<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?><cvdr xmlns="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:overheid="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/" xmlns:overheidrg="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/meta/" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xsi:schemaLocation="http://standaarden.overheid.nl/cvdr/terms/  http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xsd/cvdr.xsd"><!--export0.91--><!--volledig0.92--><!--wrapper0.90--><!--modificeer_20.90--><!--cvdr2gvop0.94--><!--pre_struct0.90--><!--pre_source0.93--><!--meta.xsl(cvdr2gvop)0.92--><!--metadata_tussenformaat0.91--><meta xmlns:msxsl="urn:schemas-microsoft-com:xslt" xmlns:xhtml="http://www.w3.org/1999/xhtml"><owmskern><dcterms:identifier>CVDR234326_2</dcterms:identifier><dcterms:title>Notitie verbranden van snoeihout in het buitengebied</dcterms:title><dcterms:language>nl</dcterms:language><dcterms:type scheme="overheid:Informatietype">regeling</dcterms:type><dcterms:creator scheme="overheid:Gemeente">Oirschot</dcterms:creator><dcterms:modified>2018-04-24</dcterms:modified><dcterms:spatial scheme="overheid:Gemeente">Oirschot</dcterms:spatial></owmskern><owmsmantel><dcterms:isFormatOf resourceIdentifier="">Oirschots Weekjournaal, 20-04-2004</dcterms:isFormatOf><dcterms:alternative>Notitie verbranden snoeihout in het buitengebied</dcterms:alternative><dcterms:source resourceIdentifier="http://wetten.overheid.nl/BWBR0003245/Hoofdstuk10/Titel108/Artikel1063/">Artikel 10.63 lid 2 Wet milieubeheer</dcterms:source><dcterms:source resourceIdentifier="http://www.oirschot.nl/index.php?simaction=content&amp;mediumid=20&amp;pagid=1629&amp;stukid=29665">Artikel 5:34 Algemene plaatselijke verordening</dcterms:source><overheid:isRatifiedBy scheme="overheid:BestuursorgaanGemeente">college van burgemeester en wethouders</overheid:isRatifiedBy><dcterms:subject>milieu</dcterms:subject><dcterms:issued>2004-04-13</dcterms:issued><dcterms:rights>De tekst in dit document is vrij van auteursrecht en
                    databankrecht</dcterms:rights></owmsmantel><cvdripm><overheidrg:inwerkingtredingDatum>2004-04-28</overheidrg:inwerkingtredingDatum><overheidrg:uitwerkingtredingDatum>2017-09-28</overheidrg:uitwerkingtredingDatum><overheidrg:betreft>Nieuw beleid</overheidrg:betreft><overheidrg:kenmerk>MSS</overheidrg:kenmerk><overheidrg:onderwerp>Notitie verbranden van snoeihout in het buitengebied stookbeleid</overheidrg:onderwerp><overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><al>N.v.t.</al></overheidrg:gedelegeerdeRegelgeving><overheidrg:redactioneleToevoeging><al>Deze regeling is per 28 september 2017 ingetrokken door het besluit Intrekken <extref doc="https://www.officielebekendmakingen.nl/gmb-2017-161137.html">Notitie verbranden van snoeihout in het Buitengebied</extref>.</al></overheidrg:redactioneleToevoeging></cvdripm></meta><body><intitule>Notitie verbranden van snoeihout in het buitengebied</intitule><regeling><aanhef><preambule><al/></preambule></aanhef><regeling-tekst><artikel><kop><label>Artikel</label><nr>1</nr><titel/></kop><al>Notitie verbranden van snoeihout in het buitengebied.</al><al>Inleiding</al><al>Op 23 mei 2003 is het nieuwe artikel 10.2 van de Wet milieubeheer in werking getreden (Staatsblad 2003,189 en 2003, 213). </al><al>Door de wijziging van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer geldt er op dit moment een algeheel landelijk stookverbod van </al><al>afvalstoffen. Dit betekent dat de gemeente Oirschot, net als alle andere gemeenten in Nederland geen stookvergunningen </al><al>meer mag uitgeven op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: APV). Dat is natuurlijk erg vervelend voor </al><al>met name bewoners van het buitengebied. De gemeente heeft daarom een ontheffingenbeleid gemaakt voor het verbran-</al><al>den van snoeihout in het Buitengebied. Dit ontheffingenbeleid is gebaseerd op artikel 10.63, tweede lid van de Wet milieu-</al><al>beheer. Ook artikel 5.5.1. van de Algemene Plaatselijke Verordening blijft in bepaalde situaties van toepassing.