
        <al>Reglement van Orde </al>
        <al>Commissie Ruimtelijke Kwaliteit in de gemeente Graafstroom, Liesveld &amp;
                    Nieuw-Lekkerland</al>
        <al>(voorheen: de DSL-welstandscommissie)</al>
        <al>Inhoud Blz</al>
        <lijst>
          <li nr="1."><al>Advisering door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit 49</al></li>
          <li nr="2."><al>Samenstelling van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit 50</al></li>
          <li nr="3."><al>Benoeming en zittingsduur 52</al></li>
          <li nr="4."><al>Jaarlijkse verantwoording 52</al></li>
          <li nr="5."><al>Termijn van advisering en vooroverleg 53</al></li>
          <li nr="6."><al>Openbaarheid van vergaderen en plantoelichting 54</al></li>
          <li nr="7."><al>Afdoening bij mandaat 55</al></li>
          <li nr="8."><al>Vorm waarin het welstandsadvies wordt uitgebracht 55</al></li>
          <li nr="9."><al>Welstandsoordeel van B&amp;W 57</al></li>
          <li nr="10."><al>Advisering over bijzondere plannen 59</al></li>
          <li nr="11."><al>Ondersteuning van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit 60</al></li>
          <li nr="12."><al>Vergaderorde 62</al></li>
          <li nr="13."><al>Financiële vergoeding 64</al></li>
          <li nr="14."><al>Vaststelling en bekendmaking 64</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>1. Advisering door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit
                    (Welstandscommissie), </tussenkop>
        <tussenkop>verder te noemen Commissie Ruimtelijke Kwaliteit</tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 1 Onafhankelijkheid </tussenkop>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit is een door de gemeenteraad benoemde
                    onafhankelijke commissie. De leden zijn onafhankelijk ten opzichte van het
                    gemeentebestuur en de gemeentelijke organisatie. Er bestaan geen bindingen of
                    relaties op basis waarvan de adviezen over ruimtelijke kwaliteit worden
                    beïnvloed. </al>
        <al>De gemeenten Graafstroom, Liesveld en Nieuw-Lekkerland hebben de stichting Dorp,
                    Stad &amp; Land (verder te noemen DSL) aangewezen als provinciale organisatie
                    onder wier verantwoordelijkheid de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit ressorteert. </al>
        <tussenkop>Artikel 2 Taakomschrijving </tussenkop>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit is een welstandscommissie conform Woningwet
                    art. 12 van de gemeente en brengt op basis van de Woningwet advies uit aan
                    burgemeester en wethouders ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de
                    plaatsing van een bouwwerk of standplaats, waarvoor een aanvraag voor een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen is ingediend, in strijd is met redelijke
                    eisen van welstand. </al>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit beoordeelt op verzoek van burgemeester en
                    wethouders of het uiterlijk van een bouwwerk of standplaats in ernstige mate in
                    strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria die
                    hiervoor zijn opgenomen in de welstandsnota. </al>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit is hierbij gebonden aan het gemeentelijk
                    welstandsbeleid en baseert welstandsadviezen op de in de welstandsnota genoemde
                    welstandscriteria, alsmede op door de raad vastgestelde aanvullende
                    welstandscriteria (zoals bijvoorbeeld een welstandsparagraaf of een
                    beeldkwaliteitplan waaraan welstandscriteria zijn toegevoegd). </al>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert burgemeester en wethouders tevens
                    gevraagd en ongevraagd over beleidszaken en strategische visies met betrekking
                    tot de ruimtelijke ontwikkeling en de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente. </al>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit legt de gemeenteraad eenmaal per jaar een
                    verslag voor van de door haar verrichte werkzaamheden. </al>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert burgemeester en wethouders over de
                    welstandsaspecten van aanvragen voor een reclamevergunning. </al>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit voert onder regie van de gemeente overleg met
                    betrokkenen bij de voorbereiding van bouwplannen en beoordeelt daartoe
                    principeaanvragen voor bouwplannen. </al>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit brengt op verzoek van burgemeester en
                    wethouders advies uit over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde
                    bestemmingsplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante
                    beleidsstukken. </al>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit overlegt met de betrokken ambtelijke
                    afdelingen, </al>
        <al>burgemeester en wethouders en de gemeenteraad over het opstellen van
                    welstandscriteria en welstandsbeleid. </al>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit levert op verzoek van burgemeester en
                    wethouders een bijdrage aan het bevorderen van de openbaarheid van het
                    welstandstoezicht, het maatschappelijk draagvlak voor welstandstoezicht en het
                    stimuleren van de discussie over ruimtelijke kwaliteit in de gemeente. </al>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit draagt zorg voor regelmatig overleg met
                    burgemeester en wethouders en signaleert daarbij gevraagd en ongevraagd
                    stedenbouwkundige en architectonische ontwikkelingen die van belang zijn voor de
                    ruimtelijke kwaliteit in de gemeente. </al>
        <tussenkop>2. Samenstelling van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 3 Samenstelling </tussenkop>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (welstandscommissie) bestaat ten minste uit
                    drie leden, waaronder een voorzitter en een secretaris, die deskundig zijn op
                    het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit dan wel cultuurhistorie.
                    Aanvullend kan ten hoogste één lid benoemd worden dat niet verbonden is aan
                    Dorp, Stad &amp; Land.</al>
        <al>Indien een lid van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (welstandscommissie)
                    verhinderd is, draagt DSL zorg voor een plaatsvervanger met vergelijkbare
                    deskundigheid op het gebied van architectuur, ruimtelijke kwaliteit of
                    cultuurhistorie. Indien een lid benoemd is dat niet verbonden is aan DSL, dragen
                    burgemeester en wethouders zelf zorg voor plaatsvervanging.</al>
        <al>Ten behoeve van advisering ten aanzien van monumenten, voorbereiding en of
                    toetsing van integrale bouwplannen, in voorbereiding zijnde bestemmingsplannen,
                    stedenbouwkundige plannen en andere relevante beleidsstukken kan de Commissie
                    Ruimtelijk Kwaliteit worden uitgebreid met leden die kennis hebben op
                    stedenbouwkundig, cultuurhistorisch of landschaparchitectonisch gebied. Deze
                    commissie wordt aangeduid als (plenaire) commissie. </al>
        <tussenkop>Artikel 4 Profielschets van alle commissieleden </tussenkop>
        <al>De leden van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit hebben geen professionele
                    binding met de gemeente, en de gemeente kennen of willen leren kennen. </al>
        <al>De leden van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit zijn bereid zich te verdiepen in
                    het ruimtelijk kwaliteitsbeleid in brede zin van de gemeente en baseren zich bij
                    de beoordeling van bouwplannen op de welstandscriteria zoals opgenomen in de
                    gemeentelijke welstandsnota, alsmede op door de raad vastgestelde documenten met
                    aanvullende welstandscriteria. </al>
        <al>De leden van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit moeten in staat zijn
                    bouwplantekeningen te lezen en cultureel besef en kennis hebben van de
                    (geschiedenis van de) bouwkunst. </al>
        <al>De leden van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit moeten in staat zijn hun oordeel
                    begrijpelijk te verwoorden, met respect voor allen die bij de advisering een rol
                    spelen. Dit vraagt van alle commissieleden zekere communicatieve vaardigheden. </al>
        <al>De leden van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit hebben een geheimhoudingsplicht
                    inzake de aan hen voorgelegde plannen en beleidsdocumenten, niet zijnde
                    bouwaanvragen. </al>
        <al>De leden van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit zijn onpartijdig, dat betekent
                    dat zij geen persoonlijk belang mogen hebben bij de door burgemeester en
                    wethouders te nemen beslissingen en dat zij hun taak niet met vooringenomenheid
                    mogen vervullen </al>
        <al>De leden van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit mogen geen professionele
                    betrokkenheid hebben bij de te beoordelen bouwplannen. Op het moment dat een
                    dergelijke betrokkenheid wel bestaat maakt het lid deze tijdig kenbaar en wordt
                    het plan behandeld zonder inbreng van het betreffende lid. </al>
        <al>Indien de voorzitter van de commissie dit nodig acht wordt het plan ter advies
                    voorgelegd aan een andere onder DSL ressorterende Commissie Ruimtelijke
                    Kwaliteit. Van deze formele stappen wordt in het advies melding gemaakt. </al>
        <tussenkop>Artikel 5 Profielschets van de voorzitter </tussenkop>
        <al>De voorzitter is verantwoordelijk voor het functioneren van de Commissie
                    Ruimtelijke Kwaliteit en bewaakt de deugdelijkheid van de advisering in brede
                    zin. </al>
        <al>De voorzitter geeft leiding aan de vergadering en bewaakt de voortgang van de
                    agenda. In de discussies draagt hij of zij er zorg voor dat alle commissieleden
                    hun mening voldoende naar voren kunnen brengen. Na de discussie geeft de
                    voorzitter een korte, heldere samenvatting van het uit te brengen advies, als
                    basis voor de schriftelijke uitwerking. </al>
        <al>De voorzitter treedt op als gastheer of –vrouw voor de planindieners, ontwerpers
                    en andere bezoekers. </al>
        <al>De voorzitter organiseert met de commissie een jaarlijkse, inhoudelijke
                    evaluatie van de werkzaamheden. De Welstandsgemandateerde heeft hiertoe ten
                    minste eenmaal per jaar een evaluerend overleg met de portefeuillehouder. De
                    uitkomsten van het evaluatiegesprek worden opgenomen in het jaarverslag van de
                    Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. </al>
        <al>De voorzitter onderhoudt de contacten met de pers en andere belangstellenden.