</al><al>Voorheen ontheffingenbeleid op grond van de APV</al><al>Het verbod op het verbranden van afvalstoffen was tot 23 mei 2003 geregeld in de Algemene Plaatselijke Verordening </al><al>van de gemeente Oirschot. In artikel 5.5.1. is aangegeven dat het verboden is in de open lucht vuur aan te leggen, te </al><al>stoken of te hebben. Burgemeester en wethouders kunnen een ontheffing verlenen van dit verbod. Het verbranden van </al><al>snoeihout werd tot voorkort telefonisch gemeld, waarna er onder van te voren bekendgemaakte voorwaarden gestookt </al><al>kon worden. In onze gemeente wordt veel snoeihout verbrand. In 2003 zijn 1302 stookvergunning-en verleend, in 2002 </al><al>waren dat er 1385 en in 2001 zijn 1252 stookvergunningen verleend.</al><al>Wetswijziging artikel 10.2 van de Wet milieubeheer</al><al>Het nieuwe artikel 10.2, eerste lid van de Wet milieubeheer luidt: “Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door </al><al>deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden”.</al><al>Artikel 10.63, tweede lid geeft de bevoegdheid om een ontheffing te verlenen voor het verbranden van afvalstoffen buiten </al><al>inrichtingen. Artikel 10.63, tweede lid van de Wet milieubeheer zegt dat: “Burgemeester en wethouders kunnen, indien </al><al>het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van het in artikel 10.2, </al><al>eerste lid, gestelde verbod om zich van afvalstoffen te ontdoen door deze buiten een inrichting te verbranden, voor </al><al>zover het geen gevaarlijke afvalstoffen betreft”. Op grond van artikel 10.64 van de Wet milieubeheer zijn de artikelen </al><al>8.5 tot en met 8.25 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing op een ontheffing van dit verbrandings-</al><al>verbod. In artikel 8.6 van de Wet milieubeheer worden de paragrafen 3.5.2 tot en met 3.5.5 van de Algemene wet be-</al><al>stuursrecht van toepassing verklaard. Dit is de uitgebreide voorbereidingsprocedure.</al><al>Een ontheffing of melding</al><al>Door de wijziging van de Wet milieubeheer kan niet meer volstaan worden met het doen van een melding. In de nieuwe </al><al>situatie is spraken van een ontheffingenstelsel in plaats van een meldingenstelsel.</al><al>In deze notitie wordt het ontheffingenbeleid voor het verbranden van snoeihout in het Buitengebied van de gemeente </al><al>Oirschot geregeld. Tevens zijn er een drietal criteria ontwikkeld om een duidelijk afwegingskader te creëren en worden </al><al>ontheffingsvoorschriften genoemd. Een van die criteria is een ontheffing te verlenen voor het verbranden van snoeihout </al><al>en niet voor het verbranden van onbehandeld of onbewerkt hout. In de praktijk blijkt dat deze term voor veel onduidelijk-</al><al>heid zorgt en diverse meningsverschillen oplevert tussen de ‘verbrander’ en de toezichthoudende instanties.</al><al>Waarvoor is een ontheffing mogelijk</al><al>De VNG en de minister hebben een terughoudend ontheffingenbeleid geadviseerd aan de gemeenten. Vreugdevuren </al><al>en ziektebestrijding hebben nooit ter discussie gestaan. Bij de kamerbehandeling van het wetsvoorstel heeft de Twee-</al><al>de Kamer uitgebreid met de minister gediscussieerd over de vraag welke afvalstoffen onder de ontheffingsbevoegdheid </al><al>komen te vallen. De minister heeft daarop geantwoord dat snoeihout, fruitsnoeihout, riet en aardappel- en aspergeloof </al><al>onder de ontheffing kunnen vallen. Hij sprak in zijn algemeen over hout dat je van bomen of struiken afhaalt om het na-</al><al>tuurlijke proces om welke reden dan ook te bevorderen. De VNG geeft aan dat het bevoegd gezag zelf invulling kan ge-</al><al>ven aan een eventueel ontheffingenbeleid. Gemeenten kunnen ook in de nieuwe wetgeving een absoluut stookverbod </al><al>hanteren.</al><al>In de toelichting op de wijziging van de Wet milieubeheer schrijft de minister van VROM: “ik ga ervan uit dat de gemeen-</al><al>ten, overeenkomstig het VNG-standpunt hieromtrent, terughoudend zullen zijn bij het verlenen van een ontheffing van </al><al>het verbrandingsverbod. Uitgangspunt blijft dat eerst wordt onderzocht of er hoogwaardiger verwerkingsmethoden zo-</al><al>als versnipperen of composteren, mogelijk zijn. Aan de woorden “indien het belang van de bescherming van het milieu </al><al>zich daartegen niet verzet” moet zo invulling worden gegeven dat de gemeenten alleen een ontheffing verlenen voor het </al><al>verbranden van snoeihout dat vrijkomt bij het onderhoud van cultuurlandschappen. Dit kan hetzij regelmatig kleinschalig </al><al>gebeuren, hetzij meer incidenteel bijvoorbeeld in geval van een vreugdevuur. Geen ontheffing kan worden verleend voor </al><al>het verbranden van gevaarlijke afvalstoffen. Daarnaast is het noodzakelijk dat via voorschriften aan de ontheffing voorko-</al><al>men wordt dat andere afvalstoffen, zoals huishoudelijk afval, verf, olie of banden, worden meeverbrand”.