                    Bij een persgesprek is altijd een bij het welstandstoezicht betrokken derde
                    aanwezig. </al>
        <tussenkop>Artikel 6 Profielschets van de architectleden </tussenkop>
        <al>De architectleden zijn samen met de voorzitter, verantwoordelijk voor de
                    vakinhoudelijke kwaliteit van de welstandsadviezen. </al>
        <al>Eén van de architectleden kan door de welstandsorganisatie worden aangewezen als
                    vakinhoudelijk architect-secretaris van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. </al>
        <al>Een architectlid is een (geregistreerde) architect die zich door opleiding en
                    ervaring kwalificeert om zitting te nemen in de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. </al>
        <al>De architectleden kennen de beroepspraktijk en hebben ervaring met het
                    beoordelen van ontwerpen van (aanstaande) collega’s in bijvoorbeeld
                    onderwijssituaties, jury’s of (welstands-)commissies. </al>
        <tussenkop>Artikel 7 Profielschets van het burgerlid </tussenkop>
        <al>Het burgerlid is verantwoordelijk voor de inbreng van kennis over de lokale
                    omstandigheden. </al>
        <al>Dit commissielid is actief betrokken bij het maatschappelijk leven in de
                    gemeente en beschikt vanuit die achtergrond en interesse over een zekere mate
                    van deskundigheid en kennis met betrekking tot de ruimtelijke kwaliteit van de
                    gemeente.</al>
        <al>Het burgerlid onderhoudt in het bijzonder de contacten met maatschappelijke
                    belangenorganisaties. Dit lid vormt de schakel tussen de gevoelens en
                    opvattingen die leven binnen de bevolking van de gemeente en de overige leden
                    van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. </al>
        <al>Het burgerlid is niet namens een belangenorganisatie lid van de commissie maar
                    wordt op persoonlijke titel benoemd.</al>
        <tussenkop>3. Benoeming en zittingsduur </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 8 Benoemingsprocedure </tussenkop>
        <al>De leden van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit worden benoemd en ontslagen door
                    burgemeester en wethouders.</al>
        <al>De voorzitter en de architectleden van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit worden
                    voorgedragen aan burgemeester en wethouders door DSL. </al>
        <tussenkop>Artikel 9 Zittingsduur </tussenkop>
        <al>Benoemingen gelden voor een periode van drie jaar met een mogelijkheid tot
                    herbenoeming voor een periode van nog eens drie jaar. Omwille van de
                    continuïteit van de welstandsadvisering worden de leden van de Commissie
                    Ruimtelijke Kwaliteit bij voorkeur benoemd en herbenoemd in een alternerend
                    systeem. </al>
        <al>Door DSL wordt een rooster van aftreden bijgehouden. DSL doet drie maanden voor
                    het verstrijken van een benoemingstermijn een voorstel tot herbenoeming aan de
                    verantwoordelijke wethouder toekomen. De wethouder stelt het voorgedragen
                    commissielid ter benoeming voor aan de gemeenteraad. </al>
        <tussenkop>Artikel 10 Voortijdige beëindiging van de benoeming van commissieleden </tussenkop>
        <al>De leden van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kunnen te allen tijde kenbaar
                    maken hun benoeming te willen beëindigen. Zij geven hiervan schriftelijk drie
                    maanden tevoren kennis aan de gemeenteraad en DSL. </al>
        <al>De gemeenteraad kan in voorkomende gevallen, na overleg met DSL de benoeming van
                    een lid of van alle leden van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit voortijdig
                    beëindigen, wanneer het betreffende commissielid of de betreffende
                    commissieleden naar zijn oordeel of het oordeel van DSL niet naar behoren
                    functioneert of functioneren.</al>
        <tussenkop>4. Jaarlijkse verantwoording </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 11 Jaarverslag </tussenkop>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit stelt ter uitvoering van artikel 12b lid 3
                    Woningwet jaarlijks voor de gemeenteraad een verslag op van haar werkzaamheden,
                    genoemd het jaarverslag. </al>
        <al>In dit jaarverslag komt ten minste aan de orde op welke wijze de Commissie
                    Ruimtelijke Kwaliteit toepassing heeft gegeven aan de in de gemeentelijke
                    welstandsnota opgenomen welstandscriteria. Het jaarverslag signaleert waar de
                    welstandsnota als beleidskader voldoende dan wel onvoldoende houvast heeft
                    kunnen bieden bij de welstandsbeoordeling en geeft aan waarom in specifieke
                    gevallen is afgeweken van het vastgestelde beleid. </al>
        <al>Voorts kan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit in haar jaarverslag aandacht
                    besteden aan de werkwijze van de commissie, op welke wijze uitwerking is gegeven
                    aan de openbaarheid van vergaderen, de aard van de beoordeelde plannen en
                    bijzondere projecten. </al>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan in haar verslag aanbeveling doen ten
                    aanzien van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid in het algemeen en het
                    welstandsbeleid in het bijzonder. </al>
        <al>Het verslagjaar loopt van januari tot en met december. Het jaarverslag wordt
                    jaarlijks </al>
        <al>vóór 1 juli aangeboden aan de gemeenteraad. </al>
        <tussenkop>5. Termijn van advisering en vooroverleg </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 12 Termijn van advisering bij de aanvraag voor een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen </tussenkop>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit dan wel een namens haar gemandateerd lid is
                    bij de beoordeling van de welstandsaspecten van de aanvraag om een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen en bij de beoordeling van de
                    welstandsaspecten van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen
                    indien deze vergunning betrekking heeft op een deel van een project of wanneer
                    het een gefaseerde aanvraag betreft gebonden aan de in de Bouwverordening
                    genoemde termijnen voor het uitbrengen van advies. </al>
        <al>Een langere termijn kan door burgemeester en wethouders worden gegeven indien de
                    termijn van afdoening van de aanvraag is verlengd met toepassing van artikel
                    3.9, tweede lid van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.</al>
        <al>Binnen de in de Bouwverordening genoemde termijnen voor het uitbrengen van
                    advies kan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit dan wel het namens haar
                    gemandateerde lid het welstandsadvies aanhouden indien meer informatie of een
                    toelichting van de ontwerper noodzakelijk is. </al>
        <tussenkop>Artikel 13 Overschrijding van de termijn </tussenkop>
        <al>Indien de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit dan wel het namens haar gemandateerde
                    lid niet binnen de in de Bouwverordening gestelde termijn tot een advies komt,
                    wordt de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit geacht positief te adviseren over de
                    welstandsaspecten van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen. </al>
        <tussenkop>Artikel 14 Vooroverleg over principeaanvragen </tussenkop>
        <al>De gemeente biedt de mogelijkheid om, voorafgaand aan het indienen van een
                    aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen, door middel van het
                    indienen van een aanvraag voor een preadvies vooroverleg te plegen met de
                    Commissie Ruimtelijke Kwaliteit dan wel een namens haar gemandateerd lid, over
                    de interpretatie van de welstandscriteria in het concrete geval van het
                    bouwplan. </al>
        <al>Dit vooroverleg kan in principe pas starten nadat duidelijkheid bestaat over de
                    planologische aanvaardbaarheid van het plan. Daarbij kan het gemeentebestuur de
                    planologische aanvaardbaarheid mede laten afhangen van het preadvies van de
                    welstandscommissie. </al>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit dan wel het namens haar gemandateerd lid
                    draagt uiterste zorg voor consistente beoordelingen in de verschillende
                    planfasen. </al>
        <al>Het vooroverleg is niet openbaar, tenzij de planindiener, burgemeester en
                    wethouders en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit geen bezwaar hebben tegen een
                    openbaar vooroverleg.</al>
        <al>Van het vooroverleg wordt verslag gemaakt, dat met de besproken bescheiden wordt
                    opgenomen in het dossier. </al>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit dan wel het namens haar gemandateerde lid
                    geeft aan in welke fase het plan werd beoordeeld en op basis van welke
                    welstandscriteria de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen
                    uiteindelijk zal worden beoordeeld, door de (plenaire) commissie dan wel door
                    een namens haar gemandateerd lid. </al>
        <tussenkop>Artikel 15 Beëindiging van het vooroverleg na drie negatieve
                    beoordelingen </tussenkop>
        <al>Als een plan tijdens de vooroverlegfase drie keer negatief wordt beoordeeld door
                    de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en als er tijdens het proces geen
                    noemenswaardige vooruitgang wordt geconstateerd, zal de Commissie Ruimtelijke
                    Kwaliteit het vooroverleg beëindigen en via de ambtelijk plantoelichter contact
                    opnemen met de portefeuillehouder om de (politieke) consequenties hiervan te
                    bespreken. </al>
        <al>Beëindiging van het vooroverleg vindt niet plaats indien het plan niet tenminste
                    éénmaal, bijvoorbeeld de laatste maal, door de (plenaire) commissie is
                    beoordeeld. </al>
        <tussenkop>Artikel 16 Geldigheidstermijn van een principeaanvraag </tussenkop>
        <al>Indien een principeaanvraag niet binnen zes maanden na de laatste beoordeling
                    door de </al>
        <al>Commissie Ruimtelijke Kwaliteit dan wel een namens haar gemandateerd lid, wordt
                    gevolgd door een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen, wordt de
                    welstandsbehandeling gesloten. Deze termijn geldt niet indien de Commissie
                    Ruimtelijke Kwaliteit en de planindiener schriftelijk een andere termijn
                    overeenkomen. </al>
        <tussenkop>6.Openbaarheid van vergaderen en plantoelichting </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 17 Openbare behandeling van een aanvraag voor een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen </tussenkop>
        <al>De behandeling van de welstandsaspecten van een aanvraag voor een
                    omgevingsvergunning voor het bouwen door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit dan
                    wel door een gemandateerd lid van de commissie is openbaar tenzij de
                    planindiener, burgemeester en wethouders of de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit
                    van mening zijn dat er op grond van artikel 10 van de Wet openbaarheid van
                    bestuur klemmende redenen zijn voor geheimhouding. </al>
        <al>De openbaarheid geldt zowel voor de beraadslagingen als voor het formuleren van
                    de conclusie c.q. het welstandsadvies. </al>
        <al>Belangstellenden kunnen de vergadering van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit
                    bijwonen op de publieke tribune. </al>
        <al>Belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht
                    kunnen voor het begin van de vergadering spreektijd aanvragen bij de voorzitter.
                    De voorzitter stelt, afhankelijk van de agenda, de maximale spreektijd van
                    eenieder vast. Spreektijd kan slechts worden gebruikt voor het geven van een
                    visie op de welstandsaspecten van het plan. Een belangenafweging of beoordeling,
                    anders dan op basis van de vastgestelde welstandscriteria vindt niet plaats
                    tijdens de welstandsbeoordeling. </al>
        <al>Goedgekeurde verslagen van de openbare vergadering zijn openbaar en kunnen bij
                    de receptie worden ingezien. </al>
        <tussenkop>Artikel 18 Bekendmaking van de agenda </tussenkop>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit vergadert volgens een jaarlijks vastgesteld
                    vergaderschema. </al>
        <al>De data, het tijdstip en de locatie van de welstandsvergaderingen worden door
                    het team Communicatie ter kennis gesteld van de lokale pers. </al>
        <al>Vanaf één dag voorafgaand aan de vergaderingen van de Commissie Ruimtelijke
                    Kwaliteit kan de agenda van de vergadering worden ingezien bij de balie van het
                    Team Vergunningen en Ondernemen. </al>
        <tussenkop>Artikel 19 Plantoelichting door indiener en/of ontwerper </tussenkop>
        <al>Als een planindiener en/of ontwerper hierom bij het indienen van het plan heeft
                    verzocht, wordt deze door de ambtelijk plantoelichter uitgenodigd voor het geven
                    van een toelichting tijdens de vergadering waarin het plan wordt behandeld. </al>
        <al>Als de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit dan wel een namens haar gemandateerd lid
                    een nadere toelichting gewenst acht dan wordt de planindiener en/of de ontwerper
                    door de ambtelijke plantoelichter uitgenodigd voor het geven van een toelichting
                    tijdens de vergadering waarin het plan wordt behandeld. </al>
        <al>Een plantoelichting is bedoeld voor een korte toelichting op de planfilosofie en
                    de gemaakte keuzes in relatie tot de welstandscriteria, door planindiener en/of
                    ontwerper. </al>
        <tussenkop>7. Afdoening bij mandaat </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 20 Mandaat namens de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit </tussenkop>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan één of meer van haar leden mandateren om
                    bepaalde taken uit te voeren. De gemandateerde voert de taak uit onder
                    verantwoordelijkheid en namens de commissie, wat moet blijken uit bijvoorbeeld
                    de ondertekening. </al>
        <al>Eén van de taken die door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit aan één of meer van
                    haar leden kunnen worden gemandateerd is het uitbrengen van het welstandsadvies
                    over aanvragen van een omgevingsvergunning voor het bouwen voor bouwplannen van
                    relatief geringe ruimtelijke betekenis of van bouwplannen waar de mening van de
                    Commissie Ruimtelijke Kwaliteit als bekend mag worden verondersteld. De
                    gemandateerde heeft hierbij een volledig mandaat, dat wil zeggen dat zowel
                    positieve als negatieve adviezen kunnen worden gegeven. </al>
        <al>Eén van de taken die door de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit aan één
                    of meer van haar leden kunnen worden gemandateerd is het voeren van vooroverleg
                    met de planindieners en/of ontwerpers. Dit kan zelfstandig gebeuren dan wel door
                    deelname in een ‘kwaliteitsteam’. Bij het gemandateerd vooroverleg in het
                    verband van een ‘kwaliteitsteam’ dient de gemandateerde zorg te dragen voor een
                    regelmatige terugkoppeling en verantwoording van het advieswerk richting de