</al><al>Ontheffing voor een bepaalde tijd</al><al>Volgens het ministerie van VROM moet een ontheffing op grond van artikel 10.63 voor bepaalde tijd worden verleend. </al><al>Het gaat om een ontheffing van een wettelijk verbod oftewel een uitzondering op de regel. Het verlenen van een ont-</al><al>heffing voor onbepaalde tijd verhoudt zich hiermee per definitie niet. Het zou daarmee een soort vergunningstelsel </al><al>worden. Een ontheffing moet daarom altijd voor een bepaalde tijd worden verleend. Na verloop van tijd kunnen er </al><al>bijvoorbeeld mogelijkheden komen om de betreffende afvalstoffen op een hoogwaardiger wijze te verwerken in plaats </al><al>van te verbranden. Er is sprake van een bevoegdheid van de gemeente om een ontheffing te kunnen verlenen. Er is </al><al>geen ontheffingsplicht! De gemeente Oirschot kiest voor een geldigheidsduur van de ontheffing voor een periode van </al><al>drie jaar.</al><al>Definitie snoeihout (uit mondelinge behandeling wetsvoorstel): hout dát je van bomen of struiken haalt om het natuurlijk </al><al>proces om welke reden dan ook te bevorderen.</al><al>Een individuele ontheffing </al><al>De gemeente kan niet voor alle burgers in de gemeente of branchegericht één ontheffing op grond van artikel 10.63, </al><al>tweede lid van de Wet milieubeheer verlenen. Een ontheffing is namelijk een uitzondering op een verbod (in dit geval </al><al>een verbrandingsverbod) in individuele situaties. Het verlenen van een ontheffing voor een grote groep van burgers </al><al>zou in feite neerkomen op een vrijstelling. Artikel 10.63, tweede lid van de Wet milieubeheer biedt voor een vrijstelling </al><al>of het verlenen van één algemene ontheffing voor een groep van mensen geen ruimte. Bij de totstandkoming van </al><al>artikel 10.63, tweede lid van de Wet milieubeheer heeft de toenmalige minister van VROM uitdrukkelijk aangegeven </al><al>dat, hoewel de gemeente de bevoegdheid heeft om een ontheffing te verlenen van het verbrandingsverbod, met deze </al><al>bevoegdheid terughoudend moet worden omgegaan. Het verlenen van één ontheffing aan een grote groep of een vrij-</al><al>stelling is eveneens in strijd met de terughoudendheid die volgens de wetgever in acht moet worden genomen.</al><al>De praktijk</al><al>In de praktijk gaat het bij het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen voornamelijk om snoeihout. Met name in</al><al>het Buitengebied is het een ingeburgerde praktijk en wordt het verbranden van snoeihout algemeen geaccepteerd. </al><al>Het snoeihout wordt verbrand in de open lucht. Er vindt in de praktijk echter ook regelmatig vervuiling plaats doordat </al><al>andere afvalstoffen worden verbrand. Veel gebruik wordt gemaakt van vloeibare brandstoffen, zoals bijvoorbeeld </al><al>benzine, petroleum of afgewerkte olie, om het vuur aan te maken. Deze vloeibare brandstoffen vormen een grote </al><al>bedreiging voor het milieu, los van de emissie van schadelijke stoffen, doordat ze ook in de bodem terechtkomen </al><al>en er daardoor bodemverontreiniging optreedt. In de praktijk blijkt dat er vaak ook andere afvalstoffen worden ver-</al><al>brand. Hierbij dient te worden gedacht aan plastic, autobanden, kabels, bouwmaterialen enz. Deze verontreiniging </al><al>met andere afvalstoffen leidt er toe dat nog meer schadelijke stoffen worden uitgestoten.</al><al>In het groenconvenant tussen de ZLTO, IVN en de gemeente in verband met het erfbeplantings-project staat het </al><al>volgende vermeld: “Onderhoudsmaatregelen ter instandhouding van ‘vrij’ groen zijn niet aan regels gebonden. </al><al>De verwerking van snoeihout kan plaatsvinden via composteren, versnippering, opslag tussen de beplanting of, </al><al>als minst milieuvriendelijke optie, verbranden. Voor dit laatste is op basis van de APV een gemeentelijke stook-</al><al>ontheffing vereist”. Mede gezien het hoge aantal deelnemers met de erfbeplantingsprojecten hebben wij gekozen </al><al>voor een ontheffingen-beleid. De gemeente Oirschot hoeft in principe geen gebruik te maken van de ontheffings-</al><al>mogelijkheid en kan besluiten om alleen de alternatieven toe te staan, zoals bijvoorbeeld het versnipperen of het </al><al>afvoeren naar de milieustraat. Gezien de huidige praktijk in Oirschot en omgeving verlenen wij in beperkte mate </al><al>ontheffingen om te grote weerstand te voorkomen.