                    (plenaire) commissie. Daarbij doet de gemandateerde verslag van wat er tijdens
                    het vooroverleg (namens de commissie) is besproken en besloten. </al>
        <al>Het gemandateerd vooroverleg kan worden gecombineerd met het mandaat voor het
                    uitbrengen van het welstandsadvies over aanvragen van een omgevingsvergunning
                    voor het bouwen. Bij enige vorm van twijfel legt de gemandateerde het
                    betreffende bouwplan voor aan de (plenaire) commissie. </al>
        <al>Voor behandeling van bouwplannen onder mandaat gelden verder dezelfde
                    reglementen als voor behandeling van bouwplannen door de (plenaire)
                    commissie.</al>
        <tussenkop>Artikel 21 Ambtelijk mandaat vervalt of</tussenkop>
        <al>Burgemeester en wethouders kunnen de ambtelijke plantoetser mandateren om namens
                    hen het welstandsoordeel te geven voor aanvragen van een omgevingsvergunning
                    voor het bouwen waarvoor in de welstandsnota (ambtelijke) toetsingscriteria zijn
                    opgenomen. </al>
        <al>De gemandateerde ambtenaar heeft hierbij een beperkt mandaat, dat wil zeggen dat
                    alleen positieve adviezen kunnen worden gegeven. Plannen waarmee de
                    gemandateerde ambtenaar niet akkoord kan gaan c.q. die niet voldoen aan de
                    (ambtelijke) toetsingscriteria uit de welstandsnota, worden alsnog aan de
                    Commissie Ruimtelijke Kwaliteit dan wel een namens haar gemandateerd lid
                    voorgelegd. </al>
        <tussenkop>8. Vorm waarin het welstandsadvies wordt uitgebracht </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 22 Inhoud van het advies </tussenkop>
        <al>Het welstandsadvies geeft aan of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk
                    of een standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te
                    verwachten ontwikkeling daarvan, al dan niet in strijd is met redelijke eisen
                    van welstand, uitsluitend te beoordelen aan de hand van de criteria zoals
                    opgenomen in de welstandsnota, dan wel aanvullende welstandscriteria
                    (bijvoorbeeld bij herontwikkelingsprojecten) en beeldkwaliteitplannen met
                    welstandscriteria, mits deze dezelfde vaststellingsprocedure hebben doorlopen
                    als de welstandsnota. Van de in de vergadering uitgesproken bevindingen en
                    adviezen wordt een verslag opgesteld. </al>
        <al>Het welstandsadvies is niet gericht op zaken die geen betrekking hebben op het
                    welstandstoezicht. </al>
        <al>Het welstandsadvies kan worden gecombineerd met suggesties voor beleid of
                    procedurele zaken die naar mening van de commissie in acht genomen zouden moeten
                    worden. Deze suggesties zijn vrijblijvend en staan duidelijk los van de
                    conclusie van het welstandsadvies zelf. </al>
        <al>Het welstandsadvies zal nooit zodanig geformuleerd worden dat één der
                    betrokkenen zich daardoor beledigd of in goede naam of eer aangetast kan voelen. </al>
        <tussenkop>Artikel 23 Conclusie van het advies </tussenkop>
        <al>Het welstandsadvies kan de volgende conclusies hebben: </al>
        <al>
          <cursief>Niet strijdig / Akkoord</cursief>: Het plan voldoet naar mening van de
                    Commissie Ruimtelijke Kwaliteit volgens de van toepassing zijnde
                    welstandscriteria aan redelijke eisen van welstand. </al>
        <al>Het welstandsadvies kan worden gecombineerd met suggesties om het plan op een
                    (nog) hoger niveau te tillen. Deze suggesties zijn vrijblijvend en staan
                    duidelijk los van de conclusie van het welstandsadvies zelf. </al>
        <al>
          <cursief>Niet strijdig mits / Akkoord mits</cursief>: Het plan voldoet naar
                    mening van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit volgens de van toepassing zijnde
                    welstandscriteria aan redelijke eisen van welstand. Een onder mits geformuleerde
                    voorwaarde betreft ondergeschikte onderdelen van het plan die nog gewijzigd,
                    verduidelijkt of aangeleverd dienen te worden. Bijvoorbeeld monsters van de toe
                    te passen kleuren en materialen.</al>
        <al>Een onder mits geformuleerde voorwaarde is niet vrijblijvend maar staat los van
                    de algemene conclusie van het welstandsadvies. </al>
        <al>
          <cursief>In principe akkoord / Akkoord op hoofdlijnen</cursief>: Wordt alleen
                    gebruikt bij principevoorstellen of preadviezen. De commissie staat positief
                    tegenover de ontwikkeling van het schetsplan. </al>
        <al>Het vervolgens uit te werken bouwplan komt in een later stadium terug bij
                    commissie voor een definitief welstandsadvies. </al>
        <al>
          <cursief>Strijdig tenzij / Niet akkoord tenzij</cursief> wordt voldaan aan de
                    opmerkingen: Het plan voldoet naar mening van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit
                    volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet aan redelijke eisen van
                    welstand, tenzij het op ondergeschikte punten wordt aangepast. Deze punten
                    worden ondubbelzinnig genotuleerd en/of op de tekening aangegeven. De ambtelijke
                    plantoetser nodigt daarna de planindiener uit om binnen de wettelijke
                    afhandelingtermijn een aangepast plan in te dienen. Als dit plan naar mening van
                    de ambtenaar overeenkomstig de opmerkingen is aangepast hoeft de Commissie
                    Ruimtelijke Kwaliteit het gewijzigde bouwplan niet opnieuw te beoordelen. </al>
        <al>
          <cursief>Strijdig / Niet akkoord</cursief>, nader overleg: Het plan voldoet naar
                    mening van de Commissie </al>
        <al>Ruimtelijke Kwaliteit volgens de van toepassing zijnde welstandscriteria niet
                    aan redelijke eisen van welstand, de commissie wacht een nader overleg of een
                    aangepast plan af. </al>
        <al>Een schriftelijk advies wordt door de commissie in overleg met ambtelijk
                    plantoelichter, (nog) niet noodzakelijk geacht. De negatieve beoordeling wordt
                    beargumenteerd op basis van de welstandscriteria. </al>
        <al>
          <cursief>Strijdig / Niet akkoord</cursief>: Het plan voldoet naar mening van de
                    Commissie Ruimtelijke Kwaliteit volgens de van toepassing zijnde
                    welstandscriteria niet aan redelijke eisen van welstand. Dit betekent dat
                    ingrijpende wijzigingen in het planconcept of de uitwerking van het ontwerp
                    noodzakelijk zijn. </al>
        <al>De commissie beargumenteert de negatieve beoordeling op basis van de
                    welstandscriteria.</al>
        <tussenkop>Artikel 24 Schriftelijke motivering </tussenkop>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit adviseert en motiveert haar advies
                    schriftelijk. </al>
        <al>Bij positieve advisering wordt in het verslag van de vergadering of op het
                    aanvraagformulier genoteerd op welke bepalingen uit het vigerende
                    welstandsbeleid het positieve advies is gebaseerd; een expliciete motivering kan
                    bij positieve adviezen achterwege blijven, tenzij burgemeester en wethouders
                    daarom specifiek verzoeken. </al>
        <al>Een positief advies wordt altijd schriftelijk gemotiveerd als er sprake is van
                    een bijzondere situatie waarbij wordt geadviseerd om een plan op basis van de
                    algemene welstandscriteria, in afwijking van de van toepassing zijnde
                    gebiedsgerichte c.q. objectgerichte welstandscriteria, goed te keuren. </al>
        <al>Elk welstandsadvies bestaat uit: </al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>beknopte karakteristiek van het bouwplan (en zijn omgeving)</al></li>