</al><al>Bodembeschermende voorschriften</al><al>In de ontheffing op grond van de Wet milieubeheer kunnen voorschriften worden opgenomen over bodembescher-</al><al>mende voorzieningen en maatregelen. De grondslag van zulke voorschriften is artikel 10.63 tweede lid van de Wet </al><al>milieubeheer. In de ontheffing zelf zal een directe verwijzing naar de zorgplicht van artikel 13 van de Wet bodembe-</al><al>scherming worden opgenomen. In het commentaar van het gewijzigde artikel 5.5.1 van de model-APV is de ont-</al><al>heffing op grond van artikel 10.63, tweede lid van de Wet milieubeheer nader toegelicht. </al><al>Er staat het volgende geschreven: “Verder dient in de ontheffing op grond van de Wet milieubeheer te worden </al><al>verwezen naar artikel 13 van de Wet bodembescherming, waarin een algemene zorgplicht voor de bodem is op-</al><al>genomen die voor een ieder geldt. Dit houdt in dat de verbranding geen bodemverontreiniging mag veroorzaken”.</al><al>Milieuhygiënische effecten</al><al>Het verbranden van snoeihout in het Buitengebied gebeurt niet onder ideale omstandigheden. Een onvolledige </al><al>verbranding door een te lage temperatuur is het gevolg, waardoor er aanzienlijk meer schadelijke stoffen ontstaan. </al><al>Het betreft NOx, SOx, CO, CO2, CH4, PAK´s, kwik en roet. Ook blijven onverbrande resten achter op de bodem. </al><al>De uitstoot van deze stoffen neemt met minimaal een factor 100 toe in vergelijking met een afvalverbrandings-</al><al>installatie (Bos, 2002 en Boonstra, 1997). Al met al draagt het verbranden van hout bij aan milieuproblemen als </al><al>verzuring (NOx en SOx), het broeikaseffect (CO, CO2 en CH4), lokale milieuhygiënische gevaren als verspeiding </al><al>van PAK´s en hindereffecten als prikkelende ogen, slijmvorming, misselijkheid en hoofdpijn (Bos 2002 en </al><al>Boonstra 1997).</al><al>Alternatieven voor verbranden van snoeihout</al><al>In artikel 10.4 van de Wet milieubeheer is de zogenaamde Ladder van Lansink opgenomen, waarbij gesproken </al><al>wordt over methodes van afvalverwijdering ‘in het belang van de bescherming van het milieu’. Het artikel geeft </al><al>een wettelijke voorkeursvolgorde aan voor de verwijdering van afval, waaronder ook snoeiafval valt. Deze voor-</al><al>keursvolgorde is door de minister verwerkt in het Landelijk afvalbeheerplan 2002-2012. Het tweede lid van </al><al>artikel 10.4 Wm stelt dat voor zover het Landelijk afvalbeheerplan niet voorziet in het onderwerp met betrekking </al><al>waartoe een bevoegdheid wordt uitgeoefend, het bestuursorgaan rechtstreeks rekening houdt met de voor-</al><al>keursvolgorde. </al><al>Het verbranden van afvalstoffen staat als ultimum remedium in dit artikel vermeld. Dus eerst indien er geen </al><al>milieuvriendelijker alternatief aanwezig is, wordt het verbranden van afvalstoffen gezien als een methode van </al><al>afvalverwijdering. Als er wél een alternatief aanwezig is, welke hoger op de ladder vermeld staat, zoals het </al><al>hergebruik van afval (composteren, versnipperen) van snoeihout of het verbranden van snoeihout als brand-</al><al>stof of verbranden van afvalstoffen voor energieopwekking, dan wordt het verbranden van snoeihout in de</al><al>‘open lucht’ niet geacht een methode te zijn in het belang van de bescherming van het milieu.</al><al>Verbranden van afvalstoffen, waaronder ook snoeihout valt, is dus in principe verboden. Er zijn enkele ver-</al><al>werkingsmogelijkheden voor snoeihout zoals:</al><al>1. het versnipperen van snoeihout tot strooisel dat gebruikt wordt onder andere voor het ‘verstevigen’ en </al><al>aanduiden van paden in parken, bossen en tuinen. In het verleden is echter gebleken dat er maar een </al><al>beperkte vraag naar de houtsnippers is.</al><al>2. compostering van snoeihout; dit wordt door composteringsbedrijven omgezet tot goede kwaliteit com-</al><al>post. Het gaat dan voornamelijk om takhout dat gebruikt wordt wegens de beluchtende werking. Massieve </al><al>stammen en dergelijke worden niet geaccepteerd (AOO,2002)</al><al>3. het verbranden van snoeihout in een afvalverbrandingsinstallatie. Deze manier van verwerken levert een </al><al>beter verbrandingsproces op, waardoor minder uitstoot van schadelijke stoffen ontstaat. Ook zijn er ver-</al><al>schillende rookgaszuiveringen aan het proces gekoppeld, waardoor de emissie nog sterker vermindert </al><al>(AOO, 2002).