          <li nr="-"><al>indien van toepassing: kort chronologisch overzicht van eerdere
                            planbeoordelingen</al></li>
          <li nr="-"><al>indien van toepassing: beknopt verslag van een plantoelichting door de
                            planindieners en/of de ontwerper </al></li>
          <li nr="-"><al>een verwijzing naar de bij de beoordeling toegepaste welstandscriteria
                        </al></li>
          <li nr="-"><al>een verwijzing naar de planologische status van het bouwplan, de
                            proportionaliteit van de ingreep en de zichtbaarheid vanaf de openbare
                            ruimte </al></li>
          <li nr="-"><al>bevindingen en het oordeel van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit
                            resulterend in het welstandsadvies </al></li>
          <li nr="-"><al>bij een negatief advies de motivering daarvan </al></li>
          <li nr="-"><al>indien van toepassing: aanbevelingen of suggesties van de Commissie
                            Ruimtelijke Kwaliteit. </al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 25 Toelichting op het welstandsadvies </tussenkop>
        <al>De planindiener en/of ontwerper kan een mondelinge toelichting vragen op het
                    welstandsadvies. </al>
        <al>Deze toelichting wordt in eerste instantie gegeven de door ambtelijk
                    plantoetser. </al>
        <al>Indien de planindiener en/of ontwerper vervolgens een nadere toelichting wenst
                    kan een afspraak worden gemaakt met de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit dan wel
                    een namens haar gemandateerd lid. </al>
        <tussenkop>9. Welstandsoordeel van het bevoegd gezag </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 26 Welstandsoordeel van het bevoegd gezag</tussenkop>
        <al>Het welstandsadvies wordt gevraagd door en uitgebracht aan burgemeester en
                    wethouders. </al>
        <al>Indien het bevoegd gezag niet bij burgemeester en wethouders ligt, dragen zij
                    het welstandsadvies over aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag heeft een
                    eigen verantwoordelijkheid voor het welstandsoordeel dat tot stand komt aan de
                    hand van de in de gemeentelijke welstandsnota opgenomen welstandscriteria. </al>
        <al>Burgemeester en wethouders vragen bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning
                    voor het bouwen, met uitzondering van de plannen die op grond van de
                    welstandsnota als welstandsvrij zijn aan te merken, advies aan de Commissie
                    Ruimtelijke Kwaliteit, tenzij bij voorbaat vaststaat dat de omgevingsvergunning
                    reeds op een andere grond moet worden geweigerd. </al>
        <al>Het bevoegd gezag vergewist zich er van dat het aan hen uitgebrachte
                    welstandsadvies naar inhoud en wijze van totstandkoming deugdelijk is. </al>
        <tussenkop>Artikel 27 Afwijken op inhoudelijke grond </tussenkop>
        <al>Het bevoegd gezag kan op inhoudelijke grond afwijken van het welstandsadvies
                    indien zij tot het oordeel komt dat de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit de van
                    toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of de commissie
                    naar haar oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast. </al>
        <al>Indien het bevoegd gezag op inhoudelijke grond afwijkt van het welstandsadvies
                    wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het
                    bouwen gemotiveerd. </al>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit wordt hiervan op de hoogte gesteld. </al>
        <tussenkop>Artikel 28 Afwijken van de welstandscriteria </tussenkop>
        <al>Het bevoegd gezag kan, op basis van artikel 4:48 van de Algemene wet
                    bestuursrecht en op advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit afwijken van
                    de in de gemeentelijke welstandsnota opgenomen gebiedsgerichte of objectgerichte
                    welstandscriteria. Dit kan gebeuren bij plannen die niet voldoen aan deze
                    welstandscriteria maar volgens het advies van de commissie wel aan redelijke
                    eisen van welstand, dit te beoordelen aan de hand van de algemene
                    welstandscriteria. </al>
        <al>Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning
                    voor het bouwen gemotiveerd. </al>
        <tussenkop>Artikel 29 Afwijken om andere redenen </tussenkop>
        <al>Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen ondanks
                    strijdigheid van dat plan met redelijke eisen van welstand, indien zij van
                    oordeel is dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of
                    maatschappelijke aard. </al>
        <al>Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de omgevingsvergunning
                    voor het bouwen gemotiveerd. De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit wordt hiervan op
                    de hoogte gesteld. </al>
        <al>Het bevoegd gezag zal uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze
                    mogelijkheid omdat de ruimtelijke kwaliteit niet snel ondergeschikt wordt geacht
                    aan economische of maatschappelijke belangen.</al>
        <tussenkop>Artikel 30 Bezwaar en beroep </tussenkop>
        <al>Belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht
                    kunnen binnen zes weken bezwaar indienen tegen de beslissing van het bevoegd
                    gezag op de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen. </al>
        <al>In de bezwaarschriftenprocedure heroverweegt het bevoegd gezag het besluit nadat
                    belanghebbenden tijdens een hoorzitting hun standpunten nader hebben kunnen
                    toelichten. </al>
        <al>In de bezwaarschriftenprocedure kan het bevoegd gezag een second opinion vragen
                    aan een andere, niet onder DSL resulterende Commissie Ruimtelijke Kwaliteit /
                    Welstandscommissie. Zij kan zich hiervoor wenden tot de Federatie Welstand te
                    Amsterdam.</al>
        <al>Belanghebbenden die het met de heroverweging van het bevoegd gezag niet eens
                    zijn kunnen hiertegen in beroep gaan. </al>
        <tussenkop>Artikel 31 Jaarlijkse rapportage door B&amp;W </tussenkop>
        <al>Burgemeester en wethouders stellen, ter uitvoering van artikel 12c van de
                    Woningwet jaarlijks een rapportage op voor de gemeenteraad over de wijze waarop
                    zij met hun verantwoordelijkheid voor het uitoefenen van het welstandstoezicht
                    zijn omgegaan. </al>
        <al>In de rapportage komen in ieder geval de volgende punten aan de orde: </al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de wijze waarop burgemeester en wethouders zijn omgegaan met de
                            welstandsadviezen; </al></li>
          <li nr="-"><al>in welke categorieën van gevallen zij de aanvraag voor een
                            omgevingsvergunning voor het bouwen niet aan de Commissie Ruimtelijke
                            Kwaliteit hebben voorgelegd en op welke wijze zij in die gevallen zelf
                            toepassing hebben gegeven aan de welstandscriteria; </al></li>
          <li nr="-"><al>in welke categorieën van gevallen zij tot aanschrijving op grond van
                            ‘ernstige strijdigheid met redelijke eisen van welstand‘ (op grond van
                            artikel 19 van de Woningwet) zijn overgegaan en of zij na die
                            aanschrijving zijn overgegaan tot bestuursdwang. </al></li>
        </lijst>
        <al>Het verslagjaar loopt van januari tot en met december. </al>
        <al>De rapportage wordt jaarlijks tegelijk met het jaarverslag van de Commissie
                    Ruimtelijke Kwaliteit aangeboden aan de gemeenteraad. </al>
        <tussenkop>10. Advisering over bijzondere plannen</tussenkop>
        <al/>
        <tussenkop>Artikel 32 Advisering over plannen betreffende een beschermd monument </tussenkop>