</al><al>4. een nieuwe ontwikkeling die de komende jaren sterk gestimuleerd gaat worden is verwerking in een bio-</al><al>massacentrale. De rijksoverheid heeft fors ingezet op biomassa met betrekking tot het reduceren van de </al><al>broeikasgassen in het kader van het Kyoto-verdrag. De biomassacentrales in bijvoorbeeld Cuijk wil graag </al><al>schoon snoeihout ontvangen, dus zonder zwerfvuil, zand en niet chemisch vervuild (www.landschapsbeheer.nl). </al><al>5. direct bijstoken van snoeihout in elektriciteitscentrales lijkt ook een geschikt alternatief, omdat op die manier </al><al>gebruik wordt gemaakt van de energie-inhoud van het hout. Toch heeft jurisprudentie uitgewezen dat deze </al><al>verwerkingsmethodiek niet zomaar toe te passen is in verband met de wetgeving omtrent afvalstoffen.</al><al>6. In Nederland is een pilot geweest met voorvergassing van (snoei)hout, waarbij de gewonnen gassen in-</al><al>gezet worden bij een kolencentrale. Deze manier van verwerken mag wel, maar is echter nog geen stan-</al><al>daard methode (AOO, 2002)</al><al>7. het laten liggen van snoeihout. Er treedt dan wel verrijking van de bodem op met voedingsstoffen. Resul-</al><al>taat kan zijn dat er op termijn andere begroeiing komt. </al><al>Storten van afvalstoffen is al sinds 1996 niet meer toegestaan en wordt dan ook niet als alternatief gezien.</al><al>Kosten</al><al>Het in de open lucht verbranden van snoeihout is een goedkope oplossing om van het snoeihout af te komen. </al><al>Er zijn geen kosten voor de verbrander. Wel zijn er kosten voor de gemeente voor het verlenen van de ont-</al><al>heffingen (ambtelijke uren) en het publiceren en versturen van de ontheffingen. De hoogte van deze kosten </al><al>is afhankelijk van het aantal aanvragen voor een ontheffing. Er zijn nog geen ervaringscijfers bekend. De </al><al>feitelijke kosten worden dus hier niet behandeld, omdat die erg afhankelijk zijn van de hoeveelheden, inza-</al><al>melmogelijkheden, verwerkingsmethoden, subsidies enz. Alle alternatieven voor het ontdoen van snoei-</al><al>hout kosten voor de snoeier (meer) geld en dat levert vaak veel weerstand op. Een goed financieel haal-</al><al>baar alternatief is op dit moment niet voorhanden.</al><al>Leges </al><al>Er kunnen voor het verlenen van een ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid van de Wet milieu-</al><al>beheer geen leges worden geheven. Artikel 10.34a van de Wet milieubeheer bepaalt namelijk: “Met be-</al><al>trekking tot beschikkingen tot verlening, wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing krachtens </al><al>deze wet worden geen rechten geheven”. De ontheffing op grond van artikel 10.63, tweede lid van de </al><al>Wet milieubeheer is een beschikking tot verlening van een ontheffing krachtens de Wet milieubeheer. </al><al>Voor het verlenen van een aanvullende ontheffing op grond van artikel 5.5.1 van de Algemene Plaatselijke </al><al>Verordening van de gemeente Oirschot (uit het oogpunt van de openbare orde) kan wel leges worden </al><al>geheven.</al><al>Algemene Plaatselijke Verordening</al><al>Voor het verbranden van afvalstoffen buiten inrichtingen is in de eerste plaats een ontheffing nodig op grond </al><al>van artikel 10.63, tweede lid van de Wet milieubeheer. Het college kan een ontheffing verlenen, indien </al><al>het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet. Met andere woorden, het college </al><al>kan weigeren om een ontheffing te verlenen op grond van milieuhygiënische argumenten. </al><al>Met het verbranden van afvalstoffen zijn echter vaak openbare orde- en veiligheidsaspecten van belang. </al><al>Artikel 10.63, tweede lid van de Wet milieubeheer biedt geen mogelijkheid om de vergunning te weigeren, </al><al>indien de openbare orde en veiligheid in het geding is. Bovendien kunnen de voorschriften verbonden aan </al><al>een dergelijke ontheffing ook alleen dienen ter bescherming van het milieubelang. Artikel 5.5.1. vult daarom </al><al>voor wat betreft deze aspecten de Wet milieubeheer aan. Artikel 5.5.1, tweede lid van de Algemene Plaatse-</al><al>lijke Verordening biedt de mogelijkheid om, naast de ontheffing op grond van de Wet milieubeheer, een ont-</al><al>heffing te verlenen waarin de aspecten van openbare orde en veiligheid worden geregeld. Tevens wordt het </al><al>college de mogelijkheid geboden om aan deze ontheffing voorschriften ter verbinden die het belang van de </al><al>openbare orde en veiligheid beschermen. De weigeringsgronden worden genoemd in het derde lid. De </al><al>situatie is denkbaar dat er geen reden is om de ontheffing op grond van de Wet milieubeheer te weigeren, </al><al>maar dat in het belang van de openbare orde of veiligheid op grond van de Algemene Plaatselijke Verorde-</al><al>ning wordt geweigerd. In dit geval mogen afvalstoffen niet buiten inrichtingen verbrand worden.</al><al>Procedure voor ontheffing</al><al>De afdelingen 3.4 en 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht zullen tot een nieuwe afdeling 3.4 worden </al><al>samengevoegd via de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure. In de Aanpassingswet uniforme </al><al>openbare voorbereidingsprocedure Awb, die naar verwachting binnenkort bij de Tweede Kamer zal worden </al><al>ingediend, zal artikel 10.64 van de Wet milieubeheer worden uitgebreid met een derde lid: “In afwijking van </al><al>het eerste lid is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op een ontheffing als </al><al>bepaald in artikel 10.63 tweede lid”. De streefdatum voor de inwerkingtreding van de Wet uniforme openba-</al><al>re voorbereidingsprocedure en de Aanpassingswet openbare voorbereidingsprocedure Awb is naar ver-</al><al>wachting op 1 juli 2004. De VNG adviseert ons om bij de behandeling van de aanvraag voor een ontheffing </al><al>op grond van artikel 10.63, tweede lid van de Wet milieubeheer te anticiperen op het nieuwe artikel 10.64 </al><al>derde lid van de Wet milieubeheer. Dit betekent dat bij het verlenen van deze ontheffing de (huidige) uitge-</al><al>breide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.5 niet meer hoeft te worden gevolgd.</al><al>De volgende procedure voor het verlenen van een ontheffing wordt toegepast (titel 4.1 van de Algemene </al><al>wet bestuursrecht):</al><al>1. De aanvraag wordt door middel van het aanvraagformulier ‘verbranden van snoeihout in het Buitenge</al><al>bied’ schriftelijk ingediend. Hierop moet worden aangegeven wanneer men wenst te stoken en wat </al><al>de reden is van de aanvraag (vreugdevuur, snoeihout verbranden).</al><al>2. Vervolgens wordt door de gemeente binnen 8 weken na de ontvangst van de aanvraag een besluit ge-</al><al>nomen op het verzoek en naar de aanvrager toegezonden. Aan de ontheffing worden specifieke voor-</al><al>waarden verbonden om de bescherming van milieubelangen te waarborgen. Wel wordt bij elke aan-</al><al>vraag gekeken naar de situatie en een eventueel aangepast voorwaarden-pakket opgesteld;</al><al>3. In een publicatie op de gemeentelijke pagina van een huis-aan-huiskrant worden de ontheffingen </al><al>gepubliceerd, waarna bezwaar mogelijk is op grond van de Algemene wet bestuursrecht;</al><al>4. Indien er geen bezwaren zijn ingekomen is het besluit onherroepelijk en kan de aanvrager gebruik </al><al>maken van zijn ontheffing. </al><al>5. Deze schriftelijke ontheffing of een overzicht daarvan wordt op verzoek verzonden naar de brandweer, </al><al>de politie en de gemeentelijke handhavers.</al><al>De gemeente moet terughoudend zijn bij het verlenen van ontheffingen. Om die reden wordt gekozen voor </al><al>twee stookmaanden, namelijk maart en november. Door het instellen van stookperiodes kunnen de activi-</al><al>teiten worden gebundeld. In verband met de proceduretermijn zullen de aanvragen ruim van tevoren moe-</al><al>ten worden ingediend. Er is gekozen voor één aanvraagformulier voor de ontheffing van het verbrandings-</al><al>verbod. De aanvragen om ontheffing in de maand maart moeten uiterlijk 15 december worden ingediend. </al><al>De aanvragen om ontheffing in de maand november moeten uiterlijk 15 augustus worden ingediend.</al><al>Uitzonderingssituaties</al><al>Bepaalde openbare vuren, zoals het gebruik van vuurkorven en barbecues vallen buiten de reikwijdte van </al><al>het ontheffingenbeleid. Er is namelijk geen sprake van het ontdoen van afvalstoffen, maar het aanwenden </al><al>van afvalstoffen. Ook in artikel 5.5.1 van de APV staat dat het verbod niet van toepassing op de volgende </al><al>zaken: verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke, sfeervuren, zoals terrashaarden, vuur-</al><al>korven of vuur voor koken, bakken en braden, indien dat geen gevaar, overlast of hinder oplevert voor de </al><al>omgeving. Bij het houden van een vreugdevuur dat wordt aangevraagd op grond van dit beleid gelden voo-</al><al>rwaarden 1, 2 en 3 van het voorschriften pakket behorende bij de ontheffing niet. </al><al>Een tweede uitzondering is er een voor aangetaste bomen. Bij de bestrijding van besmettelijke ziektes </al><al>(bijvoorbeeld bacterievuur, Phytophthora) is het noodzakelijk op korte termijn passende maatregelen te </al><al>nemen, zoals het lokaal verbranden van de zieke bomen. Om het besmettingsgevaar te verkleinen kan </al><al>ook buiten de genoemde perioden van november en maart een ontheffing worden verleend. </al><al>Een verklaring van de Plantenziektenkundige Dienst in Wageningen is dan vereist.