        <al>Indien een omgevingsvergunning voor het bouwen betrekking heeft op een beschermd
                    monument, vindt advisering op grond van artikel 11 van de Monumentenwet plaats
                    gescheiden van de advisering op grond van artikel 12 van de Woningwet. </al>
        <al>De gemeente heeft een afzonderlijke monumentencommissie ingesteld voor de
                    advisering in het kader van artikel 11 van de Monumentenwet. Deze commissie
                    brengt haar advies uit voordat het plan aan de Adviescommissie voor Ruimtelijke
                    Kwaliteit wordt voorgelegd. Het advies van de monumentencommissie wordt daarbij
                    ter kennis gebracht van de Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. </al>
        <tussenkop>Artikel 33 Advisering bij plannen onder supervisie </tussenkop>
        <al>De gemeente kan voor bepaalde (nieuw te ontwikkelen) gebieden een supervisor
                    aanstellen met als taak de ruimtelijke kwaliteit te stimuleren en planindieners
                    en ontwerpers in de vroege fasen van de planvorming reeds te informeren en te
                    begeleiden. </al>
        <al>Bij het aanstellen van een supervisor zal worden zorggedragen voor een heldere
                    taakomschrijving en een goede afstemming tussen supervisie en
                    welstandsbeoordeling. </al>
        <al>Daarbij gelden de volgende uitgangspunten: </al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>de supervisor formuleert de welstandscriteria voor het gebied; </al></li>
          <li nr="-"><al>de welstandscriteria gelden na vaststelling door de gemeenteraad als
                            leidraad voor de planbegeleiding door de supervisor én als kader voor de
                            welstandsbeoordeling; </al></li>
          <li nr="-"><al>tijdens het planvormingsproces is de supervisor verantwoordelijk voor
                            tijdige rapportage aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit; </al></li>
          <li nr="-"><al>controversiële kwesties kunnen leiden tot vooroverleg van de Commissie
                            Ruimtelijke Kwaliteit met de ontwerper, de planindiener en/of de
                            supervisor; </al></li>
          <li nr="-"><al>bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen vindt de
                            definitieve welstandsbeoordeling door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit
                            plaats, tenzij de supervisor is benoemd als lid van de Commissie
                            Ruimtelijke Kwaliteit en door de commissie is gemandateerd om ook de
                            welstandsadviezen te geven. Bij deze beoordeling houdt de commissie
                            rekening met wat er tijdens het begeleidingsproces is besproken en
                            besloten.</al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 34 Advisering bij plannen na een ontwerpwedstrijd </tussenkop>
        <al>Bij een ontwerpwedstrijd of een ontwikkelingscompetitie worden de inzendingen
                    beoordeeld door een speciaal aangewezen jury of beoordelingscommissie. Dit kan
                    nooit de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit als zodanig zijn. Een lid van de
                    Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan wel (op persoonlijke titel) worden
                    aangewezen als lid van een jury of beoordelingscommissie. </al>
        <al>De inzendingen van een ontwerpwedstrijd of een ontwikkelingscompetitie kunnen
                    als principeaanvraag voor advies worden voorgelegd aan de Commissie Ruimtelijke
                    Kwaliteit. </al>
        <al>De gemeente zal stimuleren dat in het wedstrijdprogramma in samenhang met de
                    stedenbouwkundige randvoorwaarden ook expliciete welstandscriteria worden
                    opgenomen, meestal als uitwerking van de welstandscriteria uit de welstandsnota. </al>
        <tussenkop>Artikel 35 Advisering over ruimtelijke plannen en beleidsnota’s </tussenkop>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit brengt op verzoek van burgemeester en
                    wethouders advies uit over de welstandsaspecten van in voorbereiding zijnde
                    bestemmingsplannen, stedenbouwkundige plannen en andere relevante
                    beleidsstukken. </al>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit brengt binnen drie maanden schriftelijk
                    advies uit aan burgemeester en wethouders over de aan haar voorgelegde
                    ruimtelijke plannen en beleidsnota’s. </al>
        <al>Na de vaststelling van het plan of de nota ontvangt de Commissie Ruimtelijke
                    Kwaliteit een definitief exemplaar en een reactie op haar eerder uitgebrachte
                    advies. </al>
        <tussenkop>11. Ondersteuning van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 36 Ondersteuning vanuit de gemeentelijke organisatie </tussenkop>
        <al>Burgemeester en wethouders wijzen een ambtelijk plantoelichter aan. </al>
        <al>De ambtelijke plantoelichter ondersteunt de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op
                    zodanig wijze dat deze optimaal kan functioneren bij de uitoefening van haar
                    taken als onafhankelijk adviesorgaan van het gemeentebestuur. </al>
        <al>De ambtelijke plantoelichter is op geen enkele wijze, anders dan informatief,
                    betrokken bij of verantwoordelijk voor de inhoud van de beraadslagingen en de
                    advisering door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. </al>
        <al>De ambtelijke plantoelichter is in principe aanwezig bij de vergaderingen van de
                    Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en fungeert als dagelijks aanspreekpunt van de
                    commissie. </al>
        <al>De ambtelijke plantoelichter onderhoudt de contacten met de ambtelijke diensten
                    (met name het bouwtoezicht en stedenbouw), neemt de adviesaanvragen voor
                    bouwplannen in en bereidt de behandeling van de bouwplannen in de Commissie
                    Ruimtelijke Kwaliteit voor. Hij of zij controleert of de bouwplannen (inclusief
                    de bouwplannen die worden aangeboden voor vooroverleg) zijn voorzien van de voor
                    de welstandstoets benodigde bescheiden en draagt zorg voor de benodigde
                    informatie over de omgeving, de locatie en het bouwplan, en overigens alle voor
                    de beoordeling relevante informatie. </al>
        <al>De ambtelijke plantoelichter draagt er zorg voor dat bij bouwplannen de
                    planologische aanvaardbaarheid bekend is. Indien het plan niet voldoet aan de
                    vigerende bestemmingsplanbepalingen dient duidelijk te zijn of de gemeente wil
                    meewerken aan een vrijstellingsprocedure en of het advies van de Commissie
                    Ruimtelijke Kwaliteit mede bepalend is voor het inzetten van deze procedure. In
                    principe worden bouwplannen aan de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit voorgelegd
                    die niet om andere redenen moeten worden geweigerd. </al>
        <al>De ambtelijke plantoelichter verzorgt (in overleg met de secretaris en of de
                    voorzitter) de agendering en draagt er zorg voor dat de Commissie Ruimtelijke
                    Kwaliteit kan adviseren binnen de voorgeschreven beslistermijn. </al>
        <al>Tijdens de gemandateerde vergadering introduceert de ambtelijke plantoelichter
                    de bouwplannen. </al>
        <al>Hij of zij neemt geen deel aan de beoordeling maar informeert de commissie over
                    alle relevante aspecten van het bouwplan. Tijdens de (plenaire) vergadering
                    introduceert de ambtelijk plantoelichter, de architect-secretaris of de
                    gemandateerde de bouwplannen. </al>
        <al>De ambtelijke plantoelichter maakt de afspraken tussen planindieners en/of
                    ontwerpers en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit via de administratie van DSL. </al>
        <al>De ambtelijke plantoelichter geeft planindieners en/of ontwerpers de eerste