</al><al>Ontheffingscriteria</al><al>Belangrijk is dat er alleen ontheffingen worden verleend voor niet van derden afkomstig snoeihout. </al><al>De volgende criteria zijn ontwikkeld om een duidelijk afwegingskader te creëren. </al><al>1. Er mag alleen snoeihout worden verbrand, afkomstig van het eigen terrein en het moet op het eigen </al><al>terrein ook worden verbrand. Indien de eigenaar schriftelijk kenbaar maakt dat een huurder/pachter van </al><al>een perceel snoeihout mag verbranden op zijn terrein geldt dit criterium niet.</al><al>2. Binnen de bebouwde kom mag geen snoeihout worden verbrand. Deze notitie betreft dan ook het </al><al>verbranden van snoeihout in het Buitengebied van Oirschot. De grenzen van het nieuwe bestemmings-</al><al>plan Buitengebied worden hierbij aangehouden. Dit geldt ook voor het bestemmingsplan de Bollen. </al><al>Dit gebied wordt gezien als buitengebied. Er mag geen snoeihout dat ontstaan is binnen de bebouwde </al><al>kom naar het buitengebied worden overgebracht om daar te worden verbrand.</al><al>3. Er moet een afstand van minimaal 30 meter worden aangehouden van de brandstapel ten opzichte </al><al>van bebouwing, brandbare objecten, openbare weg en 100 meter ten aanzien van natuurgebieden </al><al>(bossen en heideterreinen) en gebouwen voorzien van een rieten kap die niet geïmpregneerd is. Voor </al><al>de bepaling of een gebied een natuurgebied is (bossen en heideterreinen, wordt gebruik gemaakt van </al><al>de kwetsbare gebiedenkaart zoals opgesteld door de provincie Noord-Brabant en genoemd in de Wet </al><al>ammoniak en veehouderij.</al><al>Indien aan deze criteria is voldaan, kan een ontheffing worden verleend met de daarbij behorende voor-</al><al>schriften.</al><al>Ontheffingsvoorschriften</al><al>Aan de ontheffing wordt een aantal eisen verbonden die er toe leiden dat de nadelige milieuhygiënische </al><al>effecten worden beperkt. De volgende set van basisvoorschriften worden gesteld. Afhankelijk van de </al><al>situatie kunnen door het college van burgemeester en wethouders nadere voorwaarden worden gesteld </al><al>aan de ontheffing.</al><al>1. Gestookt mag worden van 09.00 tot 17.00 uur.</al><al>2. Het stoken mag alleen plaatsvinden in de maanden november en maart. Indien er in de genoemde </al><al>maanden meer dan 20 regendagen per maand zijn geweest (www.knmi.nl) worden ook de eerste twee </al><al>weken van december respectievelijk april bij de stookperiode betrokken.</al><al>3. Het stoken mag niet plaatsvinden op zon- en/of feestdagen.</al><al>4. Het is niet toegestaan andere materialen en/of stoffen dan snoeihout, fruitsnoeihout, riet en aardappel- </al><al>en aspergeloof op te stoken. Definitie snoeihout: hout dat men van bomen of struiken haalt om het na-</al><al>tuurlijke proces om welke reden dan ook te bevorderen.</al><al>5. Om bodemverontreiniging te voorkomen is het op grond van artikel 13 van de Wet bodembescherming </al><al>(zorgplicht) niet toegestaan bij het aanmaken van het vuur gebruik te maken van brandbare vloeistoffen, </al><al>zoals benzine, spiritus of petroleum. De brandstapel mag slechts worden aangemaakt met behulp van </al><al>papier en/of stro.</al><al>6. Er moet een afstand van minimaal 30 meter worden aangehouden ten opzichte van bebouwing, brand-</al><al>bare objecten, openbare weg en 100 meter ten aanzien van natuurgebieden (bossen en heideterreinen) </al><al>en gebouwen voorzien van een rieten kap die niet geïmpregneerd is.</al><al>7. Ten opzichte van het oppervlaktewater moet een afstand van 10 meter worden aangehouden, zodat af-</al><al>spoeling onmogelijk wordt gemaakt.</al><al>8. Er mag niet gestookt worden bij regen, mist, draaiwind en/of een windkracht groter dan 4 volgens de </al><al>schaal van Beaufort (maximaal 7,9 m/s).</al><al>9. Er dient zodanig gestookt te worden dat er geen vliegvuur of hinder ten gevolge van rook kan ontstaan. </al><al>Bij hinder aan derden dient het stoken direct te worden beëindigd.