                    mondelinge toelichting op het welstandsadvies. </al>
        <al>De ambtelijke plantoelichter verzamelt de kwantitatieve gegevens voor de
                    rapportage van burgemeester en wethouders en neemt deel aan het evaluatieoverleg
                    tussen het gemeentebestuur en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. </al>
        <tussenkop>Artikel 38 Ondersteuning vanuit DSL </tussenkop>
        <al>DSL wijst een vakinhoudelijk secretaris (architect-secretaris) aan.</al>
        <al>De architect-secretaris ondersteunt de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit op
                    zodanig wijze dat deze optimaal kan functioneren bij uitoefening van haar taken
                    als onafhankelijk adviesorgaan van het gemeentebestuur. </al>
        <al>De architect-secretaris kan zowel een lid van de commissie zijn als een
                    derde.</al>
        <al>De architect-secretaris stelt het vergaderrooster op en draagt zorg voor de
                    organisatorische contacten met de gemeente via de ambtelijke plantoelichter. </al>
        <al>De architect-secretaris is verantwoordelijk voor de organisatie en het verloop
                    van de vergaderingen en is in principe aanwezig bij alle vergaderingen van de
                    Adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit</al>
        <al>De architect-secretaris stelt de vergaderverslagen op en zorgt voor de
                    administratieve verwerking van de welstandsadviezen. </al>
        <al>De architect-secretaris is medeverantwoordelijk voor de deugdelijkheid van de
                    adviezen. </al>
        <al>De architect-secretaris zorgt bij incidentele afwezigheid van de voorzitter of
                    één van de architectleden, indien nodig, voor een gekwalificeerde vervanger. </al>
        <al>De architect-secretaris verzamelt de kwantitatieve gegevens voor het jaarverslag
                    van de </al>
        <al>Commissie Ruimtelijke Kwaliteit en neemt deel aan het evaluatieoverleg tussen
                    het gemeentebestuur en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. </al>
        <al>De architect-secretaris legt wat betreft de organisatorische en budgettaire
                    aspecten verantwoording af aan (de directeur van) DSL. </al>
        <tussenkop>Artikel 39 Adviseur </tussenkop>
        <al>Indien de aard van een te beoordelen plan dan wel het beleid daartoe aanleiding
                    geeft kunnen burgemeester en wethouders en de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit in
                    overleg treden over de mogelijkheid om op ad hoc of permanente basis specifieke
                    deskundigen als adviseur van de commissie te raadplegen. </al>
        <al>De adviseur is geen lid van de commissie maar wordt voorafgaand aan de
                    beraadslaging in de gelegenheid gesteld zijn of haar visie op het plan te geven.
                    De adviseur neemt geen deel aan de beraadslaging en heeft geen stem in de
                    eindbeoordeling. </al>
        <al>De adviseur is op geen enkele wijze anders dan informatief betrokken bij of
                    verantwoordelijk voor de inhoud van de beraadslagingen en de advisering door de
                    Commissie Ruimtelijke Kwaliteit </al>
        <al>De aanwezigheid van een adviseur wordt altijd vermeld in het vergaderverslag. </al>
        <tussenkop>12. Vergaderorde </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 40 Vergadering </tussenkop>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit vergadert volgens een jaarlijks vast te
                    stellen vergaderrooster waarin ook de vergaderlocatie(s) word(t)(en) vastgelegd. </al>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit kan slechts adviezen uitbrengen indien
                    tenminste twee leden of hun plaatsvervangers aanwezig zijn, tenzij één van de
                    architect leden namens de commissie gemandateerd is tot het geven van een al dan
                    niet voorwaardelijk positief advies. </al>
        <al>De vergadering van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit verloopt volgens een vast
                    protocol: </al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>Opening door de voorzitter </al></li>
          <li nr="-"><al>Vaststellen verslag van de vorige vergadering </al></li>
          <li nr="-"><al>Welkom en uitleg aan bezoekers op de publieke tribune </al></li>
          <li nr="-"><al>Inventarisatie van bezoekers die gebruik wensen te maken van spreekrecht
                            en vaststelling van de spreektijd. </al></li>
          <li nr="-"><al>Verslag van de gemandateerde werkzaamheden die onder de openbaarheid
                            vallen </al></li>
          <li nr="-"><al>Behandeling van bouwplannen die onder de openbaarheid vallen </al></li>
          <li nr="-"><al>Sluiting </al></li>
        </lijst>
        <al>Voorafgaand of na afloop van de vergadering vinden besloten besprekingen plaats
                    met de volgende agendapunten: </al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>Verslag van gemandateerde werkzaamheden die niet onder de openbaarheid
                            vallen </al></li>
          <li nr="-"><al>Behandeling van bouwplannen die niet onder de openbaarheid vallen </al></li>
          <li nr="-"><al>Behandeling van ruimtelijke plannen en andere beleidsnota’s </al></li>
          <li nr="-"><al>Overige taken en activiteiten van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit
                        </al></li>
          <li nr="-"><al>Evaluatie van de vergadering en punten voor het jaarverslag </al></li>
          <li nr="-"><al>Vaststelling van het verslag </al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 41 Behandeling van een bouwplan </tussenkop>
        <al>De behandeling van een bouwplan verloopt volgens een vast protocol: </al>
        <lijst>
          <li nr="-"><al>Indien aanwezig: ontvangst van planindiener en/of ontwerper en uitleg
                            van de gang van zaken door de voorzitter </al></li>
          <li nr="-"><al>Introductie van het plan door de ambtelijk plantoelichter, de
                            architect-secretaris of de gemandateerde, waarbij de status van de
                            planologische aanvaardbaarheid wordt aangegeven </al></li>
          <li nr="-"><al>Gelegenheid voor een korte toelichting op de planfilosofie en de
                            gemaakte keuzes in relatie tot de welstandscriteria, door planindiener
                            en/of ontwerper </al></li>
          <li nr="-"><al>Gelegenheid voor korte toelichting door eventuele adviseurs van de
                            Commissie Ruimtelijke Kwaliteit </al></li>
          <li nr="-"><al>Gelegenheid voor vragen door de commissieleden </al></li>
          <li nr="-"><al>Start van de beraadslaging, waarbij de voorzitter vaststelt welke
                            welstandscriteria van toepassing zijn en op welke manier deze worden
                            behandeld </al></li>
          <li nr="-"><al>Beraadslaging door de commissieleden, waarbij de voorzitter elk
                            commissielid in de gelegenheid stelt zijn of haar mening voldoende te
                            uiten </al></li>
          <li nr="-"><al>Conclusies, alleen indien noodzakelijk formele stemming </al></li>
          <li nr="-"><al>Samenvatting van het uit te brengen advies door de voorzitter, als basis
                            voor de schriftelijke uitwerking door de architect-secretaris. </al></li>
        </lijst>
        <tussenkop>Artikel 42 Stemming </tussenkop>
        <al>Indien de voorzitter het noodzakelijk acht, kan besloten worden tot een formele
                    stemming. Alle aanwezige commissieleden dan wel hun plaatsvervangers, brengen
                    één stem uit omtrent het uit te brengen advies. De commissie beslist omtrent het
                    uit te brengen advies bij meerderheid van stemmen. </al>
        <al>Bij staking van de stemmen wordt de zienswijze van de voor- en tegenstanders
                    schriftelijk aan burgemeester en wethouders medegedeeld. </al>
        <tussenkop>Artikel 43 Vervanging </tussenkop>