</al><al>10. De verbranding mag uitsluitend plaatsvinden indien de windrichting zodanig is dat het verkeer op de </al><al>openbare weg niet kan worden gehinderd door rookontwikkeling en niet in de richting van gebouwen.</al><al>11. Per brandstapel mag maximaal 20 m³ snoeihout opgestookt worden.</al><al>12. Het grondoppervlak van de brandstapel maximaal 12 m² te zijn.</al><al>13. Het verbranden van snoeihout dient plaats te vinden op een onbrandbare ondergrond.</al><al>14. De verbrandingsresten moeten binnen 4 dagen na de verbranding worden verwijderd en op een ver-</al><al>antwoorde wijze worden afgevoerd.</al><al>15. Bij het vuur dient voortdurend toezicht te worden gehouden door tenminste 1 meerderjarige persoon. </al><al>Deze persoon moet beschikken over een schop en voldoende blusmiddelen om zonodig het vuur te </al><al>doven of te temperen. </al><al>16. Er mag alleen op het eigen terrein worden gestookt.</al><al>17. Het terrein mag niet worden verlaten voordat het vuur geheel gedoofd is.</al><al>18. Op verzoek van een toezichthoudende ambtenaar (gemeente, politie of brandweer) dient de aanvrager </al><al>de gemeentelijke ontheffing voor het stoken van snoeihout te tonen.</al><al>19. De aanwijzingen, gegeven door brandweer, politie of gemeentelijk toezichthouder dienen stipt en onmid-</al><al>dellijk te worden opgevolgd.</al><al>20. Het college van burgemeester en wethouders kunnen te allen tijde nadere voorschriften stellen.</al><al>Mandatering</al><al>Voorheen werden de stookvergunningen, die verleend werden op grond van de Algemene plaatselijke ver-</al><al>ordening, ondertekend door de medewerker van de Centrale Balie, namens het college van burgemeester </al><al>en wethouders. Dit ondertekeningsmandaat wordt gewijzigd, omdat de meeste stookvergunningen nu zijn </al><al>gebaseerd op de Wet milieubeheer. Het afdelingshoofd van de afdeling Ruimte, Bouwen en Milieu is be-</al><al>voegd de ontheffingen (beschikkingen) te ondertekenen.</al><al>Handhaving</al><al>Het zonder ontheffing verbranden van snoeihout of andere afvalstoffen is een overtreding van artikel 10.2 </al><al>van de Wet milieubeheer. In de Wet op de economische delicten is de overtreding van dit artikel aan-</al><al>gemerkt als een economisch delict. Dit betekent dat er ook strafrechtelijk kan worden opgetreden bij de </al><al>constatering van een overtreding: er wordt proces verbaal opgemaakt. Naast de strafrechtelijke handhaving </al><al>is bestuursrechtelijke handhaving mogelijk op grond van de Algemene wet bestuursrecht.</al><al>Vaststellen beleid</al><al>Het besluit tot vaststelling van deze notitie is met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuurs-</al><al>recht voorbereid. Er is een publicatie in het Weekjournaal geplaatst en belanghebbenden kunnen gedurende </al><al>vier weken hun zienswijze hierover bekend maken (artikel 3:11 en 3:13 van de Awb). Naar aanleiding van de </al><al>bekendmaking van het ontwerp-beleidstuk is één zienswijze ingekomen. De zienswijze luidt als volgt: De ge-</al><al>hanteerde afstanden van 100 meter t.o.v. onder andere een niet-geïmpregneerde rieten kap zijn buiten alle </al><al>proporties. Wij hebben deze zienswijze meegenomen bij de definitieve vaststelling van dit beleid en advies </al><al>gevraagd bij de Brandweer Oirschot. Naar aanleiding van het advies komen wij tot de volgende conclusie: </al><al>Rekening houdende met het gegeven dat de uitwerking van warmte-overdracht door hittestraling in combi-</al><al>natie met vliegvuurgas zo overheersend is dat de gevolgen van vliegvuur en warmte-overdracht moeilijk te</al><al>kwantificeren is ( er moet namelijk rekening worden gehouden met de windrichting, windsnelheid en ver-</al><al>brandingstemperatuur) is aanleiding geweest om de niet geimpregneerde rieten daken gelijk te stellen met </al><al>de afstand van 100 meter in casu gelijk aan de afstand tot de bossen.</al><al>De zienswijze vormt geen aanleiding om het beleid ten opzichte van het ontwerp aan te passen.</al><al>Overgangsperiode </al><al>Gezien de korte termijn en de verplicht te doorlopen procedures (de vaststelling van het beleid én het ver-</al><al>lenen van de ontheffingen) is besloten om voor het jaar 2004 de perioden april en mei en november aan te </al><al>wijzen als stookmaanden. Dit omdat de termijn te kort is om maart als stookperiode te halen.</al><al> </al></artikel></regeling-tekst></regeling></body></cvdr>