        <al>Onder incidentele verhindering wordt verstaan een enkele keer per jaar
                    voorkomende afwezigheid wegens andere verplichtingen, en onvoorziene afwezigheid
                    wegens overmacht. </al>
        <al>Bij incidentele verhindering van de voorzitter kiest de commissie uit de
                    aanwezige leden een vervangend voorzitter. Eventueel zorgt DSL via de
                    architect-secretaris voor een gekwalificeerde vervanger uit één andere onder de
                    Stichting DSL ressorterende Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. </al>
        <al>Bij incidentele verhindering van één van de architectleden zorgt DSL via de
                    architect-secretaris, indien voor de vergaderorde noodzakelijk, voor een
                    gekwalificeerde vervanger. </al>
        <al>Bij incidentele verhindering van de architect-secretaris wordt deze vervangen
                    door een door DSL aan te wijzen plaatsvervanger. </al>
        <al>Bij incidentele verhindering van het gemandateerd commissielid wordt deze
                    vervangen door een door DSL aan te wijzen plaatsvervanger. </al>
        <al>Bij verhindering van de ambtelijk plantoelichter wordt deze vervangen door een
                    door burgemeester en wethouders aan te wijzen plaatsvervanger. </al>
        <al>Bij langdurige of structureel terugkerende verhindering van één van de leden van
                    de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit benoemt de gemeenteraad een vaste
                    plaatsvervanger volgens het protocol van art. 8, 9, en 10. </al>
        <tussenkop>Artikel 44 Onderzoek ter plaatse </tussenkop>
        <al>De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit stelt een onderzoek ter plaatse in, indien
                    zij bij de beoordeling van een bouwplan van oordeel is dat dit onderzoek
                    redelijkerwijs voor de vervulling van haar taak nodig is. </al>
        <tussenkop>Artikel 45 Verslagen </tussenkop>
        <al>De architect-secretaris maakt het verslag van de vergadering van de (plenaire)
                    commissie. </al>
        <al>In dit verslagen worden opgenomen de besluiten van het gemandateerde
                    commissielid ter zake van de al dan niet voorwaardelijk goedgekeurde
                    bouwplannen. </al>
        <al>De verslagen bevatten de samengevatte welstandsadviezen over aan de commissie
                    voorgelegde bouwplannen (zowel de aanvragen voor een omgevingsvergunning voor
                    het bouwen als de principeaanvragen). </al>
        <al>De verslagen bevatten tevens een beknopt verslag van alle andere
                    gespreksonderwerpen van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. </al>
        <al>De architect-secretaris zendt de verslagen in principe binnen 5 werkdagen na de
                    vergadering ter kennisname aan burgemeester en wethouders. </al>
        <tussenkop>13. Financiële vergoeding </tussenkop>
        <tussenkop>Artikel 46 Vergoeding</tussenkop>
        <al>De voorzitter en de leden genieten een door DSL te bepalen en te betalen
                    uurtarief en een vergoeding van de reiskosten. </al>
        <tussenkop>14. Vaststelling en bekendmaking </tussenkop>
        <al>Op het tijdstip van inwerkingtreding van dit reglement van orde vervalt het
                    eerdere besluit van de gemeenteraad tot het vaststellen van het huidige
                    reglement van orde op de welstandscommissie.</al>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Bijlage 10</titel>
        </kop>
        <al/>
        <tussenkop>Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties)
                    (vervallen)</tussenkop>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Bijlage 11</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsinstallatie)
                    (vervallen)</tussenkop>
      </bijlage>
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>Bijlage 12</titel>
        </kop>
        <tussenkop>Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding)
                    (vervallen)</tussenkop>
      </bijlage>
      
      <bijlage>
        <kop>
          <titel>INHOUDSOPGAVE</titel>
        </kop>
        <al>
          <vet>Hoofdstuk</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>1 Inleidende bepalingen </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>2 De aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen</vet>
        </al>
        <al>Paragraaf 1 Gegevens en bescheiden </al>
        <al>Paragraaf 2 Behandeling van de aanvraag om bouwvergunning </al>
        <al>Paragraaf 3 Welstandstoetsing </al>
        <al>Paragraaf 4 Het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem </al>
        <al>Paragraaf 5 Voorschriften van stedenbouwkundige aard en bereikbaarheids- </al>
        <al> eisen </al>
        <al>Paragraaf 6 Voorschriften inzake brandveiligheidinstallaties en vluchtroute </al>
        <al>
          <cursief> aanduidingen</cursief>
        </al>
        <al>Paragraaf 7 Aansluitplicht op de nutsvoorzieningen </al>
        <al>
          <vet>3 De melding</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>4 Plichten tijdens en bij voltooiing van de bouw en bij ingebruikneming van
                        een bouwwerk</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>5 Staat van open erven en terreinen, brandveiligheids- installaties, aan-
                        sluiting op de nutsvoorzieningen en weren van schadelijk en
                        hinderlijkgedierte </vet>
        </al>
        <al>Paragraaf 1 Staat van open erven en terreinen </al>
        <al>Paragraaf 2 Staat van brandveiligheidinstallaties en vluchtrouteaanduidingen </al>
        <al>Paragraaf 3 Aansluiting op de nutsvoorzieningen </al>
        <al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid </al>
        <al>
          <vet>6 Brandveilig gebruik (vervallen) </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>7 Overige gebruiksbepalingen </vet>
        </al>
        <al>Paragraaf 1 Overbevolking </al>
        <al>Paragraaf 2 Staken van het gebruik </al>
        <al>Paragraaf 3 Gebruik van bouwwerken, open erven en terreinen </al>
        <al>Paragraaf 4 Het weren van schadelijk of hinderlijk gedierte. Reinheid </al>
        <al>Paragraaf 5 Watergebruik </al>
        <al>Paragraaf 6 Installaties </al>
        <al>
          <vet>8 Slopen </vet>
        </al>
        <al>Paragraaf 1 Omgevingsvergunning voor het slopen </al>
        <al>Paragraaf 2 Een omgevingsvergunning voor het slopen </al>
        <al>Paragraaf 3 Verplichtingen tijdens het slopen </al>
        <al>Paragraaf 4 Vrij slopen </al>
        <al>
          <vet>9 Welstand </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>10 Overige administratieve bepalingen</vet>
        </al>
        <al>
          <vet>11 Handhaving </vet>
        </al>
        <al>
          <vet>12 Straf-, overgangs- en slotbepalingen</vet>
        </al>
        <al>Bijlage 1 Gegevens en bescheiden aanvraag bouwvergunning</al>
        <al>Bijlage 2 Gegevens en bescheiden aanvraag gebruiksvergunning
                        (vervallen<cursief>)</cursief></al>
        <al>Bijlage 3 Gebruikseisen voor bouwwerken (vervallen)</al>
        <al>Bijlage 4 Gebruikseisen voor bouwwerken met uitzondering van de niet- </al>
        <al> gemeenschappelijke ruimten in woonfuncties (vervallen)</al>
        <al>Bijlage 5Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen)</al>
        <al>Bijlage 6Opslag brandgevaarlijke stoffen (vervallen)</al>
        <al>Bijlage 7Kwaliteitseisen voor buizen en hulpstukken van de buitenriolering op
                    erven en terreinen </al>
        <al>Bijlage 8Checklist voor de visuele inspectie van woningen en daarmee </al>
        <al> vergelijkbare bouwwerken op de aanwezigheid van asbest (vervallen) </al>
        <al>Bijlage 9 Reglement op de welstandscommissie</al>
        <al>Bijlage 10 Tabel 2.6.1 behorende bij artikel 2.6.1 (brandmeldinstallaties) </al>
        <al>Bijlage 11 Tabel 2.6.5 behorende bij artikel 2.6.5 (ontruimingsinstallatie)
                    (vervallen)</al>
        <al>Bijlage 12 Tabel 2.6.8 behorende bij artikel 2.6.8 (vluchtrouteaanduiding) </al>
      </bijlage>
    </regeling>
  </body>
</cvdr>